EN ZIJN ZONEN EEN BRUGSE GLAZENIERSFAMILIE Andries Van den Abeele. De geschiedenis van de kunstambachtelijke activiteiten in Brugge tijdens de negentiende eeuw blijft nog een grotendeels onontgonnen terrein. Deze geschiedenis is op belangrijke wijze verbonden met de neogotiek[1], alhoewel dit niet de enige bron van inspiratie was voor de meeste van onze beeldhouwers, meubelmakers, kunstsmeden of beoefenaars van talrijke andere kunstambachten: zij pasten zich in grote mate aan de wisselende modes en aan de wensen van hun klanten aan. Over één van deze kunstambachten, dat van de Brugse glazeniers of glasschilders is alvast tot hiertoe weinig gepubliceerd. Men weet natuurlijk dat de eerste onder hen, zowel chronologisch als in kunsthistorische belangrijkheid Jean Bethune (1821-1894)[2] is geweest, die in 1854 in Brugge een atelier voor glasramen oprichtte. Bethune was niet alleen een kunstenaar die een welbepaalde kunstrichting volgde en propageerde, hij was ook een gefortuneerd en goed gehuwd edelman die deze activiteiten niet om den brode hoefde te doen en het zich kon veroorloven alleen het werk uit te voeren dat overeenstemde met zijn artistiek credo. Zijn werkplaats bleef maar korte tijd in Brugge. Vanaf 1859 vestigde hij zich in Gent. Ongeveer gelijktijdig met hem, en onafhankelijk van hem en van elkaar, waren twee andere Bruggelingen de glazenierskunst aan het aanleren. De oudste was Henri Dobbelaere (1822-1885)[3], die al een niet onaardige reputatie als schilder van historische en godsdienstige taferelen had. De jongste was Samuel Coucke (1833-1899)[4], die in het kunstatelier van zijn schoonbroer Louis Grossé werkzaam was en er de mogelijkheden had vastgesteld die zich boden voor een jongeman die zich in een op kerken en bidplaatsen gericht kunstambacht wou specialiseren. Zij waren niet de enige in België om deze richting in te slaan. De verslagen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten bevatten talrijke namen van glazeniers, over wiens ontwerpen advies moest worden uitgebracht. Waren tot 1850/1860 de Belgische glasramen hoofdzakelijk het werk van Pluys in Mechelen en van Capronnier senior in Brussel, vanaf 1860 ontstonden tientallen glazeniersateliers. Tussen 1850 en 1910 legden meer dan vijftig glazeniers werk voor aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Sommige werden belangrijke producenten zoals Ladon en Casier in Gent, Helbig in Luik, Stalins in Antwerpen, enz[5]. Ook in Brugge kwamen zich nog verschillende glazeniers bij Dobbelaere en Coucke voegen. Louis Grossé - de Herde (1840-1929), zoon van goudborduurder Louis Grossé, verliet rond 1880 de wijnhandel om zich als glazenier te vestigen. Verder waren er nog Van Steenkiste in de Sint-Amandstraat, Oscar Annys - De Doncker (1861-1901)[6], in de Katelijnestraat en daarna langs de Gentpoortvest, Joseph Annys - De Backer op de Rozenhoedkaai[7] en Alphonse Vincent in de Molenmeers[8]. Vergeten we hierbij ook Jules Dobbelaere (1859-1916) niet, de zoon en opvolger van Henri Dobbelaere. Zelfs James Weale (1832-1917) meldde zich een korte tijd als leverancier van glasramen aan, maar alleen als coördinator die niet over een eigen atelier beschikte. Hij deed de glasramen dan nog niet eens in Brugge aanmaken, maar bestelde ze bij glazenier F. Nicolas in Roermond, die ze maakte naar tekeningen door Auguste Mingaye en met glas dat uit Birmingham werd ingevoerd[9]. Samuel Coucke Samuel Coucke, in Brugge geboren op 1 oktober 1833, was de zoon van politiesergeant Carolus Coucke (1792-1853) en Maria Mondy (1799-1874). Hij was de achtste in een rij van twaalf kinderen en groeide op in een gezin met geringe intellectuele en financiële mogelijkheden[10]. De opening naar de beoefening van een kunstambacht kwam er via zijn twintig jaar oudere schoonbroer Louis Grossé (1811-1899) die in 1843 gehuwd was met Coleta Coucke (1822-1886)[11]. Grossé leidde Samuel Coucke in zijn atelier op tot galonwever en goudborduurder. Bij zijn huwelijk in 1859 werd Samuel nog vermeld met het beroep van "passementier”. Nochtans had hij toen al een paar maal de stad tijdelijk verlaten om zich te gaan inwijden in de glazenierskunst. Volgens eigen zeggen had hij de revelatie van het glasschilderwerk gehad op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1855[12] en had dit er hem toe gebracht zich de glazenierstechnieken te gaan eigen maken in Duitse en Engelse ateliers. In 1858 startte hij met zijn nieuw beroep. Op 4 mei 1859 huwde hij met Sophie Naert (1828-1899)[13] die hij had leren kennen in het atelier Grossé en die na het overlijden van haar ouders[14] niet onbemiddeld was[15] en hem de mogelijkheid bood om, na enkele maanden in een huurwoning in de Academiestraat te hebben gewoond[16], een eigen huis aan te kopen, Korte Vuldersstraat 16, waar zij in de loop van de maand mei 1860 hun intrek namen en hij zijn atelier vestigde[17]. Hij bouwde een oven in de tuin en een paar jaar later verbouwde hij een bijgebouw tot atelier met een venster waar de brandglazen in opmaak konden worden tegenaan geplaatst.[18] De eerste stappen van Samuel Coucke waren niet gemakkelijk. Hij greep weliswaar hoog door de restauratie op zich te nemen van glasramen in de kerk van Zoutleeuw en in de Zavelkerk in Brussel[19]. Zijn ontwerpen kregen maar moeizaam goedkeuring in de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Alvorens zich over de voorgelegde ontwerpen uit te spreken, wou de Commissie zich vergewissen van de kunde en mogelijkheden van die voor haar nieuwe ontwerper. In mei 1861 kwamen dan ook enkele leden hem in de Korte Vuldersstraat een bezoek brengen. Hoofddoel was het keuren van de ontwerpen die hij had gemaakt voor de restauraties in Zoutleeuw. De leden van de Commissie waren nogal tevreden over de materiële uitvoering, maar hadden bemerkingen over de compositie en tekeningen, die behoefte hadden, zo vonden ze, door een goede “peintre d’histoire” te worden herzien[20]. Het jaar daarop werd opnieuw een nogal kritisch rapport uitgebracht, waarbij men het weer vooral over de regels van de iconografie had[21]. Nog kritischer werden de heren wat betreft de restauratie van de glasramen van de Zavelkerk in Brussel. Opnieuw brachten enkele leden een bezoek in het atelier van Coucke, waarop de Commissie eenparig adviseerde “que ces peintres-verriers n’ont pas encore acquis l’habileté suffisante pour pouvoir être chargés d’un travail aussi important que les vitraux du chœur de l’église de Notre-Dame au Sablon à Bruxelles[22]. Toen de glasramen in Zoutleeuw geplaatst waren, ging de Commissie een kijkje nemen en vond dat ze “trop médiocres” waren om in een zo merkwaardig monument te worden geplaatst[23]. De kritiek van de Commissie, hoe vernietigend ook, diende met een korrel zout te worden genomen. Ook de groten, zelfs Capronnier en Pluys, zelfs Bethune kregen soms gelijkaardige bemerkingen te verduren. Ze beletten trouwens niet dat de opdrachten ondanks die kritiek door Coucke werden uitgevoerd. Die had namelijk in het aartsbisdom een stevige verdediger in de persoon van de gezaghebbende kunsthistoricus en publicist, priester Hyacinthe de Bruyn[24]. Hij lijkt nochtans niet erg gebrand te zijn geweest op dit soort werk. Behalve de restauratie in 1896 van het Sint-Barbararaam in de Sint-Salvatorskerk in Brugge[25], zijn ons van hem geen andere restauraties bekend. Hij legde zich volledig toe op nieuwe glasramen, die trouwens ook in veel gevallen door de Commissie voor Monumenten moesten beoordeeld worden[26]. Kunst en techniek van de glazenier De heropbloei van de glazenierskunst, vanaf het midden van de negentiende eeuw, ging samen met de belangstelling voor rijker aangeklede kerken. Een belangrijk katholiek mecenaat steunde de kunstambachten die op vernieuwing en stoffering van het kerkinterieur waren afgestemd. Samuel Coucke paste in de neogotische beweging die tot volle ontplooiing kwam. Veel, zoniet de meeste van zijn werken zijn in gotische stijl – of naar gotisch model – ontworpen. Dit was evenwel geen exclusieve stijlrichting en Coucke adverteerde bij herhaling dat hij in alle stijlen kon werken, naar gelang de wensen van de klant en de stijl of aankleding van het gebouw waarvoor men glasramen wilde. Het is niet helemaal duidelijk of hij zelf de ontwerptekeningen voor de glasramen maakte, hoewel dit toch waarschijnlijk is. Een aantal van die ontwerpen berust in het prentenkabinet van het Groeningemuseum en een grondiger studie kan wellicht tot een aantal conclusies leiden[27]. Men kan zeker niet zeggen dat de werken van Samuel Coucke weergaloos grote kunst zijn. Zoals bij zoveel uitingen van het negentiende-eeuwse kunstambacht mist men het sprankeltje genie dat van een goed ambachtelijk werkstuk een groot kunstwerk zou maken. Nochtans gaat het in veel gevallen om niet onverdienstelijk werk, waarbij de inspanning werd geleverd om met aangepast glas (“verre antique” of “verre cathédrale”) het koloriet en de kleurenwarmte uit de glorietijden van de glazenierskunst te evenaren. Dat ook de brandtechniek op punt stond ziet men aan de frisheid van een aantal van de glasramen, bijna honderdvijftig jaar na hun fabricatie. Een goed voorbeeld geeft het hoogkoor van de H.-Magdalenakerk in Brugge, waar men in de middenvensters de glasramen van Samuel Coucke ziet (één is zelfs versierd met een groot monogram van de artiest) en ze kan vergelijken met de glasramen in de zijvensters die door Henri Dobbelaere werden geleverd. Het is bij deze vergelijking duidelijk dat de glasramen in de middenvensters al hun frisheid en koloriet hebben bewaard, terwijl die van de zijramen wellicht met glas van mindere kwaliteit werden gemaakt en minder goed gebakken werden. Zonder deze vaststelling te willen veralgemenen, noch ten gunste van Coucke noch ten nadele van Dobbelaere, is het in dit voorbeeld duidelijk dat Samuel Coucke de techniek van het glasraam goed geassimileerd had. Hij was hierbij meer glazenier in de goede zin van het woord dan glasschilder. De echte techniekbeheersing bestaat er immers in tot figuratieve taferelen te komen door de variatie van het gekleurd glas dat men in lood steekt, waarbij slechts minimaal met overschildering wordt bijgewerkt. Hierin bestond precies de revalorisatie van het kunstambacht dat in de decadente periode verworden was tot “schilderen op glas”, waarbij op de limiet een effen glaspaneel kon worden gebruikt waarop een tafereel werd geschilderd – inclusief het nagebootste lood -, wat dan eigenlijk niet veel meer gemeen had met de echte glazenierskunst. In het werk van Coucke zijn ook de inspanningen duidelijk die geleverd werden om iconografisch correct werk te leveren, om heraldisch juist te zijn (de mecenas wenste meestal zijn familiewapen vereeuwigd te zien) en om tevens in de kleuren, de houding, de klederdracht van de personages, de middeleeuwse voorbeelden na te volgen. De kwaliteit van het door Samuel Coucke geleverd werk moet vanzelfsprekend nog meer in detail bestudeerd worden. Pas op grond van deskundige analyse van een zo ruim mogelijk aantal werken kan men tot een gefundeerd oordeel komen over zijn betekenis als vakman en als kunstenaar. Vooral toen de zoons actief werden in het atelier, begon men ook meer publiciteit te maken. Er werden prospectussen rondgestuurd en aankondigingen geplaatst in kranten en tijdschriften. Men nam ook deel aan tentoonstellingen.[28] De Bruggeling Coucke Het lijkt ons niet onbelangrijk Samuel Coucke te situeren in zijn omgeving. Niet alleen kan dit aanwijzingen geven over het milieu waarin hij klanten wierf maar ook een beeld geven van de wereld waarin hij leefde en die hem inspireerde. Hij was immers niet alleen glazenier maar ook een actief lid van de Brugse gemeenschap van zijn tijd. Hij speelde zelfs vanaf 1860 tot aan zijn dood een niet-onbelangrijke rol in het sociaal leven. Nooit op het voorplan, want in de geest van de tijd werden de vooraanstaande plaatsen in het maatschappelijk leven bezet door leden van de adel of door beoefenaars van “edele” vrije beroepen: priesters, advocaten, notarissen, geneesheren, soms magistraten. Daarbij had hij een goedhartig en joviaal karakter dat hem niet aanzette tot getrancheerde houdingen of grote ambities. Hij was evenwel bij vele activiteiten nadrukkelijk aanwezig. Op het politiek vlak ontmoeten we hem in de middens van de katholieke partij. Begin 1861 werd hij lid van de Concorde, de katholieke kiesvereniging[29]. Vanaf 1862 verscheen hij op de kiezerslijsten[30]. Zelf was hij nooit kandidaat voor een politiek mandaat, maar hij zal ongetwijfeld zijn schoonbroer Louis Grossé gesteund hebben die herhaaldelijk op onverkiesbare plaatsen stond bij gemeenteraadsverkiezingen. Rond dezelfde tijd, 1860 of 1861 werd Samuel Coucke betalend lid van de vereniging die de Vrije Stedelijke Academie beheerde[31]. In 1863 werd hij voorgedragen om in het bestuur – de “jointe” – van de Academie te zetelen, maar het is pas in 1870 dat hij er werkelijk deel ging van uitmaken. In dit milieu ontmoette hij de top van de politieke en maatschappelijke voormannen van de stad. Tot het bestuur van de Academie behoren was in die tijd een geprezen onderscheiding. Van 1871 tot 1877 ondertekende Samuel Coucke regelmatig het presentieboek, wat aantoont dat hij de inspectietaak die de bestuursleden op zich namen, ernstig opnam[32]. In 1877 nam hij ontslag en dit was een onderdeel van de scherpe tegenstellingen die in de Academieleiding tot uiting kwamen, als nasleep van de machtswissel die op het stadhuis had plaats gegrepen[33]. Ook Louis Grossé maakte vele jaren deel uit van de “jointe”, evenals een andere schoonbroer van Coucke, Jozef Naert (1844-1910) die in 1862 de tweede prijs van Rome voor architectuur behaalde (Louis Delacenserie was dat jaar Eerste prijs) en in 1866 de Eerste prijs[34], nadat hij juist voordien de driejaarlijkse prijs voor architectuur van de stad Brussel had gekregen[35]. Na een paar reizende jaren door Italië en Griekenland, ging hij zich in Brussel vestigen, werd er stadsarchitect en ontwierp hier en daar gebouwen, zoals bij voorbeeld het Kursaal van Oostende[36]. Men vond Samuel Coucke aanwezig bij de stichting van het Davidsfonds in Brugge in 1875 en in 1893 werd hij er bestuurslid[37], zoals ook in de Vlaamsche Broederbond waar hij medeorganisator was van de Vlaamse landdag die in augustus 1887 in Brugge plaatsvond naar aanleiding van de inhuldiging van het standbeeld van Breydel en De Coninck. In deze Broederbond behoorde hij op zeker ogenblik tot een contesterende groep, doch wat later werd hij opgenomen in het bestuur[38]. Hij werd ook lid als “membre artiste” van de Cercle artistique Brugeois die werd voorgezeten door advocaat en stadsbibliothecaris Gustave Claeys (1844-1907)[39] In de caritatieve sfeer was Samuel Coucke dismeester van Sint-Salvator (vanaf 1885)[40] en gedurende bijna veertig jaar bestuurslid en voorzitter van het Werk voor de behoeftige ouderlingen[41]. Vanzelfsprekend nam hij actief deel aan het confrérieleven op zijn parochie, onder meer in de Broederschap van de berechtinge, genaamd Sacra. Hij werd er deken van en werd op 15 december 1890 gevierd na 25 jaar lidmaatschap[42]. Nadien werd hij ook nog thesaurier van deze confrérie[43]. In 1877 ontstond de Katholieke Burgersgilde die, onder de leiding van de Vlaamsvoelende dokter Eugeen Van Steenkiste[44], de democratische vleugel van de katholieke kiesvereniging wilde zijn. Samuel Coucke behoorde niet tot de zes initiatiefnemers, maar vanaf de eerste ledenlijst kwam hij voor als “erelid”. Zijn tweede zoon Eloi was vanaf de stichting werkend lid en werd trouwens in 1928 omwille van vijftig jaar lidmaatschap gevierd. Zijn oudste zoon Joseph was verscheidene jaren secretaris van de Burgersgilde[45]. Was de Katholieke Burgersgilde een ontmoetingsplaats voor de kleine burgerij en middenstand, men ging van daaruit nog een stap verder door in maart 1887 de Gilde der Ambachten op te richten, waar in de lijn van de encycliek Rerum Novarum en volgens het middeleeuws corporatief model, meesters en gezellen zich verenigden om hun gemeenschappelijke belangen te bespreken en te behartigen en om door een aantal activiteiten en organisaties de arbeiders te steunen en hogerop te helpen. Dit alles met middelen en volgens gedachten die thans paternalistisch klinken maar op dat ogenblik de initiatiefnemers in de ogen van sommigen voor gevaarlijke individuen deden doorgaan. Samuel Coucke was één van de stichters van de Gilde der Ambachten en zetelde tot aan zijn dood in het bestuur, als één van de drie “meesters”, naast de vier “gezellen” en de proost Eerwaarde heer Mervillie. Vanaf de stichting hield de Gilde zich onder meer bezig met het oprichten van ziekenkassen en spaarkassen, het verschaffen van broodkaarten (“het brood even goedkoop als bij de socialisten”), het sluiten van overeenkomsten met geneesheren en apothekers, het verlenen van kosteloze rechtsbijstand en ook nog met arbeidsbemiddeling[46]. Dit laatste werd behartigd door een “Commissie van het werk” waarvan Coucke onafgebroken lid bleef[47]. Zowel in de Katholieke Burgersgilde als in de Gilde der Ambachten speelde Samuel Coucke – en ook sommige van zijn zoons – een heel actieve hoewel nooit een eersterangsrol. Men ontmoet zijn naam bij het organiseren van activiteiten zoals de nijverheidstentoonstellingen – jaarbeurzen avant la lettre -, bij het versieren van de lokalen, het schilderen van decors voor toneeluitvoeringen, het leveren van ontwerpen voor gildenvlaggen, enz. Wanneer in 1895 een grote zegestoet door de Brugse straten trok ter gelegenheid van de goedkeuring van de wet die de bouw van Brugge-Zeehaven mogelijk maakte, vormde de bijdrage van de Gilde der Ambachten een stoet in de stoet, die bijzonder opviel door de panelen, opschriften en “transparanten” die het huis Coucke hiervoor had gemaakt[48]. In 1894 schonk senator Van Ockerhout verschillende huizen in de Oude Burg, waar het nieuw Gildenhuis werd van gemaakt. Men bouwde onmiddellijk, volgens ontwerp van architect De Wulf een zaal “die 2.000 man zal kunnen bevatten”. Coucke zorgde voor de glasramen met daarin de wapens van de voornaamste ambachten[49]. Vanaf 1897 kreeg het Gildeblad een hoofding in echte “Coucke”stijl. Een ander publiek optreden van Samuel Coucke was zijn verklaring op 18 juli 1886 afgelegd voor de door de regering opgerichte Commissie over de industriële arbeid. Coucke was één van de drie Bruggelingen die voor deze commissie kwamen getuigen en hij deelde er zijn tamelijk pessimistische opinie mee[50]. In de geest van sociale verbondenheid die hem bezielde, werd hij in 1891 tot lid verkozen van de Werk- en Nijverheidsraad. Vooral bleef hij en dit nog op de avond voor zijn dood één van de meest permanent aanwezige bestuursleden op de activiteiten georganiseerd door de Gilde der Ambachten. We moeten ook nog vermelden dat hij, ondanks zijn grote gezinslast, twintig jaar lid was van de Burgerwacht. Het schepencollege lijfde hem in op 5 april 1861, hij werd korporaal in 1863, sergeant in 1869, in december 1880 werd zijn ontslag aanvaard als sergeant en werd hij overgeplaatst naar een andere compagnie. Pas in 1884 werd hij op rust gesteld “pour cause d’âge”.[51] Buitenlandse leveringen en reizen Vanaf 1880 ging Samuel Coucke zich inspannen om afzetgebieden in het buitenland te vinden. Volgens zijn verklaringen werd hij hiertoe genoopt omdat de schoolstrijd vanaf 1879 de vrijgevigheid van de katholieken naar scholenbouw en –onderhoud draineerde, ten nadele van het traditioneel mecenaat dat graag iets over had voor de opsmuk van kerken en bidplaatsen. Twee belangrijke leveringen van glasramen in Jeruzalem en in Rome, waren meteen de aanleiding voor verre reizen. In 1885 ondernam Samuel Coucke samen met zijn jeugdvriend A. Verbeke-Carette, de reis naar Jeruzalem, waar hij de glasramen ging leveren en plaatsen voor een hoofdzakelijk dank zij Belgisch mecenaat opgerichte neogotische kerk. Dit leverde hem de eer op als Ridder in de Orde van het Heilig Graf te worden opgenomen. Bij zijn terugkeer hield hij over zijn verre reis voordrachten. Begin 1888 volgde dan zijn reis naar Rome, opnieuw samen met Verbeke, waarvan de zakelijke zijde was dat hij de glasramen ging afleveren en plaatsen die hij voor de nieuwgebouwde kerk van Corpus Christi had gemaakt. De kerk werd hoofdzakelijk gefinancierd door een naamloos gebleven Belgische familie, voor de Congregatie van de Eeuwige Aanbidding waar de Belgische Anna de Meeûs de overste van was. Architect was de Bethune en de meeste kunstwerken die de kerk versierden kwamen uit België. De twee glasramen door Samuel Coucke geleverd, stelden de heilige Anna en de heilige Joachim voor. Ze werden geschonken (door Coucke? door een opdrachtgever?) aan Paus Leo XIII ter gelegenheid van zijn priesterjubileum[52]. Die schonk dan op zijn beurt de ramen aan de nieuwe kerk. Coucke hield er alvast de pauselijk onderscheiding “Pro ecclesia et pontifice” aan over. De reis kreeg een bijzondere weerklank omdat Samuel Coucke op zondag 19 februari in audiëntie werd ontvangen door paus Leo XIII aan wie hij een huldeadres mocht overhandigen namens de Gilde der Ambachten[53]. De aanmoedigende woorden van de paus voor de jonge sociale organisatie, nog bevestigd in een bedankbrief die hij haar stuurde[54], betekenden een belangrijke zweepslag voor de jonge Gilde en Coucke werd bij zijn terugkeer als de held van de dag verwelkomd. Ook over deze reis gaf hij voordrachten, zowel voor de Katholieke Burgersgilde[55] als voor de Gilde der Ambachten[56]. Ondertussen trok hij op 30 april 1888 met een delegatie van de Gilde mee naar Brussel om er de eerste verjaardag van hun zusterorganisatie, de “Maison des ouvriers” mee te vieren[57]. Hij gaf ook later nog voordrachten. In 1890 trad hij op voor de Katholieke Burgersgilde onder de titel “Oude Vlaamsche spreuken en gebruiken”[58]. Het gezin Coucke Er rest ons nog Samuel Coucke wat nader te leren kennen in zijn familiale omgeving. Zijn ganse huwelijksleven bracht hij door in het in 1860 aangekochte huis Korte Vuldersstraat 16. In de tuin bouwde hij de kleine oven[59] waar hij het glas – en later ook ceramiek en porselein – bakte. Op de eerste verdieping van het huis richtte hij zijn atelier in: het groot venster waartegen de in opbouw zijnde glasramen werden geplaatst, is vanop straat nog steeds zichtbaar. Het huis zelf werd gaandeweg omgebouwd tot een soort neogotisch tempeltje: vloertegels, houtbekleding en beschildering van de muren, muurversieringen met glazuren tegels en gotische schouwen vormden het décor, dat werd vervolledigd door neogotische meubels en huisgerief[60]. In dit décor, dat mede werd gekenmerkt door de aanwezigheid van neogotische kruisbeelden, Mariabeelden en andere devotievoorwerpen, groeide een talrijk gezin op. De kinderen Coucke-Naert waren: Joseph (1859-1941), Eloi (1860-1829), Theophile (1862-1941), Henri (1863-1900), Georges (1865-1950), Medard (1868-1940), Hortense (1869-1869), Christine (1871-1874), Julienne (1873-1895) en Alice (1876-1918). Zij werden in een patriarchale en bijna kloosterlijke, in ieder geval bijzonder vrome geest opgevoed. Twee dochtertjes stierven vroegtijdig, een derde stierf op tweeëntwintigjarige leeftijd en de jongste werd kloosterzuster bij de Zusters van de H.-Jozef in de Zilverstraat. De zes zonen deden lagere en middelbare studies in het Sint-Lodewijkscollege of bij de Broeders Xaverianen en vervolmaakten zich in artistieke richting, in de Brugse Academie, in Antwerpen of elders. Met die talrijke zonen, die slechts laat huwden of vrijgezel bleven en in het ouderlijk huis bleven wonen, had Samuel Coucke iets speciaals voor[61]. Hij droomde van een ideale werkverdeling, een soort middeleeuwse gemeenschap, waarbij elke zoon één of een paar aspecten van het artistiek vak onder de knie zou krijgen om in harmonische samenwerking tot een goed functionerende kunstgemeenschap uit te groeien. Vanaf 1880 heeft hij dit ideaal nagestreefd en het ook in zekere zin gestalte kunnen geven[62]. Naast de zonen telde het atelier ook een tiental medewerkers, die als deel uitmakend van de familie beschouwd werden. Niet alle zonen konden zich verzoenen met de plaats en met het loon die hun door de goedmenende maar patriarchale vader werden toegemeten. Rond 1891 verliet Georges het gotisch schrijn, gevolgd door Henri in 1894 en door Medard in 1896. Het feit dat beide laatste huwden was er oorzaak van dat zij, niet met de volle zin van Samuel, op eigen vleugels gingen vliegen. Georges was dan nog een ander geval: hij liep gewoon weg. De patriarch bleef rond zich de drie oudsten houden, die vrijgezel bleven. De oudste, Joseph, trad in het huwelijk na het overlijden van zijn ouders. In het zelfs naar negentiende-eeuwse normen wel erg strikt aangehouden familieverband was het nochtans, voor wie er zich mee kon verzoenen, goed te leven. Samuel was tot een zekere welstand gekomen en organiseerde graag uitgebreide familiefeesten, met overvloedige tafelgenoegens. De kinderen waren muzikaal opgevoed en de verschillende instrumenten die werden aangeleerd lieten toe een huisorkestje te vormen. Dit kwam goed van pas, want ieder feestdag of jubileum was gelegenheid tot aanleren van een huldedicht dat voor de gelegenheid werd geschreven en getoonzet en meestal in een keurige, gotisch versierde brochure werd gedrukt. De auteurs hiervan waren soms de Couckes zelf, maar vaker Hyppoliet Ledeganck, Jeroom Notredaeme (1862-1933)[63] of later ook Jozef Axters s.j. (1850-1913) voor de teksten en Petrus Cools en Franz Uyttenhoeve voor de muziek. Alle familiegebeurtenissen werden met kalligrafisch schrift in het familiealbum genoteerd, meestal door Eloi. Dit was het kader waarin Samuel Coucke volle ontplooiing vond. De dagelijkse Mis in de kathedraal, de Zondagsmis waar hij naar toe trok omringd door zijn half dozijn volwassen zonen in “redingote” en met hoge hoed, het harde werk in het atelier, de activiteiten in talrijke verenigingen en het traditioneel en beschermd familiaal leven behoorden tot de levensstijl die hem paste en waarbinnen hij zich met duidelijke voldoening als een voorbeeldige pater familias en patriarch bewoog. De volmaakte harmonie die hierbij tussen hem en zijn discrete echtgenote heerste, werd onderstreept door hun overlijden enkele weken na elkaar, zij op 28 juni, hij op 7 november 1899[64]. Hij had om 8 uur de Mis bijgewoond in de kathedraal en “om 9 uur was hij reeds een lijk”[65]. Degene die aan de oorsprong van zijn artistieke loopbaan had gelegen, Louis Grossé, stierf net voor hem, op 14 augustus 1899. Het waren, met Guido Gezelle die enkele dagen na Samuel Coucke zou overlijden, markante figuren die bijna gelijktijdig uit het vrome milieu van de gotisch geïnspireerde Brugse katholieken verdwenen en die telkens door bisschop Waffelaert uitgeleide werden gedaan. La Patrie schreef: “On se promet de ne pas oublier de si tôt ce modèle du bon père de famille et de l’homme de bien, dans le sens chrétien et patriotique du mot”. De zonen De zes zonen van Samuel Coucke en Sophie Naert zijn niet allen even belangrijk voor het onderwerp dat ons hier bezig houdt. Het lijkt ons niettemin noodzakelijk ze elk afzonderlijk te situeren. Het is immers het overzicht van de totaliteit van hun uiteenlopende en ongelijke activiteiten dat een tijdsbeeld schept en meteen het kunstatelier van de Korte Vuldersstraat beter situeert. Joseph Coucke Geboren in Brugge op 5 november 1859[66] en er overleden op 22 maart 1941, was hij gehuwd met de Kortrijkse Louise Lefèvre, tante van de latere staatsminister Theo Lefèvre. Het was een laat huwelijk, dat hij pas aanging in 1901, na het overlijden van zijn ouders. Joseph Coucke studeerde in het Sint-Lodewijkscollege (lager middelbaar), aan de Brugse Academie en aan de Sint-Lukasschool in Gent. Hij werd architect en werkte gedurende vijf jaar in Brussel, onder de leiding van zijn oom, de Romeprijswinnaar Joseph Naert[67]. In Brugge bouwde hij onder meer de neobarokvleugel van Hemelsdale, op de hoek van de Wapenmakersstraat en de Sint-Walburgastraat (1883). Op het adres Steenstraat 82 bouwde hij in 1889 een klein neogotisch huis dat belangstelling wekte omdat het beschouwd werd als het eerste gebouw met een neogotisch uitstalraam[68]! In 1898 restaureerde hij de parochiekerk van Werken[69] en met stadstoelage restaureerde hij in 1896 het huis van zijn broer Medard, de “Oude Munte”, Markt 21. Verder bouwde hij onder meer in 1885 een huis met neogotische trapgevel, Dweersstraat 12 en restaureerde hij in 1909 het huis Korte Vuldersstraat 23-25. In de associatie met zijn broers Eloi en Theophile was hij degene die zorgde voor het architecturaal gedeelte bij het plaatsen van glasramen: aanpassen van de vensteropeningen, eventueel herbouwen, controle op het metselwerk, etc. Hij werd bestuurslid in 1892 en secretaris in 1894 van de Katholieke Burgersgilde[70] en in 1900, in opvolging van zijn vader, dismeester voor de Sint-Salvatorsparochie[71]. Hij was ook secretaris van de Confrerie van “Sacra”[72]. Zoals zijn vader gaf hij voordrachten onder meer begin 1899 nadat hij een reis naar Rome had gemaakt[73]. Hij was ook bestuurslid van het Davidsfonds[74] Eloi Coucke Geboren in Brugge op 1 december 1860 en er overleden op 17 augustus 1929[75]. Hij bleef ongehuwd. Eloi Coucke was zonder twijfel de meest artistiek begaafde onder de broers. Hij was degene van wie gezegd werd: “Hij zou de Prijs van Rome gewonnen hebben, had zijn vader hem niet voortijdig uit de studies gehaald”. Eerst liep hij de lagere middelbare klassen in het Sint-Lodewijkscollege. Van 1872 tot 1879 volgde hij lessen aan de Brugse Academie. Hij behaalde er twee eervolle vermeldingen en twee Eerste prijzen: voor tekenen bij Jules Denneweth en voor tekenen en schilderen bij Eduard Wallaeys[76]. In 1882 kreeg hij een toelage van 200 fr. van het stadsbestuur om zijn studies aan de Antwerpse Academie te helpen bekostigen. Hij vroeg eenzelfde subsidie aan voor 1883, maar het bestuur van de Academie liet weten dat men hem in 1882 niet veel gezien had en in 1883 helemaal niet. Vandaar, geen toelage meer[77]. Vanaf 1880 was hij in het atelier Coucke de voornaamste ontwerper van de glasramen en maakte hij de meeste schets- en uitvoeringstekeningen. In 1889 was hij tweemaal kandidaat voor een leraarsfunctie aan de Brugse Academie. In zijn plaats werden Karel De Wulf en Edmond Van Hove benoemd[78]. Hij was een bedreven tekenaar en zijn miniatuurwerk werd door de tijdgenoten vergeleken zoniet op dezelfde voet geplaatst met de vijftiende-eeuwse miniaturisten. Dit zegt natuurlijk niet zoveel, want de voorstanders van de neogotiek waren niet altijd erg kritisch of bevoegd in hun beoordelingen. Technisch goed uitgewerkt was het miniatuurwerk van Eloi Coucke ongetwijfeld. Het schilder- en tekenwerk kwam te pas voor alle soorten ontwerpen, meestal in de typisch neogotische stijl: bidprentjes, illustraties voor godsdienstige boeken, stambomen, wapenschilden, etc. Eloi Coucke adverteerde ook zijn mogelijkheden om oude handschriften te restaureren en oude boekbanden te herstellen. Eén van zijn voornaamste artistieke creaties werd het maken van eetserviezen, grote kunstborden en vazen met neogotische versieringen. Blanke serviezen in porselein of faience werden hiervoor aangekocht, in het atelier Coucke naar eigen neogotische ontwerpen beschilderd en in dezelfde oven als het brandglas gebakken. Deze activiteit moest in de ogen van Samuel Coucke een alternatief bieden bij het verminderen van het glasraamwerk ten gevolge van de schoolstrijd en de ermee gepaard gaande vermindering van het mecenaat dat zich bij voorkeur op de ondersteuning van het katholiek onderwijs ging richten. In dezelfde lijn maakte Eloi Coucke ook geglazuurde tegels voor vloer- en muurbekleding. De degelijkheid, het gemakkelijk onderhoud en de harmonische aanpasbaarheid aan elk interieur werd in advertenties aangeprezen. Eloi Coucke was een “bon vivant”. Zijn hobby was het roken van lange pijpen en hij had een passie voor grote en elegante honden, vooral voor spaniëls. Hij was stichtend lid van de Katholieke Burgersgilde, waarvoor hij vanaf 1878 en nog tot kort voor zijn dood de decors voor de toneelafdeling schilderde. Als oud-student van het Sint-Lodewijkscollege was hij, samen met zijn broer Theophile, lid van de Sint-Donaasgilde[79] Theophile Coucke Geboren in Brugge op 31 maart 1862 en er overleden op 16 november 1941. Hij bleef ongehuwd. Vanaf 1873 komt hij voor op de palmaressen van het Sint-Lodewijkscollege waar hij een aantal jaren school liep zonder evenwel volledig de humanioracyclus af te maken. Hij volgde ook lessen aan de Brugse Kunstacademie. In 1885 behaalde hij er een Eerste prijs voor het schilderen naar het leven[80]. De inbreng van Theophile Coucke in het kunstatelier is niet gemakkelijk van die van Eloi te scheiden. Hij was bijna op zelfde hoogte bekwaam ontwerpen te maken en glasramen uit te voeren. Hij zou zich daarbij specialiseren in het graveren op glas en spiegelglas. In de negentiende-eeuwse interieurs was dit gegraveerd glas zeer in trek “zowel voor binnen- als buitendeuren, voor verandahs en venetiennes (twee typische woorden uit die tijd!), voor plafonds, vitrines en lanterneaux, voor ondersten van vensters, etc”[81]. Een aantal hiervan zijn nog in Brugse huizen aan te wijzen. Theophile Coucke was actief in het genootschap van Sint-Vincentius à Paulo, waarvan hij schatbewaarder was, deken van de confrerie “Sacra” in de Sint-Salvatorskerk en kerkmeester van deze kerk. Bij de paters Capucijnen in de Boeveriestraat was hij lid van de Broederschap van de H. Antonius van Padua[82]. Zoals zijn broer was hij een groot pijpenroker. Een vriendenkring van Brugse vrijgezellen voorzag hierbij in de passende omgeving. De passie van Theophile Coucke, zoals van veel burgers op het einde van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, was de fotografie en het zelf ontwikkelen van films. De kwaliteit van het werk van Eloi en Theophile Coucke is nog verder te onderzoeken. Een eerste contact doet veronderstellen dat niet altijd dezelfde hoogte werd aangehouden, vooral niet in de voorstelling van de personages. De Saint-Sulpicestijl sloeg ook bij de glazeniers toe en onderwerpen zoals het Heilig-Hart en Zuster Margareta of Onze Lieve Vrouw van Lourdes en Bernadette werden in de sentimentele vorm gegoten die ook bidprentjes en devotieboeken teisterde[83]. Henri Coucke Geboren in Brugge op 19 september 1863 en er overleden op 6 maart 1900. Gehuwd met Ernestine Faracas. Hij liep school in het Sint-Lodewijkscollege, waar hij in 1875 het Vormsel kreeg. Van 1877 tot einde schooljaar 1881 was hij leerling bij de Xaverianen[84]. Henri was voorbestemd om het nederig, materieel werk te doen. Hij zou glasmaker worden, het glas in lood steken, de glasramen gaan plaatsen, etc. In 1883 adverteerde hij al dat hij zich in die hoedanigheid gevestigd had “onder mijn vaders toezicht en in zijn huis” en onder meer “jalousies in gekleurd glas” maakte[85]. Maar in 1894 kwam er een breuk, ingevolge zijn voorgenomen huwelijk dat vader Coucke niet goedkeurde. Hij verliet de familiale associatie en ging zich vestigen Oude Burg. Hij stierf er vroegtijdig. Georges Coucke Geboren in Brugge op 26 maart 1865 en overleden in Blankenberge op 15 februari 1950. Gehuwd met Gabrielle Faracas (1881-1967), zuster van Ernestine. Hij liep eerst school in het Sint-Lodewijkscollege maar vanaf het schooljaar 1876 tot einde 1882 was hij leerling bij de Xaverianen, waar hij niet onaardige uitslagen behaalde[86]. Georges Coucke, zo had zijn vader beslist, zou de beeldhouwer worden in de volmaakte “commune” van het atelier Coucke. Maar Georges was minder kneedbaar dan zijn broers. Na een moeilijke jeugd, met internaatsperiodes in het dichtbije instituut van de Xaverianen en na een integratiepoging in het vaderlijk concept, verliet hij Brugge en trok op avontuur. Dit situeert zich rond 1890. Hij trok naar de Verenigde Staten en werkte enkele jaren in New York. Rond 1900 was hij weer in Brugge maar kort daarop vertrok hij naar Engeland. De familietraditie zegt dat hij aan restauraties meehielp in Buckingham Palace. Bij zijn terugkeer in België huwde hij met de zestien jaar jongere Gabrielle Faracas en vestigde zich in Blankenberge, waar hij vooral als maker van grafmonumenten bedrijvig was. Medard Coucke Geboren in Brugge op 25 maart 1868 en er overleden op 27 mei 1940. Gehuwd met Esther Axters (1867-1949), dochter van kunstsmid en stovenmaker Johannes Axters-Ameye en zuster van Jozef Axters s.j.[87], de vriend aan wie Albrecht Rodenbach zijn “Lied der Vlaamse Zonen” opdroeg. Ook hij liep eerst school in het Sint-Lodewijkscollege, om vanaf het schooljaar 1877 tot einde 1881 leerling te zijn bij de Broeders Xaverianen[88]. Volgens de vaderlijke voorziening zou Medard, net als zijn broer Henri, tot het “voetvolk” behoren, dat in een georganiseerde gemeenschap even nuttig als noodzakelijk was. Hij was met die rol verzoend, hoewel hij tamelijk gevorderde studies van architectuur had gedaan in de Brugse Academie[89]. Zijn huwelijk bracht hierin wijziging omdat zijn echtgenote onafhankelijk wou blijven van haar schoonfamilie. Zij werd trouwens de leider van het huisgezin, ingevolge haar initiatief op het adres Markt 21 een porseleinwinkel te openen. Tijdens het zomerseizoen hield ze een zelfde winkel open in Blankenberge. Medard Coucke had niet de ambitie grote dingen te doen. Hij was tevreden met zijn bescheiden atelier voor het plaatsen van vensterglas en het produceren van eenvoudige glasramen. Het werk werd door één of een paar knechten uitgevoerd. Het “leggen” van een kaartje en het ledigen van enkele glazen in één van de vele cafés op en rond de Markt, in gezelschap van andere "gepatenteerde" Bruggelingen lag meer in zijn aard. Hij was in menig opzicht een "filosoof” van het eenvoudig en zorgeloos leven. Daarin was hij trouwens niet anders dan zijn broers: een rustig en gezapig leven leiden behoorde tot hun levensidealen. De ambitie van vooruitgang die Samuel Coucke had gedreven, leek in de volgende generatie te zijn uitgeblust. Een voorlopige conclusie Toen ik in 1969 een boek publiceerde over mijn overgrootvader langs vaders’ zijde[90], begon ik gegevens te verzamelen met het oog op een gelijkaardige oefening over een overgrootvader aan moeders’ kant. Deze studie is er het resultaat van, af en toe opnieuw ter hand genomen en dan weer tot later uitgesteld. De voornaamste reden tot uitstel was de wens om er een zo volledig mogelijk inventaris aan toe te voegen van de door Samuel Coucke en zijn zonen uitgevoerde glasramen. De niet onaanzienlijke lijst van werken die hierna volgt, is het resultaat van de gegevens die ik her en der heb opgetekend: op de publiciteitskaarten uitgegeven door het atelier Coucke, in de verslagen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en in die van haar Provinciale Comités, in krantenartikels, in de repertoria van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, in de schetsboeken en op de tekeningen van het atelier Coucke die in het bezit zijn van het Provinciaal Cultureel Archief van West-Vlaanderen en van het Prentenkabinet van de Stedelijke Musea van Brugge. Het streven naar volledigheid was een reden tot uitstel. De lijst die hierna volgt is nog altijd niet volledig, maar de knoop moest eens doorgehakt worden. Wie alles tot het laatste puntje op een rijtje wil zetten, riskeert nooit iets te publiceren. Enerzijds levert de inventaris een status questionis op. Als er nog toevoegingen te doen zijn, zal dit na de publicatie ervan, makkelijker kunnen gebeuren. Daarbij zijn nog heel wat ramen ongedateerd gebleven, vooral uit de periode Samuel Coucke. Gaandeweg moet het wellicht mogelijk zijn, met de medewerking van heemkundige kringen en kerkfabrieken het aantal dateringen te vergroten. Ik verwijs verder naar de inleiding op de inventaris voor wat betreft het verdere werk dat nog voor de boeg ligt teneinde een definitief inzicht in de productie van het atelier Coucke te verkrijgen. Het voornaamste nog uit te voeren werk, een taak voor kunsthistorici, is de analyse en evaluatie van de glasramen. De waarde evalueren van de ontwerpen, de kwaliteit analyseren van de uitvoering zowel artistiek als wat betreft de gebruikte materialen, de behandelde thema’s en onderwerpen inventariseren en dit alles gezien in een evolutie die loopt van 1858 tot 1899 voor wat betreft Samuel Coucke en tot 1936 voor wat betreft de zoons: dit is de opgave, wil men een gefundeerde beoordeling over het werk van deze kunstenaars en ambachtslui geven. De glazeniers Coucke waren gewone mensen. Uit de familiale en maatschappelijke context blijkt dat deze kunstenaars in alle aspecten van hun leven een bepaalde houding en stijl aankleefden. Houding en stijl die voortsproten uit een rechtlijnige, diepe geloofsovertuiging en ideaal, waaraan ze zowel in het dagelijks leven als in hun kunst gestalte gaven. In die zin overstijgt het levensverhaal van de Couckes hun relatief bescheiden plaats. Zij leren ons veel, wellicht soms meer dan figuren van eerste rang, over de mensen en de maatschappij die ons onmiddellijk vooraf zijn gegaan. Nog zo dichtbij en toch al zo ver af. Beknopte inventaris van de glasramen uit het atelier van Samuel Coucke en zijn zonen De inventaris die volgt is opgesteld aan de hand van de verschillende bronnen die wij in onze studie hebben vermeld. Het gaat om een eerste en onvolledige benadering. Vooreerst is de totale produktie zeker belangrijker geweest dan wat wij tot hiertoe konden achterhalen. Vervolgens zijn onze gegevens nog niet aan een grondig onderzoek onderworpen. Dit onderzoek moet, naast de kwalitatieve evaluatie, volgende gegevens opleveren : · Werden de glasramen wel degelijk geleverd en geplaatst (in sommige gevallen kunnen we niet-uitgevoerde ontwerpen opgetekend hebben). · Wat schuilt er onder de omschrijving “venster” : het kan ofwel één volledig glasraam betekenen, ofwel een onderdeel ervan dat een bepaald personage voorstelt. · Wat schuilt er onder de omschrijving “tafereel” : het kan méér zijn - of minder - dan een volledig glasraam. · Wat stellen de glasramen voor. · Bestaan deze glasramen nog, of zoniet wanneer en in welke omstandigheden zijn ze verdwenen. Het zal anderzijds ook opvallen dat nog talrijke glasramen, vooral uit de periode Samuel Coucke, ongedateerd blijven. De publicatie van deze eerste proeve van inventaris zou de weg moeten openen naar een meer definitieve opgave van de productie uit het atelier Samuel Coucke en zonen. We moeten hier aan toevoegen dat, sedert de opmaak van deze inventaris, een andere inventaris werd opgemaakt door Ivo Bakelants, die ze publiceerde in Deel C van zijn De glasschilderskunst in België in de negentiende en twintigste eeuw (Deurne 1992). Beide inventarissen zijn gedeeltelijk gelijklopend maar toch ook tamelijk verschillend. De synthese is nog te maken.
* betekent: aantal vensters niet vermeld [1] J. VAN CLEVEN, Vlaamse neogotiek in Europees perspectief, in: Vlaanderen, 174, 1980, blz 2-15; J. VAN CLEVEN et alii, Neogotiek in België, Tielt, 1994. [2] L. DE VLIEGHER, Jean-Baptiste Bethune, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, I, 181-191; J. UYTTERHOEVEN, Baron J.B. Bethune en de neogotiek, in: Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Kortrijk, XXXIX, 1965, blz 3-101. [3] F. DOBBELAER, Henri Dobbelaere, historieschilder en glazenier en zijn opvolger, Uitg. De Dobbel-beker, Oostende, 1979. Het volledig en goed bewaard archief van glazenier Dobbelaere en zijn opvolgers berust thans in het KADOC, Leuven en wordt er grondig geïnventariseerd. [4] L. VAN BIERVLIET, Het glasschildersatelier van de firma S. Coucke en zonen, in: Biekorf, 1984, blz 115-121; R. DE LAERE, Samuel Coucke en zijn drie zonen, Brugse glasschilders, in: Brugge die Scone, 1998, NR 1, blz 7. [5] Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Brussel, notulen van de bijeenkomsten (in handschrift) en Bulletin de la Commission des Monuments, Vol I (1862) en volgende. [6] I. BAKELANTS, De glasschilderkunst in België, negentiende en twintigste eeuw, Deel I, Deurne, 1983, blz 129; R. DE LAERE, Camiel Annys, exponent van een Brugse familie van glazeniers, in: Brugs Ommeland, 1999, blz 37-48; A. VAN DEN ABEELE, Ik kom u te vragen een uysteekbart, Brugge, 1983, nrs 1286 en 1754. [7] Idem, nrs 972, 1354, 1689, 1844 en 1937. [8] Gildenblad der Ambachten, jaargang 1900, advertenties door Vincent. [9] De Halletoren, 1875, NR 6, 7 en 9. [10] A. VAN DEN ABEELE, Uit het leven van schadebeletter Carolus Coucke, Brugge, 1984. [11] G. GYSELEN, De Brugse tak van de familie Grossé en haar kunstatelier, in: Biekorf, 1969 en afzonderlijke uitgave; A. VAN DEN ABEELE, Grossé van Brugge, in: Brugs Ommeland, 1984, blz 115-154. [12] SAB, bevolkingsboeken: “passeport à l’étranger” 4/09/1855. [13] SAB, burgerlijke stand: huwelijk op 4 mei 1859; huwelijkscontract 15/04/1859 bij notaris F. Colens. [14] Joseph Naert, bakker, overleden 19 april 1844; echtgenote Sophie De Cloedt, overleden 30 december 1857. [15] Archief registratie en Domeinen, Brugge, Successies. Bij haar overlijden bezat de Weduwe De Cloedt: een huis op de Walplaats (kad. C 883), een huis in de Wulfhagestraat (kad. D 1388), 5 huizen in de Sint-Trudostraat en Roompotstraat (kad. D 956 a, b, c, d, f), een huis aan de Langerei (kad. E 403), drie huisjes in de Lod. van Casselstraat (kad. E 937 tot 939), een huis aan de Potterierei (kad. 4 94/401).Dit werd verdeeld onder de vier kinderen. [16] SAB, Régistre des patentables 1860: NR 1163, Samuel Coucke, glasschilder, klasse 12 B, Academiestraat F1-47. [17] Het ging om kadasternummer C 1268, huisnummer C2-53, huis met koer, 375 m². De vorige eigenaar was koetsier Karel Savaries, die het vijf jaar eerder gekocht had van de bekende wasbleker en uitgever van katholieke nieuwsbladen Rombaut Boeteman-Janssens. (Archief Registratie en Domeinen, Brugge, registratie art. 592, 7/02/1860, Vol. 318, folio 174, notaris Claeys, aankoop voor 8.594,61 fr.). Thans Korte Vuldersstraat 16. [18] SAB, bouwvergunningen, 1861 NR 45 en 1864 NR 119. [19] restauratie aan S. Coucke toegewezen bij K.B. van 20 mei 1861. [20] Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen, Brussel, notulen van de vergaderingen (handschrift), NR 2738, zitting 23 mei 1861. [21] idem, zitting 31 juli 1862. [22] idem, zitting 23 juli 1863. [23] idem, 12 mei 1864. [24] H. DE BRUYN, Notice sur les anciennes verrières de l’église Notre-Dame au Sablon à Bruxelles, Brussel, 1866, met uitgebreide beschrijving van de door Samuel Coucke uitgevoerde restauraties in: Bulletin Commission Royale d’Art et d’Archéologie, VI, blz 58 en volg.; Idem, Notice sur l’église de Notre-Dame au Sablon à Bruxelles, z.d. met beschrijving van de aan de glasramen uitgevoerde werken, in: Bulletin Commission d’Art et d’Archéologie, XI, blz 84-210. [25] L. DE VLIEGHER, De Sint-Salvatorskathedraal te Brugge, Inventaris, Tielt, 1979, blz 217. [26] Bulletin de la Commission des Monuments, Volumes I (1862) tot XLIX (1910) geeft hiervan talrijke voorbeelden. [27] C. VAN DE VELDE, Stedelijke Musea Brugge Steinmetzkabinet, Catalogus van de tekeningen, deel 1, Brugge, 1984, blz 49-58; W. LELOUP, Het Brugs prentenkabinet: aanwinsten 1978, in: Brugs Ommeland, 1980, blz 142. [28] Gedenkboek Nijverheidstentoonstelling, Brugge, 1881, blz 60 en op blz 181 uitgebreide beschrijving van acht grisailles door Coucke gemaakt voor de studiekamer van kan. A. Duclos; In het Tijdschrift Kunst volgende vermeldingen: in NR 9 (1897), over tentoonstelling door Adriaan Willaertskring: “De geschilderde vensters van Mr Coucke verwekken ieders nieuwsgierige bewondering”; in NR 16 (1898) over tentoonstelling door de Brugsche Kunstbond: “Schoone glasschilderingen van het huis Coucke”; in NR 17 (1902): “Vooreerst hebben wij van de gebroeders Coucke verscheidene lieve vensters, die zeer keurig afgewerkt en zuiver van stijl zijn”. [29] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, NR 447: Samuel Coucke lid op 15/03/1861 onder NR 367. [30] SAB, Kiezerslijsten 1862, NR 196: Samuel Coucke, 53,58 fr belastingen. [31] SAB, Dossier C, Academie, rekeningen/begrotingen 1853-73 (in 1860 in potlood op de ledenlijst bijgeschreven). [32] Academie Brugge, Aanwezigheidsregister. [33] Het betrof hier een hevige strijd tussen liberalen en katholieken voor het behouden of het verkrijgen van het overwicht in de Academie. De strijd sleepte verschillende jaren aan en ook Eloi en Theophile Coucke zouden er een rol in spelen. Die ingewikkelde en hoogst politiek geladen episode zal het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke studie. [34] Journal de Bruges 21 oktober 1866: groot relaas van de feestelijkheden. H. DEMAREST, In ‘t kwartier van Jan, Brugge, 1974, blz 77-80. [35] Journal de Bruges 22 juli 1866 [36] G. DE VENT, Zee en Duinen, kusttoerisme in de negentiende eeuw, Brugge, 1991, blz 119-120. [37] F. VANDAELE, 115 Jaar Davidsfonds Brugge, Zedelgem, 1990, blz 85. [38] Provinciaal Cultureel Archief Brugge: dagbladknipsel van 14/02/1889 in 54AD1(3). [39] J. VANDAMME, Het bibliotheekwezen in Brugge voor 1920, Brugge, 1971, blz52-63; Provinciaal Cultureel Archief, PAB 12 D 30, Cercle artistique Brugeois. [40] OCMW Brugge, Bureel van Weldadigheid, register 26, Dischmeesters, processen-verbaal 1885-1887, zitting van 7 december 1885. Tot dismeester benoemd: Samuel Coucke, apotheker Adolf Dewolf en krantenuitgever Edouard Neut. [41] De Zondagsbode 27/11/1898, blz 535: S. Coucke ontvangt het burgerlijk ereteken 2de klas uit handen van gouverneur Ruzette, als erkenning voor zijn inzet voor de ouderlingen. [42] Bisdom Brugge, archief S.Salvators: gedrukte ”jubelgalm” ter ere van Samuel Coucke. Ook in Provinciaal Cultureel Archief, 93D6(58) [43] Idem, resolutieboek van de broederschap der berechtinge. Ook in Provinciaal Cultureel Archief 93D6(61). [44] Ons Volk Ontwaakt, 1914, NR 10, blz 110-111: In memoriam dr. E. Van Steenkiste, door Alfons De Groeve. [45] Verslag van het 50jarig bestaan der Katholieke Burgersgilde, Jubileum 1878-1928, Brugge, bij Verbeke-Loys [46] SBB, Verslag over de werkingen van de Gilde der ambachten van Brugge gedurende het eerste jaar van haar bestaan (1887-1888), afgelezen in algemene vergadering van 16 april 1888. [47] SBB, brieven van 17/10/1889 en 31/12/1890, geplakt in het hiervoor vermelde verslag. [48] Gildeblad der Ambachten 31 oktober 1895. [49] Gildeblad der Ambachten 19 september 1894. [50] Commission du Travail instituée par A.R. 15 avril 1886, Volume II: Procès verbaux des séances d’enquête concernant le travail industriel, 18 juillet 1886, séance à Bruges, blz 1; R. VAN EENOO, Een bijdrage tot de geschiedenis der arbeidersbeweging te Brugge (1864-1914), Leuven/Parijs, 1959, blz 15. [51] SAB, Garde Civique, Livre matricule, NR 1821. [52] Persoonlijk archief, brief van 12 maart 1981 van Mgr D. Botti, rector van de Corpus Dominikerk. [53] La Patrie 3 april 1888: Une audience pontificale. [54] La Patrie 24 april 1888. [55] Algemeen verslag Katholieke Burgersgilde voor 1886: op 26/01 en 8/02 gaf Samuel Coucke voordracht over het H. Land (met uitgebreid en zeer lovend verslag); idem 1888: eveneens met uitgebreid verslag. Ook in: La Patrie, 26 maart 1888. [56] La Patrie, 3 april 1888. [57] La Patrie, 30 april 1888. [58] Katholieke Burgersgilde, Jaarverslag 1890, blz 22. [59] Dit gebeurde aanvankelijk niet zonder heel wat problemen met het stadsbestuur, in het kader van de machtiging voor het uitbaten van een “hinderlijke inrichting” (SAB, VIIb6, Hinderlijke inrichtingen 1856-1894.) Samuel Coucke zette zich schrap in lange brieven, in zijn sierlijk handschrift. Henri Dobbelaere kampte met dezelfde problemen. [60] ref. artikel huis Korte Vuldersstraat. [61] Revue Universelle (waarschijnlijk 1898) : Les travaux artistiques de la maison Samuel Coucke et fils à Bruges (Provinciaal Cultureel Archief, 84AD1) [62] Gildeblad der Ambachten, 1e jaargang, NR 3, 29 jauari 1891: advertentie voor Samuel Coucke (glasschildering, vensters voor kerken, kapellen, zalen en studiekabinetten), Eloi Coucke (porseleinschildering, muurschildering in brandverf, op tegelen), Theophile Coucke (graveerwerk op matte en klare spiegelglazen, kunst- en eenvoudig graveerwerk op glas), Henri Coucke (glazenmaker en loodwerker). Op 29 oktober 1891 nog uitgebreider. Er wordt voortaan bij vermeld dat Samuel ridder van het H. Graf is en vereerd werd met het kruis Pro Ecclesia et Pontifice, terwijl ook nog bijvoeglijk worden vermeld: Joseph Coucke (bouwkundige, ondernemer) en Medard Coucke (glazenmaker en loodwerker). [63] 115 jaar Davidsfonds Brugge, a.w., blz 115-118. [64] La Patrie, 11 november 1899: uitgebreid verslag over de uitvaartmis, met vermelding van de talrijk aanwezige personaliteiten en de redevoering aan het graf door Gustave Stock.. Zie ook: La Patrie 8/11/1899: aankondiging overlijden; 24/11/1899: Mis door de katholieke Burgersgilde; 25/11/1899: Mis door het Davidsfonds; De Zondagsbode, NR 46, 12/11/1899 [65] De Gazette van Brugge, 8 november 1899; Gildenblad der Ambachten, 29 november 1899: uitgebreid In Memoriam, met tekst van de lijkrede uitgesproken door Gustaaf Stock. Aankondiging van Mis namens de Gilde op 3/12/1899; Jaarverslag Katholieke Burgersgilde 1899, blz 75: “Samuel Coucke was een oprecht verdienstelijk en gedienstig man en door zijn minzaam en geestig karakter de vriend van iedereen”. [66] Ook al schreef zijn jeugdvriend Verbeke in een huldeadres bij het huwelijk Samuel Coucke-Naert dat ze mekaar zouden vinden “in het onbevlekte bed”, tonen de data aan dat het jonge paar, naar het voorbeeld van schoonbroer Louis Grossé “een pintje voor de vespers” gepakt had. Vroomheid belette de warmbloedigheid niet! Een oude tante van me kon er zich meer dan honderd jaar later nog vrolijk over maken dat de oudste zoon in het atelier Grossé “tussen de kazuifels” verwekt was. [67] SAB, dossier XIIIb, NR 124, Academie Communale, brief van 24/09/1886 waarbij Joseph Coucke voor de plaats van leraar “classe de dessin linéaire” solliciteert. Niet benoemd. [68] A. DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs, Brugge, 1910, blz 495. [69] Bulletin de la Commission des Monuments, XXIX, (1890), blz 184 en 467. [70] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, 57AD41. [71] OCMW Brugge, Bureel van Weldadigheid, register NR 30, zitting van 9/01/1900: “in vervanging van den betreurden Samuel Coucke”. [72] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, 93D6(57). [73] Katholieke Burgersgilde, Jaarverslag 1899, blz 19. [74] Provinciaal Cultureel Archief, PA 105D6, Naamlijst der leden van het Davidsfonds van Brugge, 1908. [75] La Flandre Maritime, 24/08/1929: In memoriam. [76] Academie Brugge: palmaressen. [77] SAB, Beaux-Arts, dossier NR 151. [78] SAB, archief Academie, NR 77, Budget, comptes, nominations 1853-1897 [79] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, brief van 13/11/1880 in: 54AD1 (archief Duclos). [80] Academie Brugge: palmaressen. [81] Aldus vermeld in een advertentie die vanaf 1898 regelmatig gepubliceerd wordt in het tijdschrift Kunst. [82] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, 93D6(63). [83] Provinciaal Cultureel Archief Brugge, verschillende schetsboeken van Eloi en Theophile Coucke, met talrijke ontwerpen. [84] Archief Broeders Xaverianen Brugge, schooluitslagen. [85] Provinciaal Cultureel Archief Brugge 84 AD 1, brief van 1/03/1883. [86] Archief Broeders Xaverianen Brugge, schooluitslagen. [87] S. AXTERS, Joseph Axters s.j., een oudere vriend van Albrecht Rodenbach, in: Biekorf, 1960, blz 446-452; S. MAES, Jozef Axters, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz 373; Provinciaal Cultureel Archief Brugge 174 AD 2 (4). [88] Archief Broeders Xaverianen Brugge, schooluitslagen. [89] Academie Brugge, palmares 1890-91. [90] Emiel Van den Abeele, een vechter, Tielt, 1969. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||