Rhetorica ten strijde,

of de gevaren van een poëziewedstrijd

Andries Van den Abeele

Inderhaast opgesteld om te dienen als feestrede op de patroonsdag van de Rederijkerskamer "De Gezellen van de Heilige Michiel", toen Anton Van Wilderode zijn kat stuurde.

Sint-Michiels op 4 december 1971

  • DE PRIJSKAART

Op Maandag 9 mei 1700 vierde de stad Brugge met bijzondere luister de jaarlijkse Heilig-Bloeddag, de laatste van de zeventiende eeuw van de christelijke jaartelling.

De straten op de omloop van de Ommegang waren rijk versierd en de bezoekers waren van over gans Vlaanderen toegestroomd om eens te meer de zware en schitterende rijve te zien voorbij trekken met het kostbaar bloed van Onze Heer Jezus Christus, omringd door de prelaten, de hoogwaardigheidsbekleders en de gelovige bevolking.

De godsdienstige ommegang was pas beëindigd of het volle jolijt brak los bij het opstappen van de wereldlijke cavalcade. De reus Trevanus, zijn zoon Polyphemus, de vier Aymonskinderen en andere mythologische en volkse figuren trokken voorbij, gevolgd en vooraf gegaan door talrijke wagens met allerhande figuren en uitbeeldingen.

Wanneer ook deze stoet voorbij was, spoedde de vrolijke menigte zich naar de jaarmarkt en naar het pandfeest.

Nochtans, kort na de middag, wanner de meesten het Burgplein en de Heilig-Bloedkapel al verlaten hadden, zag men een groot aantal voorname edellieden en deftige burgers, waaronder heel wat vreemdelingen, zich in kleine groepjes verzamelen voor het Landhuys van den Vrijen, mekaar plechtig en gewichtig begroeten en even voor twee uur de poort van het Vrije binnen stappen om zich te begeven naar de konstkamer van de Vrije Redengilde der Weerde Drie Santinnen.

In deze konstkamer namen aan de raadstafel plaats: Jonkheer Jan Charles Peellaert, burgemeester s’ Lands van den Vrijen en hoofdman van de Drie Santinnen, Jan Labare (1695-1748), prince en Jan Georges Taquet, raadpensionaris van het Vrije en proost van de rederijkersgilde. Naast en achter hen namen ook nog plaats de raadsleden van het gild de jonkheren Louis van Haveskerke, burgemeester van het Vrije, Isidoor d’Havrat, oud-burgemeester van het Vrije, Karel Anselmus Adornes en Pieter de Aranda. Verder ook nog de raadpensionarissen van het Vrije Philippe Olleviers, Frederic Van der Plancke en Cornelis Fimbry. En tenslotte ook nog de uitgelezen dichters Jacques De Cantre en Jan Droomers, de geprezen schrijver van Liederic de Buck.

Verder bemerkte men nog de Deken van de Gezellen, de Rekenmeester, de acht Zorgers of leden van de eed, evenals de geheimschrijver Johannes Stalpaert die met veder en blad klaar zat om alles wat te gebeuren viel getrouw en sierlijk op te tekenen.

De Kamer van de Weerde Drie Santinnen, waarvan het lidmaatschap was voorbehouden aan vrijlaten, burgers van het Brugse Vrije, ontving die dag immers heel wat volk van buiten de stad.

Maanden geleden waren speciale koeriers vertrokken naar alle Vlaamse, Brabantse en Antwerpse rederijkerskamers om ze tot deze plechtige bijeenkomst uit te nodigen. Ze waren inderdaad talrijk opgekomen.

Als eerste – salva reverentia – de naaste buur en zusterkamer van de Heilige Geest, voorbehouden aan de poorters van de stad Brugge, die vanuit zijn lokaal in de Poortersloge aan de Zoutdijk plechtig naar het paleis van het Vrije was opgetrokken in corpore en met den clerck.

De uitnodiging was enkele tijd voordien persoonlijk ten huize van de proost van de Heilig-Geestkamer overhandigd door de prince en gedeputeerden der Drie Santinnen. En de kamer van de Heilige-Geest had de uitnodiging aanvaard op voorwaarde van d’eerste plaetse te besetten bij den hooftman der Drie Santinnen. Men was hoofdgilde of men was het niet.

De andere Brugse Kamer, gevestigd in Sint-Michiels buiten Brugge onder de kenspreuk Slaet d’oogh op Christi Kruis was eveneens aanwezig, maar dan met iets minder decorum.

Uit Brabant en Keizerlijk Vlaanderen waren zes kamers naar Brugge gekomen: uit Aalst – De Gilde van Rhetorica met de spreuk Liefde wint; uit Mechelen – de Gilde van Sint Jan, genaamd De Pioene met de spreuk Vrede baart rede; uit Antwerpen – de Gilde van de Heilige Lucas, samensmelting van de Kamers Olijftack en Violier, met de kenspreuk Const wint Jonst; uit Ninove – de Kamer van Sint Anna, Nympher genaamd, met als kenspreuk Al vloeyende groeyende; en tenslotte de twee kamers uit Lier, de Kamer van Sint Anna, genaamd De Genette Blom met de kenspreuk Sonder Masker en de Kamer van Sint Gommarus, genaamd Den Groeyenden Boom met de kenspreuk Waerheydt baert nijdt.

Uit West-Vlaanderen en uit Noord-Frankrijk waren ook heel wat gilden naar Brugge gekomen. We vermelden: uit Nieuwpoort – de Kamer met de kenspreuk Van vroescepe dinne; uit Sint-Winoksbergen de vanouds vermaarde Keizerlijke Gilde der Baptisten Royaert, met de kenspreuk Onrust in ghenoechte; uit Diksmuide – de Kamer van de Heilige Geest met de spreuk Fraey diener in redens, alsook de Kamer Morgenniet met de spreuk Mijn noort, verre poort; uit Oudenburg, de Gilde van de Heilige Geest; uit Tielt – de Gilde mat de kenspreuk Besproeyt dat bloeyt; uit Roeselare - de Seegbaer Herten; uit Leffinge – de Kamer genaamd Jesusten met de kenspreuk Altoos doende; en laatst maar niet het minst uit Duinkerken – de Gezellen van de Heilige Michiel, gezegd de Karsouwieren Verblijders in den tijdt.

Waarom waren al die Kamers, sommigen met bijna voltallig ledenaantal naar Brugge afgezakt en naar deze plechtige zitting gekomen?

Omdat de enkele maanden voordien door de Drie Santinnen gestuurde uitnodiging een Konstbegroetinghe was waarbij tot alle Vlaamse en Brabantse kamers, uitgenodigd werden antwoord te geven op een prijsvraag voor poëzie tegen de negensten mei 1700, terwijl dat Brugge viert de feest van ’t Heiligh Bloed.

De titel van het te maken dichtwerk luidde: Oorsprong en Lof der Rijmkonst en het was ingegeven door een bewuste strijd voor de Vlaamse taal, want de Kamer wilde blijckelijk bewijzen dat andere hunne tael ’t onrecht voor d’onse prijsen.

De materie en de uitwerking waren als volgt bepaald:

Verkiest tot stoff, want wij konstminners zijn,

den Oorspronk en den Lof der Rijmkonst,

op den stijl en maet gelijk aen dezen,

in reken tien mael tien;

maer ’t slot van ’t werk moet wesen

een bondig jaarschrift dat met zijn getallen uyt

het jaer dat met sijn Loop dees loopend’ Eeuwe sluit.

Als prijzen voor de prijskamp werden aangekondigd: een zilveren schenktaljoor, twee zilveren kandelaars, twee zilveren bekers, een zilveren zoutvat, een zilveren wijwatervat en een stapel kransen van laurieren.

En zo begon dan deze rederijkerswedstrijd. Eén voor één stond elke dichter recht en deed hij de uitgalminge van zijn rijmgedicht. Dit nam heel wat tijd, want er waren niet minder dan achttien gedichten die officieel namens een kamer werden naar voor gebracht, terwijl daarnaast ook nog zestien bijzondere liefhebbers ten persoonlijke titel meedongen.

Men kon dan ook de ganse reeks niet op één namiddag afwerken en op dinsdag 10 mei in de voormiddag en opnieuw in de namiddag werden de rijmwerken verder uitgegalmd.

Zo kwam ook de prince van Duinkerken Michiel de Swaen aan de beurt. Hij droeg zelf het gedicht voor dat hij namens zijn Kamer had gemaakt en dat aldus aanving:

In God is mijn begin; in dit oneyndigh Wesen

Waer uyt dat alle goet, en gaven sijn geresen;

Dien grondeloosen schat, in miltheyt uytgestort,

Die altijt mededeelt en noyt vermindert wort.

Soo ‘haest als Adam was uyt synen niet verheven,

God heeft hem het ghebruyck van spraek en tael gegeven;

Hij leerde hem de maet, de stellingen en ’t gebruyck

van ieder lettergreep; hij ley den regel uyt

om naem en woorden t’saem te schikken naer den reden

en syn ghedacht aldus aen andere ’t ontleden.

Soo heeft den eersten Mensch, uyt Godt de spraek gheleert,

Syn kinderen uyt hem die endelyck vermeert

in menighvulde stam, in ’t schrijven onervaren,

tot beter heugnis de woorden deden paeren,

om aen te teeckenen door eenigh Rym of Liet,

al wat er wonderbaer te voren was geschiet.

Men zal wel heel aandachtig geluisterd hebben naar de chirurgijn van Duinkerken, van wie de faam als auteur van godsdienstige werken alsook van de vastenavondklucht De Gekroonde Leerse de ganse Nederlanden door, zelfs tot in het verre Noorden, verspreid was.

Michiel De Swaen en zijn gezellen verbleven enkele dagen in Brugge, vertoonden zich op heel wat plaatsen van samenkomst, verbroederden grondig met de Brugse en met de bezoekende gildenbroeders en vertrokken daarna naar Duinkerken, overtuigd dat ze verreweg het beste rijmwerk hadden voorgebracht en zeker de eerste prijs hadden verdiend.

  • DE LAUREATEN

Zes weken later kwamen de hoofdman, de prince, de proost, de raadsleden, de deken en de zorgers van de Drie Santinnen opnieuw bijeen. Het nam hen drie lange zittingen op 21, 23 en 24 juni om de prijzen toe te kennen. Uiteindelijk hielden ze op 27 juni eene volle vergaderinge met open deuren, waarop de hoofdman de toekenning van de prijzen als volgt aankondigde:

Na rijp onderzoek, gelet op de deftigheid des stijls, de suiverheid en de nakominghe van de voorgestelde stoffe, met eenparige stemmen geoordeelt en verklaart dat van alle de Rijmwerken ons overgegeven van eenighe Gilden, den eerste prijs, wesende een zilver schenktaillior was verdient en gewonnen door de Redengilde van Sint-Anna tot Ninove, onder de kenspreuk Al Vloeyende Groeyende. En den tweeden prijs, wesende twee zilveren kandelaren door de Redengilde van Sint-Michaël tot Duynkercke, onder de kenspreuk Verblijders In Den Tijt.

Per speciale koerier werden de winnaars verwittigd, in zestien verzen voor de eerste prijs en in acht verzen voor de tweede. Het waren wel acht dithyrambische regels, waarin het werk van Michiel de Swaen met hemelse taal werd vergeleken:

D’Arsengel Michaël zingt ons met vreugdetoonen

Den oorspronk en den lof der Rijmkonst, op een maat

die men op d’Aerde niet, maar in den Hemel slaet.

Veertien dagen daarop antwoordde De Swaen, vriendelijk maar toch enigszins sibillijns want hij schreef onder meer:

Duinkerken eist van Brugge, geen groene lauwerkroon

Sy laet dien Roem aen ’t Vrije, uytstekend in Poëten.

Zeer tevreden over het genomen initiatief en over de resultaten, publiceerde De Drie Santinnen met bekwame spoed een boekje onder de titel De Heliconsche Echo, of weerklank der rijmwerken en gezangen der neerduytsche redekameren en bezondere konstminners, uytgegalmt op de 9 en 10 mey 1700 in voldoening van d’afgezonden Konstbegroetinghe door de Vriie-hoofdkamer der Weerde Drie Santinnen in Brugge.

De gezellen waren overtuigd hiermee nuttig werk te verrichten voor de bevordering van kunsten en letteren, want zo schreven ze in de inleiding: Men zoude ons met recht als ondankbare gehandhaafd hebben, indien wij zo waerde en deftige rym- en zangwerken in den put van vergetentheid hadden laten smoren.

Dat het meesterwerken waren die ze publiceerden, daar twijfelden ze geen ogenblik aan. Ze schreven immers: De nauwkeurige zullen bij onderzoek en vergelijking van deze Heliconsche Echo met diergelijke werkstukken die ons van onse voorsaeden zijn overgebleven, moeten bekennen dat de geringste van dezen Tijd, d’Uitmundste der Oude in Konst en Tael verre overtreffen.

  • DE STRIJD

Hiermee leek alles opperbest in de beste der rederijkerswerelden, toen plots enkele maanden later, vanuit Duinkerken een werkelijke tijdbom tegen de Brugse Kamer tot ontploffing werd gebracht.

Het was natuurlijk een letterkundige bom, die onder de volgende lange titel de rederijkerswereld werd ingezonden:

Beroepsschrift voor de gilde van rhetorica binnen Duynkercke, tegen de vriie hooft-kamer der weerde drie santinnen binnen Brugge, over haar vonnis uitgesproken den 27 juni 1700, nopende de rymwerken te voren in Mey ter voldoening van hare kunstbegroetinghe overgegeven en wederom gestelt ten oordeel van alle Wyse, geoeffende, voorsienighe en hooghgheleerde yveraerts der Nederduytschhe rym- en redenkonst.

Dit werkje werd gedrukt in Duinkerken en dit zonder dat de Drie Santinnen hiervan iets wist. Die bekloeg er zich dan ook deerlijk over want, zo zegde ze het boekje werd zonder dat den schrijver of de Kamer van Duinkerken hun dat had believen toe te zenden, daegelijks met een stillen trommel, onder de hand uitgedeilt.

In dit beroepsschrift dat duidelijk van de hand was van Michiel de Swaen werd het werk van de Ninoofse factor die de eerste prijs had gewonnen en die de naam Speeckaert droeg, grondig op de korrel genomen. Dit was blijkbaar niet zo moeilijk want het werk wemelde van de fouten tegen de voorschriften en regels van de dichtkunst zoals ze door Vondel in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste waren vooropgesteld.

De beroering in de Brugse kamer naar aanleiding van een dergelijke aanval op de prijswinnaar, uitgaande dan nog van een figuur als Michiel de Swaen, was hevig.

Enkele weken later al, op 23 Juni 1701 verscheen een pamflet dat – met een woordspeling op de naam van de Duinkerkse prince – de volgende titel droeg: De val des Waens of volledige Beantwoordinge door de Vrije Hoofkamer der Weerde Drie Santinnen binnen Brugge op het Duinkerks beroepsschrift aanwijzende de feilen van deszelfs rijmwerk.

In de eerste plaats wilden de Santinners met dit schrift hun prijsverdeling wettigen en volgden hierbij een wel curieuze redenering. De titel voor de prijskamp luidde Oorspronck en Lof der Rijmkonst, welnu zo betoogden zij, Ninove had het levendigst de Oorspronck en Duinkerken het best de Lof van de Rijmkonst uitgebeeld. En aangezien de Oorspronck het eerst en den Lof het tweedst was opgesteld, wiert Ninove den eersten en Duinkerk den tweeden prijs aangewezen.

Over de echte reden voor de betwiste prijzenverdeling heeft Antoon Lowyck op een studiedag georganiseerd door de Bond van West-Vlaamse volkskundigen een verklaring gegeven die waarschijnlijk met de werkelijkheid strookt. De Santinnen hadden namelijk in 1700 een bijzondere inspanning geleverd om een nieuw cliënteel naar Brugges’ hoogdag te lokken, met name de Kamers uit Brabant, die zelden of nooit naar Brugge afzakten. Om deze nieuwe banden nauwer toe te halen kende men de eerste prijs aan Ninove toe. De prijs voor het Zangwerk, een andere prijsvraag die tegelijkertijd was uitgeschreven ging naar de Kamer van Mechelen.

Was men immers niet zeker van de eigen Vlaamse en Noord-Franse kamers die toch elk jaar naar Brugge kwamen? Het waren de nieuwe klanten die men eerst moest voldoen en in de watten leggen.

Voor de rest was het verweerschrift van de Santinnen geen weerlegging van de kritiek die de Swaen over het gedicht van Speeckaert had gespuid. Want zo zegden ze we willen noch wat stoffe overlaten om of het de Kamer van Ninove behaegt, de penne in de hand te vatten. Maar wel wilden ze den hairkliever met hairklieven betalen en dat deden ze dan ook grondig.

Samengevat luidden hun beschuldigingen als volgt:

  1. De Swaen is een hoogmoedige, want hij begint zijn gedicht met de woorden In God is mijn begin. Antwoordden de Santinners: Wat iedele verwaentheyt! Wat opgeblazen hoogmoed! Hoe durft gij het begin van u Rymwerck met den naem van den Alderhoogsten oppronken?

  2. De Swaen werd van ketterij beschuldigd en dit op verschillende gronden:
  • God heeft Adam uyt het niets verheven, had hij geschreven. Het antwoord: Dit is een dwaalgeestige stelling, want Adam werd uit slijm der aerde gemaakt.
  • God waaruyt dat alle goet en gaven zijn gerezen, zo had hij ook nog geschreven. Het antwoord: De gaven zegt gij, rijzen uit God. Is God dan lager of minder dan de gaven, die hoger rijzen als Hijzelve waaruit ze voorkomen? Die stelling is ketters.

En zo ging het nog een poosje door.

  1. De volgende beschuldiging aan het adres van de Swaen was die van bedrog. Volgens de Bruggelingen had hij aan de oorspronkelijke tekst achteraf wijzigingen aangebracht. Maurits Sabbe heeft deze beschuldiging onderzocht en is tot de vaststelling gekomen dat tussen de tekst gepubliceerd door de Brugse Kamer en die achteraf door De Swaen zelf gepubliceerd, precies drie woorden gewijzigd waren. Een dus wel erg ongegronde beschuldiging.

  2. In een vierde beschuldiging insinueerde het Brugs antwoord dat de Swaen wel een letterdief kon zijn en zijn naam had durven zetten onder een gedicht dat eigenlijk niet van hem was. Zo schreven ze: We zeggen UW dichten, omdat we die ter goeder trouw daer voor aannemen, schoon eenige meinen dat deze en andere van de volgende van uw maaksel niet en zijn. Zoals ze er ook nog venijnig aan toevoegden: De eerste en het grootste deel van de laetste versen verschillen als de nacht van den dag. Wij zouden gemeint hebben dat aan u Rymwerck twee verscheiden konstminners hadden gearbeid, maar dewijl gij ons versekerd hebt, hier tot Brugge sijnde, dat gij tot Duynkerk alleen Poeët waert, zo moeten wij geloven dat het heel uw maaksel is.

  3. Tenslotte, typisch voor de opvattingen van de Rederijkers, kreeg de Swaen het verwijt toegestuurd dat hij zijn verweerschrift niet in verzen had opgesteld.

Van wat enkele maanden voordien als hemeltaal was geprezen, bleef in de ogen van de Brugse rederijkerskamer niet veel meer over!

IV DE NASLEEP

Deze zware pennenstrijd moet voor de Duinkerkse prince een zware dobber betekend hebben. Het is niet overdreven te denken dat dit in belangrijke mate zijn laatste levensjaren heeft vergald.

We vinden hiervan heel wat tekenen in zijn werk.

Zo bijvoorbeeld in een gedicht aan de factor van de rederijkerskamer van Diksmuide schreef hij over Brugge, die iedereen wilde overschreeuwen met woordgepronk.

In zijn pedagogisch werk Nederduytsche Rijmkonst gebruikte hij bij herhaling de dichtwerken die in 1700 in Brugge waren uitgegalmd en in het bijzonder het bekroond Ninoofs werk, om voorbeelden te geven van hoe men alleszins niet moest dichten.

Herhaaldelijk had hij het in gedichten over het verval waarin de dichtkunst in de Kamers van Rhetorica was geraakt, over de valsheid van hun prijskamplauweren, over de ijdelheid en aanstellerigheid van veel rederijkers, enzovoort.

De Swaen en de Noord-Franse Rederijkers zouden voortaan Brugge, de Heilig-Bloedprocessie en de Drie Santinnen schuwen als de pest.

Weinige jaren later, in 1707 stierf Michiel de Swaen op vierenvijftigjarige leeftijd. Hopelijk was zijn gekwetste dichterseer niet verantwoordelijk voor dit vroegtijdig heengaan.

  1. EPILOOG

De epische ruzie tussen de Drie Santinnen en de Duinkerkse Karsouwieren is onder veel opzichten interessante historie, omdat het op talrijke punten, waar we nu niet de tijd hebben verder op in te gaan, de mentaliteit schetst van het zeventiende-eeuws burgerleven in het algemeen en in het bijzonder van de mentaliteit, de zeden en gewoonten in de rederijkerskamers die een voorname rol speelden in het maatschappelijk leven van die tijd.

Tweehonderd en zesenvijftig jaar na deze epische strijd, werden na lange en vurige onderhandelingen de naam, de kenspreuk en het wapen met de karsouwe van de Gezellen van de Heilige Michiel uit het ondertussen compleet verfranste Duinkerken naar deze kamer in Sint-Michiels bij Brugge overgebracht.

De strijdbijl met de Santinnen is lang begraven maar het is wel plezierig te bedenken dat het nu de Karsouwieren zijn die in Brugge Kunstbegroetingen uitgeven en poëziewedstrijden organiseren. Wedstrijden die ongetwijfeld veel serener onthaald worden door de deelnemers dan door uw voorzaten, de Duinkerkse Verblijders in den Tydt.

Het is ook pikant vast te stellen dat 270 jaar nadat Prince Michiel de Swaen op de Burg de eer van de Verblijders was komen hoog houden en dit tot zijn schade en schande, het thans de Prince van Ere van deze zelfde kamer is, ook een Michiel, die aan het hoofd komt te staan van de Zwanenstad.

De geschiedenis vertoont van die grillen die interessant om noteren zijn en die deel uitmaken van de rijkdom die traditie en geschiedenis in ons leven brengen.

Wat traditie doet leert ons een dag als vandaag. In de stad waar Rhetorica sedert zoveel eeuwen in wisselende vormen allerhande activiteiten heeft ontplooid, waar zij dichters heeft voortgebracht zoals Cornelis Everaert, Eduard De Dene en Anthonis De Roovere, zonder de onvolprezen Jan Moritoen te vergeten, blijven trouwe rederijkers de fakkel van Rhetorica hoog houden.

Vanuit het verre Duinkerken zou prince Michiel de Swaen heel zeker met fierheid kijken naar zijn gildenbroeders die drie eeuwen later nog op zoveel terreinen kunst, cultuur en ontspanning op een hoogstaand niveau beoefenen en in onze prozaïsche tijden zelfs nog een echte poëzieprijskamp succesvol kunnen inrichten. Zij wezen er om geloofd.

Het weze hen gegeven nog zeer langen tijdt zichzelf en veel anderen te kunnen verblijden.

ARCHIEF

Stadsarchief Brugge, Register voor de Vrije reden-gilde der Weirde Drie Santinnen, Maria Magdalena, Barbara en Catharina, waerin dat aengheteeckent worden alle de prijskaarten bij de bestierders derselve gilde uytgegeven mitsgaders de prijsbehaelde werken.

Stadsarchief Brugge, Prijskaarten met antwoorden, 1698-1832

DOCUMENTEN

Den Tmoliaenschen Helicon of der poëten konststrijd, zijnde een verzaemingh van verscheyde Rijm- en Zangwerken, uyt-geademt op de Redenkamer des H. geest binnen Brugghe, den 9 en 14 juni 1699 om te bekomen den Lauwer-kroon des Prinsdoms, Brugge, 1700.

De Heliconsche Echo, of weerklank der rijmwerken en gezangen der neerduytsche redekameren en bezondere konstminners, uytgegalmt op de 9 en 10 mey 1700 in voldoening van d’afgezonden Konstbegroetinghe door de Vriie-hoofdkamer der Weerde Drie Santinnen in Brugge, Brugge, Ignatius van Pee, z.d.

Beroepsschrift voor de gilde van rhetorica binnen Duynkercke, tegen de vriie hooft-kamer der weerde drie santinnen binnen Brugge, over haar vonnis uitgesproken den 27 juni 1700, nopende de rymwerken te voren in Mey ter voldoening van hare kunstbegroetinghe overgegeven en wederom gestelt ten oordeel van alle Wyse, geoeffende, voorsienighe en hooghgheleerde yveraerts der Nederduytschhe rym- en redenkonst, Duinkerken, Ant. Van Ursel, 1701.

De val des Waens of volledige Beantwoordinge door de Vrije Hoofkamer der Weerde Drie Santinnen binnen Brugge op het Duinkerks beroepsschrift aanwijzende de feilen van deszelfs rijmwerk, Brugge, 1701.

LITERATUUR

Prudens VAN DUYSE, De rederijkerskamers in Nederland. Hun invloed op letterkundig, politiek en zedelijk gebied, Gent, 1900.

Maurits SABBE, Het leven en de werken van Michiel de Swaen, in: Mémoires de l’Académie Royale de Belgique, deuxième série, Tome premier, Bruxelles, 1906.

Michiel DE SWAEN, Werken van Michiel de Swaen, uitgegeven door Dr. V. CELEN, met de medewerking van dr. C. HUYSMANS en Prof. Dr. M. SABBE, Antwerpen, z.d.

Albert SCHOUTEET, Inventaris van het archief van de Brugse rederijkersgilden van de H. geest, van de Drie Santinnen en van het H. Kruis op het stadsarchief te Brugge, in: Handelingen genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1977, blz. 361-385.

Antoon LOWYCK, Bedevaarders uit het Franse Noorden, in: Het Heilig Bloed in de volksverering, Schrift 2 van de Bond van de Westvlaamse volkskundigen te Brugge, Brugge, 1971, blz. 15-48

(Rhetorica ten strijde is nooit gepubliceerd en werd in maart 2000 lichtjes herzien.)