Over Bertolt Brecht

die al dan niet naar Brugge kwam

en over een literaire bijeenkomst die er geen was.

De explosieve biografie van Bertolt Brecht door John Fuegi, die een massieve ontluistering betekende van de theaterman, als mens en als auteur[1] en de herdenkingen en heropvoeringen van zijn werken die plaats vonden naar aanleiding van de honderdste verjaardag van zijn geboorte, hebben me doen teruggrijpen naar het artikel door Willy Simaey in dit tijdschrift gewijd aan Brecht in Brugge[2].

In dit artikel werd er van uitgegaan dat Brecht in april 1954 Brugge bezocht, hoewel hiervoor geen enkel hard bewijs voorhanden is. Een mogelijk bezoek in juni 1954 werd als onwaarschijnlijk afgewezen. Laat ons op beide mogelijkheden wat dieper ingaan, evenals op de omstandigheden die Brecht naar België brachten.

Brecht in Knokke, 3 en 4 april 1954

Volgens W.Simaey was Brecht, samen met andere letterkundigen te gast bij baron Antoine Allard in Het Zoute voor een literaire avond en zou hij bij die gelegenheid ook Brugge bezocht hebben.

In feite ging het om een bijeenkomst die twee dagen duurde: zaterdag 3 en zondag 4 april 1954 en die doorging in het luxehotel La Réserve. Het ging om heel iets anders dan om een literaire avond.

Baron Antoine Allard (1907-1981) was een bijzonder man. De gefortuneerde edelman hield zich naast zijn activiteiten als schilder en tekenaar, met allerhande maatschappelijke activiteiten bezig. Onmiddellijk na de oorlog was hij begonnen met een pacifistische vereniging genaamd STOP WAR. Eén van zijn betrachtingen was, in afwachting van een volledige ban op kernwapens, atoomvrije zones uit te roepen[3]. In de jaren zestig werd hij de stichter van OXFAM in België en bleef er de voorzitter van tot aan zijn dood.

Allard was een aristocraat en tevens een "chrétien de gauche", die zijn inspiratie zocht bij links-katholieke auteurs. Hij werd wat men tijdens de Koude Oorlog een fellow traveller, een compagnon de route, of naar het woord van Lenin een nuttige idioot noemde. In zijn geschriften, en o.m. in zijn boek Ferveurs (Brussel, 1960) trok hij van leer tegen de Amerikanen, tegen de NAVO en tegen de herbewapening van de Duitse Bondsrepubliek, terwijl hij de vredelievende houding tot voorbeeld stelde van de Sovjetunie, van de Chinese Volksrepubliek en van de communistische wereld in het algemeen.

We weten dat dit een naïeve en blinde houding was, maar ze was in West-Europa die van een groot deel van de linkse intelligentsia. Baron Allard deelde zijn overtuiging met koningin Elisabeth, van wie de linkse sympathieën bekend waren. Hij organiseerde voor haar een reis naar de Sovjetunie en één naar de Chinese Volksrepubliek. Het bezoek van zo'n hoge Westerse personaliteit in volle Koude Oorlog betekende natuurlijk een welkome propagandastunt voor de regimes aldaar.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de bijeenkomst die door Allard in Knokke werd belegd, niet zomaar een literair kransje was, maar iets heel anders. Dit was de tijd dat regelmatig congressen voor intellectuelen en festivals voor de jeugd werden georganiseerd om de “Vredesgedachte” te promoveren. De meeste zoniet al deze organisaties waren van linkse signatuur, en gingen uit van verenigingen die nogal onvoorwaardelijk de Sovjetstellingen aankleefden. Ze werden dan ook meestal gestuurd vanuit en gefinancierd door Moskou, die er evenwel grote zorg voor droeg alles te laten gebeuren via zogezegd neutrale mantelorganisaties, waar weinig of geen officieel als communist bekende personen bij betrokken waren, maar wel zoveel mogelijk linkse vrienden en fellow travellers die dan op hun beurt inspanningen leverden om pacifisten die verder af stonden van het linkse en communistische gedachtegoed bij hun activiteiten te betrekken. Dit alles gaf natuurlijk aanleiding tot hevige polemieken. In de Verenigde Staten gaf het mee voeding aan de communistenjacht die onder impuls van de democratische senator MacCarthy werd ingezet.

Honderden intellectuelen, communisten, zoals bvb. in Frankrijk Louis Aragon, Elsa Triolet, Claude Roy, en de professoren Fréderic en Irène Joliot-Curie, maar vooral veel linkse sympathisanten, lieten zich op sleeptouw nemen. Grote namen in Frankrijk waren bvb. Pablo Picasso, Paul Eluard, Fernand Leger, Julien Benda, Vercors, Gerard Philipe, Yves Montand en Simone Signoret, Madelaine Renaud en Jean-Louis Barrault, kanunnik Kir, Maurice Duverger, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Pierre Cot, Emmanuel d'Astier de la Vigerie, Emmanuel Mounier en veel anderen. Een tijdlang spanden zich zelfs de filosoof Merleau-Ponty en de socioloog Alfred Sauvy achter deze kar. Hetzelfde deed zich voor in de Verenigde Staten (met o.m. Charlie Chaplin), in Groot-Brittannië (met o.m. de "rode" deken van Canterbury en Georges Bernard Shaw), in Italië, in de Scandinavische landen en in mindere mate in de Duitse Bondsrepubliek.

Ook Belgen marcheerden in dezelfde richting, werden lid van de "Wereldraad voor de Vrede", ondertekenden de "Oproep van Stockholm", namen deel aan congressen en conferenties en sloten zich aan bij verklaringen en petities. De vlaggendrager van de fellow travellers in België was het links-socialistisch kamerlid Isabelle Blume (1892-1975). Andere niet-communisten zoals bvb. de kanunniken Houtart en Goor, Achilles Mussche, Rik Poot, René Lyr, Johan Daisne, Willem Elsschot en o.m. ook veel professoren aan de U.L.B. trokken mee op.

Geen literaire maar een ‘politieke’ bijeenkomst

Antoine Allard was één onder hen en het is in zijn hoedanigheid van links pacifist dat hij de bijeenkomst in Knokke organiseerde, niet met literaire maar wel degelijk met politieke doelstellingen. Eén van de deelnemers was de Erasmusspecialist en professor aan de U.L.B., later eerste rector van de V.U.B., Aloïs Gerlo. Vanaf 1945 tot in 1956 was Gerlo actief lid van de Belgische Communistische Partij en net zoals de Brugse communist Marc Braet moest hij zijn sympathie voor de Sovjetunie niet verbergen. Over het doel en het verloop van de bijeenkomst in Knokke heeft Gerlo gehandeld in zijn autobiografie Noch hoveling, noch gunsteling (Uitg. DNB, Kapellen, 1989).

Gerlo had crypto-communistische vredescongressen bijgewoond, o.m. in Wroclaw in 1948 en in Parijs in 1949. Hij wist hoe zoiets georganiseerd werd: "De communistische partijen zorgden telkens voor het initiatief en voor de vrijgestelden. Maar in het Vredescomité waren de niet-communisten, vooral vooraanstaande intellectuelen en kunstenaars, sterk aanwezig en zelfs in de meerderheid".

Zo verliep het ook met de bijeenkomst in Knokke. Gerlo besefte dat hij nog wat jong was en van geringer gewicht dan de beroemdheden die hij daar ontmoette, maar hij zal wel geweten hebben dat men op hem en op Mark Braet een beroep deed om zich als communisten mee te bekommeren over de goed gang van zaken.

Ver van een literair kransje te zijn had de bijeenkomst als dubbel doel een grote internationale bijeenkomst van schrijvers voor te bereiden die moest plaats vinden in het najaar van 1954 en een brief op te stellen die een vredesoproep zou zijn en geadresseerd zou worden aan alle Europese PEN-clubs en andere verenigingen van letterkundigen.

Uit de herinneringen van A.Gerlo leert men dat er hard werd gewerkt en dat ieder woord van de te publiceren tekst gewikt en gewogen werd. De "zwaargewichten" Sartre, Fedine, Brecht, de Jouvenel, Vercors lieten zich niet onbetuigd en namen actief aan de discussie deel. Men lette er vooral op de verwoording zo op te stellen dat niemand door al te scherpe posities zou worden afgeschrikt.

De groep ging evenwel uit mekaar met nog heel wat onopgeloste problemen. Waar zou het congres plaatsvinden? Wie zou het organiseren? Met welke middelen? Kon men subsidies verhopen vanwege de Franse of de Italiaanse regering? Wie zou er grote figuren zoals François Mauriac, Thomas Mann, Paul Vialar of André Chamson aanspreken om mee te doen? Want, zo zegde Elsa Triolet, als de samenstelling bleef zoals in Knokke had het geen zin. Wellicht verwijzend naar het Zegemeer achter La Réserve, zei ze: "Si nous sommes ce groupe d'initiative, l'affaire est dans le lac au lieu de dans le sac[4]".

Uiteindelijk kwam er niets van terecht. Na de dood van Stalin en de eliminatie van Beria, keerde het tij enigszins en waren een aantal intellectuelen minder bereid om zich door de Sovjets op sleeptouw te laten nemen. In juni 1953 was er de arbeidersopstand geweest in de DDR en in 1956 zouden kort op mekaar het ontluisterend rapport van Chroesjtsjov over Stalin en de grote opstand in Hongarije plaats vinden.  Dit alles ontnuchterde sommigen (op verre na niet allen!) onder de West-Europese communisten en fellow travellers.

De deelnemers aan het weekend in Knokke

Keren we evenwel terug naar de bijeenkomst in Knokke. Baron Allard was er alleszins in geslaagd een aantal eersterangs figuren bijeen te brengen. Laten we even de lijst genodigden overlopen zoals ze door Mark Braet werd opgetekend[5].

De buitenlanders waren met dertien. We vonden geen informatie over mevrouwen Kaminova en Saba, die wellicht slechts de begeleidsters waren van respectievelijk de Bulgaarse en de Italiaanse deelnemer. De derde dame was de echtgenote van Vercors. De tien prominente buitenlanders volgen hierna.

1. D.D.R.

Bertolt Brecht (1898-1956) stond op het hoogtepunt van zijn internationale beroemdheid. Samen met zijn vrouw Hélène Weigel dirigeerde hij in Oost-Berlijn het Berliner Ensemble en zowat over de ganse wereld werd "zijn"[6] werk, o.m. de Driestuiversopera en Moeder Courage opgevoerd. Einde 1953, als dank voor zijn steun aan het DDR-regime  tijdens de arbeidersopstand van 17 juni werd hij ondervoorzitter van de Duitse Kunstacademie en kreeg hij het compleet gerestaureerd Theater Schiffbauerdamm voor zijn gezelschap en een mooi herenhuis als privé-woonst ter beschikking. Kort daarop verleende Moskou hem de Stalinprijs voor de  Vrede. In een aantal Westerse middens was hij door zijn steun aan het sterk gedevalueerde Ulbrichtregime zeer controversieel geworden en het waren dan ook slechts communisten of fellow travellers zoals Allard die bereid waren met hem aan tafel te zitten. Om aan de bijeenkomst te kunnen deelnemen werd hem op 30 maart 1954 een “laissez passer tenant lieu de visa” overhandigd dat slechts van 1 tot 6 april geldig was[7].

Anna Seghers (Mainz 1900 - Oost-Berlijn 1980), geboren Anna Reiling, was een uiterst linkse kunsthistorica en romanschrijfster die in 1933 nazi-Duitsland ontvluchtte en na verblijven in Frankrijk en Mexico in 1947 naar de DDR terugkeerde om er tot aan haar dood één van de intellectuele supporters van het meest orthodox communistisch regime te blijven. Haar in 1948 gepubliceerde roman Sovjetmenschen, leverde haar in 1951 de Stalinprijs voor de Vrede op.

2. Bulgarije

Georgi Karaslavov (1904-1980) was vanaf de jaren vijftig directeur van het Nationaal Theater in Sofia. Daarnaast was hij de auteur van romans met een sociaal-realistische inslag. Het spreekt vanzelf dat hij een trouw communistisch aanhanger was.

3. Frankrijk

Renaud de Jouvenel (1907-1982) was de halfbroer van de veel bekender Bertrand de Jouvenel (1903-1987), beiden zoons van de Franse politicus en minister Henry de Jouvenel (1876-1935). Renaud was een onecht kind en werd pas in 1928 door zijn vader erkend. Jouvenel was méér dan een compagnon de route, hij was wat men noemde een agent d’influence, die als zogenaamd onafhankelijk publicist de thesissen van de Sovjetunie en van de Franse communistische partij ondersteunde. Later, toen hij van zijn illusies was weergekeerd schreef hij hierover een boek, Confidences d’un sous-marinier du parti communiste français (1980). Twee jaar later vond men zijn lijk in Cannes: hij was al verschillende weken dood. De omstandigheden van dit overlijden bleven onopgehelderd.

Jean-Paul Sartre (1905-1980) was ongetwijfeld dé vedette van de bijeenkomst. Hij werd niet alleen erkend als de grote filosoof van het existentialisme met zijn boeken L'être et le néant (1943) en L'existentialisme est un humanisme (1946), maar was een gevierd auteur en dramaturg (La nausée, Les mouches, Huis Clos, Le mur, La putain respectueuse). Daarbij was hij een Parijse personaliteit, samen met zijn vriendin Simonne de Beauvoir zeer aanwezig in de cafés en existentialistische kelders van Saint-Germain des Prés en in de politieke meetings van de Rive Gauche. Sartre was de meest bekende en invloedrijke onder de Franse compagnons de route. Kort na zijn verblijf in Knokke ondernam hij een reis door de Sovjetunie en verklaarde zonder verpinken bij zijn terugkeer: “Le citoyen soviétique jouit d’une totale liberté de critiquer le système”. Het is voornamelijk in de periode 1952-1956 dat hij het dichtst bij de communisten aansloot, zonder evenwel partijlid te worden. Na 1956 stelde hij zich wat onafhankelijker op, maar brak toch pas met de communisten in 1968, om zich van dan af te vermeien in zijn maoïstische en castristische sympathieën.

Elsa Triolet (Moskou 1896 - St Arnould 1970), geboren Elza Kagan was een volbloed communiste. In haar jeugd was ze de vriendin van de revolutionaire dichter Vladimir Majakovsky. Nadien vestigde ze zich in Frankrijk, schreef voortaan in het Frans en kreeg de eerste naoorlogse Goncourtprijs. Samen met haar echtgenoot, de schrijver Louis Aragon (1897-1982) bleef zij door dik en dun trouw aan de Franse communistische partij en aan het Sovjetrussisch regime. Volgens A. Cohen-Solal in haar Sartrebiografie, was het op uitnodiging van Elza Triolet dat Sartre aan de bijeenkomst in Knokke deelnam[8].

Vercors (1902-1991), pseudoniem van Jean Buller, zoon van een Joods-Hongaarse inwijkeling, was beroemd geworden met zijn weerstandsnovelle Le silence de la mer, tijdens de oorlog clandestien gepubliceerd door Editions de Minuit die hij had gesticht. Vercors was het soort "homme de gauche" wiens naam men graag onder ieder progressistische petitie had. Hij was één van de meest vooraanstaande fellow travellers, tot hij in 1957 met zijn boek Pour prendre congé, een eindpunt zette achter zijn compagnonage met de communisten en weigerde nog verder als potiche d’honneur misbruikt te worden. In Knokke was hij vergezeld van zijn echtgenote Rita Barisse. Zij was een naar Engeland uitgeweken Duitse, met wie hij in 1952 gehuwd was. Haar talenkennis maakte dat ze in Knokke als tolk en secretaris optrad. Vercors heeft in zijn Memoires ruime aandacht aan het weekend in Knokke geschonken[9].

4. Italië

Carlo Levi (1902-1975), arts, schilder, schrijver en journalist was zowat een Italiaanse replica van Vercors. Anti-fascistisch weerstander van het eerste uur, was ook hij met één boek, Christus hield halt bij Eboli, wereldberoemd geworden. Hij was duidelijk een fellow traveller, zoals hij met zijn reportage over een reis door de Sovjetunie  (Il futuro ha un cuore antiquo) zou aantonen. In de jaren zestig werd hij communistisch senator.

5. Polen

Jaroslaw Iwaszkiewicz (1894-1980), dichter, essayist en toneelschrijver was een niet-communistische fellow traveller in de Poolse satellietstaat. Hij zetelde als onafhankelijke in het parlement en was vanaf 1953 voorzitter van de Vereniging van Poolse schrijvers Een typisch "export product" zoals men er in het Oostblok veel had: geen partijlid, maar gehoorzaam aan het regime.

6. Sovjetunie

Konstantin Fedine (1892-1977) was een succesvol romanschrijver. Ook hij behoorde tot de fellow travellers van het Sovjetregime en werd als uithangbord gebruikt. Van 1959 tot 1971 was hij eerste secretaris van de Unie van schrijvers in de Sovjetunie, om er nadien voorzitter van te worden. Hij was het die publicatieverbod oplegde voor Alexander Soljenitsins’ Kankerpaviljoen.

Het ging dus alleszins om een prestigieus gezelschap. Deze dame en deze heren hadden allen al hun biografie en hun foto in de meeste encyclopedieën en waren internationaal zoniet zelfs wereldbekend. Allen stonden bekend hetzij als communisten, hetzij als kritiekloze aanhangers van de Sovjetunie en van de communistische partij in hun land.

7. België

Naast de dertien buitenlanders kwamen vijftien Belgen op de lijst van de genodigden voor. We laten hier Allard en de echtgenoten van Braet, Hubaux en Norge buiten beschouwing.

Mark Braet (°1925) was de jongste van het gezelschap en was ongetwijfeld uitgenodigd, net als Gerlo, om letterlijk als “oeil de Moscou” te fungeren. Tegen die tijd had hij al enige reputatie verworven als dichter, maar vooral was hij actief in de communistische partij, waarvan hij vele jaren de minzame Brugse vlaggendrager zou zijn.

Constant Burniaux (1892-1975), lid van de Académie de Belgique was een talentvol romanschrijver in een sociaal-realistische stijl.

Willem Elsschot (1882-1960), de auteur van Villa des Roses, Lijmen, Kaas en Tsjip behoorde tot de schrijversgroep die in België pacifistische, linkse manifesten en oproepen ondertekende.

Aloïs Gerlo (°1915-1998) was in de jaren vijftig aan zijn belangrijke wetenschappelijke carrière begonnen. Hij was daarnaast actief in het Onafhankelijkheidsfront waarvan hij nationaal secretaris was geweest en in de Belgische communistische partij. Kortstondig was hij hoofdredacteur van De Rode Vaan en lid van het Centraal Comité van de partij. Na het befaamd anti-Stalin rapport van Chroesjtsov in 1956 nam hij ontslag. In 1954 was hij evenwel nog actief communist.

Franz Hellens (1881-1972), de vroeg-surrealistische dichter en auteur van romans vol mysterie en pessimisme, was in de internationale literaire middens wellicht nog beter bekend dan in België. Onder zijn echte naam, Frederic van Ermengem, doorliep hij een loopbaan als bibliothecaris van het Parlement. Tijdens de Eerste wereldoorlog woonde hij in Nice en huwde er met Maria Miloslavskaja, de echtgenote van de kubistische beeldhouwer Alexander Archipenko. Van toen af begon zijn grote belangstelling voor de Russische literatuur. Hij werd bevriend met Ilja Ehrenburg aan wie hij in België onderdak verschafte en met Maxim Gorki die hij in Sorrento ging bezoeken. Samen met zijn vrouw vertaalde Hellens werk van Ehrenburg en van Majakovski, van de "poète maudit" Sergej Jesenin en ook van Konstantin Fedine die er in Knokke bij was. Die vertalingen en hun publicatie dateerden van het begin van de jaren twintig. Het was dus een al heel oude vriendschap die Hellens en Fedine verbond.

Achilles Mussche (1896-1974), dichter en essayist, auteur van o.m. Aan de voet van het Belfort, was socialist en voorzitter van het Vermeylenfonds. Ook hij was altijd bereid pacifistische oproepen te ondertekenen.

Georges Norge (1898-1990), van zijn echte naam Georges Mogin was een dichter in de trant van Paul Claudel en van de surrealisten, die zich in Zuid-Frankrijk ging vestigen.

Charles-Louis Paron (°1914) was romanschrijver. Hij verbleef lange tijd in communistisch China. Samen met A.Gerlo schreef hij een studie over De Costers' Uilenspiegel die gepubliceerd werd door de communistisch georiënteerde Librairie du monde entier.

Herman Van Snick (°1914) ging tijdens de oorlog in het verzet en werd nadien vrederechter in Diksmuide, Veurne en Vilvoorde, wat zijn linkse trouw niet verminderde. Hij schreef talrijke dichtbundels en was een vriend van Mark Braet over wie hij een monografie schreef, gepubliceerd door de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers.

Robert Vivier (1894-1989) was dichter, criticus en romanschrijver. Hij was tevens doctor in de Romaanse filologie en hoogleraar in Luik en aan de Sorbonne. In 1922 was hij gehuwd met Zenitta Tazzief, de moeder van Haroun Tazieff (1914-1998), de bekende vulkanoloog die in de socialistische regering Mauroy in 1981 kortstondig minister werd.

Hubaux was een classicus, professor aan de  Universiteit van Luik.

De taalpariteit onder de Belgen was bijna volmaakt:  zes Franstalige en vijf Nederlandstalige auteurs namen aan de Knokse bijeenkomst deel. Of toch niet? Gerlo schreef dat hij er was als enige Vlaming. Mark Braet was er alleszins ook. Maar waren Elsschot, Mussche en Van Snick wel aanwezig? Ze staan vermeld op de lijst van de genodigden maar hun naam komt niet voor onder de handtekeningen die Braet in zijn dagboek verzamelde. Gerlo had dus waarschijnlijk gelijk en deze Vlamingen zonden wellicht "hun kat".

De vraag blijft of Brecht en eventueel de rest van het gezelschap van het verblijf in Knokke gebruik maakten om Brugge te bezoeken. Niets is minder zeker. Er is hiervan alvast geen spoor terug te vinden in de lokale bladen. Niet verwonderlijk want Gerlo schreef in zijn memoires: "Er werd besloten niets mee te delen aan de pers". Noch bij hem, noch in het dagboek van Vercors, nog in de kroniek over het leven van Brecht is er enige verwijzing naar Brugge. Ook Mark Braet heeft hieraan geen enkele herinnering. Waren ze naar Brugge gekomen dan zou hij er ongetwijfeld als hun gids gefungeerd hebben.

Wél vermeldt Gerlo dat na afloop de deelnemers die vrij waren, onder begeleiding van Allard naar Brussel trokken waar ze op het Stuyvenbergkasteel door “een uiterst vriendelijke, witgepoederde (dixit Gerlo) koningin Elisabeth” werden ontvangen. Gerlo herinnerde zich niet of Brecht aanwezig was. Vercors herinnert zich dat Brecht niet mee ging omdat hij niet de hand wilde drukken van een koningin, zelfs niet van een linkse. Brecht die over een eigen auto met chauffeur beschikte[10] was wellicht al onmiddellijk terug vertrokken. Zijn visum liep immers slechts tot 6 april. Hoe dan ook is het zeker dat hij op 3 en 4 april 1954 in Knokke verbleef, maar is het helemaal niet zeker dat hij van de gelegenheid gebruik maakte om Brugge te bezoeken.

Brecht in Brussel op 21 juni 1954

Een tweede verblijf van Brecht in België situeert zich in juni 1954. De acteurs van het Berliner Ensemble traden rond die tijd op in Parijs in het kader van het Internationaal Zomerfestival voor het Theater. Ze voerden er Don Juan en Moeder Courage op. Vooral dit laatste stuk, waarmee de eerste prijs van het festival werd gewonnen, elektriseerde de toeschouwers. Het kon niet beter op tijd komen, nu gans Frankrijk getraumatiseerd was door de val van Dien Bien Phu en door de terugkeer van de gewonde overlevenden.

Hetzelfde werk kwam de troep ook in Brussel opvoeren. Tezelfdertijd woonde Brecht er samen met Anna Seghers op 21 juni een bijeenkomst van de PEN-club bij. Het is niet onmogelijk dat Brecht bij die gelegenheid Brugge bezocht. Dit is althans wat zijn biograaf Ronald Heyman signaleerde.[11] Hij baseerde zich hiervoor op de Brechtkroniek van K.Völker[12], waarover Fuegi schreef dat het was “an extraordinarely useful and mainly reliable collection of facts on the life of Brecht[13]”.

Rond die tijd werden heel wat toneelwerken opgevoerd in Brugge. Enerzijds was een zomerfestival georganiseerd door het theaterbureau Prisma, anderzijds ging op de binnenkoer van de Hallen een internationaal universitair toneelfestival door. Er stond evenwel geen werk van Brecht op het programma en zijn aanwezigheid werd nergens vermeld, ook niet in de lokale kranten.

Als Brecht naar Brugge kwam kan het dus maar een confidentieel en kort toeristisch bezoek geweest zijn dat, op grond van wat Heyman schreef, in juni en niet in april 1954 te situeren is.

Andries Van den Abeele.


[1] John FUEGI, The life and lies of Bertolt Brecht, London, 1994

[2] W. SIMAEY, Bertold Brecht in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1992, blz 183-190

[3] Zijn tegenstrevers hadden er vooral kritiek op dat hij een oorlogsvrije zone voorstelde rond Westkapelle… waar hij zijn buitenverblijf had.

[4]  A. GERLO, Noch hoveling, noch gunsteling. Een levensverhaal, Kapellen, 1989, blz 114

[5]  W. SIMAEY, a.w. blz 187

[6]  Fuegi heeft aangetoond dat een aanzienlijk deel van het onder Brechts’ naam gepubliceerd werk geschreven werd door verschillende van zijn medewerkers, die meestal ook zijn minaressen of minnaars waren.

[7]  E. und R. SCHUMACHER, Lebens Brecht in Wort und Bild, Berlijn, 1979, blz 281.

[8] A.COHEN-SOLAL, Sartre 1905-1980, Parijs 1985

[9]  VERCORS, Les nouveaux jours, Esquisse d’une Europe, Paris, 1984, blz 253-255.

[10]  J. FUEGI, a.w. blz 557

[11] R. HEYMAN, Bertold Brecht, Der Unbequeme Klassiker, München, 1985, blz 485 en 539.

[12]  K. VÖLKER, Brecht-Chronik, München, 1971.

[13]  J. FUEGI, a.w. blz 634.

www.andriesvandenabeele.net