MATHILDE D’UDEKEM D’ACOZ

Mathilde was tot hiertoe voor mij

- de naam van een oude verre nicht,

- het beeld van Dikke Mathilde in Oostende,

- Harry Belafonte: Mathilde, etc

- de dochter van Boudewijn van Vlaanderen en echtgenote van Willem de Veroveraar

- de heilige Mathilde, moeder van keizer Otto I

- de gravin van Toscane op wiens kasteel de Duitser Hendrik IV "naar Canossa" kwam.

- de melkvrouw die in mijn kinderjaren dagelijks de verse pinten melk bij ons aan huis bracht (de "melkige" zoals zo een vrouw noemde).

Nu wordt het dus een "household name" die we vaak in de kranten zullen zien verschijnen. Morgen zullen we weten met wie we voortaan die naam associëren.

Een journalist vroeg me wat gegevens over de Brugse wortels van de nieuwe prinses. Ik weersta niet aan de verleiding om mijn bevindingen aan de e-groep mee te delen. Misschien interesseert het een of ander royalty watcher of fan onder ons, of zoniet misschien zijn echtgenote.

DE STEVIGE BRUGSE WORTELS VAN MATHILDE

Men heeft het in de voorbije dagen uitgebreid gehad over de Brabantse (Zoutleeuwse) en Zuid-Westvlaamse (Poperingse) afkomst van Mathilde d’Udekem d’Acoz, de aanstaande bruid van de Belgische kroonprins. Ze heeft evenwel ook zeer oude Brugse wortels, die eeuwen terug klimmen. Veel van haar directe voorvaders zijn terug te vinden onder de burgemeesters en schepenen van de stad Brugge of van het Brugse Vrije en in andere bestuursfuncties bij die besturen, of als vertegenwoordigers van het arrondissement Brugge in de Tweede Kamer onder het Verenigd Koninkrijk en in het Belgisch Parlement.

Coppieters

Zo behoort Mathilde tot de zevende generatie die afstamt van Charles Coppieters (1774-1864). Hij was aanvankelijk advocaat en schepen van Brugge en vanaf 1807 en voor meer dan vijftig jaar rechter (met een onderbreking in de Hollandse tijd) en vanaf 1832 voorzitter van de rechtbank van Eerste aanleg in Brugge. Terzelfder tijd was hij lid van de Tweede Kamer in de Hollandse tijd en van 1830 tot 1848 Belgisch parlementslid. Hij behoorde tot de leden van het "Nationaal Congres", het eerste Belgisch parlement en hij bracht zijn stem uit ten voordele van de kandidatuur van Leopold van Saksen Coburg als koning der Belgen. Gelukkig maar dat hij niet voor een ander stemde zal zijn verre nazaat wellicht denken, zo is al één huiselijke twist vermeden! Coppieters woonde in de Sint-Jorisstraat 15, huis dat nog altijd door rechtstreekse afstammelingen bewoond wordt.

Charles Coppieters, wiens broer Jean-Baptiste in 1830 burgemeester van Brugge werd, was de zoon van een Jean-Baptiste Coppieters, heer van ’t Wallant (1737-1787), die schepen was van het Brugse Vrije en woonde in de Sint-Jansstraat 13. Die was dan op zijn beurt de zoon van Jean-Baptiste Coppieters ’t Wallant (1695-1783), die schepen van Brugge werd en algemeen ontvanger voor West-Vlaanderen. De moeder van Charles Coppieters was een van Zuylen van Nyevelt, dochter en kleindochter van Brugse schepenen en postmeesters, die op het Sint-Maartensplein woonden. Zijn ene grootmoeder was een van Steelant en de andere een du Bois de Leysele, die beide tot oude Brugse families behoorden. Eén van de rechtstreekse voorvaders van Mathilde d’Udekem, Willem van Steelant werd tot ridder geslagen bij de Slag der gulden sporen in 1302.

Stochove

Charles Coppieters huwde in 1803 met Thérèse Stochove (1782-1818), die als één van haar caritatieve werkzaamheden, "wereldlijke moeder" van de Brugse Arme Claren Coletinnen was. Ook zij behoorde tot een zeer Brugse familie. Eén van haar voorvaders, Jan Stochove was in 1577 schepen van Brugge en zijn zoon werd het na hem. Vooral was er haar overgrootvader, Vincent Stochove (1605-1679) die veel jaren burgemeester van Brugge was en die vooral bekendheid verwierf door "Het bereysde Oosten", het verhaal dat hij in het Nederlands en het Frans publiceerde van zijn avontuurlijke reizen in het Midden-Oosten en in Afrika. De vader van Thérèse was Jean Aybert Stochove en haar moeder Catharina Perduyn, laatste naamdrager van het oude geslacht Perduyn de Buytswalle.

Hoewel Thérèse Coppieters-Stochove vroeg stierf, schonk ze toch aan acht kinderen het leven. De oudste werd pastoor van Sijsele, twee zoons werden vrederechter en een ander advocaat. Er zijn thans geen mannelijke afstammelingen meer. De jongste dochter, Anna (1818-1851) waar Mathilde van afstamt, huwde met de bijna twintig jaar oudere Louis Frennelet (1799-1852). Hij was de zoon van een uitgeweken Franse ambtsedelman. Als lid van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen werd hij voogd van het hospitaal van de Potterie, waar hij het initiatief nam om de kunstwerken te verzamelen in twee zalen, hiermee de aanzet gevend voor wat het museum van de Potterie werd.

Hun dochter, Marie Frennelet (1843-1881), betovergrootmoeder van Mathilde huwde met Désiré de Thibault de Boesinghe (1837-1909) uit een familie die sedert de dertiende eeuw in Ieper functies uitoefende en vanaf de achttiende eeuw ook in Brugge. Zijn moeder was een Van Hamme de Stampaertshoeke, zijn grootmoeder een Pecsteen de Zwevezele, zijn overgrootmoeder een de Heere de Beauvoorde. Alleen al in de rechte mannelijke lijn waren het dus heel wat van de traditionele Brugse adellijke families die hierbij te voorschijn kwamen.

van Outryve d’Ydewalle

Hun dochter, Madelaine de Thibault de Boesinghe (1876-1931) huwde met ridder Clement van Outryve d’Ydewalle (1876-1942). Zij zijn de Brugse overgrootouders van Mathilde. De verwantschap met de van Outryve d’Ydewalles brengt weer een heel reeks West-Vlaamse edellieden in de stamboom van de d’Udekems. De Van Outryves stamden uit een oud landbouwersgeslacht in en rond Oostrozebeke. In 1771 werden enkele van de in Brugge welvarend geworden afstammelingen in de adelstand verheven. De stamvader van de d’Ydewalles was Emmanuel van Outryve d’Ydewalle (1745-1827) die woonde op de Dyver in het huis dat thans als het Arentshuis of Brangwynmuseum bekend staat.

Was de weduwnaar Emmanuel op twee en veertigjarige leeftijd niet hertrouwd met de zeventien jaar jongere Anne de l’Espée, die hem nog zeven kinderen schonk, dan waren er nu geen d’Ydewalles meer en ook geen Mathilde. Eén van die kinderen was Eugeen van Outryve d’Ydewalle (1797-1854), die huwde met Clemence Van Severen, telg uit de Brugse families van Severen en De Stoop, waarvan verschillende een voorname rol speelden tijdens de revolutieperiode. De voornaamste onder hen was Bernard Van Severen (1761-1837), die in de Geldmuntstraat woonde en zowel in de Franse als in de Hollandse tijd een voorname rol speelde, om onder het Belgisch koninkrijk nog interim gouverneur en provinciaal raadslid te worden. Eugeen van Outryve d’Ydewalle woonde in het huis "Casselberg" in de Hoogstraat. Dat voorzaten van de toekomstige koningin er woonden zal hopelijk een bijkomende aanmoediging zijn om dit prachtig maar vervallen monument in eer te herstellen.

Onder de acht kinderen van Eugeen, was er nogmaals een Eugeen van Outryve d’Ydewalle (1830-1901) die negen kinderen had uit zijn opeenvolgende huwelijken met de gezusters Emma en Laurence de Serret, dochters van de burgemeester van Sint-Michiels Jules de Serret – van Caloen, wat weer twee oude adellijke West-Vlaamse families onder de voorouders van de d’Udekems brengt. Die Eugeen werd burgemeester van Ruddervoorde, provincieraadslid, volksvertegenwoordiger en senator. Van hem was bekend dat hij ziek werd als hij twee dagen in de stad moest verblijven, ver van zijn geliefde bossen. Anderzijds had hij een stevige reputatie van vrouwenversierder.

Clement van Outryve d’Ydewalle, zoon van Eugeen van Outryve – de Serret, was een gezapig rentenier over wie niets te vertellen valt. Dit in tegenstelling tot zijn oudste broer Paul van Outryve d’Ydewalle (1858-1930) die een populaire burgemeester van Ruddervoorde was, waar men minstens zeven natuurlijke kinderen van hem kon aanwijzen. In 1908 vierde hij zijn honderdste verjaardag in de cafés van het dorp, want zegde hij "ik leef twee jaar in één". Hun beider zuster Cecile huwde met Henry d’Udekem d’Acoz, uit een andere tak van deze familie. Hij werd in 1915 in Beernem vermoord door een Duits officier en behoort hierdoor tot de geschiedenis van de "moorden van Beernem" die al zoveel inkt hebben doen vloeien.

d’Udekem d’Acoz

Zo komen we tot de grootouders van Mathilde. Suzanne van Outryve d’Ydewalle (°1898), dochter van Clement, huwde met baron Charles d’Udekem d’Acoz (1885-1968) die burgemeester van Proven werd, in opvolging van baron Raoul Mazeman de Couthove die kinderloos stierf, maar zijn nicht Suzanne adopteerde. Deze oudstrijder van 14-18 had drie zonen, Henry (°1933), de welbekende advocaat (specialist van de pachtwet), burgemeester van Proven en thans van Poperinge, voorzitter van de provincieraad van West-Vlaanderen en joviaal vrijgezel, Raoul (°1935) gehuwd met Françoise de Maere d’Aertrycke, een andere bekende naam in de Brugse geschiedenis, verbonden met het ontstaan van Brugge Zeehaven en tenslotte Patrick (°1936), vader van Mathilde, gehuwd met een Poolse gravin en zoals thans voldoende bekend, wonend op het kasteel Losange in Villers la Bonne Eau bij Bastogne.

Men mag er uit besluiten dat de Brugse en ook West-Vlaamse wortels van de toekomstige koningin bijzonder talrijk en eeuwenoud zijn. Men zal daar in de toekomst ongetwijfeld nog vaak naar verwijzen, want met de korte genealogische schets die we hier gegeven hebben is nog ver niet alles gezegd over de Brugse voorgeschiedenis van de nieuwe prinses.