De Biografie van Mathias De Visch (1701-1765),

Enkele nieuwe gegevens

Andries Van den Abeele

Over Mathias De Visch, Brugs schilder uit de 18de-eeuw, geboren in Reninge in 1701 en overleden in Brugge in 1765, werden heel wat biografieën of biografische gegevens gepubliceerd[1]. Alle gaan ze terug op, en sommige werden zonder meer afgeschreven van de levensbeschrijving gemaakt door de tijdgenoot Pieter Fr. Le Doulx (1730-1807)[2].

Deze oorspronkelijke biografie werd duidelijk geïnspireerd door de verhalen die Le Doulx van Mathias De Visch zelf of van zijn huisgenoten – weduwe of kinderen – had gehoord. Het werd een levensverhaal vol romantische ingrediënten: rijke ouders, jong talent en vroege erkenning; grote reizen en avontuurlijk leven in Italië; twee sprookjeselementen, een onverwachte weldoener en een rijk meisje in Piacenza; daarna nostalgie en terugkeer naar Brugge, eigen privé-school met vorming van een groep leerlingen, daarna directie van de Brugse Academie; grote successen en applaus voor de meesterschilder; maar ook grote tegenslagen zoals de brand van de Poortersloge in 1755 waarbij al het bewaard werk en de tekeningen van de meester in de vlammen opgingen; evenwel een niet te breken wilskracht, maar uiteindelijk toch een vroegtijdige dood als gevolg van het verdriet over de verloren kunststukken.

Het valt te vrezen dat deze biografie niet zeer kritisch tot stand kwam, terwijl de navertelIers er nog wat meer onjuistheden aan toevoegden. De Staten van Goed opgemaakt bij het overlijden van Mathias De Visch, van zijn vrouw Petronilla Iweins en van hun zoons Charles en Willem De Visch, laten toe een aantal meer accurate gegevens te noteren[3].

Het Italiaans huwelijk

Verschillende biografen van Mathias De Visch hebben geschreven dat hij in Piacenza getrouwd was, rijk getrouwd zelfs. A. Siret in Biographie Nationale schreef: Il (y) contracta un riche mariage. O. Delepierre in zijn Galerie d’artistes brugeois en in de Biographie des hommes remarquables, ook geciteerd door Jules Dujardin in zijn Art Flamand, zegde het nog kleurrijker: Il fit dans cette ville un assez long séjour et eut le bonheur d’y épouser une femme riche, mais l’aisance de la position ne put lui faire oublier la patrie et il vint se fixer à Bruges. A. Michiels deed er in zijn Histoire de la peinture flamande nog een schepje bovenop: …il eut l’adresse d’y épouser une jeune fille embellie par une dote séduisante. James Weale bleef in zijn  Catalogue du musée de Bruges niet ten achter: Dans cette ville (Plaisance) il épousa une femme riche avec laquelle il retourna à Bruges après une absence de neuf ans. De Italiaanse echtgenote had dus in Brugge gewoond! Adolf Duclos is deze auteurs in zijn Bruges, histoire et souvenirs, blz. 379, gevolgd: …passa neuf ans à Paris, Rome, Venise, Parme et Plaisance, où il se maria.

Logischer wijze heeft De Visch dus in Brugge met Petronilla Iweins een tweede huwelijk aangegaan. De Biographie Nationale zegde het, O. Delepierre schreef het en J. Weale beaamde het: De Visch épousa en secondes noces en 1737 Petronille Iweins. Jules Dujardin was lyrisch: … Mathias De Visch, veuf depuis longtemps, convola en secondes noces avec Petronille Yweins… En Alfred Michiels maakte er het volgende van: De Visch ayant épousé une seconde femme, Petronille-Françoise Iweins, qui lui donna quatre enfants, un travail continuel lui devint nécessaire pour nourrir sa famille. Le public dut à cette nécessité une foule de mauvais ouvrages.

Met andere woorden: omwille van die tweede vrouw en van de kinderen, heeft De Visch minderwaardig seriewerk geleverd teneinde in hun levensonderhoud te voorzien!

Naarmate de auteurs van elkaar overschreven, kwam er dus telkens een nog wat romantischer beeld te voorschijn. Om deze verhalen op hun waarachtigheid te toetsen beschikken we over het huwelijkscontract afgesloten in Lo op 12 januari 1737, met als instrumenterende notaris Josephus Cornelius Iweins uit Ieper, broer van de aanstaande bruid[4]. Welnu, in dit contract is De Visch aangeduid als zijnde jongman. Indien hij in Italië een eerste huwelijk zou hebben aangegaan, en a fortiori indien hij zijn bruid naar Brugge zou meegebracht hebben, zou men moeilijk kunnen aannemen dat hij in dit contract niet als weduwnaar zou zijn aangeduid.

Het lijkt duidelijk: De Visch is in Italië – althans volgens het verhaal dat hij zelf heeft meegebracht – verliefd geworden, misschien verloofd geweest, maar is er nooit getrouwd, zodat hij ook nooit de Italiaanse naar Brugge bracht. De vergissing van al de genoemde auteurs komt voort uit een te haastige lectuur van Ledoulx. Immers bij Ledoulx lezen we: Na aldaar (in Piacenza) een merkelijke tijd gewoond te hebben presenteerde hem het geluk van aldaar eene rijke vrouw te trouwen. Maar het lief vaderland hem trekkende, heeft hij ten laatste Italië verlaten en is naar Vlaanderen gekomen. Alleen M. Goethals had het juist begrepen: Il y fit (à Plaisance) un assez long séjour, retenu par des amours. Il aurait pu faire un bon parti, mais il aurait du rester à Plaisance. De verschillende auteurs hebben zich dus niet afgevraagd hoe het kwam dat de zogenaamd eerste en rijke vrouw niet naar Brugge meekwam, of als dat het geval was geweest, waarom haar naam, haar verblijf en haar overlijden niet bij Ledoulx vermeld werden.

Het gezin

Mathias De Visch vestigde zich in 1732 in Brugge langs de Spinolarei (of Spiegelrei) waar zich de episode situeert van de “Kleine Academie van het leven”, de privé teken- en schilderacademie die hij met enkele beroeps- en amateur-schilders oprichtte.

In de loop van het jaar 1736 ging hij in zijn geboortestreek een vrouw zoeken, wat resulteerde in het huwelijk, begin 1737 met de aanzienlijk jongere Petronilla Francesca Iweins uit Lo, ongehuwde dochter van de overleden Marcus Cornelius Iweins en van Theresia Van Eecke.

Mathias De Visch en Petronilla hadden niet vier, maar zeven kinderen[5]:

-          Joseph Mathias (°2 oktober 1737), jong gestorven;

-          Liborius (°19 februari 1737, die in 1760 in Veurne huwde met Isabella Billiet bij wie hij zes kinderen had; in 1765 werd hij voogd over zijn minderjarige broers en zusters en stierf voor 1782;

-          Isabelle Claire (°12 december 1740), jong gestorven;

-          Charles Jean (°8 september 1742), bleef vrijgezel en woonde in bij zijn moeder, met wie hij de hierna behandelde linnenhandel uitbaatte; vanaf 1765 was hij secretaris van de vrijmetselaarsloge La Parfaite Egalité[6] en stierf op 10 mei 1779;

-          Anne Thérèse (°20 januari 1745), ongehuwd gestorven voor 1774;

-          Isabelle Caroline (°28 maart 1749), huwde met Pieter Van Thienen, zoon van licentiaat in de medicijnen Pieter Van Thienen en nam rond 1780 de linnen- en lijnwaadhandel van de weduwe De Visch over;

-          Willem Frans (°18 september 1751) was leerling aan de Koninklijke Academie voor Schilderkunst in Brugge; zijn naam komt regelmatig voor tijdens de periode 1767-72, zowel in de registers van de Academie als in de boekjes van Jan Garemyn; daarna trok hij naar Parijs voor vervolmaking; hij werd er evenwel ziek en ondanks intensieve zorgen (de geneesheer bracht hem 40 visites) overleed hij op 14 oktober 1774 en werd begraven in de parochie Saint-Séverin.

Gegevens over de kunstschilder

Uit de Staten van goed zijn enkele elementen te halen die betrekking hebben op de artistieke activiteiten van De Visch.

Vooreerst blijkt dat hij als directeur van de Academie de bescheiden wedde van 35 pond per jaar ontving. Na hem zou Jan Garemyn dezelfde som ontvangen.

Drie opdrachtgevers komen ter gelegenheid van zijn overlijden ter sprake. Eerst de abdij van Sint-Winoksbergen. De Visch was er ter plaatse gaan schilderen in september en oktober 1761 en in augustus tot oktober 1762 en leverde er diverse historiestukken en portretten. Aan de abdij van Sint-Jan in Ieper had hij tussen oktober 1756 en december 1760 enige stukken schilderie en porttretten geleverd. Tenslotte werkte hij aan een bestelling vanwege de Predikheren in Gent, een groot stuk schilderie verbeeldend O.L.Vrouw Hemelvaart, waarvoor hij 25 pond moest ontvangen. Hij kon de bestelling niet meer afwerken.

De Visch deed ook restauratiewerk: in mei 1764 herstelde hij verschillende schilderijen voor jonkheer De Wapenaere.

Wat zijn paletten, borstels en verfdozen betreft, die werden elk voor de helft door zijn twee zoons schilders overgenomen.

Na zijn overlijden werd door Jan Garemyn en Paul De Cock een schatting gemaakt van alle schilderijen, schetsen, prenten en tekeningen in het bezit van het sterfhuis. De totale schattingsprijs bedroeg 173 pond. Aanzienlijk was dit niet, wanneer men vergelijkt met de schattingsprijs van meubelen, huisraad, zilverwerk en klederen, die op 298 pond werd gesteld. Bij deze werd speciaal melding gemaakt van zijn degen met zilveren gevest, zijn zilveren snuifdoos en zijn gespen.

De verkoop van de kunstwerken vond plaats na de dood van de weduwe, in oktober 1782, in het Hof van Commerce, onder de leiding van Academiedirecteur Paulus De Cock en met een catalogus gedrukt bij Joseph De Busscher. De opbrengst bedroeg slechts 77 pond 13 sch. gr., wat opnieuw weinig was in vergelijking met de opbrengst van 359 pond voor de venditie van meubelen, huisraad, klederen en juwelen.

Het is waarschijnlijk dat tussen 1765 en 1782 een deel van de kunstwerken verkocht werd of onder de kinderen verdeeld. Hoe dan ook kan men niet zeggen dat er een grote waarde werd gehecht aan de collectie van Mathias De Visch.

Maatschappelijke status

Mathias De Visch werd beschreven als de zoon van zeer bemiddelde ouders, met een vader die baljuw was van een in Reninge gelegen heerlijkheid[7]. Uit de beschikbare documenten blijkt niets over rijkdom. Noch bij het huwelijkscontract, noch in de staat van goed bij zijn overlijden, blijkt dat De Visch enig noemenswaardig erfdeel vanwege zijn ouders of andere familieleden zou hebben genoten.

Mathias De Visch had ongetwijfeld een eerbiedwaardige status en een goede reputatie en mocht als een niet onbemiddeld burger worden beschouwd. Hij had dit evenwel niet te danken aan een geërfd fortuin. Het aanzien kwam door zijn activiteiten als kunstschilder en directeur van de Academie, de materiële welstand dankte het gezin aan de handeldrijvende echtgenote.

De handelsactiviteiten en het patrimonium

Het is zeer waarschijnlijk dat de echtgenote vanaf haar aankomst in Brugge, vanwege de geringe inkomsten van haar artistieke man, een handel in linnen en lijnwaad is begonnen.

Petronilla Iweins komt in elk geval over als een besliste vrouw, die onmiddellijk na het huwelijk het artiestenvolkje van de Kleine Academie de deur had gewezen en die na het overlijden van De Visch, het gezin en de handel alleen verder leidde.

Deze handel was niet onsuccesvol en leidde tot de aankoop op 15 september 1750 van twee huizen aan de oostzijde van de Kuipersstraat, gekend onder de naam Onze Vrouwe. Ze werden tot één handels- en woonhuis verbouwd[8].

Activa van de gemeenschap De Visch – Iweins

Bij het huwelijk had Petronilla Iweins verschillende onroerende eigendommen ingebracht, met name een hofstede met 20 gemet in Pollinkhove (waarin ze voor de helft gerechtigd was), een groot erf en huis in Lo gelegen aan de Veemarkt (waarin ze voor één derde gerechtigd was) en verder partijen landbouwgrond in Pollinkhove en Langemark. Dit alles bracht ongeveer 100 pond per jaar op. Mathias De Visch bracht niets in de gemeenschap, tenzij dan zijn talenten als kunstenaar.

De aanwinsten tijdens het huwelijk waren niet onaardig. Naast een paar onbenullige partijtjes land in Alveringem, geërfd van Jacobus De Visch, kocht het echtpaar het bailliestuk in Kaaskerke: 4 gemet vette grasgrond die 96 pond par. Brabants cour. per jaar opbracht. We noteerden al de aankoop van het dubbelhuis in de Kuipersstraat.

Anderzijds leende het echtpaar 1200 pond par. aan brouwer Antoine De Mey in Roesbrugge-Haringe tegen een intrest van 5,5 % (de penninck achtien); 200 pond gr. wisselgeld tegen 4 % aan de Brugse kooplieden François en Michel Van den Berghe en 100 pond wisselgeld tegen 5 % aan de timmermansbaas De Laeter.

We hebben er al op gewezen dat de activa van de kant van Mathias De Visch op het ogenblik van zijn overlijden niet erg belangrijk waren. Schatting van zijn schilderwerken (174 pond), saldo van nog verschuldigde betalingen voor schilderwerk (115 pond), directeurswedde (35 pond), dit alles woog weinig tegenover de activa van de handelszaak die meer dan 5.700 pond gr. Vlaams totaliseerden, waarvan 2.027 pond voor de winkelwaar volgens inventaris, 3.063 voor solide debiteursrekeningen op 24 kooplieden van binnen en buiten Brugge, 370 pond contante penningen, 130 pond nog te ontvangen voor detailverkoop in de winkel en amper 120 pond dubieuze debiteuren. Hiertegenover stond geen enkel passief van openstaande facturen: de winkelwaar was blijkbaar contant betaald bij de aankoop.

Het enige passief van de successie bestond in het vergoeden van de weduwe voor bepalingen uit het huwelijkscontract (voor ongeveer 270 pond) en uit de kosten van een volledige begrafenisplechtigheid met brooddeling en lijkmaaltijd (voor 56 pond).

De successie van Mathias De Visch werd afgesloten met een batig saldo van 6.390 pond gr. Vlaams courant, hetzij 38.340 gulden. De helft kwam de weduwe toe, ieder van de vijf nog in leven zijnde kinderen ontving 3834 gulden.

Daarenboven was er nog het huis in de Kuipersstraat dat op 2.500 pond werd geschat en waarvan Petronilla de halve eigendom en het volledig genot verkreeg.

Bij het overlijden van weduwe De Visch

Zestien jaar later, bij de afsluiting van de successie van Petronilla Iweins was er nog steeds een behoorlijk actief, dat evenwel een enigszins ander uitzicht had gekregen.

Voor wat de onroerende eigendommen betrof, was alles gebleven zoals bij de successie van Mathias De Visch, vermeerderd met twee van notaris Iweins geërfde en in Pollinkhove gelegen gestruikte lenen. Ook de bezette rente op de brouwer van Roesbrugge-Haringe liep nog door.

Maar daarnaast was er geen handelsactief meer: het is duidelijk dat Petronilla al vroeger de zaak had overgelaten aan haar schoonzoon Van Thienen en meer dan waarschijnlijk ook giften onder levenden had gedaan ten gunste van haar schoondochter, de weduwe van Liborius en van hun kinderen.

In de plaats van het handelsactief beschikte de successie nu over liquiditeiten, die waren uitgeleend aan particulieren tegen 4 of 5 % intrest. In totaal had ze voor meer dan 2.000 pond gr. uitgeleend aan enkele bij naam genoemden zoals Joseph Provoost uit Lo, Joseph Cornette, Johan Simoens, Johan Hanssens (60 pond leende ze aan hem uit, maar hij ging bankroet), Pieter De Schrijver, François De Visch en Jacob De Rycke. Een vooraanstaand ontlener was Philippe van Provyn uit Pollinkhove, advocaat in Brugge en (daarna?) secretaris van de Grote Raad in Mechelen, die 150 pond had geleend. Het grootste deel van de liquiditeiten, 1.850 pond, was naamloos uitgeleend, verdeeld in acht verschillende leningen die in 1781 waren toegestaan. Het is niet uitgesloten dat dit een soort donatio inter vivos was ten gunste van de verschillende erfgenamen, die een voorschot op hun erfdeel in contanten ontvingen, mits aan moeder of grootmoeder een jaarlijkse intrest te betalen.

Het testament van Petronilla Iweins

De weduwe van Mathias De Visch overleed in Brugge op 21 juli 1782. Kort voor haar overlijden, op 14 april 1782 had zij blint zijnde van gesighte, nogtans bezittende haar volle verstandt ende memorie, bij notaris Charles Donny een testament gemaakt dat de verdeling van de successie volledig overliet aan haar schoonzoon Pieter Van Thienen, echtgenoot van Isabella, de enige overlevende van haar zeven kinderen.

Behalve de aanduiding van deze testamentuitvoerder waren haar laatste wilsbeschikkingen, volgens de geest van de tijd, volledig gewijd aan het gedetailleerd organiseren van de begrafenis. Niet alleen wilde zij met een dienst op den zelfden voet ende maniere als zij voor haar man had gedaan, met daarna de bijzetting in het graf van haar man in de Sint-Jacobskerk, maar tevens stipuleerde zij hoeveel broden zouden worden uitgedeeld (een disbedekking van 400 broden van 4 stuivers) terwijl ook nog voor een waarde van 25 pond lijnwaad of deze som  in geld aan de armen zou worden uitgedeeld.

Zij was mild voor de geestelijkheid. Er werd betaling voorzien voor zes weken requiemmissen in Sint-Jacob (met Miserere en De Profundis) en voor nog eens 350 missen te verdelen onder de Augustijnen, de Predikheren, de Kapucijnen, de Recolletten en een priester in Bergen (Sint-Winkosbergen?).

Het testament werd scrupuleus uitgevoerd en de totale kosten beliepen meer dan 100 pond gr. hetzij het dubbele van wat de begrafenis en bijhorigheden bij het overlijden van Mathias De Visch hadden gekost[9].

Bijlage: Een doodschuld op rijm (1746)

Op 19 december 1746 werd Mathias De Visch lid van de Rederijkerskamer van de H. Geest en liet zich in het doodschuldenboek inschrijven. Hij deed het met volgend vers:

Den onderschreven uyt goe jonste

en yver tot de Reden-konste

bekent te wesen voor altydt,

tot eens de Doodt zyn draet afsnydt,

een goede en trouwe gilde-broeder

des H. Gheests en konste voeder.

Voor dood-schuld jonne ick, mits een Mis

tot mynder ziele lavenis,

de somme van juyst negen gulden,

en houdt’et voor een van mijn schulden.

(get) Mathias De Visch[10]


[1] O. DELEPIERRE, Galerie d’artistes brugeois (…), Brugge, Van de Casteele-Werbrouck, 1840, blz. 64-67; M.F.V. GOETHALS, Histoire des lettres, des sciences et des arts en Belgique et dans les pays limitrophes, Brussel, 1840, Dl. I, blz. 371-375; C.H. BALKEMA, Biographie des peintres flamands et hollandais, Gent, H. Hoste, 1844, blz. 344; Biographie des hommes remarquables de la Flandre Occidentale, Dl. I, Brugge, Van de Casteele-Werbrouck, 1843, blz. 131-134; Inventaire des objets d’art qui ornent les églises et les établissements publics de la Flandre Occidentale, dressés par des commissions officielles et précédés d’une introduction ou précis de l’histoire de l’art dans cette province, par A.COUVEZ. Publication faite par les soins de l’administration provinciale, Brugge, Alph. Bogaert, 1852, blz. 99-101; Lod. VAN PETEGHEM, Levensschetsen van Vlaamsche kunstoeffenaren, Brussel, J.A. Joostens, 1858, blz. 4-7; W.H.J. WEALE, Catalogue du Musée de l’Académie de Bruges, Brugge-Londen, 1861, blz. 91-93; Biographie Nationale, Dl. 5, 1876, kol. 8”§; A.MICHIELS, Histoire de la peinture flamande depuis ses débuts jusqu’en 1864, Dl. X, Parijs, A. Lacroix, 1876, blz. 467 en vv.; J. DUJARDIN, L’art flamand, (Tome III), Les artistes de la décadence, les classiques et leurs successeurs, Brussel, A. Boitte, 1897, blz. 66-68.

In recente catalogi en geschriften wordt zeer beknopt over Mathias De Visch gehandeld. Zie o.m. Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler von der Antik bis zur Gegenwart, Leipzig, 1940, Dl. 34, blz. 403; H. PAUWELS, Catalogus Groeningemuseum, Brugge, 1960; A. JANSSENS DE BISTHOVEN (ed), Catalogus Schatten voor Brugge, Brugge, 1972; A. SCHOUTEET, Beknopte geschiedenis van de Vrije Academie voor Schone Kunsten (…), Brugge, 1970, blz. 27-28 (met portret van Mathias De Visch); D. COEKELBERGHS, Les peintres belges à Rome de 1700 à 1830, Brussel-Rome, 1976, blz. 422-423.

[2] P. Fr. LE DOULX, Leven der konstschilders, konstenaars en konstenaeressen (…) van de stad Brugge (…), handschrift uit 1795 (Stadsarchief Brugge).

[3] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, nrs. 12219b, 13357, 13110, 12771a. Alle elementen in deze studie zonder bronvermelding, werden uit deze vier staten van goed gehaald.

[4] Huwelijkscontract op 12 januari 1737 te Lo voor notaris Iweins uit Ieper (SAB, St. v. G. 2de reeks, NR 12219b. Petronilla Iweins was toen minder dan 25 jaar, De Visch bijna 37.

[5] J. WEALE citeert de vier eerste in a.w. blz. 92. De overige drie vonden we in de hier vermelde Staten van goed.

[6] Y. VAN DEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794), Brussel, 1972, blz. 127.

[7] In Annuaire de la Noblesse 1867 is een familie de Visch uit het Veurnse beschreven, die functies van kleine ambtsadel uitoefende. We hebben er Mathias De Visch niet kunnen aan verbinden.

[8] M. GOETHALS, a.w., schreef dat het gezin in 1739 zijn intrek nam in de Poortersloge, het lokaal van de Academie. We kunnen ons moeilijk indenken – het kan natuurlijk – dat Petronilla Iweins daar haar linnenhandel dreef. We zouden eerder durven vermoeden dat het om een verkeerde conclusie gaat, gehaald uit het feit dat in 1755 zijn tekeningen er in de vlammen opgingen. Maar dit bewijst niets over zijn woonplaats. Overigens had de Academie een concierge. De eerste kinderen werden gedoopt in de O.L.Vrouwkerk, wat een woonst doet veronderstellen in die parochie. In 1748, bijde volkstelling, woonde Mathys De Visch “schilder van de Logie” met vrouw, drie kinderen en een meid in de Naaldenstraat.

[9] Ik dank erehoofdconservator A. Janssens de Bisthoven en stadsarchivaris A. Vandewalle voor hun kritische begeleiding.

[10] De greffier schreef er in 1765 bij: obiit et solvit (SAB,Archief Kamer H. Geest. Doodschuldenboek 1697-1790, blz. 61 v.)