Een kleine bladzijde geschiedenis

KNOKKE EN DE KOUDE OORLOG

Letterkundigen uit Oost en West in april 1954 bijeen aan de Belgische kust.

Andries Van den Abeele

Op zaterdag 3 en zondag 4 april 1954 verbleven enkele vooraanstaande letterkundigen in Knokke. Ze kwamen geen voordracht geven of aan een publieke manifestatie deelnemen. Er was geen pers in de omtrek te bespeuren en in de kranten werd over die bijeenkomst niets vermeld. Wie waren die letterkundigen en met welke bedoeling kwamen ze aan de Belgische kust bijeen?

De ‘Koude Oorlog’

Om deze bijeenkomst te begrijpen moet men zich in de context plaatsen van de Koude Oorlog. De goede verstandhouding tussen de geallieerden en vooral het eerder naïef vertrouwen van F.D. Roosevelt en zijn entourage in Stalin en de Sovjets (vertrouwen dat W. S. Churchill nooit deelde), waren al onmiddellijk na de Conferentie van Jalta (februari 1945) en zeker na de dood van Roosevelt (12 april 1945) aan het verkeren.

Op de Conferentie van Potsdam (juli 1945) begon het antagonisme tussen de geallieerden zich af te tekenen. Het werd duidelijk dat Stalin geen enkele rekening hield met de afspraken die gemaakt werden om in de Oost-Europese landen democratische verkiezingen te houden en regeringen te vormen met communisten en niet-communisten.

In een telegram aan Truman had Churchill het voor het eerst over een “ijzeren gordijn” dat zich over Oost-Europa dichttrok[1]. Het nam de Amerikanen wat meer tijd om dit in te zien. Pas toen bleek dat de Sovjetunie weigerde deel te nemen aan op te richten internationale organisaties (het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank) kregen zij argwaan. In februari-maart 1946 begonnen de Amerikanen aan een grondige herziening van hun politiek tegenover de Sovjetunie[2]. In dezelfde periode, op 5 maart 1946, hield Churchill zijn overbekende rede aan de Universiteit van Fulton: “From Stettin in the Baltic to Triëste in the Adriatic, an iron curtain has descended across the Continent”.

De houding van de Amerikanen, die verwoord werd in wat de “Trumandoctrine” werd genoemd, maakte als het ware een kruis over Oost-Europa dat verloren voor de democratie werd beschouwd, maar wou geen morzel grond meer afstaan van wat in de Westerse invloedssfeer lag. Het eerste concreet gevolg hiervan was de strijd tegen de communisten in Griekenland. Van toen af begon hetgeen na een artikelenreeks van de gezaghebbende Amerikaanse columnist Walter Lippmann 1889-1974), algemeen de ‘Koude Oorlog’ werd genoemd.

In Oost-Europa werd de greep van de Sovjetunie totaal. Met of zonder getrukeerde verkiezingen werd de Volksrepubliek uitgeroepen in Bulgarije (september 1944), Joegoslavië (november 1945), Albanië (januari 1946), Hongarije (januari 1946, niettegenstaande de communisten bij de wetgevende verkiezingen van november 1945 maar 17% van de stemmen hadden behaald), Roemenië (november 1946), Polen (januari 1947) en Tsjecho-Slowakije (februari 1948). Voor al die landen was dit maar een bevestiging van de Sovjethegemonie die al vanaf eind 1944, begin 1945 een feit was.

De Sovjets weigerden voor zichzelf en voor de sattelietstaten de deelname aan het Marshallplan (juli 1947) en richtten een nieuwe Internationale op, het Kominform (september 1947). In dezelfde periode verdwenen de communisten uit de regeringen van de West-Europese landen. In België gebeurde dit in maart 1947.

De Koude Oorlog werd bijna een echte oorlog ter gelegenheid van de Berlijnse blokkade (juni 1948 tot mei 1949). In april 1949 richtten de Westerse landen een militair bondgenootschap op, het Noord-Atlantisch Pact (NAVO), gevolgd in 1955 (na de toetreding van West-Duitsland tot de NAVO) door het sluiten door de Oostbloklanden van het Warschaupact.

In augustus 1949 werd de Duitse Bondsrepubliek gesticht met hoofdstad in Bonn, in oktober gevolgd door de Duitse Democratische Republiek met hoofdstad in Pankov bij Berlijn. In 1950 werd voor het eerst naar de wapens gegrepen: de mogendheden zowel van Oost als van West werden, eerder tegen hun zin, in de Koreaanse oorlog betrokken.

Het Pacifisme

In het Oostblok werden de opposanten op de meest brutale manieren monddood gemaakt, zoniet terechtgesteld. In het Westen ging het er anders aan toe. De ommekeer in de officiële politiek van de Westerse mogendheden werd door een deel van de bevolking niet gevolgd. In Frankrijk en Italië behaalden de communisten steevast meer dan twintig procent van de stemmen bij wetgevende verkiezingen en vaak veel meer in “rode burchten” bij gemeenteraadsverkiezingen. Hun partijapparaten steunden ongenuanceerd de politiek van de Sovjetunie, wat gepaard ging met een onvoorwaardelijke verheerlijking van ‘vadertje’ Stalin. Ook de andere West-Europese landen hadden sterke communistische partijen, al zwakten ze na 1947 vlug af, zowel in de Scandinavische landen als in de Benelux. In Groot-Brittannië speelden de communisten nooit een grote rol, tenzij als ‘militants’ op de extreem-linkerzijde van de Labourpartij. In de Verenigde Staten begon men, op basis van een wetgeving die al van voor de oorlog bestond, aan een ‘zuivering’ van de administratie en van het beroepsleven in het algemeen. Alle communisten of sympathisanten moesten worden gebrandmerkt.

Vanaf het begin van de Koude Oorlog begonnen de Sovjets, die in het Westen voor oorlogsstokers werden gehouden, met groots opgezette organisaties en campagnes die uitdrukking moesten geven aan de vredeswil van het Oostblok. Hierbij werd in het Westen, en voornamelijk in Europa, een beroep gedaan op de communisten en op alle sympathisanten, die mee moesten opkomen tegen de door de Sovjetunie aangeklaagde oorlogszucht van de Verenigde Staten en van zijn Westerse bondgenoten.

De eerste grote manifestatie in die optiek was het oprichtingscongres in augustus 1948 in Warschau van het ‘Wereldcongres der intellectuelen’. In April 1949 kwam het Wereldcongres bijeen in Parijs. In maart 1950 volgde de ‘Oproep van Stockholm’ die de start gaf voor een grote petitiebeweging die vooral bij de jongeren succes had. Ook de jonge Jacques Chirac tekende mee. In november 1950 kwam het Wereldcongres opnieuw bijeen en in december 1952 werd in Wenen het ‘Wereldcongres voor de Vrede’ gehouden.

De invloed van deze activiteiten op de publieke opinie in West-Europa was aanzienlijk, vooral dan bij de linksgeoriënteerde bevolkingsgroepen. De Sovjets deden, vooral in het Westen, maar ook in de satellietstaten beroep op bekende intellectuelen, schrijvers, kunstenaars, professoren om op het voorplan te treden en het ‘gezicht’ te zijn van de op het getouw gezette activiteiten. In werkelijkheid werd alles nauwgezet vanuit Moskou geleid. “Les diverses composantes du Mouvement de la paix et leurs réunions, étaient toutes censément dirigées par des comités composés de personnalités influentes ou célèbres des milieux artistiques et scientifiques, mais en pratique c’étaient des cadres communistes laborieux, le plus souvent installés à Prague, qui les contrôlaient[3]”.

Honderden intellectuelen, communisten, zoals bvb. in Frankrijk Louis Aragon, Elsa Triolet, Claude Roy, de professoren Fréderic en Irène Joliot-Curie, maar vooral  linkse sympathisanten, lieten zich op sleeptouw nemen. Grote namen in Frankrijk waren bvb. Pablo Picasso, Paul Eluard, Fernand Leger, Julien Benda, Vercors, Gerard Philipe, Yves Montand en Simone Signoret, Madelaine Renaud en Jean-Louis Barrault, kanunnik Kir, Maurice Duverger, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Pierre Cot, Emmanuel d'Astier de la Vigerie, Emmanuel Mounier en veel anderen. Een tijdlang spanden zich zelfs de filosoof Merleau-Ponty en de socioloog Alfred Sauvy achter deze kar. Hetzelfde deed zich voor in de Verenigde Staten (met o.m. Charlie Chaplin en de zwarte zanger Paul Robeson), in Groot-Brittannië (met o.m. de "rode" deken van Canterbury en Georges Bernard Shaw), in Italië, in de Scandinavische landen en in mindere mate in de Duitse Bondsrepubliek. Ook in België kende men het fenomeen. Onder de meest bekende fellow travellers telde men het socialistisch parlementslid Isabelle Blum (1892-1975) en ook een paar “chanoines de gauche”, onder meer kanunnik en Stalinprijs Raymond Goor (1908-1996).

Vanaf 1953 kwam de Vredesbeweging stilaan in ademnood. De oorlog in Korea, de arbeidersopstand in juni in Berlijn, de showprocessen in de Sovjetunie, niet alleen ten laste van tegenstanders maar ook van belangrijke communistische voormannen en van joden, het Joegoslavisch schisma, de inlichtingen die meer en meer doorsijpelden over het concentrationair regime in het Sovjetimperium, deden bij de eigen achterban vragen rijzen over de geloofwaardigheid van de vredeswil die de Sovjets afficheerden.

Dit belet niet dat veel linkse intellectuelen verder bekoord bleven door de sirenen uit Moskou en Praag en telkens opnieuw inspanningen leverden om de Sovjetpolitiek te ondersteunen en te propageren. Het is in deze optiek dat de bijeenkomst van april 1954 in Knokke plaats vond.

De ‘conferentie’ van Knokke en Antoine Allard

Op vrijdag 2 april 1954 streek een selecte groep intellectuels de gauche in Knokke neer. De plaats voor de afspraak was het onlangs geopend hotel La Réserve, dat toen als één van de meest luxueuze Europese hotels gold. De termen “la gauche caviar” en “gauchistes de la tendance Villa Lorraine” werden pas later uitgevonden, maar toen al schuwde men voor dergelijke bijeenkomsten het luxedecor niet.

Organisator van de bijeenkomst was baron Antoine Allard (1907-1981). Naast zijn activiteiten als schilder en tekenaar, hield de gefortuneerde edelman zich met allerhande maatschappelijke activiteiten bezig. Kort na de oorlog was hij begonnen met een pacifistische beweging genaamd STOP WAR. Eén van zijn betrachtingen was atoomvrije zones uit te roepen, in afwachting van een volledige ban op kernwapens. Dit gaf aanleiding tot heftige polemiek in de Belgische pers. Aan Allard werd onder meer verweten dat hij zijn eerste atoomvrije zone voorzag in en rond Westkapelle…waar hij zijn buitenverblijf had.  Hij nam uiteraard ook deel aan de vredescongressen. In de jaren zestig werd hij de stichter van OXFAM in België en bleef er voorzitter van tot aan zijn dood.

Allard was een “chrétien de gauche” die zijn inspiratie vooral zocht bij links-katholieke auteurs. Hij was duidelijk een compagnon de route. In zijn geschriften en onder meer in zijn boek Ferveurs (Brussel, 1960) trok hij van leer tegen de Amerikanen, tegen de NAVO en tegen de herbewapening van de Duitse Bondsrepubliek, terwijl hij de vredelievende houding adverteerde van de Sovjetunie, van de Chinese volksrepubliek en van de communistische wereld in het algemeen. Als hij al kritiek had op een aantal evoluties in de Sovjetunie en de satellietstaten, hield hij die binnenskamers.

Baron Allard deelde zijn overtuigingen met koningin Elisabeth (1876-1965). De linkse sympathieën van de bejaarde koningin-moeder waren bekend. Zij stoorde zich niet aan wat de grote meerderheid over het Sovjetblok dacht en trok bij herhaling op reis achter het IJzer Gordijn. In 1955 reisde ze naar Warschau en in 1958 naar Moskou. Dit kon nog op rekening van haar artistieke belangstelling geplaatst worden aangezien ze er het Concours Chopin voor piano en het Festival Tschaikovsky ging bijwonen. De volgende reizen kregen evenwel een duidelijke politieke kleur. In 1959 bezocht ze Joegoslavië (ook Israël) en in 1961 de Sovjetunie en de Volksrepubliek China. Telkens werd ze door de hoogste politieke leiders ontvangen. Op haar manier was de koningin voor de communisten een formidabele compagnon de route. Die reizen en in ieder geval de twee laatste, werden door Allard georganiseerd. Hij reisde mee met de koningin en zorgde ervoor dat alle deuren voor haar open gingen.

Was de bijeenkomst in Knokke een initiatief van Allard zelf of werd hij hierin vanuit de Vredesbeweging aangemoedigd of zelfs om verzocht? We zullen het wellicht nooit weten. Hoe dan ook, wat naar buiten uit voor een bijeenkomst van letterkundigen kon doorgaan, had in werkelijkheid tot doel nieuwe impulsen te geven aan de betrokkenheid van de linkse intellectuelen in de door de Sovjets geleide vredesbeweging. Als we Vercors mogen geloven was Allard de initiatiefnemer: “Le baron Allard, industriel de bonne volonté s’il en est, qui sacrifie tout le temps libre que lui laissent ses affaires pour lutter pour la paix, a organisé avec le soutien de la reine Elisabeth et le concours pour la France d’Elsa Triolet, une rencontre d’écrivains de l’Est comme de l’Ouest”.

De deelnemers.

Allard was er in ieder geval in geslaagd een illuster gezelschap van linkse opiniemakers bijeen te brengen. We zullen ze hierna, per nationaliteit, van wat naderbij bekijken.

De DDR

Bertolt Brecht (1898-1956) stond in 1954 op het hoogtepunt van zijn internationale beroemdheid. Samen met zijn vrouw Hélène Weigel (1900-1971) dirigeerde hij in Oost-Berlijn het Berliner Ensemble en zowat over de ganse wereld werd "zijn"[4] werk, o.m. de Driestuiversopera en Moeder Courage opgevoerd. Einde 1953, als dank voor zijn steun aan het DDR-regime  tijdens de arbeidersopstand van 17 juni werd hij ondervoorzitter van de Duitse Kunstacademie en kreeg hij de beschikking over het compleet gerestaureerd Theater Schiffbauerdamm voor zijn gezelschap en over een mooi herenhuis als privé-woonst. Kort daarop verleende Moskou hem de Stalinprijs voor de  Vrede. In een aantal Westerse middens was hij door zijn steun aan het sterk gedevalueerde Ulbrichtregime zeer controversieel geworden en het waren dan ook slechts communisten of fellow travellers zoals Allard die bereid waren met hem aan tafel te zitten. Om aan de bijeenkomst te kunnen deelnemen werd hem pas op 30 maart 1954 door de Belgische Missie in Berlijn een “laissez passer tenant lieu de visa” overhandigd die slechts van 1 tot 6 april geldig was[5].

Anna Seghers (Mainz 1900 - Oost-Berlijn 1980), geboren Anna Reiling en gehuwd met de Hongaarse socioloog Lazlo Radvanyi, was een uiterst linkse kunsthistorica en romanschrijfster die in 1933 nazi-Duitsland ontvluchtte en na verblijven in Frankrijk en Mexico, in 1947 naar de DDR terugkeerde om er tot aan haar dood één van de intellectuele supporters van het meest orthodox communistisch regime te blijven. Haar in 1948 gepubliceerde roman Sovjetmenschen, leverde haar in 1951 de Stalinprijs voor de Vrede op. Tot aan haar dood bleef ze een trouwe steun voor de ‘hardliners’ in de DDR.

Bulgarije

Georgi Karaslavov (1904-1980) was vanaf de jaren vijftig directeur van het Nationaal Theater in Sofia. Daarnaast was hij de auteur van romans met een sociaal-realistische inslag. Het spreekt vanzelf dat hij een trouw communistisch aanhanger was.

Frankrijk

Elsa Triolet (Moskou 1896 - St Arnould 1970), geboren Elza Kagan was een volbloed communiste. In haar jeugd was ze de vriendin van de revolutionaire dichter Vladimir Majakovsky (1893-1930). Nadien vestigde ze zich in Frankrijk, schreef voortaan in het Frans en kreeg de eerste naoorlogse Goncourtprijs. Samen met haar echtgenoot, de schrijver Louis Aragon (1897-1982) bleef ze door dik en dun trouw aan de Franse communistische partij en aan het Sovjetrussisch regime, ook al leverde ze na 1956 binnenskamers kritiek. Volgens A. Cohen-Solal in haar Sartrebiografie, was het op uitnodiging van Elza Triolet dat Sartre aan de bijeenkomst in Knokke deelnam[6].

Jean-Paul Sartre (1905-1980) was ongetwijfeld dé vedette van de bijeenkomst. Hij werd niet alleen erkend als de grote filosoof van het existentialisme met zijn boeken L'être et le néant (1943) en L'existentialisme est un humanisme (1946), maar was een gevierd auteur en dramaturg (La nausée, Les mouches, Huis Clos, Le mur, La putain respectueuse). Daarbij was hij een Parijse personaliteit, samen met zijn vriendin Simonne de Beauvoir (1908-1986) zeer aanwezig in de cafés van Saint-Germain des Prés en in de politieke meetings van de Rive Gauche. Volgens zijn biografe Annie Cohen-Solal was zijn deelname aan de bijeenkomst van Knokke een nieuwe etappe voor zijn banden met het communisme: “Il mit donc un pied dans le réseau des écrivains communistes et procommunistes, s’inséra dans le Mouvement de la Paix, et puis ce fut l’engrenage: happé, avalé, sollicité, incapable de refuser invitations, propositions et autres. L’engrenage communiste fonctionna par exemple ainsi: Elsa Triolet l’invita à Knokke-le-Zoute où il rencontra Simonov (Annie Cohen verwart hier met Fedine), qui l’invita à Moscou, où…etc[7].

Sartre werd voortaan de meest bekende en invloedrijke onder de Franse compagnons de route. Kort na zijn verblijf in Knokke, en als gevolg ervan, ondernam hij een reis door de Sovjetunie en verklaarde zonder verpinken bij zijn terugkeer: “Le citoyen soviétique jouit d’une totale liberté de critiquer le système.” En ook: “Vers 1960, avant 1966, si la France continue à stagner, le niveau de vie moyen en U.R.S.S. sera de 30 à 40 % supérieur au nôtre”. Het is voornamelijk in de periode 1952-1956 dat hij het dichtst bij de communisten aansloot, zonder evenwel partijlid te worden. Zijn tegenstanders gaven hem de naam van “ultra-bolcheviek”[8]. Na 1956 stelde hij zich wat onafhankelijker op, maar brak pas met de communisten in 1968, om zich van dan af te vermeien in zijn maoïstische en castristische sympathieën.

Vercors (1902-1991), pseudoniem van Jean Buller, zoon van een Joods-Hongaarse inwijkeling, was beroemd geworden met zijn weerstandsnovelle Le silence de la mer, in 1942 clandestien gepubliceerd door de Editions de Minuit die hij had gesticht. Vercors was het soort "homme de gauche" wiens naam men graag onder ieder progressistische petitie had. Hij was één van de meest vooraanstaande fellow travellers, tot hij in 1957 met zijn boek Pour prendre congé, een punt zette achter zijn compagnonage met de communisten en weigerde nog verder als potiche d’honneur misbruikt te worden[9]. In Knokke was hij vergezeld van zijn tweede vrouw Rita Barisse. Zij was een naar Engeland uitgeweken Duitse, met wie hij in 1952 gehuwd was. Haar talenkennis maakte dat ze in Knokke als tolk en secretaris optrad.

Renaud de Jouvenel (1907-1982) was een natuurlijke zoon van de Franse politicus en minister Henry de Jouvenel (1876-1935) bij zijn maîtresse, gravin Isabelle de Comminges, ooit de lesbische vriendin van de schrijfster Colette, die op haar beurt een lange tijd de minnares was van Henry de Jouvenel. “Le monde parisien” op zijn best… Pas in 1920 werd Renaud door zijn moeder erkend en pas in 1928 door zijn vader. Zijn leven lang beschouwde hij zich als misdeeld in vergelijking met zijn veel bekender halfbroer uit het legitiem huwelijk, Bertrand de Jouvenel (1903-1987). Daaraan schrijft men toe ‘l’amertume qui colora son encre’. Bertrand de Jouvenel verkeerde voor de oorlog in de middens van de Parti radical en korte tijd in de fasciserende socialistische partij van Marcel Déat (1894-1955), om na de oorlog in centrum-rechtse of centrum-linkse middens op te duiken, zodat het niet verwonderlijk is dat Renaud het elders ging zoeken, namelijk bij de communisten. Vertaler van Amerikaanse linkse literatuur (o.m. over Sacco en Vancetti), dichter, essayist, toneelschrijver, auteur van luisterspelen: Renaud ontwikkelde een belangrijke activiteit, die hem evenwel geen grote bekendheid bezorgde. 

Jouvenel was méér dan een compagnon de route, hij was wat men noemde een agent d’influence, een crypto-communist die, zonder formeel tot de Franse KP te behoren, al haar stellingen evenals die van de Sovjetunie zonder morren accepteerde en ze als zogenaamd onafhankelijk publicist in boeken en tijdschriften ondersteunde en verspreidde. Hij behoorde tot de in Frankrijk talrijke groep Sovjetgezinde schrijvers. Al voor de oorlog behoorden belangrijke journalisten tot deze groep, zoals bij voorbeeld André Pierre, die ook nog vele jaren na de oorlog in Le Monde schreef, en vooral Geneviève Tabouis, invloedrijk journaliste die de bijnaam “l’encrier de Staline” kreeg. Boris Souvarine (1915-1984), één van de stichters van de Franse communistische partij en vriend van Lenine, had al in de jaren twintig de illusie van het communisme ingezien en besteedde zijn ganse actieve leven aan het aan de kaak stellen ervan. In zijn tijdschrift Nouveaux Cahiers had hij bij voorbeeld een vaste rubriek die hij, naar Geneviève Tabouis de titel Tabouismes gaf, waarin hij talrijke voorbeelden van gefabriceerde informatie gaf[10].

Dit was het soort publicisten dat een rechtstreekse lijn had niet alleen met de KP maar ook met de Sovjetambassade en altijd ter beschikking stond om als doorgeefluik te dienen voor het verspreiden van de officiële stellingen. Bij een aantal onder hen was het verschil tussen de status van agent d’influence en die van agent de renseignement of spion, erg dun. Ze waren ook steeds ter beschikking om allerhande valse documenten, die door de KGB gefabriceerd werden in het kader van de desinformatiestrijd, als authentiek te waarmerken en te publiceren, hierbij gebruik makend van hun status van ‘onafhankelijke’[11]. Renaud de Jouvenel behoorde tot deze groep en leende zijn pen voor de communistische, meer bepaald Sovjet-Russische zaak. Zo schreef hij onder veel andere: Les erreurs de la France (1947), L’internationale des traitres (1948) en Tito, maréchal des traitres (1950), waarvan de titels voor zichzelf spreken.

Toen hij aan de Knokse bijeenkomst deelnam, behoorde hij dus tot het zeer Sovjetgezinde deel van de Franse intelligentsia[12].  Later, toen hij van zijn illusies was weergekeerd schreef hij hierover een boek, Confidences d’un sous-marinier du parti communiste français (1980)[13]. Twee jaar later stierf hij in Cannes en dit in eerder mysterieuze omstandigheden: zijn lijk werd pas enkele weken na zijn dood gevonden en de omstandigheden van dit overlijden bleven onopgehelderd[14].

Italië

Carlo Levi (1902-1975), arts, schilder, schrijver en journalist was zowat een Italiaanse replica van Vercors. Anti-fascistisch weerstander van het eerste uur, was ook hij met één boek, Christus hield halt bij Eboli, wereldberoemd geworden. Hij was duidelijk een fellow traveller, zoals hij met zijn reportage over een reis door de Sovjetunie  (Il futuro ha un cuore antiquo) zou aantonen. In de jaren zestig werd hij communistisch senator.

Polen

Jaroslaw Iwaszkiewicz (1894-1980), dichter, essayist en toneelschrijver was een niet-communistische fellow traveller in de Poolse satellietstaat. Hij zetelde als onafhankelijke in het parlement en was vanaf 1953 voorzitter van de Vereniging van Poolse schrijvers Een typisch "export product" zoals men er in het Oostblok veel had: geen partijlid, maar gehoorzaam aan het regime.

De Sovjetunie

Konstantin Fedine (1892-1977) was een succesvol schrijver. In zijn psychologische romans ontwikkelde hij de problemen van de intellectueel in de revolutie[15]. Hij behoorde tot de fellow travellers binnen het Sovjetregime, was lid van de Opperste Sovjet en werd als uithangbord gebruikt. Van 1959 tot 1971 was hij eerste secretaris van de Unie van schrijvers in de Sovjetunie, (in die hoedanigheid verbood hij de publicatie van het Kankerpaviljoen van Alexander Soljenitsin) om er nadien voorzitter van te worden.

Vercors herinnerde zich een gesprek met Fedine in diens datcha in 1955, het jaar na de bijeenkomst in Knokke. Fedine gaf uiting aan de vragen die hij zich stelde over het Sovjetregime. Het bleef echter bij confidentiële gesprekken met buitenlanders. Naar buiten bleef Fedine steeds een onvoorwaardelijk aanhanger van het regime[16].

Het ging dus alleszins om een prestigieus gezelschap. Deze dame en deze heren hadden allen al hun biografie en hun foto in de meeste encyclopedieën en hadden een internationale reputatie. Allen stonden bekend hetzij als communisten, hetzij als kritiekloze aanhangers van de Sovjetunie en van de communistische partij in hun land.

België

Naast de tien buitenlanders (dertien als men de begeleidende dames er bij rekent) kwamen vijftien Belgen op de lijst van de genodigden voor. We laten hier Allard en de echtgenoten van Braet, Hubaux en Norge buiten beschouwing.

Mark Braet (°1925) was de jongste van het gezelschap en was ongetwijfeld uitgenodigd, net als Gerlo, om letterlijk als “oeil de Moscou” te fungeren. Tegen die tijd had hij al enige reputatie verworven als dichter, maar vooral was hij actief in de communistische partij, waarvan hij vele jaren de minzame Brugse vlaggendrager zou zijn[17].

Constant Burniaux (1892-1975), lid van de Académie de Belgique was een talentvol romanschrijver in een sociaal-realistische stijl[18].

Willem Elsschot (1882-1960), de auteur van Villa des Roses, Lijmen, Kaas en Tsjip behoorde tot de schrijversgroep die in België pacifistische, linkse manifesten en oproepen ondertekende[19].

Aloïs Gerlo (1915-1998) was in de jaren vijftig aan zijn belangrijke wetenschappelijke carrière begonnen. Hij was daarnaast actief in het Onafhankelijkheidsfront waarvan hij nationaal secretaris was geweest en in de Belgische communistische partij. Kortstondig was hij hoofdredacteur van De Rode Vaan en lid van het Centraal Comité van de partij. Na het befaamd anti-Stalin rapport van Chroesjtsov in 1956 nam hij ontslag. In 1954 was hij evenwel nog actief communist.

Zijn talrijke publicaties begonnen in 1939 en 1940 met de uitgave van zijn doctoraal proefschrift over Tertullianus. Docent aan de ULB vanaf 1947 werd hij gewoon hoogleraar in 1956, later aan de VUB, waarvan hij in 1969 de eerste rector werd. Latinist en groot kenner van de Renaissance, publiceerde hij talrijke onuitgegeven werken van Justus Lipsius, Marnix van Sint-Aldegonde en vooral Erasmus, van wie hij de integrale vertaling van zijn briefwisseling tot een goed einde bracht. Hij publiceerde ook talrijke studies over Charles de Coster en zijn Ulenspiegel[20]. In latere jaren nam hij een aanzienlijke zwenking tegenover zijn vroegere geestesgenoten. In 1995 schreef hij: “Weinigen hebben achteraf het Sovjetsysteem en het marxisme-leninisme (en ons Belgisch collectivisme, vandaag meer dan ooit aan het bewind) met zoveel verbetenheid bekampt[21].”

Franz Hellens (1881-1972), de vroeg-surrealistische dichter en auteur van romans vol mysterie en pessimisme, was in de internationale literaire middens en o.m. in de Sovjetunie wellicht nog beter bekend dan in België. Onder zijn echte naam, Frederic van Ermengem, doorliep de Franstalige Gentenaar een loopbaan als bibliothecaris van het Parlement. Tijdens de Eerste wereldoorlog woonde hij in Nice en huwde er met Maria Miloslavskaja, de minnares van de kubistische beeldhouwer Alexander Archipenko. Van toen af begon zijn grote belangstelling voor de Russische literatuur. Hij werd bevriend met Ilja Ehrenburg (1891-1967) en met de “poète maudit” Sergej Jesenine (1895-1925) en zijn veel oudere vrouw, de Amerikaanse danseres Isadora Duncan (1878-1927) en bood hen op verschillende tijdstippen onderdak in België. Samen met zijn vrouw vertaalde hij werk van hen evenals van Majakovski en van Maxim Gorki die hij in Sorrento ging bezoeken. Ook van Konstantin Fedine vertaalde hij sommige werken en dit vanaf het begin van de jaren twintig. Het was dus een oude vriendschap die Hellens en Fedine verbond[22].

Achilles Mussche (1896-1974), dichter en essayist, auteur van o.m. Aan de voet van het Belfort, was socialist en voorzitter van het Vermeylenfonds (van 1945 tot 1966). Ook hij was altijd bereid pacifistische oproepen te ondertekenen[23].

Georges Norge (1898-1990), van zijn echte naam Georges Mogin was een dichter in de trant van Paul Claudel en van de surrealisten. Hij ging zich in Zuid-Frankrijk vestigen[24].

Charles-Louis Paron (°1914) was romanschrijver. Hij verbleef lange tijd in communistisch China. Samen met A.Gerlo schreef hij een studie over De Costers' Uilenspiegel die gepubliceerd werd door de communistisch georiënteerde Librairie du monde entier[25].

Herman Van Snick (°1914), tot in 1945 advocaat in Antwerpen, ging tijdens de oorlog in het verzet en werd nadien vrederechter achtereenvolgens in Diksmuide, Veurne en Vilvoorde, wat zijn linkse trouw niet verminderde. Hij schreef talrijke dichtbundels en was een vriend van Mark Braet over wie hij een monografie schreef, gepubliceerd door de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers[26].

Robert Vivier (1894-1989) was dichter, criticus en romanschrijver. Hij was tevens doctor in de Romaanse filologie en hoogleraar in Luik en aan de Sorbonne. In 1922 huwde hij met de Poolse Zenitta Tazzief, de moeder van Haroun Tazieff (1914-1998), de bekende vulkanoloog die in de socialistische regering Mauroy in 1981 kortstondig minister werd[27].

Jean Hubaux (1894-1959) was een classicus, professor aan de  Universiteit van Luik, auteur van talrijke werken over de klassieke oudheid.

De taalpariteit onder de Belgen was bijna volmaakt: zes Franstalige en vijf Nederlandstalige auteurs namen aan de Knokse bijeenkomst deel. Of toch niet? Gerlo schreef dat hij er was als enige Vlaming. Mark Braet was er alleszins ook, maar die aanzag Gerlo waarschijnlijk niet als auteur. Waren Elsschot, Mussche en Van Snick wel aanwezig? Ze staan vermeld op de lijst van de genodigden maar hun naam komt niet voor bij de handtekeningen die Braet in zijn dagboek verzamelde. Gerlo had dus gelijk en deze Vlamingen zonden "hun kat".

Het doel van de besprekingen

Over wat tijdens de bijeenkomst in Knokke werd besproken, zijn we tamelijk goed ingelicht, dank zij hetgeen Aloïs Gerlo en Vercors er over schreven in hun memoires,. Uit beider gelijklopend verhaal kan men opmaken dat er zowel op zaterdag 3 als op zondag 4 april druk werd vergaderd. Volgens Vercors duurde de bijeenkomst zelfs drie dagen.

Wat was de bedoeling? Schrijvers uit Oost- en West-Europa dienden te worden samengebracht, schreef Vercors, “pour pallier l’absence de tout contact depuis que sévit la guerre froide et pour tenter un rapprochement” en met als concreet doel “de préparer et lancer un grand congrès d’écrivains des deux bords, décidés à se comprendre et à s’entendre”[28]. Gerlo gaf een gelijklopende doelstelling: “Het voorbereiden in beperkte kring van een grote internationale bijeenkomst van schrijvers, die moest plaats hebben in het najaar van 1954 en de redactie van een oproep die namens een initiatiefcomité gestuurd zou worden naar alle Europese PEN-clubs en aan andere verenigingen van letterkundigen”[29]

Vercors overdreef met zijn “absence de tout contact”. Hijzelf en andere van de Knokse deelnemers waren vaak in contact met Oost-Europese schrijvers, reisden veel in het Oostblok (vaak in bevoorrechte omstandigheden) en namen tussen 1948 en 1954 bij herhaling deel aan congressen en bijeenkomsten, georganiseerd door de “Mouvement de la paix”, waarop schrijvers uit Oost- en West-Europa aanwezig waren. Tenware hij bedoelde dat de niet-gepolitiseerde schrijvers weinig contacten hadden en dat men door meer contacten nog meer schrijvers tot vriendschap met de communistische regimes wilde brengen.

Op bijeenkomsten met een duidelijke Sovjetstempel, waren alleen communisten en fellow travellers aanwezig. Het ging ook meestal niet om literaire bijeenkomsten, maar om vergaderingen met politieke doelstellingen, in het kader van de door de Sovjetunie geleide pacifistische beweging die voor ontwapening en tegen kernwapens opkwam. Anderzijds waren er de bijeenkomsten van de Pen-clubs, die ook internationale contacten en met name tussen Oost en West mogelijk maakten. Wel was het juist dat de laatste bijeenkomst van de Wereldbeweging voor de Vrede in 1952 had plaats gevonden. Sedertdien zat er lood in de vleugels. De vereniging zou trouwens in 1956 geruisloos verdwijnen.

In Knokke wilde men een poging ondernemen om nieuwe paden te betreden. Men wou de politiek in sourdine plaatsen, meer de literatuur benadrukken en letterkundigen samenbrengen die een veel breder spectrum vertegenwoordigden, ook niet-communistische linksen en zelfs rechtsen. Men zou zich beperken tot literaire onderwerpen (in de brede zin) en zich niet op het politiek of pacifistisch terrein begeven.

De Knokse groep was evenwel niet representatief voor het brede spectrum dat men wou aanspreken. Uit het Oostblok waren alleen maar orthodoxe communisten en trouwe dienaars van het regime overgekomen. Had men uit de Sovjetunie, naast de uiterst gezagsgetrouwe Fedine, ook bij voorbeeld Boris Pasternak (1890-1960) of Ilja Ehrenbourg (1891-1967) laten komen, dan zou dit toch al een opener karakter vertoond hebben.

Van de West-Europese deelnemers kon men hetzelfde zeggen. Het waren ofwel communisten (Triolet, Levi, Gerlo, Braet) of heel uitgesproken fellow travellers (Sartre, Vercors, de Jouvenel en Allard zelf). De Franstalige Belgen (Burniaux, Hellens, Norge, Paron, Vivier en Hubaux) waren nog het meest neutraal, maar namen meer als zwijgzame toeschouwers dan als actieve participanten deel. En de Vlamingen, die ook minder uitgesproken Sovjetsympathieën koesterden (Mussche, Elsschot, Van Snick) schitterden door hun afwezigheid.

De groep was zich bewust van deze eenzijdige samenstelling. Wellicht verwijzend naar het Zegemeer dat achter La Réserve lag, zei Elsa Triolet: “Si nous sommes ce groupe d’initiative, l’affaire est dans le lac” (in tegenstelling met “dans le sac”). Namen van grote schrijvers die tot patronage moesten bewogen worden, werden naar voor geschoven: Thomas Mann (1875-1955), François Mauriac (1885-1970), Paul Vialar (°1898) en André Chamson (1900-1983).

De besprekingen

De deelnemers bogen zich eerst over de tekst van de oproep die als uitnodiging zou verstuurd worden. Het werd geen gemakkelijke klus.

Vercors: “Pendant trois jours[30] nous allons discuter, sur des pointes d’aiguilles, de la formule d’invitation. Toute formule proposée par l’un est critiquée par l’autre; celui-ci ajoute un mot qu’il dit “indispensable”, celui-là le refuse, un troisième le change, un quatrième le rétablit.(…) Car il s’agit pour nous de ne déplaire à personne afin qu’un Mauriac en France autant qu’un Fadeiev[31] en URSS aient l’un comme l’autre envie de participer”.

Zelfde toon bij Gerlo: “De tekst van de te verzenden brief werd zorgvuldig voorbereid. Ieder woord werd gewikt en gewogen om niemand af te schrikken. Elke zweem van sektarisme of eenzijdigheid moest worden vermeden. De communisten en de Rus Fedine stelden zich zeer soepel en ruimdenkend op. Vercors, Jouvenel, Brecht, Fédine en Sartre namen zeer actief deel aan de discussie.”

Naast de tekst van de uitnodigingsbrief werden ook de thema’s besproken die aan het congres zouden worden voorgelegd. Sartre stelde voor: “Les différences de structure sociale influencent-elles les modes d’expression?”, maar dit bekoorde de andere deelnemers niet. Uiteindelijk werden de volgende thema’s weerhouden:

“1. L’état actuel des échanges entre pays de structure sociale différente ne met-elle pas en danger le développement de la valeur universelle de chaque culture nationale?

“2. Les conditions sociales actuelles et les créations littéraires:

a)      le poids de la société sur la création littéraire,

b)      la situation morale et matérielle de l’écrivain dans la société où il vit,

c)      rapports de l’écrivain avec son public,

d)      problèmes matériels de diffusion.

“3. Les tendances littéraires (esthétisme, réalisme, etc) et les techniques littéraires”.

Na twee (of drie) dagen werkzaamheden waren de deelnemers er zich van bewust dat ze nog niet ver gevorderd waren.

De materiële organisatie stond nog nergens. “Waar zou men het congres houden? Wie zou het organiseren? Met welke middelen? Een brief ondertekend door de deelnemers aan de bijeenkomst in Knokke zou niet volstaan om iets in beweging te brengen. Hij zou moeten uitgaan van representatieve schrijversbonden. Er werd als gastland aan Frankrijk gedacht of aan Italië, waar men misschien de steun van de regering kon bekomen. Fédine was van oordeel dat de aanwezige Fransen de meeste kans op slagen maakten. De Fransen zelf bleven sceptisch. Men zou het terrein verder verkennen door persoonlijke contacten[32].”

Vercors gaf in zijn mémoires inderdaad lucht aan het scepticisme van de Franse deelnemers: “Elsa est pessimiste: puisque nous n’avons réussi à faire venir à Knokke que si peu d’écrivains, n’espérons pas qu’il en viendra d’avantage au congrès, (dit-elle). Je suis aussi pessimiste qu’elle, mais pour la raison inverse: si à quinze nous avons mis trois jours pour tomber d’accord sur une simple formule d’invitation, que pourra-t-il sortir d’un congrès vingt fois plus nombreux? Bien plus que des défections, je prévois des palabres sans fin ni résultat”. “Rencontre avortée” besloot Vercors. En Gerlo besloot: “Van het wereldcongres der schrijvers is nooit iets in huis gekomen”. Hiermee was de kous af en werd een genoeglijk weekend afgesloten. De deelnemers namen evenwel nog geen afscheid want er wachtte hen nog een ontmoeting in Brussel.

Op theebezoek bij koningin Elisabeth

Van Knokke trokken de meeste deelnemers naar Brussel, waar ze op kasteel Stuyvenberg verwacht werden door koningin Elisabeth. Had ze haar steun aan Allard verleend voor dit initiatief, zoals Vercors schreef? Niet uitgesloten.

Aloïs Gerlo herinnerde zich dit bezoek als volgt: “Baron Allard werd hartelijk bedankt, waarna hij de deelnemers die vrij waren begeleidde naar het kasteel te Stuyvenberg. Daar werden wij ontvangen met een kleine receptie door een uiterst vriendelijke, witgepoederde koningin Elisabeth. Of Brecht aanwezig was, herinner ik mij niet. De Pool Iwaszkiewicz zeker: hij kende de koningin reeds van vroeger en had zelf vorstelijke allures”[33].

Vercors hield er precieze herinneringen aan over: “Avant de nous séparer, nous sommes tous reçus par la reine-mère Elisabeth. Tous sauf Brecht qui ne veut rien avoir à faire avec des reines. Il a eu tort: c’est une femme étonnante. Toute altesse qu’elle soit, elle a sur toutes choses les opinions les plus avancées. Sauf sur le protocole: elle nous prendra l’un après l’autre à part pour le même nombre de minutes. Pas de jaloux. Quand c’est mon tour, elle me félicite, non du Silence de la mer, dont avec finesse elle tient la réputation pour trop admise, mais de mes articles dans la presse, spécialement ceux des Lettres françaises, qu’elle suit dit-elle, avec passion. Elle en partage l’ardeur et l’inquiétude. Compare la police belge à la police française, se plaint de leurs excès: “C’est terrible n’est-ce-pas? On vit dans la peur”, me fait parler de ce que j’ai vu en Chine, en Union Soviétique et dit: “C’est notre espoir”. Je me sentirais, auprès de sa Majesté, un tantinet réactionnaire”[34].

Indien de koningin inderdaad de woorden uitsprak die Vercors in zijn dagboek noteerde, dan kan men alleen maar vaststellen dat ze met uiterste naïviteit de communistische propaganda had ingeslikt. Zich in 1954 in België onveilig voelen omwille van “les excès de la police” of kunnen zeggen van de Sovjetunie en van het China van Mao “c’est notre espoir” was vergaand. Zelfs Vercors stond er paf van!

Knokke kreeg een staartje in Venetië

Ook al kwamen duidelijk minder impulsen (en blijkbaar minder financiële steun) vanuit de voorheen zo actieve Vredesbeweging, toch wilde men zich na de mislukte poging in Knokke nog niet gewonnen geven. Een vervolgbijeenkomst werd, hoofdzakelijk op initiatief van Vercors in april 1956 in Venetië georganiseerd, onder de hoede van de Société européenne de Culture, geleid door de specialist internationaal recht Umberto Campagnolo (1904-1976). De communistische wereld leefde toen in volle trauma na het bekend maken van het rapport Chroestjov voor het XXste Congres van de Communistische partij van de Sovjet-Unie, waarin hij de misdaden van het Stalintijdperk aan de kaak had gesteld. Ook al verloren hierdoor velen in het Westen hun vertrouwen in de Sovjet-Unie, nog meer bleven trouw. “Je reste fidèle à leurs luttes” besliste Vercors[35].

Van de twaalf deelnemers die in Venetië kwamen opdagen hadden er drie aan de bijeenkomst in Knokke deelgenomen: Sartre, Iwaszkiewickz en Vercors. Uit de Sovjetunie waren daar: de kunsthistoricus Mikhail Alpatov (1902-1986), de dichter Sourkov, de romancier Boris Polevoï en de internationaal bekende auteur Ilja Ehrenbourg die in 1954 met De dooi, het signaal had gegeven voor een voorzichtige literaire destalinisatie.

Uit het Westen waren linkse niet-communisten aanwezig. Naast Umberto Campagnolo, waren het de romancier en essayist Ignazio Silone (1900-1978), geboren Secondo Tranquilli, ooit stichter van de communistische partij in Italië, die hij in 1939 de rug had toegekeerd; de Engelse dichter Stephen Spender (1907-1995) die na een kortstondig vooroorlogs lidmaatschap van de Engelse communistische partij tot de critici van het Sovjetregime behoorde; de filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) die ook al de status van compagnon de route had opgegeven en tenslotte de protestantse theoloog Karl Barth (1886-1968).

Ook deze bijeenkomst mondde op niets uit. “Lorsqu’il faut bien en venir à la résolution finale, dont Campagnolo nous a chargés Ilja Ehrenbourg et moi, nous nous battons les flancs pour qu’elle ne révèle pas son néant absolu.(…) Sur l’essentiel, sur la “culture”, sur l’avenir des hommes, nous transpirons pour accoucher d’un texte nègre blanc qui déguise mal l’échec de la confrontation.” Vercors troostte zich aldus: “Le seul grand bénéfice de cette réunion reste qu’elle a eu lieu. C’est peu mais c’est déjà énorme. (Sans elle) le “rideau de fer” eût continué indéfiniment de dresser sa muraille entre les écrivains de l’Est et de l’Ouest[36].”

De eerlijke bedoelingen van Vercors en anderen staan hier niet ter discussie, wel hun beperkt inzicht en hun naïviteit. Van een aantal onder hen zouden de ogen stilaan open gaan en de een na de ander verliet al dan niet geruisloos het communistisch kamp. Bij ieder belangrijke gebeurtenis (showprocessen in Moskou en in de satellietstaten, Berlijnse opstand, rapport Chroestjov, opstand in Hongarije, opstand in Polen, Praagse lente, oorlog in Afghanistan) vielen ze bij bosjes af. Het is begrijpelijk en menselijk dat ze nadien tekst en uitleg wilden geven om zich te verschonen. Bij velen bleef  de nostalgie over hun inzet voor de Grote Revolutie nazinderen en uitte zich dit onder meer door een blijvend antagonisme tegenover de Verenigde Staten.

De invloed van de doorgedreven propaganda van de Sovjetunie, gekoppeld aan de sympathiserende daden en geschriften van talrijke al dan niet uitgeproken fellow travellers heeft op de samenleving in West-Europa invloed uitgeoefend. De periode van de grote manifestaties ingericht door de Vredesbeweging was voorbij, maar de intense propaganda bij de linkse intelligentsia in het Westen werd met meer discrete middelen onverminderd verder gezet. Dat men in de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig honderdduizenden zoniet miljoenen welmenende betogers op straat kon krijgen om tegen de plaatsing van de Westerse kernraketten op te komen (Het gevleugeld woord van Mitterrand: “Les missiles sont à l’Est, les manifestants sont à l’Ouest”), zou niet mogelijk geweest zijn zonder de decennialang volgehouden propaganda vanuit het Oosten, dat aan een aanzienlijk deel van de Westerse publieke opinie een slecht geweten bezorgde.

Na de val van de muur van Berlijn en de ineenstorting van het Sovjetimperium heeft dit alles een bijna onwezenlijk uitzicht gekregen en kan men zich nog nauwelijks de sfeer en de mentaliteit van de periode voordien inbeelden. Dat zoveel intelligente mensen zich op sleeptouw lieten nemen door een regime dat minstens even slecht was als dat van nazi-Duitsland, zal één van de blijvende mysteries van de twintigste eeuw blijven, waaraan nog vaak studies zullen gewijd worden.

In het begin van de jaren zeventig, nog voor de Akkoorden van Helsinki, die een eerste toegeving van de Sovjet-Unie inhielden aan de eisen van het Westen voor de eerbiediging van de mensenrechten, zegde mijn Poolse vriend Tomasz Wardynski: “Sovjet-Rusland is te vergelijken met het Ottomaanse Rijk: het is een reus op lemen voeten. Eens, misschien binnenkort, misschien veel later, maar ooit zal dit rijk desintegreren. Men moet alleen verhopen dat dit gebeurt zonder dat er te veel brokken gemaakt worden”. Dit was het inzicht van een jonge Poolse intellectueel, die het van binnenuit beleefde, en die al lang voor Hélène Carrère-d’Encausse en anderen het schreven, het einde van de “evil empire” voorspelde. Daarom bleef hij in zijn land, ook al had hij alle gelegenheid om te emigreren. Nu leidt hij er het belangrijkste Pools advocatenkantoor, dat zijn naam draagt.

Op het gebied van de persoonlijke vrijheden is ingrijpende verbetering ingetreden. De vroegere sattellietstaten zijn in een aantal gevallen min of meer goed functionerende democratieën geworden, die op beschaafde en moedige wijze het verleden achter zich gelaten hebben.  In de verschillende republieken van de vroegere Sovjet-Unie daarentegen en in de eerste plaats in Rusland, verschaffen de economische ramp en het moeizaam tot stand komen van een begin van democratie weinig redenen tot optimisme. Er zal nog veel moeten evolueren om er een normale toestand te zien groeien. Tenzij het scherp antagonisme in de Balkan zou leiden tot een nieuwe wereldoorlog? De geschiedenis herhaalt zich niet noodzakelijk, maar anderzijds zijn er ook mensen en volkeren die uit de ervaring niets leren en ook niets kunnen vergeten, laat staan vergeven.

De deelnemers aan de “literaire” bijeenkomst in Knokke-le-Zoute zullen het alvast niet meer beleven. Ze zijn ondertussen, met uitzondering van de nog levendige Bruggeling Mark Braet, allen “ad patres”.

augustus 1999 – februari 2000.


[1]  A. FONTAINE, Histoire de la guerre froide, Parijs, 1965-1976

[2]  G. KENNAN, Memoirs 1925-1950, New York, 1967, blz 271-297

[3]  T. JUDT, Un passé imparfait, les intellectuels en France 1944-1956, Paris, 1992, p. 266.

[4]  J. Fuegi, The life and lies of Bertolt Brecht, London, 1994, heeft aangetoond dat een aanzienlijk deel van het onder zijn naam gepubliceerd werk geschreven werd door verschillende van zijn medewerkers, die meestal ook zijn minnaressen of minnaars waren.

[5]  E. und R. SCHUMACHER, Lebens Brecht in Wort und Bild, Berlijn, 1979, blz 281; W. SIMAEY, Bertold Brecht in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1992, blz 183-190.

[6] A.COHEN-SOLAL, Sartre 1905-1980, Parijs, Gallimard,1985.

[7]  Idem, blz 450.

[8]  T. JUDT, a.w. blz 189 en 343; A. COHEN-SOLAL, a.w.blz 453-457.

[9]  VERCORS, Les nouveaux jours, Parijs, T. III, Briand l’oublié (1942-1962), Parijs1984, blz 313-314; Gilles PLAZY, Vercors, écrivain malgré lui, in: Le Monde, 13 juni 1991.

[10]  Th. WOLTON, Le grand recrutement, Parijs, 1993; J.L. PANNE, Boris Souvarine, Parijs, 1993, blz 289; F. FURET, Le passé d’une illusion. Essai sur l’idée du communisme au XXe siècle, Parijs, 1995, blz 134-145.

[11]  Th. WOLTON, Le KGB en France, Parijs, 1986, vooral blz 204 en volgende.

[12]  J.VERDES-LEROUX, Au service du parti. Le parti communiste, les intellectuels et la culture (1944-1956), Parijs, 1983.

[13]  J.VERDES-LEROUX, Le réveil des somnanbules. Le parti communiste, les intellectuels et la culture (1956-1985), Parijs, 1987.

[14]  Dictionnaire de biographie française, fasc. CVI, Parijs, 1992; J. VANLYNSEELE et D. GRANDO, A la découverte de leurs racines, Parijs, 1988.

[15]  E. WAEGEMANS, Geschiedenis van de russische literatuur, uitg. Daedalus, 1993.

[16]  VERCORS, a.w. blz

[17]  H. VAN SNICK, Levende Westvlaamse schrijvers, VWS-cahiers, NR 16; Lexicon van Westvlaamse schrijvers, deel I, Torhout, 1984, blz 26.

[18]  R. FRICKX et R.TROUSSON, Lettres françaises de Belgique, I. le roman (s.l.d. V. NACHTERGAELE et R.TROUSSON), II. la poésie (s.l.d. C.BERG et R. FRICKX), Paris-Gembloux, 1988.

[19]  R. VERVLIET, Alfons J. De Ridder, pseudoniem Willem Elsschot, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz 2608; F. SMITS, Willem Elsschot, zijn leven, zijn werk en zijn betekenis als prozaïst en dichter, Antwerpen, 1942, 1952, 1976.

[20]  A. GERLO, Noch hoveling, noch gunsteling, Kapellen, 1989; R. DE SMET, Bibliografie van Alois Gerlo, in: Instrumenta Humanistica, Brussel, 1985.

[21]  Citaat uit brief van A. Gerlo van 26 juli 1995 aan de auteur.

[22]  F. HELLENS, Documents secrets (1905-1956), histoire sentimentale de mes livres et de quelques amitiés, Parijs, 1958; R. FRICKX, Franz Hellens, in: Nouvelle biographie nationale, Brussel, 1988, blz 140-160; W. COUDENYS, Franz Hellens en de Russische avant-garde, in: red. Ed. STOLS en E. WAEGEMANS, Montagne russen, belevenissen van Belgen in Rusland, uitg. EPO, 1989, blz 225-236.

[23] R. VERVLIET, Achilles Mussche, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz. 2110-2112.

[24]  zie voetnota 18.

[25]  idem

[26]  Lexicon van Westvlaamse schrijvers, deel I, blz 91.

[27]  zie voetnota 18.

[28]  VERCORS, a.w. blz 253-254.

[29]  A. GERLO, a.w. blz 113.

[30]  Vercors heeft het over drie dagen; het is niet uitgesloten dat er al op 2 april met de besprekingen begonnen werd.

[31] die in 1956 zelfmoord pleegde.

[32]  A. GERLO, a.w. blz 114.

[33]  A. GERLO, a.w. blz 115.

[34]  VERCORS, a.w. blz 255.

[35]  VERCORS, a.w., blz 288

[36]   VERCORS, a.w. blz 290

www.andriesvandenabeele.net