Boekbespreking

Antoon OSAER

De katholieke partij in een periode van standenvertegenwoordiging

Het arrondissement Brugge

1918 – 1936

licentiaatverhandeling, K.U. Leuven, 1978-79 (onuitgegeven)

In het voetspoor van de studies door professor Romain Van Eenoo ondernomen, nu ook al meer dan 20 jaar terug, over de arbeidersbeweging en de partijvorming tijdens de 19de eeuw in Brugge – zijn doctoraal proefschrift vond helaas geen uitgever – werden reeds verscheidene licentiaatverhandelingen gewijd aan de Brugse politieke evoluties zowel in de 19de als in de 20ste eeuw, waarbij voorlopig 1940 een einddatum schijnt te zijn.

We vermelden: G. Demarest, De Vlaamse beweging te Brugge (1918-1930), RUG, 1975 (onuitgegeven); A. Van Oyen, De katholieke partij te Brugge (1930-1940), RUG, 1976 (onuitgegeven), P. Lefèvre, Le libéralisme à Bruges (1893-1940), ULB, 1976 (onuitgegeven, een episode verscheen in de Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1978, blz. 115-141: Une nouvelle orientation du parti libéral brugeois: les élections législatives de 1912). Een opmerkelijke studie, De katholieke partij in een periode van standenvertegenwoordiging. Het arrondissement Brugge, 1918 – 1936, werd hieraan onlangs toegevoegd door Antoon Osaer die ermee tot licentiaat geschiedenis promoveerde, onder de hoede van professor Lode Wils. Hiermee heeft Toon Osaer pionierswerk verricht voor ons arrondissement, en voor de eerste maal een coherent beeld opgehangen van één der politieke partijen (numeriek de belangrijkste) die tijdens de behandelde periode het politieke toneel in het arrondissement en vooral ook in de stad Brugge beheersten.

De katholieke kiesvereniging was niet ongedeerd uit de wereldoorlog gekomen. De elitaire leiding die de vooroorlogse partij had gekenmerkt, werd vanaf 1918 doorbroken door de opkomst van het Katholiek Vlaams Verbond en van de arbeidersbond, een beetje later ook van de Boerenbond en van de middenstandsorganisatie, die hun krachten bundelden met die van de vroegere "vrije beroepen" om samen een volwaardige politieke partij op te richten. Dit zou slechts gedeeltelijk slagen: in de praktijk zou de partij toch niet veel meer zijn dan wat ze voor de oorlog was, met name een kiesvereniging. Met dat verschil dat de vroeger informeel gehouden contacten bij de lijstsamenstelling, voortaan een institutioneel karakter kregen, gestoeld op de gelijkwaardige aanwezigheid van de vier "standen" (arbeiders, middenstanders, landbouwers en vrije beroepen).

Deze katholieke standenpartij heeft tussen de twee wereldoorlogen een evolutie gekend die uiteindelijk zou doen besluiten dat het niet de ideale formule was geweest. Vanaf 1945 zou ze dan ook de plaats ruimen voor een politieke formatie gebaseerd op het individueel lidmaatschap. ook al zou hier opnieuw (soms herhaalt zich de geschiedenis!) de praktijk in de loop der jaren duidelijk maken dat men zich eigenlijk niet zodanig verwijderd had van de vroegere standenindeling.

Het principieel vertrekpunt van de standenpartij was uiteraard de overtuiging dat op basis van een programma van "religieuze, sociale en politieke principes" (zoals in de statuten werd vermeld) alle klassen van de maatschappij moesten kunnen verenigd worden. De geleidelijke ontvoogding van de volksklassen en hun groeiend gewicht dankzij het algemeen enkelvoudig stemrecht, bracht mee dat de samenhorigheid in de politieke praktijk maar mogelijk was door een gezamenlijk uitoefenen en een onderling verdelen van de politieke macht, eerst in de partij zelf en vervolgens via de verkozen mandatarissen.

In tegenstelling met de door andere politieke families gepredikte klassenstrijd, hield de katholieke partij zich principieel bij de vereniging van alle standen, ter bevordering van het algemeen welzijn. Dit ging ook samen met een aanvankelijk voorzichtige, maar stelselmatig toenemende vervlaamsing van partij en mandatarissen.

Het verhaal van Toon Osaer schetst een levendig en zeer getrouw beeld van 18 jaar partijleven in Brugge en hij doet het naar ons gevoel zeer objectief, zonder de passie of het "hineininterpretieren" die men bij dergelijke onderwerpen soms aantreft en waarbij men al te gemakkelijk vroegere toestanden of overtuigingen beoordeelt of veroordeelt, buiten het tijdsklimaat.

Brugse particularismen

het Brugse model past natuurlijk in de nog grotendeels te schrijven globale geschiedenis van de katholieke partij tijdens het interbellum. maar afgezien van het nut om de evolutie op het niveau van een arrondissement gedetailleerd uit te pluizen en het daarna aan de algemene gang van zaken te toetsen, vertoont Brugge enkele niet onbelangrijke originele trekken.

Een eerste element is dat de kiesvereniging in Brugge tot nieuw leven kwam en hervormd werd nog voor dit elders in het land gebeurde. Een "primeur" als het ware.

Een tweede element, dat verband houdt met wat de "Vlaamse kwestie" werd genoemd – het meest controversiële discussiepunt, samen met het algemeen stemrecht – was de uitwerking in Brugge (Albert Ruzette en Gustaaf Sap waren hierbij de hoofdacteurs) van een "West-Vlaams verdrag" waarbij de Vlaamse eisen, zoals ze door het Katholiek Vlaams Verbond van Frans Van Cauwelaert en August Van de Perre in een "minimumprogramma" waren geformuleerd, in een kleedje werden gestoken die ze wat minder agressief moesten doen overkomen bij de Franstalige minderheden in Vlaanderen.

Deze "formule van Brugge" zou wel minder inkt doen vloeien dan de "coup de Loppem", maar niettemin een belangrijke rol spelen in het politiek gebeuren van die tijd.

Een dissidente groep: de Burgersgilde

Een niet onbelangrijk deel van de studie van Osaer is gewijd aan de verhoudingen "katholieke Burgersgilde" en katholieke partij. Deze verhoudingen zijn over gans de periode meestal zeer gespannen geweest en hebben geleid tot het opkomen met afzonderlijke lijsten (voor de provincie in 1929, voor de gemeente in 1932).

De beschrijving van deze groep, die nog in weinig beantwoordde aan de doelstellingen van de in 1878 opgerichte Katholieke Burgersgilde, wordt door de auteur op bijzonder heldere wijze gedaan. Hij werd hierin in niet geringe mate geholpen door de archieven van twee protagonisten, de advocaten Muylle en Schramme, die in 1976 per toeval konden gered worden, een half uur voor de handelaar in oud papier ze moest ophalen!

De strijd van de Katholieke Burgersgilde is een achterhoedegevecht geweest: tegen de standenorganisaties, tegen de arbeidersorganisatie, tegen de vervlaamsing, voor de tweetaligheid in Vlaanderen. Wat in 1936 nog van de groep overbleef zou naar Rex overlopen, of zich politiek demobiliseren. Maar ook achterhoedegevechten wegen op de geschiedenis.

Over de episode van de Burgersgilde veroorloven we ons een persoonlijke bedenking. Over een langere tijdsduur bekeken kan men haar actie zien als een schakel in de steeds terugkerende schrikreacties van de kleine burgerij en middenstand. Binnen deze bevolkingsklasse (te weinig machtig om zich meester te wanen van de toestand, te recent welstellend om zich zelfzeker te voelen) ligt heel dikwijls de zwakke plek van de democratie. Nazisme, fascisme en allerhande vormen van nationalisme vonden er in periodes van zware economische en morele crisis hun natuurlijke voedingsbodem. Ook in Brugge is de schrik van een deel van de middenstand "gekneld tussen het groot-kapitaal en de vakbonden" doorheen de opeenvolgende generaties aan te wijzen. Dit beroerde weliswaar slechts een gering percentage van de kiezers, maar toch af en toe genoeg om voor heel wat herrie te zorgen.

Is dit op het arrondissementeel vlak minder tot uitdrukking gekomen door het neerleggen van eigen lijsten (behalve dan door de "Ligue Nationale" en "Rex": maar dit is dan weer een ander verhaal), dan is er op het Brugse gemeentelijk vlak een bijna constante opeenvolging geweest van "scheurlijsten" die telkens weer op de rechterflank van de katholieke partij, later van de christelijke volkspartij, kwamen opduiken, zonder dat de liberale familie bij machte bleek om deze dissidenten naar zich te trekken.

In 1907 en 1911 waren dat de "Vrije Burgers", in 1921 en 1926 de "Stoffelijke Belangen", in 1932 de "Burgersgilde", in 1938 "Rex", in 1952 de lijst Verstraete, in 1964 het "Centrum", in 1976 de "Onafhankelijken".

We beseffen natuurlijk wel dat we dit alles ongenuanceerd over dezelfde kam scheren. Maar het is toch duidelijk dat er tussen een aantal van deze groepen rechtstreekse filiaties te bespeuren vallen. Het is ook zo dat in de meeste gevallen deze lijsten ontstonden rond personen die op de katholieke of christen-democratische lijst niet aanvaard werden en zonder wie de scheurlijst niet zou van de grond zijn gekomen. Maar in elk van deze gevallen mikte men op hetzelfde publiek: het misnoegde en bevreesde deel van de middenstand, dat als het ware te wachten zat op een mogelijkheid om zijn ongenoegen en vooral ook zijn vrees tot uiting te brengen.

Invloedrijke grijze eminenties

Heeft Toon Osaer zeer juist de raderwerken van de standenpartij uiteengerafeld, hij heeft eveneens met talrijke concrete gegevens de belangrijke rol van enkele markante figuren weten te situeren. De vooroorlogse prominenten die het voor het zeggen hadden, waren verdwenen of verdwijnen één voor één (van Caloen, Visart, Ruzette, Standaert). De standen worden geleid door kleine groepjes waar geen grote personaliteiten uit naar voor komen, tenzij dan de proosten. Achiel Logghe en Paul Allossery zullen met E. Titeca het politieke gebeuren binnen de katholieke partij beheersen. Logghe zal trouwens een figuur van eerste rang blijven tot ver in de jaren vijftig.

Vanuit de vrije beroepen komt, naast Victor Van Hoestenberghe die in hoofdzaak zijn mandaten als senator en burgemeester behartigde en zich om de partij eerder weinig zal bekommeren, vooral de figuur van notaris Henry Van Caillie naar voor. Bij de beschrijving van wat hij gedurende 13 jaar voorzitterschap heeft gepresteerd, mag men zonder overdrijven besluiten dat hij tijdens het grootste deel van het interbellum de katholieke partij in Brugge heeft beheerst en er een persoonlijke stempel heeft op gedrukt. De vervlaamsing en de democratisering werden door deze Franstalige grand bourgeois met overtuiging bevorderd en op basis van persoonlijke contacten en vriendschappen wist hij bindingen te realiseren die sterker bleken dan het antagonisme tussen groepen.

De pers

Een belangrijk element in de geschiedenis van de katholieke partij in Brugge is het feit dat de verschillende standen of groepen over heel wat lokale persorganen beschikten waarin ze hun debatten en polemieken op het publieke forum uitvochten.

La Patrie is vanaf 1920 de officiële spreekbuis van de katholieke partij. Ze wordt vanaf 1928 van repliek gediend in het dissidente La Flandre Maritime van de Burgersgilde en in mindere mate in het Burgerwelzijn.

Kan. Logghe en de arbeidersvleugel heeft eerst het Brugsche Volk (1919-1920) ter beschikking gehad en nadien Het Belfort, die zij samen met Paul Allossery en de middenstandsvleugel stichten.

En daarnaast waren er dan nog heel wat week- en maandbladen van lokaal of regionaal belang, die allen samen een heel brede waaier weergaven van wat in de verschillende delen van de katholieke opinie leefde.

Een belangrijke aanwinst

De geschiedenis van de Brugse katholieke partij wordt des te boeiender wanneer men haar groei, evolutie, problemen en scheuringen plaatst tegen de achtergrond van het nationaal en internationaal gebeuren: de politieke machtsstrijd in België, met de "Vlaamse kwestie" en het algemeen stemrecht vooraan, de economische wereldcrisis, de faling van de parlementaire democratieën met eerst de lokstem van het corporatisme en weldra de opmars van de totalitaire regimes. Dit alles liet ook het Brugse politieke wereldje niet onberoerd.

Op het einde van een lang verhaal geeft de auteur volgend besluit:

De Brugse katholieke partij maakte na de oorlog een duidelijke vervlaamsing en democratisering door: zelfs toen de parlementaire democratie in de jaren dertig controversieel werd, bleef de meerderheid van de katholieke partij haar verdedigen.

Binnen de standenvertegenwoordiging vormde het Christen Werkersverbond de meest dynamische afdeling, terwijl het grootste gedeelte van de burgerij onverschillig bleef. Om haar ideeën naar buiten te brengen beschikte de katholieke partij over een aantal persorganen.

De hele naoorlogse evolutie werd sterk bepaald door enkele individuen en de persoonlijke relaties drukten een diepe stempel op de verhoudingen tussen de standen. De evolutie werd nochtans niet door iedereen aanvaard en zorgde voor een afscheuring van de behoudsgezinde krachten.

Het werk van Toon Osaer is een belangrijke aanwinst voor de kennis van een periode die nog dichtbij ligt, maar die precies door het ontbreken van degelijke basisstudies soms verder af lijkt dan de vorige eeuwen. Men kan alleen hopen dat het volledig of toch voor zijn essentiële delen in druk zal kunnen verschijnen om aldus in ruimere kring bekend te worden en voedingsbodem te zijn voor verdere studie.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in de Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1980, blz. 326-331).