Jan-Baptist Herregoudts

+ 1646-1721

Schilder en brouwer

Andries Van den Abeele

Behalve de enkele gegevens die tot hiertoe, vaak niet zonder fouten en vergissingen, over hem werden gepubliceerd[1], wacht kunstschilder Jan-Baptist Herregoudts nog op een aan hem gewijde biografische en kunsthistorische studie.

De familie

David Herregoudts werd in Mechelen geboren in 1603 als zoon van Sebastiaan Herregoudts en Elisabeth De Gorter, dochter uit een brouwersfamilie. Hij huwde met Cecile Geniets uit een beenhouwersfamilie.[2] In 1646 vertrok hij naar Roermond, waar hij dank zij hooggeplaatste sponsors, waaronder de bisschop, een succesvolle schildersloopbaan doorliep. Hij overleed er in 1663.

Het echtpaar had drie, waarschijnlijk vier zonen die kunstschilder werden en die, zoals de vader schreef, met Gods hulp de naam Herregoudts over de hele wereld bekend zouden maken.[3]

Hendrik Herregoudts (Mechelen 1633 - Antwerpen 1704) had een wat hortende loopbaan, met veel verhuizingen, wellicht het gevolg van de enigszins moeilijke verhoudingen met zijn twee opeenvolgende echtgenoten. Tussen 1680 en 1690 woonde hij enkele jaren in Brugge, waar hij heel wat werk naliet. We citeren : portret van voogd Wynckelman (Sint-Janshospitaal), portret van schutterskoning Van Pee (Sint-Sebastiaansgilde), het Laatste Oordeel (Sint-Annakerk), H.Nicolaas (Sint-Jacobskerk), de Goede Herder (Onze Lieve Vrouwkerk) en Visioen van Sint Augustinus (OCMW).

De tweede zoon Willem Herregoudts (waarschijnlijk Mechelen 1640 - Amiens 1711) ging zich in 1663 in Amiens als kunstschilder vestigen en trouwde er met Louise Dupontroue. Hij verfranste zijn naam tot Guillaume Hergosse of Herregosse.[4]

Dit had voor gevolg dat tot hiertoe de band niet werd gelegd tussen hem en de Herregoudts. Niet alleen was die band er, maar hij bleef lang bestaan. Het huwelijk van een achterkleindochter van Willem met een bekende 18de eeuwse Bruggeling, kleinzoon van Jan-Baptist Herregoudts is hiervan het bewijs. We komen hierop in een volgende bijdrage terug.

Een derde zoon was hoogstwaarschijnlijk Maximiliaan Herregoudts, die ook in het laatste kwart van de 17de eeuw schilderde, maar over wie weinig méér bekend is.

Kunstschilder J.B. Herregoudts

Tenslotte was er Jan-Baptist Herregoudts (Roermond +1646 - Brugge 1721). In een aantal publikaties werd Dendermonde ten onrechte als geboorteplaats vermeld. Deze duidelijke verwarring met Roermond werd gezaaid door de op het gebied van de personalia niet zo accurate Le Doulx en nadien vlijtig overgeschreven.

Na eerst bij zijn vader in de leer te zijn geweest en waarschijnlijk na een Italiaanse studietoer, werkte Herregoudts enkele jaren in Antwerpen. In 1684 liet hij zich in de Brugse schildersgilde inschrijven. Hij vervulde in die gilde verschillende bestuursfuncties van 1687 tot 1695.[5] In 1717 behoorde hij tot de initiatiefnemers voor de oprichting van een teken- en schildersacademie in Brugge.[6]

Van hem zijn o.m. in Brugge bewaard : het portret van zijn vader en zijn eigen portret[7], Maria ten Hemel opgenomen (kerk Seminarie), Kroning van O.L.Vrouw (Godelieve-abdij), Besnijdenis (St.-Annakerk), opwekking van Lazarus (St.-Jacobskerk), Extase van de H.Dominicus (O.L.Vrouwkerk), Marteldood van de H.Petrus van Verona (O.L.Vrouwkerk), Maria ten Hemel opgenomen (OCMW) en portret van sire van de Sint-Jorisgilde Laurentius Van de Velde (Stedelijke Musea).

Jan-Baptist Herregoudts huwde met Anna-Pieternelle Timmermans (+1727). Ze hadden twee kinderen : Marie-Anne Herregoudts (1685-1749) en Jan-Baptist Herregoudts (1688-1717) die taalman en klerk van de vierschaar werd, maar nog vóór zijn ouders stierf. Beide geboorten werden in de Sint-Gillisparochie geregistreerd. Het echtpaar Herregoudts-Timmermans evenals hun dochter Marie-Anne werden in de Sint-Jacobskerk begraven, wat op een verhuizing naar deze parochie wijst.[8]

Brouwer J.B. Herregoudts

Jan-Baptist Herregoudts was niet alleen kunstschilder, hij was waarschijnlijk ook brouwer.

Met ingang van 1 december 1702 huurde hij het huis "De Virginicke" dat gelegen was in de Kuipersstraat. Het werd hem verhuurd door Cecilia Goossens of Gerssens (+ 1714), de weduwe van Jan Outers (+1701)[9] voor een periode van 4-8-12 of 16 jaar. Niet alleen het huis werd verhuurd, maar ook het er zich in bevindende "brouwalaam".[10]

Nog vóór de volle huurtermijn volbracht was, werden huis en brouwerij zijn eigendom. Na het overlijden van de weduwe Outers werden haar eigendommen verdeeld. Hoe dit als gevolg had dat J.B.Herregoudts de nieuwe eigenaar werd konden we niet precies uitmaken.

Wij menen te begrijpen dat hij en zijn echtgenote erfgenamen van het echtpaar Outers waren. De relatie was alleszins nauw, want het echtpaar Herregoudts en later ook hun dochter en kleindochter werden in de grafkelder van Jan Outers bijgezet in de Sint-Jacobskerk.[11]

In de sestendelen wordt verwezen naar een akte van eigendomsoverdracht verleden op 27 april 1715 door het ambt van de klerk van de vierschaar Jozef-Ignatius Boone, die optrad namens zijn collega Jan-Baptist Herregoudts, die als zoon van de nieuwe eigenaars niet zelf kon instrumenteren. In de "protocollen" van deze klerk vonden we deze akte niet terug.[12]

Wél vonden we drie akten van begin april 1715, deze maal wél door Jan-Baptist Herregoudts jr. verleden, die handelden over verschillende eigendommen van het echtpaar Outers, waarbij een hele resem erfgenamen werd vermeld, onder wie het echtpaar Herregoudts-Timmermans.

Het blijft dus wel onzeker of zij de eigendom uit de successie opkochten of er zoniet de enige erfgenamen van waren.[13]

In 1719 werd een akte opgetekend die betrekking had op een rente ten behoeve van Jacob Trappeniers. Er werd hierbij melding gemaakt van de "oude brouwerij".[14] Moet dit begrepen worden als verwijzend naar een aloude brouwerij of naar een ondertussen verdwenen brouwerij ? De tweede uitleg lijkt de meest waarschijnlijke.

Het lijkt alvast zeker dat het echtpaar Herregoudts minstens vanaf 1702 in de Virginicke woonde en er overleed, aangezien beiden in de Sint-Jacobskerk begraven werden. Het is niet ondenkbaar dat Herregoudts zelf als brouwersbaas optrad. Het is ook niet uitgesloten dat de echtgenote zich met de commerciële zaken bezig hield. Het is minder zeker dat ze de brouwerij zouden onderverhuurd, of eenmaal eigenaars geworden zouden verhuurd hebben, want dan zou daar normaal melding van gemaakt zijn in de sestendelenregisters.

Anderzijds kan de aankoop in 1715 en zeker de dood van Herregoudts in 1721 het eindpunt van de brouwerij betekend hebben. De dochter van het echtpaar, Anne-Marie Herregoudts huwde in 1714 met de lakenhandelaar Antonius De Vonck (1685-1717) en het jonge paar baatte vanaf een niet te bepalen datum zijn handel uit in de "Virginicke".

Dat Herregoudts een tweede niet-artistiek beroep uitoefende was niet ongewoon. Zijn collega Marc De Duvenede (1674-1730), of althans diens echtgenote Marie-Anne Devolder handelde in kanten. Kunstschilder Nicolaas Vleys en zijn echtgenote Madelaine De Ceuninck baatten in de Oude Burg een juwelierszaak uit. Kunstschilder Lodewijk De Deyster (1656-1711) was factor van orgels, clavecimbels, violen en beiaarden.[15] Kunstschilder Mathias de Visch (1701-1765) had, ook in de Kuipersstraat, een textielzaak die in hoofdzaak door zijn vrouw Petronilla Iweins werd uitgebaat.[16]

De schildersactiviteiten waren dus blijkbaar voor velen niet voldoende om een goed inkomen te verwerven. Na dertig jaar schildersactiviteit kon Herregoudts in 1702 het huis met brouwerij in de Kuipersstraat slechts huren. In 1715 werd hij er eigenaar van waarbij we vooralsnog in het midden moeten laten of hij het pand aankocht dan wel er de gelukkige erfgenaam van was.

Genealogie Herregoudts


[1]P.LE DOULX, Levens der konstschilders (...) van Brugge. (Stadsarchief Brugge, handschrift uit + 1795).

J.B.DIENBERGEN, Levens der konstschilders van Brugge (Stadsbibliotheek Brugge, handschrift 597).

VAN DER AA, Biografisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem, 1852.

O.DELEPIERRE, Galerie d'artistes brugeois, Brugge, 1840.

E.BAES, Herregoudts David, Hendrik, Maximiliaan en Jan-Baptist, in : Biographie Nationale, 1866-1887, T.IX.

Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden, 1927, Deel VII.

E.HOSTEN en E.STRUBBE, Catalogus Museum van schone kunsten van Brugge, Brugge, 1931.

U.THIEME, F.BECKER, H.VOLLMER, Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler von der Antike bis zum Gegenwart, Leipzig, 1908-1950.

H.PAUWELS, Catalogus Groeningemuseum, Brugge 1960.

H.VLIEGHE, Catalogus schilderijen 17de en 18de eeuw, Brugge, 1994, blz.123-125.

[2]H.INSTALLE, Patriciërs en Ambachtslui in het stadsbestuur te Mechelen onder Maria-Theresia, Mechelen, 1982.

[3]E.BAES, a.w.

[4]Stadsarchief Amiens, registres de la population.

[5]SAB, archief beeldemakers, gildeboek 1619-1795.

[6]D.DEN DOOVEN, De Brugse academie in de achttiende eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, VUB, 1993-1994.

[7]We zullen hierover evenwel in een volgende bijdrage een paar vraagtekens hebben.

[8]Stadsbibiliotheek Brugge, Handschrift 449, grafschriften d'Hooghe, Vol.V.

[9]In handschrift d'Hooghe staat verkeerd 1781 vermeld.

[10]SAB, Registers St.-Niklaassestendeel, fo 2281.

[11]Stadsbibiliotheek Brugge, Handschrift 449, grafschriften d'Hooghe, Vol.V.

[12]SAB, St Niklaassestendeel fo 2281.

SAB, protokollen klerk van de vierschaar J.I.Boone.

[13]SAB, protokollen klerk van de vierschaar J.B.Herregoudts.

[14]SAB, Registers St.-Niklaassestendeel, fo 2281.

[15]O.DELEPIERRE, a.w. blz.58, 61, 63.

[16]A.VAN DEN ABEELE, De biografie van Mathias de Visch, in : Biekorf 1981, blz.356-364.