Hongeroproer in Brugge

2 en 3 maart 1847

Een breekpunt tijdens de Ellende der Vlaanders

I.

Algemene inleiding

1.      Een economisch dieptepunt

Winter 1846-1847: een absoluut dieptepunt in onze geschiedenis [1] . De aardappelplaag woedde sedert 1845, de ziekte op de rogge deed de oogsten mislukken, het aantal behoeftigen nam schrikwekkend toe, de fysische uitputting van het ondervoede deel van de bevolking vorderde met rasse schreden.

Rond hetzelfde tijdstip werd het in de Vlaamse provincies duidelijk dat de strijd die de artisanale vlas- en lijnwaadnijverheid had gevoerd tegen de opkomende industriële weverijen en spinnerijen, definitief was verloren en dat hiermee de voornaamste activiteit en bron van inkomsten van de plattelandsbevolking, een algemeen failliet dreigde te kennen.

Tot overmaat van ramp sloten zich rond die tijd de buitenlandse markten één voor één voor het Belgisch textiel, of het van artisanale dan wel van industriële fabricatie was. De crisis trof dan ook evenzeer de nog jonge vlas- en lijnwaadindustrie die zich in de steden had gevestigd.

Bij dit alles kwamen de gevolgen en neveneffecten nog scherper tot uiting: epidemieën van tyfus en cholera, banditisme en criminaliteit, alcoholisme en bedelarij, met daar bovenop het onrustwekkende uitsterven van een deel van de bevolking door honger en uitputting.

2.      Een politiek keerpunt

Einde 1846, begin 1847 was ook op het politieke vlak een bewogen periode. Op 14 juni 1846 was een eerste politieke partij tot stand gekomen, de Confédération du libéralisme, wat meteen het einde inluidde van vijftien jaar unionisme. De laatste unionistische regering de Theux – Malou (31 maart 1846 – 12 juni 1847) was in feite een katholiek ministerie, aangezien de liberale voormannen hun medewerking hadden geweigerd.

Voor de eerste maal en dit onder de moeilijkste economische omstandigheden, moest een Belgisch kabinet het hoofd bieden, niet aan een verspreide oppositie, maar aan een georganiseerde politieke groep. Dit beïnvloedde duidelijk zijn reacties op de crisis.

De nieuwe politieke partij zocht aanvankelijk nog haar juiste richting. Kort na de stichting ontstond al een hevige twist tussen gematigden en radicalen, met als gevolg dat de meerderheidsgroep, die van de gematigden, in november 1846 besliste een Association libérale et constitutionnelle op te richten: de liberale partij, “le parti du juste milieu” was definitief gestart.

De politieke strijd, enerzijds tussen liberalen en klerikalen (die hoofdzakelijk nog unionistisch dachten) en anderzijds tussen gematigde en radicale liberalen, vond plaats in een klimaat dat bijzonder sterk werd getekend door de economische crisis. Die crisis oefende des te meer invloed uit doordat het dieptepunt ervan samenviel met een verkiezingsperiode, tijdens dewelke de verschillende strekkingen scherper dan voorheen tegenover mekaar stonden. Bij de gedeeltelijke vernieuwing van de wetgevende lichamen op 8 juni 1847 behaalden de liberalen de helft van de zetels in de Kamer. Erg tegen zijn zin moest Leopold I de samenstelling gedogen van een eerste homogeen liberaal kabinet, op partijpolitieke basis gevormd en voorgezeten door Charles Rogier. Een eerste periode in de politieke geschiedenis van het nog jonge koninkrijk, die van het unionisme, was hiermee definitief afgesloten.

3.      Brugge tijdens de crisis

De geschiedenis van de economische crisisjaren 1845-1850 en meer in het bijzonder van de cruciale winter 1846-1847, die er het absolute dieptepunt van was, is al bij herhaling het voorwerp van studie geweest [2] . Hierbij is onder meer aandacht besteed aan het hongeroproer dat begin maart 1847 in Brugge losbrak [3] en dat het eerste was [4] in een reeks oproeren die in de daarop volgende weken in een aantal steden en dorpen zouden plaats grijpen [5] . Het was waarschijnlijk eerder toeval dat het eerste oproer in Brugge plaats vond, ook al zouden regering en parket achteraf van mening zijn dat het om het werk was gegaan van opruiers die op georganiseerde wijze waren tewerk gegaan. Een bevlogen publicist, de Bruggeling Louis Van de Casteele, die een tekst had geschreven over “De ellende der Vlaanders”, was het zwart schaap en werd opgepakt wegens aanzetten tot oproer. Na een paar weken werd hij evenwel vrijgelaten en werd de zaak zonder gevolg geklasseerd [6] . Van andere mogelijke opruiers was geen sprake meer.

De directe aanleiding was in ieder geval duidelijk: op een ogenblik dat men na een lange en harde winter het intreden van de dooi mocht verwachten, had zich een nieuw koudeoffensief ingezet en was de al hoge graanprijs nog verder gestegen [7] . De prijs van het brood bereikte als gevolg hiervan recordhoogten. Bedroeg die in normale omstandigheden 18 ct. voor 1 kg huishoudelijk brood, dan was dit gestegen tot 38 ct. [8] Hiermee was de maat vol en kwam de volksmassa in beroering.

Voor sommigen was het oproer een onvermijdelijke gebeurtenis, waar men zich had moeten aan verwachten: “scènes de désordre et de pillage qui étaient prévus par tout le monde, excepté par ceux qui ont mission de les prévenir [9] . De verantwoordelijken, ook al waren ze bezorgd over de toestand, hadden klaarblijkelijk geen opstandige gebeurtenissen verwacht. Nog op 10 februari 1847 had het schepencollege aan de gouverneur laten weten: “Malgré les circonstances pénibles que nous traversons, notre population pauvre est en général calme et résignée” [10] .

Geen enkele voorzorgsmaatregel was genomen om in geval van ongeregeldheden de orde te handhaven of te herstellen. Het verloop van de gebeurtenissen zou evenwel aantonen dat men voldoende vlug reageerde om het oproer binnen korte termijn de baas te kunnen.

Het Brugse oproer van 2 en 3 maart 1847 werd in de werken van Jacquemyns en van de auteurs die na hem schreven, op beknopte wijze en binnen een ruimer kader behandeld. Hun relaas is dan ook vatbaar voor uitbreiding en aanvulling, op enkele punten voor verbetering. Vooreerst denken we dat het vanuit een standpunt van lokale geschiedenis niet nutteloos is om het verhaal op een meer gedetailleerde wijze te overdoen. Vervolgens zullen we analyseren hoe de overheid op zo een oproer reageerde en welke maatregelen werden getroffen om eerst aan de wanorde het hoofd te bieden en vervolgens herhaling te voorkomen.

Ons voor een aantal aspecten op dezelfde bronnen baserend als Jacquemyns, kon het niet onze bedoeling zijn om zijn standaardwerk te overdoen. Jacquemyns gaf echter een synthesebeeld over de ganse crisisperiode 1845-1850, terwijl wij ons toespitsen op maart 1847 en op Brugge. We denken hierbij te kunnen aantonen dat de gebeurtenissen een niet onbelangrijk breekpunt betekenden in het verloop van de crisis en dat ze op de mentaliteit en de besluitvorming, zowel van de nationale als van de locale verantwoordelijken een belangrijke invloed uitoefenden.

II

De bronnen en hun interpretatie

Het geheel van onze studie is gebaseerd op een ruime verscheidenheid van bronnen, die wel enige nadere toelichting verdienen.

1.      De dagbladen

Het relaas van het oproer in Brugge, zoals wij het aantreffen in het boek van Jacquemyns en zoals het later met toevoeging van een paar toetsen, beknopt werd naverteld door Jos De Smet [11] , is uitsluitend gebaseerd op enkele berichten die verschenen in de Franstalige pers van die tijd [12] . Deze bronnen kunnen aanzienlijk worden aangevuld.

In de door Jacquemyns vermelde kranten zijn immers méér berichten verschenen dan de door hem geciteerde, ook in de Moniteur Belge. Naast de door hem geciteerde Nouvelliste des Flandres en de Journal de Bruges, was er trouwens nog een derde Franstalige krant in Brugge, de Impartial de Bruges [13] , die in de meeste omstandigheden een radicaler stem liet horen dan zijn liberale collega en concurrent Journal de Bruges. Daarbij zijn nog de belangrijke versies te voegen die in de nederlandstalige Brugse kranten verschenen: de Gazette van Brugge, de Standaerd van Vlaenderen en de Nijverheid. Hier ook ontbreekt één stem, die van De Hoop van Brugge en van haar hoofdredacteur Petrus Deny. Van deze krant zijn slechts enkele nummers tot ons gekomen, waaronder geen enkele uit de hier behandelde periode. Men mag alvast veronderstellen dat hierin de meest virulente berichtgeving verscheen [14] .

Elk van deze kranten gaf, naast een min of meer identiek basisverhaal, bijkomende, ook soms afwijkende en zelfs tegenstrijdige inlichtingen, alles samen een belangrijke hoeveelheid bijkomende informatie. Het is duidelijk, wanneer men hun verhalen naast elkaar legt, dat deze tijdgenoten – al dan niet ooggetuigen – niet alleen veel verschillende dingen zagen en noteerden, maar vooral dat ze de gebeurtenissen met andere ogen hebben gezien, naar gelang hetgeen ze wilden zien. Het is daarbij al even duidelijk dat ze bepaalde stellingen aankleefden en tegen de gebeurtenissen aankeken met onverholen apriorismen. Dit gold dan voornamelijk voor de graad van ernst die zij aan het oproer en aan de oproerlingen wilden toeschrijven.

De regeringsgezinde kranten bagatelliseerden de gebeurtenissen. De Gazette van Brugge sprak bij voorkeur over eenige ellendige straatjongens, eenige ellendelingen, eenige benden, meest alle uit marktlopers en straatjongens samengesteld en beklemtoonde dat ze er niet aan dacht de beroerten het karakter te willen lenen die sommigen er aan toekennen [15] . Dezelfde stem weerklonk in de Nijverheid die eveneens beklemtoonde dat de baldadigheden het werk waren van straatjongens en dat de werklieden er zich zelfs mistevreden over toonden, hetgeen de werkende klas tot lof strekt. De krant citeerde instemmend De Vaderlander waar die het eveneens had over eenige ellendige plunderaars en over een handvol oproermakers [16] .

De Standaerd van Vlaenderen liet niet na, naast het vermelden van enkele pittoreske details die men niet in de andere kranten vindt, bij herhaling te benadrukken dat de aanstokers dronken waren of dat de volkstoeloop en de onrust werden aangemoedigd door toevallige factoren, zoals de aanwezigheid in de stad van vele lotelingen [17] .

In de Nouvelliste des Flandres, de bij uitstek regeringsgezinde krant van het ogenblik in Brugge, werd eveneens grote voorrang gegeven aan alle elementen uit de berichtgeving die geruststellend konden zijn. De krant sprak van oproer veroorzaakt par des gamins de 12 à 15 ans en van un petit rassemblement de jeunes vagabonds. Verder beklemtoonde ze in haar verslag over het oproer van 2 maart dat verschillende samenscholingen n’avaient rien montré de menaçant en had ze slechts weet van gebroken ruiten in twee bakkerijen. Alle elementen werden onderstreept die de bevolking konden geruststellen: om 22 uur was iedereen huiswaarts gekeerd, om 23.30 uur was het zo kalm dat ook de soldaten waren gaan slapen en de straatverlichting was voor alle veiligheid de ganse nacht blijven branden. De Nouvelliste laakte daarbij de kranten die het oproer als een ernstige gebeurtenis behandelden [18] .

Gans anders was de toon in de antiregeringsgezinde Journal de Bruges, die gebeurtenissen meedeelde die men in de regeringsgezinde kranten niet vond [19] en die meldde dat niet twee maar alle bakkerijen het mikpunt van de oproerlingen waren geweest [20] . In deze krant treffen we heel wat onheilspellender bewoordingen aan dan in de unionistische pers: Scènes de désordre et de pillage [21] - scènes plus tumultueuses - caractère plus menaçant - rumeurs de la populace plus élevés – peuple dont le nombre grossissait sans cesse – vers le soir, rassemblement formidable [22] .

Journal de Bruges haalde trouwens uit het feit dat een medewerker van de minister van Oorlog speciaal naar Brugge kwam [23] , dat de provinciecommandant de troepen feliciteerde en dat de minister van oorlog het garnizoen van Brugge met een lovend dagorder bedacht en tevens een woord van appreciatie over dit garnizoen tot de koning richtte, het besluit dat dit alles toch wel veel eer zou geweest zijn als de aanleiding hiertoe niets méér was geweest dan le dispersement d’un petit rassemblement de jeunes vagabonds [24] .

In gans het relaas en de commentaren kwam vooral de vraag naar voor: was dit een spontaan oproer geweest of moest hierachter een duistere organiserende macht vermoed worden? Journal de Bruges repte met geen woord over een mogelijke voorbedachtheid: voor deze krant ging het om het spontaan uitbarsten van een al te lang onderdrukte verbittering. De meer regeringsgezinde Nijverheid stelde vragen: Men denkt verschillig over de aard dezer opschudding; men spreekt van gelduitdeeling en de verspreiding van een oproerig geschrift. En was het toch niet eigenaardig voegde ze er aan toe dat men in Gent al daags voordien vertelde dat in Brugge zou geplunderd worden [25] .

Wie, ondanks haar regeringisgezindheid, blijkbaar niet goed wist op welk been te staan was de Nouvelliste des Flandres. Toegeven dat een complot bestond tegen de regering, was vervelend. Aannemen dat de bevolking spontaan rebelleerde tegen een onhoudbaar geworden toestand, was al even moeilijk. Op 3 maart schreef de Nouvelliste: pas la moindre préméditation, maar ’s anderendaags was de toon anders: Il parait certain que la classe ouvrière a été instiguée par les fauteurs de troubles; (…) brochure en flamand distribuée à profusion [26] , (…) dans les rassemblements on a vu des hommes à figure sinistre, qui nous paraissent étrangers à la ville et à la classe ouvrière. Op 5 maart luidde het: le peuple a été excité par des voix au moins très imprudentes. Op 6 maart weer een ander geluid: l’instruction judiciaire prouvera qu’il n’y a eu aucune préméditation. Grote tegenstrijdigheid dus in deze opeenvolgende berichten [27] .

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de verslagen in de verschillende kranten erg verschillend “gekleurd” waren, wat er ons toe verplicht de verschillende versies met omzichtigheid te ontleden, niet alleen om er het zo juist mogelijke verhaal uit te distilleren maar meteen ook om aan iedere gebeurtenis en voorval zijn juiste plaats en betekenis in het geheel te geven.

De geschiedenis van het oproer speelt zich dus, wat betreft de kranten, duidelijk op twee niveaus af: dat van de echtheid van de feiten en dat van de manier waarop de geëngageerde pers deze feiten weergaf (of niet vermeldde) en van commentaar voorzag. Dat de kranten in grote mate de spreekbuis waren van de politieke strekking en van de publieke opinie waartoe ze zelf behoorden, was een gegeven waar ze zich zelf van bewust waren en waarover ze niet nalieten mekaar verwijten toe te sturen.

De oppositiekrant verweet de regeringskrant dat ze de waarheid verzweeg [28] , terwijl ze op haar beurt het verwijt kreeg de onlusten aan te moedigen door er teveel over te berichten [29] . De regeringskranten drongen daarbij herhaaldelijk aan opdat de bevolking van de straat zou wegblijven teneinde de ordehandhaving niet te bemoeilijken [30] , meteen ook om te verhinderen dat er te veel volk bij de gebeurtenissen zou betrokken zijn. De meeste kranten, zelfs sommige antiregeringsgezinde, beschouwden het als een plicht om aan de gebeurtenissen geen of zo weinig mogelijk aandacht te schenken [31] .

2.      De archiefbronnen

We hebben onze studie ook kunnen baseren op verschillende tot hiertoe onbenut gebleven archiefbronnen die toelaten de gebeurtenissen anders en van meer nabij te analyseren.

Als vertrekpunt voor onze opzoekingen namen we het dossier van de stad Brugge, getiteld émeute du 2 mars 1847 [32] . Voor wat de episode op Scheepsdale betreft, konden we ons voornamelijk baseren op de documenten die zich in het archief bevinden van de gemeente Sint-Pieters-op-de-Dijk [33] . In het archief van de provincie West-Vlaanderen vonden we een aantal documenten die een aantal interessante gegevens bevatten over de activiteiten van de gouverneur, van de minister van binnenlandse zaken en van de rijkswacht [34] .

In het bisschoppelijk archief konden we kennis nemen van de originele documenten in verband met het Comité provincial de secours, waarover we het in deze bijdrage zullen hebben [35] . Op het Rijksarchief konden we een paar gerechtelijke dossiers raadplegen, die op de gebeurtenissen een bijkomend licht werpen [36] .

De samenvoeging van deze verschillende dossiers, evenals hun toetsing aan wat door de tijdgenoten werd gepubliceerd in boeken, pamfletten, officiële stukken en kranten, liet ons toe gaandeweg het beeld duidelijker te stellen van een episode in de Brugse geschiedenis die naar ons gevoel een belangrijker impact heeft gehad dan men er tot hiertoe heeft aan toegeschreven.

III

Verhaal van een hongeroproer

1.      Dinsdag 2 maart 1847

13 uur.

Op Dinsdag 2 Maart 1847 was het ongewoon druk op Scheepsdale, de wijk van Sint-Pieters-op-de-Dijk die net buiten de Ezelpoort lag [37] . Heel wat jonge knapen waren van Brugge naar daar afgezakt en liepen er schijnbaar doelloos rond. Stilaan vormde zich een samenscholing voor het huis van bakker Johannes Christiaens [38] .

Christiaens was méér dan een gewone bakker, hij was ook handelaar in granen. Sedert enkele tijd liep het te monde dat hij op de graanprijs speculeerde en hoeveelheden van deze grondstof van eerste behoefte hamsterde, in afwachting van nog hogere prijzen. Dit maakte hem niet bijster populair [39] . Johannes Christiaens (42 jaar) was die namiddag niet thuis, maar waren aanwezig: zijn vrouw Theresia Maene (30 jaar) en de kinderen Henri (8 jaar), Elisa 5 jaar) en Sidonie (7 weken) [40] , alsook Sophie (40 jaar) en Eugeen Christiaens (27 jaar), zus en broer van de eigenaar. Verder waren er ook nog Henri Deley (24 jaar), bakkersknecht en Catherine Van Hulle (35 jaar), dienstmeid.

14 uur

Rond 14 uur stapten drie jonge Bruggelingen de winkel binnen [41] . De meid Catherine kwam voor en één van de knapen bestelde een beschuit. Hij wierp wat centen op de toonbank, maar het bleek onvoldoende, zodat Catherine weigerde het beschuit af te geven [42] . Ze riep ze betalen niet wat ze moeten en liep naar de keuken met de melding de jongens geen meester te zijn. Eugeen Christiaens kwam een kijkje nemen, zag de drie jonge knapen maar stelde vast dat voor de winkel een grote volkstoeloop was. Hij liep meteen weg.

Catherine kwam terug in de winkel, de drie knapen waren naar buiten gestapt en ze deed de deur op slot. Ze zag hoe een samengetroepte menigte tegen de vensters begon te kloppen en bedreigingen uitte. Daarop vluchtte ze naar achter. Ondertussen was het zoontje Henri zijn moeder die in de woonkamer zat, gaan verwittigen: Moeder, ze gaan plunderen. Theresia Maene liep naar de winkel maar het was te laat voor enige tussenkomst: het eerste venster vloog aan diggelen. Onmiddellijk bracht ze haar kinderen bijeen en vluchtte bij de buren. Even later trok ze met een koets (van buurman Ardenois?) naar Brugge.

Eugeen en Sophie Christiaens en de meid Catherine namen eveneens de wijk naar Brugge. Bakkersknecht Deley nam nog even de tijd om naar boven te lopen en door het venster wat klederen voor Eugeen en zichzelf bij de buurman te gooien. Hij gooide ook nog wat vrouwenklederen na, evenals de kazakke van zijn baas. Daarop rende hij naar beneden en vluchtte over de muur.

Exit dus de ganse familie Christiaens, die pas tegen 18 uur terugkwam om de vernieling vast te stellen en de arrondissementscommissaris en de burgemeester van Sint-Pieters te ontvangen, die ter plaatse afstapten [43] .

14.15 uur

Het ijlings vertrek van de bewoners gaf het sein voor een algemene plundering. De deur werd opengebroken en de jongens drongen het eerst naar binnen. Alles werd uit de winkel geroofd en buiten gedragen. Vrouwen kwamen aangelopen en namen de buit in ontvangst. Hiermee hield het niet op en nu waren het volwassen mannen die er zich mee gingen moeien. Enkelen trokken naar de kelder, waar werd geroofd en waar biervaten werden aangestoken. Anderen liepen naar de keuken, roofden een aantal zaken maar brachten geen schade toe. Ook in de overige vertrekken namen ze het een en ander mee, maar lieten het meubilair ongemoeid. De plundering beperkte zich hoofdzakelijk tot de winkel en tot alles wat met de bakkerij te maken had [44] .

Na afloop bleek wat ze hadden meegenomen: een pot smout – twee bollen kaas – een stuk kaas – tien stukken boter – een mand met 100 eieren – een korf met “koekebrood” – mastellen [45] – koeken – gezift brood – wit brood – tarwebrood – masteleinbrood [46] – 4 kg koffiebonen – 4 kg rietsuiker – 24 kg krenten – 2 kg kaneel – 2 kg anijs – 15 kg broodsuiker – 50 kg cichorei – notenmuskaat – twee halve tonnen bier – spekuloos – amandelbrood – beschuit – kandijsuiker – een schotel vlees – zout [47] – suikerkoeken – stijfbloem.

Behalve de eetwaren was ook nog het volgende geroofd: een kaasrecipiënt – een boterrecipiënt – een mand met wol of “saeyette” – koperen en ijzeren gewichten – een koper koffiemolen – 3 kg sodazout – hollandse pijpen – een koffieschaal – 5 kg blauwsel – 10 kg tabak – kaarsen – papier – spaanse zeep – stekjes – naalden – spelden – haken en ogen – een tinnen schotel – een blauwe “surtout” en kledij van de kinderen.

Waren vernield: het slot van de voordeur – vensters en deuren – de winkeltoog – glazen en huisgerief – gescheurde gordijnen, enz [48] .

Plundering en vernieling konden een ganse tijd ongestoord doorgaan, want niemand kwam tussen om ze te verhinderen. Napoleon Kellner [49] , de plaatselijke veldwachter, kwam aangelopen maar vreesde voor zijn leven indien hij het waagde tussen te komen. Hij bleef op eerbiedige afstand alles gadeslaan [50] en noteerde de namen van en paar daders die hem niet onbekend waren: de “Schuiffelaar [51] ”, de “Zot [52] ”, zoon van een blindeman uit de Klaverstraat en een ex-soldaat die bekend stond als leurder in “sulfers” en die het jaar voordien gewerkt had aan de bouw van de gasfabriek op Scheepsdale [53] .

15 uur

Ondertussen was iemand in volle haast naar het Burgplein gelopen om bij de Brugse politie om assistentie te vragen [54] . De commissaris van dienst trok onmiddellijk het gerechtsgebouw binnen teneinde het Parket te waarschuwen. Een aanwezige substituut tekende een dubbel marsbevel: één voor de rijkswacht en één voor het leger. Een vlugge koerier ging die onmiddellijk afleveren aan de Predikherenrei en in de Langestraat.

Op hetzelfde ogenblik was iemand anders (wellicht een ander lid van de familie Christiaens) de rijkswacht al gaan inlichten. Luitenant Boyaert [55] riep Il n’y a pas un instant à perdre, gaf opdracht een bericht te sturen naar de militaire en burgerlijke overheid, sprong te paard, hierin gevolgd door acht van zijn rijkswachters, en rende spoorslags naar Scheepsdale [56] . Het voorbij hollende detachement bleef natuurlijk niet onopgemerkt en een aantal nieuwsgierigen begon richting Sint-Pieters op te stappen.

15.15 uur

De rijkswachters verschenen op Scheepsdale. Het was hoogtijd want de samengeschoolde massa was de plunderaars aan het ophitsen om het huis in brand te steken [57] . Hun aankomst stelde een einde aan de plundering en de daders verdwenen onder de menigte. Niemand werd aangehouden. De massa bleek evenwel moeilijk uit elkaar te drijven of uit de onmiddellijke buurt te krijgen. De rijkswacht moest zich beperken tot het vrijwaren van de eigendom.

Anderhalf uur lang keek Boyaert vruchteloos uit naar enige versterking of naar enig teken van leven vanwege de plaatselijke overheid: personne ne se présenta [58] .

16.45 uur

Eindelijk verscheen Kolonel Van den Bussche [59] , aan het hoofd van een eskadron kurassiers en van een compagnie van het 7de linieregiment. Nu kon ernstig gewerkt worden. Eerst werd de weg aan de ezelpoort versperd om verdere toevoer van nieuwsgierige Bruggelingen te verhinderen. Vervolgens werd gechargeerd en werd het volk op Scheepsdale binnen de stadspoort teruggedreven. Op korte tijd was de samenscholing verdwenen.

Enkele kurassiers bleven ter plaatse en brachten er, samen met een paar rijkswachters, de nacht door. Het oproer op Sint-Pieters was ten einde [60] . Het was nu de beurt aan Brugge.

17 uur

Een niet onbelangrijk aantal mensen – waaronder de plunderaars – werd dus binnen de stad gedreven en kwam er de massa vervoegen die, na de afsluiting van de Ezelpoort, vanop de vestingen het verloop van de gebeurtenissen was blijven volgen. Men bleef rond de Ezelpoort hangen en de gebeurtenissen werden druk besproken. Stilaan viel de duisternis in. Werd hiervan door enkele opruiers gebruik gemaakt? In ieder geval begon het volk zich in beweging te zetten en trok het de Ezelstraat in.

Men kwam er voorbij de bakkerij van Karel Plasschaert en het onvermijdelijke gebeurde. Vanuit de menigte werden stenen gegooid en moesten de ruiten eraan geloven. Politiecommissaris De Jonghe bevond zich ter plaatse en herkende in één van de bendeleiders de zestienjarige Jan Verbeke, bijgenaamd de “Schuiffelaere”, afkomstig uit Gits, die in Brugge gelogeerd was in de Boudewijn-Ravestraat bij de weduwe De Cloedt. De jonge man was als één van de aanstokers gesignaleerd van de plundering op Scheepsdale en maakte aanstalten om verder de bende aan te voeren.

Commissaris De Jonghe wilde Verbeke arresteren en vatte hem bij de kraag. Hij werd evenwel direct omringd door een dreigende menigte en werd gedwongen de kerel te laten lopen, terwijl hij tevens een paar rake klappen kreeg en ijlings de wijk moest nemen. Men bleef maar rond de bakkerij Plasschaert hangen, totdat even voor 19 uur leger en rijkswacht het welletjes vonden en chargeerden: de Ezelstraat werd leeg geveegd.

19 uur

In de volledige duisternis die nu was ingetreden – de straatverlichting was niet aangestoken – liep de massa verder door tot op de Markt. Hier werden de ruiten van de tabakswinkel Bogaert [61] ingegooid. Vandaar ging het langs de Steenstraat naar het Simon-Stevinplein, waar de ruiten bij bakker Felix Ryckbost werden ingegooid. Opnieuw dreven kurassiers bij herhaling de massa uiteen. Het chargeren gebeurde met enige nervositeit, zodat op het Simon-Stevinplein drie ruiters van hun paard tuimelden [62] . Alles gebeurde nochtans zonder gekwetsten te moeten betreuren.

20 uur

Zodra de orde op één plaats hersteld was, begon het elders te roeren, weldra op verschillende plaatsen tegelijk. Zo werden samenscholingen gemeld in de Langestraat bij bakker Blanckaert en aan de Potterierei bij bakker Pieter Cierkens. Om aan plundering te ontsnappen verkozen de bakkers al het brood dat ze in voorraad hadden uit te delen. Bij Cierkens kwam een onbekende binnengestapt die gewoon een brood van anderhalve kg meenam. Een vijftigtal anderen volgde zijn voorbeeld en liever dan geplunderd te worden, deelde de bakker alles uit wat hij in voorraad had: brood, beschuit, koeken, enz.

Ook bij het Bedelaarswerkhuis werd een volkstoeloop gemeld, terwijl het binnen in het werkhuis ook rumoerig werd [63] .

20.30 uur

In periodes van volle maan werd door het zuinig stadsbestuur de straatverlichting niet aangestoken. De hemel bleef evenwel erg bewolkt, terwijl winkels en drankgelegenheden als gevolg van het oproer alle lichten hadden gedoofd. Men riep dan ook inderhaast de lantaarnontstekers op, zodat weldra de ene straat na de andere verlichting kreeg.

21.30 uur

Nog was het oproer niet ten einde. Nu was het de beurt aan François Leleu in de Westmeers: ook bij hem vlogen de ruiten aan stukken. In de Katelijnestraat ontstond een samenscholing voor de bakkerij van Louis Van Biesebrouck. Daar werd één van de leiders aangehouden, de achttienjarige Pieter De Ketelaere uit de Bollaerdstraat, ondanks zijn beweringen van onschuld: men vond hem drager van een grote steen. Ook slaagde men er ditmaal in de jonge Jan Verbeke te arresteren. Volgens de kranten werden ook nog twee andere straatjongens aangehouden.

22 uur

Voortaan werden geen samenscholingen meer gemeld.

23.30 uur

De ingezette garnizoensoldaten trokken naar hun kazernes terug. De lantarens bleven de ganse nacht branden.

2.      Woensdag 3 maart 1847

Voormiddag

Vanaf 8 uur was er nogal wat animatie van samenscholende mensen, vooral voor de bakkerijen [64] . Men vreesde opnieuw rellen op Sint-Pieters en een detachement kurassiers vatte past aan de Dampoort [65] . Een aantal jonge mannen arriveerden van buiten de stad – het was die dag “loting”  voor de legerdienst – wat voor extra beweging zorgde [66] .

De dubbele wachten van garnizoensoldaten bleven op talrijke plaatsen opgesteld. De binnenkoer van de Hallen werd ingenomen door de kurassiers die er paraat stonden met gezadelde paarden. Door de verschillende stadswijken trokken bestendig patrouilles [67] .

14 uur

Vanaf 14 uur herbegon het oproer, klaarblijkelijk met méér animo en met een schijn van toegenomen organisatie in vergelijking met de dag voordien.

Groepjes liepen in de verschillende wijken systematisch bij alle bakkers binnen en namen er al het brood mee. Eén bakkerij werd kort en klein geslagen, die van bakker Van de Pitte in de Zevensterrenstraat. De menigte slaakte onheilspellende kreten. De woeligste taferelen deden zich voor op Sint-Gillis aan de “Vijfhoek”. Verschillende arrestaties werden er verricht, waaronder die van een beschonken vrouw [68] .

De straten waar zich samenscholingen voordeden werden door de kurassiers in looppas bestormd, maar de uiteengeslagen menigte hergroepeerde zich telkens weer op andere plaatsen [69] .

Kleine groepjes van drie of vier man maakten van het woelige klimaat gebruik om op eigen houtje op bedeltocht te trekken en de voorbijgangers te bedreigen. Eén zo een groepje bestond uit vier kolendragers die ongewassen en met de koolschop in de hand de burgers de schrik op het lijf joegen [70] .

17 uur

De markt werd opnieuw het verzamelpunt. Op het uur dat de arbeiders van hun werk terug kwamen, werd het een enorme toeloop. Een dronken loteling nam de leiding van een bende die via de Vlamingstraat naar de Academiestraat trok, opnieuw om er een bakkerij aan te vallen [71] .

Men vernam ook – zonder de daders te kunnen vinden – dat sabotage zou gepleegd zijn aan de spoorweg: een rail zou verplaatst zijn geworden [72] .

18 uur

Op de Markt verscheen plots een kleine groep: schepen Philippe Verhulst en de hoofdcommissaris [73] , omringd door sergeanten van politie en begeleid door fakkeldragers. Na tromgeroffel werd de beslissing uitgeroepen waarbij iedere samenscholing van meer dan vijf personen verboden werd [74] . Onmiddellijk begonnen de kurassiers te paard met het chargeren van de menigte, die ze na geruime tijd uit mekaar konden drijven.

Tijdens de verschillende acties werden 21 personen aangehouden: 13 par mesure de police, 6 wegens bedelen met geweld en bedreigingen en 2 wegens gejouw [75] .

Hiermee was de orde hersteld. In de daarop volgende dagen werden geen alarmerende incidenten meer gesignaleerd [76] .

In augustus werd de instructie tegen de aangehouden oproermakers afgesloten en werden vijftien betichten naar het Hof van Assisen verwezen [77] . Zeven andere waren ondertussen begin april al tot gevangenisstraffen van veertien dagen tot een maand veroordeeld [78] .

3.      Voor en na 2 en 3 maart

Het is duidelijk dat een oproer zoals dat van 2 en 3 maart 1847, zelfs als men er een grote mate van spontaneïteit in wou herkennen, niet zomaar kon tot stand komen en evenmin bij toverslag kon verdwijnen.

Heel wat kleinere, geïsoleerde feiten waren er de voorbode van geweest, vooral dan op het stuk van ruitenbrekerij bij de bakkers, met de erbij horen brooddiefstal. In januari waren de ruiten ingegooid bij bakker Maertens op de Eiermarkt, in de Breydelstraat bij de zoetekoekbakkers François Hardy en Pieter Benninck (2 maal!) en in de Wollestraat bij bakker Louis Rooryck. In februari bij niet nader genoemde bakkers in de Katelijnestraat, in de Langestraat en op het Simon-Stevinplein en verder bij bakker De Schrijver in de Steenstraat, nogmaals bij Hardy in de Breydelstraat en bij Ballet in de Vlamingstraat [79] .

Al deze inbraken en kleine diefstallen waren het werk van bedelaars die van buiten de stad kwamen en die bijna steeds ter plekke werden aangehouden en ingerekend. Ze opereerden immers bij klaarlichte dag, meestal met de bedoeling te worden aangehouden pour manger le pain de la prison [80] . De politie tekende meestal als verklaring op dat hij de diefstal heeft gepleegd om aangehouden te worden, als zijnde zonder enigste middel van bestaan [81] .

Deze verschillende oproerige feitjes werden klaarblijkelijk niet erg zwaar opgenomen. In de kranten werden zelfs grapjes gemaakt over de goede zaken die de ruitenmakers wel moesten doen [82] .

Alles doet veronderstellen dat het stadsbestuur dit als onvermijdelijke incidenten beschouwde. Men was hieraan trouwens sedert 1845 min of meer gewoon geraakt.

Oproerige kreten of biljetten die in dezelfde periode voorkwamen, werden al evenmin ernstig opgenomen. Op 9 februari had de éénarmige Pieter Simon de stad doorkruist met een zwarte vlag, had die in de sneeuw geplant op de Markt en geroepen Leven of dood. Hij werd natuurlijk aangehouden, maar veel belang werd aan zijn daad niet gehecht. Hij was dronken, was d’une inconduite reconnue en vooral werd er de nadruk op gelegd dat het om een fait isolé ging [83] .

Enkele weken na het hongeroproer van 2 en 3 maart, maakte Journal de Bruges melding van des billets écrits à la main, contenant des menaces affreuses, die onder heel wat deuren waren geschoven en ook hier en daar waren uitgeplakt [84] . Het stadsbestuur vond die biljetten weinig belangrijk. Aan de provinciecommandant die er over gelezen had in de krant en er navraag naar deed werd geantwoord: Nous y avons attaché si peu d’importance que nous n’avons pas cru en devoir faire l’objet d’un rapport à l’autorité civile supérieure [85] .

Het oproerig biljet van begin april viel samen met een nieuwe aanzienlijke verhoging van de prijzen van tarwe en rogge, wat opnieuw aanleiding kon zijn tot ongeregeldheden en oproer. Het stadsbestuur was hiervoor meer op zijn hoede dan voor biljetten en verzocht leger en rijkswacht om vanaf maandag 12 april voorbereid te zijn op mogelijke interventies. Alles bleef evenwel rustig, althans in Brugge [86] .

Minder rustig was het diezelfde dag in het Noorden, in Heist en Westkapelle. Daar ging het niet om een hongeroproer maar om een echte alhoewel kortstondige arbeidersstaking uit protest tegen de te lage lonen [87] .

Een paar weken later, op 3 mei, was het opnieuw onrustig in Brugge: weer waren er opstootjes voor sommige bakkerijen, wat er het stadsbestuur toe bracht leger- en rijkswachtoverheid te verwittigen qu’il existe quelque fermentation dans les classes pauvres [88] . Alles bleef echter opnieuw binnen redelijke perken. De hele maand mei bleef het onrustig, bij zoverre dat tot tweemaal toe de gouverneur de stad aanmaande om alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen, in afspraak met leger en parket [89] .

Een element van onrust tijdens gans de periode, waren de bedelaarsbenden die vanuit de omringende dorpen regelmatig de stad binnenvielen. De hulp van de rijkswacht werd ingeroepen en in een rapport lezen we dat talrijke benden door haar werden uitgedreven. Vooral op de Steenbrugse wandeling werden de bedelaars opgepakt en naar Oostkamp of zelfs verder begeleid. Dit was evenwel in grote mate nutteloos, de benden doken telkens weer op met de bedoeling te worden aangehouden en tenminste in de gevangenis voedsel te vinden. Ook dit ging evenwel niet door, want de procureur liet de aangehouden bedelaars telkens weer in vrijheid stellen. Het was dus een steeds opnieuw herbeginnen [90] .

De bedelaars bleven maar terug komen en de stad onrustig, zoniet onveilig houden. In grote mate ging het om kinderen, die de voorbijgangers op straat lastig vielen [91] . Wanneer de lente aanbrak bleven veel bedelaars gewoon onder de blote hemel slapen. De politie hield regelmatig razzia’s: begin mei werden op één nacht niet minder dan 74 dompelaars opgepakt en ingerekend [92] . Er bleef de stad dan ook geen ander middel over dan bestendige politiewacht op te stellen aan de stadspoorten, om aan alle bedelaars de toegang tot de stad te ontzeggen [93] .

Tenslotte, en dit brengt ons terug bij de oproerige biljetten, werd in de nacht van 29 op 30 juli 1847 een geschrift rondgestrooid met volgende tekst: In de wapens brugsche burgerie – laat ons het jok maer alte lang gedregen afwerpen. Laet ons vooral de graenkopers, dood slaen plunteren, zoals Meulemeester, Rolleghem, Dewulf, bakkers, Vos bankier en Famechon Oudenburgstraat, Piessens taffin, Fourny en meer andere [94] die op den dag van vergadring vastgesteld op Maandag 2 Augusty ten 9 uren ’s avonds aan de Kopurebrug u zal worden bekend gemaekt. Er zal geld en wapens uitgedeelt worden. Eenige officieren en soldaten zijn omgekogt. Laat ons dood slaen – en bas de regentie [95] .

Wat deed hierop het stadsbestuur? Het lichtte de gouverneur in, de administrateur van de staatsveiligheid en de provinciecommandant. Met deze laatste werd afgesproken dat alle troepen van het garnizoen geconsigneerd zouden blijven van maandag 2 augustus om 16 uur tot ’s anderendaags [96] . Het belette niet dat burgemeester en schepenen opnieuw deze biljetten niet ernstig opnamen. Nous n’attachons aucune importance à cet écrit séditieux schreven ze, er aan toevoegend dat maatregelen waren genomen pour réprimer toute tentative de désordre si contre notre attente, elle avait lieu [97] .

Hoewel tijdens gans de periode van acute crisis, de onrust in Brugge bleef aanhouden, schijnt het stadsbestuur nooit gevreesd te hebben voor evoluties die het niet de baas zou kunnen blijven. Elk feit werd als een geïsoleerd gegeven beschouwd en ook behandeld.

4.      Epiloog

Bij de opening van de gewone zittijd van de provinciale raad kon gouverneur Felix de Mûelenaere [98] aldus zijn gevoelens over het verloop van de gebeurtenissen uitdrukken: L’histoire offre peu d’exemples d’un pays en proie à des maux plus déchirants. Et cependant, Messieurs, ce peuple décimé par la faim, la misère et l’épidémie, a fait preuve d’un admirable courage et d’une respectueuse soumission aux lois. Sur aucun point de cette province, l’ordre public n’a été sérieusement compromis. Si la résignation dans le cours ordinaire de la vie est une vertu chrétienne, c’est presque le nom d’héroïsme qu’il faut lui donner dans ces temps de rude épreuve et d’accablante adversité [99] .

IV

Het oproer intomen en verdere ongeregeldheden voorkomen

Het oproer van 2 en 3 maart in het kalme Brugge, dat hierdoor voor het ganse land als een slecht voorbeeld kwam te staan, was zonder twijfel een onaangename verrassing voor de verantwoordelijken. Men mocht dan nog overtuigd zijn dat het om een spontane manifestatie ging, het bleef een feit dat de massa zowel de eerste als de tweede dag gedurende verscheidene uren praktisch meester van de straat was. Alle gebeurtenissen op een rijtje gezet, was de toestand zeker veel ernstiger dan sommige kranten aan hun lezers hadden voorgehouden.

Anderzijds bleef men toch ver af van de bloedige onlusten die de augustus- en septemberdagen van 1830 hadden getekend en zelfs van het oproer van oktober 1830: er waren doden noch gewonden te betreuren, men had geen personen aangevallen, er waren geen aanwijzingen dat een opruiersbende het oproer zou hebben gepland en geleid. Het bleef dus bij een spontane uiting van verbittering over de steeds erger worden voedselcrisis.

Het belette niet dat dit oproer als een ernstig alarmsignaal werd beschouwd en dat talrijke middelen werden aangewend om de toestand weer onder volledige controle te krijgen. We zullen ze hierna beknopt analyseren.

1.      Middelen om het oproer de kop in te drukken

Het eerste en voornaamste dat vanaf de middag van 2 maart diende te gebeuren was de uitbreiding van het oproer te voorkomen en er zo spoedig mogelijk een einde aan te stellen. Snel en doeltreffend ingrijpen, zo luidde de boodschap. Daarvoor beschikte de overheid over een ganse reeks middelen die zonder uitstel werden aangewend.

a)      de politieverordeningen

Al de avond van 2 maart werd een eerste proclamatie tot de bevolking gericht door de dienstdoende burgemeester Philippe Verhulst [100] : het was een plechtige oproep tot kalmte en een waarschuwing dat de overheid geen herhaling van de incidenten zou dulden.

Dit was tevergeefs, zodat op 3 maart in de avond een tweede proclamatie een onmiddellijk verbod van samenscholing van meer dan vijf personen uitvaardigde [101] .

b)      de gemeentelijke politie

De stedelijke politiemacht was niet zeer uitgebreid. Ze bestond uit 3 commissarissen en 15 politiesergeanten (de zogenaamde schadebeletters), 40 stedelijke wachten onder de leiding van een luitenant en 50 nachtwakers. Ze werden maximaal ingezet. De commissarissen brachten bij herhaling verslag uit bij de burgemeester [102] en verzekerden een bestendige wachtdienst op het stadhuis [103] .

c)      het leger

In het verhaal over het oproer heeft men kunnen vaststellen dat op relatief korte tijd legereenheden konden worden ingezet. Het volstond dat de procureur des konings hiertoe bevel gaf [104] .

Ook het stadsbestuur handelde rechtstreeks met de militaire overheid en verzocht al in de namiddag van 2 maart om de volgende maatregelen: consignatie van de troepen – verdubbeling van de effectieven aan de wachtpost op de Markt, aan de gevangenis en aan het bedelaarswerkhuis – wachten aan alle poorten van de stad [105] .

Dit dispositief werd slechts een paar dagen aangehouden. Al op 5 maart liet de plaatscommandant weten dat de rustige toestand, evenals de vermoeidheid van de soldaten, tot inkrimping van de wachtposten aanleiding gaven [106] .

Ondertussen was het grootste deel van de ordehandhaving en van het uit elkaar drijven van de oproerige benden door het leger gebeurd, vooral door kurassiers die eenheden te paard konden inzetten. Het legercommando was duidelijk tevreden over haar rol bij de beteugeling van het oproer. De dagorders die hierover handelden werden (met opzet?) in dramatiserende stijl opgesteld.

Eerst was er die van de provinciecommandant generaal Pletinckx [107] : des désordres graves ont éclaté, les droits sacrés de la propriété ont été violés… vous avez préservé la ville de désordres incalculables en met voldoening werd vastgesteld dat hierdoor andermaal het nut van het leger was aangetoond: vous avez protesté par des faits de l’utilité d’une bonne armée [108] .

Vervolgens kwam een dagorder van minister van Oorlog A. Prisse [109] zelf, waarin hij de hoogste lof over had voor het 7de linieregiment en voor het eerste regiment kurassiers, die de orde in Brugge hadden hersteld en waarin hij meedeelde – hetgeen als een uitzonderlijke eer moest beschouwd worden – dat hij deze elitetroepen onder de speciale aandacht van de Koning had gebracht [110] .

d)      de Rijkswacht

Ook de rijkswacht speelde een belangrijke rol [111] . De plundering in Sint-Pieters werd daar haar aangepakt. Een onbekende burger kwam de kazerne binnen gelopen om een oproer te signaleren en hop! enkele minuten later zaten de rijkswachters in het zadel.

Ook bij de verdere evolutie van het oproer bleven ze in de voorste gelederen. Tot laat in de avond van die eerste dag stonden ze op de bres. Pas om middernacht zette luitenant Boyaert zich aan tafel om zijn rapport voor de gouverneur op te stellen [112] .

Hun aandeel was zo belangrijk dat het schepencollege op 9 maart aan de bevelhebber dankwoorden stuurde voor dit korps qui s’est particulièrement distinguée et (don’t) la conduite a été digne des plus grands éloges [113] .

e)      de Burgerwacht

Op 4 maart besliste het schepencollege, op suggestie van de gouverneur [114] beroep te doen op de garde civique. Het oproer was toen al achter de rug en deze oproeping bleef dan ook zonder practisch gevolg.

De schamele restanten van de onpopulaire Burgerwacht zouden trouwens weinig nuttige dienst hebben kunnen bewijzen [115] .

f)        de hoofdmannen en de secties

Al bij het eerste oproer besliste het schepencollege de aloude maar in onbruik geraakte wijkorganisaties terug op te richten. Voor elk van de secties, nog steeds gebaseerd op de middeleeuwse indeling in sestendelen, werd een hoofdman aangesteld [116] en reeds op 4 maart in de voormiddag had op het stadhuis de eerste vergadering plaats waarop de hoofdmannen het controlenet voor hun sectie moesten op punt stellen [117] . Nog dezelfde dag om 15 uur riep elke hoofdman een vergadering van onderhoofdmannen bijeen [118] .

s’ Anderendaags om 10 uur had op het stadhuis een nieuwe vergadering plaats van de hoofdmannen [119] en op zondag 7 maart werd per sectie vergaderd [120] .

Of het om een tijdelijke opflakkering ging van de secties, dan wel of er voor langere tijd opnieuw beroep werd gedaan op deze vorm van omkadering en controle per wijk en per straat, konden we vooralsnog niet uitmaken.

g)      het Bureel van Weldadigheid

De meest opvallende maatregel was wel het inschakelen van het Bureel van Weldadigheid dat op 4 maart de opdracht kreeg van het stadsbestuur om al zijn verantwoordelijken, elk in hun sectie, op pad te sturen pour ordonner aux pauvres de s’abstenir de prendre part à aucun rassemblement ou à aucune manifestation qui serait de nature à porter atteinte à la tranquilité publique et pour lui faire comprendre en même temps que ceux qui se seraient compromis, seront impitoyablement rayés de la liste de secours. De brief eindigde met de zin: Nous attendons les meilleurs résultats de cette mesure.

Een wijziging op de minuut van de brief van de stad toont aan welke vastberadenheid men in de uitvoering van deze opdracht verwachtte. De oorspronkelijke tekst luidde: pour faire comprendre aux pauvres, maar dit werd geschrapt en vervangen door: pour ordonner aux pauvres [121] .

Een artikel in De Nijverheid leert ons welke argumenten er zo al konden aangevoerd worden om aan de arme bevolking aan te tonen dat elke vorm van opstand nutteloos was en zich alleen maar tegen henzelf zou keren: de prijs van het brood zou er niet door dalen – de prijs van de granen evenmin – de aalmoezen zouden er niet door aangemoedigd worden, integendeel – ambachten en neringen zouden er onder lijden, met als gevolg nog meer armoede – de regering zou er niet door omver geworpen worden maar integendeel nog strenger optreden [122] . De Nouvelliste voegde er nog een paar argumenten aan toe: de bakkers zouden geen brood meer bakken uit vrees voor plunderingen en de boeren zouden geen graan meer durven naar de markt brengen [123] .

Men zal niet ver van de waarheid zijn door te veronderstellen dat deze bijzondere activiteit van de armenmeesters een grote, wellicht beslissende invloed had op het snel stopzetten van het oproer. Het initiatief voor deze maatregel kwam van gouverneur de Mûelenaere die dit met merkbare voldoening aan eerste minister de Theux liet weten [124] .

h)      een vorm van “crisiscentrum”

Bij het analyseren van de gebeurtenissen kan men zich afvragen indien er een georganiseerd soort hoofdkwartier heeft bestaan, waar beslissingen door de verschillende betrokken overheden in gemeen overleg werden genomen. Wellicht was het oproer te kortstondig om zoiets op grondige wijze te organiseren, maar het overleg is zeker verder gegaan dan het alleen maar uitvoeren van parallelle acties.

Een vaststelling hierbij is dat sommige hoofdverantwoordelijken uit de stad afwezig waren tijdens de oproerdagen en de beslissingen dienden te worden genomen door hun plaatsvervangers.

Dit was in de eerste plaats voor de stad Brugge het geval. Burgemeester de Pelichy [125] bevond zich in Brussel in zijn hoedanigheid van senator en keerde pas op 4 maart ’s avonds terug. Het was schepen Verhulst, die als dienstdoende burgemeester de beslissingen uitvaardigde [126] .

Ook de rechterlijke macht werkte met een dienstdoende procureur, substituut J. Verplancke [127] . De procureur des konings Jean Maertens [128] verbleef eveneens in Brussel, waar hij als kamerlid zetelde, net zoals de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Charles Coppieters – Stochove [129] . Het hoofd van de militaire macht, generaal Pletinckx was ook afwezig en was pas op 3 maart terug in de stad [130] . Het waren dus in ieder geval méér de instellingen en korpsen, eerder dan krachtige individuen, die het oproer te keer gingen.

Wie wél op 2 en 3 maart in Brugge aanwezig was, was provinciegouverneur Felix de Mûelenaere. Ook hij oefende cumuls uit, zoals die toen nog mogelijk waren, aangezien hij naast gouverneur, ook Kamerlid was (als afgevaardigde voor het arrondissement Kortrijk) en daarbij nog lid van het ministerie de Theux – Malou, als minister zonder portefeuille. Ook hij had tijdens die dagen normaal in Brussel moeten zijn, maar eerder bij toeval was hij in Brugge gebleven.

De talrijke brieven die vanuit het provinciaal bestuur naar de stedelijke autoriteiten werden gestuurd en die meestal door de Mûelenaere ondertekend waren, alsook zijn drukke briefwisseling met de Theux, tonen aan dat hij de zaken op de voet volgde [131] . Hij deed zelfs méér: onder zijn voorzitterschap had op het middaguur van 3 maart een bijeenkomst plaats in zijn residentie. Vertegenwoordigers van de militaire overheid, het schepencollege en het parket waren hierop aanwezig. De te nemen maatregelen werden besproken en verschillende initiatieven (met name het samenscholingsverbod, de actie van de armenmeesters, het oproepen van de burgerwacht) kwamen uit deze bijeenkomst voort.

Twee dagen later werd een tweede bijeenkomst gehouden, waarop een vleugeladjudant van de minister van Oorlog aanwezig was en waarop ongetwijfeld alle aspecten van het ondertussen overwonnen oproer besproken werden [132] . Het stadsbestuur beklemtoonde trouwens de samenwerking toen het schreef: Il ne fallut rien moins que l’accord parfait et l’énergie de toutes les autorités pour comprimer l’émeute [133] .

Men mag dus in zekere zin spreken van een “crisiscentrum” of althans van een vorm van overleg waarbij alle betrokken verantwoordelijken zich samen rond de tafel bevonden teneinde hun respectievelijke activiteiten te coördineren en op elkaar af te stemmen. Ook dit zal ongetwijfeld tot het spoedig overwinnen van het oproer hebben bijgedragen.

2.      Maatregelen om verdere rellen te voorkomen

De toegepaste methodes om het oproer de kop in te drukken waren, zoals men heeft kunnen vaststellen, voldoende en succesvol. Het kwam er vervolgens op aan herhaling te voorkomen, want men had toch erg de schrik te pakken gekregen. Men bleef waakzaam en bij elk alarm werd het garnizoen geconsigneerd, de staatsveiligheid verwittigd en de plaatselijke politie in paraatheid gebracht.

In deze lijn lag de brief die de dienstdoende procureur des konings, in opdracht van de minister van binnenlandse zaken, op 5 maart 1847 richtte tot alle officieren van politie in het arrondissement [134] . Daarin maande hij ze aan om met verdobbelden iever en neerstigheid alle opruiende taal en aanspraken van het volk te verbieden en ophitsende geschriften in beslag te nemen. Ze moesten ook speciale controle houden over personen vreemd aan het gebied en moesten elk gerucht dat ze opvingen meteen aan de procureur meedelen.

De oplossing op langere termijn lag evenwel elders, met name in het lenigen van de grootste nood en dit werd dan ook met onverminderde ijver nagestreefd. De geleverde inspanningen lagen op het vlak van de prijzencontrole, de regulering van de graan- en vleesmarkten en het ter beschikking stellen van voedselvoorraden. Grote aandacht ging verder naar de caritatieve hulpverlening en kwam vanuit vier verschillende en mekaar aanvullende richtingen: de particuliere initiatieven, de bisschop en zijn commission centrale, het Bureel van weldadigheid en (onder meer met regeringstoelagen) het stadsbestuur. daarbij kwamen ook de inspanningen van de openbare besturen om door middel van uitzonderlijke openbare werken een groter activiteitenvolume te scheppen ten behoeve van de arbeiders.

Dit alles spreidde zich uiteraard uit over een langere periode dan die van het crisismoment dat wij rond het oproer van 2 en 3 maart 1847 analyseren. Indien we ons hier beperken tot wat tijdens of rond deze cruciale periode werd beslist, dan is het omdat wij menen te kunnen aantonen dat het Brugse oproer een belangrijke invloed had, zowel op nationaal als op plaatselijk niveau.

a)      Controle op de prijzen van levensmiddelen, vooral van brood

Zodra het Brugse oproer was uitgebroken, benadrukte de procureur de taak van de politie dienaangaande: Ter gelegenheid van den hoogen prijs der eetwaren, is het eene plicht van met de grootste aandagt naer te speuren de bedriegelijke middels die zouden konnen werkstellig gemaakt worden met oogwit van de levensmiddelen op dezen prijs te houden of denzelve nog te doen verhoogen [135] . Dit sloeg dan in de eerste plaats op de prijs, het gewicht en de kwaliteit van het brood.

De prijs van de verschillende broodsoorten was onderworpen aan reglementering en werd in ieder gemeente vastgesteld op basis van de graanprijzen op de locale markt. In de kranten was er heel wat te doen over woekerpraktijken, waarbij de officiële prijzen niet werden gevolgd of waarbij fraude gepleegd werd op de kwaliteit van het brood. Dit heeft evenwel in Brugge geen aanleiding gegeven tot het vaststellen van talrijke overtredingen. In de politiedossiers vonden we hierover voor deze periode weinig terug [136] .

Eenmaal werd in de pers melding gemaakt van een politieonderzoek op het gewicht van het brood, waarbij één bakker in overtreding was genomen [137] .

b)      Beïnvloeden van de marktprijzen

Het lag voor de hand dat de overheid alles in het werk zou stellen om de prijs van de granen en van andere grondstoffen en voedingswaren zo laag mogelijk te houden. Vanaf 1845 had de regering het voorbeeld getoond door de vrije invoer te beslissen van alle basisproducten voor de voeding (tarwe, rogge, boekweit, maïs, bonen, wikke, erwten, haver, gort, gerst, zetmeel, aardappelen, vermicelli, macaroni, griesmeel en rijst) en uitvoerverbod uit te vaardigen voor aardappelen en boekweit [138] .

Naarmate de crisis uitbreiding nam werden nieuwe maatregelen genomen, of vroegere maatregelen verlengd. Zo had men begin 1847 de vrije invoer beslist voor bloem en meel [139] en had men de uitvoer van brood verboden [140] .

Het is evenwel opvallend hoe in de maand maart 1847 op versnelde wijze beslissingen werden genomen die tot doel hadden de markten te bevoorraden en de prijzen te beïnvloeden.

Op 6 maart besliste de minister van openbare werken dat de ingevoerde granen voortaan gratis met het spoor zouden vervoerd worden. De tonnage van gratis vervoerde goederen steef hierdoor van 58 ton in januari en 52 ton in februari 1847 naar respectievelijk 4.125, 7.325, 10.175 en 11.940 Ton in maart, april, mei en juni 1847. Deze spectaculaire maatregel kostte aan de schatkist 300.000 Fr [141] .

Op 7 maart werd bij Koninklijk besluit de vrije invoer toegestaan van alle vee [142] en op 13 maart volgde de vrije invoer van alle vlees, ook gedroogd, gerookt of gezouten [143] .

Er werd nog drastischer ingegrepen: tot februari 1847 had de regering nog niet de stap gezet om zelf direct op de markt van de voedingswaren in te grijpen. Ze deed het vanaf maart, door grote hoeveelheden voedingsproducten uit het buitenland in te voeren: op benaarstiging van de gouverneur van Antwerpen werd 2.000 Ton goederen voor een waarde van 800.000 Fr. aangekocht en tegen vaste prijzen in de distributie gebracht [144] .

Ook nog in maart werd de wet op de vrije invoer van granen en grutten verlengd [145] . Door een nieuwe wet werd vrijstelling van rechten verleend bij de invoer per schip van voedingsproducten en werd verbod opgelegd om nog aardappelen en aardappelmeel te gebruiken in de distilleerderijen [146] .

Deze opsomming, die niet limitatief is, toont duidelijk aan dat een versnelling in het nemen van beslissingen samenviel met de oproerige gebeurtenissen van begin maart.

Ook in de volgende maanden zouden nog belangrijke beslissingen genomen worden [147] . Hierbij valt niet alleen het aantal en de draagwijdte van de beslissingen op, maar ook de aard ervan. Er moesten heel wat principiële stellingen overwonnen worden om af te breken met protectionistische gewoonten en vooral om af te wijken van de niet-interventionistische credos.

Alleen het besef dat de toestand dramatische wendingen aan het nemen was, kon hiertoe doen besluiten [148] . Het stadsbestuur van Brugge had wellicht niet overdreven toen het de dag van het oproer schreef: Il faut opposer une digue à la marche toujours envahissante d’un fléau qui menace de nous engloutir [149] . In ieder geval had ook hier het oproer een niet te onderschatten onthullend effect gehad.

De geleverde inspanningen vanwege de nationale instanties waren evenwel onvoldoende om o.m. de speculatie en de sterke prijsstijgingen van de granen tegen te gaan. Verscheidene gemeenten, waaronder Brugge, grepen in om de speculatie verder in te tomen en door dirigistische tussenkomsten de prijs van de granen – en dus van het brood – op zo draaglijk mogelijke niveaus te houden. Dit ging nauw samen met de interventies voor broodbevoorrading aan de armen tegen gesubsidieerde prijs. We behandelen beide aspecten na elkaar in een volgend hoofdstuk.

c)      Overheidsmaatregelen voor werkverschaffing

De tussenkomst van de overheid beperkte zich niet tot prijsregelende interventies. De overtuiging bestond en werd steeds opnieuw beklemtoond, dat het voordeliger en nuttiger was de uitvoering van openbare werken te stimuleren en de noodlijdenden een loon te laten verdienen, dan te moeten aalmoezen geven [150] .

Daarom werden vanaf 1845 bijzondere budgetten gestemd om grote werken uit te voeren, o.m. voor de spoorwegen en de waterwegen en werden ook belangrijke maatregelen genomen ter ondersteuning van een aantal nijverheden [151] , ook al werd wat dit laatste betreft te dikwijls verkeerd geïnvesteerd in ten dode opgeschreven nijverheden (de artisanale huisweverij en –spinnerij bijvoorbeeld) en onvoldoende in toekomstgerichte activiteiten [152] .

Vanaf 1846 werden in stijgende mate infrastructuurwerken uitgevoerd. Midden 1847 kon men o.m. al op volgende investeringen wijzen:

voor de spoorwegen                           23.787.382,-

voor de rijks- en provinciebanen         3. 478.875,-

voor de buurtspoorwegen                        537.000,-

voor andere werken                              3.829.087,-

of voor een totaal van              31.632.339,-Fr. [153]

Voor die tijd waren dit aanzienlijke bedragen en het was met een duidelijke voldoening dat de ontslagnemende regering de Theux in augustus uitgebreid verslag uitbracht over alle werken die zij over gans het grondgebied, en meer bepaald in West- en Oost-Vlaanderen had doen uitvoeren of die nog in uitvoering waren.

Begin 1847 werden twee voor het Brugse belangrijke werken goedgekeurd: de normalisatie van de waterlopen ten Zuiden van Brugge (met het doel 25.000 ha van regelmatige overstroming te vrijwaren) en de sectie Damme – St.-Laureins van het kanaal Zelzate – Noordzee. Ondanks de sterke oppositie van de Oost-Vlaamse kamerleden die het totaal voorzien krediet van 2 miljoen fr. prioritair naar het kanaal van Schipdonk op Oost-Vlaams grondgebied wilden zien gaan, werden beide werken voor een totaal bedrag van 720.000 fr. goedgekeurd. Het was niet toevallig dat de beslissing na een lang en geargumenteerd debat precies op 4 maart 1847 viel: ook bij deze aangelegenheid was het Brugse oproer niet onbesproken gebleven en ook niet zonder invloed [154] .

Opnieuw kunnen we vaststellen dat vanaf maart ook op het gebied van de openbare werken een stroomversnelling intrad. Bij zover dat de regering enkele maanden later durfde te gewagen van een bijna volledige tewerkstelling, zelfs in de probleemgebieden Oost- en West-Vlaanderen [155] .

Een schaduwzijde hierbij, die door de tijdgenoten goed werd aangevoeld, was het gebrek aan werkverschaffende activiteit die in Brugge door het stadsbestuur of door de privé-sector kon worden aangebracht. In het jaarverslag 1847 en 1848 van de stad Brugge treffen we geen noemenswaardige plaatselijke openbare werken aan, die als gevolg van de crisis zouden zijn aangevat. Daarentegen werd met grote waardring gesproken, zowel door de overheid als in de kranten, over ieder privé-initiatief dat werkverschaffing kon teweeg brengen.

Het voornaamste initiatief was de oprichting door bankier Felix Dujardin [156] van een textielfabriek buiten de Gentpoort: onmiddellijk werden hem belangrijke fiscale voordelen toegezegd [157] . De oprichting door de gebroeders Grossé van een atelier voor zijdewevers en van een kwekerij van zijdewormen werd door het stadsbestuur aangemoedigd: een oppervlakte stadsgrond werd hen buiten de Smedenpoort gratis ter beschikking gesteld [158] .

De nationale nijverheidstentoonstelling van 1847 werd als een belangrijke gelegenheid beschouwd om de Brugse artisanale en industriële activiteiten te promoveren en het schepencollege stuurde afgevaardigden uit naar de Brugse ondernemingen om ze persoonlijk tot deelname aan te moedigen [159] .

Zeer veel kwam er dus plaatselijk niet uit de bus, ondanks de goede wil en bedoelingen. Deze laatste kwamen onder meer tot uiting door de stichting, enkele dagen na het oproer, van de Cercle Commercial et Industriel die, naast de meer officiële (en verstarde) Kamer van Koophandel, een voorname rol wilde op zich nemen van aanmoediging in het handels- en industrieel leven. Vanaf de stichting telde de vereniging 125 leden en het voorzitterschap werd - hoe kon het anders – toevertrouwd aan de meest dynamische onder hen, Felix Dujardin [160] .

d)      Caritatieve hulpverlening

1.      Particuliere hulp

De particuliere hulpverlening werd bijna dagelijks in de pers aangewakkerd en de vindingrijkheid van de burgerij werd op lof en felicitaties onthaald.

Geldinzamelingen en loterijen waren zeer talrijk. Café De Koornmarkt op de Markt was hiervan één van de in het oog lopende activiteitencentra [161] . De officieren van het Brugs garnizoen leverden een halve dag soldij in voor de noodlijdenden [162] . Burggraaf de Nieulant onderhield gans de winter 50 behoeftige families op Sint-Andries, de gemeente waar hij burgemeester was [163] . Pastoor Van Coillie van Sint-Gillis besteedde persoonlijk 900 fr. per week aan het uitdelen van soep aan de behoeftigen van zijn parochie [164] .

Talrijk waren de particulieren, o.m. onder de geestelijkheid, die bons ondertekenden waarmee de behoeftigen bij hun bakker brood konden halen [165] . De inwoners van de Sint-Jansstraat en de Sint-Walburgastraat betaalden 30 behoeftigen om de sneeuw in hun straten weg te ruimen [166] . Ridder Peers-Ducpétiaux deelde brood, wortelen en aardappelen uit aan veertig families [167] . De brooduitdelingen werden door talrijke verenigingen als een vaderlandse plicht beschouwd. Zo deden bvb. de Schuttersgilde van Sint-Sebastiaan [168] , de maatschappij Burgerwelzijn [169] en vele anderen dergelijke brooduitdelingen.

Voorbeelden werden aangehaald van eigenaars die beslist hadden extra herstellings- en onderhoudswerken te laten uitvoeren door zoveel mogelijk arbeiders [170] . Ook de leden van de gemeenteraad toonden het goede voorbeeld: ze verzaakten aan hun zitpenningen voor het jaar 1847 (1800 fr.) om ze te besteden aan armenzorg [171] . Een lid van de gemeenteraad – we konden zijn naam niet achterhalen – voegde er nog een extra-inspanning aan toe: hij schonk 3.000 fr. om het pension te betalen van jeugdige bedelaars die bij landbouwers in het Brugse werden ondergebracht [172] . Eerwaarde Heer de Foere [173] liet een deel van zijn parlementaire vergoeding vallen ten voordele van de armen, voorbeeld dat door andere parlementsleden werd gevolgd [174] .

De ganse periode gaf overtalrijke voorbeelden van steun- en hulpverlening, die naar onze maatstaven paternalistisch lijken, maar die voor die tijd een belangrijk elan van solidariteit betekenden. Het gezelschapsleven – toneelopvoeringen, bals, concerten, feesten, tombolas – stond practisch uitsluitend in het teken van menslievende acties. Grote nationale en plaatselijke geldinzamelingen brachten belangrijke sommen op, waarbij minder getroffen gebieden – o.m. de Waalse provincies – aanzienlijke bedragen stuurden naar “de Vlaanders” [175] .

De totaliteit van de privé hulp heeft zonder twijfel, vooral dan in de meest cruciale perioden, een aanzienlijke bijdrage geleverd tot het lenigen van hongersnood en  ellende, die te algemeen was geworden om nog alleen door de overheid bestreden te worden.

2.      Privé-organismen

Naast de aanzienlijke particuliere hulpverlening, die meestal rechtstreeks aan de hulpbehoevenden werd verstrekt, kwam in 1847, nog meer dan voordien, een veralgemeende en georganiseerde steunverlening op gang vanwege privé-organismen.

Zo werd melding gemaakt van de Koninklijke Maatschappij voor Menschlievendheid, die aan de arme Vlamingen die in de hoofdstad werden opgepakt en terug naar hun gemeente werden gestuurd, een gift van 3 fr. per persoon meegaf [176] . De Société Générale organiseerde een openbare inschrijving waar ze als eerste 30.000 fr. voor stortte en opende inschrijvingslijsten in al haar kantoren [177] .

Het belangrijkste initiatief was dat van de bisschoppen van Brugge en Gent die een Comité central de secours oprichtten om de inzameling van gelden te organiseren [178] . Koning Leopold schonk 20.000 fr. aan deze hulpactie. Voor West-Vlaanderen deed bisschop Boussen [179] een plechtige oproep op 14 januari 1847 [180] , waarna hij een provinciale commissie installeerde die het ophalen en het verdelen van de giften op zich zou nemen [181] . Dit Comité provincial de secours had zijn zetel in Brugge en van daaruit werd hulp verleend aan alle West-Vlaamse gemeenten. De steungelden werden voor de twee derden bij de Brugse burgerij ingezameld: de lijst van de bijna 400 Bruges donateurs is een waarachtige who is who van de bezittende klasse rond de eerste helft van de negentiende eeuw, netjes en hiërarchisch op een rijtje gezet naar gelang het belang van hun giften.

Op enkele weken tijd werd in Brugge meer dan 80.000 fr. ingezameld (ter vergelijking: Kortrijk leverde 9.860 fr. en Oostende 7.240 fr.). Hiervan werd slechts 33.000 fr. in Brugge besteed: het overige ging naar de kleine steden en de landelijke gemeenten die in nog veel grotere nood verkeerden dan de provinciehoofdstad [182] .

3.      Het Bureel van Weldadigheid

De normale verdeler van steun aan de noodlijdenden was in alle omstandigheden het Bureel van Weldadigheid. Het spreekt vanzelf dat het ook in crisisperioden als eerste en voornaamste steunverlener op de bres stond. Brugge had het voordeel over een relatief bemiddeld bureel van weldadigheid te beschikken, met als gevolg dat er met ruime maat hulp kon worden uitgedeeld.

In de gemeenteraad liet gemeenteraadslid Coppieters [183] , tevens voorzitter van het Bureel van Weldadigheid niet na er op te wijzen dat grote inspanningen werden geleverd: van december 1846 tot einde februari 1847 was o.m. 250.000 kg steenkool en 40.000 fr. in speciën onder de Brugse hulpbehoevenden verdeeld [184] .  Over het jaar 1847 zou het Bureel van Weldadigheid voor 142.484,80 fr. steun verlenen aan 21.552 hulpbehoevenden [185] . Dit was aanzienlijk meer dan in de vorige, nochtans ook moeilijke jaren. Nochtans vertegenwoordigde die hulp per persoon amper de tegenwaarde van 16 broden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat dit volstrekt onvoldoende was.

4.      De inspanningen van het stadsbestuur

Als laatste, maar niet minst belangrijke hulpverlener, trad het gemeentebestuur op [186] . De stad had jaarlijks tussenkomsten te doen voor de begrotingen van het Bureel van Weldadigheid, van het Bedelaarswerkhuis en van verschillende andere vormen van caritatieve hulpverlening. Het jaar 1847 zou deze verschillende vormen van betoelaging op veel hogere cijfers brengen dan de vorige jaren.

Toen op het hoogtepunt van de crisis deze tussenkomsten nog onvoldoende bleken en de gewone tegemoetkomingen van het Bureel van Weldadigheid, zelfs bijgestaan door de particuliere hulpverlening, niet meer volstonden, voegde de stad er eigen initiatieven aan toe.

Deze initiatieven zijn belangrijk geweest en strekken zich over een bredere periode uit dan de hier behandelde. We houden het hier bij de activiteiten onmiddellijk voor en na het hongeroproer van maart 1847 en bij de evolutie die hierin, als gevolg van het oproer, merkbaar is.

a)      Soepbedelingen

Een maatregel van de regering, met name het verstrekken van bijzondere toelagen voor de hulp aan de crisisgebieden [187] , was aanleiding tot een eerste vorm van stadstussenkomst, het organiseren van gratis soepbedelingen. De stad Brugge ontving een toelage van 15.000 fr. en er werd beslist hiervan 8.000 fr. [188] ter beschikking te stellen van een comité dat op initiatief van de bisschop was opgericht en dat gratis soep wilde uitdelen in de volkswijken [189] . De eerste distributie vond plaats op 23 januari 1847 en 1800 armen werden van soep voorzien [190] .

De bedeling zou doorgaan tot 25 april 1847. In totaal werd 274.300 liter soep uitgedeeld, op vierentwintig plaatsen in de verschillende stadswijken. Hiervan werd 233.177 gratis bedeeld en 41.123 liter verkocht tegen 7 centiem per liter. De totale uitgave bedroeg 19.831,99 fr. Behalve de 8.000 fr. stadstoelage werd ze bestreden door een bijdrage van het Weldadigheidsbureel (6.788 fr.), bijzondere giften (2.197 fr.) en de verkoop (2.845 fr.) [191] .

b)      Broodbons

Reeds voor het oproer van begin maart had de gemeenteraad van Brugge beslist om naast de sopbedelingen ook toelagen te verstrekken op de prijs van het brood. Een commissie had zich namelijk tijdens de maand februari beraden over de vraag: Wat kunnen we nog als bijkomende hulpverlening doen [192] ?

De commissie had drie mogelijkheden onderzocht. De eerste was het financieren van buitengewone werken, zodat men noodlijdenden kon aan het werk zetten en een loon uitbetalen. Dit bleek evenwel weinig zin te hebben: er waren geen plannen beschikbaar voor werken van enige omvang die men op korte termijn kon aanvatten [193] . De tweede was het uitdelen van gelden aan degenen die voorwerpen hadden in pand gegeven bij de Berg van Barmhartigheid. Dit werd afgewezen met het argument dat de armen hiermee hun panden wel konden vrijkopen maar daarmee niets méér te eten kregen, tenzij ze het vrijgekomen voorwerp onmiddellijk opnieuw verpandden.

Uiteindelijk werd de derde mogelijkheid weerhouden: men zou dagelijks 5.000 broodbons uitgeven ter waarde van 6 centimes, waarmee dan bij de bakkers een kg brood tegen verminderde prijs kon worden aangekocht. Indien men dit twee maanden volhield, zou dit 18.000 fr. kosten. Gelet op de te vrezen verdere stijging van de broodprijzen, verwachtte men zelfs een uitgave van 30.000 fr [194] . Er schoot evenwel maar 9.000 fr. over van de regeringstoelage en aangezien men niet van oordeel was dat men hiervoor in eerste orde de gemeentekas moest aanspreken, werd beslist een bijkomende rijkstoelage van 15.000 fr. aan te vragen [195] .

Op 2 maart 1847 werd een delegatie van de stad ontvangen door gouverneur en minister de Mûelenaere, teneinde zijn steun voor die aanvraag te bekomen. Dezelfde avond, terwijl het oproer woedde in de straten, kwam de gemeenteraad samen om, als gevolg van de steun toegezegd door de gouverneur, een delegatie samen te stellen. De raadsleden J. B. Coppieters (tevens voorzitter van het Bureel van Weldadigheid) en de te Brussel goed bekende Joseph Van der Linden [196] aanvaardden ’s anderendaags naar de hoofdstad af te reizen om er, samen met burgemeester de Pelichy die in Brussel vertoefde, het Brugs verzoek te gaan bepleiten [197] .

De Theux [198] ontving hen vriendelijk maar zijn antwoord blkeef vaag: hij wilde eerst de gouverneur raadplegen. De twee raadsleden spoorden derhalve met spoed naar Brugge terug, hiervoor zelfs een afspraak met de minister van Openbare werken aan burgemeester de Pelichy alleen overlatend, om in de vooravond opnieuw hun opwachting te gaan maken bij de Mûelenaere. Deze beloofde hen formeel dat hij zou aandringen op de toezegging van de 15.000 fr., maar vreesde dat de regering waarschijnlijk niets méér zou geven [199] .

Met deze gegevens voorhanden kwam de gemeenteraad de avond van 4 maart opnieuw bijeen. Het oproer had ondertussen de gemoederen danig gechokt. Men besliste dan ook dat, regeringstoelage of niet, het idee “broodbon” toch zou worden uitgevoerd en de stad dit zelf zou financieren [200] . Enkele dagen later zou de regering dan toch – onder de indruk van het oproer en na een nieuwe delegatie uit Brugge te hebben ontvangen [201] – een extra-inspanning doen en een bijkomende toelage van 10.000 fr. aan de stad toekennen [202] .

Op enkele dagen tijd werd de uitdeling van de bons georganiseerd [203] . Er zouden dagelijks (behalve ’s zondags) aan de behoeftigen 8.000 bons worden verkocht à 32 centimes. Hiermee konden ze dan bij hun bakker 1 kg tarwebrood van derde kwaliteit kopen, dat 38 centimes kostte. Het succes van de maatregel was zo groot dat men weldra met 8.000 bons per dag niet genoeg had en meteen ook een enorme stroom van koperen nikkeltjes in de stadskas stroomde: 2.016.960 centimes, alleen al de eerste twee weken [204] . Men wijzigde dan ook vlug het systeem en voortaan werden de bons gratis uitgedeeld, zodat men met de bon de overige 32 centimes rechtstreeks aan de bakker betaalde.

De belangstelling voor de broodbons steeg naarmate de prijs van het brood steeg. Want zo 38 ct. al uitzonderlijk hoog werd beschouwd – zo hoog dat het een oproer had veroorzaakt – dit was nog niet het einde. In april steeg de prijs tot 43 centimes, zodat de stad 11 centimes per brood moest bijpassen [205] . Dan nog mocht men zich in Brugge gelukkig achten, want in andere steden zoals Doornik, Brussel, Luik of Leuven steeg de prijs tot 50 en zelfs 54 ct. per brood. De stad schreef terecht de relatief mindere stijging toe aan haar tussenkomst op de graanmarkt, waar we het hierna zullen over hebben.

De operatie broodbons gaf derhalve aanleiding tot een veel belangrijker uitgave voor de stad dan aanvankelijk was begroot. Had men, voor het oproer, gedacht hieraan 18.000 fr. te spenderen – en op voorwaarde dat dit op kosten van de regering gebeurde – dan gaf men uit de stadskas uiteindelijk 63.780,63 fr. uit, waarmee 805.566 broden tegen goedkopere prijs werden verkocht [206] . Ook hier had het oproer duidelijk de gemoederen wakker geschud en tot uitgaven doen beslissen die tot op de 2de maart niet voor mogelijk werden gehouden.

Het stadsbestuur was er zich trouwens van bewust dat deze zware uitgave in de gegeven omstandigheden de losprijs was voor het verzekeren van de openbare orde: Ce sacrifice a exercé une influence très heureuse sur l’esprit de notre population ouvrière, qui comprenait fort bien que l’administration ne pouvait continuer à supporter cette énorme charge, qu’à la condition expresse que la tranquilité publique ne fut point troublée [207] .

c)      Subsidies op de graanprijzen

Gratis soep en broodbons sproten voort uit de traditionele caritatieve ingesteldheid: de hulpbehoevenden rechtstreeks steun verlenen voor de essentiële levensbehoeften. Daarentegen gaven de subsidies op de graanprijzen, die voornamelijk in Brugge, Gent en Ieper zouden verleend worden, blijk van een wil tot interventionisme, die slechts in periodes van grote crisis mogelijk was. Dit ging immers in tegen de heersende handelsopvattingen.

Het was trouwens niet zonder strubbelingen dat de stad tot de formule kwam waarbij ze graan aankocht aan een bepaalde prijs, bij voorkeur in het buitenland, om die dan beneden de aankoopprijs te verkopen aan de bakkers van de stad en enkele keren zelfs te koop aan te bieden op de zaterdagmarkt [208] . Een echte dumpingpraktijk dus.

Onder de invloed van het oproer van 2 maart besliste de gemeenteraad eenparig een eerste proef te doen. Er werd 1416 hectoliter tarwe aangekocht bij de graanhandelaars Antoine en Jacques De Meulemeester, tegen een gemiddelde prijs van 37,07 fr. en verkocht tegen 32,70 fr., wat een verlies betekende voor de stadskas van 6.354 fr [209] . De beslissing was alleen onder de druk van het oproer mogelijk geweest en al op 27 maart besliste de gemeenteraad, tot groot ongenoegen van het schepencollege, met 10 stemmen tegen 8 het experiment stop te zetten [210] .

Een nieuwe verhoging van de graanprijzen, enkele dagen later, die de prijs van 1 kg tarwebrood op de catastrofaal hoge prijs van 43 ct. bracht, deed evenwel de gemeenteraad tot inkeer komen. Op 17 april werd, met 18 stemmen tegen 5, beslist dat de stad tot nadere orde wekelijks tot 1500 hectoliter tarwe mocht aankopen om die aan lagere prijs te verkopen [211] . Zo groot was de schrik voor een herhaling van het oproer, dat tussen 17 april en 17 juli, 9.890 hectoliter door de stad werd aangekocht in Cadzand, Groningen en Antwerpen en tegen een prijs werd verhandeld waarop bijna 10 fr. per hectoliter moest worden toegedragen. De afrekening luidde als volgt:

9.890 hl à 43, 11 fr. per hl                               426.375,18 fr.

verkocht à 33,84 fr. per hl                               337.566,74 fr.

nadelig saldo                                                   88.828,44 fr.

verlies maart                                                      6.354,86 fr.

totaal verlies                                                    95.183,30 fr. [212]

Nogmaals moet hier worden herhaald dat, wat voor 2 maart 1847 zelfs niet in overweging werd genomen, na die datum eerst schoorvoetend en weldra met overtuiging als een probaat middel werd aangewend in de strijd tegen de levensduurte. Het stadsbestuur dat in februari alleen caritatieve tussenkomsten overwoog, en dan nog voor zoveel die niet op stadskosten maar met regeringstoelagen konden worden gerealiseerd, kwam na het oproer van begin maart met belangrijke eigen middelen over de brug om, zelfs ten koste van de vrijheid van handel, op de prijzen van de granen te drukken.

Hoe omstreden een dergelijke maatregel was, kan men opmaken uit de uitgebreide verdediging van het systeem die het schepencollege in zijn rapport van 1 september 1847 neerschreef en waarbij het wilde aantonen dat deze uitgave zonder meer verantwoord was door de uitzonderlijke omstandigheden [213] .

d)      Besluit

De stedelijke tussenkomsten beliepen aldus, alleen al voor de eerste helft van 1847, nagenoeg 200.000 fr. Vooral na het oproer van 2 en 3 maart werd in versneld tempo beroep gedaan op het krediet van de stad, om aan de onmiddellijke en grote noden het hoofd te bieden.

De stad aarzelde niet, naast de uitzonderlijke leningen die ze in 1845 en 1846 al had aangegaan, opnieuw verschillende leningen op te nemen, enerzijds bij het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen of bij het Bureel van Weldadigheid (tegen een intrest van 4 %), anderzijds bij de bevolking (renteloze leningen), terwijl de belastingen verhoogd werden om de intrestlast te kunnen bestrijden en de schuld over de volgende jaren te kunnen aflossen [214] .

Als men daarbij nog de commerciële graanactiviteit voegt, die een omzet van bij de 480.000 fr. betekende (met een deficiet van meer dan 95.000 fr.), dan kan men meten welke grote inspanningen het stadsbestuur zich op korte termijn getroostte en tot welke versnelling in de uitgaven het hongeroproer van begin maart aanleiding gaf [215] .

Op één jaar tijd verhoogde de schuldenlast van de stad met 176.000 fr., hetzij met meer dan tien procent. De uitgaven veroorzaakt door de crisis bereikten een som die bijna de helft was van het totaal bedrag van de stadsbegroting. Het grootste deel van deze uitgaven verscheen evenwel niet onder de gewone uitgaven, aangezien ze met buitengewone leningen werden gefinancierd [216] .

V

Algemene conclusies

A.      Over het hongeroproer

1.      Het hongeroproer van maart 1847 in Brugge situeert zich in de lijn van de 18de en 19de-eeuwse hongeroproeren die de stad heeft gekend. De arme bevolking die haar toestand van geassisteerde aanvaardde, kwam in opstand wanneer de prijsstijgingen niet meer voldoende werden opgevangen door de georganiseerde armenzorg. Ook al kan men bepaalde elementen aanduiden die de weg voor het oproer van maart 1847 effenden (kleine relletjes, geruchten en babbels over graanspeculanten, het uithalen van de “zwarte vlag”, het pamflet Van de Casteele), toch mag worden aangenomen dat het oproer zelf een spontane manifestatie was, zonder voorbereiding, zonder leiders en zonder precieze doelstellingen.

2.      Gelet op de Brugse antescedenten, is het niet ongewoon dat het eerste oproer in de reeks die in 1847 in België plaats vond, in Brugge ontstond. Het is daarbij aan te stippen dat Brugge zowel wat de graad van pauperisme aangaat, als wat betreft het volume van de hulpverlening, er beter aan toe was dan de meeste andere steden in Vlaanderen en vooral dan de plattelandsgemeenten. De uitgehongerde miserabele plattelandsbevolking bleek over het algemeen over weinig reactievermogen te beschikken, daar waar bij de stadsbevolking toch nog een zekere weerbaarheid, een vorm van primair “sociaal verweer” mogelijk bleek.

B.     Over de te Brugge genomen maatregelen

1.      Van zodra het oproer uitbrak, werden een aantal maatregelen genomen: inzetten van het plaatselijk militair garnizoen en van de rijkswacht, arresteren van een (beperkt) aantal betichten, uitvaardigen van een samenscholingsverbod, straatverlichting de ganse nacht door en vooral inzetten van de armenmeesters die de ondersteunde bevolking tot afzijdigheid moesten dwingen.

De verschillende overheidslichamen hielden tijdens de oproerdagen nauw met alkaar contact en kwamen minstens tweemaal bijeen om hun activiteiten te coördineren. De gouverneur speelde hierin een actieve rol.

2.      De maatregelen die vervolgens werden genomen teneinde een herhaling van de onlusten te voorkomen, waren: het reorganiseren van het systeem van de wijkmeesters, het gratis uitdelen van soep, het organiseren van broodverkoop tegen verminderde prijs, het ingrijpen op de graanprijzen, het ondersteunen van industriële initiatieven en het uitvoeren (in beperkte mate) van openbare werken.

Deze maatregelen gingen samen met een uitzonderlijke inspanning van vrijgevigheid en weldadigheid vanwege alle instellingen en gegoede burgers, waarbij een beweging van nationale solidariteit ten gunste van de beide Vlaanders werd geaccentueerd.

C.     Over de gewijzigde mentaliteit

1.      Naarmate men alle elementen bij elkaar brengt, komt men gaandeweg tot de vaststelling dat het Brugse oproer (evenals de enkele opstootjes die elders volgden, tot aan het Gentse oproer in mei, dat ook nogal wat stof deed opwaaien), een grotere invloed heeft uitgeoefend dan men er tot hiertoe aan toekende. De publieke opinie en de verantwoordelijken kwamen plots tot het bewustzijn dat het zo niet verder kon en dat deze nochtans relatief gemakkelijk ingetoomde revolte de voorbode was van een echte revolutie die de gevestigde orde kon omver werpen.

2.      Vandaar de volledig gewijzigde houding van het stadsbestuur vanaf 3 maart 1847

-          voor die datum dacht men slechts op steunverlening voor zoveel die met regeringstoelagen kon gebeuren; na die datum nam men initiatieven die aanzienlijke eigen uitgaven veroorzaakten, met een deficit van meer dan 200.000 fr. Men nam hierbij beslissingen (voor de broodbons, voor de aankoop van granen) zonder dat hiervoor vooraf een begroting was vastgesteld. Het was duidelijk: “Eerst uitgeven, achteraf vaststellen wat het gekost heeft”.

-          voor die datum dacht men enkel in termen van caritatieve hulpverlening (gratis soep, broodbons), na die datum deed men iets – ondanks de heftige tegenstand van de beroepsmiddens die in de gemeenteraad spreekbuizen hadden – dat voor die tijd ongewoon was en waar zelfs de regering voor terugschrikte: men kocht graan en verkocht ze aan dumpingprijzen. Men verwezenlijkte daarbij op enkele weken tijd een zakencijfer dat bijna zo belangrijk was als de volledige jaarbegroting van de stad. Ook dit gebeurde zonder vooraf gemaakte begroting en werd gefinancierd met inderhaast aangegane leningen.

3.      Vandaar ook de aanzienlijk gewijzigde houding van de regering, vanaf dezelfde datum:

-          Alle vroeger genomen beslissingen werden niet alleen bekrachtigd of verlengd, maar een aantal nieuwe wetten en koninklijke besluiten werden in versneld tempo uitgevaardigd. Ze betekenden o.m. het definitief einde van de protectionistische politiek door diegenen zelf die er de kampioenen van waren.

-          Voor het eerst besliste de regering rechtstreeks en op commerciële wijze in te grijpen in het marktmechanisme, door de massale injectie van voedingswaren.

Op beide punten voerde de regering de Theux – Malou in de laatste maanden van zijn bestaan, onder druk van de omstandigheden, een politiek die niet verschillend was van het meer progressief getinte kabinet Rogier dat de opvolging nam.

4.      Het mag dan ook een vaststaand besluit zijn dat in de opeenvolging van de gebeurtenissen die de economische crisis 1845-1850 hebben gekenmerkt, het oproer in maart 1847 in Brugge op een cruciaal en psychologisch geladen ogenblik voorviel, en hierdoor een traumatiserend effect had dat veel belangrijker was dan de feiten op zich konden verantwoorden. De geest waarin men de crisis vanaf maart 1847 zou bestrijden, was gevoelig anders dan voor die datum.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1982, blz. 131-192).

Naschrift

Na het afwerken van onze studie, verscheen: Prof. Dr. J. A. VAN HOUTTE, De geschiedenis van Brugge, Tielt/Bussum 1982, waar op blz. 498 te lezen is:

Na een eerste hongerrel in maart 1846 kocht het stadsbestuur, tegen de zin van een deel van de Raad, graan op, dat met verlies werd verkocht. In 1847 werden gedurende drie maanden 274.000 liter soep en 805.000 broodbonnen gratis aan behoeftigen verstrekt en werd het stedelijk octrooirecht op vlees verlaagd. (…) In 1848 was de inzet van het garnizoen vereist om na twee volledige dagen een einde te maken aan ongeregeldheden”.

De drie aangehaalde feiten hebben in feite allen betrekking op het hongeroproer van 2 en 3 maart 1847 en zijn gevolgen. Jan Van Houtte heeft zich in verwarring laten brengen door G. JACQUEMYNS, Histoire de la crise économique des Flandres (1845-1850), Brussel, 1929, die op blz. 283 bij vergissing het jaar 1846 i.p.v. 1847 vermeldde. De ganse context (en o.m. het verhaal op blz. 324-326) toont nochtans duidelijk aan dat hij het over het oproer van 2 en 3 maart 1847 had. Ook de lectuur van de gemeenteraadsverslagen en van de speciale rapporten bewijzen dat de dumpingpraktijken nopens de granen voor het eerst in maart 1847 en niet in mei 1846 werden toegepast.  De gemelde ongeregeldheden, waarvoor het garnizoen diende ingezet, deed zich niet voor in 1848, maar wel op 2 en 3 maart 1847.

Van Houtte vermeldt derhalve per vergissing hongerrellen in 1846 en 1848, daar waar die toen geen plaats vonden, maar wel op de data van 2 en 3 maart 1847, die hij niet vermeldt.

Hongeroproer in Brugge in 1847

Gerechtelijk epiloog

Op 2 en 3 maart 1847 vond in Brugge een hongeroproer plaats, dat nationale invloed had op de overheidsbeslissingen met betrekking tot de heersende hongersnood. We hebben het verloop van dit oproer en de gevolgen ervan, zowel plaatselijk als voor het ganse land, in een vroegere bijdrage beschreven.

Er bleef hierbij één onbekende: wie waren de 15 die beticht werden van aanzetten tot oproer en die op 3 augustus 1847 naar de correctionele rechtbank van Brugge verwezen werden? Tot welke straffen werden ze veroordeeld?

We zochten vergeefs naar het gerechtelijk dossier. Op het Rijksarchief bewaart men nog alleen een paar bundels in verband met de veroordeling van enkele figuranten tijdens de oproerdagen, maar het voornaamste dossier is onvindbaar.

Aan de hand van een bericht op 17 september 1847 in de Gazette van Brugge verschenen, kunnen we, als epiloog op de dramatische gebeurtenissen, de opgepakte oproerkraaiers situeren en de straffen melden die hen werden opgelegd.

Alle betichten woonden in Brugge en waren er ook geboren, met uitzondering van drie onder hen die respectievelijk in Gits, Koekelare en Oedelem het levenslicht zagen.

Onder hen waren er twee dertigers (30 en 31 jaar), drie twintigers (20, 24 en 25 jaar) en tien tieners (15, 16, 17, 18, 19 jaar en zelfs een jongen van 11). De herhaalde berichtgeving in de kranten dat het om jonge snaken en “straatjongens” ging, blijkt dus in grote mate juist te zijn geweest, hoewel de aanwezigheid van vijf volwassenen enig krediet zou kunnen geven aan de bewering dat er ook bezoldigde opruiers waren aan het werk geweest.

Het beroep van de betichten was uiterst bescheiden, voor zoveel ze een beroep hadden en voor zoveel “bedelen” als een beroep kan beschouwd worden.

De straffen waren aan de zware kant. Weliswaar werden drie betichten vrij gesproken en was er één veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf, maar verder waren er twee veroordelingen tot 1 jaar, drie tot 2 jaar en zes tot 3 jaar. Vooral deze laatste lagen, in verhouding tot de gepleegde misdrijven, aan de hoge kant. De zware straffen werden ook de jongste onder de beklaagden niet bespaard. Hierna volgen de acteurs van dit hongeroproer dat zwaar doorwoog in de toenmalige politieke toestand van het land. Die simpele lieden en hun medestanders brachten het ganse overheidsapparaat in rep en roer en lagen mee aan de oorsprong van grondige wijzigingen in de gevoerde politiek, zowel nationaal als locaal, in wat de “ellende der Vlaanders” werd genoemd.

     naam en bijnaam            leeftijd    geboorteplaats   beroep                 straf

1.      Carolus Ardouille                 16         Brugge                  -                           2 jaar

“den Bolten”

2.      Franciscus Bartholomeus    17         Brugge                 hovenier                3 jaar

3.      Pieter De Ketelaere             18         Brugge                 werkman                vrijspraak

4.      Carolus Dhont                      30         Brugge                 werkman               3 jaar

5.      Pieter Eeckeman                  20         Brugge                 werkman               3 jaar

6.      Jacobus Gery                       25         Brugge                 werkman                vrijspraak

7.      Eduardus Geuns                  16          Brugge                     -                         2 jaar

“ ’t Keuntje”

8.      Johannes Goigne                 17          Brugge                 hovenier                 3 jaar

9.      Pieter Hoorlinck                    16          Brugge                      -                         2 jaar

10.  Joseph Hoste                        31          Oedelem             koopman in sulfers 3 jaar 

11.  Pieter Lagrou                        24          Koekelare           “remplaçant”             6 m.

12.  François Legon                     15          Brugge                 werkman                 1 jaar

“Dideron”

13.  Bernard Peuteman               19          Brugge                 slotmaker                vrijspraak

“den Zot”

14.  Joseph Ryelandt                    11         Brugge                  bedelaar                 1 jaar

“de zoon van den blinden”

15.  Jan Verbeke                           16          Gits                      bedelaar                 3 jaar

“de Schuiffelaar”

Andries van den Abeele

(gepubliceerd in: Biekorf, 1985, blz. 303-304).


[1] Ik dank prof. Romain Van Eenoo die mijn tekst kritisch heeft gelezen en me met zijn grote kennis over de hier behandelde periode, een aantal nuttige wenken heeft gegeven.

In de voetnoten gebruikte afkortingen: SAB: Stadsarchief Brugge – RAB: Rijksarchief Brugge – APB: Archief Provinciaal Bestuur – BAB: Bisschoppelijk Archief Brugge – RABW: Rijksarchief Beveren-Waas.

Kranten: MB: Le Moniteur Belge – JdBr: Journal de Bruges – NdFl: Le Nouvelliste des Flandres – StvVl: De Standaerd van Vlaenderen – GvBr: De Gazette van Brugge – DN: De Nijverheid.

[2] onder meer:

  1. R. BLANCHARD, La Flandre. Etude géographique de la plaine flamande en France, Belgique et Hollande, Lille, 1906, blz. 370-378.
  2. G. JACQUEMYNS, Histoire de la crise économique des Flandres (1845-1850), Académie Royale de Belgique, Mémoires, Bruxelles, 1929, passim.
  3. A. VERMEERSCH, De pers en het pauperisme in Vlaanderen: 1845-1848, Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, 1958, Den Haag – Antwerpen, 1958, blz. 81-100, passim.
  4. R. VAN EENOO, Economische crisis en Vlaamse beweging: reacties in de Brugse pers (september 1830 – februari 1848), Tijdschrift voor sociale wetenschappen, Gent 1969, blz. 3-43, passim.
  5. L. SCHEPENS, Van vlaskutser tot franschman, bijdrage tot de geschiedenis van de Westvlaamse plattelandsbevolking in de negentiende eeuw, Brugge, 1973, blz. 17-76.
  6. E. SABBE, De Belgische vlasnijverheid. Deel II, Van het Verdrag van Utrecht (1713) tot het midden van de XIXe eeuw, Kortrijk, 1975, blz. 486-499.

[3] G. JACQUEMYNS, a.w., blz. 324-326, ook blz. 283 waar verkeerdelijk 1846 gedrukt staat i.p.v. 1847 – A. VERMEERSCH, a.w., blz. 97 – R. VAN EENOO, a.w., blz. 31-32, die als data 3 en 4 maart meldt i.p.v. 2 en 3 maart – L. SCHEPENS, a.w., blz 46.

[4] Het Brusselsch Nieuwsblad, geciteerd in DN 14 maart 1847: Wij hebben de droeve maer op te teekenen dat Brugge het eerste voorbeeld van regtverbreking en onrust heeft gegeven

[5] MB 9 augustus 1847 n° 221: Rapport au Roi, annexe XXI, geeft volledig overzicht van alle plaatsen waar tussen maart en juni 1847 onlusten zijn ontstaan. Zie ook MB, partie non officielle, berichten in ongeveer alle nummers van maart tot juni 1847. Alsook: G. JACQUEMYNS, a.w., blz. 326-329 – A. VERMEERSCH, a.w., blz. 97 – L. SCHEPENS, a.w., blz. 46-47 – E. SABBE, a.w., blz. 495.

[6] De in Rijsel wonende Bruggeling Louis Van de Casteele werd op 12 maart 1847 in Brussel aangehouden en in de gevangenis van het Pandreitje in Brugge opgesloten. Op 2 april werd hij vrijgelaten en door zijn vrienden feetselijk onthaald. We zullen later over deze bijzondere figuur een biografische nota publiceren. Zie ook A. VAN DEN ABEELE, De Hoop van Brugge, in: Brugs Ommeland, 1982, blz. 293-323.

[7] StvVl 2 maart 1847, hoofdartikel: De duurte der granen – G. JACQUEMYNS, a.w., blz. 324.

[8] JdBr 1 maart 1847 – SAB, copie lettres expédiées 1847: brief van 2 maart 1847 van de stad Brugge aan minister de Theux vermeldt volgende broodprijs: maart 1845 22 ct, januari 1847 31 ct en maart 1847 38 ct.

[9] JdBr 3 maart 1847.

[10] SAB, Police générale, objets divers (varia) 1843 à 1854 (n° 124) ,affaire Pieter Simon.

[11] J. DE SMET, Met de zwarte vlag rond de stad lopen, Brugge, 1847, in: Biekorf, 1956, blz. 173-178.

[12] JACQUEMYNS vermeldt: Nouvelliste des Flandres (die hij verkeerd Nouvelliste de Bruges noemt) van 4 maart, Journal de Bruges van 4 en 5 maart, L’Organe des Flandres van 5 en 6 maart. Hij vermeldt ook Le Moniteur Belge van 5 en 6 maart en 9 april. Dit is echter slechts een onrechtstreekse bron, want het ging om berichten die waren overgenomen uit Brugse kranten.

[13] Deze krant is slechts bewaard (in de Kon. Bibl.) vanaf augustus 1847, zodat we over de hier behandelde periode geen volledig overzicht hebben. We vonden wel een overgenomen bericht in de Moniteur Belge van 6 maart 1847 (niet door Jacquemyns geciteerd) en kunnen ons anderzijds enig idee vormen van de houding van het blad,  door de reacties in andere bladen.

[14] A. VANDEN ABEELE, De Hoop van Brugge (1846-1848), politiek blad en roddelkrantje, in: Brugs Ommeland, 1982, blz. 293-323.

[15] GvBr 3 en 5 maart 1847.

[16] DN 7 maart 1847.

[17] StvVl 3 en 4 maart 1847.

[18] NdFl 8 maart 1847: “Des journaux en cette ville ont exagéré la gravité de nos troubles” – op 11 maart 1847: “La gravité qu’on a voulu, bien à tort, attribuer à ces désordres”. Het is dan ook niet te verwonderen dat de Moniteur Belge, als regeringsblad, bijna uitsluitend berichten uit de Nouvelliste overnam, met uitzondering van één bericht uit de Impartial, maar geen enkele uit de Journal de Bruges.

[19] JdBr 3 maart 1847. Een voorbeeld: de JdBr was de enige die meldde dat er ook onrust was geweest voor de ingang van het Bedelaarswerkhuis en in die gevangenis zelf. NdFl loochenstrafte dit trouwens op 8 maart 1847.

[20] JdBr 3 maart 1847: “Les perturbateurs se portèrent devant toutes les boutiques de pain, dont ils cassèrent les vitres.”

[21] JdBr 3 maart 1847.

[22] JdBr 4 maart 1847.

[23] JdBr 6 maart 1847

[24] JdBr 12 maart 1847.

[25] DN 7 maart 1847. Dit laatste werd in geen enkele andere krant gerapporteerd (tenzij misschien in de Impartial of De Hoop van Brugge, maar dit konden we uiteraard niet nagaan). Wel rapporteerde de gouverneur iets in dezeldfde zin “Des propos alarmants circulaient déjà à ce sujet depuis plusieurs jours dans la commune (de Saint-Pierre)” (RAB, APB 1e Afd. 1847, n° 19, brief van 3 maart 1847 van de gouverneur aan de arrondissementscommissaris.

[26] Men doelde hier ongetwijfeld op de Open brief aan de Theux geschreven door Louis Van de Casteele, die in het Nederlands was vertaald en door de drukker van De Hoop van Brugge in een afzonderlijk pamflet was gedrukt en verspreid.

[27] Er dient aan herinnerd dat vanaf deze periode de eigenaar en hoofdredacteur van de Nouvelliste, Rombaut Boeteman een kritische houding begon aan te nemen tegenover de regering de Theux, ook nadat ze door het kabinet Rogier was opgevolgd, bij zover dat Mgr Malou begin 1848 de teugels van het blad zelf in handen nam. Kort daarop, 1 mei 1848, veranderde de titel: het werd La Patrie. (R. VAN EENOO, De initiatieven op persgebied van de Westvlaamse bisschoppen (1834-1852), in: Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 1970, blz. 55-99). Op blz. 74 meldt R. Van Eenoo dat het hongeroproer en bepaalde reacties hierop in de krant,  de aanleiding of zelfs de oorzaak waren voor deze koerswijziging. Vooral vanaf april 1847en dit dan nog wel in de aanloop naar de volgende verkiezingen, werd de toon van de Nouvelliste tegenover de regering in stijgende mate kritisch.

[28] JdBr 9 maart 1847: “Libre au Nouvelliste, dont la bouche est scellée d’un cadenas, dont le ministère tient la clé, de taire ce qui ne lui est pas permis de dire”.

[29] DN 14 maart 1847: “Een fransch dagblad onzer stad (…) (moet) ophouden het volk door bedroevende nieuwsberichten te ontrusten en aan te zetten met voorbeelden tot oproer en plundering". Hiermee kon zowel de Journal de Bruges als de Impartial bedoeld worden.

[30] NdFl 3 maart 1847: “…nous engageons nos citoyens paisibles à ne pas grossir pour satisfaire leur curiosité, le nombre des oisifs”. Zelfde in GvBr en StvVl.

[31] A. VERMEERSCH, a.w. beschrijft op verhelderende wijze hoe een groot aantal kranten, van uiteenlopende strekking, bewust zo weinig mogelijk rapporteerden over de noodtoestand in Vlaanderen: dit kon volgens hen geen nuttige uitwerking maar alleen nadelige invloed hebben op de gang van zaken.

[32] SAB, Police générale – objets divers (varia) 1843 à 1854 – Bundel “émeute du 2 mars 1847”. Voor verdere verwijzing naar dit dossier vermelden we in deze bijdrage telkens “SAB-oproer”, gevolgd door het nummer van het stuk zoals het in onze beknopte inventaris voorkomt die op SAB berust. Te noteren dat verscheidene stukken uit dit dossier ook terug te vinden zijn in SAB – copies des lettres expédiées 1847. Een paar brieven zijn trouwens alleen daar te vinden en niet in het dossier “oproer”, zoals de brief van 2 maart 1847 door het stadsbestuur gericht aan minister-president de Theux, met betrekking tot de voedselcrisis en met vraag tot bijkomende toelage.

[33] SAB – archief Sint-Pieters-op-de-Dijk, bundel n° 119 “Plundering van de bakkerij van Johannes Christiaens 1847-48”. (Zie: E. SANDRA-COMER, Inventaris van het archief van Sint-Pieters-op-de-Dijk, in: Brugs Ommeland, 1979, blz. 377-394).

[34] RAB, APB, 1e Afdeling 1847, n° 19 politie, plunderingen – n° 20 en 21 politie, verslagen – n° 22: diverse zaken.

[35] BAB, C520.

[36] RAB, Corr. Rechtbank 1847. – We zijn dank verschuldigd aan de heren archivarissen A. VANDEWALLE (SAB), J. MERTENS en L. DANHIEUX (RAB), kan. B. JANSSENS DE BISTHOVEN (BAB) en hun medewerkers.

[37] Het relaas van wat op Sint-Pieters en achteraf in Brugge gebeurde, halen we uit: GvBr 3/3 – JdBr 2 en 3/3 – NdFl 3/3 – StvVl 3/3 – DN 7/3, maar vooral uit het dossier SAB, archief Sint-Pieters, n° 119. We citeren hierna de kranten alleen nog als het om een informatie gaat die we slechts in één krant vonden.

[38] Johannes Christiaens (Oostkamp 1805 – Sint-Pieters-op-de-Dijk 1854).

[39] RAB, APB 1e Afd 1847 n° 19, brief van 2 maart van de gemeente St-Pieters aan de gouverneur en de arrondissementscommissaris: “Christiaens fait une grande spéculation dans les grains et ne se gêne pas de divulguer que le prix haussera encore de beaucoup. Ce qui le rend odieux envers le public.”; GvBr 3 maart 1847: “op voorwendsel dat gemelde bakker aan de opkooping der granen een werkzaam deel nam”.

[40] Alleen JdBr 3 maart 1847 meldt dat een boreling in huis was: hij werd er gemeld als vier weken oud.

[41] Alle leden van de familie Christiaens verklaarden dat het om Bruggelingen ging, hoewel ze meteen ook zegden dat ze voor hen onbekenden waren. Ook de veldwachter verklaarde dat de plunderaars Bruggelingen waren en hij wees er drie aan, waaronder één volwassene.

[42] In alle kranten werd gemeld dat hij niets wilde betalen. Dit was dus ook niet helemaal juist.

[43] RAB, APB 1e Afd. 1847 n° 19: verslag van de arrondissementscommissaris aan de gouverneur.

[44] RAB, APB 1e Afd. 1847 n° 19: brief van 2 maart van de gemeente Sint-Pieters aan de gouverneur: “on a seulement dévasté toute la boutique”. Zie ook de inventaris van de aangerichte schade.

[45] De Bo: rond koekje uit bloem en melk gebakken, met een kuiltje of put in het midden.

[46] Van Dale: mastelein- of masteluinbrood: brood gebakken met een mengsel van half tarwe en half rogge.

[47] JdBr 3 maart 1847: “Ils ne respectent rien que le sel, ce qui prouve la puissance des préjugés populaires, même dans les plus grands excès de la populace”. Dit dus in tegenstrijd met de inventaris.

[48] SAB, Archief Sint-Pieters n° 119. De inventaris geeft een gedetailleerde en totale waarde aan van de geplunderde en vernielde goederen: 638,47 fr. dit zal ten belope van 500 fr. vergoed worden, elk voor de helft, door beide betrokken gemeentebesturen (zie o.m. Gemeenteblad Brugge, Deel 4, gemeenteraadszittingen van 6 mei en 5 augustus 1848).

[49] Napoleon Kellner (1812-1863), veldwachter en manusje-van-alles van de landelijke gemeente Sint-Pieters.

[50] NdFl 3 maart 1847: “Sur ces entrefaites le garde champêtre de la commune était venu à Bruges requérir l’assistance des gendarmes”. Dit klopt niet met de eigen verklaring van de veldwachter in het door schepen Ardenois opgemaakt proces-verbaal. Dit punt zal niet zonder belang blijken wanneer de gemeente Sint-Pieters de schadevergoeding ten laste van de stad wilde leggen, omdat de daders Bruggelingen waren. De stad antwoordde geneigd te zijn om hierover te procederen, op het argument dat de veldwachter niet de nodige inspanningen had gedaan om de plundering te bestrijden. (Zie; SAB, archief Sint-Pieters n° 119).

[51] Later geïdentificeerd als Jan Verbeke (16 jaar).

[52] Later geïdentificeerd als Bernard Peuteman (19 jaar)

[53] Later geïdentificeerd als Joseph Hoste (31 jaar)

[54] Wie was het die ging verwittigen? Het wordt nergens gemeld, tenzij dan het foutieve bericht over de veldwachter. Wellicht was het vrouw Christiaens zelf of iemand van de familie, aangezien ze allen naar Brugge vluchtten. In het verslag van de politiecommissaris lezen we dat het bericht bij hem binnenkwam en hij het aan het parket overmaakte (SAB-oproer n° 3).

[55] Jacques Boyaert, luitenant van de Rijkswacht, geb. 1798 woonde Predikherenrei B8-57 (Rijkswachtkazerne) sedert 15 okt. 1846. Zijn bravourestuk tijdens het oproer zal hem wellicht betere bekendheid hebben bezorgd. In 1847 werd hij lid van de schuttersgilde Sint-Joris (A. VANHOUTRYVE, De Brugse kruisbooggilde van Sint-Joris, Handzame 1968, blz. 251).

[56] RAB, APB 1e Afd 1847 n° 19, rapport van Lt. Boyaert aan de gouverneur.

[57] JdBr 3 maart 1847.

[58] zie voetnota 56.

[59] Guillaume Van den Bussche (Leuven 10 april 1793 – Sint-Joost-ten-Node 30 november 1881).

[60] zie voetnota 56; JdBr 3 maart 1847.

[61] Amand Bogaert (° 1788), Markt D21-4.

[62] StvVl 3 maart 1847.

[63] JdBr 3 maart 1847; loochenstraffing in NdFl 8 maart 1847.

[64] GvBr 5 maart 1847; JdBr 4 maart 1847.

[65] JdBr 3 maart 1847.

[66] StvVl 4 maart 1847.

[67] GvBr 3 maart 1847.

[68] StvVl 4 maart 1847.

[69] JdBr 4 maart 1847.

[70] RAB, Corr. Rechtb. 1847, Dossier 542 tegen Jan Simon, Jan Minnebo, Jan Brilleman en Bernard Crawat; Dossier 543 tegen Emmanuel Van de Voorde, François Van de Voorde en Louis Inslegers.

[71] StvVl 4 maart 1847.

[72] JdBr 4 maart 1847 is de enige om dit bericht mee te delen, waarover in het dossier SAB-oproer geen sprake is. NdFl 8 maart 1847 loochenstrafte het.

[73] François de Caluwé – de Madrid (1797-1857), hoofdcommissaris van politie, Oude Zak D6-32-2.

[74] RAB, APB 1e Afd. 1847 n° 19, brief van 4 maart 1847 van de gouverneur aan de Theux.

[75] SAB-oproer n° 16.

[76] JdBr 5 maart 1847 over de toestand op Donderdag 4: “seuls quelques ouvriers et quelques curieux rassemblés vers le soir sur la Grand Place et quelques patrouilles qui sillonnaient les rues”.

[77] NdFl 24 aug 1847 – JdBr 26 aug 1847.

[78] RAB, corr. rechtb. 1847.

[79] RAB, APB 1e Afd. n° 20 en 21 politieverslagen: maandelijkse verslagen door de stad Brugge; JdBr 15/01, 16/01 en 25/02/1847; StvVl 16/02/1847; RAB, Corr. rechtb.1847, veroordeling Pieter Cobbaert, 18 jaar uit Maldegem tot 7 maanden gevangenis voor het ingooien van de ruiten bij bakker Rooryck.

[80] RAB, APB 1e Afd, n° 20 en 21.- In de Brugse politieverslagen over de periode januari – mei vindt men de volgende herkomst vermeld voor de auteurs van winkeldiefstallen: Tielt (7 maal), Meulebeke (5 maal), Wingene (3 maal), Ruiselede en Gent (2 maal), Maldegem, Torhout, Pittem, Aalter, Koolskamp, Oostrozebeke, Ruddervoorde (1 maal). De aanhoudingen op 2 en 3 maart zijn hierin niet begrepen: toen ging het wel om Bruggelingen.

[81] RAB, corr. rechtb. 1847, dossier Charles Depuydt, 21 jaar, uit Kortemark, veroordeeld tot vier maanden gevangenis voor het stelen van zakdoeken op de Zaterdagmarkt in Brugge.

[82] Natuurlijk in JdBr.

[83] SAB, Police générale, objets divers (varia) 1843 à 1854 (n° 124), affaire Pieter Simon; RAB, corr. rechtb. 1847, dossier Pieter Simon; J. DE SMET Met de zwarte vlag rond de stad lopen, Brugge, 1847, in: Biekorf 1956, blz. 173-178. Het parket liet Simon enkele weken in de cel “afkoelen” en begin april werd hij van vervolging ontslagen en vrijgelaten.

[84] JdBr 11 april 1847.

[85] SAB-oproer nrs. 45 en 46.

[86] SAB-oproer n° 44.

[87] RAB, APB 1e Afd. 1847, n° 19: rapporten van 12 en 19 april 1847.

[88] SAB-oproer n° 49; Gemeenteblad Brugge, Deel 4, Crise des subsistances 1847. Rapport fait au conseil communalle 1er septembre 1847, die de schuld op de bakkers stak: “Il fut impossible de faire entendre raison à ces industriels qui se coalisèrent le jour de la procession du St-Sang et qui, par leursprétentions, faillirent occasionner de nouvelles émeutes” (blz 201) – Voortaan geciteerd als: Crise des subsistances.

[89] SAB – oproer n° 50 en 51.

[90] SAB-oproer n° 48 en 48bis; Gemeenteblad Brugge, deel 4, blz 505: 744 bedelaars werden aangehouden en terug buiten de stad gezet tijdens het jaar 1847.

[91] JdBr 21/22 mei 1846: deelt mee dat dagelijks een massa kinderen tussen 7 en 12 jaar, vooral uit het Tieltse, in Brugge kwamen bedelen en een hartvserscheurend schouwspel boden; NdFl 18 mei 1847: “grand nombre de mendiants étrangers parcourent la ville”; StvVl 30 juni 1847: “Waarom laat de politie zoveel straatjongens de voorbijgangers om aalmoezen achterna lopen”.

[92] NdFl 11 mei 1847.

[93] Gemeenteblad Brugge, Deel 4, Jaarverslag 1848, blz. 506.

[94] Meulemeester: Jacques De Meulemeester-Marlier, brouwer, commissionaris en aannemer van fournituren, Potterierei en (of) Antoine De Meulemeester – De Brabander, Rozendal; Rolleghem: waarschijnlijk Pierre Van Rolleghem, bakker – Dewulf: wellicht Eugène De Wulf, bakker – Vos: Pierre De Vos – Ryelandt (1794-1856), bankier, Oude Burg C1-73 – Famechon: Carlos Famechon (°1807), commissionaris, Oude Burg C20-18 – Fourny : Jean-Baptiste Fourny (°1807), reder ter visserij en haringroker, Spinolarei – Piessens-Taffin: Jacques Piessens-Taffin (°1810), makelaar en scheepsmakelaar, secretaris van de Syndicale kamer van de Beurs, Boomgaardstraat A4-25.

[95] SAB-oproer n° 5; NdFl 3 aug. 1847; origineel van het biljet in RAB, corr. rechtb. 1848, dossier tegen priester Beeckman.

[96] SAB-oproer nrs. 52 en 53.

[97] SAB-oproer n° 52.

[98] Felix Amand de Mûelenaere (1794-1862) – Biographie Nationale V – 573.

[99] NdFl 7 juli 1847; JdBr 6 juli 1847.

[100] Philippe Bernard Verhulst – Van de Poele (1777-1858), eigenaar, Oude Burg C20-8, schepen van Brugge van 1836 tot 1854.

[101] SAB, Notulen schepencollege, 5 maart 1847; MB 4 maart 1847; RAB, APB 1e Afd. 1847, n° 19: gedrukte proclamatie n° 2994; SAB-oproer n° 4; Volgens de Impartial de Bruges 4 maart 1847 (geciteerd door MB 6 maart 1847) zou tot dit samenscholingsverbod besloten zijn tijdens de crisisbijeenkomst die de 3de in de voomiddag onder voorzitterschap van de gouverneur werd gehouden. De Impartial kon het waarschijnlijk goed weten, gelet op zijn nauwe banden met provinciaal griffier Charles Devaux, die zelfs doorging als de hoofdredacteur van deze krant..

[102] SAB- oproer, nrs 3 en 16.

[103] SAB-oproer n° 2.

[104] SAB-oproer n° 3.

[105] SAB-oproer n° 2.

[106] SAB-oproer nrs. 20 en 21.

[107] Charles Joseph Pletinckx (Brussel 2 januari 1797 – Middelkerke 15 augustus 1877).

[108] MB 7 maart 1847.

[109] Baron Albert Prisse (1788-1856), Biographie Nationale XVIII-270.

[110] MB 13 maart 1847.

[111] Volgens de Provincialen Wegwijzer van 1847 bestond de Brugse rijkswachtafdeling uit 25 manschappen onder de leiding van kapitein-commandant J. Sacré en van 1ste luitenant Boyaert. Jean-François Sacré (geboren in Luik 1895) was commandant van de Rijkswacht voor gans West-Vlaanderen. Hij woonde Predikherenrei B8-57 (in de rijkswachtkazerne). Vanaf 1836 was hij lid van de Sint-Jorisgilde. Hij vertrok terug naar Luik op 1 december 1851.

[112] RAP, APB 1e Afd. 1847, n° 19: rapport van 2 maart “à minuit”. Dit rapport tekent zijn auteur ten voeten uit: een rasechte “fonceur” die de geplunderde bakkerij ging veroveren als was het een versterkte burcht.

[113] SAB-oproer n° 31.

[114] Wat eigenlijk betekende op suggestie van de provinciale griffier Charles Devaux, commandant van de Chasseurs Eclaireurs, de “elitegroep” van de burgerwacht.

[115] A. VAN DEN ABEELE, Een episode uit de geschiedenis van de Brugse Burgerwacht, in: Brugs Ommeland 1981.

[116] SAB-oproer nrs 13 en 15. De hoofdmannen waren: sectie A, baron Edmond le Bailly de Tilleghem – de Man (1818-1887) – sectie B, Charles Serweytens (1812-1864), gemeenteraadslid – sectie C, Baudouin Roels (°1805) – sectie D, Bernard Jooris (°1791), gemeenteraadslid – sectie E, Leopold Thomas – Lafranco (1792-1862), gemeenteraadslid.

[117] SAB-oproer n° 15.

[118] idem. De bijeenkomsten vonden plaats in de cafés ‘t Keerske (sectie A), Halve Maan (B), Gouden Leeuw (C), Gouden Arend (D) en De Beurs (E). Sectie E vergaderde op het stadhuis.

[119] SAB-oproer n° 13.

[120] SAB, Copies lettres expédiées, brieven met expeditienummers 19040 en 19041.

[121] SAB-oproer n° 17.

[122] DN 7 maart 1847.

[123] NdFl 4 maart 1847.

[124] EAB, APB 1e Afd. 1847 n° 19, brief de Mûlenaere aan de Theux op 5 maart 1847 : “…une mesure qye j’ai suggéré à l’autorité communale et qui a été immédiatement adoptée…”

[125] baron Jean-Marie de Pelichy – van Huerne (1774-1859, Biographie Nationale, XVI-876.

[126] SAB-oproer, n° 4 en volgende.

[127] Jean-Jacques Verplancke (1801-1865),ongehuwd (en geen kiezer in 1848) woonde Sint-Annarei A8-9, samen met zijn ongehuwde broer en zijn drie ongehuwde zusters.

[128] Jean-Henri Maertens (1803-1857), gehuwd met barones Victoria Lauwereyns de Diepenheede, kleindochter van de Ancien Regime burgemeester Robert Coppieters en van schepen Charles Lauwereyns de Roosendaele de Diepenheede, woonde Ezelstraat D17-18. Zie L. SCHEPENS, a.w., blz. 527 die Maertens bij de liberale opnie rekende. We zijn daar niet zo zeker van: vergt nader onderzoek.

[129] Charles-Bernard Coppieters-Stochove woonde Vlamingstraat E4-18. E. COPPIETERS en C. VAN RENYNGHE DE VOXVRIE, Histoire pofessionnelle et sociale de la famille Coppieters 1550-1965, Brugge, 1966-67.

[130] JdBr 3 maart 1847.

[131] RAB, APB 1e Afd. 1847 n° 19, brief van 3 maart van de gouverneur aan de Theux; L’Impartial de Bruges, geciteerd inMB en in L’Organe des Flandres (Gent), beiden van 6 maart 1847: “…une réunion des autorités civiles, militaires et judiciaires chez le gouverneur et présidé par ce haut fonctionnaire…Résolu à disperser tout attrupement de plus de cinq personnes”. Allen de Impartial publiceerde dit bericht: provinciaal griffier Charles Devaux, medewerker aan de krant, was hiervoor ongetwijfeld de bron.

[132] JdBr 6 mars 1847: “…hier, l’aide de camp du ministre de la guerre est arrivé à Bruges et a conféré avec les autorités réunies en conseil au gouvernement provincial”.

[133] Gemeenteblad, Deel 4, Rapport crise, blz 195.

[134] SAB-oproer n° 18.

[135] SAB-oproer n° 18 (circulaire van 5 maart 1847).

[136] SAB, police périodique. Tarification du pain, 1843-1847.

[137] JdBr 26 maart 1847.

[138] MB 25 september 1845, n° 268. Zie JACQUEMYNS, a.w. blz. 270-273.

[139] MB 1847, Rapport au Roi, a.w. annexe X.

[140] idem, annexe IX.

[141] idem, annexe XXV; StvVl 4 maart 1847.

[142] idem, annexe XI; MB 8 maart 1847.

[143] idem, annexe XII; MB 14 maart 1847.

[144] MB 1847, Rapport au Roi, blz 2130. De operatie gaf aanleiding tot een deficit van slechts 66.930 fr. die door de schatkist werd gedragen.

[145] idem, annexe XIII.

[146] idem, annexe XVII. – de haast waarmee dergelijke wetten werden doorgedrukt is duidelijk. Malou diende het wetsontwerp in op 8 maart en ondanks de bemerking van een paar kamerleden dat men toch graag eerst over een gedrukt rapport wilde beschikken, werd de wet ‘s anderendaags eenparig door de Kamer goedgekeurd. Op 18 maart volgde de goedkeuring door de Senaat. (L. HEYMANS, Histoire parlementaire de la Belgique de 1831 à 1880, Tome II, Bruxelles, 1879, blz. 536 en 586.)

[147] o.m.. de wet van 6 mei 1847: 300.000 fr. toelage voor het planten van aardappelen; mei 1847: bijzondere maatregelen ten gunste van de katoenfabrieken in Gent (MB 1847, blz. 2132).

[148] A. VERMEERSCH, a.w., blz. 97 kwam tot een zelfde conclusie wat betreft de nieuwsbladen: “Al deze wanordelijkheden vegen in de pers met één ruk alle ontwijkende overwegingen weg. Nu luidt de vraag niet meer: “Wat zal het volk eten?” maar wel “Het volk moet te eten krijgen, het koste wat het wil. Alle bladen waren het erover eens dat het rumoer een hongerrefleks was die onvermijdelijk was geworden.

[149] SAB, copies lettres expédiées 1847, brief van 2 maart aan minister de Theux.

[150] MB, Rapport au Roi, a.w. annexe III, Circulaire de Mr de Theux aux gouverneurs du Brabant, du Hainaut et des deux Flandres: “Le travail est préférable à l’aumône et procurer de l’ouvrage aux populations désoeuvrées, c’est préserver leur moralité en même temps qu’assurer leur subsistance”.

[151] MB, Rapport au Roi, a.w. is eveneens een goede eigentijdse bron nopens de initiatieven voor werkverschaffing, vooral de annexes XXII, XXIII en XXIV.

[152] JACQUEMYNS, a.w., is op dit punt duidelijk.

[153] MB, Rapport au Roi, a.w., annexe XXI, XXIII, XXIV.

[154] Annales parlementaires, 1847, blz. 1013, zitting van 4 maart 1847, de Brugse volksvertegenwoordiger en procureur des konings Maertens: “En terminant, je conjure la Chambre d’accorder le plus tôt possible le crédit demandé. Vous savez ce qui se passe dans ma localité. Le moyen d’y mettre un terme, c’est de faire exécuter des travaux à Bruges, où la misère est si grande”.

[155] MB 9 aug 1847, Rapport au Roi, a.w., blz. 2132: “Les circonstances sont déjà tellement changées, qu’aujourd’hui les bras manquent à plusieurs travaux publics, même dans les Flandres”.

[156] Felix Dujardin (1769-1848), bankier en industrieel, woonde met zijn echtgenote Franciska Sabot in de Eekhoutstraat C17-48.

[157] SAB, notulen gemeenteraad 27 – 29 maart 1847. Dujardin ontving een premie gelijk aan de kaairechten die hij moest betalen voor alle materialen, kolen, grondstoffen en afgewerkte producten met betrekking tot zijn nieuw bedrijf. Wat later, bij beslissing van de gemeenteraad van 16 september 1848 verkreeg hij ook vrijstelling van octrooirechten op de door hem aangekochte steenkool. Zowel voor deze hulp als voor de hiernavolgende ten gunste van Grossé (de twee enige van die aard in 1847) werd de gemeentelijke beslissing genomen een paar weken na het hongeroproer.

[158] Gemeenteblad Brugge, deel 4, jaarverslag 1848, blz. 177 en SAB, notulen gemeenteraad, blz. 52 en 63.

[159] SAB, Industrie nationale, Exposition de 1847.

[160] NdFl 13 en 30 april 1847. De “Cercle commercial et industriel” of “Kring voor handel en nijverheid van het arrondissement Brugge” zou bijna honderd jaar blijven bestaan, weze het met hoogten en laagten. In 1941 kwam uiteindelijk een fusie tot stand met de Kamer van Koophandel (zie: Caemere van Negotie ende Commercie van Brugghe 1667-1967, Brugge, 1967, blz. 65).

[161] JdBr o.m. 29 januari en 3 februari 1847 en GvBr 10 maart 1847.

[162] JdBr 23 januari 1847.

[163] JdBr 28 januari 1847 – burggraaf Edouard de Nieulant (1792-1874) was op dat ogenblik ook provincieraadslid (zie: L. SCHEPENS, a.w., blz. 468).

[164] E. REMBRY, De bekende pastoors van Sint-Gillis te Brugge, Brugge, 1890-96, blz. 549. – Fredericus Van Coillie (1804-1884), pastoor-deken van Sint-Gillis (van 1841 tot 1882).

[165] Dit gaf trouwens bij herhaling aanleiding tot het in omloop komen van namaakbons, o.m. ten nadele van de onderpastoors Delrue (Sint-Salvators) en Claerhoudt (Sint-Walburga). Zie GvBr 15 maart 1847 en JdBr 1 mei 1847; RAB, Corr. Rechtb. de dossiers over de daders van deze bons.

[166] JdBr 23 januari 1847.

[167] JdBr 8 januari 1847 – Ridder Ernest Peers (1804-1895) op dat ogenblik nog provincieraadslid, werd bij de verkiezingen van 1848 tot liberaal volksvertegenwoordiger gekozen (Zie L. SCHEPENS, a.w., blz. 541).

[168] JdBr 30 januari 1847.

[169] JdBr 2 februari 1847.

[170] GvBr 5 maart 1847.

[171] Gemeenteblad Brugge, Deel 4, begrotingen en rekeningen 1846 en 1847.

[172] idem, blz. 481.

[173] Leo De Foere (1787-1851), priester en politicus – Nat. Biogr. Woordenboek III-313.

[174] JdBr 7 januari 1847.

[175] Een aantal voorbeelden in G. JACQUEMYNS, a.w., blz. 311-312.

[176] StvVl 4 maart 1847.

[177] JdBr 10 januari en 11 april 1847.

[178] Zie hierover vooral de tot hiertoe nog onbenutte archieven in BAB, dossier 520; JdBr 23 januari 1847.

[179] François R. Boussen (Veurne 1774 – Brugge 1848) – B. JANSSENS DE BISTHOVEN, Het bestuur van Mgr Boussen, in: Collationes Brugenses, 1948, blz. 298-302.

[180] Appel à la charité des riches du diocèse de Bruges et des autres diocèses de la Belgique (originele tekst in BAB, C520; JdBr 16 januari 1847.

[181] Deze commissie, voorgezeten door Jean de Croeser – van Caloen, bestond uit de heren Felix Dujardin, Jean-Bapt Van Ockerhout – van Caloen, Charles Van Steenkiste –Retsin en de kanunniken J. O. Andries en D. Heene. De bisschop wilde het initiatief duidelijk door iedereen aanvaard zien, zodat er twee leden van liberale strekking waren (weliswaar pratikerende katholieken: Dujardin en Van Steenkiste). De alomtegenwoordigheid van J. O. Andries en C. Carton en in mindere mate van D. Heene, op alle fronten van de intellectuele en caritatieve bedrijvigheid in Brugge, is opmerkelijk.

[182] SAB, Actes de bienfaisance, Soulagement des malheureux de la Flandre Occidentale, 1848. Hierin bevindt zich een kleine fascicule: Compte-rendu des opérations du comité provincial de secours, établi à Bruges, pour le soulagement des malheureux de la Flandre Occidentale, publié en vertue de l’article 9 de ses statuts, année 1848, Bruges, imprimerie A. Bogaert, 16 blz. (De tabel van de ingezamelde giften slaat waarschijnlijk op het jaar 1847; de vermelding van de gift van de koning wijst in die richting, tenzij hij in 1848 nogmaals een zelfde gift deed). G. JACQUEMYNS vermeldde als berustend op het stadsarchief de “Archives du comité provincial de secours, établi à Bruges pour le soulagement des malheureux de la Flandre Occidentale”, maar een echt archief, behalve enkele fragmenten en het hierboven gemelde drukwerk, hebben we er niet gevonden. De originele stukken van het Comité provincial de secours berusten, zoals reeds gemeld, in BAB, n° C520.

[183] J.B. Coppieters ‘t Wallant (1806-1860), zoon van burgemeester J. B. Coppieters, schoonzoon van volksvertegenwoordiger C. Coppieters – Stochove, later zelf ook volksvertegenwoordiger. (L. SCHEPENS, a.w., blz. 431, woonde Sint-Jansstraat A3-3.

[184] SAB, notulen gemeenteraad, zitting 4 maart 1847.

[185] Gemeenteblad Brugge, deel 4, jaarverslag 1847, blz. 463..

[186] Voor gans dit hoofdstuk baseren we ons hoofdzakelijk op Crise des subsistances 1847, rapport fait au conseil communal le 1er septembre 1847, in: Gemeenteblad Brugge, deel 4, blz. 191-220. De originele tekst in handschrift berust in SAB, Résolutions du conseil communal n° 20 (1846-1847), blz. 202 en volgende. G. JACQUEMYNS, a.w. heeft voor zijn verhaal wat Brugge betreft eveneens op dit rapport gesteund, hoewel hij het niet expliciet als bron vermeldt. Dit rapport is van een belangrijke documentaire waarde, zowel omwille van de nauwkeurige cijfergegevens als van de argumentaties en beschouwingen die er aan toegevoegd zijn en die zeer goed het tijdsklimaat weergeven. Dit rapport toonde meteen aan hoe ernstig men de crisis in 1847 had aangevoeld: noch voor de vorige noch voor de volgende jaren voelde men de noodzaak aan een gelijkaardig rapport op te stellen.

[187] Wet van 20 december 1846: toelage van 1.500.000 fr te verdelen over de getroffen gebieden.

[188] SAB, notulen gemeenteraad, zitting 21 januari 1847: 5.000 fr. goedgekeurd; in zitting van 27 en 29 maart 1847 werd nog een bijkomende toelage van 3.000 fr. goedgekeurd.

[189] NdFl 16 januari 1847.

[190] Het Comité bestond uit de dames Felix Dujardin-Pavot, C. Serweytens- de Mercx, gravin de la Serna, Van der Hofstadt – Dujardin, Goddyn-Devaux, Ryelandt, dames uit klerikale en liberale middens dus. Kanunnik D. Heene en priester C. Carton maakten er eveneens deel van uit.

[191] Gemeenteblad Brugge, deel 4, rapport Crise des subsistances, blz. 192-194.

[192] SAB, notulen gemeenteraad 27 februari 1847.

[193] Gemeenteblad Brugge, deel 4, blz. 40, vermeldt wel kleinere werken die werden uitgevoerd; zo werd 1.000 fr. betaald aan een extra-ploeg voor sneeuwruiming.

[194] SAB, copies lettres expédiées 1847, brief van 2 maart 1847 aan de Theux (expeditienummer 18986).

[195] SAB, notulen gemeenteraad 2 maart 1847: “Comme l’administration et les habitants ont épuisé toutes leurs ressources pour alléger le sort du pauvre, il n’est guère possible que le conseil songe à l’exécution de la mesure, si le gouvernement n’intervient pas dans la dépense”.

[196] Joseph Van der Linden (1798-1877) woonde in het Krom Genthof F3-33 en was sedert 1840 de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Financiën met standplaats in Brugge: directeur van de Schatkist. Sedert 1846 was hij liberaal gemeenteraadslid. Het is dezelfde Joseph Van der Linden die in 1830 lid was van het Voorlopig Bewind. In 1850 verliet hij Brugge voor Mons. Over hem, zie: DU BUS DE WARNAFFE en C. BEYAERT, Le Congrès National. Biographie des membres du Congrès national et du gouvernement provisoire 1830-1831, Bruxelles-Paris 1930.

[197] SAB, notulen gemeenteraad 2 maart 1847.

[198] Graaf Barthelemy F. de Theux de Meylandt (1794-1874) – Biographie Nationale XXIV – 323.

[199] De Theux zag weinig heil in dergelijke toelagen die fundamenteel niets oplosten en het de gemeenten te gemakkelijk maakte. Zie: Annales parlementaires 1847, blz. 782, zitting van 11 februari 1847: “Qu’on ne vienne pas d’autorité ou de force arracher au gouvernement des subsides, les lui faire accorder imprudemment et légèrement. C’est à quoi il ne consentira pas”.

[200] SAB, notulen gemeenteraad 4 maart 1847.

[201] SAB, notulen gemeenteraad 11 maart 1847: de onlangs schepen geworden Louis Delescluse (1807-1858- (zie L. SCHEPENS, a.w., blz. 459) en het onlangs verkozen gemeenteraadslid Jules Boyaval (1814-1879 (zie Journal de Bruges 14/15 en 18 september 1879) werden naar eerste minister de Theux gestuurd “pour savoir les mesures que le gouvernement a cru devoir prendre pour l’approvisionnement du pays”.

[202] SAB, notulen gemeenteraad 13 maart 1847.

[203] SAB, notulen gemeenteraad 11 maart 1847.

[204] JdBr 20 maart 1847 had kritiek op het systeem: om de bon met 6 ct. vermindering te kunnen krijgen, moest men soms tot 2 uur in de rij staan. Het totale broodverbruik werd op 25.000 kg per dag geschat. Van half april tot half juni werd tussen de 8 à 10.000 kg bij middel van broodbons aangekocht. (Gemeenteraad Brugge, deel 4, rapport Crise des subsistances 1847, annexe I).

[205] In feite 10 ct. omdat met de bakkers werd overeengekomen dat ze voor de broodbons 1 ct. op de officiële prijs lieten vallen.

[206] Ter vergelijking: de stad Gent nam een gelijkaardig initiatief tijdens dezelfde periode. Het aantal broden was nagenoeg gelijk (voor een veel groter bevolkingsaantal): 872.612 en er werd 112.566,47 fr. aan besteed: een dubbel zo hoog bedrag als in Brugge, omdat de prijs van het brood er méér steeg en Gent minder inspanningen deed voor de vermindering van de graanprijzen (JACQUEMYNS, a.w. blz. 287).

[207] Gemeenteblad Brugge, deel 4, Crise des subsistances 1847, blz. 214.

[208] SAB, notulen gemeenteraad 11 maart 1847. Naast de gemeentelijke inspanning zijn nog twee andere initiatieven te vermelden. Door de gouverneur en door het stadsbestuur werden inspanningen gedaan om de landbouwers aan te moedigen met hun graan naar de zaterdagmarkt te komen en niet weg te blijven uit vrees voor opstootjes (JdBr 4 maart 1847, Impartial de Bruges 4 maart 1847, NdFl 9 maart 1847, GvBr 5maart 1847 en SAB, notulen gemeenteraad 11 maart 1847 en copies lettres expédiées n° 19056). Van hun kant beslisten een aantal graanhandelaars geen graan meer aan te kopen op de binnenlandse markt maar alleen in het buitenland, teneinde aldus het aanbod te doen toenemen. Ze verbonden zich 100 fr. boete per hectoliter te storten voor de armen indien ze op aankoop van inlands graan werden betrapt (GvBr 12 maart 1847, NdFl 15 maart 1847).

[209] Gemeenteblad Brugge, deel 4, Crise des subsistances 1847, blz. 210-215.

[210] SAB, notulen gemeenteraad 27 maart 1847. Volgens NdFl van 8 en 17 april 1847 waren het de zogenaamde “progressisten” of liberalen, met uitzondering van Ernest Marlier, die in de gemeentaraad tegen de maatregel hadden gestemd.

[211] SAB, notulen gemeenteraad 12 en 17 april 1847.

[212] De stad Gent deed dezelfde operatie, van maart tot augustus 1847 met een verlies voor de stadskas van 42.792,01 fr. (G. JACQUEMYNS, a.w. blz. 287).

[213] Een andere vorm van prijsbeïnvloeding gebeurde voor het vlees: de octrooirechten werden van 10 op 6 % gebracht. We hebben geen becijferde gegevens gevonden over deze maatregel, die trouwens pas vanaf 5 juni 1847 in voege kwam en die we dan ook binnen ons tijdskader buiten beschouwing laten (Gemeenteblad Brugge, deel 4, blz. 69)

[214] Gemeenteblad Brugge, deel 3, blz. 133 en deel 4, blz. 313, 316, 320, 325, enz.

[215] De stad beschikte over onvoldoende middelen om deze belangrijke operaties te financieren en leende o.m. bij hoogdringendheid 100.000 fr. bij Felix Dujardin om de aankopen in Antwerpen te betalen (SAB; copies lettres expédiées, brief van 11 mei 1847).

[216] Gemeenteblad Brugge, deel 4, jaarverslag 1848, blz. 450. Buitengewone leningen aangaan, niet om investeringen te financieren, maar gewoon om de bevolking te eten te geven: toppunt van onorthodox beleid! Alleen het besef van de onhoudbaarheid van de toestand kon de verantwoordelijken tot deze beslissingen overhalen.