HET HOF VAN RAVENSTEIN IN BRUGGE

A. Van den Abeele

In een beschrijving uit 1542 van de brouwerij Ter Drie Muenicken, gelegen in de Langestraat tegenover het Predikherenklooster lezen we: "(... ) achterwaert streckende tvoors huus ende brouwerie met eenen achterhuuse, turfhuuse, zwynecote ende plaetse van lande metten muere ende poortkin daer thendenstaende utcommende met eenen houten brugskin over 't cleen Reyken, noers jeghens over de poorte ende muere wylen ghenaempt thof van Ravestein ter deser date toebehoorende joncheer François van Doignies, heer van Kennoy" [1].

Zoals we hierna zullen vaststellen was dit gewezen Hof van Ravestein een eigendom bestaande uit een monumentaal herenhuis en bijhorende gebouwen, gelegen op de exacte plek waar thans o.m. het grote 18de-eeuws herenhuis staat met als adres Molenmeers 11 en het erbij horend huis op nr. 9. De schitterende gevel die uitgeeft op de Sint-Annarei geniet terecht grote waardering [2]. Op dezelfde plek stond vóórdien een "notabele woonst" waarvan we ons een tamelijk precies beeld kunnen vormen aan de hand van de weergave ervan op de kaart van Marcus Gerards uit 1562.

Het ging duidelijk om een aanzienlijke herenwoonst met monumentale traptoren en bijgebouwen, zoals alleen de aristocratie het zich kon veroorloven.

Leffingemuur

De grond waarop het huis gebouwd stond, was in het feodaal stelsel gekend onder de naam Leffingemuur. Het ging om een leen dat afhing van de Burg van Brugge, met andere woorden van de graaf zelf. De weergave op de kaart van Marcus Gerards en ook nog in zekere mate de huidige toestand, geven een aanwijzing waarom dit leen Leffingemuur heette.

De eerste vermelding van dit leen vond Karel de Flou (Woordenboek der Toponymie) in 1399. Volgens Adolf Duclos (Bruges, Histoire et souvenirs, blz. 562) stond de herenwoonst er al in 1282 en werd Hof van Leffinge genoemd. Ernaast lag een stuk grond dat vroeger een vijver was geweest, verder als leen onder de naam Leffinghe viver bekend bleef en een oppervlakte van 3500 m² had [3].

Het Hof van Leffinge werd wellicht door een belangrijke medewerker van de graaf gebouwd (door een heer van Leffinge?) op de grond die hij in leen had gekregen. Verdere opzoekingen zullen wellicht toelaten de naam van de leenhouder en dus misschien van de bouwheer terug te vinden.

In de leenregisters van de Burg vinden we de leenhouders vanaf de tweede helft van de 15de eeuw. Omstreeks 1450 was dit Jooris de Brune. De beschrijving op het ogenblik dat hij Leffingemuur in 1467 te koop stelde luidde: "Jooris de Brune 2 linen 5 (of 50?) roeden lands meer of min staende te vullen coope twelk leen es gheheeten Leffinghe met al den huusen diere up staen, staende en ligghende binderstede van Brugghe an de Muelnemersch ende binder prochie van Sinte Cruus"[4].

De Jooris de Brune waarvan sprake was waarschijnlijk degene die in 1434 schepen van de stad Brugge was, nadat hij in 1423 hoofdman en tussen 1427 en 1431 raadslid was geweest.  Zoniet was het, aangezien er toch dertig jaar tussentijd was, een familielid.  Er waren heel wat De Brunes actief in het bestuur van de stad en van het Vrije[5].

Op niet nader bepaalde datum na 1467 werd het leen aangekocht door Tanne van Steenborch, echtgenote van Nicolaes Fierens[6]. Zonder twijfel ging het om de Claes Fierens die tussen 1467 en 1500 regelmatig schepen van het Brugse Vrije was en van 1474 tot 1478 ontvanger-generaal van het Vrije[7].

Mevrouw van Ravestein

Op een onbekende datum, na de dood van Tanne of Anna van Steenborch, wellicht kort na 1470, kwam het leen op naam van Anna van Bourgondië (ca. 1435-1508)[8].  Deze bastaarddochter van Filips de Goede had als moeder Jacoba van Steenberghe[9].  Het is verleidelijk te denken - en zelfs goed mogelijk - dat Tanne van Steenborch of Steenberghe haar tante was en dat zij het Hof van Leffinghe, m.a.w. het leen Leffingemuur van haar erfde.

Een andere mogelijkheid is dat het leen na de dood van Tanne, bij gebrek aan rechtstreekse opvolgers, terug in het bezit van de graaf kwam.  In dit geval zou Anna het leen als deel van haar bruidschat ontvangen hebben.

Anna van Bourgondië, geboren rond 1435-1440 kreeg zoals alle hertogelijke bastaardkinderen een prinselijke opvoeding.  In 1457 werd ze uitgehuwelijkt aan één van de raadgevers van Filips, de weduwnaar Adriaan van Borsele.  Hij stierf in 1468, vergiftigd naar men fluisterde[10].  Anna van Bourgondië speelde een niet onbelangrijke rol aan het Hof. Zij trad o.m. op als verantwoordelijke voor de opvoeding van Maria van Bourgondië (1457-1485) en van de adellijke jongens en meisjes die samen met haar hun opleiding aan het Bourgondisch hof kregen[11].

In 1470 huwde ze een tweede maal, met de weduwnaar Adolf van Kleef (1425-1492), heer van Ravestein en Wynendale.  In het leenregister staat ze vermeld als zijn echtgenote, zodat ze dus normaal niet vóór 1470 in het bezit van Leffingemuur is gekomen[12]

Adolf van Kleef

Haar tweede echtgenoot was één van de voornaamste personages aan het Bourgondisch hof.  Zoon van hertog Adolf van Kleef (1373-1448) en van Maria van Bourgondië (ca. 1400-1463), dochter van Jan zonder Vrees, was Filips de Goede dus zijn oom.  Hij huwde in 1453 met Beatrijs van Portugal (1435-1462) de uit haar geboorteland gevluchte prinses die haar toevlucht kwam zoeken bij haar tante Isabelle, de echtgenote van hertog Filips.

Adolf van Kleef bleef zijn leven lang een eersterangsrol spelen bij de opeenvolgende hertogen[13].  Wanneer deze in Brugge verbleven, dan was hij er ook.  In de Brugse kronieken komt zijn naam veelvuldig voor, vooral naar aanleiding van grote plechtigheden, zoals begrafenissen (Filips de Goede en Maria van Bourgondië), huwelijken, geboorten, tornooien of wapenpassen en ook bij activiteiten en kapittelbijeenkomsten van de Orde van het Gulden Vlies waar hij in 1456 lid van werd.  Ook bij politieke aangelegenheden en o.m. bij conflicten tussen de hertogen en de stad Brugge trad hij meermaals op de voorgrond.

Vóór 1470 had hij waarschijnlijk elders in de stad een residentie.  Misschien verbleef hij in het kasteeltje van zijn broer[14] of zoniet betrok hij enkele vertrekken in het Prinsenhof.  Men mag aannemen dat hij vanaf ongeveer 1470 het huis in de Molenmeers als zijn Brugse residentie in gebruik nam en men het van toen af als Hof van Ravestein betitelde.

Filips van Kleef

Uit het huwelijk van Adolf van Kleef en Beatrijs van Portugal werd Filips van Kleef (1456-1528) geboren[15]. Op de bewogen en boeiende levensloop van deze belangrijke krijgsheer en politiek figuur kunnen we hier niet uitgebreid ingaan.  Het spreekt vanzelf dat ook hij, opgevoed aan het Hof, samen trouwens met Maria van Bourgondië, vaak in Brugge verbleef. Zijn naam komt nog méér dan die van zijn vader voor in de Brugse kronieken, omdat hij er vooral in de periode 1482-1492 een belangrijke rol heeft gespeeld, eerst als vertrouwensman van Maximiliaan tegen de Vlaamse gemeenten en van 1488 tot 1492 als aanvoerder van de gemeentelijke revolte tegen die zelfde Maximiliaan.

Het keerpunt hierin was de vernederende gevangenneming van Maximiliaan in Brugge (februari-mei 1488). Toen zijn wekenlange opsluiting een einde nam en uitmondde op een vredesovereenkomst, moest die door Filips van Kleef als één van de voornaamste acteurs in dit politieke drama mede ondertekend worden. Hij moest hiervoor van Sluis komen, die hij bezet had gehouden in dienst van Maximiliaan. Omdat hij op de aankomst van Filips moest wachten, begaf Maximiliaan zich op 16 mei 1488 met zijn gevolg naar de Molenmeers en liet er zich in het Hof van Ravestein een maaltijd serveren[16].

Adolf van Kleef overleed in 1492 en Filips van Kleef verliet voor enkele jaren de Nederlanden rond 1498. Er bleef dus alleen nog de weduwe van Adolf over om de Brugse residentie te benutten. Na 1492 kwam het Bourgondisch hof niet vaak meer naar Brugge.  Mevrouw van Ravestein verbleef hier wellicht méér, alleszins overleed ze er op 15 januari 1508.

In 1501 was ze alvast nog leenhoudster, zoals blijkt uit de registers waar ze aldus werd vermeld: "Vrouwe Anna van Bourgogne, douagiere van Ravestein, houd een leen groot zijnde 2 lijnen 50 roeden lands lettel meer of min, twelk leen es gheheeten Leffinghemuer met alle den huusen diere upstaen, staende ende ligghende binder stede van Brugghe ande Muelenmeersch ende hinder prochye van Sinte Cruus[17]".

Ze bleef houder van het leen tot 1501 of ten laatste tot aan haar dood begin 1508.

Boudewijn van Bourgondië

Na Anna van Bourgondië kwam Leffingemuur in het bezit van haar halfbroer Boudewijn van Bourgondië of van Rijsel (1446-1508). Hij was de zoon van Filips de Goede en van één van zijn talrijke maîtresses, Catherine de Thieffries[18].

Zoals de andere hertogelijke bastaards kreeg hij een uitstekende opvoeding. Zijn aanwezigheid aan het Bourgondisch hof betekent dat hij vaak in Brugge was, in het kielzog van zijn vader, van zijn halfbroer de latere Karel de Stoute en vooral van zijn halfbroer Antoine van Bourgondië, genaamd de Grote Bastaard, die veel in Brugge vertoefde en er zeer populair was.  Boudewijn was o.m. in Brugge voor de begrafenis van Filips de Goede: hij hield één van de hoeken vast van het gouden laken dat over de lijkkist lag[19].

In 1468 was hij op de feesten aanwezig bij het huwelijk van Karel de Stoute en Margaretha van York en nam hij deel aan het Wapenpas van de Gouden Boom, op het getouw gezet door zijn halfbroer Antoine.

Boudewijn van Bourgondië behoorde tot diegenen die twijfelden of ze zouden ingaan op de avances van koning Lodewijk XI. Hij bezweek voor de bekoring in 1470, doch enkele jaren later sloot hij opnieuw vrede met zijn halfbroer Karel. Later werd hij een trouw aanhanger van Maximiliaan voor wie hij militaire en diplomatieke opdrachten vervulde.

De episode van het verwerven van het leen Leffingemuur situeert zich in de latere periode van zijn leven, toen Boudewijn zich er om bekommerde een voldoende patrimonium voor zijn kinderen achter te laten. Hoewel hij al een eind in de veertig was toen hij in 1489 de Spaanse Maria de la Cerda huwde, had hij van haar zes kinderen die hem overleefden en daarnaast had hij nog twee bastaarden.

Boudewijn bezat heel wat eigendommen. Hij was heer van Zomergem en van Lovendegem, heer van La Rondrie bij Rijsel, heer van Fromont, heer van Baudoir bij Mons, heer van Peer in Limburg, enz. en vooral heer van Faillais bij Hoei. Hij bezat ook heel wat eigendommen in Zeeland en ook nog hoger in Nederland.

Er is geen aanwijzing dat Boudewijn in zijn latere levensjaren nog bijzondere contacten met Brugge zou gehad hebben. Van waar dan het in het bezit komen van een Brugse woning[20]? Ofwel ging het om een aankoop bij zijn halfzuster Anna die hij van deze eigendom hielp ontlasten. Aangezien ze in Brugge overleed, bleef ze er misschien toch verder wonen of deeltijds verblijven.

Ofwel was het leen naar het grafelijk domein teruggekeerd en werd het aan Boudewijn toebedeeld, in gedeeltelijke betaling van de vele achterstallige bedragen die de Bourgondische Rekenkamer hem nog verschuldigd was en waarvan trouwens bij zijn dood in 1508 nog heel wat te vereffenen bleef[21].

Ofwel, en behalve een datumverschil in het leenboek van de Burg, de meest waarschijnlijke uitleg, erfde Boudewijn het leen van zijn halfzuster. Zij was overleden op 17 januari 1507 (oude stijl) en in haar testament bleek dat ze haar twee halfbroers, de Bourgondische bastaarden Boudewijn en Filips (de bisschop van Utrecht) tot haar algemene erfgenamen had gemaakt, op voorwaarde dat ze alle beschikkingen van giften en betalingen nakwamen die in het testament werden opgesomd.

Al op 1 maart 1507 (o.s.) richtten beide broers een verzoek tot de Grote Raad om te mogen over de erfenis beschikken, aangezien ondertussen aan de in het testament gestelde voorwaarden was voldaan[22].

Zij verzochten derhalve het hun tegoed komende deel van de erfenis, "te moghen als nu aenvaerden ende apprehenderen omme die bij hemlieden te deelen ende te paertten ende voort heurlieden beliefte mede te doene".

De vertegenwoordigers van beide prinsen verschenen met het verzoek vóór meester Filips Wielant van de Grote Raad in Mechelen op 7 maart 1507 (o.s.), die onmiddellijk, in naam van Maximiliaan en van de jonge aartshertog Karel, de nodige toestemming met een oorkonde bevestigde[23]. Als hij het al niet vroeger was, werd Boudewijn van Bourgondië dus ten laatste begin 1508 leenhouder van Leffingemuur en van het Hof van Ravestein.

Gezien alles zo vlug geregeld werd, is het mogelijk dat vóór 31 maart 1507 (o.s.) de overdracht van het leen kon gebeuren en worden ingeschreven en dat men derhalve 1507 moet lezen in het leenboek van de Burg in plaats van 1501.

Bij testament liet Boudewijn, die in oktober van hetzelfde jaar 1508 overleed, aan zijn tweede zoon Karel, naast de heerlijkheden Lovendegem en Zomergem, ook het huis in Brugge na[24]. Deze had er duidelijk geen gebruik voor en deed het na een paar jaar al van de hand[25].

De volgende leenhouders

In 1511 werd Leffingemuur gekocht door Willem van Wesbrouc (of Vuesbrouc) en na zijn dood in 1517 overgenomen door zijn broer (of zoon?) Comelis van Wesbrouc (of Vuesbrouc)[26]  Over beide heren vonden we tot hiertoe geen vermelding in de Brugse bronnen. Cornelis verkocht het leen al in 1518 aan Margriete Metteneye († 1519), de weduwe van Philip Pinnock († 1517).[27] Margriete Metteneye was de dochter van Pieter Metteneye († 1495) en van Margriete De Baenst. Haar vader was raadsheer van Karel de Stoute en nadien van Maximiliaan geweest. Hij oefende bij herhaling functies uit in het Brugs stadsbestuur. Zo was hij in 1474 burgemeester van de Commune. In 1488 werd hij tot schout benoemd en nam hiermee de moeilijke opvolging op zich van de terechtgestelde Pieter Lanchals.

Margriete Metteneye trouwde een eerste maal met Boudewijn d'Oignies, heer van Quesnoy, lid van een familie uit Frans-Vlaanderen die zich in Brugge was komen vestigen. Haar tweede echtgenoot Philip Pinnock werd eveneens schout van Brugge in 1495. Hij was de schoonzoon, door zijn eerste huwelijk, van de onfortuinlijke schout Pieter Lanchals. De dubbele weduwe, zelf afkomstig uit één der voornaamste Brugse families, wou duidelijk in een passend decorum haar levensavond doorbrengen. Ze kon er evenwel maar enkele maanden van genieten.

Het leen ging na haar dood in 1519 over op de zoon uit haar eerste huwelijk, François d'Oignies. Hij was gehuwd met Isabelle de Prudhomme en oefende voorname functies uit. Tussen 1537 en 1549 was hij herhaaldelijk Brugs burgemeester van schepenen[28]. Hij bleef het leen houden en dus hoogstwaarschijnlijk het Hof van Ravestein bewonen tot aan zijn dood op 23 september 1549[29].

Jeroen Adornes

               Jacob en Anselm-Opitius Adornes

Hadden de Metteneyes niet alle rechten op Leffingemuur verloren, of is het toeval? De nieuwe leenhouder, Jeroen Adomes 1522-1558), was de oudste zoon van Jan de la Coste, dit Adornes (1494-1537) en van Catharina Metteneye (†1547), zuster van de hierboven gemelde Margriet Metteneye. Een denombrement hierover dateert van 1550, wellicht de datum waarop Jeroen Adomes het leen verwierf[30].

Jeroen Adomes stierf ongehuwd en Leffingemuur kwam in het bezit van zijn broer Jacob Adomes (1523-1573). Na zijn dood bleek dat hij een erg bezwaarde erfenis had nagelaten en dienden de voogden van zijn kinderen en meer bepaald van Anselm-Opitius Adornes (1569-1610) het leen Leffingemuur met het erop gebouwde Hof van Ravestein van de hand te doen[31].

Vanaf deze transactie zijn de verdere overdrachten van het goed, terug te vinden in de zestendelen en vanaf de 19de eeuw in de registers van het kadaster.

Opnieuw Hof van Ravestein?

In zijn lange geschiedenis is het huis Molenmeers 11 (en 9) gedurende een korte tijd - ongeveer een kwarteeuw - de Brugse residentie geweest van de heren van Ravestein, jongere tak van de hertogelijke familie van Kleef.

De eigendom was niet rechtstreeks in hun handen maar in die van de echtgenote van Adolf van Kleef. Dit belette niet dat men de naam van de man op de residentie kleefde en dat men zelfs een halve eeuw na de overdracht naar volgende eigenaars, in Brugse akten en dus ongetwijfeld ook in de volksmond nog altijd verwees naar het Hof van Ravestein.

Het zou zeker niet misstaan dat deze mooie eigendom, die aan dringende restauratie toe is, opnieuw als Hof van Ravestein bekend zou staan[32].

Gepubliceerd in: Biekorf, 1998, blz 45-55


[1] (1) SAB., Klerken van de Vierschaar, klerk Adriaen de Mommengy, akten 1541-1543, fol., 247, 10 oktober 1542.

[2]  L. DE VLIEGHER, De huizen te Brugge, 2de uitgave, blz. 230.

[3] L. GILLIODTS, Coutume du Bourg, K. DE FLOU, Woordenboek der Toponymie en A. DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs.

[4]  RAB., Burg Van Brugge, NR. 64, leenregister 1467-1468, fol 14.r.

[5] idem

[6] Zie voetnota 4.

[7] P. BEAUCOURT DE NOORTVELDE, Jaerboeken van den lande van den

Vrijen (... ), Brugge 1785, deel II, blz. 96.

[8] Zie voetnota 4.

[9] W. PREVENIER en W. BLOCKMANS, De Bourgondische Nederlanden,

Antwerpen 1983, blz. 389.

[10] A.A.J. VAN DER AA, Biografisch Woordenboek der Nederlanden, Haarlem 1852.  Nieuw  Biografisch Woordenboek, Leiden 1933 (waarin hij ten onrechte als ridder van het Gulden Vlies wordt vermeld).  C. CUSTIS, Jaerboeken der stadt Brugge (... ), Brugge 1765, deel II, blz. 151.

[11] G.H. DUMONT, Marie de Bourgogne, Parijs 1982, blz. 76.

[12] Zie voetnota 4.

[13] W. OSSOBA, Adolphe de Clèves et de la Marck, in: R. DE SMEDT (ed), Les chevaliers de I'Ordre de la Toison d'Or au XVsiècle, Frankfurt am Main, 1994, blz. 120-12 1.

[14]  A. DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs, blz. 357 vermeldt dat het kasteel Rosenburg of Houtmarc in 1446/47 eigendom geworden van Jan van Bourgondië, graaf van Etampes en Nevers, later overging op zijn schoonzoon hertog Jan van Kleef (1419-1481) en tot circa 1480 in diens bezit bleef.

[15] A. DE FOUW, Philips van Kleef, Groningen 1937.

[16] C. CUSTIS, a.w., blz. 405.

[17] RAB., Burg van Brugge, nr. 65, leenregister 1501, f' 18v.

[18] J.M. CAUCHIES, Baudouin de Bourgogne (v. 1446-1508), bâtard, militaire et diplomate.  Une carrière exemplaire?, in: Revue du Nord, 1995, blz. 257-281.

[19] C. CUSTI S, a.w., blz. 131.

[20] Zie voetnota's 4 en 17.

[21] J.M. CAUCHIES, a.w., blz. 278.

[22] Haus-, Hof- und Staatsarchiv Wien, collectie Niederländische Urkunden,

dd. 01/03/1508 (n.s.): "Zulek devoir ende zoe goede diligentie alreede gedaen hebben dat veele pointen ende articlen ende tmeeste deel van den zelven testamente ende vanden codicillen, ordonnancien ende cedullen daer aen hangende geheel ende in alle zijne pointen voldaan ende volcommen waren".

[23] idem, oorkonde 7/03/1507 (o.s.) gevoegd bij voormelde aanvraag.

[24] J.M. CAUCHIES, a.iv. blz. 279

[25] Zie voetnota's 4 en 17.

[26] Zie voetnota 17.

[27] N. GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes en de Jeruzalemstichting

te Brugge, Brugge 1987, inventarisnummers 501 en 502.  Zie ook voetnota 17.

[28] Zie voetnota 1. J. GAILLIARD, Bruges et Ie Franc, deel 1, blz. 375, art. d'Ognies en IV, blz. 170, art.    Metteneye.

[29]  SAB., Registers van de Wetsvemieuwingen.

[30]  N. GEIRNAERT, aw., inventarisnummer 570.

[31]  SAB., Registers van de zestendelen, St.-Janszestendeel, f' 105 1.

[32]  Met mijn hartelijke dank aan professor Jean Marie Cauchies, rijksarchivaris

Maurice Vandermaesen en stadsarchivaris Noël Geirnaert voor hun kostbare hulp.