In memoriam

Herman Stynen

Op 30 april 1999 overleed in Kessel-Lo (Leuven) Herman Stynen (°13 april 1951). Hij was licentiaat kunstgeschiedenis en promoveerde in 1990 maxima cum laude tot doctor (KU Leuven).

Vanaf 1979 werkte hij opeenvolgend als kabinetsmedewerker en als bestuurssecretaris bij de Rijksdienst voor monumentenzorg. In 1988 werd hij adviseur bij de Koning Boudewijnstichting, waar hij actief was met betrekking tot de verschillende projecten die door deze stichting worden ondersteund in de sector van de leefomgeving en van het cultureel en bouwkundig erfgoed (toelagen bij restauraties, monumentendag, Nationale contactcommissie monumentenzorg, Vlaams monumentenhuis in Brussel, etc).

In 1993 werd hij voorzitter van de Koninklijke commissie voor monumenten en landschappen (KCML). Onlangs werd hij benoemd tot docent aan de Universiteit Gent waar hij kunstgeschiedenis zou doceren in opvolging van professor Frieda Van Tyghem. Een onverbiddelijke en moedig gedragen ziekte heeft hem die nieuwe loopbaan belet.

Er is meer dan één reden om Herman Stynen in onze Handelingen te gedenken. In zijn licentiaatverhandeling over tuinarchitect en stedenbouwkundige Louis Van der Swaelmen die in het Nederlands en in het Frans gepubliceerd werd (Luik, 1979), besteedde hij veel aandacht aan de Brugse architect Huib Hoste.

Over Brugge schreef hij (samen met Mark Ryckaert, Georges Charlier en Jaak Rau) Brugge Her-zien, (Brugge, 1986) een in tekst en beeld verfrissende en persoonlijke kijk op de monumentenstad. Belangrijk was zijn boek 15/18 het verwoeste gewest. De mission Dhuicque (Brugge, 1985) waarin de schat aan fotomateriaal werd ontgonnen die door architect Eugène Dhuicque werd aangelegd over de oorlogsverwoestingen in de Westhoek.

Enkele weken voor zijn dood verscheen zijn doctoraal proefschrift in boekvorm onder de titel De onvoltooid verleden tijd, een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1835-1940 (Brussel, 1999). Het is niet alleen een onmisbaar naslagwerk geworden over de Koninklijke commissie voor monumenten en landschappen en over de invloed die deze eerbiedwaardige en belangrijke adviescommissie op de evolutie van de monumentenzorg uitoefende, maar ook over de geschiedenis van de monumentenzorg in Brugge en in West-Vlaanderen zal men er talrijke gegevens in vinden. Jan de Bethune, Hendrik Beyaert, Karel De Wulf, Louis Delacenserie, kanunnik Adolf Duclos, Charles Carton, Thomas-Harper King, Johannes Rudd, Camille Tulpinck, Alphonse vanden Peereboom, Karel Verschelde en Jozef Vierin komen er onder meer aan te pas. Een apart hoofdstuk wordt gewijd aan de ‘affaire Weale’ en aan de heftige polemieken die door de Engelse Bruggeling James Weale ontketend werden over de manier waarop monumentenzorg in België bedreven werd. Vijftien van de begeleidende illustraties in Stynens’ boek hebben Brugge als onderwerp.

Een laatste bijdrage van hem over Brugge verscheen in het verzamelwerk Omtrent Brugge. Indrukken en gedachten (Brugge, 1999) waarin een aantal "cultuurdragers", in ruil voor een gratis weekend in Brugge, hun allerindividueelste emoties in verband met de Europese culturele hoofdstad voor het jaar 2002 aan het papier toevertrouwden. In veel van die teksten leert men meer over de auteur en over zijn gevoelens en frustraties dan over Brugge. De bijdrage van Herman Stynen, Een stad is vele steden getuigt van zijn mildheid voor toeristische en mercantiele ontsporingen en van zijn warm hart voor het ‘Brugge dat zich langzaam openbaart’.

Andries Van den Abeele

www.andriesvandenabeele.net