In Brugge en in West-Vlaanderen

 tijdens de Achttiendaagse Veldtocht (mei 1940),

naar de herinneringen van

Hendrik de Man en anderen

Zestig jaar geleden

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers België binnenvielen, was Hendrik De Man (1885-1953) voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij. Hij liet deze verantwoordelijkheid voor wat ze was, trok zijn uniform van reserveofficier aan en bleef tijdens de Achttiendaagse veldtocht in de onmiddellijke nabijheid van Koningin Elisabeth (1876-1965) en daardoor ook van koning Leopold (1901-1983). Sedert hij voorzitter was van het Werk Koningin Elisabeth voor onze soldaten dat onder haar bescherming was opgericht, was hij nauw met de koningin bevriend[1].

Over zijn activiteiten tijdens de maand mei nam De Man nota’s die hij een jaar later, toen hij zich voor goed had teruggetrokken uit de Belgische politiek en zich in de Haute-Savoie had gevestigd, tot een samenhangend verhaal uitwerkte. Hij publiceerde dit in 1948 in zijn boek Cavalier seul, met evenwel het weglaten van ongeveer de helft van de tekst, bestaande uit persoonlijke inlichtingen of  gegevens die anderen – meer bepaald de koning en koningin Elisabeth – konden in verlegenheid brengen. De originele in het Frans geredigeerde tekst berust thans in Brussel in het Fonds De Man van het Studie- en Navorsingcentrum voor de Tweede Wereldoorlog. Vooraan de tekst had hij ter attentie van zijn erfgenamen geschreven: Niet voor publicatie bestemd, tenzij eventueel na de dood van koning Leopold en koningin Elisabeth, of zolang ze leven mits hun toestemming en volgens de door hen voor te schrijven modaliteiten.

De volledige tekst werd in 1989 in Genève gepubliceerd door Michel Brelaz, de Zwitserse historicus en biograaf van Hendrik De Man, in een eerder confidentiële publicatie onder de titel Henri De Man, le “dossier Leopold III” et autres documents sur la période de la seconde guerre mondiale, réunis, présentés et édités par Michel Brelaz. Dit interessant geheel van documenten, waaronder het dagboek van de Achttiendaagse veldtocht[2], werd ruim gebruikt en geciteerd door Jan Velaers en Herman Van Goethem in hun standaardwerk Leopold III. De Koning, het Land, de Oorlog (Tielt, 1994). Ook Pierre d’Ydewalle in zijn De Memoires (Tielt, 1994) heeft er, voor zijn uitvoerige beschrijving van de dramatische dagen van mei 40 herhaaldelijk naar verwezen[3]. Beide werken bespraken evenwel alleen de politieke elementen en refereerden niet naar de inlichtingen over zijn activiteiten, over het dagelijks leven en over de petite histoire die De Man meedeelde en die veel met Brugge en West-Vlaanderen te maken hadden of daar plaatsvonden.

Toen Luc Schepens zijn boek schreef Brugge Bezet. Het leven in een stad tijdens twee wereldoorlogen (Tielt, 1985) was de tekst van De Man in principe bekend, althans de gedeeltelijke publicatie ervan in Cavalier seul. Een boek dat evenwel een geringe verspreiding had gekend en weinig reacties had uitgelokt. De Man behoorde immers in 1948 tot de voltooid verleden tijd, een voortvluchtige die wegens collaboratie bij verstek tot 20 jaar hechtenis was veroordeeld en die zowel zijn vroegere partijgenoten als zijn tegenstanders liefst zo vlug mogelijk vergaten. Het boek was daarenboven in Genève gepubliceerd door de Editions du Cheval Ailé, een uitgeverij die geleid werd door en boeken publiceerde van vroegere collaborateurs van het Vichyregime, en de distributie ervan werd in Frankrijk en België gehinderd zoniet verhinderd[4]. Schepens kende dit boek en had er voor een vorige publicatie uit geput[5]. Voor zijn verhaal over de Brugse bezetting greep hij er evenwel niet naar terug. Om het verloop van de gebeurtenissen tijdens de meidagen in Brugge weer te geven, baseerde hij zich hoofdzakelijk op de schaarse eigentijdse berichten in de locale kranten, op de artikels van Carlos Vlaemynck, De Meidagen van 1940[6] en op het door dezelfde auteur gepubliceerde Uit het oorlogsdagboek van een stadsgenoot, geschreven door Theo Hosten (1896-1985)[7]. Het relaas van Schepens bleef eerder beknopt. Daarom denken we dat het interessant kan zijn hetgeen De Man noteerde over de gebeurtenissen zoals hij ze beleefde, voornamelijk in onze regio, weer te geven, te toetsen aan wat door anderen geschreven werd en in een meer algemeen kader te plaatsen.

Vrijdag 10 mei 1940 : Brussel

Om 5 uur ‘s morgens op Vrijdag 10 mei 1940 werd Hendrik De Man in zijn woning, Boetendaallaan 90 in Ukkel opgeschrikt door de eerste luchtaanvallen en om 7 uur had hij zekerheid: de Duitse invasie was begonnen. Nog een laatste maal zat hij vluchtig het Bureau van de Belgische werkliedenpartij voor en bekommerde hij zich om het in veiligheid brengen van het partijarchief. Daarop ging hij zijn orders ophalen op het ministerie van Landsverdediging (waar hij ongeveer niemand aantrof en de indruk opdeed van een compleet gebrek aan communicatie en van een ontstellende onwetendheid) en liep hij nog even langs in de Senaat, waar men zich volgens hem in een irreële sfeer bevond, in het bewustzijn van de eigen onbeduidendheid. Voortaan en voor de hele duur van de Achttiendaagse veldtocht beschouwde De Man zich als opgeroepen militair en droeg hij steeds het uniform van kapitein-commandant van het Belgisch leger. Van dan af was hij praktisch permanent in contact met koningin Elisabeth. Die eerste dag bezocht hij haar tweemaal in haar villa Les Palmiers in het park van Laken.

Zaterdag 11 mei 1940: Brussel, Lippelo

De tweede oorlogsdag begon voor De Man opnieuw met een bezoek aan de koningin. Later op de dag, terwijl hij een kazerne in Dendermonde bezocht, werd hij telefonisch ontboden bij de koning die logeerde in het kasteel van Lippelo op 5 km van het Fort van Breendonk, zijn eerste hoofdkwartier. Het was het eerste van de talrijke gesprekken die De Man in de volgende veertien dagen met de koning zou hebben. Behalve de eerste minister en de drie voornaamste ministers die, tot aan de definitieve breuk, regelmatig de koning ontmoetten, was De Man de enige belangrijke politicus die tussen 11 en 29 mei langdurige en vertrouwelijke contacten met de koning onderhield. Pierre d’Ydewalle schreef dat hierdoor de onmiddellijke omgeving van de koning op een uiterst belangrijk moment een zeer slechte raadgever zou rijk zijn[8]. Dit eerste gesprek had tot doel hem de opdracht toe te vertrouwen goed zorg te dragen voor de koningin: Ze luistert alleen naar u. Door voor haar te zorgen bevrijdt u me van een grote zorg, zo zegde hem Leopold. Men mag veronderstellen dat dit geen idee van de koning was, maar dat koningin Elisabeth the Boy, zoals ze Leopold graag noemde, hierover had opgebeld. Geen politieke opdracht dus, maar familiale dienstverlening. De Man bood nochtans aan dat hij voor de koning speciale opdrachten kon uitvoeren, bij voorbeeld een riskante zending (a dirty job, zoals hij het noemde) of een verbindingstaak met Franse of Britse autoriteiten, maar de koning wimpelde dit af.

De Man bleef die dag dineren met de koning, burggraaf de Beughem (eigenaar van het kasteel) en een paar officieren. Terwijl ze aan tafel zaten verscheen de militaire raadgever van de koning, generaal Raoul Van Overstraeten (1885-1977) samen met admiraal Sir Roger Keyes (1873-1945), de held van de Zeebrugse Saint-George Day in 1918, die ondanks zijn hoge leeftijd door de pas de dag voordien aangestelde nieuwe Britse eerste minister Winston Churchill (1874-1965) was benoemd als zijn persoonlijke gezant bij de koning[9]. Na een lange discussie vertrok De Man naar Brussel met een boodschap voor de Engelse premier, die hij via de Britse ambassade moest zien door te seinen. De boodschap luidde: gelieve onmiddellijk luchtaanvallen uit te voeren, zoniet houden we geen stand. Wat later kwam het antwoord: ontwijkend en dus negatief. Wat Keyes betreft, hem werd onmiddellijk een kamer aangeboden in het kasteel van Lippelo: de volgende dagen zou hij de koning volgen en tot de vooravond van de capitulatie onder het zelfde dak slapen. De koning bezorgde hem ook onmiddellijk een limousine van het merk Packard en stelde een chauffeur en een lijfwacht ter zijner beschikking[10].

Zondag 12 mei 1940: Brussel

Opnieuw bracht De Man bezoek aan de koningin. Er heerste grote commotie onder het personeel, want men was overtuigd dat Duitse parachutisten in het park neergestreken waren. De evacuatie van de koningin werd voor het eerst besproken. Zij wenste zo dicht mogelijk bij de koning te blijven en indien zij moest vertrekken, gaf ze er de voorkeur aan, indachtig de Eerste wereldoorlog, haar intrek in De Panne te nemen. Dit maakte deel uit van de gedachtegang die zowel zij en de koning als hun entourage volgden, waarbij ze mentaal voorbereid waren op een heruitgave van de oorlog 14-18 en dachten dat minstens een stukje Westkust als onbezet gebied zou kunnen gehandhaafd worden. Vooral stond hierbij steeds het dwingend beeld voor ogen van koning Albert I (1875-1934) en was het de bestendige zorg van koning Leopold, de obsessie bijna, te doen wat zijn vader onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

Maandag 13 mei 1940: Brussel

Er werd beslist ‘s anderendaags met de koningin te vertrekken, onder meer na een brief van de koning die hier dringend om verzocht. De psychose over de parachutisten nam steeds grotere afmetingen aan. Men had er de vorige nacht zelfs één in het park neergeschoten…maar het bleek een Belgische rijkswachter te zijn die op patrouille was. Rond het kasteel van Laken werd er duchtig op los geschoten, hoewel er nog geen Duitser in zicht was. De koningin verliet haar villa en ging op het kasteel slapen. De Man bracht de nacht door op een bank in de gang naast haar kamer, met zijn revolver binnen handbereik. Hij had geen probleem om zich voltijds aan de koningin te wijden, aangezien hij geen professionele verplichtingen had, althans geen waaraan hij zich als voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij, als senator of zelfs als officier toe geroepen voelde. Hij had evenmin familieverplichtingen: hij was gescheiden en zijn twee kinderen waren volwassen.

Dinsdag 14 mei 1940: Brussel, De Panne, Brussel

Om 6 uur ‘s morgens vertrok de kleine karavaan van een half dozijn wagens. Er werd een ingewikkelde reisroute gevolgd die ze tegen tien uur in De Panne bracht. De reis werd bij herhaling onderbroken door luchtalarm of door moeilijkheden op de weg vanwege ingeslagen bommen. De koningin zat achteraan in de auto met haar hofdame, terwijl De Man vooraan naast chauffeur Steux zat. Onderweg had de koningin allerhande grapjes verteld om de tijd te doden. Ze had een paar kleine  muziekdozen bij zich die ze liet spelen en ook een speelgoedhondje dat ze onverhoeds tegen het oor van De Man deed blaffen. Ze haalde ook een onwaarschijnlijke hoeveelheid prullaria boven die in de zakken van haar kleed en haar mantel staken.

Bij aankomst rond 10 uur werd ingetrokken in de villa Maskens, waar Albert en Elisabeth ook in 1914-18 geresideerd hadden. De Man verplichtte de koningin een paar uren te rusten, wat ze erg tegen haar zin deed. Maar, zo schreef De Man, hoewel haar omgeving haar onhandelbaar vond, naar mij luisterde ze. Daarop vertrok De Man weer naar Brussel om er afspraken te maken met zijn zoon en dochter en met zijn huishoudster.

Woensdag 15 mei 1940: Brussel, Brugge, De Panne

Op Woensdag 15 mei kwam Hendrik De Man voor het eerst sedert het begin van de vijandelijkheden in Brugge. Hij was heel vroeg uit Brussel vertrokken, samen met zijn dochter die ‘s anderendaags zou gaan werken als verpleegster in een militair hospitaal in Oostende. De Man bezorgde haar een onderkomen voor de nacht in het huis van zijn vrienden De Meulemeester, Sint-Annarei 22. André De Meulemeester (1894-1971) was één van de Belgische luchthelden geweest tijdens de Eerste wereldoorlog. De familie De Meulemeester, eigenares van de brouwerij Aigle Belgica, behoorde tot de linkse bourgeoisie. De vader van André, Victor De Meulemeester (1866-1927) was van 1919 tot aan zijn dood socialistisch senator voor het arrondissement Brussel en had mee Achiel Van Acker in de politieke stijgbeugels geholpen. De Man kende het elegant rococohuis aan de Sint-Annarei goed en was er vóór de oorlog herhaaldelijk te gast geweest. Dit bracht mee dat hij zonder probleem toegang kreeg, hoewel de heer des huizes opnieuw dienst had genomen bij de Luchtmacht, zijn echtgenote en dochter op de vlucht waren en alleen twee oude dienstmeiden ter plaatse gebleven waren.

Drie huizen verder, op de hoek van de Strostraat, bevond zich het Pension de famille De Beir, waar het plaatselijk secretariaat van het Werk Koningin Elisabeth gevestigd was. De Man maakte van zijn aanwezigheid gebruik om de medewerkers van verdere dienst in Brugge te ontslaan en ze een marsbevel te geven om zich op het hoofdkwartier van generaal Wibier in Normandië aan te melden.

Zelf reed hij door naar De Panne, om zijn intrek te nemen in de villa Maskens, omgedoopt tot Koninklijke Villa. Toen hij door Nieuwpoort reed bemerkte hij de auto van de koningin: ze was een hospitaal aan het bezoeken en vandaar trok hij met haar naar een hospitaal in De Panne. De koningin-verpleegster nam opnieuw de rol op die ze tijdens de Eerste wereldoorlog had vervuld, gekleed in haar verpleegsteruniform met Rode-Kruisarmband. In De Panne had de koningin een klein gevolg bij zich: barones Louise Carton de Wiart (die ze niet kon uitstaan), graaf Willy de Grunne en baron Eduard de Streel, aangevuld met een paar rijkswachtofficieren en dienstpersoneel. De Man nam er de wat overdreven titel aan van ‘chef van het militair huis’.

Donderdag 16 mei 1940: De Panne, Breendonk, Brussel, Brugge

Op donderdag 16 mei doorkruiste De Man een groot deel van het land. Eerst trok hij naar het fort van Breendonk om er aan de koning nieuws over zijn moeder te brengen. Van hem vernam hij dat de toestand catastrofaal aan het worden was: het Nederlandse leger had gecapituleerd en de Duitse troepen hadden in Sedan de onneembaar geachte Maginotlijn doorbroken. Ook in België vorderde de vijand bliksemsnel. Voor het eerst verklaarde de koning dat het zijn bedoeling was in het land te blijven, ook al was dat toen nog niet met het perspectief van een capitulatie.

Daarna reed De Man, al over Lippelo waar hij Louis Vanderzypen,  de kamerdienaar van de koning oppikte, naar Brussel en Laken, om er enkele persoonlijke zaken voor de koningin te gaan ophalen. De stad lag er verlaten bij. De Duitsers zouden ze ‘s anderendaags innemen. Op het kasteel in Laken verbleef alleen de oude huisknecht Cossé. Met veel moeite slaagde De Man erin, samen met de kamerdienaar, de huisknecht, een opgeroepen secretaresse en een slotenmaker, de brandkoffer te openen waarin hij de zaken vond die de koningin hem opgedragen had naar De Panne te brengen: het dagboek van koning Albert, juwelen, wat persoonlijke souvenirs. Ook een pakje brieven van prinses Sofie van Beieren moest hij meebrengen. Die bleven onvindbaar, maar achteraf bleek dat ze al naar De Panne waren meegenomen! Het is tekenend voor een tijd van ontreddering dat de voorzitter van één van de belangrijkste politieke partijen als een loopjongen het land in oorlog doorkruiste om enkele persoonlijke zaken voor de koningin-moeder te gaan ophalen.

Rond 18 uur vertrok De Man, over Lippelo om de kamerdienaar terug te brengen,  richting kust. De reis werd aanzienlijk bemoeilijkt door de militaire colonnes die aan het terugtrekken waren. Hieronder bevonden zich ook de leden van het groothoofdkwartier, de koning inbegrepen. Tegen middernacht was hij opnieuw in Brugge: er was net luchtalarm. Met enige moeite slaagde hij erin toegang te verkrijgen tot het huis aan de Sint-Annarei en sliep een paar uren in het bed van André De Meulemeester, terwijl de begeleiders, chauffeur Van den Eynde en een rijkswachter, in Pension De Beir overnachtten. Bij het opstaan stelde hij vast dat het stadswater was afgesneden, wat volgens hem tot het einde van de meidagen zou voortduren[11].

Vrijdag 17 mei 1940: De Panne, Oostende

Vroeg in de morgen vertrok De Man weer naar De Panne om aan de koningin de opgehaalde zaken te overhandigen. Vandaar reed hij naar Oostende, waar enkele regeringsleden waren aangekomen. In de hotelkamers die voor kabinet van de minister van Landsverdediging moesten doorgaan, vond hij méér wanorde, méér ontreddering en nutteloze drukte dan ooit. In de namiddag kwam ook de koningin naar Oostende en bezocht hij met haar de hotels Océan, Continental en de la Plage die als hospitaal dienden. Hij stelde er vast dat de vensters ondoorzichtig gemaakt waren, naar men zegde op vraag van de Oostendenaars, om het hotelwezen niet te schaden en de rust van de toeristen die wandelden op de dijk niet te verstoren door het zicht van de oorlogsgekwetsten! De Man gaf bevel aan de hoofdgeneesheer het witsel van de vensters af te wassen, maar vernam naderhand dat dit niet werd uitgevoerd. Het probleem was trouwens een paar dagen later niet meer actueel, want door de bombardementen werden alle vensters aan diggelen geslagen.

Zaterdag 18 mei 1940: De Panne

In het hotel Terlinck in De Panne[12] trof De Man de meeste leden van de regering aan, die er in de hall al een paar uur aan het wachten waren op sandwiches die maar niet geleverd werden. Ze boden een erbarmelijk spektakel van ontreddering, noteerde De Man en waren alleen bezig met hun kleine persoonlijke problemen en met de kapitale vraag: wanneer vertrekken we en naar waar?[13]. Nog deerniswekkender was de Franse ambassadeur Paul Bargeton, die ontredderd en verdwaasd over de straat slenterde, terwijl hij stiekem een reepje chocolade aan het knabbelen was. In de avond hield de regering in een bijna volledige duisternis haar laatste voltallige bijeenkomst in een kamer van het hotel, waar het lawaai dat gemaakt werd door de overbevolking van militairen en gekwetsten zo aanzienlijk was, dat Pierre d’Ydewalle, secretaris van de ministerraad, alle moeite had te horen wat gezegd werd om het voor het verslag te noteren[14].

Toen De Man op het strand ging kijken naar een zeegevecht vóór De Panne, waarbij verschillende schepen van de geallieerden door de Duitse luchtmacht gekelderd werden, zag hij hoe een piloot uit zijn geraakt vliegtuig sprong en beschoten werd vanop het strand, waar een massa volk bijeen was, onder meer talrijke loslopende soldaten. Het bleek een Franse piloot te zijn! Hij was alleen maar gekwetst en De Man ging hem in het hospitaal bezoeken. In de nacht sloeg hij de bombardementen boven Duinkerken gade en noteerde het fantastisch spektakel van zwermen witte vliegtuigen, gevat in de lichtbundels van projectoren[15].

Ingevolge het terugtrekken van de troepen, vertrok de koning, na slechts een dag zijn hoofdkwartier in een klooster in Sint-Denijs-Westrem te hebben gehouden en zelf gelogeerd te hebben op een kasteel in Gavere, naar Loppem waar hij zijn intrek nam in het kasteel Wit Huis[16] bij baron Carl van Caloen (1889-1975), schoonbroer van Pierre d’Ydewalle en vanaf 1946 burgemeester van de gemeente. Loppem was ook al weer een verwijzing naar de Eerste wereldoorlog, aangezien het daar was dat het vorstenpaar in 1918 had gelogeerd en Albert I historische beslissingen had genomen, onder meer wat betreft het algemeen stemrecht. Toen kabinetschef Pierre d’Ydewalle opdracht kreeg van eerste minister Pierlot om hem “naar het kasteel van Loppem” te brengen, was ook hij overtuigd dat het in het groot neogotisch kasteel was dat de koning zijn intrek genomen had. Daar aangekomen zou hij vaststellen dat het wat verder was, bij zijn zus in de Rijselsestraat, dat de koning logeerde[17].

De volgende dagen zou de koning pendelen tussen zijn tijdelijke verblijfplaats en zijn hoofdkwartier[18], het kasteel Koudekeuken ook genaamd kasteel Kervyn in Sint-Andries, terwijl hij ‘s middags zijn maaltijden ging nemen in het tot officierenmess ingericht kasteel Steentien bij de familie Dautricourt langs de Gistelsesteenweg. Het honderdtal officieren en hun medewerkers die tot de generale staf behoorden, organiseerden hun activiteiten in Koudekeuken, alsook in de Refuge of Wederopvoedingsgesticht en in het Sint-Camillusgesticht, waar eens de Sint-Andriesabdij stond[19].

Zondag 19 mei 1940: De Panne

Die dag vertrokken de ministers uit De Panne richting Frankrijk. De vooropgestelde eindbestemming was Sainte-Adresse, alweer een herhaling van de Eerste wereldoorlog, gezien het in die voorstad van Le Havre was dat de regering de Broqueville toen had gezeteld. De vier belangrijkste ministers, Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis begaven zich evenwel naar Brugge om, op zijn verzoek[20], zo dicht mogelijk bij de koning te zijn en gingen hem in zijn hoofdkwartier opzoeken. In de vooravond werden ze opgemerkt op het terras van de Panier d’Or op de Markt[21]. Afgescheiden van hun collega’s en van hun ambtenaren en zonder veel mogelijkheden tot contacten met de regeringen van de geallieerden, waren de ministers in Brugge veroordeeld tot het nietsdoen en tot het voeren van loze gesprekjes waarvan het meest ergerlijke kenmerk was dat ze zonder besluit eindigden[22]. Hun enig doel bleef de koning ervan te overtuigen met hen het land te verlaten zodra de toestand uitzichtloos werd.

De koning kwam in de namiddag in De Panne zijn moeder bezoeken. Tijdens het avondmaal deelde hij mee dat de opmars van de Duitsers niet meer te stuiten was en dat zijn besluit om hoe dan ook in België te blijven vast stond. Na zijn vertrek gingen de koningin en De Man wandelen in de duinen om gade te slaan hoe Duinkerken in de vlammen opging.

Maandag 20 mei 1940: De Panne

Terwijl zich in Sint-Andries het drama van het fundamenteel meningsverschil tussen de koning en zijn ministers verder ontwikkelde en in Koudekeuken een eerste hevige confrontatie tussen hen plaats vond, ondernam De Man een eenzame tocht in de streek van Veurne en Pervijze, op zoek naar militaire eenheden van de divisie waar hij toe behoorde en die er zich moesten bevinden, maar nergens te bespeuren vielen. De enigen die hij aantrof waren de leerlingen van de Militaire School, die erg terneergeslagen aan hun aftocht begonnen waren. Daarnaast zag hij ook heel wat loslopende soldaten. In zijn notities kwam De Man er herhaaldelijk op terug dat hij zowat overal soldaten ontmoette die hun legereenheid verlaten of verloren hadden en doelloos ronddoolden. Ook generaal Van Overstraeten noteerde in zijn dagboek dat er heel wat deserties waren en dat soms volledige eenheden de wapens neerlegden.

In de namiddag trok De Man er op uit met de koningin die hem vroeg haar enkele uren te bevrijden van haar hofdame Carton de Wiart, die op haar zenuwen werkte en die ze te opdringerig vond. Eerst gingen ze de rekruten begroeten die te voet, langs het strand, naar Duinkerken optrokken. Daarna deden ze een lange wandeling door de duinen en lagen een paar uren in het zand te zonnen en te discussiëren. Een merkwaardig gesprek tijdens hetwelk de koningin onder meer zegde dat ze altijd socialist gestemd had[23], maar vond dat de socialistische partij veel te burgerlijk geworden was. Er moest, na het fascisme en misschien dankzij het fascisme, een veel radicaler socialisme tot stand komen, vond ze.

In de nacht bleef De Man opnieuw de bombardementen boven Duinkerken observeren.

Dinsdag 21 mei 1940: De Panne, Brugge

Na eerst in de streek van de IJzer te hebben rondgereden, waar de bevolking uit geëvacueerd was en de koeien ongemolken en radeloos rondliepen, reed De Man weer naar Brugge. Hij begaf zich onmiddellijk naar de residentie van de gouverneur waar de nog in België aanwezige regeringsleden hun intrek hadden genomen. Hij ontmoette er eerste minister Hubert Pierlot (1883-1963), minister van Binnenlandse zaken Arthur Vanderpoorten (1884-1945), minister van Buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak (1899-1972) en minister van Defensie generaal Henri Denis (1877-1957). Samen met hen en met een paar van hun kabinetchefs bleef De Man middagmalen.

Het was tijdens die maaltijd dat “tussen soep en patat” de provinciale griffier Amand Lommez (1898-1967) aan de handtekening van Pierlot en Vanderpoorten het Koninklijk Besluit kwam voorleggen dat men hem opdracht had gegeven op te stellen, waarbij de West-Vlaamse gouverneur Hendrik Baels (1878-1951) die spoorloos was, uit zijn ambt werd ontzet. Baels, zo schreef De Man, bevond zich in een kuuroord in Frankrijk en had na 10 mei zijn functie niet terug opgenomen. Dit klopte evenwel niet met de werkelijkheid. Zoals Luk Schepens heeft aangetoond, op basis van informatie uit eerste bron, met name van de provinciale griffier Lommez, verliet Baels zijn ambtswoning pas in de vooravond van 18 mei, vergezeld van één van zijn zoons.

De versie van de gouverneur zelf luidde dat hij de bedoeling had in het hotel Terlinck in De Panne, de regering om instructies te gaan vragen in verband met de vluchtelingenstroom. Hij trof er de ministers niet aan – ze waren allen net vertrokken,  richting Frankrijk – en hij reed ze achterna maar vond ze niet. In de omgeving van Sint-Winoksbergen liep hij verwondingen op bij een auto-ongeval en werd hij opgenomen in het plaatselijk ziekenhuis. Voor de ministers, die hiervan onwetend waren, had hij zijn post onrechtmatig verlaten en werd hij als eerste uit zijn ambt ontzet[24]. Zo luidt het verhaal dat Hendrik Baels achteraf als verontschuldiging aanvoerde.

Deze voorstelling van zaken is evenwel steeds betwist geweest. De andere versie is dat Baels naar De Panne telefonerend, vernam dat de ganse regering ‘s anderendaags naar Frankrijk zou vertrekken. Als zij er van door gaan, dan doe ik hetzelfde, had hij besloten. Aan de griffier gaf hij zijn ontslagbrief, met opdracht hem te dateren van zodra de Duitsers West-Vlaanderen binnenvielen, zodat hij in regel kon blijven met de instructie dat de gouverneurs hun post moesten verlaten en de regering vervoegen, in geval van bezetting van hun provincie door de vijand. Baels en zijn zoon vertrokken niet alleen, maar werden in een tweede auto gevolgd door zijn vrouw en drie van zijn dochters, waaronder Lilian, die tot dan zeer actief was geweest bij het opvangen van vluchtelingen in het station van Brugge[25]. In Noord-Frankrijk werd hij dan inderdaad het slachtoffer van een verkeersongeval en werd in het ziekenhuis opgenomen. Na enkele dagen trok hij met zijn familie verder zuidwaarts[26]. Het was voor hem natuurlijk brute pech (was hij inderdaad in De Panne geweest, hij zou het daar vernomen hebben), dat de voornaamste ministers finaal beslist hadden nog niet naar Frankrijk te vertrekken en uitgerekend in zijn residentie hun tenten kwamen opslaan. Hij verkeek aldus de kans om enkele dagen in het centrum van de politieke evenementen te vertoeven en wellicht een rol te spelen en hij was er ook niet om zijn partner van op de golfterreinen en toekomstige schoonzoon, te verwelkomen en bij te staan tijdens de bijzonder pijnlijke momenten van de capitulatie.

De Man beschreef hoe men, het middagmaal gebruikend aan de tafel van de gouverneur en in zijn vaatwerk, de wijn drinkend uit zijn kelder en met bediening door zijn huispersoneel, niettemin de heer des huizes uit zijn ambt ontzette. Dit was natuurlijk het voorwerp van cynische spot. Dank aan dit incident kon men tijdens de maaltijd de belangrijke problemen ter zijde schuiven, die nochtans iedereen bekommerden, zo schreef De Man. Men kon ook weer eens een concrete, zij het dan bescheiden beslissing nemen, iets waar de in Brugge gestrande ministers niet veel de gelegenheid toe hadden. Hoe dan ook ging het om een noodzakelijk te stellen voorbeeld oordeelde De Man, al wist niemand hoe het besluit nog zou kunnen gepubliceerd worden, aangezien het Staatsblad niet meer verscheen. In de namiddag werd het alvast door Pierlot naar Ieper mee genomen waar de koning met de geallieerde opperbevelhebbers samenkwam en waar het door hem ondertekend werd.

Het was in het provinciehuis dat De Man voor het laatst een gesprek had met Pierlot en vooral met zijn partijgenoot Spaak, net voor beiden naar Ieper vertrokken voor een zoveelste confrontatie met de koning. Ook al zouden de heren enkele dagen later op hetzelfde ogenblik aanwezig zijn in het kasteel van Wijnendale, zouden ze er mekaar niet ontmoeten.

Daarop vertrok De Man weer, na een kort bezoek aan het hoofdkwartier in Sint-Andries, naar De Panne, waar hij samen met de koningin deelnam aan een melkbedeling voor enkele honderden rekruten die richting Frankrijk trokken. In de nacht observeerde hij weer de gloed van Duinkerken in brand.

Woensdag 22 mei 1940: De Panne

Opnieuw bleef De Man hoofdzakelijk aan de zijde van koningin Elisabeth. In de voormiddag hielp hij met het organiseren van een voedselbedeling voor vluchtelingen. Ook in dramatische omstandigheden verloor de koningin de zin niet voor geschiedenis en misschien zelfs voor public relations. Zij deed de locale fotograaf Luc Van Brabant (1909-1977)[27] komen om foto’s te nemen, onder meer van de vluchtelingen. Na valavond gingen de koningin en De Man weer wandelen langs het strand, om van op afstand Duinkerken en Oostende, beide in lichtelaaie, te observeren.

Ondertussen bleef de koning op zijn hoofdkwartier in Sint-Andries en verbleef de regeringstop in Brugge, zonder dat ze elkaar ontmoetten. Gelukkig hadden de ministers toch iets concreet om handen, met name het uitbetalen van de soldij. Minister van Financiën Camille Gutt (1884-1971) had vanuit Engeland voor de nodige centen gezorgd. Toen majoor en senator Joseph Pholien (1884-1968) het geld kwam ophalen voor zijn regiment, vond hij eerste minister Pierlot gezeten tussen jutezakken die voor meer dan honderd miljoen aan bankbriefjes bevatten en die over alle eenheden moesten worden verdeeld[28].

Donderdag 23 mei 1940: De Panne

In de morgen reed De Man met een vrachtwagen naar de wijk De Papegaai om er enkele zeer bejaarde vluchtelingen te gaan ophalen en ze naar het hospitaal in het Hotel Continental aan de Duinkerkelaan  over te brengen. Daarna bezocht hij een kamp in de duinen tegen de Franse grens, waar een aantal joden zich ophielden. Hij vond er enkele groepjes, die onder de terreur stonden van een vaandelvluchtige dronken Belgische soldaat. Hij stuurde hem weg, waarop de joden bij hem kwamen knielen en de zoom van zijn vest kusten om hem te bedanken.

In de namiddag bezocht hij met de koningin het hospitaal in het Hotel Continental evenals een tweede hospitaal er rechtover. Admiraal Keyes, die bijna dagelijks naar De Panne kwam om vanuit villa Maskens veilig met Engeland te kunnen telefoneren[29] , meldde dat de Duitsers Boulogne veroverd hadden en optrokken naar Calais. De geallieerde legers waren van mekaar afgesneden. Om 19 uur kwam de plaatscommandant meedelen dat De Panne moest ontruimd worden. De Man trof de nodige voorbereidingen, waarna hij met de koningin een laatste lange wandeling maakte langs het strand en door de duinen.

Diezelfde namiddag had zich op het hoofdkwartier in Sint-Andries een ontwikkeling voorgedaan, in een stijl Alexandre Dumas (of James Bond) waardig. Toen de koning net terug kwam van een inspectietocht in de streek van Waarschoot en Balgerhoeke, wachtte hem in de Refuge een jonge en flamboyante Duitse luitenant op die, helemaal op eigen initiatief en zonder opdracht, zo hij zegde, de overgave van Gent kwam opeisen, zoniet zouden de 100 zware batterijen die stonden opgesteld, het vuur openen en de stad in de as leggen. De koning kwam duidelijk onder de indruk van de avontuurlijke jonge man. In tegenstelling tot generaal Van Overstraeten die in zo een jonge snaak, zonder enige legitimatie, maar niets zag en hem een bluffer noemde, vroeg de koning hem uit, liet hem uitgebreid te eten geven en liet zich uiteindelijk overtuigen[30]. Hoe dan ook wist hij dat Gent praktisch volledig omsingeld was en de beslissing was toch al genomen het kanaal van Terneuzen in de eerste uren te ontruimen. Waarom het risico nemen de historische stad te laten vernielen? Na urenlange discussie gaf hij de luitenant dan ook een missive mee die bevestigde dat Gent ’s anderendaags vanaf 6 uur ’s morgens een open stad zou zijn en dit tot aan een precieze limiet die op een schets werd aangeduid[31]. Gent werd de dag daarop inderdaad zonder slag of stoot door de Duitsers ingenomen. Meteen was het leger zijn centrale broodbakkerij kwijt en moest halsoverkop het dagelijks bakken van een paar honderdduizend broden bij particuliere bakkers georganiseerd worden[32].

Vrijdag 24 mei 1940: De Panne, Wijnendale

In De Panne kwamen om middernacht generaal de Hennin en kolonel Leroy meedelen dat de Duitsers snel naderden[33] en men nodig moest vertrekken. Om 7 u 30 vertrok de kleine colonne naar Wijnendale waar koningin en gevolg in de loop van de voormiddag  hun intrek namen en waar ook voor de koning en een paar naaste medewerkers een kamer werd voorbereid[34]. Tegen de middag arriveerde de koning met admiraal Keyes. Hij had ondertussen opnieuw een stormachtig treffen met zijn ministers gehad in Koudekeuken. Na de middag, bijeenkomst van De Man met de koning en de koningin op haar kamer en lange discussie over de door de koning aan te nemen houding, eindigend met het besluit van de koning: In ieder geval blijf ik op Belgisch grondgebied, midden mijn manschappen, om het lot van mijn land en mijn leger te delen. Samen met De Man stelde de koning een brief op waarin hij zijn houding preciseerde en die hij naar koning George VI wilde sturen[35].

Nadien deed De Man een lange wandeling door het domein, samen met de koningin, die haar fierheid uitdrukte over de houding van de koning. Ook zij maakte bestendig de vergelijking tussen Albert en Leopold. Ondertussen woedde aan de Leie de laatste veldslag van het Belgisch leger.

Zaterdag 25 mei 1940: Wijnendale

De Man kreeg ‘s morgens van de koningin het relaas over het onaangekondigd bezoek dat voor dag en dauw gebracht was door eerste minister Pierlot en de ministers Spaak, Vanderpoorten en Denis en over het dramatisch onderhoud dat had plaats gehad, waarmee de definitieve breuk tussen de koning en zijn ministers werd bezegeld.

Om half tien ging de koningin met De Man een geïmproviseerd hospitaal bezoeken in Torhout. Ze troffen er een vreselijke toestand aan: geen lopend water, zwaar gewonden wachtten langdurig op de eerste zorgen, in een niet-geïsoleerde kamer werden operaties uitgevoerd zonder ontsmetting noch verdoving. Rondom vielen bommen en stonden huizen in brand. Paniek in gans het gebouw. Terwijl het daverde op zijn grondvesten, zat de koningin bij een stervende van wie ze het hoofd in de armen hield en met wie ze zachtjes praatte. Even later kon De Man haar meenemen, en reden ze doorheen een in vuur en vlam staand kruispunt naar Wijnendale terug.

‘s Namiddags arriveerde prins Karel (1903-1983). Vanuit Londen werd meegedeeld dat ‘de vier grote pakken’ (de ministers Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis) aangekomen waren. Admiraal Keyes en De Man waren samen thee aan het drinken toen ze het vernamen. In de late avond kwam ook de koning terug in Wijnendale. Het oorverdovend lawaai van bombardementen en afweergeschut kwam dichterbij.

Zondag 26 mei 1940: Wijnendale

Vanaf 9 uur werden Torhout en omgeving opnieuw gebombardeerd. Het kasteel bleef gespaard. Gans de voormiddag werd gewacht op nieuws over mogelijke evacuatie. De verbindingen met de buitenwereld werden moeilijk. Men bleef dan maar in Wijnendale, van waar de koning vroeg in de morgen vertrokken was (in de huiskapel van het kasteel Steentien woonde hij de Zondagsmis bij) om pas tegen 21 uur terug te komen. Hij overhandigde aan De Man de juridische consultatie over zijn grondwettelijke positie, die hij aan Raoul Hayoit de Termicourt (1885-1977), op dat ogenblik plaatsvervangend auditeur-generaal, had gevraagd[36]. In de loop van de avond werd gezocht naar minstens één minister die verdere handelingen van de koning met zijn ministeriële verantwoordelijkheid wilde dekken. Tevens deelde de koning mee dat een wapenstilstand voor de eerstkomende uren was.

Maandag 27 mei 1940: Wijnendale, Middelkerke, Brugge

Na een onrustige en slapeloze nacht werd gemeld dat de Duitse troepen heel nabij waren. Om 7 uur liep het bericht binnen dat alle ministers solidair bleven en niemand op het verzoek van de koning wilde ingaan. Gans de voormiddag bleef de Luftwaffe bommen werpen boven Torhout en in de omgeving van het kasteel, dat evenwel ongemoeid werd gelaten. De Man begaf zich op de toren van het kasteel, van waar hij de rookwolken kon zien boven de steden die in brand stonden: Kortrijk, Tielt, Torhout, Roeselare, Ieper, Nieuwpoort, Oostende. Alleen Brugge bleef gespaard. Naderhand gaf hij opdracht om in te pakken, zodat onmiddellijk met de koningin kon verhuisd worden.

Koningin Elisabeth bracht ondertussen een bezoek aan het neogotisch kasteel Fort Zevenbergen[37] in Sint-Andries, gelegen op een boogscheut van het kasteel Koudekeuken en kwam er, vergezeld door een ordonnansofficier[38], met de eigenares en bewoonster, Marie de Madre de Mauville (1864-1947), weduwe van dienstdoende burgemeester van Sint-Andries Paul Coppieters (1862-1938) en moeder van de latere burgemeester Fernand Coppieters de ter Zaele (1894-1961), schikkingen nemen om er op 28 en 29 mei met de koning te logeren. Men kan hieruit concluderen dat, het verblijf in Wijnendaele onmogelijk wordend[39], de koning dichter bij zijn hoofdkwartier wilde logeren. Men kan hieruit ook besluiten dat de beslissing om een afgevaardigde naar de Duitsers te sturen met het oog op een wapenstilstand, niet alleen nog niet genomen was (die beslissing zou inderdaad pas ’s namiddags om 16 uur vallen), maar dat men dacht nog over een paar dagen te kunnen beschikken, alvorens dit te doen. Ieder uur, des te meer ieder dag uitstel was van levensbelang, gelet op de verbintenissen die men tegenover de geallieerde legers had, meer bepaald om de aftocht en inscheping van de Britse troepen, die daags voordien begonnen was, maximaal te dekken. Dit bezoek van de koningin, dat men enkel gerapporteerd vindt in Brugse geschriften, werd nooit in algemene werken gesignaleerd, hoewel het in de grote controverse die nadien ontstond over het al dan niet ontijdig stoppen van de Belgische oorlogvoering, en over het ogenblik waarop hierover beslist werd, niet zonder enig belang was[40].

Na een kort middagmaal in de kelders van het kasteel van Wijnendale deden De Man en de koningin een wandeling. Plots kwam generaal Van Overstraeten met de boodschap dat het daar helemaal onveilig geworden was en evacuatie onmiddellijk diende te gebeuren[41]. De bestemming was Middelkerke en ook de koning zou er de nacht komen doorbrengen. Ook al bleef Van Overstraeten er op dat ogenblik van overtuigd dat het leger nog enkele dagen kon stand houden, is het niet goed te begrijpen dat men Middelkerke koos als overnachtingsplek voor de koningin, laat staan voor de koning. De gemeente lag immers vlak bij het onder vuur liggend Oostende en de daar aanwezige militairen lieten trouwens weten dat de badplaats eivol zat met vluchtelingen en het niet duidelijk was waar men voor de koning een passend logies zou kunnen vinden[42]. De hoogste improvisatie was dus aan de orde en bracht mee dat men niet eens vooraf over de mogelijkheden had geïnformeerd. Van een verblijf in Middelkerke zou dan ook niets in huis komen. De koning besliste trouwens, gelet op de snelle evolutie van de toestand, de nacht in de gouverneursresidentie in Brugge door te brengen en gaf opdracht ook zijn moeder en een paar leden van haar gevolg naar daar te doen komen.

Er werd ondertussen hard gediscussieerd op het hoofdkwartier. Tegen de zin van generaal Van Overstraeten, ging de koning in op het voorstel van stafchef François-Oscar Michiels (1881-1946) onmiddellijk de wapenstilstand aan te vragen. Even na 16 uur viel de beslissing om met enige vertraging een onderhandelaar te sturen, zodat men toch nog minstens de avond en de ganse nacht voor zich had om de aftocht en inscheping van de Engelsen te dekken, onder meer door het opblazen van bruggen en het onder water laten lopen van de IJzervlakte. De beslissing werd niet in Koudekeuken genomen, maar in het Sint-Camillusgesticht. Weinig later kwam een kapitein Peeters in echte samenzweringsstijl bij juffrouw Dautricourt op Steentien langs, met de vraag om een wit beddenlaken en een bezemsteel. Hiermee getooid, vertrok om 17 uur de wagen van adjunct-stafchef Jules-Olivier Derousseaux (1886-1970) in vijandelijke richting[43]. Ondertussen werd gemeld dat vanuit Londen 200 miljoen frank was verstuurd, bestemd voor de soldij van de maand juni. De zending kon elk ogenblik aankomen. Men besliste dit nog snel te verdelen onder de troepen, opdat de Duitsers er de hand niet zouden kunnen op leggen als oorlogsbuit[44].

Ondertussen wachtten Elisabeth en haar medereizigers in Middelkerke op de toewijzing van een onderkomen. Opnieuw trok de koningin met De Man de duinen in. Daar bevonden zich talrijke vluchtelingen die haar herkenden en zich voor haar voeten wierpen, smekend dat ze de koning zou overtuigen snel een einde te maken aan hun ellende en aan de oorlog. Terug in de door de militairen bezette villa aangekomen, wachtte het bericht dat de wapenstilstand was aangevraagd en dat een deel van het gezelschap zich dringend naar het provinciehuis in Brugge moest begeven, terwijl de anderen naar Wijnendale moesten terugkeren om er op de komst van de Duitsers te wachten. De Man vertrok voorop en kon maar met grote moeite door Oostende geraken: Ik nam de weg naar Brugge, moeilijk berijdbaar door de putten in het wegdek, de branden in de haveninstallaties en vooral de elektrische draden van de tramlijnen die over de weg lagen. En hij voegde er aan toe: Ik begreep nu beter de uitdrukking te vuur en te zwaard, bij het zien van de enorme verwoesting. Nog net voor hij Brugge bereikte moest hij in een gracht schuilen omwille van een luchtaanval.

In Brugge trof De Man een toestand aan die in hevig contrast stond met de verwoesting die hij pas gezien had. De Grote Markt zag zwart van het volk en de sfeer was die van een kermisdag[45]. Op de terrassen zat men gezapig iets te verbruiken, terwijl op het plein zelf duizenden vluchtelingen stonden, zaten of lagen. De Duitse vliegtuigen scheerden over de daken, zonder dat dit schrik inboezemde. De menigte keek nauwelijks naar ze op, overtuigd als ze waren dat de binnenstad zou gespaard blijven. Men heeft de indruk, schreef De Man, dat men zich hier op de enige plek bevindt waar de oorlog geen greep op heeft. Pierre d’Ydewalle had enkele dagen vroeger de zelfde indruk opgedaan: Na Brussel, waar de politieke en administratieve wereld onrust zaaide, en Oostende die in de steek was gelaten door zijn burgemeester en door levensnoodzakelijke diensten als de brandweer, leken Brugge en zijn omgeving mij een vredig oord. De burgemeester, de heer Victor Van Hoestenberghe en de gemeentelijke administratie waren op post gebleven. Door hun rustige waardigheid ontstond overal een sfeer waarin de ongerustheid en de kalmte als vanzelf samengingen[46]. Dit lijkt des te merkwaardiger als men bedenkt dat op de korte periode van de oorlogsdagen, naast massale troepenbewegingen, Brugge niet minder dan 420.000 vluchtelingen moest opvangen[47].

Rond 19 uur bereikte De Man de ambtswoning van de gouverneur. Had hij ondertussen instructies gekregen of handelde hij op eigen initiatief? Hij gedroeg zich alleszins als een soort hofmaarschalk, die alle praktische schikkingen op zich nam. Behalve een paar dienstboden en de huisbewaarder trof hij niemand meer aan. Provinciaal griffier Lommez werd door hem gevorderd om de activiteiten in de residentie te leiden en er voor te zorgen dat er absolute geheimhouding bewaard bleef over wat er die nacht zou gebeuren. Niemand mocht nog het provinciehuis verlaten. Aan Lommez zegde De Man: Ge kunt toch vermoeden waarom we hier gekomen zijn en wat er gaande is[48]. Vlug werden kamers in gereedheid gebracht en werd een geïmproviseerde maaltijd bereid voor de koningin, die rond 22 uur arriveerde. De Man ontmoette ondertussen nog enkele mensen: admiraal Keyes die afscheid kwam nemen en een burgerpak kwam ontlenen alvorens in Nieuwpoort in te schepen voor Engeland en auditeur-generaal Hayoit de Termicourt. Rond half twaalf was het de koning zelf die samen met prins Karel arriveerde. Hij deelde zijn grote vermoeidheid mee, en De Man sprak hem moed in omdat de moeilijkheden nog niet voorbij waren.

De Man trok naar bed, maar pas ingeslapen werd hij gewekt: vergadering bij de koning. Daar vond hij Hayoit en de generaals Van Overstraeten en Oscar Michiels, bijgenaamd ‘Den Dikken’, chef van de generale staf. De Man trok er op zijn sloffen[49] naar toe, wat gelukkig niet bemerkt werd, gezien de halve duisternis waarin men bijeen kwam. Generaal Van Overstraeten had aan de aanwezigheid van De Man een onaangename herinnering bewaard, die hij pas in 1960 in zijn herwerkte memoires tot uiting bracht[50].  De eis van Hitler was binnengekomen en luidde: onvoorwaardelijke overgave (Bedingunslose Waffenstreckung). Na een korte discussie gaf de koning zijn akkoord en werd de zin goedgekeurd die naar de Duitsers zou worden geseind. Daarop ging iedereen slapen. Het is waarschijnlijk dat de koning in het bed sliep van gouverneur Baels, waar pas vier dagen vroeger ook eerste minister Pierlot had in geslapen. In de loop van de nacht verminderde het geraas van vliegtuigen.

Generaal Derousseaux begaf zich inmiddels opnieuw naar het hoofdkwartier van het Zesde Duitse leger, gelogeerd in het kasteel van Anvaing (Henegouwen), toebehorend aan graaf de Lannoy en ondertekende er in de loop van de voormiddag de modaliteiten van de capitulatie. Ondertussen was vanaf 4 uur ‘s morgens de wapenstilstand een feit en heerste volkomen stilte.

Dinsdag 28 mei 1940: Brugge

Vroeg in de morgen, na een kort gesprek met de pas uit Engeland teruggekeerde kabinetschef en privé-secretaris van de koning Louis Fredericq (1892-1981) en graaf Robert Capelle (1889-1974) nam De Man deel aan een bijeenkomst met de koning en dezelfden als de avond voordien. Het werd een grimmig nakaarten, waarbij Van Overstraeten hevige verwijten toestuurde aan Michiels over het onvoldoende tijdig bericht geven aan de Franse legerleiding[51]. Daarop gaf de koning opdracht aan De Man een brief op te stellen voor president Roosevelt om de motieven van de capitulatie uiteen te zetten. De Man werkte hieraan samen met Fredericq en Capelle, en in de vroege namiddag, nadat tot zijn ongenoegen ook generaal Van Overstraeten zijn bijdrage had geleverd, kwam de tekst klaar.

In de loop van de voormiddag maakte De Man een wandeling door Brugge en trof er de eerste Duitse soldaten aan. Hij zag onder meer hoe ze op de Markt de Belgische soldaten ontwapenden en zich interesseerden aan de Belgische anti-tank kanonnen die er geparkeerd stonden. In tegenstelling tot veel tijdgenoten noteerde De Man geen appreciatie over de soldaten die hij zag. Daarentegen schreef de oud-strijder van 14-18 Theo Hosten in verband met de soldaten die hij op de Markt ontmoette dat de mensen hun ogen haast niet kunnen geloven. Wat een leger! De soldaten zien er fris en net uit, proper geschoren en in een perfect uniform. Wat een verschil met onze piotten die hier ronddolen. Bijna allen even vuil en slordig. Ongewassen, alsof ze wekenlang in de loopgrachten hebben doorgebracht[52]. Generaal Van Overstraeten noteerde van zijn kant dat colonnes jonge Duitse infanteristen al zingend en onder de regen die ondertussen was ingetreden, over de Burg marcheerden[53].

De Man trok in de loop van de voormiddag ook het stadhuis binnen, waar net zoals op straat, in de gangen vermoeide Belgische soldaten te slapen lagen. Hij trof er burgemeester Van Hoestenberghe (1868-1960) en zijn schepenen aan, die hem meedeelden dat de bevolking enthousiast reageerde op de overgave. Hij dankte hen onder meer omdat de beiaard, bij het nieuws van de capitulatie, de Brabançonne had gespeeld. Ook Pierre d’Ydewalle, die al naar Engeland en daarna naar Frankrijk vertrokken was, kreeg hierover later bericht en noteerde sarcastisch in zijn memoires: Men vierde er de nederlaag![54]. De Man beloofde hen ook een kopie te bezorgen van de brief die de koning aan president Roosevelt zou richten, wat ’s anderendaags gebeurde, waarna het stadsbestuur de tekst vermenigvuldigde om aan de bevolking uit te delen.

Over het bezoek van De Man op het stadhuis bestaat een tweede bron, met name toenmalig schepen Pierre Vandamme, die in zijn boek Een hart aan zee (Brugge, 1983, blz. 102) schreef dat het om 6 uur ‘s morgens was dat De Man in uniform op de vergadering van het schepencollege verscheen en rechtstaand aan het venster lezing gaf van het ontwerp van de brief die de koning zich voornam naar Roosevelt te sturen. Burgemeester Van Hoestenberghe deed enkele suggesties voor tekstverbetering. Daarop verliet De Man het stadhuis.

Er is dus tegenstrijd tussen beide versies. De Man kon moeilijk een brief voorlezen als hij op dit vroege uur nog niet de opdracht had ontvangen die op te stellen. Het is niet uitgesloten dat Vandamme, die zijn herinneringen pas veel later neerschreef, verward heeft met het tweede bezoek dat De Man ‘s anderendaags opnieuw aan het schepencollege bracht. Of anders moet het eerste bezoek plaats gevonden hebben in de late voormiddag, op het ogenblik dat De Man al over een voorontwerp van de brief beschikte. Het feit dat hij dankwoorden uitsprak voor het beiaardspel wijst in die richting, want men kan zich moeilijk voorstellen dat het volkslied vanuit het Belfort al vóór zes uur in de morgen zou weerklonken hebben.

In de namiddag ging De Man op zoek naar een zendinstallatie teneinde de inhoud van die brief te kunnen wereldkundig maken, maar nergens kon hij er één vinden. Wel had men op het provinciehuis een radio en daar kon hij rond 18 uur de heruitzending op beluisteren van de vijandige toespraak van de Franse eerste minister Paul Reynaud (1878-1966), gevolgd door die van eerste minister Pierlot. Onmiddellijk deelde hij de inhoud ervan mee aan de koning die er kalm en sarcastisch op reageerde, in tegenstelling tot prins Karel die woedend riep dat hij Pierlot, die verklaard had dat militairen en ambtenaren van hun eed van trouw aan de koning ontheven waren, persoonlijk zou gaan neerschieten. De Man kreeg in de Franse berichtgeving die hier op volgde de ‘eer’ om samen met generaal Van Overstraeten als de slechte raadgever van de koning te worden bestempeld.

De eerste Duitser, kolonel Rudiger von Schuler, stafofficier van het Zesde Duitse leger, kwam zich in de loop van de namiddag bij de gouverneursresidentie aanmelden. Hij installeerde zich met zijn zendpost op de slaapkamer naast die van generaal Van Overstraeten, die hem onmiddellijk aanzag voor een spion van de Gestapo[55]. Even later kwam een Duitse wacht post vatten op de erekoer en de Belgische rijkswachters mochten ophoepelen[56]. De Man liet aan von Schuler broodjes bezorgen, wat aan sommige leden van de koninklijke entourage schampere opmerkingen ontlokte over een te grote vriendelijkheid tegenover de vijand.

We vermelden hier ook een andere activiteit, waar weliswaar De Man niet bij betrokken was, maar die in de Brugse herinnering is blijven voortleven, namelijk het verbergen van de regimentsvaandels. Al verschillende dagen vóór 27 mei, noteerde Van Overstraeten, had hij zich persoonlijk ingelaten met het lot van de vlaggen en standaarden. Bij alle legereenheden waren estafetten de regimentsvlaggen en andere symbolen gaan ophalen. De meeste had men in de nacht van 27 mei toevertrouwd aan dom Theodore Nève de Mevergnies (1879-1963), de abt van Zevenkerken  die voor een geheime bergplaats zou zorgen, waar ze de ganse oorlog bewaard bleven.

De morgen van 28 mei begaf Van Overstraeten zich naar Koudekeuken. Zoals iedereen, behalve de koning, bleef hij over een ruime bewegingsvrijheid beschikken. In een afdeling van het hoofdkwartier werd koortsachtig gewerkt aan het samenbrengen en verbergen van regimentssymbolen. Terwijl men in Koudekeuken bezig was met het inpakken van de nog nagekomen emblemen en er nog een paar werden aangevoerd, meldden de eerste Duitsers zich aan. Eén van de voorwaarden van de capitulatie was dat de vaandels en standaarden moesten ingeleverd worden, zodat het een zwaar incident zou geweest zijn indien de Duitsers hadden vastgesteld dat uitgerekend op het groothoofdkwartier maatregelen werden genomen om hieraan te ontsnappen. Het bleek niet meer mogelijk, vanwege de Duitse aanwezigheid, het saldo naar Zevenkerken over te brengen: vliegensvlug werden de vlaggen op een camion geladen die richting Gistel vertrok. In de kerk van Middelkerke verstopte men ze achter een biechtstoel. Enkele nog later gearriveerde vlaggen werden in de tuinen van Koudekeuken en van het Wit Huis, evenals in Wynendale verbrand[57].

De herinnering aan deze episode laat toe twee vaststellingen te doen. De eerste is dat midden de algemene verwarring en de nakende nederlaag, veel belang werd gehecht aan symboliek. Generaal Van Overstraeten hield zich persoonlijk met de emblemen bezig en kreeg de tranen in de ogen toen, nog na de capitulatie, een vlag omringd door een erewacht werd aangebracht. Het trof hem door merg en been, schreef hij. Dit toont de sterkte aan die deze symbolen voor de militairen hadden. Ze hadden er hun leven voor over opdat ze niet in handen van de vijand zouden vallen. In hun ogen zou dit bijna erger geweest zijn dan de nederlaag zelf. De tweede vaststelling is, dat wat ze niet wilden voor hun vlaggen, ze wél zonder probleem aanvaardden voor het allereerste en levende symbool zelf, met name de koning, die ondertussen in handen van de vijand was gevallen. Generaal Van Overstraeten had alvast geen inspanningen gedaan om de koning het advies te geven zich niet te laten gevangen nemen. Dit is een dualiteit in de geest die behoort tot de particulariteiten van toen en die we thans alleen maar met een zekere verwondering kunnen vaststellen.

De bijzondere mentaliteit van de militairen werd ook nog op kenschetsende manier vertolkt door van Overstraeten, toen hij op de avond van de capitulatiedag benadrukte, alsof het om een grote overwinning ging, dat de Duitsers aan het Belgisch leger de krijgsmanseer hadden toegekend en de officieren sabel en ongeladen revolver mochten blijven dragen. Belangrijker was zijn mededeling dat de Belgische soldaten onmiddellijk en de officieren spoedig naar hun haardstede zouden mogen terugkeren. Belofte die de Duitsers evenwel achteraf niet honoreerden.

Woensdag 29 mei 1940: Brugge

Na een wandeling door Brugge en een nieuw bezoek aan de burgemeester, ontving De Man de voorzitter van de Brugse afdeling van de Vlaamse Oudstrijdersbond, Sam De Vriendt (1884-1974)[58] die met een betuiging van dank voor de koning kwam. De Man vermeldt het niet, maar De Vriendt werd daarop ook door de koning ontvangen en stuurde hierover een zeer geëmotioneerd verslag[59] naar zijn vriend Juliaan Platteau (1894-1964)[60]. Ook burgemeester Van Hoestenberghe en de bisschop van Brugge Hendrik Lamiroy (1883-1952) werden door de koning ontvangen, die benieuwd was naar de reacties van de bevolking op de capitulatie[61]. Aan de burgemeester deelde hij mee dat hij zich verlaten voelde: Ik ben helemaal alleen. Zelfs mijn ministers, al mijn ministers, zijn tegen mij, zo zegde hij hem[62]. Het toont meteen aan dat de koning eigenlijk weinig belang aan de aanwezigheid van De Man hechtte en er alleszins geen voldoende vervanging voor zijn regelmatig aangestelde ministers in zag. In de loop van de voormiddag werkte De Man aan een protestbrief die koningin Elisabeth aan de Franse eerste minister wou richten. De brief werd uiteindelijk niet verstuurd.

Ondertussen was oud-minister van Landsverdediging Albert Devèze (1881-1959), die tijdens de voorbije dagen wel in legeruniform had gelopen maar geen eigenlijke affectatie in een legereenheid had, door de koning ontvangen. De Man die Devèze niet kon uitstaan, beschreef hem als ineengezakt en gestoord.  Volgens hem beschreef de koning hem als een verwarde geest die volledige de kluts kwijt was. Enkele dagen voordien, toen Devèze in De Panne was opgedoken, had De Man geschreven dat de koningin zijn antipathie voor deze man deelde.

Dit belet niet dat Devèze een voorstel kwam doen dat de koning gunstig in de oren klonk, namelijk dat een juridische nota zou worden opgesteld over de capitulatie en over de grondwettelijke positie van de koning, in het verlengde van de eerste nota die door Hayoit de Termicourt was opgesteld. Hij bood zich zelf aan om er aan mee te werken en suggereerde ook de katholieke senator en jurist Joseph Pholien voor medewerking uit te nodigen. De twee eerste bevonden zich in Brugge en Pholien was waarschijnlijk niet veraf. De koning gaf hieraan zijn goedkeuring. Het valt op dat in Brugge verschillende parlementsleden aanwezig waren, die de instructie om naar Frankrijk te vertrekken (waar op 31 mei de fameuze bijeenkomst in Limoges plaats vond, waarop nauwelijks veertig procent van de parlementsleden aanwezig was) niet hadden opgevolgd[63]. Immers, zowel de senatoren De Man, Pholien en Van Hoestenberghe als de volksvertegenwoordigers Devèze en Maurice Geûens (1883-1967) hadden daar normaal gevolg moeten aan geven, maar de enen gaven de voorkeur aan hun militaire verplichtingen en Van Hoestenberghe en Geûens aan hun verantwoordelijkheid als burgemeester en schepen van Brugge[64].

De Duitsers waren erg verrast geweest te vernemen dat Leopold het land niet verlaten had en zich aan hen had overgegeven. Om 15 uur[65] kwam de bevelhebber van het Zesde Duitse leger, generaal Walter von Reichenau (1884-1942)[66], omringd door zijn staf en een zwerm Duitse verslaggevers en fotografen, de gevangenneming van de koning officialiseren en zijn vertrek naar Brussel in het vooruitzicht stellen. Even later nam De Man, op zijn suggestie naar hij schreef, de koningin in zijn wagen om met haar drie ziekenhuizen te bezoeken, onder meer dat in het Engels klooster. Zo beschreef hij het bezoek: Overal wordt zij enthousiast, haast met dolle vreugde begroet. Het nieuws heeft zich als een lopend vuurtje door de stad verspreid en overal staan de bewoners op straat, juichen de koningin toe en bieden bloemen aan die ze inderhaast in hun tuin geplukt hebben. Ze hopen zich in de wagen op tot aan het dak en we kunnen ze niet alle meenemen. 

Om 20 uur kwamen twee Duitse officieren de modaliteiten van de terugreis naar Brussel bespreken. De koning ontving ze in aanwezigheid van De Man, die hij verzocht bij afwezigheid van de ordonnansofficieren, hiervan een verslag te maken. Het vertrek werd afgesproken voor de volgende morgen om 7 uur. Om 22 uur kwam evenwel generaal von Bieneck[67] met nieuwe orders: de koning zou onmiddellijk naar Brussel gevoerd worden. Men gaf de indruk dat hem daar een onderhoud met Hitler wachtte, wat evenwel niet bewaarheid werd[68]. Leopold vertrouwde opnieuw de koningin aan De Man toe en nam diep ontroerd van hem afscheid. In het holst van de nacht vertrok hij samen met generaal Van Overstraeten en kolonel Alfred van Caubergh (1891-1972), onder Duitse begeleiding naar Laken waar hij om 2 uur ‘s nachts arriveerde.

Donderdag 30 mei 1940: Brugge, Brussel

Het vertrek van de koningin, van prins Karel en van hun gevolg evenals van de achtergebleven medewerkers van de koning stond die morgen op het programma. De Man verwittigde de burgemeester van het nakend vertrek en die liet weer op de beiaard de Brabançonne spelen. Toen de koningin het provinciehuis verliet, werd ze door de wachtende menigte toegejuicht. Drie andere Brugse getuigen deden ongeveer het zelfde verhaal als dat van De Man. Armand Lommez wuifde de koningin uit in de vestibule van het gouvernementshotel en bood haar een bloemstuk aan[69]. Theo Hosten, die op de hoek van de Markt en de Vlamingstraat woonde en derhalve alles wat in het stadscentrum gebeurde van nabij kon volgen, maakte kort melding van het vertrek dat hij bijwoonde en Pierre Vandamme schreef dat hij en zijn collega’s de stille getuigen waren van een onvergetelijk en bijzonder pijnlijk schouwspel. Koningin Elisabeth en prins Karel werden weggevoerd, in grijze Duitse wagens, omringd door een bende grijze motoristen. Ze werden door toeschouwers toegejuicht[70].

Volgens het relaas van De Man vertrok de autokaravaan (prins Karel, de medewerkers van koning Leopold en van koningin Elisabeth) rond 10 uur. Ze reden door tot buiten Brugge waar ze bleven wachten op de auto van de koningin, die met veel vertraging arriveerde, opgehouden als zij geweest was door de Bruggelingen die haar voor het hek van de residentie met bloemen stonden op te wachten. Het is alvast in haar eigen wagen, bestuurd door haar eigen chauffeur dat ze naar Brussel terugkeerde, terwijl De Man die net vóór haar reed, dit eveneens met eigen wagen deed. Ook op dit punt was de herinnering van burgemeester Vandamme dus niet helemaal in overeenstemming. Wel is het juist dat de auto’s onder zware Duitse begeleiding vertrokken.

Op het zelfde tijdstip ontmoetten Hayoit de Termicourt, Devèze en Pholien (die men was gaan wegplukken bij de staf van zijn eenheid die de Torhoutse steenweg had bereikt en in één van de kastelen van de familie d’Ydewalle was gaan uitrusten) mekaar voor het stadhuis. Ze waren in uniform en schoven discreet naar binnen, om aan de nieuwsgierigheid te ontsnappen van de Duitse officieren en soldaten die aan en af liepen. Men leidde hen naar het kabinet van de burgemeester en om niet gestoord te worden sloten ze zich op “met een grote smeedijzeren sleutel” herinnerde zich Pholien, die ook twintig jaar later nog wist dat de vensters van het prestigieus gemeubileerd kabinet uitgaven op de Blinde-Ezelstraat! In de vooravond kwamen de heren klaar met hun juridische nota, die in de eerstvolgende jaren heel wat inkt zou doen vloeien. Ze trokken naar de Militaire Kring in de Oude Burg, waar hun tekst in twee exemplaren werd overgetypt en waar ze bleven overnachten. Vroeg in de morgen vertrokken ze ’s anderendaags met een vrijgeleide en in een auto vol builen en blutsen, richting kasteel van Laken[71].

De Achttiendaagse veldtocht en de dagen van intense politieke, militaire en diplomatieke activiteiten in West-Vlaanderen behoorden tot het verleden. In Brugge zou in de eerstvolgende dagen een ander soort ‘prominenten’ opgemerkt worden, zoals generaal Friedrich Paulus[72] (1890-1957), lid van de generale staf van het Zesde leger en latere verslagen veldmaarschalk van Stalingrad, zoals Reichsminister Rudolf Hess[73] (1894-1987) en zoals begin juli Joachim von Ribbentrop (1893-1946) en graaf Galleazo Ciano[74] (1903-1944), ministers van Buitenlandse zaken van het Duitse Rijk en van Italië, die een koffie dronken[75] op hetzelfde terras waar Pierlot en zijn collega’s zes weken eerder gezeten hadden. Hitler die daags na de capitulatie en ook nog een paar dagen later in West-Vlaanderen rondtoerde, was alleen geïnteresseerd in een bezoek aan de frontstreek die hij tijdens de Eerste wereldoorlog had gekend en kwam niet naar Brugge.

Epiloog

De informatie die Hendrik De Man heeft nagelaten is uiteraard interessant, omdat ze kort na de gebeurtenissen werd geschreven op basis van dagboeknotities. Het verhaal klinkt waarheidsgetrouw. De tekst is daarbij geschreven door een bevoorrechte getuige, die tot de leidende kringen behoorde, gemakkelijke toegang had tot de hoogste gezagdragers en tegelijkertijd grote bewegingsvrijheid genoot zodat hij veel over en weer reisde doorheen het land en in de eerste plaats doorheen West-Vlaanderen. Veel van wat hij schreef betrof het dagelijks verloop van de gebeurtenissen, zoals de gewone man ze ook beleefde, en waarop hij als historicus een speciale kijk kon hebben.

Of hij zijn eigen rol bij de koning en bij koningin Elisabeth al dan niet belangrijker voorstelde dan ze was, doet hier eigenlijk niet ter zake. Of alles wat hij uitgebreid neerschreef over zijn lange gesprekken met de koning en de koningin volledig accuraat was en zijn gesprekspartners de weergave hiervan zouden onderschreven hebben, is ook niet zeker. We hebben ons hierboven over deze gesprekken beperkt tot hetgeen we nodig achtten om het verloop van zijn belevenissen binnen de algemene context  begrijpelijk te maken.

De Man speelde tijdens de Achttiendaagse veldtocht een wat curieuze rol. Eigenlijk was hij niets méér dan de onofficiële begeleider van koningin Elisabeth. Voor de nationale voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij, oud-minister en politieke personaliteit van eerste rang, was dit wel een heel bescheiden en dan nog niet eens formele opdracht. Maar precies naar aanleiding van die opdracht verkreeg hij toegang tot de meest intieme kring van raadgevers rond koning Leopold. Vanaf 11 tot 29 mei, vooral de laatste vier dagen, heeft hij vele uren met de koning doorgebracht en aan besprekingen deelgenomen waarvoor hij in feite geen enkel mandaat of functie had. Op 11 mei handelde hij als koerier om een boodschap naar de Britse ambassade in Brussel over te brengen. In Wijnendale en in Brugge woonde hij onder het zelfde dak als de koning. Een paar maal trad hij als zijn secretaris op: voor de brieven naar George VI en naar Roosevelt, voor het verslag van het bezoek van twee Duitse officieren die het wegvoeren van de koning kwamen bespreken. De avond van 27 mei nam hij de leiding van de activiteiten in de gouverneursresidentie. Zijn grondige kennis zowel van het Duits als het Engels, kwamen bij herhaling goed van pas: de bijna exclusief Franstalige omgeving van de koning bezat eerder weinig talenkennis.

Dit alles was onder meer het gevolg van de afwezigheid, om uiteenlopende redenen[76], van de volledige burgerlijke entourage van de koning, waarvan alle leden zich in het buitenland bevonden: kabinetschef Louis Fredericq, kabinetssecretaris Willy Weemaes, adjunct-kabinetschef Gobert d’Aspremont-Lynden, privé-secretaris Robert Capelle, grootmaarschalk Louis Cornet de Ways-Ruart. Ook De Man, die hoewel in legeruniform, als reservist niet echt tot het leger behoorde, werd door de beroepsmilitairen  amper geduld. Toen hij op zaterdag 1 juni de koning in Laken bezocht, vertrouwde die hem toe dat hij verbaasd was over de heftigheid waarmee zijn entourage (en dat was dan natuurlijk in de eerste plaats Van Overstraeten) het vertrouwen dat hij in hem had, aan het wankelen wilde brengen. Anderzijds, gelet op het vertrek van de volledige regering, had de koning met De Man dan toch een politicus van formaat bij de hand, die hem de indruk kon geven dat hij minstens enige voeling bleef houden met de politieke wereld en dat hij meteen iemand bij zich had die, als het zover zou komen, bereid was een nieuwe regering in België te vormen. Dit laatste was trouwens een hypothese die in de eerste weken na de capitulatie al vlug werd verlaten.

Met Pierre d’Ydewalle kan men beamen dat De Man geen passende raadgever was voor de koning maar met Roger Keyes kan men veronderstellen dat hij in feite weinig invloed had. Hij was het zodanig met de koning eens, vooral wat betreft zijn hevige controverse met de regering, dat hij eigenlijk alleen maar tot bevestiger en klankbord diende. Indien de koning zich in die dagen door iemand zou hebben laten beïnvloeden (maar was hij wel te beïnvloeden?), dan was dat door generaal Van Overstraeten, zijn onmiddellijke militaire medewerker[77] of door koningin Elisabeth, die net als Leopold de bestendige reflex had “wat zou koning Albert gedaan hebben”. Dat ze voldoende politiek doorzicht had om de verschillen te beoordelen tussen de actuele toestand en de periode 14-18 is weinig waarschijnlijk. 

De bijna constante aanwezigheid van admiraal Keyes, die de koning een grenzeloze bewondering toedroeg, en hem in alles beaamde, was ook niet zonder belang[78]. Ook het advies van luitenant-generaal Emile Galet (1870-1940) was waarschijnlijk belangrijk. Deze destijds persoonlijke raadgever van koning Albert, had grote invloed op Leopold[79]. Hij had al op 14 mei aan de koning laten weten dat hij de vlucht naar Engeland van koningin Wilhelmina veroordeelde en vertoefde vanaf de achttiende mei bijna constant in zijn omgeving, in Wijnendale zelfs onder het zelfde dak[80]. Hij en luitenant-generaal Prudent Nuyten (1874-1954), beiden veteranen van de Eerste wereldoorlog en voormalige stafchefs, die men als adviseurs terug had opgeroepen, hadden volgens Van Overstraeten een negatieve invloed op de koning[81]. De koning was tijdens de ganse Achttiendaagse veldtocht hoofdzakelijk omringd door zijn moeder en door heren die behalve Van Overstraeten en De Man, twintig tot dertig jaar ouder dan hij waren (Michiels, Keyes, Galet, Nuyten): leeftijdgenoten en medewerkers van zijn vader, die de gebeurtenissen van 1940 grotendeels door de bril bekeken van wat ze in 14-18 hadden beleefd.

De Man was bij dit alles eigenlijk van niet zo veel tel. Hij deed trouwens geen moeite in zijn notities te doen uitschijnen dat de koning hem enig advies zou gevraagd hebben en verder zou gegaan zijn dan hem alleen als klankbord te gebruiken. Zonder de eerder toevallige aanwezigheid van De Man, zouden de koninklijke beslissingen die aan de basis lagen van de latere “koningskwestie”, alvast niet anders geweest zijn. In dit Grieks drama was hij maar figurant en bevoorrecht toeschouwer. Als er al een invloed van hem kon uitgaan, dan lag die in de lijn van die van de koningin, Van Overstraeten, Keyes, Galet, Nuyten en anderen in de omgeving van de koning, namelijk om bij de koning voedsel te geven aan vooroordelen en wantrouwen tegenover de Belgische politieke wereld[82].

Ondertussen maakten het heen en weer rijden, in dienst van de koningin en soms van de koning en de noodzaak tot herhaalde verhuis, dat De Man tijdens de Meidagen veel op stap was, veel kon observeren en noteren. Voor ons, vanuit Brugs en West-Vlaams oogpunt, is het interessant de gegevens te lezen die hij heeft samengebracht over wat hier in deze cruciale dagen gebeurde en ze te plaatsen naast hetgeen daarover door andere getuigen, journalisten, overheidspersonen, gewone burgers werd genoteerd. Zijn informatie bevestigt, nuanceert, kleurt bij of vult aan wat we over die oorlogsdagen weten, meer bepaald over het leven in Brugge en in de kuststreek.

Een hoeveelheid petite histoire danken we aan de observatiegeest van de schrijver. Het kleurrijk verhaal van de lunch tijdens dewelke Hendrik Baels werd afgezet is een roman waardig. De discussie tussen Elisabeth en De Man, beiden zonnend in de duinen, is een merkwaardig stuk dat voor de kennis van de gedachtewereld van de eigenzinnige koningin belangrijk is. Het verhaal van de blinde vensters in Oostende om de gekwetsten aan het oog van de toeristen te onttrekken, is surrealistisch. De vele kleine toetsen over het verloop van de oorlog en het leven van elkeen, onder meer aan de kust en in Brugge, de beschrijving van het tijdens die dagen nomadisch leven van de koning, van de koningin en van al wie rond hen cirkelde, de snelheid waarmee nieuwe routines zich installeerden (hospitalen bezoeken, wandelen in de duinen, de oorlogvoering observeren), de stijgende dramatiek naarmate de dagen vorderden, tot aan de anticlimax van de dag na de capitulatie, dit alles vinden we in de aantekeningen van De Man terug. Zestig jaar na de dramatische gebeurtenissen leek het ons niet onnuttig zijn gegevens samen met die van een paar andere tijdgenoten en auteurs, vanuit een hoofdzakelijk Brugse en West-Vlaamse gezichtshoek, op een rijtje te zetten.

Andries Van den Abeele


[1] H. DE MAN, Après Coup (mémoires), Brussel, 1941, blz. 314-318.

[2] Alle gegevens hierna zonder verwijzing in voetnota, komen uit dit dagboek.

[3] Ook J. VANWELKENHUYZEN, Aux sources de la question royale. 1940, quand les chemins se séparent (Gembloux, 1988) heeft heel wat geput uit het relaas van De Man, waarvan hij de volledige toen nog niet gepubliceerde tekst had kunnen lezen. Hij haalde er uit wat bruikbaar was voor zijn thesis dat De Man een intrigant was, die stond te trappelen om een door de koning te benoemen regering te leiden.

[4] P. ASSOULINE, Une éminence grise, Jean Jardin, Parijs 1986.

[5] L SCHEPENS, 1940: Dagboek van een politiek conflict, Tielt, 1970

[6] gebundelde uitgave Brugsch Handelsblad, 1975.

[7]  gepubliceerd in het Brugsch Handelsblad, 23 en 30 mei en 6 juni 1980.

[8] P. D’YDEWALLE, De Memoires 1912-1940, Tielt, 1994, blz. 237.

[9]  Sir Roger Keyes was, na zijn pensionering bij het leger,  sedert 1934 lid van het Lagerhuis voor de  Conservatieve partij, waar hij Churchill had gesteund tegen Chamberlain. Na zijn terugkeer in Engeland einde mei 1940 was Keyes nog betrokken bij de oprichting van het eerste opleidingscentrum voor wat men later ‘commandotroepen’ ging noemen. In 1943 werd hij in de adel bevorderd tot baron Keyes of Zebrugge and of Dover (National Biographical Dictionary, Vol. 1941-1950, blz. 449-450).

[10] R.KEYES, Un règne brisé, Leopold III 1901-1941, Paris-Gembloux, 1985, p. 204-205 en 230.

[11] Het is eigenaardig dat dit toch heel belangrijk feit tot hiertoe in geen enkele Brugse publicatie (of bron?) vermeld werd. Was die afsluiting wel zo algemeen en zo langdurig als De Man het schreef?

[12] M. CONSTANDT, Te kust en te kuur. Badplaatsen en Kuuroorden in België, 16de – 20ste eeuw, Gent, 1987, blz. 111-114.

[13] P. D’YDEWALLE, a.w., blz. 283. “Daar hebben we de andere ministers aangetroffen. Ze verkeerden in een staat van uiterste opwinding”.

[14] idem, blz 283.

[15]  idem, blz. 284 deed hetzelfde en noteerde: “Overweldigende aanval, reusachtige branden, verbijsterend schouwspel.”

[16]  ‘Kasteel’ was wel een groot woord voor wat een stijlvol maar bescheiden landhuis was. Thans een tehuis voor auditief en visueel gehandicapten  van het Instituut Spermalie.

[17]  P. d’YDEWALLE, a.w., blz 285.

[18]  De afstand was 10 km. In de nabijheid van het hoofdkwartier zowel in Sint-Andries als in Varsenare lagen minstens een dozijn kleine kastelen die hadden kunnen in aanmerking komen voor dit verblijf. Veiligheid speelde wellicht een rol, hoewel het over en weer pendelen al even onveilig was voor de koning, gelet op de Duitse beheersing van het luchtruim. Een aanwijzing te meer dat ‘Loppem’ het magisch woord was.

[19]  M. VAN COPPENOLLE, Het verblijf van koning Leopold te Sint-Andries, in: De Stem van ‘t Boompje – 2 juni tot 14 juli 1946.

[20]  R. VAN OVERSTRAETEN, Albert I  - Leopold III Vingt ans de politique militaire belge (Brugge, 1949), blz. 632.

[21]  T. HOSTEN, a.w. Brugsch Handelsblad 6 juni 1980.

[22]  P. d’YDEWALLE, a.w., blz. 286.

[23]  Uiteraard alleen voor de gemeenteraadsverkiezingen, aangezien het vrouwenstemrecht voor de wetgevende verkiezingen nog niet was ingevoerd.

[24]  L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1921/1978, Tielt, 1979, blz. 225-227 en 412.

[25]  C. VLAEMINCK, De Meidagen te Brugge,1975, blz. 31.

[26]  E. RASKIN, Prinses Lilian, Brussel,1997

[27]  Luc Van Brabant, vader van de latere poltiek redacteur van Het Laatste Nieuws Piet Van Brabant, was fotograaf en opticien in Koksijde. Hij was ook dichter alsook kenner en vertaler van Franse poëzie uit de Renaissance.

[28]  J. PHOLIEN, Souvenirs des derniers jours de mai 1940, in: Revue Générale Belge, Oktober 1961, blz. 11-14.

[29] R. KEYES, a.w. blz. 300: “J’ai parcouru des centaines de kilomètres pour parler à Churchill au départ de La Panne”.

[30]  Spaak verklaarde tijdens zijn uiteenzetting van 31 mei 1940 voor de parlementsleden in Limoges: “…Ik zeg gewoon dat hij geen generaal was… hij had maar één bekommernis: geen burgers te laten doden of steden te laten vernielen”.

[31]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz. 668; C. VLAEMINCK, a.w., blz 78.

[32]  idem, blz. 687.

[33] Dit bleek achteraf voorbarig. Nog op 27 mei kon admiraal Keyes vanuit villa Maskens met Churchill telefoneren: na 17 uur, want voor dit uur deed Churchill zijn namiddagsiësta! Er waren op dat ogenblik nog altijd Franse troepen in De Panne, met zelfs hun hoofdkwartier in de villa Maskens  (R. KEYES, a.w., blz. 382)

[34] Dit kasteel lag op ongeveer 20 km van het hoofdkwartier.

[35]  Dit is althans de versie van De Man, die door Roger Keyes betwist wordt. Volgens hem werd het eerste deel van de brief door de koning geschreven en het tweede deel door hem aan admiraal Keyes gedicteerd. (R. KEYES, a.w. blz. 344-348, oorspronkelijke uitgave: Outrageous Fortune. The tragedy of Leopold III of the Belgians, Londen, 1984). Als bewijs publiceerde Keyes het handschrift van de brief, voor de helft in het handschrift van de koning en voor de andere helft in dat van zijn vader. Beide versies zijn niet noodzakelijk helemaal in tegenspraak. Het is mogelijk dat de koning het eerste deel, voor de aankomst van Keyes in Wijnendale, samen met De Man op punt stelde. Keyes schreef ook dat de rol van De Man bij de koning, zowel door hemzelf als door de anti-leopoldisten na de oorlog aangedikt was. Volgens hem had de koning geen sympathie voor De Man en vond hij hem “een arrivist, die gewichtig deed”. Naar het oordeel van Keyes was de rol die De Man in de laatste dagen van de veldtocht bij de koning speelde onbetekenend.

[36]  Een voorloper van de meer grondige consultatie die de koning na de capitulatie aan dezelfde en aan twee juristen-politici opdroeg.

[37]  Gelegen langs de huidige Leopold III laan 141. In 1962 gesloopt en vervangen door een villa.

[38] Waarschijnlijk majoor Ferdinand Van den Heuvel (1882-1957), commandant van de paleizen, die de opdracht had de huisvesting voor de koning en zijn gevolg te regelen. Bij VAN OVERSTRAETEN, a.w. blz. 703 leest men dat Van den Heuvel al ’s morgens voor 8 u 30 had laten weten dat hij een passende residentie voor de koning had gevonden in Varsenare (kasteel de Zandberg? kasteel De Blauwe Torre?). Was iemand (de koningin?) het daar niet mee eens, zodat naar iets anders gezocht werd?

[39] Onder meer was de enige telefoon die op het kasteel beschikbaar was, het via de openbare telefooncentrale te bereiken handbediend toestel met n° 3, niet meer in werking. Als de koning niet op zijn hoofdkwartier was, kon hem enkel met estafetten nieuws worden overgebracht. Een zelfs voor die tijd toch primitieve toestand.

[40]  C. VLAEMINCK, a.w., blz. 78, getuigenis van jonkheer Antoine Coppieters de ter Zaele.

[41]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w. blz. 712. Waarom generaal van Overstraeten zelf, op zo een cruciaal ogenblik, naar Wijnendale en ook naar Loppem reed om er het koninklijk gevolg te verwittigen dringend te vertrekken, is één van de vele raadsels van een moment waarop iedereen boven zijn toeren draaide.

[42]  idem, blz. 718

[43]  C. VLAEMINCK, a.w., blz. 81; R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz  716.

[44]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz. 716. Of dit, midden de grote verwarring, ook inderdaad gebeurde vonden we nergens genoteerd.

[45] Om de volkstoeloop te kenschetsen, gebruikte Theo Hosten het in Brugge traditioneel vergelijkingspunt: “het was als op Heilig-Bloeddag”.

[46]  P. d’YDEWALLE, a.w., blz.. 286-287.

[47]  Gemeenteblad van de Stad Brugge, 1941, blz. 191-194.

[48]  C. VLAEMINCK, De Meidagen van 1940, blz. 84.

[49]  Merkwaardig dat commandant De Man pantoffels bij zich had!

[50]  R. VAN OVERSTRAETEN, Dans l’étau, au service de la Belgique, Parijs, 1960, blz. 348: “Le roi est accompagné de Mr. De Man (Je me demande à quel titre). Sa Majesté s’assied. Je vois Mr. De Man prendre un siège à sa gauche, tout comme agirait un Premier Ministre. (Serait-il chef d’un gouvernement nouveau?)”

[51]  R. VAN OVERSTRAETEN, Albert I, etc, a.w., blz. 722, situeert deze bijeenkomst pas tegen de middag, vermeldt De Man niet en vermeldt ook de discussie niet.

[52]  T. HOSTEN, Brugsch Handelsblad 6 augustus 1980.

[53]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz. 723.

[54]  P. D’YDEWALLE, a.w. blz. 330.

[55]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz. 723.

[56]  idem, blz. 723-724.

[57]  idem, blz. 721-722;  C. VLAEMINCK, a.w., blz. 84; (Dom N. HUYGHEBAERT), Comment 37 drapeaux de notre armée furent sauvés en mai 1940, in: les Cahiers de Saint-André, 1952; A. KEUKELEIRE, De abdij van Sint-Andries-Zevenkerken tijdens de Tweede wereldoorlog, in: Brugs Ommeland, 1972, blz. 77-9; J. CLEEREMANS, Leopold III in het jaar 40, Kortrijk, 1986, heeft het uitgebreid over de vlaggenkwestie.

[58]  Midden 1941 werd hij als niet-raadslid, schepen van onderwijs en schone kunsten van Brugge, tot in 1944.

[59] G. PROVOOST, De Vossen, Brussel, 1979, blz. 121.

[60] De musicus en acteur Platteau werd door De Vriendt in 1941 tot directeur van de Brugse stadsschouwburg benoemd.

[61] P. VANDAMME, a.w. blz. 105; nota’s Van Caubergh (ongepubliceerd).

[62] P.d’YDEWALLE, a.w., blz. 313, die deze ontmoeting op 28 mei situeert.

[63] A. TESTIBUS, Le Parlement dans la tempête, Brussel, (1941).

[64] Uit Brugge vertrokken naar Limoges, de katholieke volksvertegenwoordiger Alfons De Groeve (nochtans ook schepen van Brugge), de socialistische volksvertegenwoordiger Achiel Van Acker en de socialistische senator Arthur Verbrugghe. VNV-volksvertegenwoordiger Jef Devroe bleef in zijn woning in Sint-Kruis (inlichting ons verstrekt door zijn zoon Herman Devroe).

[65]  De Man en Van Overstraeten hebben beiden dit uur genoteerd. In zijn dagboek noteerde Von Reichenau: “Van morgen om 11 uur de koning bezocht. Hij liet me 40 minuten wachten – moeilijk om te slikken!” (R. KEYES, a.w., blz. 395). Het probleem met deze dagboekaantekening is dat ze wel hier en daar wordt geciteerd, maar dat er van een dagboek van Von Reichenau tot op vandaag geen spoor is.

[66] In juli 1940 tot veldmaarschalk bevorderd. In januari1942 na een hersenbloeding, tijdens het overbrengen per vliegtuig naar het ziekenhuis aan een hartstilstand overleden.

[67]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w. blz. 726 schrijft dat het generaal von Reichenau was, wat evenwel weinig waarschijnlijk is, gezien hij als opperbevelhebber wel andere zorgen had.

[68]  Hitler bezocht op 29 mei Rijsel en…Ardooie, waar hij in de Eerste wereldoorlog soldaat was geweest. Op 1 juni was hij in Brussel. De koning mocht zich gelukkig achten dat de “führer” voor hem geen tijd had. (J. DE LAUNAY, La Belgique à l’heure allemande, Brussel, 1978, blz. 52-54.)

[69] C. VLAEMINCK, a.w., blz. 87

[70] P. VANDAMME, a.w. blz. 105.

[71]  J. PHOLIEN, a.w.

[72] P. VANDAMME, a.w. blz. 106.

[73] T. HOSTEN,  Brugsch Handelsblad 6 aug. 1980.

[74]  G. CIANO, Journal Politique 1939-1943,  Tome I, Neuchatel, 1948, blz. 273

[75]  Foto in: C. VLAEMINCK, a.w., blz. 91.

[76]  Volgens P.d’YDEWALLE, a.w. blz. 265 was de voornaamste reden dat generaal Van Overstraeten, die de burgerlijke leden van het Huis van de koning niet kon luchten, ze allen had buiten gemaneuvreerd. Het is nochtans Van Overstraeten die, op het einde van de Achttiendaagse veldtocht aandrong op hun terugkeer bij de koning.

[77]  R. VAN OVERSTRAETEN, a.w., blz. 676 schreef, na de mogelijkheid van blijven of vertrekken te hebben geanalyseerd: “En ce qui concerne l’attitude personnelle à prendre par le Roi (…), je m’en voudrais d’influencer le Souverain vers l’une ou vers l’autre”.

[78]  P. d’YDEWALLE, a.w. blz. 196 geeft een vernietigend oordeel over de oude admiraal: “Ik dacht dat hij helemaal kinds was (“complètement gaga” in de Franse uitgave van zijn Memoires), er vergoelijkend aan toevoegend dat Keyes “meer belangstelling had voor de zee dan aanleg voor de diplomatie”.

[79]  J. VELAERS & H. VAN GOETHEM, a.w., blz. 180; R. VAN OVERSTRAETEN, a.w. blz. 603.

[80]  Galet overleed in november 1940. Van hem zijn geen geschriften bekend waarin hij zijn contacten met de koning tijdens de laatste meidagen weergaf. Dat die contacten er waren, verblijvend onder hetzelfde dak, mag als een zekerheid beschouwd worden.

[81]  R. VAN OVERSTRAETEN, Dans l’Etau, Parijs, 1960, over Galet: “physiquement épuisé, moralement déprimé, hanté de mauvais présages” (blz. 280) en over Nuyten : “…le défaitisme du général Nuyten, conseillant de limiter les dégâts” (blz. 350)

[82]  P.d’YDEWALLE, a.w., blz. 203

www.andriesvandenabeele.net