GILDE NOODVIER : DE OORLOGSJAREN

1940 - 1944

Andries Van den Abeele

 

Hoofdstuk I - Inleiding

Een verslagboek

Ter herinnering

Hoofdstuk II - De organisatie

Hoofdstuk III - De activiteiten

Organiseren, coördineren, controleren

De godsdienstige praktijken

De Vlaamse activiteiten

De geheime vergaderingen

Hoofdstuk IV - De werking per klas in een "burcht" of "ede"

Hoofdstuk V - Betrekkingen met de buitenwereld

De geestelijke raadgever

De oud-keurmannen en de "archivaris"

Hoofdstuk VI - Noodvier en de scouts

Hoofdstuk VII - Noodvier en de KSA

Hoofdstuk VIII - Noodvier en de studentenbond

Hoofdstuk IX - Noodvier en het VNV

Hoofdstuk X - Noodvier, de bezetter en de oorlog

Hoofdstuk XI - "De nieuwe gedachten"

Hoofdstuk XII - Een jolige bende

Hoofdstuk XIII - Enkele conclusies

Bijlagen

I - Data en plaatsen van samenkomst

2 - Leden Noodvier en klas-eden over de periode 1941- 1944

3. Wat er later van hen geworden is

Hoofdstuk I - INLEIDING

Een verslagboek

Bijna vijftien jaar geleden publiceerde ik een studie gewijd aan de Gilde Noodvier[1], het geheim studentengenootschap in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge.

Enkele tijd nadien werd ik in het bezit gesteld van een verslagboek dat de activiteiten beschrijft van deze Gilde over de periode vanaf 9 juni 1941 tot 19 december 1947. In dit verslagboek van het type groot kasboek, staan 370 bladzijden volgeschreven.[2] Het draagt het opschrift: “Boek IV - Als vervolg op vroegere verslagboeken, begonnen in Juni van het jaar O.H.J.C. 1941”.[3]

Het boek geeft een veel vollediger beeld van de werking van Noodvier, althans voor de jaren waarover het verslag uitbrengt, dan wat ik in mijn vorige studie kon geven. Die was enerzijds gebaseerd, voor wat ontstaan en geschiedenis betreft, op schaarse documenten en op een aantal gegevens die hierover eerder gepubliceerd waren en anderzijds op de eigen beperkte ervaring binnen het genootschap. Het verslagboek 1941-47 maakt een meer gedetailleerde kennismaking mogelijk met wat er in Noodvier precies omging.[4]

Deze studie beperkt zich tot de oorlogsjaren. Niet alleen zou de ontleding van de ganse in het verslagboek voorkomende periode een te uitgebreide tekst hebben opgeleverd, maar daarbij is er duidelijk een verschil in geest en klimaat waar te nemen na september 1944, wat vraagt naar een aparte ontleding en bespreking.

Ter herinnering

Voor wie mijn eerste bijdrage over Noodvier niet gelezen heeft of niet bij de hand heeft, volgt hierna een korte herhaling van de hoofdelementen.

De Gilde Noodvier werd tijdens het schooljaar 1888-1889 in het Sint-Lodewijkscollege opgericht, op een tijdstip dat in verschillende West-Vlaamse colleges dergelijke “geheime” genootschappen werden gesticht. Noodvier hield stand, daar waar de andere verenigingen vlug of na een aantal jaren verdwenen. Het ging om een Vlaamsgezind maar terzelfder tijd militant-katholiek genootschap, dat zich inzette voor de vervlaamsing van het collegeleven en dit in de eerste plaats via de studentenbond nastreefde. Bij de stichting was de leraar en priester Edward Van Robaeys[5] (1855-1906) betrokken en bij de verdere ontwikkeling speelde zijn collega Cyriel Delaere[6] (1861-1917) een rol.

Enkele namen van leden zijn bekend, grotendeels omdat ze er zelf later gewag hebben van gemaakt, enkele omdat ze in het hier besproken verslagboek als oud-leden worden geciteerd. In 1888-1890 waren dat Gustaaf Van Acker, Prosper Victoor, Karel Plancke en Leo Perquy[7], in 1893-94 Joseph en Louis De Wolf, Louis Ghys en Emiel Van Cappel[8], in 1896 Jozef De Wolf[9], in 1900 Franz De Witte[10], in 1901 Karel De Wolf [11]en Lodewijk Schram[12] in 1903 Alfons De Groeve[13] en Désiré Leys[14], in 1904 Michiel English[15] en Maurits Lowyck[16], in 1908 Fons Bekkers en Edward Leys[17], in 1910 Maurice Geerebaert[18] in 1916 Pieter Ghyssaert[19], Herman Bossier[20] en rond dezelfde tijd (maar niet tot in de Retorica) Albert Lacquet[21], in 1928 Jozef Houttekier[22], in 1931 misschien Jozef Ketele[23], in 1932 Jozef Cordy, in 1933 Stefaan Gyselen en Antoon Lowyck, in 1935 Albert De Wispelaere, Edward Lowyck en Paul Nicaise[24]. Van een aantal andere kan, vanwege hun rol in de studentenbond - vanaf 1928 ook in de KSA - vermoed worden dat ze lid van Noodvier waren, zonder hierover evenwel thans zekerheid te hebben.

Voor de periode 1925-35 hebben we over de werking van Noodvier weinig gegevens. Het was de cruciale periode waarin de bisschoppen, in een heel vroeg stadium, het nationalisme veroordeelden en tegen de Vlaams-nationalistische studentenbeweging de strijd aanbonden. Vooral in West-Vlaanderen en in de bisschoppelijke colleges werd het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) het leven zuur gemaakt[25]. Vanaf 1928 deed de Katholieke Studenten Actie (KSA) zijn intrede in de colleges, in 1934 gevolgd door het Jong Volkse Front (JVF)[26]. De eerste organisatie richtte zich op een militante katholieke actie, de tweede op een meer radicale Vlaamsgezinde actie. Voor het AKVS bleef geen ruimte meer over. De studentenbonden in de colleges, en meer bepaald de bond Breydelstede namen de ommezwaai mee, braken met het AKVS en werden de lokale organisatie van het JVF. Hoe dit zich in de schoot van de Gilde Noodvier voltrok kunnen we door gebrek aan documenten niet achterhalen, maar dat ook daar de ommezwaai gebeurd is, is duidelijk. Tijdgenoten hebben hierover weinig of niets aan het papier toevertrouwd.[27]

In het “stormjaar” 1936-37 was Jozef Dantschotter[28] de “dictator” van Noodvier, in 1937-38 was het Joris Joye[29], in 1938-39 Jozef Bonneure[30] en in 1939-40 Jozef Leys[31]. Onder de leiding van deze laatste trad Noodvier de oorlog in. Hoe de werking toen verliep hebben we niet kunnen achterhalen. In augustus 1940 begon een nieuw werkjaar met Gaby Gyselen in de functie van “dictator”. Volgens de herinnering die Fernand Bonneure hieraan heeft bewaard, werd de werking na juni/juli 1940, net zoals de schoolactiviteiten normaal hernomen. In het verslagboek nemen we pas bijna een jaar later de draad op, zodat we van de werking tijdens het eerste oorlogsjaar weinig of niets afweten. Des te meer zijn we door dit verslagboek ingelicht over de volgende jaren.

Hoofdstuk II -  De organisatie

De organisatie van de Gilde Noodvier, zoals die naar voor komt in het verslagboek, stemt in grote lijnen overeen met wat ik in mijn vorig artikel heb beschreven, hoewel ze nu nog duidelijker is.

Gilde Noodvier bestond elk jaar uit 6 à 12 leden, hoofdzakelijk uit de Retorica en de Poësis. In de loop van het jaar werden, in het vooruitzicht van de aflossing, een paar leden uit de Derde Latijnse gecoِpteerd. Het aantal leden stond derhalve tegen het einde van het schooljaar op een maximum, en viel dan wat terug door de verdwijning van de retorici.

Het werkjaar, “stormjaar” genoemd, viel samen met het schooljaar. In juli werd afscheid genomen van de retorici en in augustus werden de activiteiten hervat.

De leider werd “dictator” genoemd. Hij was, in de periode die we hier behandelen, ook de bondsleider van de KSA-bond op het college.[32] De overige leden werden “keurman” genoemd. Eén onder hen, als een soort tweede in bevel binnen Noodvier, was hoofdman van de studentenbond op het college. De leden van Noodvier oefenden allen leidersfuncties uit in de KSA-collegebond, in de KSA-verlofwerking, in de studentenbond en in enkele nevenactiviteiten (Caritas Sobriëtas voor geheelonthouders, Sint-Amandus voor de missies). Binnen Noodvier waren er nog twee andere vaste functies: die van verslaggever en die van penningmeester of “jood” die voor het ophalen van de boeten moest zorgen en de kas moest beheren. Boeten waren er vooral voor het te laat komen, wat nogal frequent voorkwam.

Tijdens het jaar 1941-42 waren in het verslagboek bij herhaling oprispingen te bemerken over de “dictatoriale” neigingen van de dictator. Roland Pierloot nam soms beslissingen waar sommige keurmannen - en vooral die van de Poësis - het niet mee eens waren, hoewel ze er zich noodgedwongen bij neerlegden. Het eerste punt op de dagorde van de eerste bijeenkomst voor het werkjaar 1942-43 luidde dan ook: “machten van de dictator vastleggen”. De machten die men hem toekende waren: “het gebed voorlezen – formuleren van een besluit, nadat men er lang over gediscussieerd heeft en iedereen akkoord gaat - contacten met de geestelijke raadgever onderhouden - haast nooit een richtlijn geven waarbij de keurmannen niets te zeggen hebben.” Daarenboven eisten de keurmannen dat zij voortaan, net als de dictator, de samenstelling zouden kennen van alle klasburchten. Dit betekende een felle beknotting van de machten van de dictator. In de praktijk zou evenwel niet veel veranderen, want in de loop van het werkjaar zou de nieuwe dictator, Seppen Verleye, bij herhaling beslissingen doordrukken, tegen de wil van de meerderheid van de keurmannen. Mopperend legden ze er zich bij neer. Het jaar daarop liet ook dictator Etienne Van Biervliet zijn gezag gelden.

Naast de eigenlijke Gilde Noodvier werd in ieder klas een gelijkaardige activiteit ontwikkeld. Dit begon al in het tweede of derde kwartaal van het zevende voorbereidend studiejaar. In ieder klas werd een kern opgebouwd van minstens drie of vier tot maximum tien leden. Zo een kern werd “burcht” genoemd en de leden “skald”. Ieder lid koos een oud-Germaans klinkende schuilnaam, waarvoor men inspiratie zocht in de Gudrun van Albrecht Rodenbach (Wate, Ortwin, Herwig) of in Duitse sagen (Siegfried, Godfried, Wodan, Wittekind, Baldwin, Eggeric, Delwar, Thor, Winfried, Ulf, Sigurd, Balder, Diederik, Lodwig, Hjalmar, Hartmoed, etc). Eén van de skalden werd tot “opperskald” gepromoveerd: hij moest de leden verwittigen voor de vergaderingen. Een ander lid werd verslaggever, want ook van deze bijeenkomsten werd naarstig alles geregistreerd. Een derde lid was penningmeester of “jood” en beheerde de geringe centjes van de klasburcht.

Ieder keurman in Noodvier had de zorg over een kern en had in die functie de naam van “burchtheer”. De leden van een burcht wisten dat er een algemene leiding was, die vaag omschreven werd als “Tijl, de geest van Vlaanderen” en werden verzocht hierover geen verdere vragen te stellen. Een aantal “skalden” bleven enkel in hun “burcht” werken, en werden niet opgenomen in Noodvier, ook niet in de Poësis of de Retorica. Ze verlieten het college zonder er het fijne van te weten.

Begin 1943 ontstond enige beroering. De KSA had beslist om voortaan voor zijn werking het woord “banlokaal” te vervangen door de naam “burcht”. Noodvier was hierover heel boos maar moest noodgedwongen een nieuwe naam gaan zoeken, opdat er geen verwarring zou ontstaan. Na heel wat discussie werd de klaswerking omgedoopt in “ede”, maar niet in “swigende ede” om geen eventuele disputen uit te lokken vanwege vroegere AKVS-ers, moest het gebruik van die naam hun ter oren gekomen zijn.[33] Er moest ook een nieuwe naam gevonden in vervanging van “burchtheer”. Na heel wat gezucht en gepieker, waarbij Joris Stalpaert voorstelde om die voortaan “Timosjenko”[34] te noemen (“Al de aanwezigen haalden minachtend de schouders op en vonden die klucht ongepast”), werd beslist de naam “keurman”, die men al gebruikte voor de leden van Noodvier, ook te gebruiken voor hun functie als leider van een klasgroepje.

De bijeenkomsten van Noodvier grepen ongeveer om de veertien dagen à drie weken plaats. Men kwam samen in het huis van de een of de andere, soms van de dictator, soms van een keurman die meer mogelijkheid tot ontvangen had. Als het even kon, vergaderde men op een zolder of nog liever in een kelder. In 1940-41 was dit meestal ten huize Gaby Gyselen aan de Gentpoortvest, in 1941-42 ten huize Roland Pierloot in de Nieuwstraat (thans Witte-Beerstraat) op Sint-Andries of bij Fernand Bonneure in de Gouden-Boomstraat op Kristus-Koning, in 1942-43 voornamelijk in de kelders van het Provinciaal hof (de vader van Jozef Verleye was er huisbewaarder) en bij Walter Van Roose in de Kemelstraat, en in 1943-44 bij Etienne Van Biervliet aan de Leopold II laan of bij Walter Van Roose. Af en toe werd ook vergaderd in het gewestlokaal van de KSA, het huis “De Appelzak” in de Hoogstraat, op de hoek van de Boomgaardstraat of in één of ander banlokaal dat zich in een parochiaal centrum bevond.

De dagorde van de bijeenkomsten was in grote lijnen steeds dezelfde. Bij aankomst was de groet: “Vliegt de Blauwvoet, storm op zee”. Er werd aangevangen met het gebed, in princiep was dit de “Psalm” van Rodenbach. Het verslag van de vorige vergadering werd voorgelezen, waarna elke keurman verslag uitbracht over de activiteiten van zijn “burcht” of “ede”. De kandidaturen van nieuwe leden voor elk van de burchten werden besproken en er werd over gestemd. Vervolgens werd uitgebreid gesproken over de werking van de studentenbond en van de KSA, zowel wat betreft voorbije werking als nieuw te organiseren activiteiten. Hierbij trad Noodvier op als coِrdinator. Het eigen tijdschrift van Noodvier, “Tijl” genaamd, dat meegedeeld werd in de burchten, werd voorbereid en besproken. Allerhande taken en opdrachten werden gegeven aan de verschillende keurmannen. Algemene besprekingen werden gewijd aan de toestand op het college, de verhoudingen binnen ieder klas, de houding tegenover het VNV, de scouts, de collegeleraars, etc.

Een belangrijk punt was bijna telkens “wie zullen we in Noodvier opnemen”. Kandidaturen werden gewikt en gewogen en per jaar waren er drie of vier ceremonies voor opname. Ook die gebeurden volgens een vast stramien. De nieuwe kandidaat wist min of meer waaraan zich te houden, want hij had al een gelijkaardige ceremonie meegemaakt bij zijn vroegere opname in een “burcht” of “ede”. De op te nemen keurman werd onthaald in een donker lokaal, moest raden wie er aanwezig was, in welk midden hij zich bevond, wat hij vermoedde de doelstellingen te zijn, enz. Nadat hij met min of meer brio de vragen had beantwoord, werd hem door de dictator de precieze toedracht meegedeeld. Kaarslicht werd aangestoken, de oude leeuwenvlag (met AVV-VVC op gebrodeerd) werd op de tafel opengelegd, met de “keure” er naast, en de nieuwe keurman legde de eed van trouw en geheimhouding af.

De “keure” was het basismanifest van Noodvier, dat in de romantische toon eigen aan de tijd de doelstellingen van de geheime vereniging verwoordde. Tijdens de hier behandelde periode werd de keure tweemaal vernieuwd. De eerste maal in juli-augustus 1941: het moest een korte en bondige tekst worden. De tweede maal gebeurde het na de naamwijzigingen voor de “burchten” en de “burchtheren” begin 1943. Dit werd heel ernstig gedaan, want “het was een werk dat eeuwen moest meegaan”. Toen na heel wat vergaderen de tekst klaar was, moest ieder keurman niet alleen aan het document zijn “zegel” hechten, maar moest hij het met zijn bloed ondertekenen, wat niet door elkeen met enthousiasme werd gedaan.

Bij het einde van ieder vergadering werd opnieuw een gebed gezegd en nam men mekaar bij de hand om in gesloten kring de eed van trouw te hernieuwen. De afscheidsgroet luidde: “Vlaanderen Trouw”.

Buiten de bijeenkomsten werd het woord “Noodvier” nooit uitgesproken. Tijdens de hier behandelde jaren sprak men, als voorzorg tegen luistervinken over “NV”[35]. Later, waarschijnlijk na 1945 werd dit vervangen door “‘t affèrtje”. Ik vermoed dat Jos Verleye hiervan aan de basis lag. “Affèrtje” was een woord dat hij gebruikte als hij niet direct op iemands’ naam kon komen[36].

De activiteiten van de Gilde Noodvier eisten van de leden een nogal grote inzet. De bijeenkomsten van de gilde vonden ongeveer om de veertien dagen plaats, gewoonlijk op een woensdag, na de avondstudie. Daarnaast had elk lid de zorg over een “burcht”, wat ook minstens een maandelijkse vergadering meebracht. Zonder uit het oog te verliezen dat ze teksten moesten schrijven, vergaderingen  voorbereiden, contacten leggen, etc. De meeste leden van Noodvier vervulden daarnaast drie functies in de jeugdbeweging: één in de studentenbond, één in de collegewerking van de KSA en één in de verlofwerking. Ze waren ook actief in klasverband en sommigen waren voortrekkers, soms zelfs “vedetten” in sportieve activiteiten, vooral in het voetbal. Bij dit alles moesten ze natuurlijk ook studeren en werd van hen verwacht dat ze het voorbeeld toonden en goede uitslagen behaalden. Sommigen behoorden tot bescheiden families waar ze voor een aantal taken moesten bijspringen en tijdens de oorlog werd in stijgende mate op hen beroep gedaan om te smokkelen of “blauwen”. Voorwaar erg drukke programma’s die aantonen dat het om energieke kereltjes ging.

Ze waren ook overtuigd van het belang van hun activiteiten in Noodvier. Zoals Jozef Verleye het op de bijeenkomst van 23 juli 1943 uitdrukte: “Dit is hier de hoogste leiding in het college en dus is het geen plaats om te zeveren”. Een brief in november 1942 van oud-dictator Joris Joye drukte een zelfde gedachte uit. “Bloeit Noodvier, dan bloeit ook al het overige” schreef hij hen vanuit zijn Norbertijnenklooster.

Hoofdstuk III - De activiteiten

Organiseren, coِrdineren, controleren

Uit alles wat hierna volgt, zal blijken dat Noodvier uitgegroeid was tot een soort  coِrdinatiecentrum voor een aantal studentenactiviteiten op het college, met name voor wat betrof de studentenbond, de KSA, de activiteiten voor de missies of voor geheelonthouding, enz.

Vervolgens werd een meer dan waakzaam oog gehouden op alles wat in het college reilde en zeilde en werden inspanningen gedaan om hierop invloed uit te oefenen en in de door Noodvier gewenste richting te stuwen.

Daarbij was Noodvier er zich van bewust een bepaalde vorming te geven aan diegenen die men geschikt achtte een rol te vervullen in de verschillende studentenactiviteiten, zowel op het college als tijdens de vakantie.

Dit waren de drie hoofdactiviteiten die, onder allerhande vormen, in de hierna volgende hoofdstukken zullen aan bod komen.

De godsdienstige praktijken

De godsdienstige oefeningen in het Sint-Lodewijkscollege namen voor alle studenten een belangrijke plaats in. Ieder leerling vanaf de Zesde Latijnse moest dagelijks de H. Mis bijwonen. Wie in de binnenstad woonde kwam voor de Mis van halfzeven naar het college, wie op de randgemeenten woonde ging naar zijn parochiekerk. De Zondag kwam men naar de Mis om kwart voor zeven, en om halftien naar de hoogmis. Na de hoogmis was er een uur studie of werden gedichten voorgedragen.  ‘s Namiddags om vier uur waren er de Vespers en het Lof terwijl een aantal leerlingen al om twee of drie uur op het college aanwezig was om strafstudie te zitten. De Goede Week gaf aanleiding tot uitgebreide godsdienstige plechtigheden. Jaarlijks werd drie dagen “retraite” gehouden, onder leiding van een externe predikant, meestal een jezuïet.

De leden van Noodvier en van de burchten voegden hier nog een aantal eigen godsdienstige activiteiten aan toe. De voornaamste was de oefening van de Kruisweg. Dit moest in de kapel van het college gebeuren. Vanaf mei 1942, nadat de collegegebouwen door de Duitsers waren opgeëist en de klassen over de stad verspreid werden (de vier hoogste klassen in het Seminarie, de twee laagste middelbare klassen bij de Zusters Apostolinnen in de Balstraat, de lagere afdeling in de parochieschool in de Violierstraat en in de “Germana” in de Oostmeers), werd regelmatig gediscussieerd over de plaats waar de Kruisweg moest gedaan worden: in de kerk van het Seminarie, in de kerk van de Potterie, in de Sint-Annakerk, in de Sint-Walburgakerk of in de H.-Bloedkapel.

Een tweede godsdienstige oefening bestond er in dat ieder lid wekelijks een half uur “aanbidding” of “meditatie” deed, bij voorkeur in de collegekapel.

Een derde bestond in communie-intenties. Elke Vrijdag werden kleine papiertjes uitgedeeld, waarop een communie-intentie voor de volgende week werd meegedeeld. Dit gaf soms aanleiding tot problemen omdat sommige leden met die blaadjes slordig omsprongen en ze in handen van niet-ingewijden konden vallen. Begin 1942 besliste men de intenties voortaan mondeling mee te delen, maar dat bleek niet te werken, zodat men de uitdeling van de briefjes hervatte, met de boodschap dat iedereen er voorzichtig moest mee omgaan. Het bleef een probleem dat men af en toe die briefjes op niet-geëigende plaatsen vond. Men hamerde dus verder op de vernietiging ervan. In maart 1943 nam men een permanente communie-intentie aan: “voor de studenten in den vreemde” en toen kort daarop het gevaar geweken leek voor verplichte tewerkstelling van studenten in Duitsland werd het “voor het Vlaamse volk in den vreemde”.

Daarbij kwam ook nog, op Goede Vrijdag, de jaarlijkse ommegang van het H. Bloed, die men per burcht moest lopen.

Met zo'n programma, dat blijkbaar zonder problemen door de meeste werd opgevolgd, is het niet verwonderlijk dat veel van de Noodvierleden na de Retorica intraden in het seminarie of in een kloosterorde of -congregatie.

De Vlaamse activiteiten

Naast de godsdienstige praktijken, waren er ook die waarmee men de Vlaamse doelstellingen van Noodvier en van de burchten wilde tot uiting brengen.

Regelmatig werd er op aangedrongen dat men boven ieder huiswerk de kenspreuk AVV-VVK zou aanbrengen. In de loop van 1941 werd er op gewezen dat men deze gewoonte niet mocht achterwege laten “omdat ze tegenwoordig te veel misbruikt wordt door de VNV-ers”. Er werd herhaaldelijk op gehamerd, zodat het niet vanzelfsprekend was dat iedereen zich naar dit ordewoord schikte.

Een tweede actiepunt was het gebruik van beschaafd Nederlands of ABN. Ook dit was een niet zo evident gegeven. Herhaaldelijk werd voorgehouden dat men in de vergaderingen minstens het eerste halfuur ABN zou spreken en dat men op het college de zaterdagvoormiddag hetzelfde zou doen. Ook bij contacten met de Duitsers, o.m. als men naar de “Werbestelle” moest, werd aangedrongen op het spreken van correct Nederlands. De veelvuldige herneming van dit actiepunt toont aan dat het niet evident was het ingang te doen vinden. De verslaggever maakte zich af en toe vrolijk over de moeizame pogingen van sommigen, zoals die van Walter Van Roose die zijn best deed en sprak over een “ruizie”.

Er werden drie “Vlaamse hoogdagen” gevierd. De eerste was in juni het Sint-Lutgardisfeest. Men ging hiervoor per burcht op uitstap op de vrije halve dag van Sacramentsdag. De twee andere vieringen waren het feest van Karel de Goede begin maart en de 11de juli. De instructies voor die dagen waren: zondagspak (de “beste kleren”) aantrekken, geen stofjas dragen, niet spelen op de koer maar wandelen en ABN spreken. Daarbij kwamen dan nog de “geheime vergaderingen” waarover aanstonds meer.

Een laatste activiteit, voor inwendig gebruik, was het maken van een tijdschriftje dat de naam “Tijl” droeg, en dat bestond uit enkele getypte of geschreven bladzijden. Naast algemene Vlaamse onderwerpen werden beschouwingen ten beste gegeven over de werking binnen ieder klasburcht. Voor ieder burcht was er één exemplaar. De teksten werden voorgelezen tijdens de bijeenkomst en het exemplaar werd daarna onmiddellijk verbrand. Ieder lid van Noodvier stond om beurt in voor het opmaken van de publicatie.

De geheime algemene vergaderingen

Eén van de activiteiten waar veel belang werd aan gehecht en veel zorg werd aan besteed was de organisatie van geheime algemene vergaderingen, waarop alle leden van de verschillende burchten en enkele uitgekozen niet-leden werden uitgenodigd. In principe werden twee van die vergaderingen per jaar gehouden, één eind februari, begin maart als Karel de Goedebijeenkomst bestempeld en één rond 11 juli.

De oorlog bracht mee dat niet alle bijeenkomsten werden gehouden. In het verslagboek staan gegevens over geheime algemene vergaderingen op 16 juli 1941, 25 februari 1942, 10 juli 1942, 27 februari 1943 en 4 maart 1944. De Guldensporenbijeenkomsten bleven de laatste twee oorlogsjaren achter: in 1943 vond men het te gevaarlijk en in 1944 had men andere zorgen.

Het organiseren van die vergaderingen was alleszins een ingeburgerde traditie, want in juni 1941 drongen de keurmannen er bij de dictator op aan er één te houden “zoals op andere jaren”. De bijeenkomst van 16 juli 1941 werd gehouden in de lokalen van het Rode Kruis in de Langestraat, waar blijkbaar heel wat ruimten leeg stonden. Behalve de skalden uit de verschillende burchten, een 30 à 40 in totaal, werden ook 7 niet-leden uitgenodigd, die men voldoende betrouwbaar achtte. Op de vergadering van 5 juli gaf de dictator het programma voor de bijeenkomst maar de verslaggever noteerde het niet, zodat we er het raden naar hebben. Wel werd het wachtwoord opgetekend, zonder hetwelk niemand toegang kreeg en dat luidde: “Houdt u fier, wees geen knecht”.

Op 25 februari 1942 werd de Karel de Goedevergadering gehouden. De voorbereiding liep niet van een leien dakje want het lokaal was een probleem. Men wou de bijeenkomst in de parochiezaal van Kristus-Koning houden, maar die werd ontzegd. Het lokaal van de KSA Sint-Donaas vond men niet stemmig genoeg en tenslotte koos men voor het lokaal van de Frassatiban (St.-Walburga en St.-Anna), ook al was dit niet zonder risico voor de geheimhouding omdat Marc Verstraete, toen nog geen lid van de burcht in zijn klas, er de leider van was. Ditmaal werden 8 niet-leden, uit verschillende klassen, mee uitgenodigd. Het programma werd als volgt vastgesteld: de Psalm van Rodenbach; inleidend woord door Fernand Bonneure als hoofdman van de studentenbond; zang: Het Vlaamse heir; “soliede speech” door Joris Stalpaert; zang: ‘t Zijn weiden als wiegende zeeën; voordracht van een gedicht door Walter Pillen; speech over Vlaamse fierheid door Walter Van Roose; zang: Waarom, waarom, waarom; “een sortie” op het VNV door Jos Verleye; zang: Vlaamse Leeuw, gevolgd door gebed en eed van trouw.

Op 10 juli 1942 werd de geheime samenkomst gehouden in de parochiezaal van Kristus-Koning, die Fernand Bonneure als plaatselijk KSA-leider ditmaal ter beschikking gekregen had. Het wachtwoord klonk “Kersten en Vlaams, nimmer versagen”. Opnieuw werden naast de burchtleden, “enkele betrouwbare mannen” uitgenodigd. De dagorde bestond onder meer uit een inleidende speech door Fernand Bonneure, een elf juli speech door Walter Pillen, een “rhetoricaanse klucht” door André Vincke en tot slot declameerden Roland Pierloot en Robert Strubbe een dialoog met muziekbegeleiding onder de titel “1302 en nu”.

De bijeenkomst van 27 februari 1943 werd gehouden in het zaaltje van de zustersschool langs de Predikherenrei, dat bereikbaar was langs de Ganzenstraat. Ditmaal werden er naast de skalden een twintigtal collegestudenten uitgenodigd, zodat het totaal aantal verwachte aanwezigen 67 bedroeg. Om een zo grote groep zo onopvallend mogelijk binnen te loodsen werden verschillende reisroutes en ogenblikken van aankomst uitgestippeld. Het wachtwoord om toegelaten te worden luidde: “In Noord en Zuid, één volk, één naam”. Er werd een nieuwigheid ingevoerd: een onzichtbaar persoon zou de vergadering leiden, Tijl zelve, die door de micro vanuit de toren van Damme zou spreken.[37] Hiervoor werd beroep gedaan op een hoogstudent en oud-keurman, Paul Delbecque. Daarnaast werd gespeecht: Walter Van Roose “zette de toestand in geuren en kleuren uiteen”, Joris Stalpaert sprak over Vlaamse fierheid en over “de nieuwe gedachten” (zie hoofdstuk XI) en Etienne Van Biervliet over Karel de Goede. Jan Lommez en Fernand Van den Broele droegen elk een gedicht voor en tot slot sprak Etienne Keereman tegen het VNV. De bijeenkomst was een succes, maar enkele dagen later bleek ze nare gevolgen te hebben. Ik kom hierop in hoofdstuk X terug.

In juli 1943 werd geen vergadering georganiseerd: “te gevaarlijk” vonden de keurmannen, zelfs niet onder de dekmantel van de studentenbond, omdat die zijn bijeenkomsten op voorhand moest aangeven.

Ook toen de Karel de Goedevergadering van 4 maart 1944 werd voorbereid, waren de leden van Noodvier er niet helemaal gerust in. “Het was gevaarlijk, misschien zouden we wel naar de Poolse zoutmijnen gestuurd worden?” Men ging er toch maar mee door. Vroeger keurman Jan Mullie werd aangesproken om als “Tijl” te fungeren, de vergaderplaats werd het KSA-lokaal van de Sint-Donaasban en de tien skalden van de retorica-ede namen de organisatie op zich. Het wachtwoord luidde: “In houwe trouwe, wordt moerenland herboren” en naast de skalden werden nog een vijftiental betrouwbare buitenstaanders uitgenodigd. Behalve het zingen van liederen bestond het programma uit voordrachten door Arthur Colaert over de geest van Rodenbach en door Etienne Van Biervliet over “veroveren”. “Tijl” van zijn kant zou over Groot-Nederland spreken.

De geheime vergaderingen vormden een soort hoogdagen in de werking van Noodvier. Niet alleen bracht men alle skalden uit de verschillende klassen op een vergadering bijeen, maar voelde men zich voldoende sterk om ook telkens een aantal klasgenoten uit te nodigen, die weliswaar sympathiseerden maar geen lid waren, niets van het bestaan van de Gilde Noodvier en van de eden afwisten en zich toch wel eens - vooral in de troebele tijden - vragen hadden kunnen stellen. Aan hen werd met geen woord over Noodvier gerept, en stelde men de bijeenkomst voor als een bijzonder initiatief van enkele Vlaamsgezinde medestudenten.

Hoofdstuk IV - De werking per klas in een “burcht” of “ede”.

Was Noodvier het overkoepelend en leidinggevend genootschap, dan vond toch een aanzienlijk deel van de activiteiten plaats in de ondergeschikte “burchten” (vanaf 1943 “eden”) die in elke klas werden opgericht. De regelmatige verslagen die over die werking in de bijeenkomsten van Noodvier werden uitgebracht, vullen ongeveer de helft van het lijvig verslagboek.

De klasburchten vervulden heel wat doelstellingen. Ze waren het verlengstuk dat in elke klas de ideeën en idealen van de Gilde moest uitdragen, ze waren de reserve waaruit men kon putten om leidersfuncties in KSA en studentenbond in te vullen en ze waren natuurlijk ook de reserve van waaruit de Gilde Noodvier zelf, bij mondjesmaat, coِpteerde.

In Noodvier werd een programma uitgestippeld, als leidraad voor de inhoud die aan de klasbijeenkomsten moest gegeven worden. Dit luidde als volgt: in het zevende studiejaar moest de burchtheer vooral een goed verteller zijn “om de kleintjes te boeien en op te zwepen voor hun burchtwerking”; in de Zesde moest over “Vlaamse koppen” verteld worden; in de Vijfde mocht al in ernstige vorm over Vlaamse kwesties gesproken; in de Vierde moest het gaan over de geschiedenis van en de verhouding tussen KSA en JVF, de geschiedenis van de Vlaamse beweging, van de blauwvoeterie, van het activisme, etc.; in de Derde moest men het hebben over de “vreemde bewegingen”: VNV, Rex, Dinaso, scouts en andere; in de Poësis en de Retorica moest men vooral Vlaamse literatuur behandelen.

Daarnaast werd in elke klasburcht dezelfde vorm van analyse gedaan over de toestand binnen de klas, zoals dit in Noodvier voor gans het college gebeurde.

De leden wisten dat er in elke klas een kleine kern bestond en een steeds terugkerend element was dat men vol nieuwsgierigheid op zoek ging wie er lid van was. Het verslagboek staat vol met berichten over “spionage” van de skalden van één klas (meestal van de jongste) die op zoek gingen naar wie de leden waren in de andere klassen. Vooral in de lagere klassen gebeurde het nogal eens dat een skald zijn mond voorbij praatte tegenover leden van andere klassen of zelfs tegenover niet-leden. Soms werd hij hierover vermaand, maar soms had dit ook voor gevolg dat hij in stilte als lid werd afgevoerd en als hij er nog naar vroeg men hem meedeelde dat de werking was stilgelegd.

Wanneer de retorici de collegepoorten achter zich dicht sloegen, waren er enkele onder hen -  drie tot vijf, soms meer - die verschillende jaren lid waren geweest van een klasburcht, zonder ooit het fijne van de organisatie gekend te hebben en zonder geweten te hebben hoe het allemaal in mekaar stak. Vijftig jaar later, toen ik ze hierover contacteerde, wisten ze het natuurlijk nog minder. Het belet niet dat ze tijdens hun collegejaren een aanzienlijke bijdrage leverden tot de activiteiten van het genootschap.

Retorica 1941.

Over de werking van de burcht van deze klas zijn eerder weinig gegevens bekend, aangezien de leden op het punt stonden het college te verlaten op het ogenblik dat het verslagboek aanvangt. Het enige wat werd genoteerd is dat de klasburcht een uitstap deed, begin juni. Anderzijds werd ook nog een bericht gemeld over één van de leden van de klas die waarschijnlijk VNV-er geworden was.

Wie, naast de keurmannen Gyselen, Annys en Delafontaine lid waren van de burcht is nog moeilijk te achterhalen. De twee eersten herinneren het zich niet meer, de derde is overleden. Wel hebben we zekerheid dat één van de burchtleden Paul Lommez was. Waarschijnlijk was ook de latere hoogleraar kernfysica Maurits D’Hondt erbij.

Retorica 1942.

De Retorica voor het jaar 1942 was maar met twee leden vertegenwoordigd in Noodvier, Roland Pierloot en Fernand Bonneure. Wat laattijdig kwam daar in september 1941 nog Robert Strubbe bij. De burcht van de klas bestond uit minstens zeven leden: de drie genoemde en daarbij André Vincke, Fernand Dupon, Jan Gistelinck en Julien Verhegge. Toen ze in de Poësis zaten was Sam Annys hun burchtheer en in het laatste jaar werd die functie opgenomen door Fernand Bonneure.

Er werd in het verslagboek niet veel gemeld over de inhoud van hun vergaderingen. In mei 42 hielden ze een urenlange discussie over de “nieuwe gedachten” die Jozef Nicaise had aangebracht (zie hoofdstuk XI) en in juni handelde Fernand Dupon over “Vlaanderen en het buitenland”. Rond dezelfde tijd werd tweemaal naar Damme getrokken: torenbeklimming, roeien, in de zon liggen, de “Hertog van Brabant” binnen trekken, dit behoorde tot de traditionele activiteiten, tijdens dewelke men onder meer aan mekaar toevertrouwde welke toekomstplannen men koesterde.

Waar de verslagen wel van vol stonden, waren de ruzies die zich voordeden in de  klas. In oktober 1941 werd binnen Noodvier hevig gediscussieerd over “de dwaze stommiteiten die de heren uit de Retorica reeds hadden uitgehaald”. In de volgende bijeenkomst liet Roland Pierloot evenwel notuleren dat “De Retorica moe is van dom doen”.

De ruzies hadden blijkbaar betrekking op het verkozen klasbestuur en op de activiteiten die dit bestuur wenste te organiseren. Michel Coppieters ‘t Wallant[38] werd tot praeses van de klas verkozen en dat stond duidelijk de leden van Noodvier niet aan, die vonden dat het bestuur in handen was van “drie grote gaaien”. Toen de praeses half januari 42 een etentje (à 20 Fr per man) organiseerde, kwamen ze hiertegen in het verweer: klasvergaderingen waren er niet om eetpartijen te houden maar om “hogere levensbelangen” te bespreken. Toen belegden ze een eigen bijeenkomst, waarop ze verhoopten een twintigtal van de 55 Retorici samen te krijgen. Grote ontgoocheling: op het afgesproken uur waren er op de binnenkoer van de stadshallen maar zeven komen opdagen. Samen trokken ze naar café Central, waar hun klasgenoten aan het eten waren, maar werden door de kelner niet toegelaten. Dan gingen ze maar hun ontgoocheling verdrinken in het café van de “Gilde”. Het was een duidelijke nederlaag en had blijkbaar tot gevolg dat de KSA-leiders in de Retorica openlijk werden bespot. Daarop zocht de praeses toenadering tot de dissidenten en die wilden wel bijdraaien op voorwaarde dat twee onder hen in de klasraad zouden zetelen, maar dit werd door de andere leden van het klasbestuur verworpen. Voor de rest van het jaar werd op deze klasruzie, althans in het verslagboek van Noodvier, niet meer terug gekomen.

De ruzie had ook enig gevolg binnen Noodvier zelf. In februari 42 werden de keurmannen uit de Poësis (Stalpaert en Verleye) verzocht tijdelijk de vergadering te verlaten. Toen ze weer binnengelaten werden, vroeg Bonneure hen plechtig “wat ze de Retorica aan te wrijven hadden”. Daarop luchtten de twee poëten hun gemoed over het volgens hen “tekort aan enthousiasme bij de leiding en tekort aan eerbied voor de beweging”. De spanningen tussen het duo Pierloot-Bonneure en het duo Verleye-Stalpaert kwamen nu en dan tot uiting, zoals in de notulen door Seppen Verleye opgesteld over de laatste bijeenkomst van het jaar en waarin hij schreef, nadat hij pas zelf tot volgende dictator was aangesteld: “Hij (Verleye) bedankte de oud-keurmannen die, spijts al ‘t verkeerde, toch altijd voor ‘t goede hadden gewerkt, zo hoopte hij tenminste. De oud-dictator (Pierloot) stelde zijn eerste en enige goede daad: hij trakteerde allen met een fijne sigaar. Met deze bijeenkomst werd het stormjaar 41-42 gesloten en het was hoogtijd ook”.

Retorica 1943

De eerste activiteiten die over deze klas in het verslagboek zijn terug te vinden dateren van juni 1941, toen ze nog de Derde Latijnse was. In de bijeenkomst van begin juni van dat jaar spraken ze over “leiderstaak” en over “adel en voornaamheid” en natuurlijk deden ze een uitstap naar Damme.

Behalve de leden uit die klas die we als keurmannen in Noodvier kennen, met name Jozef Verleye, Joris Stalpaert, Walter Pillen, Etienne Keereman en Cyriel Vermeulen, waren er ook nog verschillende skalden: Arseen Coudenys, Karel Lommez, Pieter Van Belleghem, Robert Mistiaen, Jaak Lommée, en ook J. Flour, die evenwel de Retorica in het college niet uitdeed. In de Derde was Roland Pierloot hun burchtheer, in de Poësis was het Joris Stalpaert en in de Retorica werd het Cyriel Vermeulen.

De ruzies waren ook in deze klas niet van de lucht. Op het ogenblik dat ze hun Poësisjaar aanvatten meldde het verslagboek: ”Zoals altijd moet men in twist komen als men over die klas begint”. In klasverband werd het eerste trimester gedomineerd door de ruzies rond Jean Powis de Tenbossche[39]. Men vond dat hij teveel invloed had in de klas, dat hij teveel “konkelfoesde” met de Retorica en dat hij de KSA-leiders belachelijk maakte.

De skalden van deze klas waren in de Poësis zeer actief en kwamen minstens om de veertien dagen bijeen. Ze werkten een druk programma af van eigen activiteiten (o.m. staken ze regelmatig een “burchtblad” in mekaar, uitsluitend voor inwendig gebruik) en vooral van activiteiten die ze organiseerden binnen het Jong Volkse Front. In het Allerheiligenverlof voerden ze het toneelstuk “Het kalf” op en hiervoor diende eerst druk gerepeteerd. In het Kerstverlof was het de organisatie van het JVF-kerstfeest dat aan hen was toevertrouwd en ook tijdens het Paas- en Pinksterverlof waren ze actief. Dit alles bereidde er op voor dat ze het volgende jaar de volledige leiding van de Breydelstedebond zouden in handen hebben, met hun voorman Stalpaert als de hoofdman.

Op de vergaderingen werden ook soms literaire thema’s aangesneden. Zo sprak burchtheer Stalpaert over Anton Coolen en beval hij zijn skalden aan het boek “Baanbrekers” te lezen. Er werd ook heel wat tijd besteed aan het bespreken van brochures die door het JVF werden uitgegeven.

In het retoricajaar bleef de werking vooral op praktische zaken toegespitst. Enerzijds was er het probleem van de klasleiding. De Noodviermannen konden niet beletten dat Jean Powis tot praeses van de klas werd verkozen en troostten zich met de gedachte “dat hij onder onze invloed staat”. Anderzijds werden veel concrete werkzaamheden voorbereid of uitgevoerd in het kader van de studentenbond. Voor het overige kwamen de normale ingrediënten voor: spioneren wat de VNV-ers uitspookten, een burchtblad samenstellen met eigen werk, de klasgenoten bespreken en beoordelen, over de eigen toekomstplannen spreken, ABN-acties voeren, enz.

Retorica 1944

Deze klas kan in het verslagboek worden gevolgd vanaf de laatste weken in de Vierde Latijnse. De leden ervan waren vooreerst diegenen die werden opgenomen in Noodvier: Etienne Van Biervliet, Walter Van Roose, Daniel Vlaemynck en André De Bels. Werden verder skald in hun klasburcht: Jan Lommez, Stefaan Walleyn, Paul Leys, Robert Vermeersch, Marc Verstraete, Victor Margot, Karel De Smedt en Ghislain De Jaeger[40].

In juni 1941 werd Fernand Bonneure hun burchtheer, al in september opgevolgd door Robert Strubbe; voor het schooljaar 1942-43 was het Jozef Verleye en in het retoricajaar nam Etienne Van Biervliet de taak op zich.

Over hun laatste weken in de Vierde Latijnse vermeldt het verslagboek dat zij spraken “over de eenheid van de klas” en tweemaal over “de houding tegenover het VNV”. Leden droegen eigen werk voor en de burchtheer sprak over de betekenis van het Sint-Lutgardisfeest.

Onder de thema’s die ze in de Derde Latijnse behandelden zijn vermeld:  socialisme, ontstaan van de Vlaamse Beweging, Duitse jeugdbeweging tegenover de Vlaamse en de “nieuwe gedachten” zoals ze geformuleerd waren door Jozef Nicaise (zie hoofdstuk XI).

Er werd hevig gediscussieerd over wie al dan niet in de burcht moest worden opgenomen en wie er voor de KSA moest “veroverd” worden. De aanhangers van de “nazipartijen” werden natuurlijk van nabij gevolgd.

In de Poësis ontdekten de skalden een nieuwe vijand. Sommige wat lossere klaskameraden hadden een “zazouclub” gesticht en tegen hen werd een spotliedje gemaakt. Met blijvende aandacht volgde men verder de evolutie van een aantal klasgenoten die “onderduims Duitsgezind”, “verdoken in Dietse gedachten” of VNV-er waren. Verder bereidden ze allerhande activiteiten voor de studentenbond voor.

De bijeenkomsten verliepen soms nogal wild. Bij herhaling werden stoelen en éénmaal zelfs een tafel kapot geslagen. Wat dan weer niet belette dat er op ieder vergadering ernstig werd gediscussieerd, over de klasgenoten, over de toe te wijzen leidersposten in KSA en studentenbond, over de aantrekkelijkheid van de KSA, etc.

Met twaalf leden - een hoogtepunt - trad deze ede in september 1943 de Retorica binnen. Ze hadden blijkbaar meer invloed op hun klas dan hun voorgangers, want ze slaagden er in één van hen, Walter Van Roose, tot praeses van de klas te doen verkiezen.

Dit was het eerste jaar dat er op het college geen werking meer was van de studentenbond, na de afschaffing van het JVF. Het punt van discussie werd nu: moet er nog een aparte werking van de KSA zijn voor het schooljaar en het verlof? Vooral ook vond men dat de KSA méér een jeugdbeweging moest worden, met spel en sport, in plaats van hoofdzakelijk een studiekring te zijn.

Ondanks de oorlogsomstandigheden en onder meer in de lente van 1944 de verplichte arbeidsdienst voor “pit en stake”, bleven ze normale activiteiten uitoefenen, regelmatig samen komen en verder discussiëren over allerhande onderwerpen.

Einde juni 1944 hielden ze hun laatste bijeenkomst. Eerst trokken ze naar de Karmelieten in de Ezelstraat waar ze in een kapel hun trouw hernieuwden, dit wil zeggen de eed van stilzwijgen over de werking aflegden. Daarna gingen ze ten huize Van Biervliet pannenkoeken eten “tot ze er bij kwakten”. Twee toekomstige Witte Paters onderscheidden zich: Paul Leys in pannenkoeken eten en Stefaan Walleyn in koffie drinken. De platendraaier zorgde voor muziek, er werden foto’s genomen en ze spraken af voortaan elk jaar samen te komen en in schriftelijk contact te blijven.

Retorica’s 1945, 1946 en 1947.

De activiteiten die over de jaren 1941-1944 plaats vonden in de eden van de lagere klassen, zullen aan bod komen in een volgende bijdrage, die zal handelen over de activiteiten van Noodvier vanaf september 1944 tot einde december 1947 en waarin hetgeen over hen werd gerapporteerd als één geheel zal behandeld worden. Ik beperk het hier tot de vermelding van wie in die klassen tot de klasburchten behoorde. Niet allen bleven lid tot in de Retorica, hetzij dat ze afhaakten, hetzij dat ze het college verlieten.

Voor de Retorica 1945 waren het de keurmannen Jozef De Poorter, Arthur Colaert en Fernand De Loof en de skalden Maurice Goethals, Maurice Leys, Pieter Leys, Pier Lantsoght, Godfried Plets, Marc Spoo en Jean Pêtre.

Voor de Retorica 1946, de keurmannen Paul Warmoes, Christian Pillen, Jan Pickery, Jan Carreer en Valeer De Deyne en de skalden Omer Missiaen en Christian Kina.

Voor de Retorica 1947, de keurmannen Jacques Louf, Paul Van Zeir, Jacques Kina en Gerard De Soete en de skalden Marcel De Ruyter, Jozef Hoet en Pierre Grymonprez.

Hun naoorlogs verhaal zal duidelijk verschillen van dat van de Gilde Noodvier tijdens de oorlogsjaren.

Hoofdstuk V - Contacten met de buitenwereld

Na de excursie in het wereldje van de ondergeschikte burchten of eden, keren we terug naar de activiteiten in de schoot van de Gilde Noodvier. Hoezeer men er ook op stond dat alles ultra-geheim moest gebeuren, en niets van de activiteiten mocht uitlekken, bestonden er wel degelijk contacten met “de buitenwereld”, zoals hierna zal blijken.

De geestelijke raadgever.

Wie lid werd van een burcht, werd in de overtuiging gelaten dat de werking een dermate geheim karakter had dat dit in geen geval de college-overheid mocht ter oren komen. Pas nadat men toetrad tot Noodvier werd men er in kennis van gesteld dat er toch minstens één lid van het lerarenkorps op de hoogte was van de werking en hij als “geestelijk raadgever” optrad.

Volgens een informatie die voorkomt in het verslagboek werd deze functie in de jaren dertig achtereenvolgens uitgeoefend door de Eerwaarde heren Maurice Bommerez[41] en Pierre Traen[42].

Na in 1936 tot leraar wiskunde en fysica in het college te zijn benoemd, kreeg E.H. Laurent Van Iseghem[43] er in 1939 de functie bij van proost van de KSA en werd hij geestelijk raadgever van Noodvier.

De leden van Noodvier wisten dat er een geestelijk raadsman was, maar pas in augustus 1942 deelde dictator Verleye hen mee dat het om de leraar wiskunde Laurent Van Iseghem ging, “wat voor de keurmannen geen verrassing was”. Hen werd op het hart gedrukt dat ze hem nooit over Noodvierkwesties mochten aanspreken “zelfs niet in bedekte termen”. Het jaar daarop, in juli 1943 werd het verbod nogmaals bevestigd, hoewel het thans luidde dat “niemand met hem over Noodvier mocht spreken zonder de uitdrukkelijke toestemming van de overige Noodvierleden”. Alleen de dictator mocht op eigen initiatief contact met de geestelijke raadsman opnemen.

Voor prijs van zijn medewerking en bescherming stelde de geestelijke raadgever drie voorwaarden: keurmannen en skalden moesten dagelijks de Mis bijwonen, ze moesten elk een geestelijk leider hebben en de naam van de raadgever moest strikt geheim blijven.

De geestelijke raadgever werd geraadpleegd over de nieuwe leden die zouden worden opgenomen in een burcht. Met de kandidaten die werden voorgesteld had hij duidelijk weinig problemen. Slechts éénmaal, einde 1941, maakte hij bezwaar omdat een jongen uit de Vierde die men wou opnemen, geen geestelijke leider had. Een paar weken later bleek hij er toch één te hebben, zodat het licht op groen werd gezet.

Buiten die ene tussenkomst werd de raadgever over het schooljaar 1941-42 maar één keer vernoemd. De leden van Noodvier hadden het idee opgevat met kanunnik Dubois of met Berten De Clerck te gaan praten en hadden zijn gedacht hierover gevraagd. Hij had het hun eerder afgeraden, maar dat weerhield er hen niet van om met deze heren contact op te nemen.

Het werd anders in 1943, toen de raadgever plots enige tekenen van paniek begon te vertonen over mogelijke interventies van de bezetter. Tijdens het schooljaar 1943-44 werd hij ook een paar maal vernoemd in verband met KSA-activiteiten of benoemingen van leiders. Er werd ook wat uitgebreider over zijn contacten met Noodvier gerapporteerd naar aanleiding van de opheffing van het Jong Volkse Front en van de studentenbond. Op het een en het ander kom ik in volgende hoofdstukken terug.

Contacten met oud-keurmannen en met de “archivaris”.

Ieder slotvergadering van een “stormjaar” eindigde met een bijzondere plechtigheid. Alvorens de leiding over te dragen aan hun opvolgers, legden de afscheidnemende keurmannen uit de Retorica de plechtige eed af dat ze hun leven lang volstrekte geheimhouding zouden bewaren over de werking van Noodvier: “Allen zwoeren één na één dat ze trouw bleven aan de keure en altijd, tot aan hun dood, het geheim zouden bewaren”. Men ging er van uit dat ze nooit nog contact met hun opvolgers zouden opnemen. Voor hen was Noodvier een definitief afgesloten kapittel in hun jonge leven.

In feite bleven er toch nog contacten bestaan. In december 1941 werd laconiek gemeld: “vergadering gehouden met de oud-keurmannen”. Op 8 april 1942 kwam de oud-keurman en hoogstudent Jozef Nicaise een uiteenzetting geven over “allerhande hedendaagse kwesties” (meer hierover in hoofdstuk XI).

Er rees blijkbaar een meningsverschil over deze contacten, zodat men de vraag had gesteld aan de geestelijke raadgever of hij die opportuun vond. “Maar neen, gij domkoppen” had hij geantwoord. Men had dan ook in augustus 1942 beslist “voortaan met geen enkel vroeger keurman of dictator nog contacten over de burchtwerking” te hebben.

Dit bleef evenwel dode letter. In oktober 42 had de vroegere dictator Jozef Bonneure een gesprek met Jozef Verleye over “de nieuwe gedachten” en in november was er de reeds vermelde brief van Joris Joye. In april 43 werd trouwens een bijeenkomst gehouden samen met enkele oud-keurmannen in de Hoogstraat ten huize Joye, hoewel er vooraf werd op gedrukt dat men “geen praktische zaken van de werking” zou bespreken en nadien geen contact meer zou hebben met die heren. In september 43 werd opnieuw een bijeenkomst gehouden met de oud-keurmannen en bracht Fernand Bonneure een bezoek aan de ede van de Poësis. In november 43 en juli 44 was de oud-keurman Paul Delbecque te gast bij Noodvier. Tijdens de Paasvakantie van 1944 was er opnieuw een bijeenkomst “met de oude garde”.

In 1943, op de slotbijeenkomst van 23 juli, werd na de aanstelling van Etienne Van Biervliet tot dictator, door zijn voorganger Jozef Verleye opnieuw het woord genomen. “Hij trommelde zenuwachtig met de vingers op tafel en toen allen hun blikken in zijn richting wendden, sprak hij: Ik moet u nog een benoeming meedelen. Spijtig dat ik het zelf moet doen, de nieuwe archivaris die dus iedere drie jaar vernieuwd wordt, is de ex-dictator.” De archivaris was een vroeger lid, waarschijnlijk telkens een vroeger dictator, die als extern raadgever en verbindingsman fungeerde.

Wie vervulde die functie vََr Verleye? In de verslagen over 1941, 42 en 43 vonden we éénmaal een allusie op de “archivaris”. Die moet er toen dus ook al geweest zijn. Fernand Bonneure, om inlichtingen gevraagd, herinnerde zich hierover niets meer. Het zou niet verwonderlijk zijn dat de dictator van het jaar 1939-1940, Jozef Leys, nadien student aan het seminarie, de “archivaris” voor de periode 1940-43 was.

Hoe dan ook, nadat hij enkele weken later bij de Witte Paters was ingetreden, nam Seppen Verleye tijdens het jaar 1943-44 zijn taak zeer ter harte en onderhield hij veel contacten met Noodvier.

In november 1943 stuurde hij Noodvier een brief met aanbevelingen en onderrichtingen en was hij ook aanwezig op de ede van de Retorica. In december was hij op bezoek bij Noodvier en gaf de leden een flinke uitbrander: er werd onvoldoende ABN gesproken op de vergaderingen van Noodvier, de aanbiddingsverplichting  en de kruisweg lieten te wensen over, de Tijls verschenen niet op tijd, en men was niet stipt aanwezig op de bijeenkomsten terwijl de boeten die hierop moesten volgen verwaarloosd werden. Helemaal naar de zin van de keurmannen was dit bezoek niet want “ze hadden hem eerst buiten een kwartier in de soep laten roeren”, terwijl ze hun dagorde afwerkten.

Op 26 april 44 was Verleye, die blijkbaar geregeld van uit zijn klooster naar Brugge terug kwam, opnieuw naar Noodvier gekomen om er mee te beslissen wie het volgend jaar als keurman de leiding zou hebben over de eden in de Derde, de Vijfde en de Zesde. Het verslagboek meldde dat dit “tegen de traditie was”, zodat men dus duidelijk deze inmenging niet genegen was. Seppen Verleye was evenwel een geliefd, men zou thans zeggen een “charismatisch” leider, aan wie men waarschijnlijk moeilijk zijn bemoeienissen kon weigeren. Op 20 juli 1944 (de dag van de mislukte moordaanslag op Hitler!) was hij opnieuw bij Noodvier te gast. Hij kwam er aan het woord ”met kardinale punten, zoals altijd het geval” was. Tevens werd vastgelegd wat er in de verschillende eden als onderwerpen van gesprek zou worden aangebracht tijdens het komende werkjaar.

De contacten met de oud-keurmannen gingen dus in stijgende lijn. Behalve de dadendrang van Jos Verleye, die duidelijk moeilijk afscheid kon nemen, waren er twee aanleidingen voor verhoogde contacten: de discussies over de “nieuwe gedachten” en de verdwijning van het JVF en van de studentenbond. Op beide elementen kom ik hierna terug.

Hoofdstuk VI - Noodvier en de scouts

Op het college kon men vier soorten leerlingen onderscheiden: de “neutralen” die zich niets van jeugdbeweging aantrokken, de VNV-ers, de KSA-ers en de scouts. Bij de neutralen moest men op veroveringstocht gaan om ze te pogen in de KSA of de studentenbond in te lijven. De VNV-ers moesten tegengewerkt en “geboycot” worden. Dan waren er nog de scouts[44].

De verhoudingen tussen KSA en scoutisme bleven bestendig gespannen. De KSA-ers, en in de eerste plaats de keurmannen van Gilde Noodvier, beschouwden de scouts als geduchte concurrenten. Ze waren er zich immers van bewust dat het scoutisme als jeugdbeweging heel wat meer te bieden had dan de wat droge, studiekringachtige KSA. Daarbij beschouwden ze het als een verzameling van franskiljons.

In november 1941 noteerde de verslaggever: “de strijdbijl tegen de scouts wordt opgegraven, ze trekken mannen af van de KSA in de kleinere klassen”. In juni 1942 werd het nog scherper. Onder daverend applaus verklaarde dictator Pierloot de oorlog aan de scouts. “Eindelijk heeft men zijn verstand teruggevonden” schreef de verslaggever.

De praktijk bleek nochtans minder hevig te zijn. Bij herhaling werd genoteerd dat men de scouts moest behandelen als gewone klasmakkers; men moest alleen maar tegen hen optreden als ze zelf ageerden tegen de KSA. In oktober 1942 werd een grondige studie gewijd aan de verschillende scoutsgroepen in de Brugse colleges. Joris Stalpaert had hiervoor zijn oor te luisteren gelegd bij Jacques Gilson, één van de voormannen van de scouts op het college. Er werd besloten “dat de KSA-ers tegenover die schepsels een meerderwaardigheidsgevoel moesten aankweken”.

Wat later ontstond een lang dispuut omdat een aantal scouts wenste deel te nemen aan de vormingsactiviteiten van de KSA. Daar was Noodvier helemaal niet voor te vinden. Als ze vorming bij ons krijgen en daarbij nog met hun scoutisme aantrekkelijker zijn voor jongeren, dan verliezen we over de ganse lijn, zo vond men. Immers “de knapen kijken niet naar een gedachte maar gaan voort op de uiterlijkheid”. Ook vond men dat de scouts een voordeel hadden doordat ze binnen een zelfde groep het ganse jaar door werkten, terwijl de activiteiten van de KSA verdeeld waren over een collegewerking en een verlofwerking. Daarbij was de “dienstenwerking” (DOL, DLO en DLS) nog te jong en niet opgewassen tegen de werkwijzen bij de scouts. Van een meerderwaardigheidsgevoel was dus nog geen spraak.

Noodvier volgde ook met argusogen de houding van sommige leraars die scoutsgezind bleken te zijn, zelfs als ze verplicht KSA-proost moesten zijn. Hierover werden regelmatig klachten geuit bij de geestelijke raadgever of bij diocesaan KSA-proost voor klaroeners, Jozef Verstraete. Zij moesten dan tussenkomen en hun collega tot de orde roepen. Vooral had men het gemunt op “de Witte Pater”. Het ging om pater Hendrickx, die door de oorlogsomstandigheden niet naar Afrika was kunnen vertrekken en voorlopig als leraar dienst deed in de Vijfde Latijnse. Hij bleek erg scoutsgezind te zijn wat van hem een vijand maakte voor de keurmannen van Noodvier.

Ook al was de houding tegenover de scouts minder scherp dan tegenover de VNV-ers, er bestond een bestendige concurrentiestrijd, die zich vooral uitte door pogingen om van mekaar leden af te pakken. Het bleef toch allemaal eerder onschuldig en jongensachtig.

Hoofdstuk VII - Noodvier en de KSA

Het is voldoende bekend dat de mokerslagen van de Belgische bisschoppen op het nationalistisch karakter van sommige Vlaamse verenigingen in het algemeen en van het Algemeen Katholiek Studentenverbond (AKVS) in het bijzonder, in het begin van de jaren dertig een massaal zich afkeren van het AKVS vanwege de collegestudenten veroorzaakten. De gevolgen hiervan op de studentenbond worden in het volgend hoofdstuk behandeld.

De bisschop van Brugge vergenoegde zich niet met het uitvaardigen van banbliksems, hij zorgde ook voor een vervangende activiteit die het jong geweld en idealisme kon opvangen. Priester Karel Dubois, zelf een oud-AKVS-er, kreeg  in 1928 de opdracht de Katholieke Studentenactie (KSA) op te richten “om de jeugd te leren vechten voor het geloof”. De volle invloed van de geestelijkheid werd aangewend om de KSA-werking binnen de kortste keren ingang te doen vinden in de colleges terwijl meteen ook, met een organisatie op parochiale basis, vakantieactiviteiten werden ingericht.

Vanaf wanneer de Gilde Noodvier volledig overschakelde op ondersteuning van de KSA is niet duidelijk. Vanaf 1928? Later? Feit is dat weldra de dictator van Noodvier vaak ook de leider van de KSA-collegebond was en dat Noodvier nog uitsluitend uit studenten bestond die zowel in het schooljaar als tijdens de vakantie een functie als leider binnen de KSA vervulden. De geestelijke raadsman van Noodvier was tevens de KSA-bondsproost.

Het verslagboek bevat tientallen informaties over de KSA-werking. De indruk wordt gegeven dat de meeste aanstellingen tot leider, zowel in de collegebond als in de parochiale werking, in de schoot van de Gilde Noodvier werden beslist. Als men op 10 september 1941 leest: “Fernand Bonneure wordt klaroenerleider op het college”, dan kan dit misschien eerder als een mededeling beschouwd worden van iets wat elders werd beslist. Maar als op diezelfde bijeenkomst gemeld wordt: “na hevige discussie worden de nieuwe banleiders gestemd voor de KSA-parochiewerking”, dan lijkt dit toch duidelijk binnen Noodvier zijn beslag te krijgen. Zo komen over de ganse oorlogsperiode talrijke gevallen voor waarbij men in het verslag meedeelt dat deze of gene door Noodvier is aangeduid om een verantwoordelijkheid binnen de KSA op te nemen. Hetzelfde voor wat betreft de frequentie en inhoud van de KSA-bijeenkomsten die ook in Noodvier besproken en blijkbaar beslist werden.

In ieder geval was er een vermenging van beslissingskanalen. De geestelijke raadgever, tevens bondsproost had natuurlijk zijn zeg. Bij herhaling trok evenwel de dictator (tevens bondsleider) zelf naar externe proosten - in hoofdzaak naar Jozef Verstraete, gouwproost van de “klaroeners” - om aanstellingen (of afstellingen) van leiders en zelfs proosten te gaan bespreken. Het was niet ongewoon dat een proost die onvoldoende actief was, of iets had gedaan of gezegd dat niet geapprecieerd werd, op vraag van de dictator een “gepeperde brief” kreeg vanwege de gouwproost. Het was evenmin ongewoon dat Noodvier leiders aan- of afstelde tegen de zin in van de collegeproost en hiervoor steun ging zoeken bij de gouwleiding. In een paar gevallen kwam het zelfs tot nogal hevige botsingen.

Men waakte er alvast over dat de voornaamste functies binnen de KSA door leden van Noodvier werden uitgeoefend. Als men al eens een leider moest benoemen die niet tot de geheime vereniging behoorde, dan werd hij zo spoedig mogelijk lid gemaakt in de ede van zijn klas, zonder noodzakelijk in de Gilde Noodvier zelf te worden opgenomen. Er waren er ook die men, ondanks het aandringen van de geestelijke raadsman, niet in Noodvier en zelfs niet in de ede van hun klas opnam. Noodvier stond op zijn zelfstandigheid!

Weldra kwam een wijziging die Noodvier door elkaar zou schudden. Op 18 juni 1943 vermeldde het verslagboek dat men verwacht werd op de KSA-studiedagen in Waregem van 25 tot 28 juli. Men was er zich nog niet van bewust dat bij die gelegenheid het Jong Volkse Front de facto zou worden opgeheven en het Vlaams aspect van de studentenbeweging, naast het katholieke, nu ook door de KSA zou worden uitgedragen.

Bij de opening van het “stormjaar” 1943-44 was er duidelijk onzekerheid aanwezig. Nu de studentenbond er niet meer was, stond men uitsluitend tegenover de KSA. Hoe zou zich Noodvier derhalve situeren? Op 1 september 1943  werd de nieuwe toestand grondig besproken als gevolg op een vraag van de geestelijke raadgever: “Zijt u nu deel van de KSA? In dit geval ben ik de baas”. Het bleek duidelijk dat men dit niet wou: “Hij mag niet alles in handen hebben, mag enkel zijn veto stellen”. Uiteindelijk kwam men tot de conclusie: “Noodvier werkt aan leidersvorming ten gunste van KSA Jong Vlaanderen, maar maakt er zelf geen deel van uit en heeft dus ook geen proost nodig”.

De daaropvolgende weken bleef de discussie aanhouden. De vraag werd gesteld of het niet onvermijdelijk was dat de principaal zou op de hoogte gebracht worden van de geheime werking[45]. Ook moest er tegenover alle skalden duidelijke taal gesproken worden: was Noodvier een afdeling van de KSA of niet? Eind september volgde dan de definitieve houding: “We zeggen aan onze skalden dat we niet in de KSA staan maar dat we er voor werken. Kanunnik Dubois kan ons niet bevelen, want we zijn geen KSA. In Noodvier primeert het Vlaams aspect. Moesten we helemaal KSA zijn, dan zouden we de eed van trouw niet afleggen op de leeuwenvlag maar op een Chirovlag.” Laurent Van Iseghem was het daar mee eens en sprak af dat hij aan de principaal eerder vaag zou spreken over een “geheime werking onder de retorikanen”. Indien hij in gewetensnood zou komen, omdat hij van oordeel was iets niet te kunnen verzwijgen, zou hij overwegen ontslag te nemen als geestelijk raadsman. In oktober 43 bevestigde Noodvier nogmaals het standpunt: “We zijn autonoom. We zijn toevallig in de KSA, maar we zouden er ook kunnen niet in zijn en dan zou de geestelijke raadgever er niets mee te zien hebben.”

Kort daarop, in het verlengde van de ingetreden wijzigingen en nu er geen studentenbond meer op het college was, werd ook het voortbestaan van de KSA-collegebond in vraag gesteld. Waarom zou men niet overschakelen op één enkele werking op parochiale basis zowel tijdens het schooljaar als tijdens het verlof? Of zoniet, de parochiewerking vervangen door alleen maar de collegewerking, die ook tijdens de vakantie zou worden doorgezet? In beide gevallen dus: een eenheidswerking. Kanunnik Dubois bleek er geen voorstander van. Er werd meer dan zes maanden over gediscussieerd. Half juli 1944 kwam het bericht dat de gouwleiding akkoord was om de KSA los te maken van de collegegebouwen. Tien dagen later evenwel liet men weten: “gaat voorlopig niet door”. Een “voorlopig” die nog meer dan vijftien jaar zou duren[46].

Vanaf die tijd deed de KSA aanzienlijke inspanningen om een volwaardige jeugdbeweging te worden. Naast de katholieke studie en actie kwam nu ook de Vlaamse, overgenomen van het JVF. En daarnaast werd verder gebouwd aan de “diensten” die er een beweging moesten van maken die de concurrentie kon doorstaan met het scoutisme: de dienst lichamelijke opvoeding (DLO), de dienst open lucht (DOL) en de dienst lekenspel (DLS). Ook de verantwoordelijken voor deze verschillende activiteiten werden binnen Noodvier bediscussieerd, zo niet aangesteld.

Hoofdstuk VIII - Noodvier en de studentenbond

De studentenbond in Brugge was veel ouder dan Noodvier. Hij dateerde uit de jaren 1850, terwijl Noodvier werd gesticht in 1888-89. Vanaf de oorsprong en zeker bij het begin van deze eeuw waren beiden hecht aan elkaar verbonden. Oorspronkelijk alleen maar een ontspanningsvereniging en toneelkring onder de kenspreuk “Nut en Vermaak - Prosunt et delectant” werd de studentenbond gedoopt tot “Breydelstede” en werd hij de lokale afdeling van het AKVS. Het duurde niet lang na de veroordeling door de bisschoppen of Breydelstede verliet het AKVS. In 1926/27 en 1927/28 waren er vanwege Breydelstede nog respectievelijk 241 en 45 inzendingen voor het AKVS-tijdschrift “De Vlaamsche Vlagge”. Vanaf 1928/29 was er geen enkele meer[47]. In 1929 scheurde de studentenbond zich van het AKVS af[48]. De Vlaamsgezinde studenten in het Sint-Lodewijkscollege hadden partij gekozen voor de KSA. De studentenbond bleef, naast de meer “ernstige” KSA, voor de ontspanning en de Vlaamse spirit zorgen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, bij het ontstaan van het Jong Volkse Front in 1934, Breydelstede tot de oprichters behoorde en de “poot” werd van deze nieuwe organisatie in het Sint-Lodewijkscollege. Boven deze verschillende activiteiten, troonde en coِrdineerde Noodvier.

De hoofdman van de studentenbond (in 1940-41 Sam Annys, in 1941-42 Fernand Bonneure, in 1942-43 Joris Stalpaert en aangeduid voor 1943-44 Walter Van Roose) fungeerde als een soort tweede in bevel binnen de Gilde Noodvier. Er werd tijdens de vergaderingen van Noodvier aanzienlijk méér over de studentenbond gesproken dan over de KSA. De studentenbond stond immers heel wat losser van de overkoepelende JVF-gouwleiding dan dat dit in de KSA het geval was. Breydelstede genoot een grote graad van onafhankelijkheid ten overstaan van het JVF, en als gevolg hiervan had Noodvier er een veel groter zeggenschap over.

De activiteiten van de studentenbond liepen parallel met die van de KSA. Deze laatste was vooral op “katholieke actie” gericht, terwijl de studentenbond een meer uitgesproken Vlaams etiket had en vooral meer op sport en ontspanning gericht was. De studentenbond had ook een losser organisatie. Aan het hoofd stond een bestuur van een zevental man en in ieder klas beschikte men over “propagandisten”. De studentenbond had geen uniformen en was niet meegesleept door de militariserende tendensen die vanaf de jaren dertig de meeste jeugdbewegingen kenmerkten.

Daar waar de bestuursvernieuwingen in Noodvier en in de KSA pas tegen het einde van het schooljaar gebeurden, was dit in de studentenbond al in het Paasverlof het geval, want de activiteiten voor het groot verlof moesten tijdig door een nieuwe ploeg voorbereid worden. De nieuwbenoemden kregen dus de tijd om zich, onder begeleiding van hun voorgangers, in te werken. Het blijkt duidelijk dat de aanstellingen voor de studentenbond-JVF binnen Noodvier gebeurden. Daar, in besloten kring (de betrokkenen, studenten van de Poësis, moesten de vergadering verlaten) werd over de leiders voor het volgende jaar beslist.

Het bestuur bestond voor 1942-43 uit een hoofdman (Joris Stalpaert), een verslaggever (Etienne Keereman), een schrijver (Jos Verleye), een bibliothecaris (Walter Pillen), een kassier (Daniel Vlaemynck), een archivaris (Etienne Van Biervliet) en een spelbewaarder (Victor Margot). Allen waren lid van Noodvier, met uitzondering van Margot, die alleen lid was van zijn klasburcht. Geen wonder dat alle beslissingen in de schoot van Noodvier werden genomen; ze hoefden nadien alleen maar in het verslagboek van Breydelstede geacteerd te worden.

Voor 1943-44 werd als bestuur voorzien: de hoofdman (Walter Van Roose), de verslaggever (Etienne Van Biervliet), een schrijver (Daniel Vlaemynck), een bibliothecaris (Jan Lommez), een kassier (Jozef De Poorter), een archivaris (Victor Margot), een spelbewaarder (Valeer De Deyne) en een knapenleider (Stefaan Walleyn). Ook onder hen waren er vier leden van Noodvier en de overigen waren lid van de ede van hun klas.

De studentenbond bestond uit twee leeftijdsgroepen: de hoogste klassen waren de “kerels”, de laagste waren de “knapen”, gelijklopend met de verdeling in “hernieuwers” en “klaroeners” bij de KSA. Om lid te worden moest men zich een lidmaatschapskaart aanschaffen. Er waren ook erelidkaarten voor de oud-leden die het college verlaten hadden en als een soort sponsors optraden. De studentenbond organiseerde, naast de KSA, leiderscursussen die blijkbaar in de smaak vielen, hoewel de verslaggever in Noodvier optekende: “ze mogen er zijn, maar niet te dikwijls”.

De activiteiten van de KSA en van de studentenbond liepen parallel en Noodvier had het druk om de programma’s op elkaar af te stemmen en aan ieder de gewenste dagen toe te wijzen. Dit was niet altijd eenvoudig. Op 19 december 1941 staat in het verslag van Noodvier: “De dictator leest het verlofprogramma voor van de KSA, dat natuurlijk vol botsingen steekt met dat van Breydelstede”.

Op het vlak van de studie had de studentenbond verschillende activiteiten: studiekringen en een bibliotheek, die in januari 1942 werd samengevoegd met die van de KSA. Daarnaast werden natuurlijk ook de publicaties en brochures van het JVF bestudeerd en besproken.

De studentenbond was nochtans in de eerste plaats een vereniging voor actie en ontspanning. De jaarlijkse Sterrestoet werd door hem georganiseerd tijdens het Kerstverlof. Ongeveer ieder verlofperiode werd een toneelstuk opgevoerd. Er werden veel spelvergaderingen gehouden, alhoewel er af en toe problemen rezen om hiervoor de geschikte (parochie)zalen te vinden. De hoogtepunten van de werking waren: het Sint-Idesbaldusfeest in april (in 1943 bestond het uit een historische wandeling en een grote vergadering), het Pinksterkamp, het “Hammetjesfeest” gekoppeld aan een vrolijke bedevaart naar Gistel of naar Ver-Assebroek en de Oogstmale.

Natuurlijk waren er ook contacten met de hoofdleiding van het JVF. De hoofdman van de studentenbond nam deel aan provinciale bijeenkomsten en bracht hierover verslag uit.

Waren Sam Annys en Fernand Bonneure actieve hoofdmannen van Breydelstede geweest, dan werd hun opvolger Joris Stalpaert een hyperactieve hoofdman, die trouwens om zijn voortvarendheid bij herhaling door de andere keurmannen op de vingers werd getikt. Hij begon zijn jaarwerking met een geslaagde Oogstmale, waarvoor hij zich onder meer de medewerking verzekerde van Eerwaarde Heer Ignace De Sutter[49], die als musicus en samensteller van liederenbundels naam begon te krijgen.

Omdat in het collegeblad van de KSA geen “Vlaamse” artikels konden verschijnen (de proost weigerde dit) besloot Stalpaert een eigen blad van de studentenbond uit te geven onder de titel “Noodhoorn” voor de kerels en nog een tweede blad voor de knapen. De medewerking werd gevraagd van Stefaan Gyselen (voor boekbesprekingen), van Antoon Viaene (voor geschiedkundige stukjes) en van Ward Lowyck (voor sagen en vertellingen). Om niet te moeten onderworpen worden aan de censuur van de principaal, werd het blad alleen buiten de collegepoorten verkocht. Het was geen lang leven beschoren, want het had erg te lijden onder de heersende papierschaarste.

De talrijke activiteiten tijdens het schooljaar 1942-43 lieten in niets vermoeden dat dit het laatste werkingsjaar van de studentenbond zou zijn. De geestelijke raadgever, die blijkbaar van méér wist, had in maart aangedrongen opdat de leiding zou aanblijven tot het einde van het schooljaar “wegens grote te verwachten veranderingen”. Noodvier had zich daar niet aan gestoord en in april een nieuw bestuur verkozen. De nieuwe hoofdman Walter Van Roose zou begin mei met een daverende rede de touwtjes in handen nemen en een plechtige 11 juliviering voorbereiden.

Maar toen kwamen de reeds vermelde KSA-studiedagen eind juli in Waregem. Daar werd beslist (of werd de beslissing bevestigd), het JVF op te doeken en voortaan ook het Vlaamse luik van de studentenactiviteiten door de KSA te laten behartigen, die de naam KSA Jong Vlaanderen aannam. Alle JVF-ers waren ook KSA-er en de opslorping van het JVF lijkt zonder noemenswaardige kritiek te zijn uitgevoerd.

De KSA nam voor zijn collegewerking de naam “Breydelstede” over en verzorgde voortaan alle activiteiten die voordien door de studentenbond waren georganiseerd: Sterrestoet, Pinksterkamp, Hammetjesfeest, etc. Het werd een belangrijke ommekeer in de werking van de West-Vlaamse jeugdbeweging voor collegestudenten.

De verslagen van Noodvier tonen duidelijk aan dat het geheim genootschap bij die ommekeer wat aarzelde. De belangrijkste “poot” waarop Noodvier tot hiertoe had gesteund en waarop hij het meest vat had, was plots weggevallen. Een deel van zijn bestaansreden was weggenomen en Noodvier zou voortaan niet meer zijn wat het geweest was.

In het eerste trimester van 1943, vlak voor zijn verdwijning, had de studentenbond nog een nieuwe activiteit op zich genomen: de voorbereiding van de speelpleinwerking voor de volksjeugd. Onder de auspiciën van Winterhulp werd een aanvang genomen met het “Vakantie Patronaat” (het VP) dat aan de jeugd uit arbeidersgezinnen sport en spel in openlucht wou aanbieden. Hiervoor moesten leiders worden opgeleid en Breydelstede nam dit, voor wat het college betreft, op zich. Er werden leiderscursussen ingericht en men deed beroep op Eerwaarde Heer Robert Stock om wat pedagogische kennis bij te brengen. De cursussen werden met des te meer gretigheid gevolgd doordat het bericht was verspreid dat wie voor het VP, en dus voor Winterhulp werkte, niet zou opgeroepen worden voor verplichte arbeid in Duitsland.

Hoofdstuk IX -  Noodvier en het VNV

In een militant-Vlaamse en tevens geheime vereniging, zou men kunnen verwachten dat de collaboratie en meer in het bijzonder de Vlaams-nationalistische groeperingen van enig gunstig vooroordeel konden genieten of dat men minstens de kwestie onbesproken of hangende liet.

Het tegenovergestelde bleek. In Noodvier werd met de grootste standvastigheid de afwijzing van het VNV en van de collaboratie gepredikt. Wat de leden hierover zegden en de argumenten die zij gebruikten kwam natuurlijk niet van hen zelf. Zij volgden de richtlijnen die gegeven werden vanuit de katholieke studentenbeweging, meer bepaald vanuit de KSA-centrale in Roeselare, die op zijn beurt de zienswijzen van de kerkelijke hiërarchie vertolkte. Het was zeker niet de eerste keer dat het probleem ter spraak kwam en dat vanuit de Kerk scherp tegen het VNV werd van leer getrokken, maar in de oorlogsperiode, vooral in 1940-41, was het geen voor de hand liggende zaak om zonder meer de Vlaams-nationalisten, ondertussen in de collaboratie gestapt, te veroordelen.

Wat niet openlijk kon gezegd, en zeker niet kon gepubliceerd worden, werd in de schoot van Noodvier en van de burchten in detail uit de doeken gedaan.

In de vergadering van 18 juni 1941 kondigde dictator Gaby Gyselen aan dat de volgende bijeenkomst zou gewijd worden aan “het weerleggen van het VNV in zijn principes” en dat het de bedoeling was op basis hiervan een VNV-uiteenzetting te geven in de verschillende burchten. Die bijeenkomst vond plaats op 28 juni 1941 en ging door onder de titel “Het VNV in eigen wezen beoordeeld”. Het Verbond werd er onderzocht vanuit drie oogpunten: het nationale, het sociale en het christelijke.

Voor het nationale vertrok men van het principe: “Een Vlaamse beweging is noodzakelijk, ter bescherming van onze volksaard, taal en geschiedenis”. Hierop volgde de kritiek aan het adres van het VNV: “Als die de volksaard beschermt, waarom doet hij dan beroep op de vijand?” Evenmin vond “Groot-Nederland” genade, want de Hollandse en de Vlaamse volksaard waren te verschillend en het was zeer de vraag of de Noord-Nederlandse politiek voordelig zou zijn voor Vlaanderen. Dit belette niet dat Vlaanderen, als onderdeel van de Nederlandse stam, kon verbroederen met verwante culturen maar dit mocht de Vlaamse volksaard niet in gevaar brengen. Men vond dat het VNV hieraan voorbij ging. Integendeel vond men dat Vlaanderen een loyale houding moest aannemen tegenover België. Zeker, België griefde Vlaamse rechten, maar dit was nog geen reden om de revolutie tegen die Staat voor te staan.

Dan volgden een paar argumenten op het sociaal vlak. Vlaanderen was niet leefbaar op zich. Bij een scheiding zou de ganse metaalverwerkende nijverheid in Wallonië zitten. Wie zou trouwens een zelfstandig Vlaanderen ondersteunen? “De Vlamingen zijn te egoïstisch om zich in dienst van Vlaanderen in te spannen, ze zijn onvoldoende Vlaamsvoelend en eensgezind.” Het VNV gaf trouwens het slecht voorbeeld door de uitsluiting van vele Vlamingen voor te staan.

Tenslotte werd vanuit een christelijke, in feite katholiek-hiërarchische visie, de onmogelijkheid van het VNV onderstreept. De Kerstbrief van de bisschoppen in 1928 had het nationalisme veroordeeld, omdat het de Kerk uitsloot van enige medezeggenschap op het gebied van de volksbelangen. Wie, zoals het VNV, het gezag van de Kerk niet wou erkennen, maakte zichzelf onmogelijk. Hield dit een verdediging van het klerikalisme in? Geenszins, Kerk en katholieke partijen mochten niet met elkaar verward worden, maar de Kerk moest zijn rechten kunnen handhaven tegenover het staatsrecht en moest medezeggenschap hebben wat betreft de volksbelangen. Aangezien het VNV dit weigerde, moest het veroordeeld worden.

De conclusie was: “Geen katholiek kan het met zijn principes in overeenstemming brengen overtuigd lid te zijn van het VNV”. De “houding van sommige priesters in dezen tijd” was hiermee niet in overeenstemming? Dat mocht en kon niet. “De gehoorzaamheid aan de bisschop is de eerste wet voor een priester”. Alleen binnen die gehoorzaamheid mocht hij als priester en als Vlaming optreden.

In de wat onbeholpen woorden van een zeventienjarig verslaggever opgetekend, was de boodschap duidelijk: “een onvoorwaardelijk neen aan het VNV en aan de collaboratie”. Noodvier schaarde zich volledig achter het standpunt van de bisschoppen en van de katholieke actie. Ze hadden trouwens niet noodzakelijk kerkelijke argumenten nodig om aan te sluiten bij de toen veel gebruikte slagzin “onverfranst, onverduitst”.

Na deze stellingname kwam het er op aan binnen en buiten Noodvier hieraan een zo ruim mogelijke verspreiding te geven. We vinden hiervan de weerslag in alle verslagen van de burchten. Al op 9 juni 1941, nog voor het “offensief” werd ingezet, had een lid van de Vierde Latijnse, Etienne Van Biervliet, in zijn burcht de houding tegenover het VNV aan de orde gesteld. De “discussie over het VNV” werd in de burcht van de Retorica 1941-42 gevoerd op 16 september en op 24 september in die van de Poësis. Nog vََr het groot verlof, op 18 juli, was de bespreking al gevoerd in de Vierde, de Vijfde en het Zevende. Hoewel niet in de verslagen vermeld zal dit ook in de Derde en in de Zesde zeker aan bod zijn gekomen. In de volgende maanden werd hierop regelmatig terug gekomen.

Ieder lid kreeg de opdracht om bij zijn klasgenoten, die geen lid van een burcht waren, de anti-VNV houding te propageren. Meteen werd ook nauwkeurig nagegaan wie zich tot het VNV bekende. In september 1941 deelde de burchtheer van de Retorica mee dat hij niet minder dan 21 VNV-sympathisanten telde in zijn klas. Dit lijkt wel erg veel. Tegen het einde van het jaar vond men in de Retorica maar twee “echte zwarte”, in de Poësis één sympathisant, maar die was dan nog wel lid van de burcht, in de Derde telde men één VNV-er en één sympathisant, in de vierde waren er drie sympathisanten, in de Vierde vijf VNV-ers en in de Zesde 4 VNV-ers en vier sympathisanten. De uiteenlopende cijfers waren duidelijk wat fantaisistisch, want als 21 overdreven leek, was twee zeker beneden de werkelijkheid[50].

Regelmatig werd de vraag besproken: is die of die VNV-er? Iemand kreeg dan de opdracht een discussie uit te lokken met de verdachte “om hem al dan niet te doen bekennen”. Er werd regelmatig genotuleerd dat die of die Duitsgezind was, dat sommigen zelfs “schaarleider” waren of in uniform waren opgemerkt. Een vroeger lid van “Noodvier” uit de Retorica 1941 bekende zich in 1942 tot het VNV en alle contact met hem werd onmiddellijk sterk afgeraden. Af en toe was er een zegekreet omdat men iemand op het VNV had “veroverd”, die “de nazipartijen had afgezworen”.

Allerhande kleine weetjes werden genotuleerd. Zo was er een onderwijzer in de lagere school, met de bijnaam Nero, die had verklaard dat Hitler, (“den trekhond” zoals men hem in het verslag van Noodvier noemde) gelijk had arbeiders op te eisen. Die zelfde onderwijzer gaf zangles en stopte er nu en dan een VNV-lied tussen. Van een leerling werd gemeld dat hij “Mein Kampf” las. Van een ander dat hij verbod had gekregen van zijn ouders om naar een Pinksterkamp van de VNSJ[51] te gaan, waarop hij gedreigd had te zullen aansluiten bij het NSKK[52] en zij hiervoor gezwicht waren. Een leerling (de zoon van de oorlogsgouverneur) die ze in uniform hadden opgemerkt, werd gevolgd om te zien naar waar hij zich begaf.

Het wachtwoord tegenover de collaborateurs was duidelijk: “ze moeten geboycot worden”. De boycot was een traditionele manier onder jongens om iemand het leven zuur te maken: men sprak hem niet aan, als hij iets vroeg keerde men hem de rug toe, men gaf hem stiekem stoten en stampen, hij mocht niet meespelen, klasschriften werden aan hem niet doorgegeven als hij er om vroeg, etc. Men kon het collegeleven voor een jonge snaak tot een hel maken. Dit ging wellicht soms erg ver. In juni 1942 werden twee jonge burchtleden bij de surveillant Jules De Blauwe geroepen, die hen bezwoer om ook met de VNV-ers te spelen, want anders zouden die wel eens kunnen hun ouders in het gelid brengen en er voor zorgen dat de KSA zou verboden worden[53].

In maart 1943 was er enige paniek. Aan de kerken hadden enkele Duitsgezinde jongeren anticommunistische pamfletten uitgedeeld. Aan de Sint-Gilliskerk stond er één in KSA-uniform en hij bleek dit gedaan te hebben op bevel van zijn leiding die hiermee de KSA wou compromitteren. ”Gans Brugge weet nu al dat KSA-ers anticommunistische bladen verspreiden”. Onmiddellijk werden alle leden van Noodvier opgeroepen om een tegenactie in te zetten en overal de ware toedracht te gaan meedelen. Er werd daarbij ook instructie gegeven om eender welk strooibiljet of propaganda die werd aangeboden door leden van het VNV of van de DeVlag te weigeren. Meteen werd ook de instructie gegeven geen tentoonstellingen te bezoeken of vergaderingen bij te wonen die door Duitsgezinde werden georganiseerd.

In het laatste schooljaar vََr de Bevrijding, was er geen spraak meer van discussies over de principes van het VNV, maar dat men er méér dan ooit geen uitstaans wou mee hebben stond buiten kijf. Nog meer dan voorheen werden de Duitsgezinde met de vinger gewezen. Men bespiedde vergaderingen die ze hielden en wie er naar toe trok. Van een paar studenten van de Retorica 43-44 werd gezegd dat ze op het einde van het schooljaar tot de SS zouden toetreden en naar het Oostfront zouden trekken. Een Poësisstudent die bij het NSJV lid was geweest en er zich had uit terug getrokken, vroeg te mogen aansluiten bij de KSA. “Weigeren”, zo vond men in Noodvier, “de KSA is geen schuilhok voor verloren honden en katten”. Joost Caeyman, de zoon van Hendrik Caeyman[54], uitbater van de boekhandel Cultura, kwam aan een paar leden van Noodvier meedelen dat hij niet Duitsgezind was, zeker tegen de annexatie van Vlaanderen bij Duitsland was (idee dat door de DeVlag, waar vader Hendrik Caeyman actief lid van was, werd gepropageerd) en dat hij de strekkingen van de KSA de goede vond. Rond dezelfde tijd - einde 1943 - werd bericht dat een paar studenten op het college een “Dietse studentenschap” hadden opgericht. De leider ervan was een student uit de Retorica “die nu nog stuurser kijkt en nog meer op zijn lippen bijt”. Als men over Duitsgezinde sprak had men het over “die SS man”, “de rasechte Germanen”, “dit Germaans meubel”, “het Germaans snoeshaantje”, “de aanhangers van de nazipartijen”, enz.

In het college en in Brugge over het algemeen bevonden zich geen Nieuwe-Ordegezinde priesters, zodat het thema van de slechte invloed die van hen kon uitgaan, bij Noodvier niet ter spraak kwam. Over Cyriel Verschaeve werd, althans volgens de verslagen, nooit gesproken. Eenmaal kwam pater Callewaert ter spraak, in juni 1943, en dit naar aanleiding van de open brief die hij aan de VNV-leider Elias had gestuurd om hem te verzoeken de collaboratie met de Duitsers stop te zetten “en niet op het verkeerde pad voort te gaan”.

Vanaf september 1943 gaf de dictator het ordewoord: “zoveel mogelijk het VNV verwaarlozen”. In November luidde het: “volledig positie nemen tegen de VNV-ers, geen omgang met die verraders” en in januari 1944 nogmaals: “houding tegenover NSJV-ers: geen omgang meer”. Dit was de laatste vermelding over collaborateurs: men was toen al overtuigd dat de bezetting niet meer lang zou duren.

De conclusie uit dit alles is duidelijk. In wat de meest Vlaamsgezinde club was in het college werd op de meest uitgesproken manier stelling genomen tegen de collaboratie en in de eerste plaats tegen het VNV. Nog lang werd, en ook nu nog wordt soms voorgehouden dat in katholieke middens in Vlaanderen en in de eerste plaats door priesters en collegeleraars, een pro-Duitse houding werd aangeprezen, soms onder het voorwendsel van strijd tegen het bolsjewisme, en dat onder meer hierdoor heel wat jongeren in de collaboratie en aan het Oostfront terechtkwamen. De historische waarheid is zeer verschillend. Onder leiding van de geestelijkheid werd integendeel ieder vorm van Duitsgezindheid afgeraden, vooral bij die jongeren die er het meest ontvankelijk voor konden zijn, namelijk diegenen die opgingen in een romantische Vlaamsgezindheid.[55]

Hoofdstuk X - Noodvier, de oorlog en de Duitsers

We mogen niet uit het oog verliezen dat de activiteiten van Noodvier die we hier beschreven hebben, zich afspeelden in volle oorlogstijd. We zullen thans nagaan indien en op welke wijze dit in de verslagen zijn weergave vond.

Tot op het eind van het jaar 1942 kan men, als men het niet zou weten, nauwelijks de indruk opdoen dat er onder vreemde bezetting geleefd werd. De actie tegen het VNV was zowat de enige aanwijzing. Voor het overige werd af en toe gewag gemaakt van smokkelactiviteiten. Zo kwam Joris Stalpaert op 15 oktober 1941 te laat op de vergadering omdat hij gaan “blauwen” was en bij gebrek aan voldoende maanlicht  met zijn fiets in de gracht was gereden. De enige andere aanwijzing was dat bij vergaderingen georganiseerd door de KSA, van ieder deelnemer een zakje met een paar kg kolen werd gevraagd om het lokaal te verwarmen. Noodvier zelf vergaderde af en toe in een “bitterkoud lokaal”.

De enige ontmoeting van Noodvier met Duitsers, staat genotuleerd op 15 mei 1942. Tijdens een bijeenkomst bij Joris Stalpaert schrokken de leden plots op door het binnentreden van twee Duitse officieren. Het bleken aalmoezeniers te zijn die zelf aan de Katholieke Actie in Duitsland hadden meegewerkt.[56]

Dat er niets over de bezetting in het verslagboek genoteerd werd, betekende natuurlijk niet dat men er geen rekening hoefde mee te houden. In principe - maar werd het altijd gedaan? - moest de bezetter op voorhand ingelicht worden over elke bijeenkomst van de jeugdbewegingen. Het was anderzijds ook verboden, en dat gold dan specifiek voor de KSA, in uniform op straat te komen. Een belangrijk evenement was de verhuizing van de klassen in mei 1942, na de opeising van het Sint-Lodewijkscollege door de Duitsers. Ook deze gebeurtenis oefende nauwelijks invloed uit op de werking van Noodvier[57].

Vanaf januari 1943 begon het anders te worden. Het was de geestelijke raadgever die de kat de bel aanbond. Hij drukte er zijn bezorgdheid over uit dat ongure elementen tijdens een bijeenkomst zouden kunnen binnenvallen. Dit deed de keurmannen toch wat schrik krijgen, hoewel niet in de mate dat zij hun bijeenkomsten wilden stil leggen. Ze beslisten dan maar af te spreken dat ze, bij een eventuele overval en ondervraging, zouden antwoorden dat hun bijeenkomst een occasioneel karakter had en de aanwezigen de bijzonderste leiders waren van de verschillende takken van collegewerking, die praktische afspraken moesten maken. Meteen werd de lijst opgesteld van de leiderstaken die elke aanwezige vervulde of verondersteld kon zijn te vervullen: dit moest door iedereen goed in het hoofd geprent worden, teneinde allen hetzelfde te verklaren. Als bijkomende veiligheidsmaatregel werd beslist voortaan regelmatig op een andere plaats bijeen te komen. In de voorbije maanden hadden ze hoofdzakelijk vergaderd in de kelders van het provinciaal hof, onder de neus van de Duitsers en van de collaborateurs!

Dat een tussenkomst van de Duitsers of van collaborerende strijdkrachten niet zo onwaarschijnlijk was, was onlangs gebleken. Enkele KSA-ers die zich in het gewestsecretariaat in de Hoogstraat ophielden, hadden een groepje Vlaamse Wachters dat voorbij marcheerde (hun lokaal was het Atheneum in de Boomgaardstraat) lichtjes uitgelachen. Woedend waren die binnengestormd en hadden o.m. Fernand Bonneure en Jozef Verleye opgepakt voor langdurige ondervraging[58]. Gelukkig waren ze er met de schrik van af gekomen. De voor hen minder gunstige oorlogsevolutie maakte de bezettende macht en wellicht nog méér de collaborateurs zenuwachtig.

De schrik werd bij Noodvier iets groter na de geheime Karel de Goedevergadering eind februari 1943 waar we het hoger al over hadden onder het hoofdstuk “geheime algemene vergaderingen”. Op 12 maart werd in de bijeenkomst van Noodvier vastgesteld  “dat heel Brugge wist van de geheime vergadering”. “Heel Brugge” dat was dan in de eerste plaats de principaal van het college die lichtjes in paniek was geslagen toen iemand hem over die vergadering was komen inlichten en hem gezegd had dat daar de houding tegenover VNV, collaboratie en bezettende macht was bepaald. De collegeoverheid had het in die omstandigheden niet gemakkelijk. Enerzijds moest ze de jongens beschermen tegen zichzelf en tegen voortvarende activiteiten, die hen, hun ouders en het college in moeilijkheden konden brengen. Anderzijds was er geen spraak van om tegen hen op te treden: dit kon binnen enkele maanden, wanneer de Duitsers naar alle waarschijnlijkheid zouden vertrokken zijn, als een Duitsvriendelijke daad beschouwd worden.

De principaal nam het wijs besluit de zaak te laten onderzoeken door de KSA-proost, toevallig ook (maar normaal wist hij dat niet) de geestelijke raadsman van Noodvier. Die wist al vooraf wat hij zou antwoorden: het was een onschuldige en toevallige bijeenkomst geweest.

Dit was evenwel niet alles. Ook de andere studenten op het college waren ingelicht over de recente vergadering. De scoutsleider Jacques Gilson was naar Laurent Van Iseghem getrokken met de vraag waarom de scouts hierop niet uitgenodigd werden, gezien het duidelijk om een bijeenkomst met “vaderlandslievende” strekking ging. Van Iseghem had zich als onwetend voorgedaan en gezegd dat het in ieder geval om iets ging dat buiten hem om en buiten de KSA was georganiseerd. De conclusie hieruit was evenwel dat als de scouts op de hoogte waren, de NSJV-ers op het college dit eveneens moesten zijn. Als zij hun ouders inlichtten, dan zouden die naar de Duitsers trekken en de KSA doen verbieden wegens het houden van politieke bijeenkomsten. Opnieuw werd een strategie uitgewerkt, voor het geval de Duitsers of de Gestapo hen zouden ondervragen. Het hoofdantwoord zou zijn dat de collegeleider occasioneel enkele verantwoordelijken van de studentenwerking op het college had samengebracht; dat noch de KSA noch de proost er iets mee te maken hadden; dat er niets over de Duitsers was gezegd en dat de teksten van de spreekbeurten als bewijs hiervan konden worden voorgelegd. In ieder geval werd de keurmannen op het hart gedrukt kalm te blijven, weinig te zeggen en vooral goed op te letten alvorens een verklaring te ondertekenen.

Daarbij verloren de keurmannen hun goed humeur niet en gekscheerden ze wat over hetgeen ze in de gevangenis zouden doen. Eén zegde dat hij zijn “Celbrieven” zou schrijven, een ander zou “Mein Kampf” lezen en alle overigen zouden met de kaarten spelen.

Gelukkig gebeurde er niets, maar niet iedereen was er gerust in. Enkele dagen later kwam “de zeer voorzichtige geestelijke raadsman” opnieuw voor de dag met het voorstel om toch minstens de vergaderingen van de eden in de lagere klassen op te schorten. Als de jonge skalden door ongure elementen bedreigd worden, zullen ze alles verraden, zo oordeelde hij. Zoals vaak toonden de keurmannen van Noodvier hun onafhankelijkheid. Ze dachten er niet aan de werking bij de jongere leden stil te leggen, “omdat die juist het meest interessant is”.

Toch werden er enkele voorzorgsmaatregelen genomen: er zouden geen “Tijls” meer verschijnen, iedereen moest alle verslagboeken bij de dictator indienen, niemand mocht nog iets over de werking bij zich thuis bewaren, en vooral: men zou de archieven in de grond stoppen ofwel in de tuin van het ouderlijk huis van Jozef Leys, Buiten de Smedenpoort, ofwel bij Jozef De Poorter in de Ridderstraat.

Op hetzelfde ogenblik verontrustte nog een ander en wellicht zwaarder probleem de gemoederen, de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Keurman Daniel Vlaemynck was als eerste opgeroepen en kwam bij zijn kameraden van Noodvier verslag uitbrengen over zijn wedervaren op het “Arbeitsamt” waar men hem meegedeeld had dat hij naar Hannover zou vertrekken. Een week later werd de verplichte tewerkstelling voor studenten voorlopig afgelast en in de vergadering van 18 maart 1943 drukten de Noodvierleden hierover hun tevredenheid uit.

De weken gingen voorbij en gelukkig gebeurde er niets. De studentenbond achtte alles voldoende veilig om het jaarlijks Pinksterkamp te laten doorgaan. Maar kort daarop waren er opnieuw alarmerende berichten. Thuis bij keurman Cyriel Vermeulen was iemand (een SS-er dacht hij) komen vertellen dat een vijftiental gewapende mannen rond het Pinksterkamp hadden gezworven en zelfs van plan waren geweest de leiders op te pakken. De gouwleider van het NSJV zou er bij geweest zijn, maar ze waren in de nacht verdwaald en hadden hun plannen niet kunnen ten uitvoer brengen.

Daarbij had de zegsman bij Vermeulen ook verklaard dat de Duitsers er van op de hoogte waren dat er gewoonlijk de woensdag vergaderingen plaats vonden, eerst op de Markt, nadien op het Simon Stevinplein of daaromtrent. Het waren dus duidelijk de bijeenkomsten van Noodvier waar men weet van had en dit deed dan ook nogmaals beslissen voortaan minder bekende plaatsen op te zoeken.

Na de grote vakantie ging het schooljaar 1943-44 in, dat het laatste onder de bezetting zou worden. De oorlog leek ver weg. In september 43 werd gemeld dat de vergadering met een half uur vertraging was begonnen vanwege een luchtalarm en af en toe was er spraak van de smokkelactiviteiten van sommige keurmannen.

Begin mei 1944 trad de hoogspanning opnieuw in. Op de vergadering van 6 mei heerste een opgewonden stemming omdat men zou moeten gaan werken in Westkapelle voor het aanleggen van de “vesting Europa”. De operatie, bij de studenten bekend als “Pit en Stake”, verplichtte de keurmannen om met al hun leeftijdgenoten dagelijks naar Westkapelle op te trekken waar ze tegen een soldij van 56 Fr per dag op een gezapig tempo putten maakten en er “Rommelasperges” in oprichtten. Nochtans bleven ze hierbij hun rol indachtig als klasleiders. Ze beslisten onder elkaar méér ABN te spreken tijdens de werkzaamheden en ze bepaalden welke houding aan te nemen tegenover de Duitse bewakers en tegenover de medestudenten die tot de collaboratie behoorden. Ze verloren er hun goed humeur niet bij, vooral toen Walter Van Roose een liedje ten beste gaf over “Kleine Maus” en “Loch machen” en “Los und arbeiten”. Dit gebeurde tijdens de bijeenkomst op 14 mei, ten huize Van Biervliet.

Met de bestendige colonnes geallieerde vliegtuigen die over de stad vlogen is het normaal dat men ook op mogelijke bombardementen van Brugge dacht. Men deed dit echter met de humoristische noot door in het verslag te noteren dat dictator Etienne Van Biervliet “geweldig bang was van de bommen en hijgend stelde dat ieder jongen voor zichzelf persoonlijk verantwoordelijk was voor de bommen die op hen zouden vallen”. Veertien dagen later, op 28 mei vielen een aantal doden bij bombardementen op Sint-Michiels. ‘s Anderendaags was Etienne Van Biervliet met enkele van zijn schoolmakkers ter plaatse om hulp te bieden[59].

De landing in Normandië op 6 juni zou in ieder geval een einde gemaakt hebben aan de nutteloos geworden versterkingswerken van het genre “pit en stake”. Het was echter al op 23 mei dat de Duitsers het werk aan de kust en in Westkapelle als beëindigd beschouwden. De studenten kregen nu de tijd om hun examens voor te bereiden en af te leggen, terwijl anderzijds de lessen gedeeltelijk werden hervat[60]. Tegen einde juli was het schooljaar achter de rug en konden allen in hun beste pak naar het Seminarie trekken voor de jaarlijkse klasfoto: KSA-ers, scouts, VNV-ers, “neutralen” bijeen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was[61]. Op 31 juli hield Noodvier zijn voorlaatste bijeenkomst van het werkjaar, bij Walter Van Roose. Terwijl ze vergaderden kwam een bericht binnen: er was een jongen neergeschoten in de Wulfhagestraat. En toen ze naar de BBC luisterden hoorden ze het nieuws: de geallieerden bevonden zich 40 km beneden Avranches en Coutances[62].

Op 6 augustus, een kleine maand voor de bevrijding, hield Noodvier zijn laatste bijeenkomst van het werkjaar 1943-44, opnieuw in de Kemelstraat bij Van Roose. De oorlog leek ver af: geen woord er over. De machtsoverdracht vond plaats, er werd gespeecht en vooral werden forse hoeveelheden pannenkoeken verorberd (“De meesteresse des huizes kwam ongeduldig vragen of ze ze mocht brengen, dat ze koud werden, dat we ‘t maar moesten weten - sprikt achter noar”), gevolgd door appels, peren en stekelbeziën uit de winkel van moeder Van Roose. Daarop werd drank boven gehaald en begon men te zingen, op de accordeon begeleid door Etienne Van Biervliet. De oorlog leek ver af en, iedereen wist het, de bevrijding was nabij.

Wat voor conclusies uit dit verhaal trekken? Vooreerst dat de antipathie tegenover de Duitsers bij de leden van Noodvier minstens even groot was als die tegenover de collaborateurs. Dit kwam in het verslagboek duidelijk tot uiting. De jonge mannen behoorden niet, evenmin als hun ouders, tot het Verzet, wat niet belet dat hun houding en activiteiten niet zonder gevaar waren. Ere-gouverneur Pierre van Outryve d’Ydewalle heeft in zijn memoires beschreven hoe men, vooral vanaf 1943 voor een ja of een neen werd opgepakt en niet veel moest mispeuterd hebben om gedeporteerd te worden[63]. De leden van Noodvier voerden op school hun oorlogje tegen de VNV-gezinde studenten, die hierover wel eens hun ouders konden inlichten. Onder die ouders waren er enkele die tot de prominenten van de Brugse politieke en militaire collaboratie behoorden. Het regelmatig samenkomen in kelders en op zolders, zonder dat die vergaderingen waren aangegeven, kon als dit eens ernstig werd opgevolgd, nare gevolgen hebben. Vooral als hierbij het verslagboek in handen van de bezetter zou vallen. De aanhoudende aanvallen tegen de collaboratie en meegaande tegen de Duitsers, zoals die er in jeugdige stijl waren in genotuleerd, hadden voldoende kunnen zijn om zware straffen op te lopen.

De conclusie is duidelijk. De keurmannen van de Gilde Noodvier waren in hun jeugdige overmoed niet altijd voorzichtig en zouden er wellicht beter aan gedaan hebben, vooral vanaf 1943, niet meer zo ongezouten neer te schrijven wat ze dachten. Gelukkig liep het allemaal goed af.

Hoofdstuk XI - De “nieuwe gedachten”

Vanaf 1942 werd het duidelijk dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen en begon men in heel wat middens de naoorlogse structuur van het land voor te bereiden. Ook Noodvier werd hierdoor beroerd.

De eerste sporen hiervan zijn te vinden in het verslag van 8 april 1942. Oud-keurman Jozef Nicaise[64] kwam een uitgebreide uiteenzetting houden. Hij was toen al enkele maanden bezig met het uitgeven, samen met twee andere hoogstudenten en oud-leerlingen van het Sint-Lodewijkscollege, Jan Daelemans en Hubert Peeters, van een sluikblad onder de naam De Vlaamsche Vlagge[65]. Eerst gaf Nicaise een overzicht van de Vlaamse beweging vanaf 1830: de taalstrijd - de blauwvoeterie - het activisme - het nationalisme. Iets ontbrak hierbij: de vaderlandsliefde voor België. Aan wie de schuld? Aan België dat aan Vlaanderen niet gaf waar het recht op had en aan de Vlamingen zelf die niet wisten waarheen met hun nationaal gevoel. Dit moest veranderen. Nicaise somde enkele basisprincipes op: het geloof in God en de vrijheid om godsdienstig te leven - de centrale plaats van het gezin - het recht op arbeid voor iedereen - de eerbied voor het gezag - de gedachte van de natie. Vlaanderen moest zijn rechtmatige plaats in België krijgen. Dit land was voorbestemd om een brandpunt te worden van West-Europese katholieke beschaving. Zonder zijn Vlaams nationaal bewustzijn te verliezen moest Vlaanderen de brug vormen tussen grote omringende culturen. België (kruispunt van Germaanse en Romaanse cultuur) en Nederland die samen een prachtig koloniaal rijk hadden, moesten samenwerken om het te beschaven. De opvatting over België moest stroken met de Vlaamse overtuigingen. En de conclusies van Nicaise luidden: méér dan ooit moeten we aansluiten bij de oude Vlaamse tradities, want de eerste roeping is de uitbouw van de Vlaamse volksaard - we moeten de Franstaligen en franskiljons hiervan overtuigen - de Vlamingen moeten hun plaats veroveren in het leger, in de zeevaart en in de kolonies - ze moeten een positieve houding ontwikkelen tegenover België en ten aanzien van de Koning, die de verpersoonlijking moet zijn van de geschetste grondwaarden.

De uiteenzetting van Nicaise gaf aanleiding tot hevige discussies, die er op wezen dat men niet zo maar bereid was de duidelijk meer “Belgische” koers te varen. In de burcht van de Retorica werd er meer dan twee uur over geredetwist en toen de uiteenzetting overgedaan werd in de Derde “was er nog heftiger tegenstand”.

De gedachtegang die Nicaise volgde, droeg een duidelijke stempel: die van “Universitas” en van professor Albert Dondeyne enerzijds, die van de groep rond Tony Herbert, Michiel Vandekerckhove, Berten De Clerck en kanunnik Dubois en zijn medewerkers van de KSA en van het Mannenverbond voor Katholieke Actie anderzijds[66]. Wat hierin vooral nieuw was, was de positieve houding die men tegenover België wou aannemen. In de flamingantische middens was het koninkrijk België tot hiertoe ofwel de vijand geweest ofwel een “non-entity” waar men zich niet mee bezig hield. De oorlogssolidariteit tegen de vijand en de vaststelling dat zoveel nationalistische Vlamingen het verkeerde pad van de collaboratie waren opgegaan, waren aanleidingen tot een wijziging in de houding tegenover België.

Gevolg hieraan wilden de keurmannen van Noodvier absoluut een gesprek hebben met kanunnik Dubois en met Berten De Clerck. Met De Clerck leek het niet te lukken, maar de kanunnik beloofde tijdens de grote vakantie van 1942 met hen te komen spreken. Ze wilden van hem vernemen: “de houding tegenover België, Vlaanderen, Dietsland met of zonder Wallonië”.

Wat voortaan steevast in de verslagen omschreven werd als “de nieuwe gedachten” kreeg een nieuw impuls toen einde 1942 Jozef D’Hoore[67], die toen werkte op de KA-centrale in Roeselare, met Joris Stalpaert kwam spreken over “de nieuwe gedachten en waarden, gesteund op het christelijk humanisme”. Enkele dagen later kwam D’Hoore, in het kader van de studentenbond een uiteenzetting hierover geven voor de studenten van Poësis en Retorica. Dit mondde uit, naar aanleiding van de Sint-Idesbaldusfeesten in april 1943, op een grote bijeenkomst waarop als sprekers optraden: eerwaarde heer Sylvaan Vincke[68], Jan Felix[69], Jan Daelemans[70] en Carlos Gits[71]. Zij werkten allen mee aan het opstellen van de “nieuwe gedachten”, die onder meer na de oorlog zouden uitmonden op het Kerstprogramma van de Christelijke Volkspartij. Ook de vroegere dictator Jozef Bonneure had al in oktober 1942 Jozef Verleye aangesproken over “een uitgebreide geheime werking waar allerhande grote studies gemaakt worden over Europese cultuur en dies meer”.

Van toen af en tot het einde van de oorlog zouden in Noodvier en in de verschillende klas-eden discussies plaats vinden over “de nieuwe gedachten”. Dit was toekomstgericht en naarmate men zich hiermee ging bezig houden, verdween de belangstelling voor en de discussie over wat als een gedane zaak werd beschouwd, met name het VNV en de collaboratie.

Dat dit evenwel niet zonder discussie ging vindt men terug in de verslagen van de klasburchten, waar voor die van de Derde en van de Poësis gemeld werd dat er aanvankelijk “hevige tegenstand” was. In de Poësis nam men het ook ludiek op: aangezien er een nieuwe houding tegenover België moest komen, moest er ook een nieuwe “Brabançonne” komen, zo vonden zij en gingen onmiddellijk “naarstig aan het rijmen”.

Hoofdstuk XII - Noodvier: een jolige bende

Bij het einde van deze studie gewijd aan de Gilde Noodvier tijdens de oorlogsjaren is er nog een laatste element in de verf te zetten. Het is duidelijk dat de jongens van 16, 17, 18 jaar die er deel van uitmaakten, zich heel ernstig bezig hielden met zaken waar ze in geloofden. Dat betekent evenwel niet dat er geen vrolijke en jolige aspecten bij te pas kwamen.

De meest ernstige momenten werden niet altijd even ernstig opgenomen. Als de verslaggever vermeldde dat men bij het slotgebed in een lachbui verviel, voegde hij er aan toe “naar aloude gewoonte”. Zelfs op heel plechtige ogenblikken, zoals de opname van een nieuwe keurman, werden aanwezigen soms door een slappe lach overvallen. Toen op 15 juli 1942 Roland Pierloot, Fernand Bonneure en Robert Strubbe als afscheidnemende keurmannen plechtig de eed aflegden, hun ganse leven het geheim over de werking van Noodvier te zullen bewaren noteerde de verslaggever: “‘t Leek wel een kluchtspelletje; zo aangenaam ging het er”.

En wat dan te zeggen van het bijzonder moment waarop ze de keure met hun bloed ondertekenden? Zo noteerde het de verslaggever: “De keure werd bovengehaald en plechtig met bloed ondertekend. Aangrijpend ogenblik waarop ieder keurman het bloed uit zijn lichaam deed stromen, daarin zijn pen doopte en in bloedrode letters tekende op het perkament. J. Stalpaert geraakte moeilijk door het geharde vel en moest een hele “schelle” afsnijden; W. Pillen had haast geen bloed in zijn lijf; J. De Poorter bloedde als een gekeeld varken en besproeide gans de tafel met zijn bloed; W. Van Roose werd geholpen door Stalpaert die hem gans de top van zijn duim oversneed.” Dit laatste leidde trouwens een paar weken later tot een “heelkundige ingreep”, waarbij Stalpaert de duim van Van Roose zo goed verzorgde, dat dit eerste geslaagde proefstuk volgens de anderen “getuigde voor een schitterende toekomst.” Het lijkt alleszins dat de jonge lui de plechtige momenten met een korrel zout namen.

Wat ook duidelijk bleek, was dat het er bij de discussies niet altijd even gezapig en kalm aan toe ging. Enkele citaten: “‘t Was alsof het teken tot de strijd gegeven was. Er werd gediscussieerd, geroepen en ook gezongen. De toestand die er heerste is onbeschrijflijk. De dictator sloot de vergadering. Helaas, na het gebed ging het er nog erger aan toe.” (10 september 1941) - “Er werden oefeningen gehouden om iemand in zijn vuur te jagen: het had de beste gevolgen op de dictator “ (24 september 1941) - ”Bijeenkomst eindigde naar aloude tradities, met roepen en tieren en boksen en stampen” (14 februari 1942) - “‘t Begon te stuiven. We konden mekaar niet meer verstaan, al riepen we ons hees” (21 februari 1942) - “Er werd nog hevig gevochten en daverend gekletst” (28 maart 1942) - “Het liep uit op een gevecht tussen R. Pierloot en R. Strubbe” (2 mei 1942) - “Tussen R. Pierloot en R. Strubbe liep het uit op een gevecht in regel” (5 juni 1942) - “Schoenen en sluffers vlogen door het luchtruim” (6 juni 1943) -  “Een boksmatch Vlaemynck - Van Roose: neus Van Roose na eerste ronde een beetje scheef” (2 februari 1944).

In de verslaggeving over de “petite histoire” van het genootschap kwamen duidelijk twee “vedetten” naar voor, van wie de fratsen en bemerkingen heel wat levendigheid bijbrachten: over de periode 1941-43 was dat Joris Stalpaert en in 1943-44 Etienne Van Biervliet.

Stalpaert was een onverbeterlijk laatkomer, waardoor hij steeds opnieuw, erg tegen zijn zin, “want hij hoort hard als er spraak is van geld”, boeten moest betalen. Altijd had hij een reden: hij was gaan zwemmen, hij had boodschappen moeten doen, hij was gaan “blauwen”, hij moest eerst zijn boterhammen eten, hij had ruzie gehad met zijn moeder, hij had straf moeten schrijven en van dies meer. De laatkomer kwam steeds de vergadering “binnengestormd”. Met hem was het altijd iets: hij bleef met zijn broek aan een stoel plakken, hij had het babbelwater zodat men vermoedde dat hij een glaasje op had, hij legde zijn voeten op de tafel, of de stoel waarop hij zat piepte een beetje en “zich Samsom wanend nam hij de povere stoel in zijn knuisten en maakte er stoofhout van; overtuigd een goede daad gesteld te hebben voor de gemeenschap, ging hij op een andere stoel zitten, in afwachting van de verdere discussies”. Ook nog een andere keer sloeg hij zijn stoel geheel stuk of “Hij moest zijn kennis van de wellevendheid tonen en zette zijn lippen aan de waterkan en zoop ze luidruchtig leeg; na zijn mond met brede gebaren te hebben afgeveegd, gaf hij weer zijn aandacht aan de zitting”. Zelfs op de ernstige momenten moest hij gek doen, zoals bvb pogingen doen om het kruisteken met zijn voet te maken: “een demonstratie van lichte atletiek” noteerde men in het verslag. Het is duidelijk dat de verslaggevers geamuseerd de fratsen van de “complete filmster” zoals hij genoemd werd, in hun verslagen notuleerden.

Van Etienne Van Biervliet was het vooral zijn bourgeoiszijde die in de verf werd gezet. Toen men het had over iemand in de Poësis met een bierbuik, sprong hij beledigd recht, denkend dat men het over hem had. Hij haalde in de bijeenkomsten een grote sigaar boven en liet de anderen watertanden. Soms ontving hij zijn keurmannen in een nieuw pak dat ze deed opkijken, soms ook “op zijn sluffers”. Het gebeurde ook dat hij ze bij hem thuis alleen liet vergaderen, terwijl hij naar zijn kamer trok om te studeren. Midden een bijeenkomst begin 1944 kwam zijn vader hem roepen en kwam Etienne terug met zijn nieuwjaarsgeschenk: een radiomeubel. Een andere keer vlogen de keurmannen aan de deur: de dictator moest helpen om zijn kleine broers te wassen. Etienne Van Biervliet, primus van de klas, stelde duidelijk de studies boven het vergaderen en de verslaggever noteerde: “Waarschijnlijk studeert hij voor burgemeester; we merkten het al aan zijn manieren en aan zijn sigaren”.

Tijdens de vergaderingen werd, voor zoveel we konden nagaan, zelden iets gedronken, maar wel veel gerookt: sigaretten, sigaren en vooral de pijp. Onder het voorzitterschap van Roland Pierloot werd de vergadering niet geopend als één of ander lid de pijp van de dictator, “noodzakelijke vereiste om te kunnen vergaderen”, had weggestopt.

Er werd na de officiële bijeenkomsten soms gezongen en gemusiceerd. Met Robert Strubbe aan de piano en Fernand Bonneure die “met zijn helder klare stem allerhande liederen ten beste gaf”, waanden ze zich in de opera. Bij Walter Van Roose werd in de late avond romantische muziek beluisterd. Etienne Van Biervliet speelde jazz op zijn harmonica of begeleidde de zang met zijn accordeon.

De sport kwam er natuurlijk ook bij te pas, want verschillenden onder hen waren verwoede voetballers of zwemmers. Af en toe gingen ze ook samen roeien, op de stadsreien of in Oostkamp. Eén onder hen, Jos De Poorter, die later jezuïet werd, kwam twee jaar na elkaar tijdens de week van Kerstdag in smoking naar de vergadering, omdat hij nadien met zijn vele zusters naar een dansfeest moest.

Bij de minste gelegenheid vond men één van de moeders of vaders bereid om voor de jonge bende stapels pannenkoeken te bakken en naarmate de oorlog vorderde kwamen ze graag bij Walter Van Roose bijeen, omdat daar vanuit de fruitwinkel allerhande lekkers werd aangebracht.

Een geliefkoosd onderwerp voor de late uren waren de vele fratsen die ze op het college hadden uitgericht en waarbij de leraars het hadden moeten ontgelden: o.m. de Bok, de Wandeling, de Clairon, de Chicon, de Thems, de Lodder en natuurlijk de “Pette” kwamen hierbij aan bod.

In de maand mei was er dan het romantisch en lang naar verlangde moment waarop de retorici hun toekomstdromen openbaarden. “Alles werd naar oude costume gezegd, maar niets daarvan mag volgens overeenkomst in dit boek opgeschreven en vereeuwigd worden”[72]. Het was dan ook ongeveer het enige dat niet werd opgeschreven, want voor het overige werden tientallen kleine weetjes en indiscreties genotuleerd over veel van hun klasgenoten en over het reilen en zeilen op het college.

Hoofdstuk XIII - Enkele conclusies

Oorlog of geen oorlog, de Gilde Noodvier werkte in de periode 1940-44 heel actief door, op hetzelfde ritme waarop ze dit ongetwijfeld ook in de vooroorlogse jaren had gedaan. Er zat nog geen sleet op het in 1888 gestichte genootschap.

Op zich was dit voortbestaan een uitzondering. Voor zoveel bekend was het oprichten van geheime genootschappen in de colleges een uitsluitend West-Vlaams fenomeen en, volgens de beschikbare gegevens, was de Gilde Noodvier de enige van de verschillende in de negentiende eeuw opgerichte “collegeloges” die de eerste wereldoorlog overleefde en een regelmatige werking volhield, hiermee het particularisme eigen aan Brugge en meer bepaald aan het Sint-Lodewijkscollege onderstrepend.

De inzet van de jonge mannen voor hun overtuigingen en idealen was groot. In de praktijk uitte die zich door hun leidersactiviteiten in de verschillende geledingen van de KSA en van de studentenbond. Dit werd ondersteund door hun geheime bijeenkomsten. Het is duidelijk dat ze plezier beleefden aan “het weten wat anderen niet weten”. Het besef was aanwezig dat ze een belangrijke rol speelden in het collegeleven. In ieder geval beschouwden ze zich als de occulte leiders van zowel de studentenbond als de KSA, waarbij ze de taak hadden beider activiteiten te coِrdineren en voor beide verenigingen de nodige leiders op te leiden. Wanneer in augustus 1943 het JVF plots werd opgedoekt, is het in de verslagen duidelijk merkbaar dat Noodvier een “diminutio capitis” onderging en voortaan een belangrijke poot waarop hij zijn activiteiten stoelde, kwijt was.

De manier waarop werd te werk gegaan, het geheel van de organisatie met zijn romantische en geheimzinnige ingrediënten ligt thans ver van ons af, zo ver dat de acteurs van toen het zich nog nauwelijks kunnen voorstellen. Was er het verslagboek niet als primaire en ontegensprekelijke bron, dan zouden de meeste eerder geneigd zijn de werking van Noodvier te minimaliseren, sommigen zelfs ze te ontkennen.

Dit is niet zo verwonderlijk. Niet alleen is er veel tijd over gegaan, maar Noodvier betekende toch maar een deel van de activiteiten van de jonge mannen, terwijl de collegejaren zelf vervaagden en een daaropvolgend belangrijker beroeps- en familieleven hun leven vulde.

Het neemt niet weg dat ze gedurende een paar jaar zich zelf beschouwden als de “geheime leiders” van het college en dat zij met grote inzet de idealen van hun jeugd beleefden. Die idealen gingen in een dubbele richting: Vlaamse overtuiging en katholieke overtuiging.

De katholieke overtuiging was probleemloos. Bij hen geen metafysische onrust of twijfel. Zonder discussie aanvaardden ze kerkelijk gezag en godsdienstige praktijken. Het is niet te verwonderen dat zoveel leden van Gilde Noodvier binnentraden in het seminarie of in een kloostercongregatie of -orde. Missionaris worden was een hoog en aantrekkelijk ideaal, dat de enen naar Scheut leidde en de anderen - spijt hun Vlaamsgezindheid - naar de overwegend Franse missiecongregatie van de Witte Paters van Afrika. Gilde Noodvier was natuurlijk niet de enige voedingsbodem voor een priesterroeping. De algemene geest in de samenleving en meer bepaald in een bisschoppelijk college waren mee bepalend. In elke Retorica waren er, op het vijftigtal afgestudeerden, minstens een tiental (in de Retorica 1944 negentien) die een geestelijke roeping volgden. Dat de activiteiten binnen Noodvier, waar men vaak discussieerde over “de toekomst”, mee een rol hebben gespeeld, lijkt me voor een aantal onder hen duidelijk.

De Vlaamse overtuiging gaf aanleiding tot meer strijd. De jonge leden van Noodvier bewandelden het pad van een minderheid. De grote meerderheid van hun klasgenoten waren helemaal niet Vlaamsgezind, meestal nogal onverschillig, soms Franssprekend. Naarmate de oorlog vorderde zou het patriottisch en anglofiel gevoel in sterke mate toenemen. Onder de Vlaamsgezinde was er dan nog een klein aantal dat, van huis uit of door eigen overtuiging, het pad van het nationalisme en van de collaboratie was ingeslagen. De leden van de Gilde Noodvier, net zoals de KSA en het JVF bewandelden een eigen weg, Vlaamsgezind zonder meer. Naarmate de oorlog vorderde werd hun flamingantisme gekleurd door wat de “nieuwe gedachten” bijbrachten, waarbij ze stilaan een meer positieve houding tegenover het Belgisch staatsbestel gingen aannemen. De Vlaamsgezindheid bleef evenwel primeren ook al waren ze er zich van bewust dat dit niet met de evoluerende tijdsgeest strookte en, zoals ze in het verslag van 20 november 1943 noteerden, “ze met de gedachten die ze voorstaan, niet wel zullen varen na de oorlog”.

Het is alvast een feit dat de Gilde Noodvier zich niet alleen trouw aansloot bij de anti-collaboratie houding die door de katholieke actie en door de geestelijkheid werd verspreid, maar dat ze heel concreet waakte over de Vlaamsgezinde leerlingen in het college, en bij de minste vaststelling dat er iemand onder hen nationalistische sympathieën begon te krijgen, zich inzette om hem hiervan te weerhouden.

De oorlogstijd had maar een beperkte invloed op de werking van Noodvier. Men werkte verder alsof er niets aan de hand was. Men nam hierbij zelfs risico’s. In een tijd van hevig antagonisme en van verklikking, was alleen al het feit samen te komen niet zonder gevaar. Dit weerhield er hen niet van. In het verslagboek werden hun anti-Duitse en anti-collaboratie gevoelens in geuren en kleuren neergeschreven. Gelukkig kwam dit boek nooit in verkeerde handen terecht.

De Gilde Noodvier was geen wereldschokkende beweging die de loop van de geschiedenis heeft beïnvloed. Het was niettemin een niet onaardig exponent van een tijdsgeest en van idealen waarvoor jonge mensen bereid waren zich in te zetten. Ze schreven een stukje geschiedenis van Brugge en van het Sint-Lodewijkscollege, dat voldoende originaliteit bevat om de belangstelling van de historisch geïnteresseerden te wekken.

 

Bijlagen

Bijlage I - De data en plaatsen van bijeenkomst van de Gilde Noodvier

1940-1941

. 9 juni             bij Gaby Gyselen, Gentpoortvest

18 juni             bij Roland Pierloot, Nieuwstraat (thans Witte-Beerstraat), Sint-Andries

28 juni             idem

  5 juli               idem

18 juli               bij Gaby Gyselen

5 vergaderingen: 3 bij Roland Pierloot, 2 bij Gaby Gyselen

jaar 1941 -1942

29 aug             bij Fernand Bonneure, Gouden Boomstraat

10 sept            bij Roland Pierloot

16 sept            idem

24 sept            idem

  6 okt              idem

15 okt              bij Fernand Bonneure

24 okt              bij Roland Pierloot

  3 nov             idem

14 nov             idem

21 nov             idem

  6 dec             idem

19 dec             bij Fernand Bonneure

29 dec             bij Roland Pierloot


14 jan              bij Roland Pierloot

23 jan              idem

  7 febr             bij Fernand Bonneure

14 febr             idem

21 febr             lokaal Sint-Walburgaban

28 febr             bij Roland Pierloot

14 maart            bij Fernand Bonneure       

28 maart            idem

  8 april            idem

22 april            in ‘t gewestsecretariaat

  2 mei             idem

15 mei             bij Georges Stalpaert, Hoefijzerlaan

23 mei             in ‘t gewestsecretariaat

  5 juni             idem

17 juni             in ‘t banhuis

20 juni             in ‘t gewestsecretariaat

27 juni             idem

  1 juli               idem

15 juli               idem

32 vergaderingen: 13 bij Pierloot, 8 bij Bonneure, 10 in KSA-lokalen, 1 bij Stalpaert

jaar 1942 - 1943

28 aug             in ‘t banlokaal van Sint-Donaas

  8 sep             bij Jos Verleye, (kelders) Provinciaal hof

16 sep             idem

23 sep             idem

30 sep             idem

  7 okt              idem

15 okt              idem

23 okt              idem

28 okt              idem

11 nov             idem

25 nov             idem

  2 dec             idem

10 dec             idem

24 dec             idem

15 jan              idem

20 jan              idem

27 jan              idem

03 feb              bij Walter Van Roose, Kemelstraat

09 feb              idem

17 feb              bij Jos Verleye

24 feb              bij Cyriel Vermeulen, Gistelse steenweg, Sint-Andries

03 maart            bij Jos Verleye

12 maart            bij Walter Van Roose

18 maart            idem

24 maart            bij Jos Verleye

27 maart            idem

08 apr              bij Jos De Poorter, Ridderstraat

23 apr              bij Walter Van Roose

03 mei             idem

12 mei             bij Jos De Poorter

19 mei             bij Walter Van Roose

26 mei             bij Jos De Poorter

02 juni             bij Walter Van Roose

06 juni             idem

18 juni             bij Etienne Van Biervliet, Koning Leopold II laan

26 juni             bij Walter Van Roose

04 juli               idem

11 juli               idem

23 juli               idem

39 vergaderingen: 20 bij Jozef Verleye, 13 bij Walter Van Roose, 3 bij Jozef De Poorter, 1 bij Cyriel Vermeulen, 1 bij Etienne Van Biervliet, 1 in KSA-lokaal.

jaar 1943 - 1944

“enkele verslagen wegens omstandigheden niet opgenomen”

01 sept            bij Etienne Van Biervliet

14 sept            idem

22 sept            bij Walter Van Roose

27 sept            in banhuis Sint-Walburga

16 okt              bij Walter Van Roose

24 okt              idem

31 okt              idem

10 nov             idem

20 nov             idem

28 nov             in banhuis KSA De Graal

29 dec             bij Etienne Van Biervliet

08 jan              bij Etienne Van Biervliet

25 jan              in banhuis Sint-Donaas

02 feb              in patronaat van Sint-Walburga

09 feb              bij Etienne Van Biervliet

18 feb              idem

24 feb              idem

27 feb              idem

21 maart            idem

01 april            bij Walter Van Roose

07 april            bij Etienne Van Biervliet

26 april            idem

03 mei             in gewestsecretariaat (den Appelzak)

06 mei             idem

14 mei             bij Etienne Van Biervliet

25 juni             idem

28 juni             idem

13(31?) juni            idem

05 juli               idem

20 juli               bij Walter Van Roose

07 aug             idem

31 vergaderingen: 16 bij Etienne Van Biervliet, 9 bij Walter Van Roose, 6 in KSA-lokalen.

Bijlage 2 - De leden van de Gilde Noodvier over de periode 1940-1944

1940-1941

dictator :             Gaby Gyselen                      Wodan                        Ret 41

keurmannen:            Sam Annys              Baldwin                      Ret 41                                                 Jozef Delafontaine            Ortwin                         Ret 41            

                        Roland Pierloot            Siegfried                      Ret 42                        

                        Fernand Bonneure            Wate                           Ret 42

                        Jozef Verleye                        Winfried                      Ret 43                        

                        Georges Stalpaert            Wittekind                    Ret 43

                        Etienne Keereman            Godfried                      Ret 43

skalden            Paul Lommez

(retorica)            Maurice D’Hondt (waarschijnlijk)

Mogelijk skalden in Retorica 41: André Pollet, Walter Surmont, Ignace Bekemans, Herman Bernolet, Lucien De Wulf.

1941-1942

dictator:            Roland Pierloot            Siegfried          Ret 42

keurmannen:            Fernand Bonneure            Wate               Ret 42

                        Jozef Verleye                        Winfried          Ret 43

                        Georges Stalpaert            Wittekind        Ret 43

                        Etienne Keereman            Godfried          Ret 43

16/09/41            Robert Strubbe            Eggeric          Ret 42

14/11/41            Walter Pillen               Sigurd             Ret 43

05/06/42            Daniel Vlaemynck            Delwar                        Ret 44

skalden:            Fernand Dupon

(retorica)            André Vincke

                        Julien Verhegghe

                        Jan Ghistelinck

1942-1943

dictator:            Jozef Verleye                        Winfried          Ret 43

keurmannen:            Georges Stalpaert            Wittekind        Ret 43

                        Etienne Keereman            Godfried          Ret 43

                        Walter Pillen               Sigurd             Ret 43

                        Daniel Vlaemynck            Delwar                        Ret 44

08/09/42            Cyriel Vermeulen            Herwig             Ret 43

30/09/42            Jozef De Poorter            Baldwin          Ret 45

28/10/42            Etienne Van Biervliet            Thor                Ret 44

27/01/43            Walter Van Roose            Godfried          Ret 44

24/03/43            Arthur Colaert                        Orwig              Ret 45

19/05/43            Fernand De Loof            Diederik          Ret 45

02/06/43            André De Bels            Baldwin          Ret 44

skalden:            Arseen Coudenys

(retorica)            Pierre Van Belleghem

                        Karel Lommez

                        Robert Mistiaen

                        Jaak Lommée

                        J. Flour

1943-1944

dictator:            Etienne Van Biervliet Thor                Ret 44

keurmannen:            Walter Van Roose            Godfried          Ret 44            

                        Daniel Vlaemynck            Delwar                        Ret 44

                        André De Bels            Baldwin          Ret 44            

                        Fernand De Loof            Diederik          Ret 45            

                        Jozef De Poorter            Baldwin          Ret 45

                        Arthur Colaert                        Orwig              Ret 45

25/01/44            Paul Warmoes            Herwig             Ret 46

01/04/44            Jan Pickery                        Winfried          Ret 46

03/05/44            Christian Pillen            Balder             Ret 46

skalden            Ghislain De Jaeger

(retorica)            Karel De Smedt

                        Paul Leys

                        Jan Lommez

                        Robert Vermeersch

                        Marc Verstraete

                        Stefaan Walleyn

                        Victor Margot

Bijlage III - Wat er later van hen geworden is.

Retorica 1941

keurmannen

Gaby Gyselen

Gaby Gyselen is in Veurne geboren op 14 april 1923. In september 1941 trad hij in het seminarie, afdeling wijsbegeerte in Roeselare. In 1946 werd hij ambtenaar bij de provincie West-Vlaanderen en richtte er in 1955 de Dienst voor Cultuur op, waarvan hij de directeur werd tot aan zijn pensionering in 1989. Onder zijn voornaamste publicaties: Rik Slabbinck (1979) en bijdragen over het kunstborduurwerk in het atelier Grossé. Hij is gehuwd met Martha Jansseune en ze hebben twee kinderen. Gaby Gyselen woont in Brugge[73].

Sam Annys

Sam Annys is in Brugge geboren op 8 september 1922. Na de Retorica studeerde hij aan de Sociale school in Roeselare. Hij werd belast met de stichting van jeugdwerking in de parochiescholen, dat tot Chiro is geëvolueerd. Na studies aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde, naar Belgisch Kongo vertrokken als ambtenaar in het kader van de koloniale gezondheidszorg. Hij was er werkzaam tot in 1969. Na zijn terugkeer in België was hij verbonden aan het Tropisch Instituut in Antwerpen (Eenheid voor Onderzoek en Onderwijs). Schreef studies, artikels en rapporten over organisatie van diensten, gezondheidsvoorlichting en -opvoeding en bevolkingsparticipatie. Tot in 1997 werd hij belast met meerdere opdrachten in diverse Afrikaanse landen ten behoeve van internationale organismen. Hij is gehuwd met Marie-Thérèse Jansseune en ze hebben zeven kinderen. Hij woont in Wijnegem-Antwerpen[74]

Jozef Delafontaine

Jozef Delafontaine werd in Brugge geboren in 1922 of 23. Na de Retorica studeerde hij geneeskunde maar voleindigde die studies niet. Hij woonde in Sint-Michiels, Rijselstraat. We zijn het spoor naar hem bijster.

skalden

Paul Lommez

Paul Lommez is in Ieper geboren op 16 februari 1923. Toen zijn vader, advocaat en bestendig afgevaardigde Amand Lommez in 1937 tot provinciegriffier werd benoemd, kwam het gezin in de Katelijnestraat in Brugge wonen. Paul Lommez trad in het seminarie en werd priester gewijd op 31 mei 1947. Hij kreeg de opdracht in Knokke een college op te richten, als succursale van het Sint-Lodewijkscollege. Hij startte er als leraar voor de Zesde Latijnse. Vanaf 1955 werd deze school het zelfstandig Sint-Bernardusinstituut. Van 1968 tot 1976 was hij rector van het Sint-Janshospitaal en tot 1988 aalmoezenier van het A.Z. Sint-Jan en van de verpleegstersschool. Hij is thans secretaris van de ziekengilde Sint-Donatianus voor priesters. Hij woont in Knokke[75].

Retorica 1942

Keurmannen

Roland Pierloot

Roland Pierloot is in Sint-Andries bij Brugge geboren op 23 februari 1924. Hij werd doctor in de genees- heel- en vroedkunde en ook licentiaat psychologie (KU Leuven); hij specialiseerde zich in neuropsychiatrie (KU Leuven en Gemeentelijke Universiteit Amsterdam). Vanaf 1961 werd hij medisch directeur van het universitair psychiatrisch centrum Sint-Jozef in Kortenberg, in 1962 werd hij lector, in 1963 buitengewoon docent, in 1967 hoogleraar en in 1971 gewoon hoogleraar aan de KU Leuven; sinds 1989 emeritus. Hij was voorzitter van de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse. Sedert zijn emeritaat heeft hij actief gewerkt en gepubliceerd over de relatie tussen psychoanalyse en literatuur. Zo heeft hij psychoanalytische methodes toegepast op de werken van Graham Greene en van D.H. Lawrence en hierover verschillende artikels en een boek gepubliceerd. Hij publiceerde vanaf 1954 tot op vandaag talrijke artikels en verschillende boeken over zijn specialiteit.

Hij is gehuwd met Raphaëlle Van Roey en ze hebben vier kinderen. Hij woont in Leuven.[76]

Fernand Bonneure

Fernand Bonneure is in Brugge geboren op 18 mei 1923. Na de Retorica genoot hij hoger onderwijs aan de Sociale school in Roeselare (1942-44).  Van 1944 tot 1948 was hij KSA-gouwleider voor West-Vlaanderen. Van 1954 tot 1983 was hij uitgever achtereenvolgens bij Desclée de Brouwer, Orion, en Orbis/Orion. Hij heeft talrijke publicaties op zijn naam: gedichten, verhalen, kunstkritische monografieën, honderden artikels in bladen en tijdschriften en verschillende bloemlezingen en literaire gidsen gewijd aan Brugge en West-Vlaanderen. Medestichter van het Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond in 1951 en van het tijdschrift West-Vlaanderen, (later Vlaanderen) waarvan hij van 1952 tot 1961 de redactiesecretaris was. Hij is sinds 1980 voorzitter van het Provinciaal Comité voor Kunstambachten in West-Vlaanderen, sinds 1994 voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, medestichter (1961) en voorzitter sinds 1984 van de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers (VWS). Sedert 1995 is hij ook voorzitter van de Stedelijke Culturele Raad van de stad Brugge. Hij is gehuwd (1950) met Georgina Lanckriet en ze hebben vier kinderen. Hij woont in Sint-Michiels Brugge.[77]

Robert Strubbe

Robert Strubbe studeerde na de retorica geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Gent en promoveerde tot doctor in de genees- heel- en vroedkunde. Hij vestigde zich in Brugge op de volkswijk Sint-Anna waar hij een succesvolle loopbaan als huisarts doorliep. Hij is gehuwd en heeft verschillende kinderen. Hij woont in Brugge op het Sint-Annaplein.

Skalden

André Vincke

André Vincke is in Sijsele geboren op 5 juli 1923. Na de Retorica ging hij aanvankelijk in Oostende studeren voor technisch ingenieur, maar veranderde van richting en werd in 1948 licentiaat Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit Gent. In 1949 vertrok hij naar Belgisch Kongo en werd leraar aan het Atheneum in Bukavu, wat hij bleef tot in 1963, met een jaar onderbreking wegens de Onafhankelijkheidsperikelen, waardoor hij in 1961-62 leraar was aan het Sint-Leocollege in Brugge. Van 1963 tot 1968 was hij leraar in Kolwezi en in 1968-69 in Lubumbashi, waarna hij voor goed naar België terug keerde. Van 1970 tot 1983 was hij leraar aan het Vrij Handelsinstituut Ter Groene Poorte in Sint-Michiels.

Hij is gehuwd met Miriam Dupon en ze hebben vier kinderen. Hij woont in Sint-Kruis Brugge.[78]

Fernand Dupon

Fernand Dupon is in Brugge geboren op 28 september 1922. Na de Retorica trad hij in het seminarie en werd op 22 mei 1948 tot priester gewijd. Hij heeft zijn actieve loopbaan doorgebracht als leraar in bisschoppelijke colleges, van 1948 tot 1950 in het Sint-Aloysiuscollege in Diksmuide, van 1950 tot 1956 in het Sint-Vincentiuscollege in Ieper en van 1956 tot 1984 in het Onze-Lieve-Vrouwcollege in Assebroek. Sedert 1984 is hij rector van de Basiliek van het H. Bloed. Decennialang heeft hij ook een actieve rol in de KSA gespeeld. Van 1946 tot 1959 was hij gewestproost voor de jongknapen en van 1959 tot 1991 algemeen gewestproost van KSA De Graal Brugge. Hij woont in Brugge.[79]

Julien Verhegghe

Julien Verhegghe is in Oostkamp geboren op 7 september 1923. Na de Retorica trad hij september 1942 in bij de Witte Paters en werd in april 1949 tot priester gewijd. Hij vertrok voor het eerst naar Belgisch Kongo in oktober 1949 en werd er leraar aan het Klein seminarie van Boudewijnstad. Wegens gezondheidsproblemen werd hij in 1952 naar Kitungu overgeplaatst en van 1957 tot 1963 keerde hij terug naar België om er de missiepropaganda te voeren in Oost- en West-Vlaanderen. Daarna terug naar Kitungu, waar hij aalmoezenier werd van de zusters van de H. Jozef en godsdienstleraar en dit tot in 1975. Overgeplaatst naar de streek van Bukavu werd hij aalmoezenier van de “Filles de Marie”, nadien parochiepriester, nadien leraar aan het Klein Seminarie van Bukavu. Tot op vandaag is hij nog steeds in Bukavu werkzaam.[80]

Jan Gistelinck

Jan Gistelinck werd in Gent geboren op 24 juli 1922. Hij behaalde het licentiaat geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent in 1946. Hij werd leraar aan het Koninklijk Atheneum in Kapellen. Hij was gehuwd en had een zoon. Hij overleed in Kapellen op 2 juli 1978[81].

Retorica 1943

keurmannen

Jozef Verleye

Jozef Verleye werd in Brugge geboren op 24 december 1924. Hij trad in bij de Witte Paters en werd in april 1950 tot priester gewijd. Hij had ondertussen te kampen gehad met zware ziekte en werd een nier ontnomen. Na zijn wijding volgde hij nog twee jaar regentaat. In oktober 1952 vertrok hij naar Rwanda en werd schooldirecteur, eerst in Kabgayi, daarna in Rwamagana. Na een korte activiteit als parochiepriester werd hij schoolinspecteur en in 1961 werd hij de eerste Nationaal secretaris voor het katholiek onderwijs in Rwanda. Begin 1962 liep hij een dubbele longontsteking op. Naar België overgebracht werd kanker vastgesteld en overleed hij op 19 maart 1962. Hij was amper 37 jaar[82].

Georges (Joris) Stalpaert

Georges Stalpaert is in Brugge geboren op 26 juli 1924. Hij studeerde geneeskunde aan de KU Leuven en promoveerde in 1951 tot doctor in de genees- heel- en verloskunde. Tijdens zijn studententijd was hij actief lid en penningmeester van de studentenclub Moeder Brugse. In de studentenrevue van december 1944 speelde hij vier rollen: die van het meisje Bérengère, die van de verliefde schacht, die van Treezetje Kerseroet en tenslotte die van Mussolini in “De ontmoeting van Hitler en Mussolini”, waarbij de rol van Hitler gespeeld werd door de latere egyptoloog Herman De Meulenaere. Van 1951 tot 1957 voltooide hij zijn specialisatie in de chirurgie achtereenvolgens bij dr. Piet Vanden Eynde, bij professor Schoemaker en in Leiden bij prof. Brom (Leiden). In Leuven werd hij adjunct-kliniekhoofd thorakale en cardiovasculaire heelkunde (1957), lector (1959), buitengewoon docent (1964), gewoon hoogleraar (1971) en diensthoofd thorakale en cardiovasculaire geneeskunde (1978). Hij was één van de pioniers in België van de open-hartoperaties en van de inplanting van hartkleppen. Na zijn emeritaat in 1989 voerde hij nog gedurende vijf jaar hartoperaties uit in het AZ St.-Jan in Brugge. Hij heeft een 150-tal wetenschappelijke publicaties op zijn naam en is doctor honoris causa van de Katholieke Universiteit van Lublin (Polen). Als verwoed jager werd hij lid van de Hoge Jachtraad. In 1990 werd hij in de adelstand verheven met de persoonlijke titel van baron. Zijn wapenspreuk luidt: “Voluntate vincere”. In 1998 werd hij opgenomen in de West-Vlaamse ridderorde van “‘t Manneke van de Mane”.

Hij is gehuwd met Gertrude Fles en ze hebben 6 kinderen. Hij woont in Winksele bij Leuven.[83]

Etienne Keereman

Etienne Keereman is in Brugge geboren op 1 januari 1925. Hij studeerde rechten aan de KU Leuven en de Rijksuniversiteit Gent en promoveerde in 1951 voor de centrale examenjury. Hij begon zijn beroepsloopbaan in 1952 als bestuurssecretaris bij het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering in Brussel en promoveerde er tot secretaris-verslaggever bij de Commissie van beroep. In 1970 werd hij substituut-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, in 1984 advocaat-generaal en in 1989 eerste advocaat-generaal. Emeritus in 1992. Hij publiceerde talrijke artikels over sociale wetgeving. Hij huwde met Simonne Bollaerts en ze hebben twee kinderen. Hij woont in Overijse[84].

Walter Pillen

Walter Pillen is in Sint-Kruis Brugge geboren op 14 juli 1924. Op 4 augustus 1943 trad hij in bij de Jezuïeten in Drongen en volbracht er het noviciaat en het Indisch “juvenaat” dat hem voorbereidde op een vertrek naar India. Als eerste naoorlogse Vlaamse jezuïet-missionaris vertrok hij op 23 juli 1946 naar Karachi. Tot maart 1949 deed hij in het Sacred Heart College (Shembaganur, Zuid-India) zijn filosofische studies. Daarna was hij anderhalf jaar leraar in de Saint Ignatius High School en twee jaar onderdirecteur van de apostolische school in Ranchi. Van juni 1953 tot 1957 studeerde hij theologie aan het De Nobili College in Maharashtra en op 23 maart 1956 werd hij tot priester gewijd in de kathedraal van Pune. In 1961 werd hij definitief overgeschreven naar de provincie Ranchi binnen de Jezuïetenorde. Hij werd achtereenvolgens kapelaan voor de katholieken in het “Boys Battalion”, medepastoor van de parochie Samtoli en directeur van de parochieschool. Van 1962 tot 1964 was hij pastoor deken van het decanaat Gumla en van 1962 tot 1986 was hij overste van de jezuïeten voor het district Gumla. In 1962 werd hij directeur van de Catechistenschool in Tongo, functie die hij tot op vandaag blijft uitoefenen[85].

Cyriel Vermeulen

Cyriel Vermeulen is in Oostkerke geboren op 18 augustus 1924. Hij trad in het seminarie en werd priester gewijd op 11 juni 1949. Sedert 1972 is hij pastoor van de federatie Vleteren. Hij woont in Woesten[86].

Skalden

Arseen Coudenys

Arseen Coudenys werd in Ruddervoorde geboren op 4 augustus 1924. Van 1949 tot 1962 was hij ambtenaar in Kongo, in de dienst Registratie en Domeinen. Van 1963 tot aan zijn pensionering in 1984 was hij bediende in de aankoopdienst bij Clayson, Zedelgem. Hij was gehuwd met Magdalena Verstraete en ze hebben vijf kinderen. Hij is overleden in Sint-Michiels Brugge op 17 januari 1996[87].

Pierre Van Belleghem

Pierre Van Belleghem is in Brugge geboren op 12 september 1923. Hij trad binnen in het seminarie in Brugge en werd in 1949 priester gewijd. Hij was vele jaren leraar in het Sint-Vincentiuscollege in Ieper, daarna onderpastoor in Egem en in Koekelare en vanaf 1978 pastoor in Wingene. Sedert 1994 woont hij als emeritus in Sint-Kruis Brugge[88].

Karel Lommez

Karel Lommez werd geboren in Ieper op 19 mei 1924. Hij werd technisch ingenieur scheikunde en werkte bij de firma Capelle in Menen. Hij is gehuwd met Nelly Leuridan en ze hebben twee dochters. Hij woont in Wevelgem.[89]

Robert Mistiaen

Robert Mistiaen werd geboren op 10 september 1924. Hij werd tandarts in Gent. In 1958 gehuwd met Christiane Dumoulin uit Langemark Ze hebben zes kinderen. Hij woont in Gent[90].

Jaak Lommée

Jaak Lommée werd in Brugge geboren op12 april 1924 en is er op 28 december 1986 overleden. Na de Retorica was hij van plan studies Germaanse filologie aan te vatten, maar na verplichte arbeidsdienst en wegens familiale omstandigheden vestigde hij zich als fotograaf in Roeselare, waar hij tijdens een loopbaan van veertig jaar een reputatie opbouwde zowel bij een ruime klantenkring als bij firma’s zoals Kodak en Hasselblad, die hem prijzen verleenden. Hij was gehuwd met Maria Magdalena Leys en ze hebben één zoon[91].

Retorica 1944

keurmannen

Etienne Van Biervliet

Etienne Van Biervliet werd in Brugge geboren op 1 april 1925. Na de Retorica, waar hij als primus uitkwam, promoveerde hij in 1950 aan de KU Leuven tot burgerlijk ingenieur elektrotechniek en werktuigkunde. In 1951 haalde hij een Masters degree aan het Virginia Polytechnic Institute in Blacksburg (Virginia). Van 1952 tot 1956 was hij hoofdingenieur van de elektriciteitsmaatschappij Eltra in Buenos Aires. Terug in België stichtte hij in Brugge zijn studiebureau voor verwarming en een transportbedrijf. Tijdens het schooljaar 1957-58 fungeerde hij als vervanger voor de lessen natuurwetenschappen in het Sint-Lodewijkscollege. Als hobby leerde hij Russisch. Hij was gehuwd met Marie-Thérèse Vanwynsberghe en zij hebben zes zoons en een dochter. Hij overleed in Leuven op 11 augustus 1996.[92]

Daniel Vlaemynck

Daniel Vlaemynck is geboren in Sint-Andries Brugge op 18 februari 1924. Hij trad binnen in het seminarie en werd priester gewijd op 3 juni 1950. Hij was  onderpastoor op Sint-Jozef Brugge en medepastoor op de H. Maria Magdalena parochie in Brugge. Sedert 1979 is hij rector van de zusters Augustinessen en aalmoezenier van het bejaardenhuis Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie. Hij woont in Brugge.

Walter Van Roose

Walter Van Roose is in Brugge geboren op 20 november 1925. Na de Retorica werd hij doctor in de rechten (Rijksuniversiteit Gent). Na een stage aan de balie in Brugge, was hij van 1954 tot 1963 kaderlid bij Union Margarinière Belge in Merksem en van 1963 tot 1990 secretaris van de Bedrijfsraad voor de Zeevisserij in Oostende. Sedert 1990 is hij voorzitter van het gemengd koor Cantores Brugenses. Hij is ondervoorzitter van de werkgroep ”Brugs Woordenboek”. Hij is gehuwd met Martine Schotte en woont in Sint-Michiels Brugge[93].

André De Bels

André De Bels is in Brugge geboren in 1925. Na de Retorica trad hij in bij de Witte Paters en werd priester gewijd in 1951. Hij vertrok naar de missies in Mozambique.

In 1973 trad hij uit, huwde en ging zich in de Verenigde Staten vestigen. Gedurende twintig jaar gaf hij les Frans en Duits aan een college in Baltimore. Nadien zette hij een accountantskantoor op en is hierin nog steeds actief. Hij is gehuwd met Bernice en ze hebben een zoon[94].

skalden

Jan Lommez

Jan Lommez is in Ieper geboren op 16 januari 1926. Hij werd landbouwingenieur, eerst op het Ministerie van Landbouw, nadien bij de EEG. Hij is gehuwd met Christiane Van Dyck. Ze hebben vijf dochters. Hij woont in Mortsel[95].

Stefaan Walleyn

Stefaan Walleyn werd in Brugge geboren op 23 oktober 1923, in de drukkersfamilie Walleyn aan de Langerei. In september 1944 trad hij in bij de Witte Paters en werd in 1951 tot priester gewijd. Na een jaar kandidatuur pedagogie aan de KU Leuven, vertrok hij in 1952 naar Burundi. Eerst bestuurde hij de scholen in Rutova, daarna in Bujumbura, weer in Rutova, daarna in Bukeye en Muramvya. Bij de eerste zware confrontaties tussen Hutu’s en Tutsi’s trad hij met grote moed op om beide groepen te verzoenen. Begin 1973 kwam hij volledig uitgeput naar België terug. Hij bleek ongeneeslijk ziek en overleed op 24 maart 1973, nog geen vijftig[96].

Paul Leys

Paul Leys werd in Brugge geboren op 23 mei 1924, in het zeer talrijk gezin van het echtpaar Jozef Leys. Zijn vader was de directeur van de Brugse Groendienst en het gezin woonde in het kasteeltje Buiten de  Smedenvest. Op het domein bevond zich een oude ijskelder. Het is daar dat de “ede” van retorica 1944 vaak vergaderde. In mei 1944 onttrok hij zich aan de verplichte arbeidsdienst en bracht enkele dagen in de gevangenis door. Hij had toen net zijn aanvraag ingediend om te mogen intreden bij de Witte Paters. Hij volgde hierin het voorbeeld van zijn oom, Mgr Edward Leys en vooral van zijn voorganger en inspiratiebron, de charismatische leider Jozef Verleye. Na het gewone voorbereidend curriculum werd hij op 24 maart 1951 tot priester gewijd. Hij vertrok onmiddellijk naar de Missies van de Witte Paters aan het Albertmeer, waar hij in Essebi en in Laybo verschillende functies vervulde. Vanaf 1959 was hij onderpastoor in Aba, waar hij talrijke activiteiten ontwikkelde. Op 27 november 1964 werd hij, tijdens de bloedige onlusten in het Noordoosten van Kongo, samen met verschillende medebroeders, waaronder twee oud-studenten van het Sint-Lodewijkscollege (Paul D’Hoore, Retorica 1923 en Louis Smissaert, Retorica 1934), brutaal vermoord[97].

Robert Vermeersch

Robert Vermeersch is in Brugge geboren op 18 juli 1926. Hij werd licentiaat klassieke filologie (RUG) en leraar in Menen en in Kortrijk. In 1952 gehuwd met Rina Declerck. Ze hebben vijf kinderen.  Hij woont in Kortrijk[98].

Marc Verstraete

Mark Verstraete is in Brugge geboren op 1 april 1925. Zijn vader was een bekend gynaecoloog in Brugge, zijn broer Luc werd jezuïet en zijn broer Jozef priester van het bisdom Brugge. Zijn zuster huwde met dokter Albert Dehaene en is de moeder van premier Jean-Luc Dehaene. In 1951 promoveerde Marc Verstraete in Leuven tot doctor in de genees- heel- en verloskunde. Zijn richting werd het onderzoek en na voortgezette studies in Basel, Oxford en New York, stichtte hij in 1957 in Leuven een laboratorium voor hematologisch onderzoek toegespitst op hemostase, bloedstolling en thrombolyse. Dit groeide uit tot het Centrum voor Moleculaire en Vasculaire Biologie (in 1998: 150 medewerkers). In 1957 werd hij lector aan de KU Leuven en in 1968 gewoon hoogleraar. Vanaf 1957 was hij opeenvolgend kliniekhoofd en diensthoofd voor de afdeling Bloedings- en Vaatziekten aan het Universitair ziekenhuis. Naast een 300-tal wetenschappelijke publicaties, heeft hij acht boeken gewijd aan zijn specialiteit, vertaald in meerdere talen. Hij is doctor honoris causa van de universiteiten van Edinburg, Cordoba, Bologna, Bordeaux en Londen. Hij is tevens lid van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België. In de loop van zijn carrière werd hij met talrijke prijzen en onderscheidingen bekroond, met als meest prestigieuze de vijfjaarlijkse staatsprijs voor biomedisch onderzoek en in 1989 de Franqui-leerstoel. In 1995 werd hij in de adelstand verheven met de titel van baron. Zijn wapenspreuk luidt: “Finis, in fine”. Hij is gehuwd met Bernadette Moyersoen en ze hebben vijf kinderen[99]. Hij woont In Leuven.

Ghislain De Jaeger

Ghislain De Jaeger is in Beernem geboren op 3 april 1925. Zijn vader was de bekende oogarts en kunstliefhebber Antoine De Jaeger, woonachtig aan de Torenbrug. Het huis beschikte over grote kelders en het was dan ook onvermijdelijk dat de ede van Retorica 44 vaak bij De Jaeger te gast was. In september 1944 trad hij in bij de Witte Paters en in 1951 werd hij tot priester gewijd. Hij bleef in België  verder studeren en behaalde aan de KU Leuven het licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen. In 1955 vertrok hij naar Belgisch Kongo waar hij een loopbaan in het onderwijs doorliep, in het klein seminarie van Lusaka, in Bukavu, in Keringa, in Lubuye. Vanaf 1976 was hij pastoor in Kongolo-Sola. Hij verblijft nog steeds in Goma.[100]

Karel De Smedt

Karel De Smedt werd in Heist geboren in 1924. Priester in het bisdom Brugge gewijd in 1950. In 1955: onderpastoor Opex Oostende. In 1963 werd hij pastoor in Elisabethstad, Kongo en in 1976 werd hij pastoor in Oostende. Hij overleed in 1987[101].

Victor Margot

Victor Margot is in Brugge geboren op 16 maart 1924. Na de lagere humaniora bij de Xaverianen stapte hij over naar het Sint-Lodewijkscollege, waar hij toe besloot omdat hij toen al missionaris wilde worden en de oude humaniora met de kennis van Latijn een voorwaarde was. Hij moest vanaf de zesde Latijnse herbeginnen maar stapte meteen van de Derde naar de Retorica. Zodoende was hij een beetje een “buitenbeentje”. Van studeren kwam er volgens hem in dat laatste jaar niet zo veel in huis: “onderbrekingen door luchtalarm, iedere dag een paar uur naar de Gestapo voor ondervraging, lid van de dienst van de geteisterde na de bombardementen op Sint-Michiels, druk bezig met een groep volksjongens en een tijdlang ondergedoken”. Met de eerste auto die na de bevrijding uit Brugge wegreed, trok hij naar Brussel en meldde zich op het noviciaat van de paters van Scheut. Hij studeerde onder meer Chinees, Oosterse cultuur en godsdiensten, en ook Russisch (in voorbereiding op de studie van het Mongools, omdat de goede boeken om Mongools te leren in het Russisch waren!). Hij werd in 1950 tot priester gewijd maar de installatie van het communistisch regime dwarsboomde zijn Chinese droom. Na een jaar in Canada te hebben verbleven voor het bestuderen van coِperatieve organisaties, trok hij naar Japan en werd directeur van het klein seminarie in Osaka. Na enkele jaren werd hij pastoor van een parochie bij Osaka. In 1973 begon een nieuwe fase in zijn leven, door een benoeming in Brazilië waar hij de pastoraal voor de uitgeweken Japanners op zich nam en voor de volgende zestien jaar pastoor werd van de parochie Armoreira. Nadien wijdde hij zich volledig aan het door hem opgericht opvanghuis voor verlaten kinderen. In 1998 is hij naar Japan teruggekeerd voor de zielzorg bij de Braziliaanse Japanners die als gastarbeider naar Japan teruggekeerd zijn[102].

DE ILLUSTRATIES

1) Foto NR 1

Gilde Noodvier 1940-41:

slotvergadering van het werkjaar

van links naar rechts:

Etienne Keereman, Jozef Verleye, Sam Annys, Gaby Gyselen, Jozef Delafontaine, Roland Pierloot, Fernand Bonneure, Joris Stalpaert.

2) Foto NR 2

Gilde Noodvier 1940-41

de keurmannen uit de Poësis: Fernand Bonneure en Roland Pierloot

3) Foto NR 3

Gilde Noodvier 1940-41:

de keurmannen uit de Derde Latijnse: Joris Stalpaert, Etienne Keereman en Jozef Verleye, alle drie met grote sigaar.

4) Foto NR 4

Gilde Noodvier 1940-41

in heftige discussie

van links naar rechts: Etienne Keereman, Jozef Verleye (onzichtbaar), Sam Annys, Gaby Gyselen (half zichtbaar), Roland Pierloot, Fernand Bonneure, Joris Stalpaert.

5) Foto NR 5

De “burcht” van Retorica 1942 op uitstap: van links naar rechts: André Vincke, Fernand Dupon, Fernand Bonneure, Jan Gistelinck, Julien Verhegghe, Roland Pierloot, Robert Strubbe.

6) Foto NR 6

Gilde Noodvier 1942-43

slotvergadering van het werkjaar

ten huize Van Roose, Kemelstraat

Zittend, van links naar rechts: Cyriel Vermeulen, Joris Stalpaert, Jozef Verleye, Etienne Keereman, Walter Pillen.

Staand: Walter Van Roose, Etienne Van Biervliet, Jozef De Poorter, Daniel Vlaemynck, Arthur Colaert, Fernand Deloof.

Rechts boven de pomp: het hoofdje van Hilda Van Roose, later onderwijzeres en bekend toneelspeelster.

7) Foto NR 7

Gilde Noodvier 1943-44

slotvergadering van het werkjaar

ten huize Van Roose, Kemelstraat

de keurmannen uit de Retorica: v.l.n.r. Walter Van Roose, Daniel Vlaemynck, Etienne Van Biervliet, André De Bels.

8) Foto NR 8

Gilde Noodvier 1943-44

de keurmannen uit de Poësis: v.l.n.r. Fernand Deloof, Arthur Colaert, Jozef De Poorter

9) Foto NR 9

Gilde Noodvier 1943-44

de keurmannen uit de Derde Latijnse: v.l.n.r. Jan Pickery, Christian Pillen, Paul Warmoes.

10) Illustratie NR 10

Openingsblad van het verslagboek.


[1] De Gilde “Noodvier”. Een geheim genootschap in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge, in: Biekorf, 1986, blz. 252-279.

[2] Dit boek is op een wat ongewone wijze bij mij terechtgekomen. Het behoort ondertussen tot het archief van het Sint-Lodewijkscollege, gedeponeerd in het Stadsarchief van Brugge. Het  was niet helemaal onbekend. Het lag in 1985 op een tentoonstelling die aan de collegegeschiedenis was gewijd en er werd een korte bijdrage over geschreven: Jo BERTEN, De Zwijgende Eede, in: Haec Olim Collage, juni 1985, blz. 72-74.

[3] Hoeveelheid teksten over de verschillende jaren: 1940-41(juni/juli 1941): 12 blz. (verslaggever: Roland Pierloot) - 1941-42: 53 blz. (verslaggever: Jos Verleye) - 1942-43: 81 blz. (verslaggever: Etienne Keereman) -  1943-44: 53 blz. (verslaggever: Fernand De Loof) - 1944-45: 31 blz. (verslaggevers: Chris Pillen en Valeer De Deyne) - 1945-46: 19 blz.  (verslaggevers: Chris Pillen en Gerard De Soete)- 1946-47: 22 blz. (verslaggever: Gerard De Soete en Piet Carreer) - 1947-48 (tot december 1947): 23 blz. (verslaggever: Jozef Depuydt).

[4] Ik heb geaarzeld over het voetnotenapparaat bij dit artikel en heb geopteerd om het te beperken. Het gaat hier om een synthese van letterlijk duizenden informatieve gegevens, die een heel uitgebreide verwijzing zouden vereisen, wat me niet verantwoord leek. Wie het allemaal heel precies wil controleren kan het verslagboek zelf gaan nakijken en ook gebruik maken van de er bij gevoegde overzichten waarin ik per jaar en onderverdeeld in rubrieken (per thema of per klas) de informaties heb genoteerd en geresumeerd, met opgave van de datum waarop ze in het verslagboek te vinden zijn. De voetnota’s hierna verwijzen naar andere bronnen en literatuur dan het hier ontlede verslagboek.

[5] R. VAN LANDSCHOOT, Edward Van Robays, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz. 2618.

[6] S. MAES, Cyriel Delaere, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w.  blz. 889.

[7]  zie voetnota 1.

[8]  Idem.

[9] Joz. DE WOLF, St.-Lodewijksleerhuis voor 1896, in: Haec Olim 1955-56, blz. 16-23.

[10] F. DE WITTE, De Brugse studentenkring, in: Haec Olim 1963-64, blz. 16-21.

[11] W. MUYLAERT, Karel De Wolf en zijn Brugsch Volk, Brugge, 1983.

[12]  zie voetnota 10.

[13] S. MAES, Alfons De Groeve, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging,

a.w. , blz. 1359.

[14]  zie voetnota 1.

[15] J. GELDHOF, Michiel English in het Sint-Lodewijkscollege, in: Haec Olim 1961-62, blz. 14-26.

[16]  F. DE WITTE, a.w. blz. 21.

[17] Fons BEKKERS, Herinneringen uit mijn collegejaren 1902-1908, in: Haec Olim, 1955-56, blz. 24-32; Fons BEKKERS, In de studentenkring, in: Haec Olim 1956-57, blz. 30-34; F. BEKKERS, In den Rolleweg, in: Haec Olim 1957-58, blz. 41-44.

[18] M. GEEREBAERT, De Gilde “Noodvier” te Brugge, in: Biekorf, 1954, blz 8

[19] P. GHYSSAERT, Een godsdompelaar, (Tielt, 1969), blz. 21.

[20] H. BOSSIER, Herinneringen uit mijn collegejaren, in: Haec Olim, 1968, blz. 36-40.

G. DURNEZ, Herman Bossier, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w. blz. 568.

[21] L. VOS, Bloei en ondergang van het A.K.V.S. 1914-1935, Leuven 1982, blz. 55.

[22] J. BERTEN en F. GRILLET, Op bezoek bij pastoor emeritus E.H. Houttekier, oud-lid van de “Zwijgende Eede” en van ‘t Noodvier, in: Haec Olim Collage, december 1985, blz. 11-14.

[23] J. GELDHOF, 150 jaar Sint-Lodewijkscollege te Brugge, (Brugge, 1986), blz. 335-345 . Pater Ketele heeft de herinnering boven gehaald aan zijn lidmaatschap van een geheime klasbond. Hij was evenwel intern, en de bijeenkomsten gebeurden onder internen, zodat het onwaarschijnlijk is dat hij lid was van Gilde Noodvier, misschien eerder van een parallelle en minder gestructureerde activiteit binnen het internaat.

[24] Namen die voorkomen in het hier behandelde verslagboek.

[25] Zie o.m. R. REUSE, Studentenjaren gingen voorbij, in: Haec Olim 1993, blz. 30-32; zie ook voetnota 18.

[26] A. DE CLERCK, Jong Volksche Front, in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1975, blz. 725; L. VOS, Jong Volksche Front, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse beweging, a.w. blz. 1583. Ten onrechte schrijft L. Vos dat het JVF bleef bestaan tot op het eind van de oorlog: het werd in juli 1943 opgeheven.

[27] In het hier behandelde verslagboek werd in 1944, naar aanleiding van een inventaris van het aanwezige archief, gemeld dat men uitgaven van het tijdschriftje “Tijl” had gevonden vanaf 1922 en verslagboeken vanaf 1934. Zou dit er kunnen op wijzen dat verslagboeken van vََr 1934 in handen bleven van AKVS-aanhangers en dat dit dus een aanwijzing van een onvriendelijk uit mekaar gaan zou kunnen zijn? Anderzijds waren in het archief van Noodvier in 1944 en nadien de talrijke verslagboeken van de studentengilde, o.m. uit de 19de eeuw aanwezig.

[28] Jozef Dantschotter, in Brugge geboren op 29 juli 1918 overleed er op 13 februari 1951. Hij was stadsontvanger in Diksmuide. Andere keurmannen in die Retorica: Jan Mullie (hoofdman studentenbond), Raymond De Corte (hoofdman KSA-bond), Jozef Nicaise.

[29] Joris Joye trad binnen bij de Norbertijnen in Tongerloo en bracht zijn leven door in Norbertijnenpriorijen in Ierland en Engeland, voornamelijk in Storrington waar hij van 1971 tot 1986 prior was. Geboren in Zeebrugge op 30 april 1919, overleed hij in Brighton op 6 mei 1998. Lid in deze zelfde Retorica: Raymond Baert.

[30] Jozef Bonneure, geboren in Brugge 19 mei 1920, priester van het bisdom Brugge, in 1998 aalmoezenier van het Instituut St.-Idesbald in Roeselare. Lid in deze zelfde Retorica: Maurice (“Misten”) Frère (1920-1981).

[31]  Jozef Leys, geboren in Brugge 22 april 1922, priester van het bisdom Brugge, van 1975 tot 1995 pastoor in Blankenberge,  in 1998 pastoor emeritus in Brugge. Leden in deze zelfde Retorica: Robrecht Boudens en Frans Bovée.

[32] Was dit een recente evolutie? In de Retorica 1937 en 1938 waren de KSA-bondsleiders (resp. Raymond  De Corte en Raymond Baert), keurman in Noodvier. De dictators waren toen evenwel Jozef Dantschotter en Joris Joye. In 1937 was Jan Mullie hoofdman van de studentenbond en in 1938 Joris Joye. Mullie werd geen dictator van Noodvier, Joye wel.

[33] Pas vanaf het einde van de jaren veertig lijkt men het af en toe over “Swigende ede” gehad te hebben. Ten onrechte zoals hier blijkt. De tekst in het verslagboek luidt: “De dictator stelde voor de benaming “den Eede”; niet meer “den Swigenden Eede” zoals vroeger, want dat zou misschien  moeilijkheden kunnen te weeg brengen met de vroegere leden van het AKVS”. “Zoals vroeger” lijkt evenmin juist: de Gilde Noodvier werd nooit verward met de negentiende-eeuwse “Swigende Eede” van Hugo Verriest.

[34] Semjon Timosjenko was een Sovjetmaarschalk die rond die tijd in de belangstelling stond als belangrijk acteur in de oorlog tussen nazi’s en sovjets en meer bepaald in de slag om Stalingrad. Volgens Georges Stalpaert hadden de Brugse collegestudenten ook al zijn naam als bijnaam gegeven aan de kleurrijke dokter Timon Bockaert, die langs de Moerkerkse steenweg een privé-kliniekje had opgericht.

[35] Volgens een inlichting die in 1944 in het verslagboek werd genoteerd na inzage van vroegere verslagen, had men het in de jaren dertig over “De Wekker”. Volgens Jozef Bonneure zou men het op het einde van de jaren dertig gehad hebben over “DW”, wat inderdaad overeenstemt met “De Wekker”, maar wat volgens zijn herinnering iets te maken had met het bekend merk van dameskorsetten.

[36] Zo heeft hij het in de vergadering van 26 april 1944 over “affèrtje”, die blijkt Arthur Colaert te zijn, op wiens naam hij niet kon komen.

[37] Was het wel een nieuwigheid, zoals het bij de lezing in het verslagboek voorkomt? Jozef Bonneure herinnert zich zoiets al van in de jaren dertig (zijn brief van 26 oktober 1998)

[38] Michel Coppieters ‘t Wallant, geboren in Brugge 30 juli 1922 was iets ouder dan de meeste andere klasgenoten. Hij was de zoon van arrondissementscommissaris Jean-Baptiste Coppieters ‘t Wallant en werd licentiaat in het notariaat. Hij doorliep voornamelijk een loopbaan in de immobiliënsector. Hij woont in Lasne.

[39] Baron Jean Powis de Tenbossche, oorlogsvrijwilliger, luitenant-kolonel, trok naar Kongo en werd één van de belangrijke raadgevers van president Mobutu. Geboren in Oostkamp op 14 januari 1924, overleed hij in Brussel op 5 januari 1999. Hij bleef ongehuwd. Hij was o.m. Ridder van Eer en Devotie van de Soevereine Orde van Malta.

[40] Volgens A. De Bels hadden ze hun eigen codewoord om aan mekaar mee te delen dat er een bijeenkomst zou plaats vinden, ze noemden die “kabba” (brief 8/02/99)

[41] Maurits Bommerez (Roeselare 1906-1989), leraar in de Derde Latijnse van 1932 tot 1937. Daarna onderpastoor in Oostkamp en in Ieper en godsdienstleraar.

[42]  Pierre Traen (Brugge 1909-1996), van 1933 tot 1939 surveillant van de externen. Daarna onderpastoor in Oostende, legeraalmoezenier in Lombardsijde en provinciaal legeraalmoezenier tot in 1975. Emeritus in Brugge.

[43] Laurent Van Iseghem (Rumbeke 1910- Pittem 1991).  Leraar wiskunde en fysica vanaf 1936, werd in 1947 principaal, wat hij bleef tot in 1957. Nadien pastoor in Pittem.  J. de MغELENAERE, Bij het afscheid van Z.E.H. L. Van Iseghem, in: Haec Olim 1956-57, blz. 5-13.

[44] Gaston VAN EVERBROECK, De eerste jaren van de Sint-Lodewijkstroep 1923-1933, in: Haec Olim 1996, blz. 12-17; over de voorganger van de St.-Lodewijkstroep: Michaël CATRY, De Franstalige studentenkring Estudiantine, in: Haec Olim 1991, blz. 20-28.

[45] In 1944 vroeg men zich af of de principaal Jozef Dochy (Retorica 1917) soms lid was geweest van de Gilde Noodvier. Opzoekingen in “oude papieren” leerden dat hij in de lagere humaniora wel lid was geweest van de klasburcht, maar geen lid was geworden van Noodvier.

[46] K.S.A. De Graal: Pro Domo, in: Haec Olim, 1955-56, blz. 53-54.

[47] Louis en Lieve VOS-GEVERS, Dat volk moet herleven, het studententijdschrift de Vlaamsche Vlagge 1875-1933, Leuven 1976, blz. 269.

[48] J. De MغELENAERE, Principaal Seraphin Naert, in: Haec Olim 1957-58, blz. 89-108.

[49] M. DE MOOR, Ignace De Sutter, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w., blz. 2925.

[50] Er waren zeven duidelijk VNV-gezinden in de Retorica 1942 op vijf en vijftig leerlingen, volgens de concorderende meningen van verschillenden uit die klas die ik hierover heb aangesproken. In de volgende jaren een gelijklopend getal.

[51] Nationaal-socialistische Jeugd Vlaanderen.

[52] Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps.

[53] Een ander verhaal: de leerlingen wandelden graag over de koer, in rijen van vier na mekaar. Op een dag werd een grote ruimte gelaten voor en achter een rijtje dat bestond uit de zonen van vier bekende collaborateurs. Dit veroorzaakte een rel. De principaal kwam in de studie een toespraak houden en waarschuwde met klem voor de nare gevolgen die dergelijke houding voor het college kon hebben. (Meegedeeld door E.H. Jozef Bossu).

[54] L. VANDEWEYER, Hendrik Cayman, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w., blz. 703.

[55] Zie mijn Vrije tribune De katholieke jeugd en het Oostfront, in: De Standaard, 29 september 1989, gevolg op de onaanvaardbare beschuldigingen door TV-journalist Maurits De Wilde geuit in zijn reeks uitzendingen over de collaboratie.

[56] J. Stalpaert herinnert zich  het voorval nog goed: “Eén van de laatste eden vond plaats op de tweede verdieping Hoefijzerlaan. We waren ernstig aan het discussiëren toen we gekraak en lawaai op de trappen hoorden, alsook stemmen in het Duits. Er werd op de deur geklopt, ik deed open en daar stonden twee Duitse officieren, één in het groen en één in het blauw. Het waren de aalmoezenier van de grondtroepen en van de marine. De officier in het groen, Johannes Heisterkamp, kwam al een tijdje in het kapsalon en ik had met hem kennis gemaakt in het blauw uniform van de KSA. Hij was zelf in de katholieke actie geweest in het Rijnland, ook als proost. De andere skalden waren erg verrast en ook verschrikt en dachten dat hun laatste uur geslagen was. Ik stelde hen gerust. Er werd erg druk gesproken over de KSA en zijn Duitse tegenvoet. Na enkele tijd vroeg Johannes “waar is de vlag?” Ik haalde ze boven, Johannes nam ze aan, spreidde ze op de grond, ging op zijn knieën zitten en er op kloppend riep hij: “Dass muss zurückkommen in Deutschland”. Ze vertelden dat ze ’s anderendaags moesten vertrekken en afscheid kwamen nemen. We hebben ze nooit meer terug gezien noch bericht gekregen. Wellicht gesneuveld op het Oostfront.” (Brief van 23/12/1998).

[57] Over het collegeleven na de verplichte verhuis en ook over de activiteiten van “pit en stake”: J. de MغELENAERE, Inmittels gingen grimme normen, in: Haec Olim, 1952-53, blz. 13-27; J. de MغELENAERE, Het leeft entwaar entwat dervan, dat visschende ik nog vangen kan, wellicht, in: Haec Olim,1953-54, blz. 23-46.

[58] Fernand Bonneure behield aan dit incident een levendige herinnering. “Tijdens de oorlog was ik actief in de KSA. Wij wisten toen weinig af van Verzet, maar we waren in elk geval tégen de Duitsers en tégen allen die met de Duitsers collaboreerden. Zo onder meer tegen de (toch wel lachwekkende) Vlaamse Wacht, die toen te Brugge gekazerneerd was in het atheneum aan de Walburgakerk. Meer dan eens hingen we uit de ramen van het huis in de Boomgaardstraat toen deze jongens in blauwgeverfde kakiuniformen van het Belgisch leger naar hun kazerne marcheerden. Wij waren zelfs zo driest af en toe met hen te lachen, tot op zekere dag de maat vol bleek en wij aldaar met een hele bende aldaar opgepakt werden door deze zoetwatersoldaten. Seppen Verleye en ik werden als leiders ondervraagd in het kantoortje van de kazerne door een officier van de Vlaamse Wacht, die ons allerhande dwaze dingen wou laten bekennen. De man was woedend, want hij was aan het eten. Hij zat voor ons achter zijn bureau, etend van een grote cervela en omdat daar op die tafel, naast koffie en brood ook nog een grote kom kristalsuiker stond, verwachtte ik dat hij zijn cervela eens in die suiker zou dopen, verward in zijn opwinding. Zo’n kleine details heb ik onthouden, belangrijkere niet meer. De man was een Depoortere van Izegem, hebben we later vernomen, toen we waren losgelaten. Ik heb nooit geweten waarom of door wie. Hadden ze ons aan de Duitsers overgeleverd dan zou er god weet wat nog gebeurd zijn. Wie had er voor ons ten beste gesproken? Ik weet het niet. Wij dachten toen: Seppen Verstraete, want als ik me niet vergis waren zijn jongere broers Luc en Marc ook onder de gearresteerden. (Brief van 27/04/1986).

[59]  J. de MغELENAERE, De luchtaanval van 1944, in: Haec Olim 1955-56, blz. 40-43.

[60]  J. de MغELENAERE, Terug uit de diaspora (1944-1947), in: Haec Olim 1958-59, blz. 31-50.

[61]  Alleen de primus van de Retorica A en dictator van Noodvier, Etienne Van Biervliet, ontbrak: hij kwam te laat!

[62] Vader Van Roose, was er zoals veel anderen in geslaagd het verplicht indienen van alle radiotoestellen te omzeilen.

[63] Pierre d’YDEWALLE, Mijn oorlogsjaren, Lannoo 1997, blz. 144-153.

[64] Jozef Nicaise, werd gewoon hoogleraar aan de KU Leuven.

[65] P. DUPORTAIL, Vlaamsche Vlagge, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w.,  blz. 3431.

[66] R. VAN LANDSCHOOT, Michiel Vandekerckhove, leven en werk, Rekkem 1980, blz. 111-132.

[67] Jozef D’Hoore (St.-Michiels 1920 – Oostkamp 1993) werd later burgemeester van Oostkamp.

[68] Sylvaan Vyncke (Oedelem 1911 – Torhout 1949), was leraar in Torhout en vanaf 1937 hulpgouwproost van de KSA voor de Hernieuwers.

[69] Jan Felix (Oostende 1919- 1992) werd advocaat en schepen van Oostende.

[70] Jan Daelemans (1921-1944), Retorica 1939,  werd op 2 september 1944 in Orchimont door de Duitsers terechtgesteld wegens Verzetsdaden. Hij had een reputatie van studentenleider. De CVP-jongeren van Brugge noemden zich tot ongeveer 1950, de “Jan Daelemanskring”.

P. DUPORTAIL, Dalemans Jan, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w., blz. 836.

[71] Carlos Gits (°1922) werd advocaat in Kortrijk.

N. WOUTERS, Carlos Gits, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, a.w., blz 1324.

[72] Eerst deelde men zijn toekomstplannen mee aan de intieme vrienden; in de loop van het derde trimester werd men één voor één bij de principaal geroepen om mee te delen wat men na de Retorica van plan was (aangezien vooral naar geestelijke roepingen gehengeld werd, noemde men deze bezoekronde “de visput”); rond Sinksen werd dan tegenover alle klasmakkers “de revelatie” gedaan.

[73] Bibliografie: Woorden in de Wind, Brugge, 1989, met uitgebreide bibliografie tot einde 1988.

Fernand BONNEURE, Kijkers op koppen, Brugge, 1964, blz. 54

Lexicon van Westvlaamse schrijvers, Deel I, Torhout 1984, blz. 54.

[74] Inlichtingen gecontroleerd door S. Annys.

[75] Inlichtingen gecontroleerd door P. Lommez.

Bibliografie: J. GELDHOF, 150 jaar Sint-Lodewijkscollege te Brugge, Brugge, 1986, blz. 81.

[76] Inlichtingen gecontroleerd door R. Pierloot.

Bibliografie: Wie is Wie in Vlaanderen 1989-1993, Brussel 1989, blz. 879.

Jozef GELDHOF, Pelgrims, dulle lieden en vondelingen te Brugge 1275-1975, Brugge, 1975.

Pierloot: de weg naar vernieuwing, in: Tijdschrift voor Psychoanalyse, 1998.

[77] Inlichtingen gecontroleerd door F. Bonneure.

Bibliografie: Wie is Wie in Vlaanderen 1989-1993, Brussel, 1989, blz. 109.

Lexicon van Westvlaamse schrijvers, Deel I, blz. 24.

R. RAMON, Fernand Bonneure, VWS cahiers nar. 101 (1984).

[78] Inlichtingen gecontroleerd door A. Vincke.

[79] Inlichtingen gecontroleerd door F. Dupon.

[80] Inlichtingen gegeven door de Witte Paters van Afrika.

[81] Inlichtingen gegeven door de directeur van het Kon. Atheneum in Kapellen.

Bibliografie: A. LOOMAN, Adresboek Oud-studenten geschiedenis Universiteit Gent, Gent 1997.

[82] Bibl. Petit Echo, 1962, blz. 539-542 (tijdschrift van de Witte Paters van Afrika).

[83] Inlichtingen gecontroleerd door G. Stalpaert.

Bibliografie: Wie is wie in Vlaanderen 1989-1993,Brussel 1989, blz. 1008.

Jan DE MEY en Marc VAN HOONACKER (ed.) Moeder Brugse 1885-1985, z.d., z.u.

G. BUYSE, P. DERUWE en J. VAN ISEGHEM, Luisteren naar prof. dr. G. Stalpaert, oud-leerling van ons college, in: Haec Olim Collage, juni 1987, blz. 17-20.

[84] Inlichtingen gecontroleerd door E. Keereman.

[85] Bibliografie: Haec Olim, 1994, blz. 20 (gedicht en foto).

Inlichtingen gecontroleerd door W. Pillen.

[86] Gegevens kalender Bisdom Brugge 1999.

[87] Inlichtingen gegeven door Arnold Coudenys.

[88] Gegevens archief Bisdom Brugge.

[89] Inlichtingen gecontroleerd door P. Lommez.

[90] Inlichtingen gecontroleerd door R. Mistiaen.

[91] Inlichtingen gegeven door mevrouw M. Lommée-Leys.

[92] Inlichtingen gegeven door mevrouw Thérèse Dewitte-Van Biervliet.

[93] Inlichtingen gecontroleerd door W. Van Roose.

[94] Inlichtingen gecontroleerd door A. De Bels.

[95] Inlichtingen gecontroleerd door P. Lommez.

[96] Bibl. Petit Echo, 1973, blz. 551-554 (tijdschrift van de Witte Paters van Afrika).

Jos. VANDE WALLE, Homelie gehouden bij de uitvaart van pater Stefaan Walleyn, in: Haec Olim, 1973, blz. 11-13

[97] Bibliografie: Petit Echo, 1965, blz. 67-69 (tijdschrift van de Witte Paters van Afrika).

Oud-leerlingen gevallen in Congo, in: Haec Olim 1964-65, blz. 23-33.

[98]  Inlichtingen gecontroleerd door R. Vermeersch.

[99] Inlichtingen gecontroleerd door M. Verstraete.

[100] Inlichtingen gegeven door de Witte Paters van Afrika.

[101] Gegevens Archief Bisdom Brugge.

www.andriesvandenabeele.net