De eerste jaren van de drukkerij Herreboudt

I

Van Bogaert naar Herreboudt

Op 5 december 1845 stond het op de frontpagina van De Gazette van Brugge te lezen: de krant en de drukkerij waren van eigenaar veranderd. Louis Bernard Herreboudt had de opvolging van de familie Bogaert genomen.

De ultieme periode Bogaert: juli 1844 – november 1845

We hoeven hier niet terug te komen op wat we al schreven: de langdurige ziekte van Jan Frans Bogaert, zijn overlijden op 13 augustus 1844 en de opvolging door de zeventienjarige zoon Jules Bogaert[1]. Een ontijdige dood, een onvolwassen opvolger: geen wonder dat de zaak weldra in nieuwe handen overging. Voor de periode vanaf juli 1844 tot augustus 1845 stelde zich daarbij nog een bijkomend probleem: de redactionele inhoud van het blad nam plots een radicale toon aan, die de traditionele lezer moest doen schrikken en de leidende kringen in de stad moest verontrusten.

Nog in de eerste helft van 1844 had de krant een rustige, niet controversiële toon en wond ze zich weinig op over politieke of maatschappelijke aangelegenheden. Dit was duidelijk de stijl van Jan Frans Bogaert die, in het voetspoor van zijn vader, een onpartijdige houding verkoos. Het is natuurlijk mogelijk dat de teksten niet allemaal van zijn hand waren en hij hiervoor een al dan niet bezoldigde redacteur in dienst had, maar de eindbeslissing over toon en inhoud van de krant lagen ongetwijfeld bij hem. Het enige onderwerp waarvoor Bogaert zich met ijver en soms met hardnekkigheid inzette, was de verdediging van de Vlaamse taal en ook hierin volgde hij de standvastige lijn van zijn vader. Hij was hierbij de verdediger van de nieuwe spelling, wat toen een hoogst controversieel en politiek geladen thema was[2]. Over de activiteiten van de Vlaamse culturele verenigingen in Brugge, Yver en Broedermin, Kunstliefde en zijn eigen Kamer van Rhetorica van het H.-Kruis, werd op bevoorrechte wijze in zijn krant gerapporteerd[3].

Als datum voor de wijziging in stijl en inhoud kunnen we 24 juli 1844 vooropstellen. In het nummer van die datum verscheen een soort hoofdartikel dat alles weg had van een programmaverklaring die een koerswijziging aankondigde. De eerste zin gaf al de toon aan: De welvaert onzer stad behertigen is de eerste plicht van een dagblad, omdat het dikwijls de eenigste stem is die zich verheffen durft. Dezen plicht ligt ons opperst, en wij hebben voorgenomen dezen te vervullen overal waer er zich de gelegenheid voor aanbiedt.

De datum brengt ons drie weken voor het overlijden van Jan Frans Bogaert. Hetzij dat de voor hem werkende redacteur plots de kans zag om zijn eigen ideeën op het voorplan te stellen, hetzij dat men in de noodzaak was een redacteur aan te trekken die als nieuweling de pen in de Kuipersstraat kwam hanteren, het is duidelijk dat van toen af Jan Frans Bogaert de inhoud van het blad niet meer controleerde.

Was de hierboven gemelde programmaverklaring nog in matige termen opgesteld, dan werd dit al vlug anders na de dood van de eigenaar, toen de krant in theorie geleid werd door zijn zeventienjarige zoon. De aanvallen op de regering Nothomb en meer bepaald op minister Edouard Mercier en op de conservatieve parlementsleden die de belangen van de grootgrondbezitters en de landbouw verdedigden, waren voortaan bijna dagelijkse kost[4]. Ook in de nieuwe regering van Sylvain Van de Weyer (1802-1874), die op 30 juli 1845 aantrad,  zag de krant weinig goeds[5].

Wat ook opviel was dat de krant voortaan heel wat persoonlijke aanvallen inhield. Aanvallen op de omkoopbaarheid van de volksvertegenwoordigers[6], op de Fransdolheid van de West-Vlaamse provincieraadsleden[7] of op de blinde volksvertegenwoordiger Alexander Rodenbach (1786-1869) en de katholieke partij[8], konden nog tot de politieke polemiek gerekend worden. Het bleef hier echter niet bij. Het katholiek onderwijs, vooral dat van de Jezuïeten moest het ontgelden[9] en de directeur van het Sint-Juliaangesticht kanunnik Petrus Maes (1806-1877) werd scherp aangevallen[10]. Het feit dat een broer van minister d’Anethan een vetbetaalde overheidsfunctie kreeg, waarvoor hij geen enkele kwalificatie had, werd aan de kaak gesteld[11]. Nog beter: in geuren en kleuren werd verhaald hoe een officier zijn vrouw op overspel had betrapt met een lid van de Brugse aristocratie, alles met naam en toenaam en hoogst pikante details[12]. Dit alles was duidelijk het werk van een radicaal ingestelde redacteur, wiens proza de toon aankondigde die men vanaf 1846 in De Hoop van Brugge en vanaf 1848 in het Brugsche Vrije zou aantreffen.

De verantwoordelijke redacteur

Wie was die redacteur? Nergens vonden we vermelding van zijn naam. Het is zeer waarschijnlijk, om niet te zeggen zeker, dat hij behoorde tot de kring van de volksmaatschappijen De Nijverheid, Burgerwelzijn, Oud Brugge en Breydel en de Coninck die in de periode 1842-1845 actief waren. In deze context komen drie namen in aanmerking: priester Beeckman, Petrus Deny en Louis Herreboudt.

Priester (tegen die tijd ex-priester) Benoit Beeckman (Dendermonde 1789 – Schaarbeek 1865) was ongetwijfeld geen onbekende voor Jan Frans Bogaert, misschien zelfs een vriend. Ze ware immers beiden overtuigde Orangisten geweest en daar waar Bogaert zich als krantenuitgever en drukker wel noodgedwongen aan de nieuwe toestand had moeten aanpassen, was Beeckman een uitgesproken Orangist gebleven. Hij schreef immers nog in 1850 dat de geestelijkheid er vanaf 1815 vijftien jaar had voor gewerkt “eer hun plan lukte om den troon te doen instorten en den gelukkigen band van vereeniging der 17 provinciën te breken, breuk van welke België den bitteren nasmaek beproeft en beklaegt[13]. Hij was dus zeker een man naar het hart van Jan Frans Bogaert. Het is alvast zeker, op basis van teruggevonden documenten, dat Beeckman in de loop van 1844 betrokken was bij de redactie van een krant, zonder dat men tot hiertoe heeft kunnen uitmaken over welke krant het ging[14]. Romain Van Eenoo heeft de mogelijkheid geopperd dat hij aan de Journal de Bruges of aan de Impartial de Bruges meewerkte[15], maar het zou even goed mogelijk zijn dat hij de auteur was van de plotse radicale taal in de Gazette van Brugge.

De hierboven gemelde aanvallen, en dan vooral die op de jezuïeten en op kanunnik Petrus Maes, lagen helemaal in de lijn van wat Beeckman later in de Hoop van Brugge en in het Brugsche Vrije bijna dagelijks op bijzonder agressieve wijze zou formuleren tegen dezelfde doelwitten. Een ander element dat richting Beeckman wijst, zijn de artikels gewijd aan Breydel en de Coninck[16]. De Brugse volkshelden stonden volop in de belangstelling sedert de oprichting in april 1844 van een Maatschappij Breydel en De Coninck die een erg radicaal manifest had verspreid, dat door Beeckman was opgesteld[17].

Breydel en de Coninck brengen ons evenwel bij een tweede mogelijke redacteur, de Brugse lakenhandelaar en letterkundige Petrus Deny (Menen 1807 – Brugge 1858)[18]. Deny had een speciale reden om naar beide historische figuren te verwijzen. Hij had een toneelstuk in vier bedrijven geschreven en gepubliceerd dat aan hen was gewijd[19]. Hij moet zich als de speciale heraut van de illustere Bruggelingen hebben beschouwd. De Gazette opperde als eerste (althans volgens haar zeggen) de gedachte om een standbeeld voor beide volkshelden op te richten en opende een inschrijvingslijst voor het inzamelen van bijdragen[20]. Wellicht was de belangstelling eerder gering, want de krant kwam hierop niet meer terug. Een andere aanwijzing in de richting van Deny is het feit dat vanaf midden 1844 de informatie over de al vermelde culturele verenigingen en dan vooral over Kunstliefde nog aanzienlijker werd. Deny was sedert 1842 ondervoorzitter van Kunstliefde[21]. Een derde aanwijzing vinden we in de inhoud van het hoofdartikel van 24 juli 1844, dat hoofdzakelijk de teleurgang van Brugge als havenstad behandelde en als twee druppels water geleek op een later artikel van Deny in De Hoop van Brugge[22]. Een vierde element vinden we in een ongewone tekst die op de frontpagina van de Gazette verscheen en die luidde: “Om alle verdere aantygingen over onlangs verschenen maatschappelijke geschriften te voorkomen, verklaar ik uitdrukkelijk dat ik sedert zes maanden van alle opstellen door maatschappijen uitgegeven, volkomen vreemd ben gebleven (get.) P. Deny”[23]. Dit is een interessante tekst. Hij leert dat Deny alleszins vroeger aan geschriften van volksmaatschappijen had meegewerkt. Dit plaatst hem in het midden van de activisten die in 1842 Oud Brugge en Burgerwelzyn oprichtten. Had hij ook iets te maken met de oprichting van Breydel en de Coninck in maart of april 1844? Dit is zeker niet uit te sluiten, ook indien hij er zich zes maanden later van distantieerde.

Die verklaring kan zowel een bevestiging als een ontkrachting zijn van de hypothese dat P. Deny redacteur van de Gazette was geworden. Het kan als een bevestiging beschouwd worden, als men aanneemt dat hij de redactionele inhoud van de krant bepaalde en dus zonder moeite een mededeling die hem persoonlijk betrof op de frontpagina kon inlassen. Nochtans kan men zich afvragen of een dergelijke mededeling niet zou ondertekend zijn geworden met de mededeling “redacteur van de Gazette van Brugge”, indien hij dit inderdaad was. Zoals de verklaring gepubliceerd werd, kon ze evengoed afkomstig zijn van een buitenstaander.

Er blijft nog een derde mogelijke verantwoordelijke auteur voor de radicale toon die de Gazette aannam en dat is Louis Herreboudt, de man die einde 1845 de nieuwe eigenaar zou worden. Vooreerst is er een opmerkelijke vaststelling te doen: Pieter Deny en Louis Herreboudt waren schoonbroers[24]. Hieruit concluderen dat ze tot dezelfde activistische gedachtestroming behoorden, is in de negentiende-eeuwse sociale en familiale context niet vermetel. Louis Herreboudt had een vlotte pen, die hem bij herhaling lauweren bezorgde in de literaire prijskampen die werden ingericht door Yver en Broedermin[25]. Hij werd trouwens griffier van deze vereniging[26]. De toon die de Gazette van Brugge later in bepaalde controverses aansloeg, onder de verantwoordelijkheid van Louis Herreboudt, toont aan dat hij niet bang was voor hevige polemieken, zodat hij dus evengoed de auteur kon zijn van de radicale teksten die tussen juli 1844 en augustus 1845 in de Gazette verschenen. Aangezien hij op 5 december 1845 de officiële eigenaar en uitgever van de Gazette van Brugge werd, is het niet onmogelijk dat hij al vanaf juli 1844 of zelfs vroeger, de zieke Jan Frans Bogaert bijstond, aldus de mogelijkheden van drukkerij en boekhandel leerde kennen en besloot deze voor eigen rekening verder uit te baten. Het kan ook dat hij er pas bij kwam tijdens het anderhalf jaar dat zoon Jules Bogaert de eigenaar was.

Beeckman, Deny of Herreboudt? We blijven vooralsnog het antwoord schuldig. Het is wellicht niet uitgesloten dat twee van hen of zelfs alle drie, gelijktijdig of opeenvolgend op één of andere manier bij de redactie betrokken waren tijdens het interregnum dat zich over de periode juli augustus – november 1845 uitstrekte. Wie ook de verantwoordelijke was voor de radicalisering van de Gazette, feit is dat vanaf augustus 1845 de toon weer heel wat matiger werd en dit niettegenstaande plots een dramatische evolutie aan het licht was gekomen, die eigenlijk een nog grotere radicalisering had kunnen veroorzaken: de rampzalige aardappelziekte. De Gazette richtte zich evenwel tot een gematigd en burgerlijk lezerspubliek en de radicale toon leidde waarschijnlijk tot klachten en daling van de oplage. Toen Louis Herreboudt in december 1845 de nieuwe eigenaar werd, was de krant al tot zijn oorspronkelijke rustige toon teruggekeerd[27]. Misschien was hij het wel die vanaf augustus 1845 als redacteur optrad en voor de gematigder koers verantwoordelijk was.

Wie was Louis Herreboudt? Wat was zijn familiale achtergrond? Hoe kwam hij er toe drukker en krantenuitgever te worden? Welke ideologische en politieke strekkingen kleefde hij aan? Hierover is tot hiertoe weinig bekend en we gaan er hierna wat dieper op in.

Louis Bernard Herreboudt (1803-1874)

Louis Bernard  Herreboudt werd op 22 december 1803 in Brugge geboren als zoon van bakker Louis Ignace Herreboudt en van Cecile Bernardine Van Vyve. Zoals de Breydels en de Van Vyves uitgebreide beenhouwers- en slachtersfamilies waren, zoals de Canneels het visambacht bevolkten, zo waren de Herreboudts talrijk en belangrijk in het bakkersambacht[28]. Louis Ignace Herreboudt (°Brugge 9 oktober 1769) dreef, zoals zijn vader Jan Frans Herreboudt, gehuwd met Petronilla Coddron, handel in de Ezelstraat 97 (of E6-30). In 1799 gehuwd (30 prairial An VII) kreeg het echtpaar Herreboudt-Van Vyve drie kinderen: Anne (°1801), Louis Bernard (°1803) en Nathalie (°1805), die nauwelijks hun moeder kenden: ze was veertig toen ze stierf op 1 december 1807. Louis Herreboudt hertrouwde in 1809 met de vijftien jaar jongere Thérèse Van den Driessche (°1785), had met haar weer drie kinderen, Thérèse (°1810), Isabelle (°1811) en Nathalie (°1815) en stierf zelf op 7 november 1815, pas zesenveertig geworden. Zijn weduwe huwde in 1819 op haar beurt voor de tweede maal met bakker Jan Crepin (°Pollinchove 1787). Toen ook zij stierf, huwde Crepin in 1827 opnieuw, met de bakkersdochter Theresia Van Hecke (°Brugge 1788)[29]. Doorheen al deze huwelijken bleef de broodwinning beveiligd: men bakte ongestoord verder, met de hulp van inwonende bakkersknechten.

Dit gaf Louis Herreboudt de mogelijkheid, ondanks de vroegtijdige dood van zijn ouders, een behoorlijke opvoeding te genieten. Zijn middelbare studies deed hij in het atheneum van Brugge, waar hij onder meer priester Benoit Beeckman als leraar had[30]. Later schreef deze dat Herreboudt zijn studies gratis had mogen doen[31], maar het kan best dat dit één van de onjuistheden was waaraan Beeckman zich bezondigde in zijn heftige campagne tegen Herreboudt. In 1822 werd Herreboudt opgeroepen voor legerdienst[32]. In de revolutie van 1830 nam hij actief deel aan de strijd, althans volgens zijn eigen verklaring: “Wij die voor geene vijandige kogels bevreesd zijn geweest en al de andere gevaren der omwenteling moedig getrotseerd hebben[33]. Hij werd sergeant-majoor in het legertje van de plaatselijke opstandelingen[34].

Toen ze volwassen werden, was er waarschijnlijk niets meer dat de kinderen uit het eerste huwelijk Herreboudt aan het ouderlijk huis verbond en zo komt het dat ze vanaf 1820 of 1821 gingen wonen bij hun tante Françoise Van Vyve (1769-1856) die als vrijgezel de familiale eigendom De Keyzer bewoonde in de Sint-Trudostraat, samen met haar eveneens ongehuwde halfbroer Thomas Van Vyve (1755-1832)[35].

Thomas Joseph Van Vyve, prominent lid van de Brugse beenhouwersfamilie, had in de revolutietijd een belangrijke rol gespeeld en was zelfs, als vaandeldrager van de ambachten en van de traditionalistische notabelen, tijdens de Brabantse Omwenteling tot eerste schepen van de stad aangesteld, functie die hij opnieuw zou uitoefenen tijdens de laatste Oostenrijkse periode[36]. Later, in de Franse tijd, zou hij nog lid worden van het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen. Hijzelf en zijn halfzuster waren, onder meer dankzij enkele erfenissen, zeer welstellend geworden.

Op jeugdige leeftijd kwam Louis Herreboudt aldus in contact met één van de belangrijke acteurs van de revolutietijd in Brugge, die hem een kleurrijk en gekleurd beeld van de verschillende mekaar opvolgende regimes kon ophangen. Meteen zal hij van zijn oom de fierheid hebben meegekregen tot de roemrijke stam Van Vyve te behoren en zal hij de uitgebreide en wat gevleide genealogie hebben kunnen bewonderen die Thomas Van Vyve in 1790 had laten opmaken. De kinderen Herreboudt werden de voornaamste erfgenamen van hun oom en tante[37] en Louis werd onder meer eigenaar van de eigendom in de Sint-Trudostraat[38].

Welk beroep oefende Herreboudt uit tussen 1820 en 1845? In 1821 stond hij vermeld als journalier” (dagloner) en in 1822 als fabrikant[39]. Werkte hij eventueel in het vleesbedrijf van zijn oom? In alle akten van de burgerlijke stand vanaf 1837, zowel bij zijn huwelijk als bij de geboorte van zijn kinderen werd hij telkens genoteerd als bijzonderen of particulieren. Dit was de geijkte term die zowel een rentenier kon aanduiden als een uitoefenaar van een beroep waar men niet direct een precieze omschrijving voor had. In 1835 vinden we nochtans een duidelijker beroepsaanduiding, met name die van écrivain[40]. Dit betekende niet dat hij letterkundige was, maar schrijver in de zin van iemand die schrijfwerk verrichte, zoals oude Bruggelingen een bediende nog altijd een schrievere noemen. Hij kon dus bediende zijn in overheidsdienst of bij een firma, notarisklerk of iets in die aard. Het is niet uitgesloten dat hij gedurende enige tijd aan de katholieke Standaerd van Vlaenderen meewerkte[41], vooraleer wellicht in dienst te treden bij Jan Frans Bogaert of bij zijn zoon Jules, om dan einde 1845 de zaak over te nemen.

Op 23 augustus 1837 trad Louis Herreboudt te Brugge in het huwelijk met Prudentia Catharina Joos (Brugge 12 april 1810 – Meulebeke 27 maart 1881), dochter van suikerbakker Jacobus Joos en van Isabella Draecke, die beiden overleden waren. Hij was toen drieëndertig. Van 1838 tot 1851 werden in het gezin Herreboudt-Joos elf kinderen geboren, waarvan er vijf niet of slechts weinige jaren leefden: Louis (22 september 1838 – 2 december 1838), een naamloos kind (28 april 1840), Elisabeth (12 februari 1841), een naamloos kind (4 oktober 1842), Marie (°2 november 1843), Prudence (°2 november 1844 – 6 april 1847), Louise (°28 november 1845), Louis (11 september 1847 – 12 februari 1926), Prudence ((°31 december 1848), René (26 maart 1850 – 26 april 1852) en Leonie (27 april 1851).

Herreboudt was toen zeer waarschijnlijk nog geen eigenaar van het huis in de Sint-Trudostraat, aangezien zijn tante Françoise pas in 1856 overleed. Hij woonde in huurhuizen: Goezeputstraat C3-44 (van 1837 tot 1840), Sint-Salvatorskerkhof C3-7 (1840 tot 1843) en Korte-Vulderstraat C3-18 (1843 tot 1845). Ook het huis Eiermarkt E2-77 (thans n° 5) waar hij einde 1845 zijn drukkerij vestigde, en het ernaast gelegen huis waar hij ging wonen, huurde hij[42]. Het feit dat hij pas in 1848 voor het eerst als kiesgerechtigde werd vermeld en dit niet op basis van een kadastraal inkomen maar van een bescheiden 62,61 fr. personenbelasting, wijst in dezelfde richting en verstevigt de veronderstelling dat hij toen nog geen eigendommen bezat en voor einde 1845 evenmin een zelfstandige handel dreef, maar waarschijnlijk in een of andere vorm van dienstverband werkte[43]. De overname van de drukkerij en de krant van de familie Bogaert betekende dan ook een belangrijke stap.

II

De Gazette van Brugge,

van gematigd liberaal naar militant klerikaal.

Toen Louis Herreboudt begin december 1845 de Gazette van Brugge officieel in handen nam, bezetten verschillende duidelijk geprofileerde kranten het Brugs terrein. Le Nouvelliste des Flandres (vanaf mei 1848 omgedoopt in La Patrie) en De Standaerd van Vlaenderen behoorden tot het klerikale kamp, terwijl de Impartial de Bruges een vorm van radicaal liberalisme belichaamde. Ook Journal de Bruges bekende zich tot de liberale strekking, maar op heel wat gematigder toon dan zijn onstuimige collega.

Tot in 1839-40 waren deze kranten (behalve de Impartial die toen nog niet bestond) het unionisme, de alliantie tussen liberalen en klerikalen blijven steunen, maar tegen 1845 wist men al lang welk kamp ze definitief en op militante wijze hadden gekozen.  Herreboudt wilde aan de polarisatie ontsnappen en een neutrale krant blijven uitgeven. In grote trekken hield dit de volgende gedragslijnen in: hij was unionist en tegenstander van partijpolitieke opstellingen, hij steunde in verkiezingsperiodes individuele kandidaten en geen groepen van een zelfde strekking, hij deelde lof en blaam zo evenwichtig mogelijk uit tussen liberaal en klerikaal. We zullen hierna zien dat bij de scherper wordende tegenstellingen, een neutrale houding onhoudbaar werd en Herreboudt uiteindelijk (dit is vanaf midden 1849) kleur bekende.

Unionist en onpartijdig

Principieel beschouwde Herreboudt zich dus als een neutrale berichtgever, die enkel tot doel had zich in te zetten voor handel en nijverheid, en tevens voor de Vlaamse en Brugse belangen. “Wij hangen noch van partij noch van coterie af[44]” schreef hij en toen een lezersbrief zijn krant als een “semi-liberale gazette” had betiteld[45], reageerde hij: “We zijn noch semi-liberaal noch semi-catholiek. Onafhankelijk en onpartijdig dat is de leus aan het hoofd van ons blad te lezen en altijd zullen we trachten daar aan trouw te blijven[46]. Dit schreef hij nog begin 1849. Ook zes maanden later nog dezelfde houding: “We zijn geen priesterlijke gazette en ook niet de tolk der liberalen, omdat wij de moeilijke taak van onafhankelijk dagbladschrijver willen vervullen[47]”.

Hoe moeilijk de taak inderdaad was begon Herreboudt terdege te ondervinden en het was vanaf die periode dat men hem duidelijk naar de priesterlijke kant zag overhellen. Hij kon dan nog wel in mei 1850 schrijven “Daer we van niemand afhangen en vrijelijk ons gedacht mogen uitdrukken[48], zeker vanaf begin 1850 was er geen noemenswaardig verschil in strekking en inhoud meer tussen Herreboudts’ Gazette en de uitgesproken klerikale kranten.

Liberale sympathieën

Beschouwde Herreboudt zich als onpartijdig, het is duidelijk dat hij in de eerste jaren als een objectieve bondgenoot van de liberalen werd aangevoeld, alleen al door de toon van zijn berichtgeving.

Zo klaagde hij het feit aan dat de klerikalen in de dorpen het lezen van de gematigde liberale kranten beletten en aldus een ongeoorloofde censuur uitoefenden[49], rapporteerde hij over de oprichting van de liberale associatie in Brugge en van de algemene confederatie van het liberalisme in Brussel, zonder hieraan ook maar de minste ongunstige commentaar toe te voegen (hij nochtans, de unionist!)[50] en publiceerde hij zelfs een welwillend bericht over de liefdadigheid van de Brugse vrijmetselaarsloge[51].

Nochtans hield hij er zeker niet aan voor een liberale en nog minder voor een antikatholieke uitgever door te gaan. Aanvallen op de clerus waren er nooit, zelfs niet op de bisschop van Gent Delebecque die in liberale kranten heel wat kritiek te verduren kreeg. Berichten over heldhaftige priesters die in cholera- of pestepidemieën stierven, eerbiedige berichten over de bisschop van Brugge of over het bezoek aan Brugge van de beroemde predikant pater Henri Lacordaire (1802-1861)[52] en zelfs hoogst lovende artikels over paus Pius IX (1792-1878)[53], toonden aan dat Herreboudt zich geenszins met het antiklerikale kamp wilde vereenzelvigd zien.

Dit belette niet dat de lezers van de Gazette de krant als eerder liberaal aanvoelden. De overigens welwillende lezersbrief die we zopas aanhaalden, betitelde hem als “semi-liberaal” en dit zal wel de algemene perceptie geweest zijn, waartegen Herreboudt zich eigenlijk tevergeefs afzette. In de concrete realiteit van zijn politieke stellingnamen, kwamen zijn liberale sympathieën immers te duidelijk tot uiting.

Het klerikaal kabinet

Herreboudt was de katholiek unionistische regeringen van Van de Weyer (juli 1845 – maart 1846) en van de Theux (maart 1846 – augustus 1847) niet bijzonder gunstig gezind, alhoewel hij er toch ook niet zoveel directe aanvallen op uitoefende en onder meer wat betreft de voedselcrisis en het hongeroproer in Brugge van begin maart 1847 een gematigde houding aannam. Daarentegen begroette hij met enthousiasme het aantreden op 12 augustus 1847 van de eerste homogeen liberale regering: “De komst van een oprecht vrijzinnig ministerie is door geheel België met veel voldoening onthaald. iedereen koestert de hoop dat het vaderland een nieuw tijdperk intreedt en alles lacht het ministerie toe” zo schreef hij[54].

Hij bleef nochtans voorzichtig. Sommige bladen overlaadden Charles Rogier met “overdreven loftuitingen” en andere met “hevige beknibbelingen”. Allemaal erg voorbarig, vond Herreboudt[55]. Enkele dagen later nam hij evenwel reeds enige afstand van wat hij het soort liberalen noemde “waar kwade driften zich hebben van meester gemaakt” en die hij tegenover de “echte liberalen” stelde[56]. Hij liet er weinig tijd over gaan om te laten weten tot welke categorie hij de regering Rogier rekende. “Een boom kent men aan zijn vruchten” schreef hij. Welnu het “onbeschoft” optreden van Rogier, die talrijke ambtenaren de laan had uitgestuurd om ze door partijgetrouwen te kunnen vervangen, was voor Herreboudt een breekpunt[57]. “Helaas” schreef hij, “hoezeer verschilt de handelswijze van het ministerie van deszelfs programma”. En hij waarschuwde voor de gevolgen “van partijdige daden van een gouvernement beheerscht door den invloed van geheime genootschappen en die den speelbal wordt van baetzuchtige driften opgehitst door de mateloze hoop op winstgevende plaetsen[58]”. De euforie over de liberale regering was dus van heel korte duur geweest en voortaan keerde Herreboudt terug tot zijn gewoon thema dat niet de partijen maar onpartijdige bekwame staatslui het land moesten besturen.

Bijna vier jaar later, wanneer de Gazette al duidelijk naar het klerikale kamp was overgestapt en bijna dagelijks de liberale regering in heftige bewoordingen aanviel[59], deed Herreboudt niettemin een poging tot evenwichtige beoordeling over het werk van Rogier: “Gewis heeft ’s lands bestuer veel goede zaken in onze Vlaemsche provinciën verwezentlijkt; het heeft de armoede door de daerstelling van werkhuizen bevochten, het heeft in één woord voor de nijverheid alles gedaen welligt wat het voor ’t ogenblik vermogt. Maer onder het zedelijk oogpunt heeft het de Vlamingen nog steeds als vreemdelingen in hun eigen gewest behandeld; het heeft nog geen de minste voldoening verleend aen de zo billijke vragen ter bekoming van regt voor de Vlaemsche taal. Zoo lang echter de Vlamingen op hunnen eigen grond als verworpelingen zullen behandeld worden, zoo lang de kinderen des volks het geestesvoedsel dat de landtael alleen kan ingeven, zullen moeten derven, zal alle bestuer, hoe volmaekt anders ook, in onze vlaemschsprekende gewesten, hardnekkige vijanden vinden[60]

Nog in 1851 dus, kon Herreboudt de door het kabinet Rogier gevoerde politiek gunstig beoordelen, maar dan wel met daarbij een fundamentele kritiek die het positieve in de schaduw stelde: de culturele hegemonie van het Frans en de onderdrukking van het Vlaams. Men mag hierbij niet vergeten dat, ook onder de leiding van Herreboudt, de standvastige Vlaamse overtuiging een permanent gegeven in de Gazette van Brugge bleef.

Herreboudt, de West-Vlaamse gouverneurs en de Brugse parlementsleden

Méér dan in principiële verklaringen of stellingnamen over de gevoerde politiek, kon de gewone lezer de kleur van zijn krant toetsen aan de wijze waarop politieke voormannen er in werden gesteund, bekritiseerd of … doodgezwegen[61].

Herreboudt was een eerbiedige aanhanger van de West-Vlaamse gouverneur en volksvertegenwoordiger Felix de Mûelenaere (1794-1862). Ondanks de genadeloze kritiek die vanuit bepaalde hoeken op deze man werd afgevuurd, en ook al behoorde hij duidelijk tot het klerikale kamp, bleef de Mûelenaere één van de boegbeelden van de revolutie van het jaar dertig en van het unionisme, en dit lag duidelijk in de lijn van Herreboudts’ overtuigingen. Het was dan ook met de grootste spijt dat hij het  gedwongen ontslag van de Mûelenaere als gouverneur aankondigde[62]. Van zijn opvolger Adolphe de Vrière (1806-1885) hoopte dat hij zou zijn “als de Mûelenaere[63]”, maar grote sympathie bleek hij voor hem niet te hebben. Hij wachtte er zich aanvankelijk wel voor de gouverneur rechtstreeks aan te vallen, maar reageerde des te heviger op diens medewerkers en raadgevers[64]. Dit bereidde meer rechtstreekse aanvallen op de Vrière voor, die vanaf 1851 openlijk door Herreboudt bestreden werd[65].

Bij parlementsverkiezingen was de houding van Herreboudt duidelijk: hij steunde degenen die hij het bekwaamst achtte, tot welke partij ze ook behoorden. dat niet iedereen er zo over dacht, betreurde hij. Het zullen helaas weer partijdige kandidaten zijn, in plaats van vertegenwoordigers van het algemeen belang zuchtte hij bij elke verkiezing[66]. Nochtans moest een goede regering uit onpartijdige mannen bestaan, vond hij[67]. Zelfs nog in 1850 hield hij het bij dezelfde zienswijze: “Men vraagt op het ogenblik noch naer katholiek noch liberael, men vraegt naar een gespaerzaem gouvernement en het zijn maer kandidaten die zich zullen verbinden het gouvernement dien weg te doen inslaan, die zullen gekozen worden[68]”.

Wie waren de kandidaten die aan de verwachtingen van Herreboudt beantwoordden? In de eerste plaats was dat baron Jean Marie de Pelichy (1774-1859), die terzelfder tijd senator en burgemeester van Brugge was. Bij de gedeeltelijke vernieuwing van het parlement in juni 1847 voerde Herreboudt campagne voor de herverkiezing van de Pelichy die hij als “even bekwaem als onpartijdig” beschreef, hoewel hij niet naliet te vermelden dat hij een klerikale kandidaat was[69].

Het jaar daarop trok Herreboudt van leer tegen de Union Libérale die zich van grote ondankbaarheid tegenover de Pelichy schuldig maakte door te pogen graaf Amedée Visart de Bocarmé “een Wale die zich in Brugge of daaromtrent is komen nederzetten” tegen hem als kandidaat op te stellen. Visart bedankte trouwens voor de eer[70].

Ook op gemeentelijk vlak voerde de Gazette campagne voor de Pelichy, en klaagde de radicale liberalen aan, die de ambitieuze Jean Baptist Coppieters ’t Wallant in zijn plaats wilden naar voor schuiven[71]. “Onze burgemeester” werd immers “om zijne verlichte onpartijdigheid door allen bemind en geacht” schreef Herreboudt[72]. Wat de liberalen niet hinderde om bij een volgende parlementsverkiezing, de schoonbroer van gouverneur de Vrière, Gustave Pecsteen (1804-1894) tegen de Pelichy op te stellen en weer streed Herreboudt voor zijn kandidaat[73].

Anders verliep zijn verhouding tot Paul Devaux (1801-1880). Bij de verkiezingen van 1848 steunde Herreboudt de liberale voorman, hoewel zijn aanbevelingen niet zo warm waren als die voor de Pelichy[74]. Devaux was niet bijzonder populair in Brugge. In 1830 was hij zelfs niet verkozen geweest in het Nationaal Congres en had toen zijn intrede in dit stichtend lichaam alleen te danken aan het feit dat de verkozen Isidore Jullien (1774-1841) aan zijn mandaat verzaakt had ten zijnen gunste. Kon men aan de “Vader des vaderlands” voorbij gaan? In 1848 kon dat nog niet. Nochtans, bij de twee maanden later gehouden gemeenteraadsverkiezingen, liet Herreboudt voor het eerst een kritisch geluid over Devaux horen. Hij vond dat hij niet tegelijk in Brussel en in Brugge kon zijn en adviseerde dan ook eerder tegen zijn herverkiezing[75]. Hij werd toch opnieuw verkozen. Daarop volgde anderhalf jaar stilte over Devaux en toen Herreboudt hem weer ter sprake bracht, was hij kennelijk een tegenstander geworden. Voortaan noemde hij hem “den slapenden en versleten volksvertegenwoordiger”, die zich niet het minst om Brugge bekommerde[76]. “Den sedert verscheidene jaren stom gebleven represantant[77]" beschuldigde hij van profitariaat in het voordeel van zijn familie[78] en hij vond hem voortaan op belangrijke politieke vraagstukken steevast in het andere kamp dan hij zich zelf in bevond. Dit was het geval in verband met het behoud van een beroepsleger[79], met de wet op het middelbaar onderwijs[80] en met de omstreden integratie van de Brugse gemeentescholen in het rijksonderwijs[81]. Het was dan ook onvermijdelijk dat Herreboudt bij de parlementsverkiezingen van 1850 tegen Devaux ageerde en andere kandidaten voorop stelde[82]. Devaux werd toch weer verkozen, hetgeen door de Gazette zonder verder commentaar werd meegedeeld. Voortaan kon Paul Devaux evenwel op geen welwillendheid meer rekenen en werd hij door de Gazette geregeld en heftig aangevallen[83].

Wat de overige parlementsleden betreft, poogde Herreboudt telkens kandidaten naar voor te schuiven die hij als “onafhankelijken” of “onpartijdigen” beschreef. In 1848 ging het nog om twee gematigde liberalen, Jules Roels (1806-1891) en Henri de Brouckère (1801-1891). Deze werden ook, samen met Devaux en de Pelichy door de invloedrijke Koophandels- en Nijverheidskring gesteund. Tevens ging Herreboudt tekeer tegen de liberale kandidaten Jan-Baptist Coppieters ’t Wallant (1806-1860), Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877), Antoine Sinaeve (1786-1857) en Adolphe Goupy de Beauvolers (1796-1858), maar ook tegen de klerikale kandidaten Joseph Kervyn de Lettenhove (1817-1891) en Frederic Rapaert de Grass (1799-1881), evenals tegen de outsider Edouard Delescluse (1817-1872) en de politieke kameleon Charles Van Lede (1801-1875)[84].

Herreboudts’ campagne kende geen succes, want naast Devaux en de Pelichy, beiden nogal ruim aanvaarde kandidaten, werden twee volbloed liberalen gekozen, Antoine Sinaeve en Ernest Peers-Ducpétiaux (1804-1895): de radicale vleugel van de Association libérale had het gehaald[85]. In 1850 spande Herreboudt zich opnieuw in voor “onafhankelijken”, die nu evenwel van onmiskenbare klerikale signatuur waren: Edmond de Man – van Caloen (1803-1868), Joseph Kervyn de Lettenhove en Florimond Roels (1804-1877)[86]. Het ging om personen die ook voor gematigde liberalen en voor de Journal de Bruges konden aanvaardbaar zijn. Weer werden echter Devaux, Sinaeve en Peers verkozen terwijl de kandidaten van de Gazette – die ook gesteund werden door La Patrie en de Standaerd van Vlaenderen – de nederlaag leden[87]. Bij die gelegenheid was duidelijk gebleken tot welk kamp Herreboudt voortaan werkelijk behoorde, ondanks zijn herhaalde verklaringen van onpartijdigheid.

De liberale “coterie

Alvast één element schijnt die evolutie bespoedigd te hebben en dat was de toegenomen macht van een radicale vleugel in de schoot van de locale liberale partij. Al vanaf de oprichting van de liberale associatie in 1846 was er in de Gazette wrevel te bespeuren tegenover bepaalde leden van deze eerste politieke partij. Kort na de oprichting ervan had een eerste electorale test plaats: drie gemeenteraadsleden moesten worden vervangen en door de liberalen werden blauwverver Ernest Marlier (1808-1887), belastingsinspecteur Jules Boyaval (1814-1879) en directeur van de schatkist Joseph Van der Linden (1798-1877) voorgedragen. Vooral tegen de twee laatstgenoemden, recente Bruggelingen, kantte de Gazette zich. Niettemin werden alle drie de kandidaten verkozen, hetgeen een triomf betekende voor de jonge associatie en vooral voor de radicale vleugel die deze kandidaten verkozen kreeg, niet alleen tegen de klerikalen, maar ook tegen de gematigde vleugel van de liberalen in[88].

Het was echter vanaf 1848 dat Herreboudt openlijk de strijd aanbond met wat hij voortaan “de coterie”, “’t coterijtje” of “’t klieksken” noemde[89]. Voortaan zou al wie tot dit groepje behoorde of zelfs maar verdacht werd er mee te sympathiseren, de Gazette op zijn weg vinden. De gemeenteraadsverkiezingen van 1848 gaven een eerste gelegenheid om de “intriganten” van de coterie aan de kaak te stellen. Herreboudt ageerde tegen Auguste Goethals, Charles Van Lede, Jan-Baptist Coppieters ’t Wallant (“de vijand van de burgemeester”), Joseph Van der Linden, Georges Chantrell – de Stappens (1795-1867) en in mindere mate tegen E. Marlier en J. Boyaval omdat ze zich, naar men verzekerde, van de “coterie” hadden verwijderd[90]. Het was vooral naar aanleiding van de parlementsverkiezingen in 1850 dat Herreboudt de strijd tegen de radicale liberalen met grote hevigheid voerde. Wie waren die vijanden wel die zich volgens hem van de Brugse liberale partij hadden meester gemaakt?

De eerste was de ondertussen – tegen de zin van de Gazette[91] – schepen geworden Jules Boyaval “genaemd de lacher” die de electorale ijver zo ver dreef dat hij zelfs vriendelijk werd tegen de mensen in de aanloop tot de verkiezingen[92]. Vervolgens werden zeven mannen aangeduid die de bevoorrechte schietschijven van Herreboudt werden: provinciaal griffier Charles Devaux( 1797-1861), “den grooten baes van het koterijtjen, den gebrilden fransquillon D…”, Joseph de Mersseman (1805-1853), “het klein dokteurken vol hoogmoed”, Jean Goddyn (1796-1874), schoonbroer van Paul Devaux, “den vetbetaelden hoogmoedigen ontvanger”, Auguste Goethals (1807-1866), “vrederechterken Gustje”, William Chantrell (1801-1856), voorzitter van de liberale partij en kolonel van de Burgerwacht, “het generaeleken op zijn groot wit paard” en tenslotte de vader van Jules Boyaval, Louis Boyaval-Holvoet (1791-1872), hoofddirecteur van belastingen, “een anderen gebrilden fransquillon, functionaris à 17.000 frs ’s jaars die alles gedaan had tegen de nijverheid[93]”.

Voortaan was het open oorlog tussen de Gazette en de radicale kopstukken van de liberale partij, in wie Herreboudt geen gaven vond. Niet alleen dreven ze, naar zijn mening, de liberale partij weg van de gematigde koers die zijn voorkeur genoot maar bovendien waren velen onder hen recente inwijkelingen en de meesten hautaine bourgeois en franskiljons. Herreboudt schrok er niet voor terug ze als volgt te beschrijven: “De Brugsche coteriemannen, de jagers naar schoone en vette plaetskens, de schotellekkers van den budget, de pluimstrijkers van den gouverneur, de bloedzuigers van de stedelijke schatkist, de pronkappels van het verbasterd liberalismus, de pennelekkers die ten onzen laste leven…[94] Men zou voor minder vijanden worden.

Herreboudt, de klerikale en de liberale pers

Een negentiende-eeuwse krant gaf niet alleen haar eigen visies weer, maar voedde ook bestendig de polemiek – of soms de dialoog – met de andere kranten. Herreboudt ontsnapte hieraan niet en ook in dit proza kan men zijn evolutie nagaan.

Aanvankelijk, zeker tot 1848, was het vooral met de katholieke Standaerd van Vlaenderen en met de Nouvelliste des Flandres (weldra omgedoopt tot La Patrie) dat hij in polemiek trad[95]. Beide kranten noemde hij “de ministeriële broodschrijvers[96]” of ook nog “de tolken van den clergé[97]”. Van de Nouvelliste zegde hij dat het de krant was die men als “den moniteur van het bisdom” mocht beschouwen[98]. Hij laakte hun partijdigheid: “ ’t Is goed voor hun als er een ministerieelen iets doet, ’t is slecht als het van Rogier komt[99]”. Een echt scherpe toon kregen deze polemieken evenwel niet en het laatste hiervan kon men in 1848 lezen[100]. Gaandeweg werden de kranten in kwestie voor Herreboudt objectieve bondgenoten.

De verhoudingen met de liberale pers evolueerden precies omgekeerd. Tot halfweg 1848 leefden L’Impartial de Bruges en de Gazette vredig naast elkaar[101]. Om over de Journal de Bruges iets te schrijven was er zelfs geen enkele behoefte: beide bladen, de één in het Frans, de andere in het Nederlands, schreven vanuit een zeer gelijklopende gesteldheid. Naarmate Herreboudt de radicale liberalen begon aan te vallen moest er wel reactie komen. De Impartial was immers de spreekbuis van de coterie. Een eerste heftige aanval vanwege de Impartial was dan ook onvermijdelijk[102]. Men schijnt elkaar echter nog een hele tijd ontzien te hebben en het is pas vanaf 1850 dat de kranten elkaar regelmatig rechtstreeks begonnen aan te pakken. Herreboudt had het voortaan over “de zoogenaemde liberale dagbladen van Brugge[103]”, die logen dat het kletterde: “liegen gelijk een liberael” schreef hij over hen[104]. Voortaan schreef hij evengoed tegen de Impartial[105]als tegen de Journal de Bruges[106]. Vooral beleefde hij er genoegen aan de ruzies en meningsverschillen tussen beide liberale bladen in de verf te zetten[107].

Herreboudt en de populaire Brugse pers

Tijdens de periode 1844-1850 was men op het domein van de publicatie van Nederlandstalige kranten in Brugge zeer actief. Naast De Standaerd van Vlaenderen en de Gazette van Brugge werden de volgende kranten gesticht: De Nijverheid op 4 januari 1846, De Hoop van Brugge op 1 oktober 1846, De Vriend der Landbouwers op 1 juni 1847, Het Brugsche Vrije op 13 mei 1848 en het Burgerwelzijn op 21 december 1850. Alleen het Burgerwelzijn zou het langer dan een paar jaar vol houden. De Nijverheid verdween in oktober 1848, De Hoop van Brugge in juli 1848, De Vriend der landbouwers (een poging tot een Nederlandstalig equivalent van de Journal de Bruges) drie weken na de stichting en Het Brugsche Vrije in oktober 1853[108].

 Naast het feit dat het allemaal kranten in de volkstaal waren, in hoofdzaak bestemd voor het relatief beperkt lezerspubliek van handelaars en middenstanders, en dus concurrerend onder elkaar, waren toon en inhoud op een aantal punten nogal gelijklopend. Met minder of meer schakeringen waren al deze kranten, net zoals de Gazette van Brugge liberaal gezind. Dit kwam vooral tot uiting bij de verkiezingen van 1847 en 1848 en bij de vorming van het kabinet Rogier. Bij de Gazette stelden we vast dat tamelijk vlug ontgoocheling intrad over het kabinet. Hetzelfde gebeurde bij de Hoop van Brugge, het Brugsche Vrije en de Nijverheid: de eerste twee evolueerden verder in anarchistische richting, de laatste evolueerde, net zoals de Gazette in unionistische, voorzichtig klerikale richting.

Een andere gelijklopende lijn was de grondige afkeer die bestond ten overstaan van de plaatselijke radicaal-liberale vleugel, de coterie Devaux-Chantrell-Goethals-Boyaval en consorten. De aanvallen die ze te verduren kregen vanwege de vier genoemde kranten, wedijverden in hevigheid.

Een derde punt van overeenstemming was de bijzondere belangstelling voor alles wat de Vlaamse zaak en de achteruitstelling van de Vlaamse gewesten betrof, zowel op cultureel als op economisch gebied. Al deze kranten waren Vlaamsgezind, kwamen op voor de bevordering van de volkstaal en ijverden voor ondersteuning van handel en nijverheid in Vlaanderen[109]. Op het eerste gezicht zou men dan ook kunnen verwachten dat ze elkaar ondersteunden of minstens met rust lieten. Het tegenovergestelde gebeurde evenwel. Waarschijnlijk omwille van de concurrentieslag, waren eerder geringe meningsverschillen of persoonlijke tegenstellingen aanleiding tot hoogoplopende polemieken, die soms een zo hatelijke toon aannamen dat elke basis voor ernstige discussie verdween en het enige doel er scheen in te bestaan de tegenstrever zo veel mogelijk te kwetsen en door het slijk te halen.

Herreboudt contra De Jonghe

Vier weken na de overname van de Gazette door Herreboudt, verscheen het eerste nummer van De Nijverheid. We vermoeden dat dit niet toevallig was en het ene een gevolg van het ander was. Zou de initiatiefnemer voor deze nieuwe krant, misschien een vierde mogelijkheid zijn van iemand die voorheen als redacteur aan de Gazette meewerkte en er bij de overname door Herreboudt buiten werd gezet? Of was hij zelf kandidaat geweest voor de overname van de Gazette en was hem dit niet gelukt?

Die initiatiefnemer was de Brugse atheneumleraar en letterkundige Jan Antoon De Jonghe (1797-1861)[110]. In het eerste nummer van zijn blad publiceerde hij een programma dat in grote mate een duplicaat was van dat van Herreboudt: “betrachting van staetkundige rust; belangstelling in maetschappelyk order en burgerlijke eendracht; toelichting in nyverheid, handel, landbouw, letteren en wetenschappen…”[111].

De Jonghe was geen onbekende in het Brugse wereldje van publicisten. In 1835 had hij een tekst gepubliceerd onder de titel Iets over de volksbeschaving en een woord over de Vlaemsche taal, waarin hij pleitte voor de uitbreiding van het onderwijs in de volkstaal. Hij behoorde zeer waarschijnlijk tot de bekenden zoniet tot de vriendenkring van Jan Frans Bogaert, die dezelfde ideeën aankleefde. Hij had al heel wat letterkundig werk gepubliceerd en was daarbij al sedert 1828 leraar aan het Atheneum, zodat hij veel oud-leerlingen had die in Brugge in het actieve leven stonden. Hij was secretaris van de in 1836 in Gent opgerichte vereniging De tael is gansch het volk[112] en in 1843 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde in Leiden. Niet de eerste de beste dus.

Lange tijd lieten beide uitgevers elkaar met rust, maar in 1847 kwam een duidelijk antagonisme tot uiting. Het was De Jonghe die de vijandelijkheden opende met kritiek op de Gazette die van hem artikels zou hebben overgenomen zonder bronvermelding[113]. Het antwoord van Herreboudt was heftig: “lage uitvallen van dien eigenaardigen man – niets anders dan vuyge en lage afjonstigheid”, schreef hij[114].

Enkele maanden later laaide de polemiek nog hoger op. Deze keer werd aan Monsieur van de Nijverheid verweten dat hij onvoldoende Vlaamsgezind was en men ook niet meer wist of hij al dan niet nog liberaal was[115]. De polemiek was te situeren in een ruimere context, die van de eerste tegenstellingen tussen klerikalen en liberalen in de Vlaamse Beweging. Het verhaal is te omslachtig en verward om er hier in detail op in te gaan[116]. Het kwam er op neer dat De Nijverheid partij koos voor de liberale Pieter Van Kerckhoven (1818-1857)[117] die in zijn pamflet De Vlaemsche Beweging hevig van leer was getrokken, onder meer tegen Hendrik Conscience (1812-1883)[118]. De Gazette had zich geschaard achter een Verklaring van grondbeginselen door de verdedigers der nederduitsche volksregten aan hunnen landgenooten gegeven. Aanvankelijk wist men niet wie de initiatiefnemers voor dit manifest waren, maar weldra bleken dit Hendrik Conscience en Ferdinand Snellaert (1809-1872)[119] te zijn. Het werd bestreden als zijnde van klerikale en unionistische signatuur. Snellaert behoorde weliswaar tot het liberale kamp en was één van de stichters en kopmannen van De tael is gansch het volk, maar in 1846 stond hij mee aan de wieg van het concurrerende Vlaemsch Gezelschap[120], dat liberalen en klerikalen samenbracht en dat de voorkeur van Herreboudt genoot[121].

De ruzie tussen Herreboudt en de Jonghe was dan ook een rechtstreeks gevolg van de Gentse en Antwerpse rivaliteiten. De polemiek werd in weinig welvoeglijke termen gevoerd. Vooral probeerde Herreboudt tweedracht te zaaien door de artikels tegen De Jonghe te laten ondertekenen door zekere “E” uit Gent. “E” was de gewone signatuur die Pieter Ecrevisse (1804-1879)[122] gebruikte voor zijn artikels in de Nijverheid. De Eeklose vrederechter, hoofdredacteur van De Vlaemsche Stem en vriend van Jan De Jonghe liet dan ook niet na hiertegen heftig te protesteren[123]. De polemiek ebde weg en tijdens de laatste maanden van het bestaan van De Nijverheid lieten beide uitgevers elkaar met rust. Een tijdje later verdween De Jonghe uit Brugge eerst om leraar te worden in Luik en kort daarop directeur van de Rijksnormaalschool in Lier.

Herreboudt en De Hoop van Brugge

De tweede concurrent die kwam opdagen van De Hoop van Brugge. Die krant werd door Herreboudt geïgnoreerd. Het feit dat zijn schoonbroer Deny er in een eerste periode de redacteur van was, kan dit wellicht verklaren. Er bleven helaas onvoldoende nummers van het krantje bewaard om te kunnen weten of de stilte wederkerig was[124].

Alleen tegen het einde van de korte levensduur van de Hoop had Herreboudt het over de Wanhoop van Brugge[125] en meldde hij de verdwijning van de krant en de gerechtelijke moeilijkheden van uitgever Horta en redacteur Claeys[126].

Herreboudt tegen het Burgerwelzijn

Einde 1848 was Herreboudt dus al twee concurrenten kwijt: de Nijverheid en de Hoop van Brugge. In december 1850 kondigde zich een nieuwe tegenstrever aan, het Burgerwelzijn. Opnieuw kwam de nieuwe krant met zijn doelstellingen volledig in het vaarwater van de Gazette: “De ontwikkeling van de Vlaemsche tael, de bevoordeling van de nyverheyd, de verbetering van de landbouw, de vermindering der belastingen, den voorspoed der provincie, de belangen onzer vaderstad, de aenmoediging van schone kunsten en letterkunde” en daarbij ook het doel van “overeenkomst tusschen liberael en katholiek, onafhankelijkheyd van het burgerlyk eof geestelijk regt, Vaderland en godsdienst[127]”.

Na weinige dagen zat het er al bovenarms op. Jan Fockenier (1818-1909), “Fockeniertje” en A.J. Boeteman, de uitgevers van de nieuwe krant kregen allerlei verwijten naar het hoofd, die scherper werden naarmate hun krant zich wilde doen doorgaan voor neutraal en onafhankelijk, de vroegere gedragslijn van de Gazette. Het kwam er voor Herreboudt op aan zijn tegenstrever als liberaal te brandmerken en te verhinderen dat hij als de ideologische opvolger van de Gazette kon doorgaan. Het kwam er vooral ook op aan een wig te drijven tussen de krant en de gezaghebbende maatschappij Burgerwelzijn. De polemiek die Herreboudt ontketende verplichtte er de vereniging toe, mee te delen dat ze geen enkele band had met de gelijknamige krant[128].

Herreboudt versus Beeckman

Het toppunt van heftige polemiek werd bereikt tussen Herreboudt en Beeckman[129]. Beide uitgevers kenden mekaar goed. Priester Beeckman was immers leraar van de jonge Herreboudt geweest. Het Brugsche Vrije van Beeckman verscheen vanaf 13 mei 1848, als een rechtstreeks gevolg van de breuk tussen Beeckman en de jonge uitgever van de Hoop van Brugge, waar hij enkele maanden de redacteur van was geweest. Al in één van de eerste nummers van zijn eigen krant, stak Beeckman een vermanende vinger op naar zijn vroegere leerling die volgens hem kopij van onverantwoordelijke schrijvelaars in zijn blad opnam[130]. Herreboudt reageerde niet.

Een jaar later werd het anders. Beeckman had een verhaal opgedist over een novice die onverwacht en zonder reden uit het klooster van de Rode Nonnen in de Katelijnestraat was verdreven[131]. Dit werd door Herreboudt tegengesproken[132]. Hierop volgde een rechtstreekse aanval van Beeckman[133]. Beide uitgevers hadden blijkbaar op een incident zitten wachten om mekaar te lijf te gaan. Ze publiceerden dan ook wederzijds echte oorlogsverklaringen[134]. “Er zijn tijden geweest dat wij u vreesden en zelfs veel achting voor u koesterden, en dit was toen onze opvoeding aan u toevertrouwd zijnde, wij u als een deftigen en achtbaren priester beschouwden” schreef Herreboudt[135]. Waarop Beeckman repliceerde: “Gij komt op tegen dezen die u eertijds eenige jaren pro deo heeft laten leeren en onderwijzen, toen gij nog een arme onwetende jonge dompelaer waert[136]”.

Van de vroegere verstandhouding bleef niets meer over en voortaan poogden beide krantenmannen elkaar grondig in de vernieling te schrijven[137]. Na enkele weken poogde Herreboudt aan dit uitzichtloos gekrakeel een einde te stellen met “een laatste antwoorde[138]”, maar Beeckman ging strijdlustig door. Hij noemde Herreboudt voortaan “den ezel” en opende een speciale rubriek “Asinalia” met scheldproza tegen de uitgever van de Gazette, tegen “Simiatje” zijn echtgenote en tegen de “aptjes” van kinderen. Zelden werd iemand in een Brugse krant op een zo genadeloze wijze over de hekel gehaald[139].

Beeckman poogde voornamelijk de onafhankelijkheid van Herreboudt in twijfel te trekken en hem als de spreekbuis van anderen dood te verven. Aanvankelijk wilde hij hem doen doorgaan als de lakei van de familie Dujardin, “zijn gedoken maar gekenden geldpatroon uit de Eekhoutstraat” en beweerde hij dat Herreboudt instructies kreeg van schepen Jules Boyaval-Dujardin[140]. Dit bleef Beeckman evenwel niet lang volhouden, want dan moest hij de Gazette van Brugge onvermijdelijk als een liberale of minstens neutrale krant beschouwen en dat paste niet in zijn kraam. Hij begon de krant dan ook de naam te geven van “de gemaskerde priesterlijke gazette[141]”. Hij kondigde aan dat de “bende der achteruitkruipers” (kwam) versterkt te worden door de Gazette van Brugge[142]” en hij beweerde dat de politieke artikels er voortaan werden opgesteld door “een priesterlijk komiteyt[143]”.

Beeckman had enkele bijzondere vijanden onder de clerus, die hij bijna dagelijks door het slijk trok en die hij voortaan ook als de vrienden en inspiratoren van Herreboudt afschilderde. De voornaamste onder hen waren de directeur van het Sint-Juliaangesticht, kanunnik Petrus Maes (1806-1877) en zijn broer Louis Maes (1811-1888), onderpastoor op de Sint-Jacobparochie, die hij als de “H. Geest” van Herreboudt beschreef[144]. Verder werden nog de eerwaarde heren Karel Carton (1802-1863)[145], Pieter Jacob Tanghe (1807-1863)[146], François Moulaert (1804-1868)[147] en zelfs de jonge seminarist en latere “paster” Lodewijk Van Haecke (1829-1912)[148] als inspiratoren en vrienden van Herreboudt voor het voetlicht gebracht[149]. Beeckman beweerde ook dat verschillende seminaristen aan de Gazette meewerkten en noemde ze “tikkenhanen[150]”.

Waren de banden tussen Herreboudt en deze priesters inderdaad zo nauw geworden? Enerzijds scheen Beeckman goed ingelicht te zijn over wie zoal bij Herreboudt over de vloer kwam. Hij wist zelfs te vertellen dat priester Carton peter was geworden van één van de kinderen Herreboudt[151]. Anderzijds dreef zijn haat hem vaak tot overdrijvingen en onwaarheden. Het is natuurlijk niet onmogelijk dat de slachtoffers van Beeckmans’ rioolproza elkaar opzochten en in nauwer contact kwamen, teneinde gezamenlijke verweermiddelen te beramen.

Herreboudt had al vlug het zinloze ingezien van de replieken op de vrijgevochten ex-geestelijke en reageerde nog nauwelijks. Eenmaal toch poogde hij een rechtstreekse aanval, maar die keerde zich tegen hem. Naar aanleiding van de parlementsverkiezingen in juni 1850 – Herreboudt had definitief het klerikale kamp gekozen – publiceerde hij twee verkiezingspamfletten onder de titel Uilenspiegel den tweeden. Het was een reactie op het liberaal kiesgazetje Uilenspiegel[152]. Hierin beschuldigde hij terloops Beeckman dat hij destijds, toen hij de Duinenabdij verliet, waar hij als directeur van het Atheneum had gewoond, “bij distractie eenige loode goten had laten mede verhuizen”. Beeckman spande een proces in, dat hij won: Herreboudt had voor de eerrovende aantijging geen bewijzen[153].

Had Beeckman klaar gezien en was Herreboudt inderdaad al half 1849 in het geheim naar de klerikale partij overgestapt, om aldus op een meer verdoken wijze steun te verlenen aan de stellingen die in La Patrie en de Standaerd openlijk werden verkondigd? Het is niet uitgesloten. De ommezwaai in de Gazette is echter vooral duidelijk in de tweede helft van 1849 en het is niet onredelijk te veronderstellen dat de heftige strijd met Beeckman, Herreboudt sneller en radicaler in het klerikale kamp dreef dan hij zelf wel zou hebben gewild. En zoals vaak met neofieten gebeurt, werd hij al vlug heviger in de verdediging van zijn kamp en strijdlustiger in de aanvallen op de tegenstrevers, dan degenen die al langer de zienswijzen aanhingen waar hij zich toe had “bekeerd”.

Oorzaken van Herreboudts’ evolutie

Dat Louis Herreboudt tussen 1846 en 1850 een evolutie heeft doorgemaakt, is na het analyseren van de Gazette van Brugge over die periode, ontegensprekelijk. In 1846 was hij een voorzichtige, eerder neutrale krantenman. Nog bezield door het unionisme van 1830, dat nochtans al verschillende jaren zieltogend was, ijverde hij voor een gemeenteraad, provincieraad, parlement en regering, samengesteld uit onpartijdige en onafhankelijke mandatarissen. Daarbij bleef hij ook vasthouden aan de Vlaamse gedragslijn die de Gazette vanaf Joseph Bogaert had aangenomen. Indien er al enige sympathie bestond voor een ideologische politieke lijn, dan was het voor de liberale: de priesterlijke of klerikale strekking vond hij duidelijk te militant.

Zijn liberale sympathieën kenden een hoogtepunt midden 1847 bij het aantreden van het kabinet Rogier dat hij met enthousiasme begroette. Ook al zou hij nog jaren later de positieve resultaten van het beleid van Rogier erkennen, zijn daadwerkelijke steun zou kortstondig zijn. Hiervoor kunnen we vier redenen onderkennen.

De eerste en bijna onmiddellijke reden was het partijpolitiek en zelfs fanatiek optreden van het liberale kabinet dat grondige schoonmaak hield in alle geledingen van de ambtenarij en een verwoede postjesjagerij onder de liberale aanhang honoreerde. Zoiets was men in het jonge koninkrijk nog niet gewoon.

Hierbij aansluitend was er de vaststelling dat ook in Brugge, een militante en ambitieuze vleugel de touwtjes in handen nam binnen de Liberale associatie en in de kortste keren het politiek landschap in het hevigste blauw wilde kleuren. Dit was Herreboudt duidelijk niet naar de zin.

De derde reden lag in de toename van de Franstalige en Waalse invloed. In het kabinet Rogier zetelde geen enkele Vlaming en werden de Vlaamse grieven – vooral de taaleisen – niet ingevolgd. In Brugge werd het liberale kamp meer dan ooit gedomineerd door aangespoelden, vreemdelingen en franskiljons. Herreboudt moest derhalve vaststellen dat zowel nationaal als plaatselijk de Franstalige dominantie, die hij onder de klerikalen had aangeklaagd, ver van af te nemen, onder de liberalen nog sterker tot uiting kwam.

Als vierde reden was er het politiek programma van de liberalen. Het in stand houden van een leger en het reorganiseren van de onpopulaire burgerwacht, twee beslissingen van het liberaal kabinet, kon Herreboudt moeilijk aanvaarden. Vooral de doctrinaire en zelfs fanatieke wijze waarop voor het eerst een schooloorlog werd ontketend, was voor hem een duidelijk signaal dat hij niet meer bij de liberale familie thuishoorde.

Men mag hierbij ook het algemeen klimaat niet vergeten. De polarisatie tussen klerikalen en liberalen nam steeds scherper vormen aan. We hadden het over de Vlaamse Beweging, waar de splitsing tussen liberalen en unionistische klerikalen steeds duidelijker werd. Daarbij kwam dan nog dat de Franse revolutie van 1848 in België een destabiliserende invloed uitoefende, waarbij minder ruimte overbleef voor neutraliteit en iedereen, vooral dan de krantenuitgevers, met of tegen hun zin er toe gebracht werden ook op binnenlands politiek vlak duidelijker kleur te bekennen. Indien Herreboudt evolueerde, dan was het mee onder druk van de omstandigheden en misschien van zijn lezers: het waren scharnierjaren in de geschiedenis van het jonge koninkrijk.

Bij dit alles had Herreboudt twee mogelijkheden: ofwel bleef hij verder een onafhankelijke koers varen, ofwel sloot hij aan bij het klerikale kamp. Tot in 1848-49 hield hij zich bij het eerste alternatief, dat hem waarschijnlijk het best lag. Eenvoudig was dit duidelijk niet. Vooreerst bevond hij zich meer en meer in de noodzaak zich af te zetten tegen de liberale politiek en werd hij aldus nolens volens de objectieve bondgenoot van de klerikale partij. Daarbij geraakte hij in hevige polemieken verwikkeld met de andere onafhankelijke bladen, zijn rechtstreekse concurrenten.

In deze verbeten en genadeloze strijd zou hij op zijn eentje wellicht het onderspit hebben moeten delven, wat trouwens het lot werd van de Hoop van Brugge, van de Nijverheid, en een paar jaar later van het Brugsche Vrije. Het was bijna fataal dat hij sympathie en bondgenootschap zocht bij diegenen die zoals hij het slachtoffer waren van vooral Benoit Beeckmans’ niets ontziende pen. Dat waren in de eerste plaats kanunnik Maes en enkele andere geestelijken, gouverneur de Mûelenaere, katholiek gemeenteraadslid Charles Serweytens en andere prominenten die voor de meesten onder hen tot de katholieke partij behoorden. De solidariteit in het bekampen van den schandaleuzen défroqué bracht hen ongetwijfeld nader tot elkaar. Halfweg 1849 was de Gazette geen liberale krant meer, nauwelijks een neutrale. Een jaar later was geen twijfel meer mogelijk: Herreboudt was definitief en op agressieve wijze naar het klerikale kamp overgestapt. Hij zou er tot aan zijn dood in 1874 één van de sterkste journalistieke exponenten van blijven.

Bij zijn afsterven op 7 februari 1874 mocht de Gazette van Brugge, die voortaan geleid werd door zijn zoon Louis Herreboudt (1847-1926)[154], terecht schrijven dat hij “zijne pers ten voordele der katholieke principen gebruikt” had. Dertig jaar nadien, waren de ideologische aarzelingen uit de beginperiode al lang vergeten en wisten de nakomelingen alleen nog dat vader Herreboudt een steunpilaar van de katholieke partij was geweest. Hij stierf kort voor het doel werd bereikt waar hij zich zo krachtig had voor ingezet: vanaf 1875 waren stadsbestuur van Brugge, provincieraad van West-Vlaanderen en de meeste parlementaire mandaten van het arrondissement in handen van de katholieke partij. Herreboudt had daartoe een beduidende bijdrage geleverd.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf, 1985, blz. 240-249 en 320-339. De tekst hierboven is aangevuld met enkele supplementaire latere bevindingen).


[1] A. VAN DEN ABEELE, De Brugse drukkers Bogaert, enkele biografische toetsen, in: Biekorf, 1984, blz. 47-74.

[2] Gazette van Brugge, 29 januari, 7  en 19 februari, 1 maart 1844, enz.

[3] Gazette van Brugge, bvb. 29 maart, 3, 10 en 26 april 1844.

[4] R. VAN EENOO, Economische crisis en Vlaamse beweging: reacties in de Brugse pers (september 1830 – februari 1848), in: Tijdschrift voor sociale wetenschappen, 1969, blz. 25-30; Gazette van Brugge 4 april 1845: een gedicht van de Brugse rederijker J. Poupaert-de Buck tegen Mercier en Eloy de Burdinne

[5] Gazette van Brugge 4 augustus 1845.

[6] Gazette van Brugge 20 jan, 7 februari, 27 juni 1845.

[7] Gazette van Brugge 20 juni, 4 juli 1845.

[8] Gazette van Brugge 11 en 23 april 1845.

[9] Gazette van Brugge 19 en 21 februari 1845.

[10] Gazette van Brugge 12 en 14 mei 1845.

[11] Gazette van Brugge 18 augustus 1845.

[12] Gazette van Brugge 16 mei 1845.

[13] Het Brugsche Vrije 29 juni 1850.

[14] Archief Bisdom Brugge, C 541-542 (archief B. Beeckman), dossier Personalia 1 (brief van 21/02/1844) en dossier roddels (brief van 20/08/1845).

[15] R. VAN EENOO, Post-revolutionaire contestatie. Priester Beeckman en zijn Blad “Het Brugsche Vrije” (1848-1853), in: Standen en Landen, 1972, blz. 207-300, zie blz. 227.

[16] Gazette van Brugge 27 december 1844, 1 januari., 10 februari 1845, enz.

[17] H. WOUTERS, Documenten betreffende de geschiedenis der arbeidersbeweging (1831-53), Leuven – Parijs, 1963, blz. 318-320; R. VAN EENOO, Post-revolutionaire contestatie, a.w., blz. 224..

[18] We hebben Petrus Deny uitgebreid behandeld in onze studie De Hoop van Brugge, in: Brugs Ommeland, 1982, zie blz. 300-306.

[19] P. DENY, ondervoorzitter der maatschappij voor Toneel en Letterkunde onderkenspreuk Kunstliefde te Brugge, De Coninck en Breysel of twee dagen uit ‘s lands geschiedenis, toneelstuk in vier bedrijven en getrokken uit De Leeuw van Vlaanderen, Brugge, Drukkerij van Bogaert-Dumortier en zoon, 1842.

[20] Gazette van Brugge 27 dec. 1844, 1 januari 1845.

[21] Gazette van Brugge, o.m. 2, 16, 18, 21 en 23 oktober 16, 18, 22 november, 16, 19, 23, 30 december 1844.

[22] A. VAN DEN ABEELE, De Hoop van Brugge, blz. 305.

[23] Gazette van Brugge 16 okt. 1844.

[24] Ze huwden met twee zusters: Pieter Deny in 1833 of 34 met Anna Maria Joos (° Brugge 3 juli 1805) en Louis Herreboudt in 1837 met Prudentia Catharina Joos (° Brugge 3 april 1809).

[25] Gazette van Brugge 29 december 1847 en 10 april 1849. Er is hieromtrent nochtans enige onzekerheid: het kon ook eventueel zijn neef zijn, Louis Herreboudt (°1822), bediende bij het provinciaal bestuur.

[26] Het Brugsche Vrije 26 juni 1850.

[27] In de titelblok van het Brugsch Handelsblad anno 1985 staat Louis Herreboudt vermeld als stichter van de drukkerij Herreboudt met als datum 1792. Dit klopt niet. Het jaar 1792 is het jaar van de stichting door Joseph Bogaert van het Vaderlandsch Nieuwsblad, de voorloper van de Gazette van Brugge. Een historisch juiste opgave zou kunnen luiden: “1783 Jos. Bogaert, stichter van de drukkerij” of “1792 Jos. Bogaert, stichter van het Vaderlandsch Nieuwsblad” en verder: “1845 Louis Herreboudt drukker-uitgever van de Gazette van Brugge – 1906 Maurice Herreboudt, stichter van het Brugsch Handelsblad”.

[28] Stadsarchief Brugge, Renouvellement des lois 1763-1795, vermeldt volgende Herreboudts in het bestuur van de bakkers tijdens de laatste dertig jaar voor de afschaffing van de ambachten: als deken Karel (1763) en Jan (1787), als vinder Jan (1770 en 1781), Karel (1777), Stephanus (1784), Jacob (1792) en Bernard (1795); Y. VAN DEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten, Brussel, 1972, deel 2, vermeldt verschillende Herreboudts met het beroep bakker in de lijsten van wijkmeesters tussen 1790 en 1795.

[29] Stdsarchief Brugge, Bevolkingsboeken 1809-1830, adres E6-30; Burgerlijke Stand Brugge, Huwelijken An VII n° 164, 1809 n° 69, 1819 n° 14 en 1827 n° 216.

[30] Gazette van Brugge 13 juli 1849.

[31] Het Brugsche Vrije 11 augustus 1849.

[32] Stadsarchief Brugge, Militieboek lichting 1822, n° 146.

[33] Gazette van Brugge 11 juli 1849.

[34] Het Brugsche Vrije 12 jan. 1850.

[35] Stadsarchief Brugge, Bevolkingsboeken 1809-1830, D9-49.

[36] A. VIAENE, Jan Breydel en zijn kloecke daeden, in: Biekorf, 1956, blz. 193; Y. VAN DEN BERGHE, a.w.

[37] J. VAN VYVE, Histoire et généalogie de la famille Van Vyve, Brussel, 1982, blz. 156.

[38] Kadastrale legger bij het kadasterplan van Brugge door P.C. Popp, 1854 en 1865: kadasternummer 976, 1144 n° 2.

[39] Stadsarchief Brugge, Bevolkingsboeken 1809-30, D9-49 en Militieboeken 1822, n° 146.

[40] Stadsarchief Brugge, register Rustende Burgerwacht 1835 n° 503.

[41] Het Brugsche Vrije 14 november 1849: “De Standaerd zijn (Herreboudts’) vorigen meester in de drukkunst.”

[42] Stadsarchief Brugge, Bevolkingsboeken 1830-46; Kadastrale leggers bij kadasterplan Brugge door P.C. Popp.

[43] Stadsarchief Brugge, Kiezerslijsten 1848.

[44] Gazette van Brugge 29 mei 1848.

[45] Gazette van Brugge 10 januari 1849.

[46] Gazette van Brugge 12 januari 1849.

[47] Gazette van Brugge 23 juli 1849.

[48] Gazette van Brugge 22 mei 1859

[49] Gazette van Brugge 29 april 1846.

[50] Gazette van Brugge 8, 10, 17, 19 juni 1846.

[51] Gazette van Brugge 16 februari 1848.

[52] Gazette van Brugge 23 april 1847.

[53] Gazette van Brugge 22 november 1847.

[54] Gazette van Brugge 16 augustus 1847.

[55] Gazette van Brugge 18 augustus 1847.

[56] Gazette van Brugge 30 augustus 1847.

[57] Gazette van Brugge 6 september 1847.

[58] Gazette van Brugge 1 september 1847.

[59] Gazette van Brugge, bvb. 7 februari, 19, 26 en 31 maart, 4, 7, 14 april 1851.

[60] Gazette van Brugge 2 januari 1851.

[61] Zelfs tot op heden is dit nog altijd een uitstekende barometer om na te gaan tot welk kamp zogenaamd neutrale kranten, weekbladen en magazines werkelijk behoren!

[62] Gazette van Brugge 19 februari 1849.

[63] Gazette van Brugge 2 januari 1850.

[64] Gazette van Brugge 2 januari, 18 februari, 3 april 1850.

[65] Gazette van Brugge 16 lei, 18 juni 1851.

[66] Gazette van Brugge 2 juni 1847.

[67] Gazette van Brugge 3 juli 1847.

[68] Gazette van Brugge 5 juni 1850.

[69] Gazette van Brugge 4 en 7 juni 1847.

[70] Gazette van Brugge 26 mei 1848; De Nijverheid 28 mei 1848. Marie Jean Amédée Visart de Bocarmé (Doornik 1794 – Sint-Kruis 1855, vader van Amédée Visart, de latere burgemeester van Brugge, was hoofdman van de schuttersgilde Sint-Sebastiaan (1843-1855) en burgemeester van Sint-Kruis (1847-1855).

[71] Gazette van Brugge 16 augustus 1848.

[72] Gazette van Brugge 3 januari 1849.

[73] Gazette van Brugge 10 september 1851.

[74] Gazette van Brugge 26 en 29 mei, 5, 7 en 9 juni 1848.

[75] Gazette van Brugge 16 augustus 1848.

[76] Gazette van Brugge 21 januari 1850.

[77] Gazette van Brugge 17 april 1850.

[78] Gazette van Brugge 21 januari, 26 april en 27 mei 1850, 3 september 1851.

[79] Gazette van Brugge 21 januari 1850.

[80] Gazette van Brugge 17 en 26 april, 27 mei 1850.

[81] Gazette van Brugge 16 april 1851.

[82] Gazette van Brugge 27 mei, 5 en 7 juni 1850.

[83] Gazette van Brugge 12 februari, 16 juni, 4 en 29 augustus, 3 september 1851.

[84] Gazette van Brugge 26, 29 en 31 mei, 2, 6, 7, 9 en 10 juni 1848.

[85] Gazette van Brugge 14 juni 1848.

[86] Gazette van Brugge 5, 7 en 10 juni 1850.

[87] Gazette van Brugge 12 juni 1850.

[88] Gazette van Brugge 9, 11 en 14 december 1846; Standaerd van Vlaenderen 12, 15 december 1846.

[89] Gazette van Brugge, bvb. 12, 22 en 24 mei 1848.

[90] Gazette van Brugge 4, 11, 14, 18 en 22 augustus 1848.

[91] Gazette van Brugge 30 augustus 1848.

[92] Gazette van Brugge 22 mei 1850.

[93] Gazette van Brugge 10 juni 1850.

[94] Gazette van Brugge 10 september 1851.

[95] Gazette van Brugge 7 augustus, 21 en 23 oktober 1846, 8 februari 1847.

[96] Gazette van Brugge 8 januari 1847.

[97] Gazette van Brugge 17 september 1847.

[98] Gazette van Brugge 8 december 1847.

[99] Gazette van Brugge 21 december 1846.

[100] Gazette van Brugge 14 juni en 21 augustus 1848.

[101] Gazette van Brugge 26 december 1846.

[102] Gazette van Brugge 10 juli 1848

[103] Gazette van Brugge 9 augustus 1850.

[104] Gazette van Brugge 31 maart 1850.

[105] Gazette van Brugge 8 en 16 mei, 18en 30 juni, 25 juli, 8 en 20 augustus, 5 en 12 september 1851.

[106] Gazette van Brugge 21 april, 6, 8 en 12 mei, 27 augustus 1851.

[107] Gazette van Brugge 8 en 10 mei, 12 september 1851.

[108] R. VAN EENOO, De pers te Brugge, 1792-1914, Bouwstoffen, Leuven – Parijs, 1961.

[109] R. VAN EENOO, Economische crisis , a.w.

[110] J. STECHER, J.A. De Jonghe, in: Biographie Nationale, V-219; S. VAN CLEMEN, Jan A. De Jonghe, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, blz. 1590

[111] De Nijverheid, 4 januari 1846.

[112] A. DEPREZ, De tael is gansch het volk, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 3046.

[113] De Nijverheid 28 maart, 4 april 1847.

[114] Gazette van Brugge 29 maart 1847.

[115] Gazette van Brugge 13, 20 en 27 december 1847.

[116] Zie: H. J. ELIAS, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte 1780-1914, Deel I, Antwerpen, 1963, vooral blz. 165-207.

[117] W.GOBBERS, Pieter F. Van Kerckhoven, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 1684-1685.

[118] K. WAUTERS, Hendrik Conscience, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 783-787.

[119] A. DEPREZ, Ferdinand Snellaert, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 2767-2770.

[120] A. DEPREZ, Vlaemsch Gezelschap, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 3502.

[121] Gazette van Brugge 24 januari en 2 februari 1848.

[122] N. LEHOUCQ en T. VALCKE, Pieter Ecrevisse, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, blz. 1044-1045; H. J. OP DEN KAMP, Pieter Ecrevisse, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Vol. III.

[123] De Nijverheid 2 januari 1848.

[124] A. VAN DEN ABEELE, De Hoop van Brugge, a.w.

[125] Gazette van Brugge 12 juni 1848.

[126] Gazette van Brugge 25 oktober en 27 november 1848.

[127] Burgerwelzijn, 21 december 1850.

[128] Gazette van Brugge 4, 8, 10 januari, 21, 25, 28 april, 6, 21 mei, 20 juni, 4, 25, 30 juli, 4 augustus, 1, 8, 12, 19 september 1851.

[129] R. VAN EENOO, Post-revolutionaire contestatie, a.w.

[130] Het Brugsche Vrije 3 en 7 juni 1848.

[131] Het Brugsche Vrije 30 juni, 4 juli 1849.

[132] Gazette van Brugge 6 juli 1849.

[133] Het Brugsche Vrije 7 juli 1849.

[134] Gazette van Brugge 11 en 13 juli 1849; Het Brugsche Vrije 14 en 18 juli 1849.

[135] Gazette van Brugge 13 juli 1849.

[136] Het Brugsche Vrije 11 augustus 1849.

[137] Gazette van Brugge 16, 18, 20, 23 juli, 3, 8 augustus 1849; Het Brugsche Vrije 14, 18, 21, 25, 28 juli, 4, 8, 11, 29 augustus 1849.

[138] Gazette van Brugge 3 augustus 1849.

[139] Het Brugsche Vrije 5, 8, 15, 22 september, 13 oktober, 14 november, 26 december 1849, 12, 16, 19, 26 januari, 2, 9, 16, 23 februari, 9 maart, 6, 20 april, 1, 4, 8, 18, 22, 29 mei, 12, 15, 26 juni 1850, enz.

[140] Het Brugsche Vrije 4 en 11 augustus 1849.

[141] Het Brugsche Vrije 29 augustus 1849.

[142] Het Brugsche Vrije 13 oktober 1849.

[143] Het Brugsche Vrije 26 oktober 1850.

[144] Het Brugsche Vrije 4, 20 augustus, 8 september, 6, 10, 24 oktober 1849, 9 januari, 2, 23 februari, 17 april, 26 juni, 6 juli 1850. Over de eerwaarde heren Maes, zie: J. GELDHOF, Pelgrims, dulle lieden en vondelingen te Brugge, 1275-1975, Brugge, 1975, blz. 229 en vv.

[145] D. MISSIAEN en P. DE BAERE, Charles Louis Carton, stichter van de congregatie Zusters der Kindsheid van Maria Ter Spermalie, Brugge, 1979.

[146] G. F. TANGHE, Panorama der bekende kerkdienaars van Onze Lieve Vrouw te Brugge, Brugge, 1864, blz. 217-242. Pieter Tanghe was secretaris van het bisdom (1837-1853) en daarna pastoor-deken van O.-L.-Vrouwkerk.

[147] F. Moulaert was adjunct-secretaris vanhet bisdom en bewaarder der relikwieën. Zijn doodsprentje werd bij L. Herreboudt gedrukt.

[148] L. SOURIE, Ludovicus Van Haecke, Brugge, 1956.

[149] Het Brugsche Vrije 2 februari, 30 maart, 22 mei 1850.

[150] Het Brugsche Vrije 18 juli 1849.

[151] Het Brugsche Vrije 1 mei 1850.

[152] R. VAN EENOO, De pers te Brugge, a.w., blz. 175.

[153] Het Brugsche Vrije 12 en 15 juni 1850, Gazette van Brugge 4, 15 januari 1851.

[154] P. VAN HILLE, Supplément à l’histoire de la famille Van Hille, Tablettes des Flandres, Document 4, Brugge, 1965, blz. 129-132, met genealogie van de afstammelingen Herreboudt.