Het Huis De Lombard

in de Langestraat

Andries Van den Abeele

1. De Langestraat in opbouw

Wie in de dertiende eeuw de versterkte binnenstad  van Brugge verliet langs de Hoogstraat en door de poort aan de Molenbrug, kwam op de oude weg naar Aardenburg terecht. Stilaan werd de stad binnen de wallen overbevolkt, zodat men begon te bouwen langs die Aardenburgse weg. Gaandeweg ging men het bebouwde deel dat bij de stad aanleunde, en dat vanaf 1290 een kasseiweg werd, de Langestraat heten. De paters Predikheren kwamen er zich rond 1230 vestigen en bouwden hun klooster op een plek waar al een huis stond.

In 1220 had het Sint-Aubertusbegijnhof er zich gevestigd, maar vooral nadat in 1297 de nieuwe omwalling van de stad werd aangelegd en de Kruispoort werd gebouwd, kwamen er zich, in dit nu veel veiliger geworden gebied, allerhande instellingen vestigen. In de Langestraat waren dit o.m. de zusters franciscanessen (in 1311) en het Columnahospitaal (in 1362). In de nabijgelegen Ganzestraat bouwde men het 's Gravenconvent (in 1315) en in de Molenmeers het Papendrechthospitaal (in 1350).[1]

Ook gewone huizen werden er opgericht. In het huis waar de Dominicanen hun intrek namen, woonde al rond het jaar 1200 een kanunnik van Sint-Donaas.[2] Verder kwamen er zich ook verschillende brouwerijen vestigen. In de directe buurt van de Langestraat werden midden landbouwgrond en blekerijen, verschillende patriciërshuizen gebouwd, o.m. het Hof van Praet en het Hof ter Veere (later St.-Annakerk), het hotel van de familie Adornes (Jeruzalemstraat) en het Hof van Leffinge, later Hof van Ravestein (Molenmeers).

We zullen hierna beschrijven hoe in 1435 verschillende huizen, rechtover de paters Predikheren gelegen, werden gesloopt. Het is waarschijnlijk dat, om het slopen te verrechtvaardigen, ze al aan vetusteit onderhevig waren en derhalve in de 13de - 14de eeuw gebouwd waren. Het is op die plek dat het huis werd opgetrokken dat ons bezig houdt: dat van Joos Honin.

2. De familie Honin

De makelaarsfamilie Honin duikt in Brugge op in het begin van de 14de eeuw. Zeger Honin I (+ 1310 - 1370) was zeker al makelaar en hostelier vóór 1340 en werd hierin door verschillende familieleden opgevolgd.[3] Waren de Honins al vóór die tijd in deze of andere activiteiten bezig?

In 1324 was een Maarten Honin (of Hontin) schepen van Brugge. Hij behoorde tot het weversambacht en speelde een actieve rol in de opstand van 1323-1328.[4] Begin van de veertiende eeuw was er een Boudewijn Honin lid van het ambacht van de wevers[5] en waren er drie Honins, Lamsin, Lauwers en Willem, lid van het vuldersambacht.[6] Zeker is dat onze Zeger Honin tot de notabelen behoorde. Hij werd voor het eerst schepen in 1347, burgemeester van de raadsleden in 1351 en burgemeester van de schepenen in 1363.[7] Daarnaast was hij beroepshalve makelaar en hostelier. Het is in het centrum van de Engelse handelswijk dat hij en zijn opvolgers gevestigd waren. Die wijk bevatte o.m. de Koningsstraat (toen Crommenwal genoemd), het Sint-Maartensplein (toen Schottenplaats genoemd), de Engelsestraat, de Boomgaardstraat, etc. Honin dreef dan ook handel met de Engelsen en verstrekte aan Engelse handelaars logies. Zo is er in 1371 een vermelding dat Zeger Honin de Jonge (zijn zoon?) aan een aantal bij name genoemde Engelsen onderdak verschafte.[8]

Bij zijn overlijden in 1384, een paar maanden nadat hij een burgemeesterstermijn had uitgeoefend, werd Zeger Honin II begraven in zijn parochiekerk Sint-Walburga, op de hoek van de Riddersstraat en de St.-Walburgastraat, weldra gevolgd door Zeger Honin III en diens echtgenote Katelijne Metteneye. Na hen zouden nog talrijke prominente leden van de Honinfamilie in deze kerk begraven worden, er fundaties oprichten of er schenkingen aan doen. Eén onder hen, burgemeester Maarten Honin (+ 1400-1467) deed achter het hoofdaltaar zelfs een bidplaats bouwen waar alle familiegraven zouden verzameld worden, rond het marmeren praalgraf dat hij voor zichzelf en voor zijn vrouw Katharina Van Hertsberghe oprichtte.[9]

Twee familieleden, waarschijnlijk broers van Zeger Honin II of III, zijn in hetzelfde St.-Walburgakwartier terug te vinden. Gillis Honin (+ 1384 of 85), had slechte zaken gedaan en zijn ganse inboedel en eigendommen werden na zijn vroegtijdig overlijden van de hand gedaan. Dit betrof o.m. de drie vijfden van de eigendom gelegen Boomgaardstraat en zich uitstrekkend tot in de Riddersstraat, dat door zijn broer Jan Honin werd ingekocht.[10] Het staat niet met zoveel woorden in de oorkonde vermeld, maar men mag aannemen dat het om het ouderlijke handelshuis ging, waarvan Gillis en Jan de eigenaars waren geworden en waarbij Jan het deel van zijn broer afkocht uit de bezwaarde successie. Later nog kocht Jan Honin percelen grond aan in de Crommenwal, die voordien aan zijn moeder hadden toebehoord.[11]

Deze Jan Honin werd in 1385 voor het eerst hoofdman van het Sint-Janssestendeel (het kwartier waarin hij woonde), functie die hij tussen dat jaar en 1406 in totaal dertien maal zou uitoefenen. Hij was ook éénmaal schepen, driemaal burgemeester van de raadsleden en viermaal burgemeester van de schepenen.[12]

Zijn publieke loopbaan liep slecht af. Door hertog Jan zonder Vrees werd hij wegens samenzwering, samen met vijf andere gezagsdragers in maart 1407 uit Brugge verbannen en zijn goederen werden geconfisqueerd[13], dit niettegenstaande (of omdat) zij allen "seer bemint van het gemeente (waren) en vele voor het welvaeren van de stad gedaen hadden". Hun trof geen de minste schuld vond men, en alles berustte op valse betichtingen vanwege heren die in hun plaats wilden treden en bij de hertog in het gevlei waren gekomen.[14]

Niets bleef evenwel lang duren in deze wisselvallige tijden en in 1414 mochten de ballingen terugkeren en hun eigendommen weer in bezit nemen.

Wellicht was Joos Honin de zoon van deze Jan, hoewel er méér op wijst dat hij een zoon was van een jongere Jan, zoon van Gillis. Deze werd in 1404 voor het eerst raadslid, terwijl zijn naamgenoot Jan, zoon van Zeger, hoofdman van het Sint-Janssestendeel was. In 1411 trok hij ten strijde met Jan zonder Vrees, in 1413 en 1416 was hij opnieuw raadslid en in 1418 en 1420 was hij schepen. Hij overleed in 1425, terwijl hij de thesauriersfunctie uitoefende.[15] Deze Jan was nauw verwant, net als de hiernavolgende Joos, met de familie Adornes, en meer bepaald met de stichters van de Jeruzalemkerk, Pieter en Jacob Adornes.[16]

De genealogische gegevens over de familie Honin zijn slordig weergegeven in het enige beschikbare referentiewerk, het Bruges et le Franc van Gailliard. Het is dan ook niet met absolute zekerheid, maar slechts met enige waarschijnlijkheid dat we kunnen aannemen dat Joos Honin de zoon was van deze Jan Honin, zoon van Gillis en van Jans vrouw Marie Courtvoisin.

3. Joos Honin in de Langestraat (tot 1457)

Waren er al vóór Joos, andere Honins of verwanten in de Langestraat woonachtig? Gailliard - zonder bronnenvermelding - geeft aan dat er al midden de 14de eeuw een Zeger Honin bij de Predikheren begraven werd, alsook een echtpaar Adriaan Honin - Margaretha Van Meetkerke (rond 1380) en een echtpaar Jan Metteneye - Maria Honin (rond 1378). Dit zou alvast een vingerwijzing naar wonen in de Langestraat betekenen, want zoniet zou men wel de St.-Walburgakerk of een andere Brugse kerk verkozen hebben boven de toen nog bescheiden en excentrisch gelegen Predikherenkerk.[17]

Hoe dan ook, Joos Honin was zeker eigenaar van het goed in de Langestraat in 1435, misschien al vroeger.[18] Werd hij er in 1444 toe genoopt, omwille van een verheffing in de adelstand en het verkrijgen van de titel van "raadsheer van de hertog", zijn ridderschap te baseren op leengoederen? In dat jaar verwierf hij enerzijds het "Hof ten Torre" in Oostkamp, dat 198 gemeten groot was[19] en wijzigde hij anderzijds de juridische toestand van zijn eigendom Langestraat door er een leengoed van te maken.

Deze eigendom behelsde "een huus met al datter toebehoort" en vijf andere huizen. Het ene was "een poorte, metten ghanghe daeran en met een lovekin (dak) boven der zelver poorte ende een huus binnen der voors. poorte". Vervolgens waren er drie huizen "daerof teen es beghonnen af te breken". Tenslotte was er nog "een hofstede metten mueren ende poorte, daer te vooren een huus op stond, dat de voors. Joos heeft doen afbreken". Dit alles stond "deen neffens den anderen" in de Langestraat, rechtover de Predikheren, met als buren de brouwerij De Meermin (ten oosten) en de huizen van Jan Huygheyns (ten westen).[20]

Het lijkt dus duidelijk dat Joos Honin een ruim huis bewoonde "met al datter toebehoort" en dat hij de aanpalende woningen, die hij al dan niet al langer in eigendom had, sloopte om zijn oorspronkelijke woning verder uit te breiden en meer in overeenstemming te brengen met zijn aanzienlijker geworden status.

Het is praktisch zeker dat dit het grote huis is dat voorkomt op het panoramisch stadsplan van Marcus Gerards (1562). Het is er op weergegeven als een twee bouwlagen hoog langshuis, het scherpe zadeldak evenwijdig met de straatzijde. Aan de tuinzijde stond een bovendaks uitstekende traptoren, het statussymbool bij uitstek. Vooral in de Bourgondische periode lieten adel en burgerij hun woningen flankeren door hoge traptorens, en Joos Honin wou hierin duidelijk niet ten achter blijven.

Gehuwd met Magdalena Fierens, behoorde Joos Honin tot de Brugse poorterij. In 1421 maakte hij deel uit van de aanzienlijke groep Brugse edellieden en poorters die met Filips de Goede optrokken tegen de Fransen, met de bedoeling de moord op Jan Zonder Vrees te wreken.[21] Hij was verwant met de Adornes en met veel andere grote Brugse families. In 1429 werd hij voor het eerst schepen van Brugge, werd het opnieuw in 1431 - in dat jaar nam hij ook deel aan één van de vermaarde steekspelen van het gezelschap van de Witte Beer -, was in 1433 stadsthesaurier en tenslotte bekleedde hij in 1451 en 1455 de hoogste functie in de stad, die van burgemeester van schepenen.

Wat de functie van burgemeester o.m. inhield kan men leren uit de zending die Joos Honin van 21 mei tot einde juni 1455 volbracht.[22] Hij was hierbij vergezeld van schepen Pieter Van de Midhaeghe, pensionaris Jacob Inghele, stadsklerk L.De Cock, koerier Zeger Wittebaert, en ook nog een stedegarsoen of stadsbode[23] en een scaerwetter of politieman die zijn persoonlijke lijfwacht was.[24]

Eerst trok het gezelschap naar Leuven om er te confereren over stadsproblemen met hertog Filips de Goede "onzen gheduchten heere" en daarna naar Antwerpen om er met de Oosterlingen te onderhandelen. De Oosterlingen of Hanzeaten waren, omwille van de voortdurende onveiligheid in Brugge en ook omdat ze elders betere voorwaarden kregen, naar Antwerpen en Utrecht vertrokken. Dit betekende voor het economisch leven in Brugge een aanzienlijk verlies. Joos Honin moest een grote poging doen om ze naar Brugge terug te halen en kon hun aanlokkelijke voordelen aanbieden, waaronder als voornaamste de belofte dat de stad gratis een passend gebouw zou ter beschikking stellen. Hij had succes want tegen 1457 was de "Duitse natie" weer in Brugge actief.[25] Het is niet zeker dat Honin ze nog zelf mocht verwelkomen, aangezien hij halfweg dat jaar stierf.

Naast zijn Brugse functies oefende Joos Honin ook nog opdrachten uit in dienst van de hertog. Zo werd hij waterbaljuw van Sluis, hetgeen zoveel betekende als militair bevelhebber over de haven van Sluis. Na zijn dood werd hij hierin opgevolgd door Maarten Honin.[26] Joos Honin moet rond 1400 geboren zijn en was dus nog betrekkelijk jong toen hij op 29 juni 1457 overleed, kort daarop gevolgd door zijn vrouw. Beiden werden bij de overburen, de paters Predikheren, begraven.[27] Ze hadden een zoontje, Janneken, die in 1458 overleed.

Na hun dood traden twee heren, misschien verre familieleden van de kant Fierens, in dispuut over wie zich het leen Ten Torre mocht toe-eigenen. Jacques Deslers (of de le Desneres) en Gerard de Mortaigne procedeerden hierover.[28] Aan de huizen en erve in de Langestraat werd de status van leen weer ontnomen, en werd het geheel meer dan waarschijnlijk verkocht.[29]

We vermelden hier ook nog dat Joos Honin een zuster Catharina had die huwde met Zeger De Baenst, heer van Lembeke (+1472). Van 1440 tot zijn dood, en alternerend met zijn schoonbroer Honin en met zijn broer Jan III De Baenst (+1485), was Zeger De Baenst vaak hoofdman van het O.L.Vrouwsestendeel, tresorier, schepen en burgemeester van Brugge.[30] Een element te meer in de situering van Joos Honin bij de belangrijkste Brugse families van zijn tijd.

4. De "Lombard" of de "Wouckere" (1457 - +1510)

Rond het midden van de vijftiende eeuw kreeg het huis van Honin een in het oog springende bestemming, en meteen een naam die er tot op vandaag zou blijven aan kleven. Het huis werd namelijk een lommerd of "Lombard", een pandjeshuis of "Wouckere".[31]

Vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw waren er in Brugge een paar officieel erkende lommerds. In 1281 werd een eerste octrooi verleend aan een bank van lening die zich al vanaf 1244 onvergund langs de Langerei was komen vestigen. Tot ver in de 16de eeuw zouden er trouwens heel wat onofficiële "woekers" bestaan.

De belangrijkste van zijn soort was die aan de Langerei, die in enkele huizen gevestigd was en die men de "Cahorsijnen" noemde. Daar woonden woekeraars die uit Lombardije, Piëmont of Toscane afkomstig waren en er tegen een intrest van meestal 43% op jaarbasis, allerhande goederen in pand namen. Lenen op pand of "woekeren" werd als een eerder oneerbaar maar niettemin noodzakelijk beroep beschouwd, en had de reputatie zeer winstgevend te zijn. In het Boec der ambachten, een Brugs leer- en leesboekje uit 1370 staat vermeld:

"Julien de wouckenaere

es sere gherijct

zichten dat hij leende

eerst te wouckere;

hi heeft vele vergadert

van goeden juweelen

ende van scoone wonighen."

De heren woekeraars vonden dit evenwel nog niet genoeg. Zo kwam het dat de Woucker aan de Langerei, na meer dan 175 jaar welvarende activiteit, ging speculeren op de wolinvoer en het slachtoffer werd van een massale prijsinzinking. In mei 1457 ging ze er aan failliet.

De lommerdhouders ontvluchtten de stad, alle panden meenemend die ze maar konden opladen en de stad en hun vele schuldeisers in crisis achterlatend. Een paar onder hen werden opgepakt en zaten lang in de gevangenis, maar anderen, uit dezelfde familie als de gefailleerden slaagden er in, al dan niet als "stromannen" de leenbank in de oude vertrouwde gebouwen terug aan te vatten. Een paar onder hen dachten wellicht dat het toch beter was om met een nieuw imago te beginnen. Ze lieten hun oog vallen op de leegstaande grote eigendom in de Langestraat en kochten die. We kennen met zekerheid de naam van de twee voornaamste vennoten in deze lommerd.

Het ging om Oudenin de Ville, lid van de uitgebreide familie van lommerdhouders met de Italiaanse naam de Villa afkomstig uit Chieri, en om Gabriel de Solier, lid van de nog uitgebreider familie Solari uit Asti. De Latijnse naam van de Solaris luidde "de Cellario" en de Vlaamse "Van den Zoldere". We weten met zekerheid dat deze twee heren "ende hun geselscip" een lommerd uitbaatten in onze "Lombard", tijdens de tweede helft van de 15de eeuw, grosso modo van 1457 tot na 1501.

Daar waar andere familieleden vanaf 1459 weer in de "Cahorsinen" opereerden, zien we in 1473, 1475 en 1483 Gabriel de Solier, Oudenin de Ville en compagnie afzonderlijk vermeld als "houdende banc van leeninghe binnen stede van Brugghe".[32]

Men mag aannemen dat ze toen inderdaad in de Langestraat gevestigd waren, want op het register waarin Joos Honin in 1435 als eigenaar werd vermeld, schreef een latere hand bij: "nu den wouckeraers ende es den woukere bij den Jacopinen"[33], evenwel zonder datum. Volledige, op documenten berustende zekerheid hebben we alleen voor de periode van 1489 tot 1501. De eerste van die twee data vinden we terug op een akte die betrekking heeft op de brouwerij De Meermin die gelegen was naast "den huusinghen ende wouckere toebehoorende Gabriel du Sollier".[34] De tweede in het taksregister van de stad, "anno 1501, messire Gabriel du Solier (...) up tland daer wijlen zes huusen op stonden, in de Langhestraete an de noordside, twelcke nu de woucker es, (enz.)".[35] Hiermee wordt trouwens de melding dat al in 1492 de leenbanken definitief uit Brugge verdwenen, tegengesproken.[36]

Verschillende teksten tonen aan dat al minstens in 1468 de leenbank in de Langestraat gevestigd was. Hij wordt namelijk vernoemd in de beschrijvingen die we hebben vande Blijde Intocht van Karel de Stoute en Margareta van York, ter gelegenheid van hun huwelijk, op 3 juli 1468.

In een tekst uit de 18de eeuw, de Jaerboecken der stadt Brugge lezen we dat er een triomfpoort was gebouwd "aen het huys van de Berg, tot aen den muer van de Jacobijnen".[37] Het is duidelijk dat men in de 18de eeuw minder vertrouwd was met wat een "Woucker" of lommerd was, en de auteur dacht dat dit hetzelfde was als de stedelijke leenbank of "Berg van Charitate" die in 1573 met sociale doelstellingen was opgericht en in de 18de eeuw nog steeds actief was.[38] Vandaar het gebruik van het woord "Berg" in plaats van "Lombard" of "Woeker".

Als bron gaf Karel Custis, de auteur van de "Jaerboeken" o.m. de "Excellente Cronicke", folio 137. Inderdaad in de in 1531 bij Vorstermans in Antwerpen gepubliceerde Dits die excellente cronike van Vlaenderen lezen we dat er een triomfpoort stond "aen thuys van de wouckere, wijlent toebehoorende Joos Honin, tot aender muur van de Jacopijnen tseghen over". Die tekst gaf geen bronvermelding.

We citeren ook nog de Cronycke van de lande en de graefschepe van Vlaanderen van Nicolas Despars (1522-1597). Hij compileerde ook maar wat hij elders gevonden had, maar deed het kleurrijk. Zo over de triomfpoort in kwestie : "Ende voor die oude wouckere, thuys van wylent Joos Honin (daer nu ter tyt Mer. Philips, die heere van Dongnys, bailliu van der stede en de 's lands van de Vryen inne woont), hadden die vleeschhauwers ooc eene magnifieke stellinge poortewys dweers over de straete ghedaen maken met zekere thorrekens ter zijden, daer ten passerere van de princesse Margriete deurgheans (met een zoettoonich geluyt van eender orghele), niet dan witte duyven ende allerhande cleene ghevogelte uytvloghen, alle ghelyck verwapent met hare wapene an haerlieden hals ende met die wapene van haerlieder bruydeghom. Oock vertooghde haer up dezelve stellinghe, die historiael figure van de coninck Tolemeus, ghevende Cleopatra, zijne dochtere, die coninck Alexander in huwelijcke."[39] In deze tekst stelt men vast dat Despars, voor het makkelijker situeren ten behoeve van zijn lezers uit de jaren 1570, de toenmalige eigenaar-bewoner, hoogbaljuw d'Ongnies vernoemde.

Om te weten of de eigentijdse verslaggeving uit 1468 de "Woucker" citeerde, moet men er o.m. het verslag op nalezen van de eigentijdse kroniekschrijver, Olivier de La Marche (1422-1502). Daar lezen we evenwel slechts over de triomfboog in kwestie: "La seconde, devant les Jacoppins, estait moult excellente".[40] Hier geen spraak van de "Woeker". Er moeten dus nog andere bronnen geweest zijn waarop onze auteurs zich baseerden.

Een dubbele conclusie uit dit verhaal is dat in ons huis een lommerd heeft gefunctioneerd, met als uiterste data 1457 en begin 16de eeuw, hetzij dus een vijftigtal jaren en dat hierdoor het huis, nadat het opnieuw en voor bijna vijf eeuwen, de woning van adellijke families was geworden, blijvend met de tot de verbeelding sprekende naam van de "Lombard" of zelfs de "Wouckere" bekend bleef. Het is als huize Lombard dat het werd opgetekend in de kadastrale legger van de stad die in 1580 vaste vorm kreeg en dat het sedertdien in akten van verkoop of van hypotheekstellingen vernoemd bleef.

5. Burgemeester François Petyt (+1510 - +1554)

Wanneer hield de lommerd in de Langestraat op te bestaan? Een juiste datum hebben we niet, alleen een tijdstip: het eerste kwart van de 16de eeuw.

François Petyt (+ 1485-1552) werd de volgende eigenaar. Hij was de zoon van Boudewijn Petyt, raadslid van Brugge en van Catharina Losschaert, dochter van de Brugse burgemeester Antoon Losschaert.[41] De familie Petyt had haar wortels in het graafschap Artesië. Dat hij eigenaar was, kunnen we opmaken uit een akte waarin vermeld is: "... jeghens over den clooster van de Predicaren ... den huusinghen wylen gheheeten den Lombaert ofte Wouckere, nu ter daten van dezen toebehoorende dheer François Petit".[42]

Vanaf het jaar 1513 toen hij raadslid van Brugge werd, tot aan zijn overlijden op 26 januari 1552 doorliep Petyt een belangrijke ambtelijke loopbaan. Van 1515 tot 1521 was hij thesaurier van de stad. Bij herhaling werd hij schepen (in 1528, 1531, 1533, 1537, 1538, 1542 en 1544), hoofdman van het Sint-Janssenstendeel (in 1524, 1530, 1543, 1545 en 1547), burgemeester van de Commune (in 1540 en 1541) en tenslotte burgemeester van de schepenen (in 1522, 1523, 1529, 1550 en 1551-52), functie die hij bij zijn overlijden nog steeds bekleedde.[43] Een man van aanzien en gewicht dus.

Het feit dat hij in 1524 hoofdman werd van het Sint-Janskwartier waar de Langestraat toe behoorde, geeft de mogelijkheid aan, geen absolute zekerheid uiteraard, dat hij toen al, of zelfs vroeger, in de "Lombard" woonde. De hierboven geciteerde akte dateert uit 1541, zodat we voorlopig alleen maar vanaf die datum zekerheid over zijn eigenaarschap hebben.

François Petyt was natuurlijk lid van heel wat verenigingen. Zo was hij in 1509 lid geworden van de Edele Confrerie van het Heilig Bloed, waarvan hij voor het jaar 1520 de proost was. In 1535 werd hij lid van de kruisbooggilde van Sint-Joris. Hij was ook voogd van het hospitaal van de Potterie en van het Sint-Juliaansgasthuis.

François Petyt was gehuwd met Marie Ridsaert (overleden op 15 mei 1562). Zij was de dochter van de Brugse schepen François Ridsaert (+1503) en van Antoinette Van Vyve (+1498), beiden lid van vooraanstaande families uit het vleeshouwersambacht.[44] Het spreekt haast vanzelf dat François en Marie Petyt-Ridsaert begraven werden bij hun overburen, de paters Predikheren.[45]

François Petyt werd opgevolgd door zijn zoon Jean-François Petyt (+1520-1562) die huwde met Françoise Courteville en in tweede huwelijk met Anna De Vooght, dochter van een schepen van het Brugse Vrije. Ook hij begon aan de "cursus honorum" door in 1540 lid te worden van de Edele Confrerie van het Heilig Bloed, waarvan hij in 1545 proost werd en door in 1543 schepen van de stad te worden. Nadien werd hij nog gewoon raadslid (in 1545, 1547 en 1552), zodat het niet een zo schitterende loopbaan werd als van zijn vader. Een voortijdige dood maakte er een einde aan.

François Petyt had ook nog een dochter Marguerite (+1520-1597) die door haar huwelijk met Jan van der Vlamincpoorte aan de oorsprong lag van talrijke adellijke families. Haar kleindochter Anna Van Brakel (+1575-1636) huwde met Anselm-Opitius Adornes (1569-1610) en zo werd François Petyt de voorvader van o.m. de families De Draeck, de Negri, Veranneman de Watervliet, de Limburg Stirum, de Peellaert en vele andere.[46] De vroegtijdige dood van zijn zoon en in hetzelfde jaar ook van François Petyts vrouw, betekende het einde, ten laatste dus rond 1562 van de bewoning van de familie Petyt in de "Lombard".

6. De familie d'Ongnies (+1554 - 1586)

Vanaf het midden van de zestiende eeuw werden de Petyts als eigenaars en bewoners opgevolgd door de familie d'Ongnies.[47] D'Ongnies was een oude adellijke familie die net als de Petyts zijn oorsprong had in het graafschap Artesië. Vanaf de vijftiende eeuw waren er leden van die familie in dienst van de Bourgondische hertogen en hun opvolgers, wat hen ook naar onze gewesten bracht en waar sommigen huwden.

Zo was er Jean d'Ongnies (1480-1545), gouverneur van Doornik en kamerheer van Keizer Karel V. Hij was gehuwd met Marguerite de Lannoy, telg uit één van de belangrijkste Frans-Vlaamse families, die o.m. nauwe verwantschap had met de familie de Croy.

Doordat hun moeder Maria van Gistel was, kwamen Jean d'Ongnies en zijn zes broers en zusters in nauwer contact met Vlaanderen. Zijn broer Louis werd deken van Veurne, zijn zuster Catherine huwde met de soeverein baljuw van Vlaanderen Jacques de Thiennes, heer van Rumbeke (+1534) en zijn zuster Anne achtereenvolgens met de Brugse burgemeester en later grootbaljuw van Brugge en het Vrije Jacques Van Halewijn, heer van Boesinghe (+1544), en met Adriaan De Baenst, heer van Voormezele. Een andere tak van de familie d'Ongnies, heren van Quesnoy vestigde zich eveneens in Brugge, waar ze verwant was of goed bevriend met de Brugse patriciër Pieter Bladelin.[48]

Het echtpaar Jean d'Ongnies - Marguerite de Lannoy had verschillende kinderen, waaronder Louise d'Ongnies die huwde met Eustache de Croy en Gilbert d'Ongnies die bisschop van Doornik werd. Hun oudste zoon was ridder Philippe d'Ongnies (+1520-1583), die huwde met Margareta van Hames (1528-1586), burggravin van Ieper en dame van Middelburg-in-Vlaanderen.

Het stadje Middelburg was uit het niets opgericht door Pieter Bladelin (+1410-1472), tresorier van de Orde van het Gulden Vlies. Na de dood van zijn vrouw Margareta Van de Vageviere (1476) en gezien ze kinderloos bleven, werd de heerlijkheid door de erfgenamen verkocht aan Willem Hugonet, de kanselier van Karel de Stoute, die in 1477 door de Gentenaars werd terechtgesteld naar aanleiding van de revolte tegen Maria van Bourgondië.

De heerlijkheid bleef eigendom van zijn weduwe Louise De Laeye en van hun twee zoons Karel Hugonet (overleden in 1493) en Willem Hugonet (1472-1537). Deze Willem was gehuwd met Maria Lem (+1521), dochter van de Brugse burgemeester Maarten Lem. Hij bracht zijn naam in diskrediet door zijn moeder te vermoorden met "venimeuse materie". Hij werd hiervoor bij verstek veroordeeld tot eeuwige verbanning en verbeurdverklaring van zijn goederen. Na een ingewikkeld proces werd hij evenwel weer in zijn rechten hersteld, bleef hij ongestraft en werd hij zelfs nog burgemeester van het Brugse Vrije. Tenzij de stichting van een klooster van Arme Klaren in Middelburg, waar zijn zuster abdis werd, als een vorm van boetedoening gold.

In 1537 volgde Willems enige dochter Claudia hem op als vrouwe van Middelburg. Claudia Hugonet (+1500-+1564) kende een bewogen levensloop. Ze was eerst verloofd met de Franse officier François Daveron, maar erg tegen zijn zin werd de verloving verbroken. Terwijl hierover een proces liep voor de rechtbank van Ieper, beraamde Daveron met vier trawanten een plan om Claudia te ontvoeren. Ze zouden in hinderlaag liggen langs de steenweg naar Aardenburg op de dag dat Claudia naar de processie van Sluis trok. Ze werden evenwel verklikt, opgepakt en zwaar veroordeeld.[49] In 1527 huwde ze dan met ridder Maarten Van Hames (+1500-1544), en na zijn dood trouwde ze nog achtereenvolgens met Matthias Van Hames (+1551) en met Bartholomeus van Vinercato (+1560).

Alleen uit het eerste huwelijk was er een nakomelinge, Margareta de Hames, die door haar huwelijk de heerlijkheden Middelburg en Leisele en de burggraafschappen Ieper en Bettenshoven, evenals de ammanie Aardenburg in de familie d'Ongnies bracht.[50] Dit brengt ons terug in de Lombard.

Philippe d'Ongnies en Margareta kwamen zich in Brugge vestigen, waar hij eerst schepen en burgemeester van het Brugse Vrije werd om in 1549, in opvolging van Lodewijk van Praet, hoogbaljuw van Brugge en het Vrije te worden. Hij zou dit hoge ambt bekleden tot in 1581. Hij was een "grand seigneur". Naast heer van Ongnies was hij ook o.m. heer van Reninge, van Oost-Vleteren en van Watou en burggraaf van Ledreghem. Na 1568, in opvolging van de onthoofde Filips van Montmorency, graaf van Hoorn (1518-1568) werd hij ook baron van Nevele.

Dit betekende het bezitten van even zoveel kastelen en domeinen, elk met hun eigen burgerlijke en geestelijke besturen, gewoonten, rechtspraken en inkomsten (of soms zware uitgaven..) en met de door hem benoemde en voor zijn rekening optredende plaatselijke intendanten en ontvangers. Sommige eigendommen, zoals bvb. Nevele leverden aanzienlijke opbrengsten op en enkele van de kastelen, meer in het bijzonder Watou, waren indrukwekkende gebouwen. Het castellum van Watou genoot de eer om in al zijn glorie vereeuwigd te worden in Sanderus' Flandria Illustrata.[51]

Als hoogbaljuw van Brugge en het Vrije was Philippe d'Ongnies zeer actief. Vaak ging hij namens het centraal gezag de strijd aan tegen de onafhankelijkheidsgeest van de locale besturen. Hij voerde zelfs een hele strijd tegen de magistraat van het Brugse Vrije die hem slechts met de titel van baljuw wou aanspreken, daar waar hij er op stond om als hoogbaljuw of grootbaljuw te worden erkend. De magistraat weigerde ook om in te gaan op zijn eis hun bijeenkomsten bij te wonen en er stemrecht te hebben.[52]

Wanneer kocht Philippe d'Ongnies het huis in de Langestraat? Wellicht na de dood van François Petyt in 1552 of van diens weduwe en zoon, beiden in 1562 overleden. De tekst die we hierboven citeerden van Nicolaas Despars werd geschreven rond 1570 en vermeldde d'Ongnies als eigenaar, omdat dit voor de tijdgenoten van Despars een voor de hand liggende situering betekende. Het huis waar de hoogbaljuw in woonde genoot onvermijdelijk een grote bekendheid.

In het jaar 1562 werd d'Ongnies heer van Middelburg. Hij kocht de heerlijkheid van zijn schoonmoeder, die zware schulden had. Voor deze transactie bekwam hij grote vermindering van registratierechten, omdat hij blijkbaar een jeugdvriend was van koning Filips II van Spanje.[53]

Hoogbaljuw van Brugge en het Brugse Vrije, heer van Middelburg en ook nog kapitein van het groot kasteel in Sluis, dit waren ambten en functies die d'Ongnies in de daaropvolgende jaren in het volle middelpunt brachten van de strijd tussen calvinisten en katholieken, die in het Noorderkwartier hevig woedde. In 1572 ontsnapte hij een eerste maal aan de Watergeuzen die hem wilden gevangen nemen. Met zijn ganse familie, o.m. zijn broer de bisschop van Doornik, verbleef hij op het kasteel van Middelburg, waar zopas één van zijn kleindochters was geboren. De versterkte burcht werd evenwel niet ingenomen.

Anders verliep het vanaf 1578. Op 20 maart van dat jaar namen de Gentse calvinisten onder leiding van Frans de la Kethulle de Ryhove Brugge in en installeerden er een gereformeerd bestuur. Het gezin d'Ongnies dat in de rouw was om het recent verlies van de schoonzoon Richard de Merode, trok zich op het kasteel van Middelburg terug. Niet in alle veiligheid, zoals weldra bleek. In juni 1579 werd het stadje veroverd door de geuzen, die het aan een grondige plundering onderwierpen. Ze verschaften zich ook toegang tot het kasteel, onder voorwendsel dat ze niets anders zouden doen dan controleren of er zich soldaten in bevonden. Eenmaal binnen begonnen ze aan een grondige plundering en verwoesting. De echtgenote van d'Ongnies, die ziek te bed lag, werd er uit gezet: bed en alles er op en er aan, zelfs "de cleeren van heuren lyve" werden afgepakt. Daarop vertrok ze, met Adolf d'Hooghe, één van de pastoors in Middelburg en met de zusters Arme Klaren naar Brugge, om er in de Lombard onderkomen te vinden. Philippe d'Ongnies werd gevangen genomen en naar Gent gevoerd, waar hij met veel andere prominenten, onder wie bisschop Drieux van Brugge, werd opgesloten.

Gelukkig kon hij op de tussenkomst rekenen van Willem van Oranje die hij als jonge knaap aan het hof van Keizer Karel had gekend. Niet alleen zorgde Willem dat hij vrij kwam, maar op 1 september 1579 nam hij hem in zijn koets mee naar Brugge, waar hij aan de installatie van een nieuw calvinistisch stadsbestuur wou assisteren. Onder zo'n hoge bescherming werd d'Ongnies  vriendelijk door de nieuwe machthebbers begroet. Het is wellicht niet vermetel te denken dat Willem de Zwijger bij die gelegenheid in de Lombard werd ontvangen.[54]

Verder onheil moest evenwel nog komen. Begin 1582 werd koning Filips II vervallen verklaard als vorst over de Nederlanden en vanaf 1 april vorderde het stadsbestuur van alle gezagsdragers en voorname ingezetenen de eed van trouw aan het nieuw regime.[55] Philippe d'Ongnies behoorde tot de weigeraars en werd tot verbanning veroordeeld.[56]

Omdat er groot risico bestond dat zijn bezittingen zouden verbeurd verklaard worden, stelde Philippe d'Ongnies een akte op waarbij hij het beheer van al zijn goederen overdroeg aan de geneesheer François Rapaert (+1587)[57], die mocht handelen "alsof hij selve heer ende meester over dit alles zou geweest zijn". Op 29 juni 1582 vertrok Philippe, zijn vrouw achterlatend die ziek te bed lag. Hij zelf moest zich met krukken behelpen "deur dat hij seer cranck was van de artycke". Na een avontuurlijke tocht kwam hij aan in Frentz bij Aken, waar hij zijn intrek nam in het ouderlijk kasteel van zijn overleden schoonzoon de Merode.

Een paar dagen later vertrok ook zijn vrouw, die eerst naar Rijsel en Ongnies reisde, vergezeld van pastoor Adolf d'Hooghe, aan wiens gedenkschriften wij al deze gegevens danken. Vandaar trokken zij eveneens naar Frentz. Ook de Middelburgse Arme Klaren volgden. Sommigen vonden een onderkomen in Ongnies, anderen reisden hun beschermheer naar Frentz achterna. Philippe d'Ongnies zou Vlaanderen niet meer terug zien. Hij overleed in Frentz op 5 april 1583.

In maart 1584 begon de toestand op te klaren en kon de weduwe d'Ongnies, nog altijd vergezeld van pastoor d'Hooghe op terugkeren denken. De reis duurde bijna vier maanden. Eindelijk, op 29 juni 1584 kwamen ze in Brugge aan. De 27ste waren ze vanuit Ieper vertrokken, samen met de nieuwe landvoogd, Alexander Farnese, hertog van Parma, die Brugge voor de Spaanse kroon in bezit kwam nemen. Mevrouw d'Ongnies nam nauwelijks de tijd om de stand van zaken in de Lombard na te zien. Dezelfde dag nog reed ze te paard naar Middelburg, om er de enorme verwoestingen te gaan vaststellen die men er had aangericht. Het was die dag net het patroonsfeest van de patroonheiligen van Middelburg, de heiligen Petrus en Paulus. Het was allemaal wel zwaar geweest voor de weduwe. Begin 1586 overleed ze.

We mogen veronderstellen dat de Lombard niet bijzonder te lijden had tijdens de revolutionaire periode, anders zou pastoor d'Hooghe dat wel vermeld hebben. Dit was opmerkelijk (en de invloedrijke geneesheer Rapaert zat er ongetwijfeld voor iets tussen), omdat een groot aantal kunstwerken en cultusvoorwerpen in 1579 uit de kerk van Middelburg verdwenen waren en het wel eens bij de calvinisten had kunnen opkomen dat ze in de Lombard verstopt waren, hetgeen inderdaad het geval was. Ze werden er trouwens bijna een halve eeuw bewaard, omdat de onveiligheid in Noord-West-Vlaanderen nog lang aanhield en het ook lang duurde vooraleer de kerk van Middelburg hersteld was.

7. Het hotel de merode (1586-1643)

We moeten even achteruit, om de draad met de volgende generatie bewoners en eigenaars van de Lombard op te nemen. We kunnen ze vanaf 1580 heel nauwkeurig volgen, ingevolge een initiatief dat te danken was aan het calvinistisch stadsbestuur. In dat jaar werd namelijk een uitgebreid kadaster van alle eigendommen in Brugge aangelegd.

Onder het nummer 1038 van het Sint-Janssestendeel luidde de eerste inschrijving: "Den Lombaert, met eene platse van lande en huys neffens, den graeve van Ongnies". Aan de heer van Ongnies behoorde dus het groot huis De Lombard, een tweede huis ernaast en een grote tuin of open terrein.[58]

Philippe d'Ongnies liet enkel een dochter na, die alle titels erfde zowel van vaders als van moeders zijde. Marguerite d'Ongnies werd omstreeks 1540 geboren. Het is dus onwaarschijnlijk dat ze in de Lombard het levenslicht zag. Waarschijnlijk werd ze op het kasteel van Middelburg geboren. Dat ze een deel van haar jeugd in de Lombard doorbracht is praktisch zeker. Het is zelfs mogelijk dat ze er na haar huwelijk met haar echtgenoot en kinderen, minstens een deel van het jaar bleef inwonen. Ze was immers de enige dochter, en het aanzienlijk huis, geflankeerd door een tweede kleiner huis, bood meer dan voldoende ruimte.

In 1565 trad Marguerite d'Ongnies in het huwelijk met baron Richard de Merode Houffalize (+1535-1577). Gevolg hieraan werd de Lombard in sommige geschriften als het "Hotel de Merode" vernoemd. Het huwelijk werd in Brugge voltrokken, hoewel de onvolledige parochieboeken uit die tijd ons niet toelaten na te gaan in welke kerk het werd ingezegend. Misschien was het wel rechtover de deur, bij de Predikheren. In ieder geval kreeg het jonge paar, ter ere van de hoogbaljuw, een prinselijk geschenk van de magistraat van het Brugse Vrije, namelijk zes zilveren schalen, gemaakt door de Brugse zilversmid Pieter Dominicle voor het aanzienlijk bedrag van 282 pond. Van de stad Brugge kregen ze ook mooi zilverwerk ter waarde van 33 pond.[59]

Richard de Merode was een flamboyante edelman, die een internationale maar gecontroverseerde reputatie had. Als jonge man had hij in Lier in 1556, ter gelegenheid van een feest, ruzie gemaakt met de Spanjaard don Rodrigo de Benavidès, en die had hem een draai om de oren gegeven. Dit vroeg om reparatie met een duel. Maar de Spanjaard bleek 's anderendaags spoorloos verdwenen, zodat Merode hem niet kon uitdagen. Hij trok onmiddellijk op zoek naar hem Europa door en liet ten allen kante opsporingsberichten versturen. Eindelijk bereikte zo'n bericht don Rodrigo die zich onmiddellijk meldde. Afspraak werd gemaakt in Gasoldo bij Mantua.

Toen beide heren vrijdag 13 augustus 1557 in de vroege ochtend op het veld verschenen, was er zoveel ruchtbaarheid aan dit duel "op leven en dood" gegeven, dat duizenden toeschouwers zich rond de open ruimte verdrongen. Zelfs de kardinaal-aartsbisschop van Mantua had zich ter plaatse begeven en leverde een vruchteloze poging om de duellisten van hun voornemen te doen afzien.

Don Rodrigo had het voorrecht de wapens te kiezen, maar toen hij die aanbracht, protesteerde Merode dat het geen "armes de chevalier" waren. Er ontspon zich een hevig dispuut, waarbij allerhande specialisten van de krijgskunst en de duelleerkunst, alsook juristen en notarissen werden bijgeroepen. Men bleef maar discussiëren totdat het middernacht werd. De termijn voor de strijd was, volgens de geldende regels, overschreden en beide antagonisten riepen uit dat zij gewonnen hadden. Richard had zich hierbij eerder gedragen als een voorloper van Don Quichotte, dan als een koene ridder in de middeleeuwse traditie. Hij kwam er na alle inspanningen eerder belachelijk uit en om zich te verdedigen publiceerde hij een Justification du seigneur Richard de Merode touchant sa querelle avec don Rodrigo de Benavidès. Het boekje, dat eerst in het Italiaans verscheen, werd in adellijke kringen druk besproken en iedereen dacht er het zijne van.

Naar de Nederlanden teruggekeerd werd Merode luitenant in het regiment van de graaf van Egmont, weigerde een opdracht van de hertog van Alva om de graaf te bespieden, maar bleef niettemin de Spaanse koning trouw na de terechtstelling van Egmont en werd gouverneur van Gelderland.[60]

Dit was dus de heetgebakerde baron die in 1565 in Brugge kwam trouwen. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, die waarschijnlijk in Middelburg geboren werden, maar een deel van het jaar in de Lombard doorbrachten. Na de dood van Merode in 1577 bleef Marguerite d'Ongnies achter met de vijf nog heel jonge kinderen met wie ze weldra, zoals haar ouders, naar Frentz vluchtte. Ze was ondertussen ook hertrouwd met Baudouin de Montmorency, van wie ze nog twee kinderen had. Hij stierf in 1593 en zij in 1602. Samen met haar eerste man werd ze in het familiemausoleum van de Merodes in Châtelineau begraven. Aangezien na 1586 het kasteel van Middelburg, dat haar eigendom was geworden, nog lang in slechte toestand verkeerde, verbleef ze meer in de Lombard, afgewisseld met verblijven in het familiekasteel van de d'Ongnies bij Rijsel en in het Merode kasteel van Châtelineau.

De dochter Jeanne, die geboren was in 1572 toen de watergeuzen een eerste maal Middelburg belegerden, werd religieuze bij de Arme Klaren in Saint-Omer. Twee andere dochters, Marie en Claude huwden respectievelijk met Frans Van Halewijn, heer van Merkem (1561-1609) en met Karel van Brandenburg. De tweede zoon, Richard de Merode (1570-1622) werd luitenant-kolonel en huwde met Hélène de Montmorency. Ze hadden twee zoons. De oudste, ook Richard genoemd was strijdlustiger dan zijn grootvader en werd in 1634 in een duel gedood. De tweede, Anne-François die de titel d'Ongnies erfde, liet memoires na waarin hij niets over Brugge schreef maar wel vermeldde dat hij en zijn broer in Kortrijk school gelopen hadden om Nederlands te leren.[61]

De oudste zoon en voornaamste erfgenaam was Philippe de Merode (+1566-1625). Hij was een bereisd man. Samen met zijn broer had hij in 1585 en 86 een lange tocht ondernomen naar Rome en naar Jeruzalem, onder leiding van zijn mentor Jan Zwallaert, later burgemeester van Aat, die in 1587 een volumineus reisverslag publiceerde onder de titel Devotissimo viaggio di Gerusalemme.

In 1590 trad hij in het huwelijk met Jeanne de Montmorency, enige dochter van Jooris de Montmorency, die na het herstel van het Spaans gezag, hoogbaljuw van Brugge en het Vrije geworden was. Het Brugse Vrije gaf weer een geschenk, ditmaal een grote ton wijn. De stad Brugge offreerde zilverwerk ter waarde van 50 pond.[62] Van zijn schoonmoeder kreeg hij de heerlijkheid Middelburg als huwelijksgift: een eerder vergiftigd geschenk, gelet op de lamentabele toestand waarin kasteel en stadje verkeerden. Enkele jaren later volgde hij zijn schoonvader op als hoogbaljuw van Brugge en het Vrije.

Het is derhalve omwille van deze functie dat hij de Lombard als residentie in Brugge behield. Hij was immers ook veel in Brussel, waar hij het ambt van majordomus aan het hof van de aartshertogen Albert en Isabella bekleedde. In 1617 verhieven zij voor hem de heerlijkheid Middelburg tot graafschap.[63] Het echtpaar de Merode - de Montmorency had tien kinderen, waarvan er nogal wat vroeg stierven. Hijzelf overleed in 1625, nadat zijn vrouw hem in 1621 was voorafgegaan.

Omdat het waarschijnlijk is dat de Lombard voor de Merode niets méér dan een pied-à-terre meer was, ter beschikking telkens hij als hoogbaljuw in Brugge verbleef, mag men aannemen dat dit huis gedeeltelijk bewoond werd door de beheerder van zijn goederen in onze gewesten en meer bepaald van het graafschap Middelburg. Die beheerder was de edelman Louis de Bersacques. Toen hij in november 1620 overleed, werd hij rechtover, bij de Predikheren begraven.[64]

Philippe de Merode werd door zijn minderjarige zoon Philippe (1609-1629) in al zijn titels opgevolgd. Deze had nauwelijks de tijd om te trouwen met Jacqueline de Lalaing, of hij stierf in een duel. Net als één van zijn neven deed hij wat zijn grootvader Richard had ontweken.

Alle titels en ook de eigendomsrechten op de Lombard gingen over op zijn zuster Isabelle-Marguerite de Merode (+1593-1679). In 1611 huwde zij met Philippe Lamoral van Gent, genaamd Vilain, graaf van Izegem (+1590-1630). Weer kwam er op de Lombard een geschenk toe van de magistraat van het Brugse Vrije. Ditmaal was het een zilveren schotel en bekken, met vergulde randen, ter waarde van 830 ponden.[65]

Het echtpaar kwam in 1629 in het bezit van de familiale domeinen en titels uit de erfenis d'Ongnies, zodat Vilain er amper een jaar genot van had. De weduwe daarentegen zou gedurende vijftig jaar het roer in handen houden. Het is tijdens die periode, in 1643, dat zij besloot de Lombard van de hand te doen. Het goed bleef evenwel als het ware in de familie, aangezien het haar eigen intendant was die de nieuwe eigenaar werd.

Het is pas rond de tijd dat Isabelle de Merode haar Brugse eigendom verkocht, dat de in de Lombard bewaarde kerkschatten naar Middelburg terugkeerden. Niet alle nochtans, want de heren en vrouwen van Middelburg hadden deze voorwerpen, waaronder een aantal schenkingen van hun voorzaten, nogal als eigen bezit beschouwd.

Zo komt het dat een relikwie van het H.Kruis, die als de voornaamste schat van Middelburg werd beschouwd, en die sedert 1579 in de Lombard bewaard bleef, in 1601 door Philippe de Merode aan de aartshertogin Isabella geschonken werd. In haar testament legateerde zij deze relikwie aan de Sint-Goedelekerk in Brussel. De Middelburgers eisten tevergeefs restitutie. Ze kregen uiteindelijk een "nauwelijks zichtbaar splinterken" terug.[66]

Ook het beroemde Bladelinretabel, de Nativiteit door Rogier Van der Weyden, met het waarheidsgetrouwe beeld van het kasteel van Middelburg op de achtergrond, behoorde tot de naar Brugge overgebrachte kunstschatten. Het ging niet naar Middelburg terug, wél werd in 1630 een 17de eeuwse trouwe kopie gemaakt door Jan Ryckx (1585-1643) op kosten van de kerkfabriek. Deze kopie is tot op vandaag aanwezig in de kerk van Middelburg.[67] Het origineel kwam later terecht bij de familie Snoy in Mechelen. In 1836 werd het, door bemiddeling van de Brusselse antiquair Nieuwenhuys verkocht aan de Staatliche Museen in Berlijn, waar het zich nog altijd bevindt.[68]

8. Familie Van der Haghen (1643 -1731)

De eerstvolgende bewoners en eigenaars van de Lombard werden dus Louis Van der Haghen en zijn erfgenamen. Zonder dat we de precieze band hebben kunnen leggen, stellen we vast dat heel wat Van der Haghens actief waren in het Noorderkwartier van het Brugse Vrije. Rond 1400 was er een Olivier Van der Haghen schepen van het Brugse Vrije, in 1440 was er een Jan Van der Haghen baljuw van Aardenburg, in 1469 een Gillis Van der Haghen schepen van het Vrije, in 1580 een Lucas Van der Haghen pensionaris van het Vrije en in 1589 een Jacob Van der Haghen schepen van de stad en heerlijkheid van Middelburg. Louis Van der Haghen (+1595-1658) kwam misschien door familieverbanden in contact met de leenheren van Middelburg.

De waarschijnlijk in de Lombard inwonende intendant Louis de Bersacques was in 1620 overleden. We denken dat hij onmiddellijk door Louis Van der Haghen werd opgevolgd, die tegen die tijd actief was in Brugge. Rond 1620 werd hij schepen van het Brugse Vrije en was hij ook vaak burgemeester voor het Noorderkwartier.

Door zijn huwelijk met Anna Van Peenen deed hij zijn intrede in één van de belangrijke Brugse families. Ze hadden één dochter, Barbara (+1620-1669) die huwde met Corneille de le Flye de la Gaugerie (1621-1678), bij herhaling schepen en één maal burgemeester van de raadsleden in Brugge. Hun dochter Madelaine de le Flye (1661-1725) huwde met Louis Rapaert (1656-1714), wiens betovergrootvader de geneesheer François Rapaert was, die tijdens de godsdiensttroebelen over de Lombard gewaakt had.[69] Door zijn tweede huwelijk met Isabelle Van Steelant, ook behorend tot een belangrijke Brugse familie, werd Louis Van der Haghen heer van Markegem. Samen hadden ze acht kinderen.[70] Zoals we naderhand zullen zien was het talrijke nakomelingschap niet bevorderlijk voor de financiële toestand en leed ook de Lombard daaronder.

In 1633 werd aan Louis Van der Haghen de riddertitel verleend[71] en in 1642 kocht hij de heerlijkheid Lembeke, die bij die gelegenheid een grotere zelfstandigheid ten overstaan van Eeklo verwierf. Hij was dus niet zomaar een bediende van de vrouwe van Middelburg, maar een man van aanzien en gewicht. Hij zou trouwens nog tot hogere functies opklimmen. Rond 1645 werd hij Raadsheer in de Raad van Domeinen en Financies in Brussel.

Hij bewoonde de Lombard al geruime tijd vóór hij er eigenaar van werd, misschien al sedert zijn aankomst in Brugge en zijn aanstelling tot intendant door de Merode. In zijn Flandria Illustrata vermeldde Antonius Sanderus op blz.199 dat het prachtige hotel van de familie d'Ongnies bewoond werd door de edelman Ludovicus Van der Haghen. Het grote werk van Sanderus verscheen in 1641 zodat het in alle geval dus al minstens vanaf 1640 was dat Van der Haghen de Lombard bewoonde. We mogen vermoeden dat hij er al geruime tijd vóórdien  zijn Brugse woning van gemaakt had, want hij was één van de milde schenkers van het nieuwe koorgestoelte in de Sint-Annakerk. Het werd dan ook met zijn wapen versierd.[72]

Op 20 maart 1643 was het dan zo ver: de weduwe Vilain-de Merode en haar neef Anne-François de Merode d'Ongnies[73] verkochten de Lombard, of het "hotel de Merode" zoals men toen zegde, aan de intendant die er een passend onderkomen had voor zijn groot gezin. We mogen nochtans vermoeden dat na 1645 Van der Haghen omwille van zijn hoge functie méér in Brussel verbleef dan in Brugge. Het is in de hoofdstad dat hij op 20 november 1658 overleed.

Hij had evenwel zijn banden met Brugge bewaard. Niet alleen werd zijn erfopvolging afgewikkeld volgens de wetten van het Brugse Vrije, maar de Lombard bleef bijna een eeuw in familiebezit, evenwel niet zonder problemen. In de successie werd de Lombard genoteerd als een "notabel parchieel van huysinge met zijn toebehoorten ende met eene groote poorte ende platse van lande", gelegen in de Langestraat.

Toen Louis Van der Haghen stierf waren er nog maar twee van zijn kinderen uit het tweede huwelijk meerderjarig. Ze werden dan ook voogd over hun minderjarige broers en zusters. De oudste, eveneens Louis Van der Haghen (+1630-1713) werd opvolger in de feodale rechten van zijn vader en ook van zijn oom, ridder Pieter Van der Haghen.[74] Hij werd ook schepen en burgemeester van het Brugse Vrije en volgde zijn vader op als intendant van Middelburg.

Wat gebeurde er juist op oudejaarsavond van het jaar 1666? De magistraat van het Vrije hield die dag een samenkomst en plots, in volle raadkamer, haalde burgemeester Van der Haghen een dolk boven en stak schepen Paul Rugeley dood. De reden voor deze doodslag vonden we nergens terug. Het had wellicht met Middelburg te maken, want Rugeley bezat er het kasteel en de hofstede De Blauwe Poorte.[75] De ruwe zeden waren in het midden van de zeventiende eeuw nog levendig aanwezig!

De tweede zoon van Louis Van der Haghen senior, Jan-Baptist werd raadpensionaris van het Brugse Vrije en werd in 1685 tot ridder benoemd. Hij huwde met Adrienne Van Volden, alweer een lid van één der oudste Brugse families. Een andere zoon, François Van der Haghen (+1640 - +1715) trad in de Brusselse voetsporen van zijn vader. Hij werd rond 1672 buitengewoon lid van de Raad van Financiën en werd later vast benoemd en ook tot intendant over één van de provincies aangesteld. Hij verdween een tijd uit de hoge regionen, omwille van ruzies met Jan Van Brouchoven de Bergeyck (1644-1725) die na hem en tegen hem in lid van de Raad was geworden, maar na verloop van tijd boven hem geklommen was. Pas in 1706 kwam hij terug in een vernieuwde Raad van Financies.[76]

Na de dood van zijn broers bleef Louis Van der Haghen eigenaar van de Lombard, samen met een paar van zijn ongehuwde zusters. In 1706 werd hij nogal onverwacht tot burgemeester van schepenen van Brugge benoemd. Maar hij weigerde de hoge functie, wegens ziekte.[77]

Via een andere zoon, Jean Charles, heer van Lembeke, kwam de functie van sergeant-majoor van Brugge (een soort plaatscommandant) in de familie. Een oom, Jean d'Auxy en een schoonbroer Joseph Keignaert waren dit vóór hem. De functie ging in 1735 over op zijn zoon Jan Baptist Van der Haghen Lembeke (1706-1768), schepen van Brugge. Na hem ging ze over op een neef van zijn vrouw, Jan‑Baptist d'Hooghe de la Gaugerie (1736-1813) en op een kleinzoon, Jan-Baptist Lauwereyns de Roosendale de Diepenhede (1752-1818).[78]

Het grootste deel van de zeventiende eeuw bleven de opeenvolgende Van der Haghes de intendanten van de heren en vrouwen van Middelburg. Dit was geen sinecure. Enerzijds waren deze dames en heren aanzienlijk opgeklommen in de adellijke hiërarchie, anderzijds viel Middelburg van de ene ellende in de andere.

De vroegere eigenares van de Lombard en vrouwe van Middelburg, Marguerite-Isabelle Vilain - de Merode bleef nog relatief met onze gewesten verbonden, hoewel de verkoop van de Lombard in 1643 een aanduiding was dat ze zich in andere oorden ophield. Haar zoon Philippe-Balthasar Vilain, prins van Izegem (1617-1680) was nauwelijks één jaar heer van Middelburg. Hij die al op zevenentwintigjarige leeftijd in de Orde van het Gulden Vlies was opgenomen en de ouderdomsdeken van dit gezelschap werd, was cavaleriegeneraal en gouverneur van Gelderland geworden. Door zijn huwelijk met Louise de Sarmiento-Salvatierra (+1675) werd hij bijna volledig "gehispaniseerd" en zijn dochters huwden in Spaanse hoge adel.

Daarentegen koos zijn oudste zoon, Jan-Alfons Vilain (1655-1687) voor Frankrijk door zijn huwelijk met Marie-Thérèse de Crevant (1653-1732), dochter van de hertog van Humières, een trouwe vriend van Lodewijk XIV. De sociale opgang was in de volgende generatie al even duidelijk. De jongste zoon van Jan-Alfons, Alexander Vilain (1683-1758) huwde Pauline de la Rochefoucauld, en de oudste, Lodewijk, graaf van Middelburg (1678-1767) huwde achtereenvolgens met een prinses de Fürstenberg (+1706), een markiezin de Rhodes (1694-1715) en een prinses Grimaldi van Monaco (1700-1758). Al die namen tonen voldoende aan dat de broers Vilain in de hoogste Franse adel opgenomen waren.

De volgende dame van Middelburg, Elisabeth-Pauline Vilain (1737-1794), dochter van Alexander Vilain, volgde in hun voetspoor door haar huwelijk met Louis de Brancas, hertog van Lauraguais, dat evenwel in 1764 op een scheiding uitliep. Nadat ze tijdens de Terreurdagen geguillotineerd werd, was het haar dochter Louise de Brancas (1750-1812) die, samen met haar echtgenoot prins Louis-Engelbert van Arenberg (1750-1820), het graafschap Middelburg erfde. Hij was de bekende blinde hertog die een voorname rol zou spelen tijdens de Brabantse Omwenteling, als aanhanger en financier van de Vonkistische strekking.[79]

Deze excursie in de hoge adellijke regionen brengt ons ver weg van de Lombard, even ver ongetwijfeld als die hoge dames en heren die niet meer de minste herinnering zullen bewaard hebben aan dit huis dat ooit een belangrijke rol had gespeeld in het leven van hun voorouders.

Keren we terug naar onze intendanten Van der Haghen, die ter plekke de belangen van de leenheer moesten behartigen. Dit was alles behalve een sinecure, de ganse zeventiende eeuw door. Ze stonden er vaak alleen voor, ook al desinteresseerden de opeenvolgende heren en vrouwen van Middelburg zich niet volledig van hun verre heerlijkheid, beslisten ze nog over benoemingen, leverden ze financiële ondersteuning voor de wederopbouw en deden ze tussenkomsten bij militaire en burgerlijke overheden.

De heerlijkheid Middelburg lag volop in de gecontesteerde gebieden, midden doorgesneden door de grens die het katholieke Zuiden en het protestantse Noorden scheidde. De protestanten beschikten over een moordend wapen: regelmatig lieten ze de heerlijkheid Middelburg overstromen. Van iedere periode van vrede moest de intendant gebruik maken om weer maar eens de vestingen herop te bouwen en het stadje te herstellen. De vrede van Munster (1649) bracht 25 jaar relatieve rust mee. Vanaf 1672 zetten de oorlogsinvallen van Franse troepen weer alles op de helling en zo bleef het nog jaren onveilig.

Dit had tot gevolg dat alle documenten en archieven van Middelburg opnieuw een veilig onderkomen vonden in de Lombard, waar ook jaarlijks de rekeningen werden overhoord en afgesloten "wegens de hostiliteyt van den vijand". Tegen het einde van de zeventiende eeuw hielden de Van der Haghes ermee op intendant van Middelburg te zijn.

Dat het de familie niet goed meezat leert ons het register der sestendelen dat over verschillende bladzijden volgepend werd met de vele hypotheken die de Lombard bezwaarden en met de processen en contestaties die het gevolg waren van het niet honoreren van afbetalingsvoorwaarden. Het is waarschijnlijk dat na de dood van Louis Van der Haghen junior niemand meer van de Van der Haghes in de Lombard woonde. De overgebleven eigenaars, Marie, Anne en Catherine maakten door een gift onder levenden hun bezittingen "wezende van groote importantie" over aan de kinderen van hun inmiddels overleden broer Frans-Albert, luitenant in het regiment van de markies van Pancaille.

In 1722 lieten ze het huis hypothekeren met een totale lening van 400 ponden, aangegaan bij Antoon Van den Bogaerde. In 1728 zat Isabella-Johanna Van der Haghen financieel compleet aan de grond. Ongehuwd en 58 jaar oud, in Brussel wonend, was ze eigenares van één derde van de Lombard. Ze vroeg de toestemming om haar aandeel te verkopen teneinde haar schulden te kunnen delgen. In 1730 had ze nog geen koper gevonden en moest ze opnieuw een hypotheek nemen voor 200 ponden die haar, met bemiddeling van Pieter de l'Espee werden bezorgd door de dis van de parochie van Sint-Pieters op de Dijk. Eindelijk vond men einde 1731 een koper.

9. Familie de la Villette (1731-1767)

De nieuwe eigenaars van de Lombard behoorden tot een oude familie, die alweer zijn wortels in Frans-Vlaanderen had en waarvan sommige leden zich omwille van functies die ze in het bestuur van het Brugse Vrije uitoefenden, in Brugge kwamen vestigen.[80]

Op 26 oktober 1731 kocht Marie-Thérèse du Jardin, dame van Mosschere, douairière van Judocus de la Villette, heer van ter Eecke, de Lombard, aldus een einde stellend aan het jarenlange gekibbel en procederen van de erfgenamen Van der Haghen met hun schuldeisers. Voor mevrouw de la Villette was dit geen blinde koop. Ze bewoonde het huis al verschillende jaren als huurster. Sedert hoelang? Alleszins al van vóór 1726. Misschien was het echtpaar de la Villette er komen wonen ter gelegenheid van hun huwelijk omstreeks 1710.

Judocus de la Villette (+1685-1729) was de zoon van Josse de la Villette d'Altena (+1703), eerste schepen van Brugge en vanaf 1678 ontvanger-generaal van de imposten op de maalderij in het kwartier van Brugge, die in 1698 in de adelstand verheven werd en het jaar daarop de persoonlijke titel van ridder verkreeg.[81] Wat Judocus zelf deed is niet duidelijk. In tegenstelling met zijn broer François (+1725) die schepen van Brugge was tot hij zijn vader opvolgde als ontvanger-generaal en met zijn broer Robert (+1720) die schepen van het Brugse Vrije was, vonden we Judocus nergens terug met een of andere functievermelding, ook niet na de eerder vroegtijdige dood van zijn broers. Hij overleefde ze trouwens niet lang. Een groot herenhuis bewonen toont alvast aan dat de la Villette behoorlijk volgens zijn stand leefde. Het huis huren wees anderzijds op een eerder bescheiden eigen patrimonium.

Judocus de la Villette overleed in september 1729 en werd in het familiegraf bijgezet in de Sint-Walburgakerk. De weduwe, die zelf pas in 1766 zou overlijden, bleef achter met drie minderjarige kinderen, Louis-Josse, Anne-Marie en Isabelle.

De enige zoon, Louis-Josse de la Villette de Mosschere (1712-1775) huwde in 1738 in Rijsel met Henriette Frans de la Hamaide (1714-1776). Vanaf 1737 en tot 1746 was hij schepen van het Brugse Vrije, zodat hij genoodzaakt was regelmatig in de Lombard te verblijven, volgens de regel dat de houders van deze functie zes maanden per jaar in Brugge moesten resideren. De kinderen werden evenwel in Rijsel geboren. In 1746 werd hij "commis van entremise van de nieuwe imposities in het Brugse Vrije", waarschijnlijk een lucratieve maar ook riskante functie, gezien ze in dienst stond van de Franse bezetter.[82] Zijn moeder gaf de Lombard in waarborg voor "de bedieninge en misbedieninge" van zijn ambt.

Van toen af woonde het gezin regelmatiger in Brugge. Bij de volkstelling van 1748 waren man en vrouw met vijf kinderen en vijf personeelsleden gehuisvest in de Lombard. Het is waarschijnlijk dat het definitief vertrek van de Fransen in februari 1749, nadat de Vrede van Aken keizerin Maria-Theresia definitief in haar rechten over de zuidelijke Nederlanden had hersteld, het einde betekende van de functie van Louis-Josse de la Villette en ook een beletsel betekende om opnieuw als schepen van het Vrije of in een andere functie te worden benoemd.

Dit legt dan waarschijnlijk uit waarom hij zich vanaf 1753 op commerciële activiteiten toelegde. Op 31 oktober 1753 verkreeg hij octrooi voor het oprichten van een marokijnfabriek. Zijn vennoot hierin was de belangrijke huidenvetter Pieter Van Cuyl (+1796). In de industriële telling van 1763 werd hun jaarproductie geraamd op 5000 vellen marokijnleder en 1000 vellen gemsleder.[83] Vennoot en fabriek waren gevestigd in de Essenboomstraat, op een paar honderd meter van de Lombard. Ondertussen groeiden de kinderen op. Ze bleven ongehuwd en in de Lombard wonen. Louis de la Villette (1740-1788) werd redenaar van het Proosse. Van de vier dochters stierf er eentje heel jong, werd Henriette religieuze in het klooster van Bethanie en bleven Jeanne en Thérèse achter als "geestelijke dochter" of begijn.

De tweede zoon Lievin de la Villette de la Hamaide (1742-1804) werd licentiaat in de rechten en doorliep een bescheiden ambtelijke loopbaan. Gedurende meer dan twintig jaar was hij gemeenteraadslid van Brugge en niettegenstaande herhaalde kandidatuurstellingen, slaagde hij er niet in tot schepen benoemd te worden. Hij was actief in verschillende verenigingen, vooral in de Edele confrérie van het H.Bloed en in de vrijmetselaarsloge "La Parfaite Egalité". Hij was ook bij commerciële activiteiten betrokken. In 1777 werd hij deken van de zeepwarrandatie en in 1785 van de Korenmarkt. Tijdens de Brabantse Omwenteling zou hij plots als één van de leiders van de "patriotten" op de voorgrond treden en bij de eerste Franse overheersing behoorde hij (op voorzichtige wijze) tot de Fransgezinde "jacobijnen". Op 54-jarige leeftijd huwde hij de twintig jaar jongere Marie-Thérèse Lauwereyns en ging met haar in Sint-Winoksbergen wonen. Dit was het einde van deze tak van de familie de la Villette in Brugge.[84]

Het feit dat Lievin de la Villette in 1767 kerkmeester werd op de Sint-Gillisparochie was het gevolg van zijn verhuis naar de Korte Winkel. In dat jaar verliet het ganse gezin de Lombard. Het huis was na het overlijden van de weduwe de la Villette - du Jardin in 1766, de onverdeelde eigendom geworden van Louis-Josse de la Villette en van zijn twee zusters, de ongehuwde Anne-Marie en Isabelle, douairière van Jan Baptist Damarin de Schoondycke, schepen van Brugge. Op 18 augustus 1767 verkochten ze de Lombard aan de Brugse aannemer Eugeen Goddyn. Meteen werd geacteerd dat de in 1746 gevestigde hypotheek ten behoeve van de toen door Louis-Josse opgenomen functie, al in 1753 was geschrapt.[85]

10. Nieuw gebouw: Eugeen Goddyn (1767-1787)

Over de aannemers Eugeen Goddyn vader en zoon en over hun grondige bouwkundige ingreep in de Lombard, wordt in een afzonderlijke bijdrage gehandeld.

Goddyn bleef precies twintig jaar eigenaar van de Lombard. Hij verwierf de eigendom vrij en onbelast, maar liet er af en toe, als hij over fondsen wou beschikken voor zijn talrijke bouwactiviteiten, een hypotheek op vestigen. Zo leende hij in 1767, dezelfde dag van de aankoop, een bedrag van één van de vroegere eigenaars, Anne-Marie de la Villette, waarvoor hij jaarlijks 30 pond intrest zou betalen. In 1775 leende hij een zelfde bedrag met zelfde intrest bij een ander lid van de familie de la Villette, Marie, douairière van pensionaris Jacques de Cridts. In 1783 nam hij nogmaals een lening op, waarvoor hij jaarlijks 20 pond verschuldigd was aan het klooster van de Zusters Annuntiaten en later - na de opheffing van dat klooster - aan de dis van de parochies Sint-Kruis en Sint-Anna.[86]

Wat ving Goddyn tijdens die twintig jaar met het huis aan? Met zekerheid weten we dat hij het tegen 1786 grondig verbouwd en vernieuwd had. Dit kan evenwel hoogstens één of twee jaar tijd gevergd hebben. Toen hij eigenaar werd, kreeg hij wellicht een huis in bezit dat tamelijk afgetakeld was. Niet alleen was het al drie eeuwen oud, maar vooral had het eigenlijk niet zo veel geluk gehad met de bewoning.

Gedurende vele jaren behoorde het aan families die het als pied-à-terre beschouwden en er dus niet zó erg mee inzaten als het niet aan alle regels van comfort en goede onderhoud beantwoordde. Vooral tijdens de periode Van der Haghen had men te doen met eigenaars die zware geldzorgen kenden, wat niet bevorderlijk was voor het goed onderhouden van het huis.

Kocht Goddyn de eigendom in 1767 aan met de vooropgezette intentie een grondige verbouwing te doen? Zocht en vond hij eerst een huurder? Wanneer werd het huis vernieuwd: eerder kort na de aankoop of eerder vlak vóór de tijd dat Goddyn het huis verkocht? Zonder hierover absolute zekerheid te hebben, bij gebrek aan documenten, opteren we voor een verbouwing in 1785-86. Het zou immers toch weinig logisch geweest zijn dat Goddyn zich kort na de aankoop de aanzienlijke investering van een bijna-nieuwbouw zou hebben getroost, om dan twintig jaar te wachten op een bewoner of nieuwe eigenaar. Men zal in onze afzonderlijke bijdrage ook vaststellen dat deze hypothese consistent is met de stijlevoluties en met de chronologie van de andere door Goddyn uitgevoerde bouwwerken.

11. Intendant Jean-Charles de Mahieu (1786-1787)

Half 1786 stond de oude Lombard in al zijn herwonnen glorie te pronken. Voor dit nieuwe herenhuis, een kasteel in de stad, zocht Goddyn een passende bewoner. Hij vond die in de persoon van Jean-Charles de Mahieu, met wie hij in oktober 1786 een huurovereenkomst afsloot voor een periode van twaalf jaar. Charles Walwein, de tresorier van de Brugse Kamer van Koophandel ondertekende in naam van de afwezige de Mahieu.[87]

Jean-Charles de Mahieu was een "geparachuteerde" hoge ambtenaar. In zijn grote reformatiedrift had keizer Jozef II de Oostenrijkse Nederlanden bij decreet heringedeeld in negen gebieden, "kreitsen" of departementen genoemd, die aan hun hoofd een intendant kregen. Raadsheer Jean-Charles de Mahieu werd in deze hoge functie benoemd voor het gebied Brugge, dat zich over het Noorden van het huidige West-Vlaanderen en een deeltje van Oost-Vlaanderen uitstrekte en onderverdeeld werd in de districten Brugge, Middelburg, Oostende en Nieuwpoort.[88]

Ook al werd het decreet dat de nieuwe bestuursindeling officieel bekrachtigde, pas op 1 januari 1787 gepubliceerd, de organisatie ervan was al heel wat vroeger op punt gesteld. Op 23 september 1786 werden de namen bekend gemaakt van de nieuwe intendanten of "capitaines de cercles".[89] Ze kregen dus de tijd om zich op hun nieuwe functie voor te bereiden. Dit hield o.m. in dat zij een passende woning moesten vinden als ze niet in de stad verbleven waarin ze benoemd werden.

Zo komt het dat de Mahieu al in oktober 1786 een huurovereenkomst afsloot. Bij een nieuwe functie van hoge standing past een nieuw en opvallend huis, zal hij gedacht hebben. Enkele maanden later was alles klaar en kon hij verhuizen en zich installeren.

Nadat eerst op 19 maart 1787 de naamdag van de keizer was gevierd, deed de Mahieu op 21 maart zijn Brugse intrede. Hij werd door het officiële Brugge plechtig en door het volk enthousiast onthaald. Vooral de ambachten, die al een hele tijd in onmin leefden met het stadsbestuur, ontvingen hem als een prins. De Langestraat was in feest en de muziekkapel van het regiment van Vierset vergastte de Mahieu op militaire muziek.

"In zijn woning gereet gemaeckt zijnde in de Langestraete" ontving de Mahieu de magistraten van de stad en van het Vrije en de vertegenwoordigers van de adel, die hem hun niet echt gemeende gelukwensen kwamen aanbieden.[90] 's Anderendaags waren het de dekens van de ambachten en "veele van de treffelijckste borgers" die hem thuis gingen opzoeken en door hem "zeer minsaem" ontvangen werden.

De kroniekschrijver Jozef Van Walleghem, maar ook Dienbergen, Allaert en Verbrugge gaven een kleurrijk relaas over de gebeurtenis. Zo'n vreugdefeest als voor de intendant werd georganiseerd, had men in Brugge in lange jaren niet meer meegemaakt, schreven zij. De stad stond in rep en roer. Alle huizen waren versierd, vlaggen en wimpels werden gespannen, piramides en triomfpoorten werden voor de ambachtshuizen opgericht.

Wel viel het op dat de officiële gebouwen van de stad Brugge en van het Brugse Vrije op de Burg versierd noch verlicht werden. De wethouders waren immers niet gelukkig met de nieuwe organisatie die ze terecht beschouwden als een inkrimping van hun bevoegdheden. Ze vreesden op termijn zelfs de afschaffing van hun ambten. Eigenlijk was onder de edelen en notabelen alleen een kleine groep tevreden die in de nieuwe bestuurlijke en gerechtelijke apparaten een goed bezoldigde functie had gevonden.

Na valavond baadde de stad in een zee van licht. Duizenden vuurpijlen werden afgeschoten, kanonnen bulderden en de beiaard speelde de ganse nacht door. Er werd natuurlijk ook uitbundig gedronken. Zó uitzonderlijk was het gebeuren dat burgemeester Robert Coppieters, die als lid van de Staten van Vlaanderen in Gent verbleef, en het niet nodig gevonden had om bij de intrede van de intendant aanwezig te zijn, 's anderendaags al een brief van zijn vrouw ontving, met het omstandig relaas van de feestelijkheden.[91]

De ambachten die veel van de nieuwe intendant verwachtten waren de koplopers in het feestgebeuren. Van Walleghem merkte trouwens op dat zo'n immens feest slechts mogelijk was omdat het vooraf grondig was voorbereid. Vooral het schippersambacht deed een bijzondere inspanning "in de hope van veele voorrechten te bekomen". Nabij de woonst van de Mahieu, tussen de Molenbrug en de Predikherenbrug hadden ze zes platte schepen bijeengebracht en die overdadig met vlaggen, wimpels en lantarens versierd, terwijl op een vlot enkele kanonnen stonden opgesteld die vreugdeschoten losten. Ook de Schipperskapel aan de Potterierei was feestelijk getooid.[92] De schippers zochten immers een bondgenoot in hun strijd om het verplicht "lastbreken" voor zeeschepen (waarbij die hun vracht in Brugge moesten lossen, om op andere schepen over te laden voor verder binnenlands vervoer) opnieuw onverminderd te doen toepassen. Ze hoopten in de intendant die bondgenoot te vinden.[93]

De ambachten stelden des te meer hun hoop op de intendant nadat op 11 april een edict was uitgevaardigd dat aanzienlijke beknottingen aan hun oude voorrechten oplegde. Ze voelden noch min noch meer het einde naderen toen zij bevel kregen om binnen de veertien dagen aan de stadsmagistraat een omstandige inventaris van hun bezittingen over te maken.[94] Ze wisten toen niet, of wilden niet beseffen dat de intendant precies was aangesteld om over de uitvoering van deze en andere keizerlijke edicten te waken. Twee dagen vóór die verontrustende afkondiging hadden de ambachten en vooral weer de schippers nog uitbundig feest gevierd naar aanleiding van de eedaflegging van Charles-Joseph Walwein (°1762) (de zoon van de man die opgetreden was voor de Mahieu in de huurovereenkomst van de Lombard), die de functie van onderintendant voor het Brugse district zou opnemen, als onmiddellijke adjunct van de Mahieu.[95]

Jean-Charles de Mahieu installeerde zich in de Brugse gemeenschap. Op 26 maart 1787 liet hij zich voordragen tot lid van de exclusieve "Société Littéraire" die op dat ogenblik een zeventigtal leden telde, voor het overgrote deel edellieden. Op 2 april werd hij effectief lid.[96] Het is wel opvallend dat hij in tegenstelling tot de meeste prominenten, geen lid werd van de Brugse schuttersgilden, hetzij dat het hem niet gevraagd werd, hetzij dat hij het verkieselijker achtte zich op enige afstand te houden van deze gilden die gaandeweg een meer actieve rol gingen spelen in het stedelijk en politiek gebeuren.

Op 1 mei was het dan zover. De intendentie trad in functie, net zoals de nieuwe rechtbanken die door Jozef II waren opgericht. De Mahieu begon onder een minder goed gesternte dan hij na zijn feestelijke intrede had mogen verwachten, want op een maand tijd was er veel veranderd. Op 24 maart was bekend geraakt dat het aloude opperste orgaan in het graafschap Vlaanderen, de "Staten van Vlaanderen", op 1 november definitief zou ophouden te bestaan en dat werd in veel middens bijzonder slecht onthaald.[97] Het gonsde ook de ganse maand april van de geruchten. De intendant zou een speciale onroerende belasting van veertig procent heffen; de legerdienst zou worden ingevoerd; aan de kerken zouden alle kunstwerken worden ontnomen "onnodig voor den eredienst" en veel kerken zouden definitief gesloten worden; het leger zou in staat van paraatheid gebracht worden om alle mogelijk oproer de kop in te drukken, enz.[98]

Zo ver kwam het evenwel niet, want op 3 mei arriveerde een edict, waarbij de bevoegdheden van de intendant aanzienlijk werden beknot. Burgemeester Coppieters vermeldde, duidelijk niet zonder leedvermaak, dat de intendant zich een paar dagen later niet in de H.Bloedprocessie had vertoond.[99]

Van toen af, onder zware druk van zowel de notabelen als de ambachten, vooral in Brabant maar ook in Vlaanderen krabbelde de centrale overheid op versnelde wijze terug. Op 15 mei werden de Staten van Vlaanderen opnieuw in hun bevoegdheden hersteld en werden de nieuwe rechtbanken - die nauwelijks in werking waren getreden - sine die opgeschort. Op 29 mei werd het edict op de ambachten eveneens opgeheven.

En op 6 juni 1787 om vijf uur in de morgen bracht een estafette het nieuws aan: de 4de juni hadden de landvoogden, zonder het akkoord van de keizer af te wachten, de nieuwe bestuursindeling afgeschaft. De intendant was werkloos geworden! Opnieuw werd in Brugge gefeest tot laat in de nacht, hoewel het nu vooral de adel en de burgerij waren die zich manifesteerden. Zij hadden immers het meest te verliezen gehad, in termen van ambten, politieke invloed en inkomsten, door de keizerlijke nieuwigheden. De ambachten reageerden nauwelijks en de volksmassa bleef passief.

Voor intendant de Mahieu werd hiermee een streep getrokken onder een wel erg korte Brugse carrière. Méér zelfs, de keizerlijke administratie in Brussel nam het hem kwalijk dat hij minstens de indruk had gewekt bij het gewone volk dat hij optrad als "son protecteur contre les prétendues vexations du magistrat" en dat hij hierdoor, ook al had hij dat niet zo gewild, mee aan de oorsprong lag van de dagenlange volksopstand die vanaf 31 juli Brugge zwaar had getroffen. Het was een oproer met zowel politieke ondertonen als met protest tegen voedselschaarste en werkloosheid.[100]

Het was van de Mahieu een wel erg gemakkelijke zondebok maken, want toen die opstand uitbrak was zijn functie al opgeheven. Hij kon het ook niet helpen dat de volksmassa de nieuwkomer beschouwde als een mogelijke steun tegen de lokale overheid. Zó onverdeeld was dat vertrouwen trouwens niet, want op 23 juli waren er vijandige samenscholingen geweest o.m. vóór de woning van de tresorier van de Kamer van Koophandel Walwein, "omwille van den haet die het gemeen volk tegen dees heren hebben opgevat". Dat de zoon van Walwein, de gewezen onderintendant, in hetzelfde huis woonde, hield de massa niet tegen om het op zijn vader gemunt te hebben.[101]

In de Langestraat bleef het kalm, en de meer dan duizend oproerigen die op 23 en 31 juli samentroepten in de Boomgaardstraat vóór het huis van koopman Van Hamme, verdacht van het hamsteren van eetwaren, lieten het naburige huis van de Mahieu ongemoeid.[102] Het oproer gebeurde trouwens onder geroep van "Vivat de keizer", zodat men zich waarschijnlijk niet wilde vergrijpen aan de onfortuinlijke en kortstondige vertegenwoordiger van het keizerlijk centraal gezag.

Op 11 augustus werd aan een afvaardiging van de Staten van Vlaanderen meegedeeld dat de keizer zijn akkoord had gegeven: gedaan met de intendanten en de nieuwe rechtbanken, geen speciale onroerende voorheffing, geen algemene legerdienst, alles opnieuw op vroegere voet. Op 22 september volgde dan het bevestigende keizerlijk decreet.[103]

Voor de Mahieu was dit het einde van het kort Brugs intermezzo in zijn leven. De huurovereenkomst voor het huis in de Langestraat werd verbroken en hij verliet de stad. Niets te vroeg vonden de opstandige antikeizersgezinde patriotten die al in juli 1787 in een opruiend pamfletje onder de titel De Bruggelingen uyt hunne sluiymering ontwaekt, fel te keer waren gegaan tegen "de gehaete ziel der gevloekte intendentie" die nog altijd binnen de Brugse muren werd geduld.

12. Familie Le Gillon en erfgenamen (1787-1991)

Het blijkt duidelijk dat na de mislukte inhuurgeving, Goddyn besloot dat hij zich liefst van dit grote huis wou ontdoen. Dit werd waarschijnlijk mede beïnvloed doordat hij, ondertussen weduwnaar geworden, in onverdeeldheid bleef met zijn kinderen en wellicht stilaan zijn successie wenste te regelen.

Op 7 november 1787 werd door de klerk van de vierschaar Pieter Van der Hofstadt de verkoop geregistreerd van de Lombard aan jonkheer Charles Le Gillon. Vanaf dat ogenblik en gedurende meer dan twee eeuwen zou het huis binnen dezelfde familie van generatie op generatie overgaan.

Le Gillon en Rapaert

Jonkheer Charles-Louis Le Gillon (1763-1831), heer van Goemaringe, Rymslede, Corde, Swaeneburg, enz. behoorde tot alweer een oude Frans-Vlaamse familie, die vanaf de 16de eeuw in Brugge actief was.[104] De eerste onder hen was Nicolaas Le Gillon (Armentières 1534 - Brugge 1602) die huwde met een rijke dochter uit het vleeshouwersgeslacht Van Vyve.[105]

De koper die we hier voor ons hebben was de zoon van Louis-Denis Le Gillon, baron van Basseghem (1707-1775) schepen van het Brugse Vrije en algemeen ontvanger en van Catharina-Johanna Wynckelman (1723-1778), dochter van een andere algemeen ontvanger van het Vrije, Jacques Wynckelman, heer van 't Metersche (1671-1754).

Charles Le Gillon was de zoon van betrekkelijk bejaarde ouders: bij de geboorte was zijn vader drie en vijftig en zijn moeder veertig. Geen wonder dat ze al overleden waren toen hij op 31 mei 1785, op tweeëntwintigjarige leeftijd in het huwelijk trad met de vier jaar oudere Françoise Van Zuylen van Nyevelt (1759-1827). Zij was de zesde in de rij van twaalf kinderen van de schepen van Brugge en postmeester voor Brugge en het Brugse Vrije Jean-Bernard van Zuylen van Nyevelt (1721-1791) en zijn echtgenote Isabelle du Bois (1730-1804).[106]

Het huwelijk gebeurde ongetwijfeld in het kader van een alliantiepolitiek vanwege de vader van een zo talrijk gezin, gezien de broer van Françoise, Jean-Baptiste van Zuylen (1755-1837) op hetzelfde ogenblik huwde met de zuster van Charles, Caroline Le Gillon (1753-1829). Twee dochters Van Zuylen trouwden met twee broers Coppieters en twee zoons van Zuylen met twee zusters Van Hamme de Stampaertshoucke: de weloverwogen huwelijkspolitiek van de notabele families.

De aankoop van de Lombard gebeurde enkele dagen nadat het gezin Le Gillon een eerste kind kreeg, Françoise Le Gillon (1787-1847), weldra gevolgd door Louis Le Gillon (1789-1834), Thérèse Le Gillon (1792-1863) en Julienne Le Gillon (1794-1822).

In tegenstelling tot een aantal van zijn voorvaders speelde Charles Le Gillon nauwelijks een openbare rol. Zijn ganse leven bleef hij rentenier. Op het einde van de 18de eeuw werd zijn bezit op 60.000 franse livres geschat, en behoorde hij tot de op één na hoogste categorie van belastingplichtigen bij de gedwongen lening van het jaar 1796. Onder het keizerrijk behoorde hij tot de honderd hoogst belaste inwoners van Brugge.[107] In 1793 werd hij door zijn buren tot wijkmeester verkozen voor de sectie E-5 in het Sint-Janskwartier, maar dit was dan ook de uitzondering die de regel van zijn verborgen leven bevestigde.

Gedurende de revolutiejaren hield Le Gillon zich volkomen afzijdig. Wat hij over de opeenvolgende regimes dacht - waarschijnlijk weinig goeds - hield hij voor zich. "Pour vivre heureux, vivons caché" kon zijn devies zijn. In de traditie van zijn 16de eeuwse voorgangers, bood hij ook een schuilplaats aan voor godsdienstige voorwerpen en relieken, meer bepaald voor het "wondere weefsel", het naadloze hemd van de H.Godelieve, dat honderd jaar lang door de familie bewaard werd, tot het in 1894 door de weduwe van Jules de Bie aan de Godelieve-abdij werd teruggegeven.[108] Het gezin bleef dus de ganse revolutietijd zonder problemen het huis bewonen, ver af van de risico's van sekwester of plundering, van vluchten, gevangenneming of zelfs executie die sommige meer geëngageerde edellieden en notabelen te beurt viel.

In de Lombard woonde het echtpaar met zijn vier jonge kinderen en met een stel meiden en dienstknechten. Waren de meesters veeleisend? Er was alleszins nogal wat verloop van het dienstpersoneel. In het bevolkingsregister dat de periode 1792-1812 bestrijkt, werden twaalf meiden en negen knechten op het adres van de Lombard ingeschreven. Sommigen bleven er nauwelijks een paar maanden. Het ging om personeel dat hoofdzakelijk uit de rurale gebieden van West-Vlaanderen afkomstig was.[109]

Pas onder het Verenigd Koninkrijk zou Charles Le Gillon zich enigszins manifesteren. Van 1815 tot 1817 was hij gemeenteraadslid van Brugge en trad hij ook toe tot de Ridderschap voor de provincie West-Vlaanderen.[110] Het één en het ander betekende adhesie met het nieuw regime, wat niet verwonderlijk was vanwege iemand die met een Van Zuylen getrouwd was. De Van Zuylens behoorden immers, o.m. omwille van hun Nederlandse afkomst en contacten, tot de enthousiaste aanhangers van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Een schoonbroer van Charles Le Gillon, baron Jean-Jacques Van Zuylen van Nyevelt (1752-1846) werd burgemeester van Brugge en lid van de Tweede Kamer, een neef Patrice de Coninck (1770-1827) werd minister van binnenlandse en nadien van buitenlandse zaken en heel wat Van Zuylens speelden een rol onder het nieuw regime. Charles Le Gillon hield het bij de huiselijke genoegens en leefde het gezapige leven van de welgestelde edelman, met afwisselende verblijven in zijn winterhuis de Lombard en zijn zomers kasteelgoed.

Bleven zijn zoon en één van de dochters ongehuwd, de twee andere dochters huwden met leden van de Brugse adel. Françoise huwde in 1818 op éénendertig jarige leeftijd met de achtendertig jarige Charles-Albert Rapaert (1780-1848) en het echtpaar kwam in de Lombard inwonen. Rapaert was een nakomeling van de geneesheer Rapaert die in de 16de eeuw over de Lombard had gewaakt en was de zoon van de schepen van het Brugse Vrije Joseph-Aybert Rapaert, heer van Oudcasteel (1731-1795). Zijn moeder was Mathea du Bois (1739-1806), de zuster van Isabelle du Bois, grootmoeder van zijn vrouw Françoise.[111]

Het fortuin van de Rapaerts was in 1796 net even groot als dat van de Le Gillons. Charles Rapaert die in 1811 licentiaat in de rechten geworden was aan de "Ecole de droit" in Brussel, werd in de Hollandse tijd rechter bij de rechtbank van eerste aanleg in Brugge. Hij bleef dit tot in 1826.[112] In 1817 legde hij zonder probleem de eed van trouw aan de Nederlandse koning af. Zijn ontslag in 1826 toont aan dat hij gaandeweg vervreemde van de Oranjegetrouwen. Toen de oppositie losbrak voegde hij zich er bij aan en was hij één van de eersten om in te schrijven op het "Constitutioneel Banket" dat op 9 juli 1829 het startsein gaf voor de anti-hollandse acties in Brugge.[113] Zozeer was hij na 1830 akkoord met het nieuwe koninkrijk dat hij van 1831 tot 1836 gemeenteraadslid van Brugge was. Een hele inspanning voor een voorstander van het rustig rentenieren.

Na enkele jaren huwelijk was het echtpaar Rapaert zich apart gaan vestigen, maar na het overlijden van Françoise Van Zuylen in 1827 en van Charles Le Gillon in 1831 kwamen ze weer in de Lombard wonen. Charles Rapaert overleed in 1848, zijn vrouw was het jaar voordien gestorven. Het echtpaar was kinderloos gebleven.

De Bie de Westvoorde

De tweede dochter van het echtpaar Le Gillon-Van Zuylen, Thérèse Le Gillon trad in 1824 in het huwelijk met Louis de Bie de Westvoorde (1796-1873).

Die zijn ouders Louis-Joseph de Bie (1744-1806) en Jeanne Salens (1765-1803) woonden op het einde van het Ancien Regime in de Geldmuntstraat, waar ze naast hun twee kinderen en het dienstpersoneel, ook kanunnik Leonard Arents (1740-1819) als huisgenoot hadden.[114] Het fortuin van de Bie was bescheidener dan dat van Le Gillon en Rapaert. In 1796 werd het op 20.000 franse livres geschat.

In 1820, hij was toen pas 24 jaar, was Louis de Bie tot burgemeester van Beernem benoemd. Ook hij was lid van de Ridderschap voor West-Vlaanderen en ook hij nam deel aan het anti-hollands Constitutioneel Banket in 1829. Dit belette niet dat hij nog onder het Nederlands Bewind de voldoening kreeg, begin 1830 tot burgemeester van Oostkamp te worden benoemd. In de wintermaanden nam het echtpaar de Bie- Le Gillon zijn intrek in de Lombard. In de zomer resideerden ze op het familiaal kasteel De Cellen, geërfd van zijn voorouders Vleys de Westvoorde.

Pas was Louis de Bie in Oostkamp in functie of hij ontketende een mini-schooloorlog met de pastoor, door op gemeentekosten en zonder toestemming van de geestelijke overheid een lagere school op te richten. De pastoor fulmineerde hiertegen vanop de preekstoel, terwijl burgemeester en gemeentesecretaris nota's namen!

De Bie, die tot de liberale strekking behoorde, en ook kortstondig lid was geweest van de Brugse vrijmetselaarsloge "La Réunion des Amis du Nord" dreef zijn wil door. In juli 1831 schreef hij naar de bisschop dat het dringend was "voor den voortgang der religie" de pastoor te verplaatsen. Het probleem vond vanzelf zijn oplossing, doordat pastoor Descamps begin 1832 overleed.[115] Louis de Bie bleef drie-enveertig jaar burgemeester van Oostkamp. Nadat zijn vrouw in 1863 gestorven was, overleed hij zelf in de Lombard op 2 juli 1876.

Het echtpaar had twee zonen. Louis de Bie (1826-1904) die huwde met Henriette Pecsteen (1853-1914) en de Oostkampse residentie in 1874 grotendeels sloopte en verving door een neogotisch gebouw naar de plannen van bouwmeester J. Schadde, en Jules de Bie (1827-1888) die in 1854 met Leonie Pecsteen (1832-1901) trouwde en de Lombard in erfdeel kreeg. Jules de Bie bleef eveneens de adellijke gewoonte aanhouden om 's winters in de stad te wonen en 's zomers op zijn buitenverblijf. Aangezien hij in 1855, pas achtentwintig, burgemeester van Sint-Kruis was geworden, is het logisch dat hij zich daar ging vestigen. Hij verwierf er het oude kasteelgoed met neerhof "De Spijker", gelegen langs de Aardenburgse heerweg. Hij bleef burgemeester tot aan zijn dood in 1888. In 1875 sloopte hij de oude "Spijker" en liet een indrukwekkend kasteel in Vlaamse neostijl bouwen.[116]

Ook al was Jules de Bie nauw verbonden met het leven op zijn gemeente, elk jaar resideerde hij zes maanden in de Lombard. Het is daar dat hij stierf op 27 maart 1888. Ook zijn vrouw overleed er, op 1 mei 1901. Het echtpaar had vier dochters, "les quatre soeurs de Bie" die respectievelijk huwden met een Van Caloen de Basseghem, een Joos de ter Beerst, een de Schietere de Lophem en een Janssens de Bisthoven. Ze hadden respectievelijk drie, zes, zeven en vier kinderen en door de huwelijken in de volgende generaties werd Jules de Bie de stamvader van een aanzienlijk deel van de Brugse en zelfs Belgische adel.

Janssens de Bisthoven

De jongste dochter van Jules de Bie, Louise de Bie de Westvoorde (1859-1939) erfde in 1901 de Lombard. In 1886 werd haar huwelijk ingezegend door de Brugse bisschop Jan Faict met de uit Sint-Niklaas afkomstige Leon Janssens (1859-1939), die net het jaar voordien het predikaat de Bisthoven bij zijn naam had gevoegd.[117]

Zoon van Ferdinand Janssens, raadsheer bij het Hof van Beroep in Gent, die in 1871 in de adelstand was verheven[118], deed hij zijn middelbare studies aan het Sint-Barbaracollege in Gent, waar hij onder meer Georges Rodenbach en Emile Verhaeren als studiegenoten had. Doctor in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Gent geworden, werd hij in 1885 substituut van de procureur des konings in Gent, procureur des konings in Kortrijk (in 1897) en in Brugge (in 1898) en advocaat-generaal aan het Hof van Beroep in Gent (in 1910). Hij woonde in de Lombard van 1898 tot 1912.

In zijn jeugd koesterde Leon Janssens de Bisthoven literaire ambities. In 1884 was hij medestichter van Le Magasin littéraire et scientifique, waarvan hij de literaire kroniek verzorgde. Hij publiceerde ook enkele gedichten.

Hij was ongetwijfeld een kleurrijk en principieel magistraat. In 1885 veroorzaakte hij heel wat heibel door op te treden tegen de coöperatieve Vooruit die onrechtmatige afhoudingen op het loon van zijn arbeiders deed en er ook voor veroordeeld werd. In 1900 spande hij als procureur in Brugge processen aan wegens zedenschennis tegen de schrijvers Camille Lemonnier en Georges Eeckhout. Hij kwam nog méér in de belangstelling door de vervolgingen die hij in 1905 en 1909 inspande tegen de liberale politicus Georges Marquet, uitbater van de casino in Oostende en Middelkerke. Procureur Janssens paste de wet toe die kansspelen verbood... tot groot ongenoegen van de minister van financies.

Men dacht de beginselvaste procureur wat te bedaren door hem tot advocaat-generaal te bevorderen, maar hij wijzigde in niets zijn strenge optreden. Men vond er niets anders op dan hem een promotie buiten de magistratuur aan te bieden die hij moeilijk kon weigeren. In april 1912 werd hij benoemd tot gouverneur van West-Vlaanderen en nam hij zijn intrek in de gouverneursresidentie op de Burg.

De gouverneur ontpopte zich als een sociaal gericht man, met grote belangstelling voor de levensvoorwaarden van de zeevissers, de seizoenarbeiders en de landbouwbevolking. Zijn gebrek aan grondige kennis van het Nederlands zou evenwel in groeiende mate kritiek opleveren. Gedurende de eerste wereldoorlog zou hij vanuit De Panne, het klein stukje vrij gebleven West-Vlaanderen besturen om na de oorlog nog vijftien jaar de bevrijde maar in grote mate verwoeste provincie te blijven leiden.

Tegen zijn zin moest hij in 1933 ontslag nemen om plaats te ruimen voor een ongeduldige kandidaat-opvolger, de minister van landbouw Hendrik Baels.[119] In 1922 werd hem de erfelijke baronstitel toegekend.[120]

Na zijn verhuizing in april 1912 verhuurde hij de Lombard. Tot in 1914 woonde er kolonel G. Hagemans, die het bevel voerde over de in de Langestraat gelegen kazernes. Tijdens de eerste wereldoorlog werd het huis bezet door de Duitsers. In 1918 nam koninklijk commissaris voor de Wederopbouw van de verwoeste gewesten De Groote er zijn intrek, na enkele jaren opgevolgd door een textielhandel.[121] De fraaie herenwoning riskeerde stilaan te verkommeren.

Gelukkig kwam in 1929 de oudste van de vier kinderen uit het huwelijk Janssens de Bisthoven - de Bie er zijn intrek nemen. Baron Ferdinand Janssens de Bisthoven (1887-1961) was eerst advocaat en nadien afgevaardigd beheerder van de Generale Bank in Brugge. In 1913 huwde hij met Denise de Peellaert Arents de Beerteghem (1893-1989), dochter van baron René de Peellaert (1864-1927), voorzitter van de voetbalvereniging Cercle Brugge.

Ferdinand Janssens de Bisthoven woonde in de Lombard tot aan zijn dood, evenals zijn echtgenote die er in 1989 op de gezegende leeftijd van 96 jaar overleed. In een huis dat eerder weinig comfort bood, maar stijlvol bemeubeld was, werd een talrijk gezin opgevoed. De oudste zoon, baron Boudewijn Janssens de Bisthoven (°1914) werd priester van het bisdom Brugge, kanunnik en archivaris van het bisdom, rector van de H.Bloedkapel en voorzitter van het Brugs Genootschap voor geschiedenis.[122] Hij was de laatste bewoner van de Lombard, vóór het VKW er zijn intrek nam. Dr. Aquilin Janssens de Bisthoven (°1915) werd hoofdconservator van de Brugse musea, die dank zij zijn hardnekkigheid en doorzettingsvermogen tot grote bloei kwamen.[123] Ides Janssens de Bisthoven (°1921) werd burgemeester van Waardamme en o.m. voorzitter van de Landbouwers- en Eigenaarsbond.[124] In totaal waren er acht kinderen die vele jaren dagelijks met hun ouders aanzaten aan de grote tafel in de statige eetkamer.

In 1935 had Ferdinand Janssens de Bisthoven op een veiling wandschilderijen aangekocht met voorstelling van de vier seizoenen door Jan Garemyn (1712-1799). De afmetingen bleken te passen in de grote eetkamer en zijn nog steeds één van de voorname sieraden van het herenhuis.

Op 25 april 1954 vergaderden meer dan 200 nakomelingen in de Lombard, naar aanleiding van het eeuwfeest van het huwelijk van Jules de Bie en Leonie Pecsteen. Eén van die nakomelingen, Willem Van Zuylen, bisschop van Luik droeg een herdenkingsmis op in de H.Bloedkapel en rond hem schaarden zich de afstammelingen Van Caloen de Basseghem, Van Zuylen, Van Zuylen van Nyevelt, de Villenfagne, de Pierpont, de Brouchoven de Bergeyck, de Hemptinne, de Crombrugghe de Looringhe, Van der Plancke, Martens, Gillès de Pelichy, Joos de ter Beerst, de Geradon, Clement de Clety, de Macar, de Frahan, de Biolley, 't Serstevens, Henry de Frahan, del Marmol, Veranneman de Watervliet, van Outryve d'Ydewalle, de Schouteete de Tervarent, de Schietere de Lophem, Carton de Wiart, de Witte, Casier, van Delft, Goethals, Cogels, de Bonhome, Mansion, de Viron en Janssens de Bisthoven. Een indrukwekkend palmares van nakomelingen, die allen hun gemeenschappelijke oorsprong hadden bij de negentiende-eeuwse bewoners en eigenaars van de Lombard.

Toen kanunnik Janssens de Bisthoven op 2 februari 1990 voor de laatste maal de grote poort van de Lombard achter zich dicht trok, zette hij een eindpunt achter meer dan twee eeuwen onafgebroken eigenaarschap en bewoning door dezelfde familiestam.


[1]A.DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs, Brugge, 1910.

A.SCHOUTEET, Het 's Gravenconvent te Brugge, in: Brugs Ommeland 1983, blz.397-405.

[2]RAB, Kerkelijk Archief, n°410 A, Cartularium Predikherenklooster, fo 1.

[3]A.SCHOUTEET, Regesten op de oorkonden, deel 3, 1340-1384: oorkonde nr.16.

A.VAN DEN ABEELE en M.CATRY, Makelaars en handelaars, Brugge 1992.

[4]J.SABBE, Vlaanderen in opstand, 1323-1318, Brugge, 1992, blz.26 en 105.

[5]D.VANDEN AUWEELE, De Brugse gijzelaarslijsten van 1301, 1305 en 1328, in: Hand. Gen. voor Geschiedenis Brugge, 1973, blz.142.

[6]J.F.VERBRUGGEN, Het gemeenteleger van Brugge van 1338 tot 1340 en de namen van de weerbare mannen, Brussel, 1962.

[7]D.VANDEN AUWEELE, Lijsten wetsvernieuwingen Brugge 1210-1363 (onuitgegeven).

[8]J.MARECHAL, Duizend jaar Britse aanwezigheid te Brugge, in: Catalogus Britannica te Brugge, 1966, p.11.

[9]W.ROMBAUTS, Inventaris van het archief der kerkfabriek van St.-Walburga te Brugge, Brussel, 1977.

V.VERMEERSCH, Grafmonumenten te Brugge vóór 1578, Brugge 1976, nummers 18, 179, 253 en 374. In navolging van Gailliard heeft men de overlijdensdatum van Zeger Honin II gelezen als 1304 i.p.v. 1384. Dit klopt evenwel niet met de overlijdensdatum van de echtgenote: 1395.

Stadsbibliotheek Brugge, Handschrift d'Hooghe, nr.449, Deel II, blz.91. De overlijdensdatum van Zeger Honin III werd niet ingevuld, de vrouw stierf in 1395.

[10]A.SCHOUTEET, Regesten op de oorkonden Deel 4, 1385-1420, nr.95.

[11]A.SCHOUTEET, a.w., nr.340.

[12]SAB, Wetsvernieuwingen.

[13]L.GILLIODTS-VAN SEVEREN, Inventaire des archives de la ville de Bruges, I, 562.

[14]Ch.CUSTIS, Jaerboecken van Brugge, Brugge 1765, Deel 1, blz.484 en v.

[15]SAB, Wetsvernieuwingen.

[16]N.GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes, Deel II, Brugge, nrs.38, 40, 118.

[17]GAILLIARD, Bruges et le Franc, deel II, blz.303-308.

[18]SAB, Leenboek van de Burg van Brugge, anno 1435, fo 14 v°, nr.3.

[19]G.CLAEYS, Kroniek van Oostkamp, z.p., 1985, blz.29.

[20]RAB, Burg van Brugge, nr.1, fo 25.

[21]SANDERUS, Flandria Illustrata, T.I, blz.82.

[22]SAB, Stadsrekeningen 1454-55, fo 40 v° nr.3.

[23]A.VANDEWALLE, De stedegarsoenen, boden in dienst van de magistraat, in: Liber amicorum Jan Buntinx, Leuven, 1981.

[24]A.DUCLOS, a.w., trefwoord scaerewetters.

R.COPPIETERS, Journal d'événements divers et remarquables, Bruges, 1907, verhaalt vaak en blijkbaar met enig genoegen hoe hij door de stad trok of kerken bezocht, "avec mon schadebeletter" (naam voor de scaerewetters vanaf tweede helft 15de eeuw). Dit prerogatief  van de burgemeester om op stadskosten over een lijfwacht te beschikken, bleef in voege tot op het einde van het Ancien Regime.

[25]J.VAN HOUTTE, De geschiedenis van Brugge, Tielt, 1982, blz.168-170.

F.DE SMIDT, Het Oosterlingenhuis te Brugge, Antwerpen, 1948.

[26] J.PAVIOT, La politique navale des ducs de Bourgogne 1384-1482, Presses Univ. de Lille, 1995, 390 blz., blz.41.

J.PAVIOT (ed.), Portugal et Bourgogne au XVe siècle (1384-1482), Lisbonne-Paris, 1995, 598 blz., blz.358.

[27]V.VERMEERSCH, a.w., nr.220.

In GAILLIARD, Bruges et le Franc staat verkeerd dat hij in 1489 overleed.

[28]RAB, Charters Burg Brugge.

[29]RAB, Burg van Brugge nr.1, fo 25, akte uit 1444, later bijgeschreven : "dit leen is weder erve ghemaect".

[30]SAB, Wetsvernieuwingen.

R.DE KEYSER, Het kasteel Lembeke te Oostkerke en zijn bezitters, in : Album Archivaris Jos De Smet, Brugge, 1964, blz.231.

V.VERMEERSCH, a.w. nr.463.

[31]R.DE ROOVER, Money, Banking and Credit in Mediaeval Bruges, Cambridge, Mass. 1948, blz. 101, 116, etc.

J.MARECHAL, Bijdrage tot de geschiedenis van het bankwezen te Brugge, Brugge, 1955, blz. 100-101.

[32]J.MARECHAL, a.w. blz.96-101.

[33]SAB, Leenboek Burg Brugge, anno 1435, fo 14 v° nr.3.

[34]RAB, Kerkelijk Archief, n° 410 A, cartularium Predikherenklooster, fo 232-233.

[35]RAB, Burg van Brugge n° 2, Leenboek, anno 1501, fo 12.

[36]J.MARECHAL, a.w. blz.21.

[37]C.CUSTIS, Jaerboecken der Stadt Brugge (...), Brugge 1765, Deel 2, blz.144.

[38]P.SOETAERT, De "Berg van Charitate" te Brugge, een stedelijke leenbank (1573-1795), Brussel, 1974.

[39]a.w. uitgave 1840, deel 4, blz.25.

[40]O.de La Marche, Mémoires, ed. H.Beaune et J.d'Arbaumont, 4 vol., Paris 1883-88, in vol.3, blz.101-20, vol.4, blz.101.

[41]M.SEBRECHTS, Genealogie Losschaert, Tablettes de Flandres, Receuil I.

[42]SAB, Klerken van de Vierschaar - protokollen van Adriaan de Mommengy, 1541-1542, fo 247.

[43]SAB, Wetsvernieuwingen.

F.VAN DYCKE, Recueil héraldique de familles nobles et patriciennes, Brugge, 1851, blz.339-342.

[44]J.VAN VYVE, Histoire et généalogie de la famille Van Vyve, Brussel, 1982, Blz.31.

[45]V.VERMEERSCH, a.w., nr.578.

[46]N.GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes en de Jeruzalemstichting te Brugge, Brugge 1987 (Deel I) en 1989 (Deel II).

J.VAN VYVE, a.w., Blz.30.

[47]J.GAILLIARD, Bruges et le Franc, T.I, blz.358 en v. : genealogie d'Ongnies (zoals steeds met de nodige voorzichtigheid te hanteren).

[48]Ch.VERSCHELDE, Testament de Pierre Bladelin (...), in : Ann.Société d'Emulation de Bruges, 1879, blz.1-32 (vermelding van talrijke eigendommen gelegateerd aan leden van de familie d'Ongnies du Quesnoy).

G.CLAEYS, Het hof Bladelin te Brugge, Brugge, 1988.

[49]L.GILLIODTS-VAN SEVEREN, Coutume du Bourg de Bruges, Brussel 1883, T.I, blz.130.

[50]K.VERSCHELDE, Geschiedenis van Middelburg in Vlaanderen, Brugge, 1867.

[51]E.DE SEYN, Geschied- en aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, Brussel, z.d.

[52]L.GILLIODTS-VAN SEVEREN, Coutume du Franc de Bruges, Brussel 1880, T.I, blz.372-74 en 381, T.III, blz.199 en 476.

[53]K.VERSCHELDE, a.w. blz.81.

[54]K.VERSCHELDE, a.w. blz.93.

[55]De hertog van Anjou en de prins van Oranje te Brugge, uitg. door Dirk VAN DER BAUWHEDE en Marc GOETINCK, Brugge, 1983.

[56]De lamentatie van Zegher Van Male, uitg. door A.DEWITTE en A.VIAENE, Brugge, 1977, blz.89.

[57]I.DE MEYER, Notice biographique sur François Rapaert et ses descendants, Brugge, 1844.

[58]SAB, St.-Janssestendeel, fo 1038 en daaropvolgende folio's 1876, 2054, 2097, 2363, 2482, 2518, 2522 en 2840.

[59]RAB, rekeningen Brugse Vrije, 1564-65, fo 139 v°.

SAB, rekeningen Brugge, 1564-65, fo 116, v° nr.3.

[60]E.DUCHESNE, Richard de Merode, in Biographie Nationale, T.XIV, 1897, col.574-582.

E.RICHARDSON, Histoire de la maison de Merode, traduite et mise à jour par la princesse Jean de Merode, Brussel, 1955.

[61]Memoires du comte de Merode d'Ongnies (1665), uitgave baron de Reiffenberg, Mons, 1840.

L.DUERLOO en D.JANSSENS, Wapenboek van de Belgische adel, Brussel, 1992. In 1647 werd de Artesische baronie Ongnies voor François de Merode d'Ongnies verheven tot graafschap.

[62]RAB, rekeningen Brugse Vrije, 1590-91.

SAB, rekeningen Brugge, 1589-90, fo 50 nr.5.

[63]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w.

[64]Stadsbibliotheek Brugge, handschrift 602.

[65]RAB, Rekeningen Brugse Vrije, 1611-12.

[66]K.VERSCHELDE, a.w. blz.188.

[67]Rijksarchief Gent, Fonds Middelburg-in-Vlaanderen, nr.30, Kerkrekening 1630-31, waar naast de betaling aan Ryckx vermeld staat : "Dit is eene copie van het origineel rustende ten huize van Mevrouw de Graevinne van Iseghem binnen Brugge." De gravin van Izegem was Isabelle de Merode.

E.DHANENS, Nieuwe gegevens betreffende het Bladelinretabel toegeschreven aan Rogier Van der Weyden, in : Archivum Arte Lovaniense, Bijdragen (...) opgedragen aan prof.em.dr.J.K.Steppe, Leuven, 1981, blz.45-52.

[68]K.VERSCHELDE, a.w. blz.155.

E.DHANENS, a.w.

[69]F.VAN DYCKE, a.w.

[70]RAB, Staten van Goed, 1e reeks, nr.16.232.

[71]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w., deel I-M, blz.256-257.

[72]A.de SCHIETERE de LOPHEM, Les stalles de l'Eglise Ste Anne, in : Tablettes des Flandres, Tome 2, Brugge 1949, blz.369.

[73]Dit was de hierbovenvermelde Anne-François de Merode, die als enige overgebleven zoon van Richard de Merode, en dus "cousin germain" van Marguerite de Merode ook nog medeëigenaar was gebleven van de Lombard.

[74]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w., geven Pieter op als zoon van Louis, wat niet juist is. Hij was zijn broer, evenals de eveneens tot ridder benoemde Jacques.

[75]K.VERSCHELDE, a.w. blz.114.

[76]R.DE SCHRIJVER, Jan Van Brouchoven, graaf van Bergeyck, Brussel, 1965.

[77]SAB, Secrete Resoluties 1704-09, fo 56 v°.

[78]A.VAN DEN ABEELE, In Brugge onder de acacia, Brugge, 1987, blz.179.

[79]L.P.GACHARD, Louis-Englebert d'Arenberg, in : Biographie Nationale, T.I, 1866, col.426-432.

[80]J.GAILLIARD, Bruges et le Franc, T.IV, blz.329-348.

Annuaire de la noblesse, 1899, I, blz.153.

P.DENIS DU PEAGE, Recueil de généalogies lilloises, Cambrai, 1922, blz.710.

[81]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w. deel N-Z.

[82]Van 1745 tot 1749 waren de Habsburgse Nederlanden in de macht van koning Lodewijk XV, ingevolge de Oostenrijkse Successieoorlog die beëindigd werd door de Tweede Vrede van Aken in oktober 1748.

[83]Yv.VANDEN BERGHE, a.w. blz.48.

[84]A.VAN DEN ABEELE, In Brugge onder de acacia, blz.272-278.

[85]SAB, Sint-Niklaassestendeel fo 2522 verso.

[86]SAB, Sint-Niklaassestendeel fo 2840.

[87]SAB, St Janssestendeel, fo 2518.

[88]Ph.VAN HILLE, De gerechtelijke hervormingen van keizer Jozef II, Tielt, 1973, blz.25.

Yv.VANDEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de revolutietijd (1780-1794), Brussel, 1972, blz.149 en v.

[89]R.COPPIETERS, a.w., blz.61.

[90]J.VAN WALLEGHEM, Merkenweerdigste voorvallen 1787, Brugge 1982, fo 76. Van Walleghem heeft hier de Mahieu verward met Louis-Joseph de Haveskerke, die bijna gelijktijdig voorzitter was geworden van een andere nieuwe instelling, de arrondissementele rechtbank.

E.DEVOS, Dagboek van J.Dienbergen, in Biekorf, 1901-1903.

A.SCHOUTEET, Ghedinckboeck van M.F.Allaert, Brugge 1953.

A.SCHOUTEET, Gedenckweerdige aanteeckeningen van Jan Karel Verbrugge, Brugge, 1958.

Yv.VANDEN BERGHE, a.w. blz.150, 156 en 190.

[91]R.COPPIETERS, a.w. blz.69.

[92]J.VAN WALLEGHEM, a.w. fol.78.

[93]Yv.VANDEN BERGHE, a.w. blz.161.

A.VAN DEN ABEELE en M.CATRY, a.w. blz.29-30.

[94]J.VAN WALLEGHEM, a.w. fo 86.

[95]A.VAN DEN ABEELE, Charles C.J.Walwein (1754-1792), een "zwart schaap" onder de Walweins, in : Wevend aan het verleden. Liber amicorum O.Mus, Veurne, 1992, blz.268. We hebben hierin Walwein verkeerdelijk vermeld als onderintendant van de nieuwe rechtbank, daar waar het van het nieuwe district was.

[96]Stadsbibliotheek Brugge, Handschrift 604.

[97]R.COPPIETERS, a.w. blz.69.

[98]J.VAN WALLEGHEM, a.w. fo 95-96.

[99]R.COPPIETERS, a.w. blz.71.

[100]Algem.Rijksarchief, Koninklijke Raad voor het gouvernement, 953, rapport van keizerlijk raadsheer P.J.de Lannoy, die op het ogenblik van het oproer in Brugge was.

[101]J.VAN WALLEGHEM, a.w., fo 213-214, 235 en 287.

[102]idem.

[103]R.COPPIETERS, a.w. blz.88-94.

[104]GAILLIARD, Bruges et le Franc, T.II, blz.122.

[105]J.VAN VYVE, a.w. blz.204-205.

[106]L.VAN RENYNGHE de VOXVRIE, Descendance de Jean-Bernard van Zuylen van Nyevelt et d'Isabelle du Bois, Brugge, 1964.

[107]W.BOUSSY, De gegoede stand te Brugge op het einde van de 18de eeuw, onuitgegeven licentiaats-verhandeling, RUG, 162-63.

[108]B.JANSSENS de BISTHOVEN, Het wondere weefsel van de H.Godelieve, in : Sacris Erudiri, 1971, blz.285.

[109]SAB, bevolkingsboeken 1792-1812, E5-8.

[110]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w. Deel F-M.

[111]F.VAN DYCKE, a.w. blz.369.

[112]Ph.VAN HILLE, Het hof van beroep te Brussel en de rechtbanken van Eerste Aanleg in Oost- en West-Vlaanderen onder het Nederlands Bewind (...), Tielt, 1981.

[113]C.RODENBACH, Episodes de la révolution dans les Flandres, Brussel, 1833.

[114]B.JANSSENS de BISTHOVEN, Kanunnik Leonard Arents, in : Handel.v.h.Genootsch. voor Geschiedenis, Brugge, 1995.

[115]G.CLAEYS, Kroniek van Oostkamp, z.p., 1985.

[116]M.CAFMEYER, Sint-Kruis Oud en Nieuw, Brugge, 1970, blz.43.

[117]B.JANSSENS de BISTHOVEN, Ascendants et descendants de Ferdinand Janssens de Bisthoven et de Denise de Peellaert Arents de Beerteghem, Brugge, 1975 (onuitgegeven).

[118]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w. Deel F-M.

[119]L.SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836-1921, Tielt, 1976, blz.388-391.

B.JANSSENS de BISTHOVEN, Gouverneur Janssens de Bisthoven, met oorlogsdagboek 1915-1918, Brugge, 1992.

[120]L.DUERLOO en P.JANSSENS, a.w. Deel F-M.

[121]H.DEMAREST, Brugse mensen in de buurschap Langestraat, Brugge, 1982, blz.98.

[122]A.JANSSENS de BISTHOVEN, Kanunnik Janssens de Bisthoven. Biografische schets en bibliografie, in : Handelingen Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1993, blz.5-16.

[123]V.VERMEERSCH, D.DEVOS, W.P.DEZUTTER, Huldenummer dr.A.Janssens de Bisthoven, Museumleven 1980, nr.7-8.

[124]L.SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1921-1978, Tielt, 1979, blz.317.