Een geheim genootschap in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge Waarom dit verhaal? Het bestuderen van de vrijmetselarij in Brugge heeft me een persoonlijke ervaring in herinnering gebracht die zo diep in mijn jeugd bedolven lag, dat ik ze eigenlijk vergeten was. Ik ben namelijk zelf lid geweest van een geheim genootschap. Het was weliswaar van een heel andere aard dan de vrijmetselarij en het streefde andere doelstellingen na, maar droeg alle kenmerken van een typische geheime vereniging. Tientallen, waarschijnlijk twee à driehonderd oud-leden van dit genootschap zijn thans nog in leven. Duizenden oud-leerlingen van het Sint-Lodewijkscollege hebben nooit geweten dat enkele van hun klasgenoten deel uitmaakten van een geheim genootschap. De invloed die van zo een geheime groep kon uitgaan op de mentaliteit en activiteit binnen het toonaangevend Sint-Lodewijkscollege, is moeilijk te schatten. De geschiedenis van dit college kan evenwel niet volledig zijn zonder het bestaan en de activiteiten te kennen van een genootschap dat decennia lang binnen dit college opereerde en er op georganiseerde wijze een bepaalde geest en levenshouding propageerde. Het bestaan van dit genootschap is voor de buitenwereld niet helemaal onbekend gebleven. Wat er over gepubliceerd werd beperkt zich evenwel tot een paar verspreide en fragmentarische gegevens. Deze bijdrage wil dan ook een poging zijn tot het ophangen van een coherent historisch beeld. Eerst geef ik getuigenis van mijn eigen ervaringen en van de herinneringen die ik en een paar vrienden er aan overhielden. De eed van een twaalfjarige Het is bijna veertig jaar geleden. Ik was in 1947 twaalf jaar en liep school in het Sint-Lodewijkscollege, zevende studiejaar bij Mr. Jules Bergeman, beminnelijk man en geliefd onderwijzer die we in de wandel, vanwege zijn wat toegeknepen ogen achter zware brilglazen, "de Chinees" noemden. Vanaf september belandde ik in de zesde Latijnse bij E. H. Gerard Van Parijs. Op een dag kwam een student uit de Poësis, Piet Carreer, me opzoeken tijdens de speeltijd en deelde me mee dat hij buiten het college met me wou praten over een belangrijke zaak. Dit herinnerde er me aan dat ik een jaar vroeger ook al was benaderd door een oudere collegestudent, Robert Van Brabant. Hij had me in zijn ouderlijke woning in de Sint-Janstraat ontboden en had er me, terwijl hij duchtig aan zijn pijp trok, aan een waar kruisverhoor onderworpen. Met enige geheimzinnigheid had hij besloten dat we dit gesprek nog zouden verder zetten, maar ik had van hem niets meer vernomen. Op een avond ontmoette ik dus, buiten het college Piet ("Pito") Carreer. Wat ik me van dit gesprek herinner is dat omzichtig en in raadsels door mijn oudere schoolgenoot werd gepolst naar mijn mening over het college, de leraars, mijn kameraden, de jeugdbeweging, enz. Uiteindelijk kwam het er op neer dat hij me vroeg of ik belang kon stellen in het lidmaatschap van een geheime vereniging die Christus en Vlaanderen wilde dienen en waarin ik enkele van mijn klasmakkers zou ontmoeten. In dit eerste stadium moest ik alleen maar mijn belangstelling uiten en plechtig beloven dat ik hierover met niemand zou spreken. De aantrekkelijkheid van het onbekende en het geheime was groot, en ik aanvaardde. Enkele dagen later stond Pito me opnieuw op te wachten buiten het college en we maakten een afspraak voor de volgende zondag na de vespers en lof. Toen Pito me die zondag begroette voor het standbeeld van Guido Gezelle, deed hij afstandelijk en officieel. We trokken de Goezeputstraat in en arriveerden in het Hoogste van Brugge, waar we een oude en nogal verlaten uitziende woning binnenstapten. Ik werd in een klein kamertje geleid. Wacht hier even, zegde hij. Hij sloot me op en ik hoorde hem de gang doorstappen. Wat later kwam hij terug en begon me enige uitleg te geven. Er bestond een kleine kern van klasgenoten die tot doel had in alle stilte te ijveren voor Vlaanderen en voor Christus. Wilde ik daaraan meewerken? Ja, ik wilde. Opnieuw werd ik opgesloten voor een laatste bedenktijd. Een kwartier of zo later mocht ik eindelijk mee. Pito leidde me de keldertrap af en bracht me in een pikdonkere ruimte. Hij deed me op een kist neerzitten. Toen begon hij aan een monoloog over de Vlaamse beweging, het katholieke Vlaanderen, de noodzaak om mee te helpen aan de opstanding van het Vlaamse volk. Omdat er ook veel vijanden van deze opstanding waren, moesten de impulsen hiervoor in het geheim worden gegeven, teneinde het risico van tegenstand en vijandigheid te ontlopen. Om dit te realiseren had Albrecht Rodenbach "De Swigenden Eede" opgericht en het was deze vereniging die sedert tientallen jaren in de Vlaamse colleges de goede geest aanmoedigde. In iedere klas bestond een afdeling van de "Swigenden Eede", die in alle geheim zijn activiteiten voerde en waarvan ik door de opperleiding waardig was bevonden deel uit te maken. Mijn klaskameraden die al lid waren, hadden me als nieuwe rekruut voorgedragen. Toen moest ik op enkele vragen antwoorden en kreeg ik ook te raden wie van mijn klasgenoten zich in de kelderruimte bevonden. Ik had af en toe horen kuchen of giechelen maar kon moeilijk uitmaken wier er nog, naast Pito Carreer en mezelf, aanwezig was. Toen werd het tijd om de plechtige inwijding te voltrekken. Een kaars werd aangestoken en klasgenoten kwamen uit de duisternis te voorschijn: Michel Marchau, Arnold Coudenys en Paul De Bruyne. Boven op een omgekeerde kist lag een vlag met de Vlaamse leeuw en de letters AVV-VVC. Het was een oude vlag met gaten en scheuren. "De vlag ons door Berten Rodenbach gegeven" zo werd me verzekerd. Toen moest ik, met de hand op de vlag een eed van trouw aan Vlaanderen zweren, die onder meer de zin inhield: "Als ik ooit eens of anders aan mijn Eed tekort kome, moge ik haterling en bastaard genoemd worden en ieders trouwe onwaardig". Daarop werd ik door de aanwezigen één voor één gelukgewenst. Het verslagboek werd bovengehaald en de laatste verslagen werden ter mijner intentie voorgelezen. Zo kon ik kennis nemen van de discussies en argumenten pro en contra mijn opname. Vervolgens leerde ik dat ieder groepje zoals het onze "eede" genoemd werd, dat de leider de "keurman" was en de leden "skalden". Ook moest ik een schuilnaam kiezen, bij voorkeur een Germaanse naam. Ik koos voor Siegfried. Voortaan zou ik tijdens de vergaderingen met deze naam worden aangesproken en zou ook onder die naam in het verslagboek vermeld worden. Ik leerde ook dat ik buiten de vergaderingen nooit de woorden "Swigenden Eede" of "Noodvier" mocht uitspreken en dat onder ons altijd zou gesproken worden over "het affèrtje". Onschuldig woord dat geen argwaan zou wekken indien een gesprek toevallig door een niet-ingewijde werd overhoord. Tegen het einde van de vergadering gingen we rond de vlag staan, namen elkaar bij de hand en herhaalden de eed van trouw. Toen we uit elkaar gingen, met de opdracht niet rond het lokaal te blijven hangen, leerde ik waar we waren bijeengekomen: in het achterhuis van de textielwinkel die de juffrouwen Carreer, tantes van Pito, in de Zuidzandstraat uitbaatten. Werk en streven in de "Swigenden Eede" Voortaan kwam het clubje om de maand bijeen, na een mondelinge verwittiging. Pito Carreer verwittigde de "hoofdskald" die het bericht aan de andere leden doorgaf. Op het gestelde uur trokken we naar het Hoogste van Brugge, altijd alleen en om ons heen kijkend of niemand ons volgde. Vooral voor de collegesurveillant waren we gewaarschuwd: de collegeoverheid mocht hiervan niets weten. De deur van het achterhuis stond op een kier en we trokken direct naar de kelder. Bij het binnentreden groetten we met het "Vliegt de Blauwvoet – Storm op zee". De dagorde van de bijeenkomst verliep volgens een vast schema. Eerst werd de "Psalm" van Rodenbach gebeden, waarna het verslag van de vorige bijeenkomst werd voorgelezen en gecommentarieerd. Daarna werd uitgebreid ingegaan op de toestand in de klas. Onze klasgenoten werden ter sprake gebracht. Men noteerde wie "franskiljon" was en wie tot de scoutsgroep Sint-Lodewijk behoorde, wat als een aanwijzing werd beschouwd dat hij met de "franskiljons" sympathiseerde. Verder werden de "echte Vlamingen" aangeduid en werd besproken hoe men de onverschilligen kon "veroveren". Concrete actiepunten werden afgesproken: gesprekken die moesten gevoerd worden met één of ander klasgenoot teneinde zijn Vlaamse overtuiging te verstevigen, actie tegen één of andere "franskiljon", werk dat moest gepresteerd worden om de KSA, de missiebond of andere organisaties te infiltreren en zo mogelijk in handen te nemen. Ook ABN-actie behoorde – met wisselend succes – tot de bestendige aandachtspunten. Een belangrijk onderwerp van gesprek was telkens het verder aanvullen van de "eede" met nieuwe rekruten. Uitgebreid werd voor en tegen van de gesuggereerde kandidaten besproken. Wanneer over een naam overeenstemming was bereikt moest de keurman die aan de occulte opperhoofden van de vereniging gaan voorleggen. Het duurde meestal nogal lang vooraleer een gunstige beslissing kwam. Soms was die negatief. Indien het groen licht werd gegeven, kon de voorzichtige benadering beginnen, die bij gunstig gevolg uitmondde op een intronisatie. Deze werkwijze bracht mee dat slechts een paar nieuwe leden per jaar werd binnengehaald. Af en toe kregen we gestencilde bladen te lezen die ons onder de naam "Tijl", berichten van de opperleiding brachten. Die bladen werden na lezing onmiddellijk verbrand. Was er nog tijd over dan las de keurman voor uit geschriften met een Vlaamse inhoud. Zo herinner ik me dat werd voorgelezen over Willem van Saeftinge. Het betrof meen ik een boek dat over hem verschenen was in een reeks "Dietse gestalten". Bij tijd en wijle kwamen ook persoonlijke zaken te berde. Zelfs onze schooluitslagen kwamen ter sprake en waren die niet behoorlijk dan werden we op de vingers getikt en tot grotere ijver aangemaand. Een gebed en de "eed van trouw aan Vlaanderen" besloten elke bijeenkomst. Toen wij overgingen naar de vijfde Latijnse, bleef Pito Carreer, die toen in de Rhetorica zat, onze keurman. Een paar leden kwamen ons groepje versterken: Romain Van Eenoo (die evenwel niet lang bleef) en Etienne Vermeersch. Paul De Bruyne en Arnold Coudenys verlieten het college en daarmee ook het "affèrtje". De afspraak werd stipt nageleefd: nooit spraken we nog met hen over verdere werking en nooit vroegen zij ernaar. In de vierde Latijnse werd Walter De Smaele ("Balder") onze keurman. Met hem veranderden we van lokaal: het werd een parochiezaaltje op Sint-Baafs. In de derde Latijnse werd Romain Van Landschoot onze keurman. Op het spoor van de andere leden Ons kringetje leefde volledig autonoom, maar toch wisten we dat in iedere klas een zelfde groepje bestond en dat aan het hoofd een algemene leider stond, waarvan ons verzekerd werd dat hij zijn gezag in rechte lijn van Albrecht Rodenbach hield. Onze enige band met deze leider was onze eigen keurman. het was ons absoluut verboden met de kringen uit andere klassen contact te zoeken, maar we konden toch vermoeden wie er deel van uitmaakte. Meestal waren het zowat de spontane leiders van de klas of van de KSA in die klas, maar dit was zeker geen algemeen criterium. Vlaamsgezindheid en vooral het dragen op de achterzijde van de kraag van een speldje met Yzertoren en Vlaamse Leeuw waren aanwijzingen. Het speldje was weliswaar niet verboden, maar toch slechts gedoogd door de collegeoverheid die er de voorkeur aan gaf dat men het bescheiden XP-speldje van de KSA in het knoopsgat stak. Een bijkomende aanwijzing was de vervanging boven op de huis- en proefwerken van het "A.M.D.G." of het "Jezus – Maria – Jozef" door het "AVV VVK", maar ook anderen dan leden van het "affèrtje" volgden deze mode, die door de ene leraar al meer geapprecieerd werd dan door de andere. De zekerste manier om de leden van de "Swigenden Eede" in de andere klassen te kennen was na te gaan wie de vrijdag de kruisweg deed in de collegekapel. De wekelijkse "kruisweg voor Vlaanderen" behoorde immers tot de verplichtingen die men als skald op zich nam, samen met het onderhouden van een half uur "aanbidding" op een vaste dag in de week. De kruiswegtest was niet absoluut, want sommige leden dreven de zin voor geheimhouding zo ver dat ze deze niet op het college maar in hun parochiekerk volbrachten. Anderzijds waren er ook leden die niet tot de "eede" behoorden en die de devotiepraktijken van hun klasgenoten navolgden. In algemene lijnen kon men zich nochtans een tamelijk goed idee vormen van wie er tot de "Swigenden eede" behoorde en aangezien het vaak zowat de "leiders" van hun jaar waren, gaf dit een bijkomend zelfbewustzijn dat men in het geheim tot een elite behoorde. Elf Juli en het feest van Sint Lutgardis waren gelegenheden om de invloed van het "affèrtje" te testen. Op die dagen was het parool dat men in zondagpak naar school kwam, geen stofjas droeg en niet speelde tijdens de lesonderbrekingen. het kwam er op aan zoveel mogelijk klasgenoten voor deze "Vlaamse" en onschuldige manifestaties te winnen. de avond van 11 juli trokken we naar de Markt en gingen plaats nemen tussen de bourgeois op het groot terras van de patisserie Lippens, om er naar het elf-juliconcert te luisteren dat door één van de Brugse muziekverenigingen werd gegeven en om tegen het einde recht te veren en luidkeels de "Vlaamse Leeuw" te zingen. Eenmaal per jaar, tegen het einde van het derde trimester kwamen alle klasgroepjes van de "Swigenden eede" in algemene vergadering bijeen. Dit was natuurlijk de beste gelegenheid om te weten wie de ongeveer veertig leden waren die de tot het gezelschap behoorden. Deze test was ook niet absoluut: er werden altijd enkele sympathiserende niet-leden uitgenodigd, vooral uit de hoogste klassen. De bijeenkomst gaf geen aanleiding tot onderlinge contacten. Op die vergadering zaten we rij na rij per klas en spraken we nauwelijks tegen elkaar. Achteraf werd het als de normaalste zaak beschouwd nooit nog te laten blijken dat men elkaar op deze bijeenkomst had ontmoet. Ik heb herinnering bewaard aan twee algemene bijeenkomsten. De eerste had plaats in de ruime kelders van de juffrouwen Carreer. Het jaar daarop ontmoetten we elkaar in een achterzaaltje van de parochieschool langs de Predikherenrei, dat we bereikten via een discrete ingang in de Ganzestraat, op het erbij horende verdoken Ganzenpleintje. Om toegang te verkrijgen moest men het geheim wachtwoord kennen. Vooraan was een afscherming aangebracht, waartegen de oude leeuwenvlag hing waarop ik mijn eed had afgelegd. Voor de afscherming stond een luidspreker. terwijl we in stilte voor ons zaten uit te kijken, weerklonk plots een stem via de luidspreker die naar men ons zegde rechtstreeks verbonden was met de toren van Damme en die zegde: "Tot u spreekt Tijl, de geest van Vlaanderen". Hierop volgde een lange spreekbeurt, waarvan ik de teneur vergeten ben, maar die telkens draaide rond de strijd voor Vlaanderen en ons opriep tot moed en strijdvaardigheid. Ook werden concrete bemerkingen gemaakt over de werking in iedere klas. Eenmaal de toespraak beëindigd, werd de "Vlaamse Leeuw" gezongen en werden we, klas per klas en met enkele minuten tussenpauze, de straat opgestuurd met de opdracht direct uit de nabijheid van het lokaal weg te trekken. Ik herinner me dat ik de eerste maal, samen met Michel Marchau, in het Hoogste van Brugge bleef rondhangen, omdat we mordicus wilden weten wie die Tijl wel was. Pito Carreer kon er ons evenwel van overtuigen om met hem weg te trekken, zodat "Tijl" ongehinderd en ongezien de kelder en het achterhuis kon verlaten. Begin september 1949 had een bijzondere activiteit plaats voor de leden van de "Swigenden Eede". We trokken allen samen voor drie dagen op tentenkamp bij de Witte Paters in Varsenare. Het was geen kamp zoals een ander: weinig spel, weinig sport, geen uniformen. Het had veel weg van een geestelijke afzondering en van een comploterende bijeenkomst, waarbij de doelstellingen en werkwijzen van de "Swigenden Eede" grondig bediscussieerd werden. Bij die gelegenheid werd de tekst besproken van de studie die de student uit de Poësis Wilfried Dumon, voor het verkrijgen van het "ridderschap" in de KSA had geschreven onder de titel "Breydelstede, 80 jaar geschiedenis". Hierin gaf Dumon een levendig verhaal over de studentenbond in het Sint-Lodewijkscollege, waarvoor hij de oorspronkelijke bronnen, hoofdzakelijk de verslagboeken had kunnen raadplegen. De "Swigenden eede" kwam er slechts sporadisch bij te pas en er werd niets méér over verteld, zelfs minder, dan wat in 1926 al gepubliceerd was in het "Vlaggeboek", gewijd aan de geschiedenis van de "Vlaamsche Vlagge". Dit lag in de logische lijn van de beloofde geheimhouding. Het is tijdens deze kampdagen dat ik de koffer heb gezien waarin het omvangrijk archief werd bewaard dat zowel van de vroegere studentenbond als van het "affèrtje" afkomstig was. Januari 1951 verliet ik het Sint-Lodewijkscollege om als intern in het Sint-Jozefscollege in Aalst mijn humaniora verder te zetten. Ik verliet dan ook meteen het "affèrtje" en nooit meer, tot een paar jaar geleden, sprak ik nog met de andere leden over de werking van het geheim genootschap. Toen we zoveel jaren later het onderwerp ter sprake brachten, vernam ik voor het eerst bijkomende gegevens over de organisatie. De "keurmannen", leerlingen van de Rhetorica, de Poësis en soms de Derde Latijnse, die bij coöptatie gekozen werden en elk een klasgroep leidden, vormden de eigenlijke "Swigenden Eede" die de naam droeg van "Gilde Noodvier". Aan het hoofd van de groep stond een leider die de naam "dictator" droeg. "Noodvier" was democratisch van besluitvorming en de "dictator" was een primus inter pares. Toen mijn klasgenoten in de Rhetorica zaten, was Etienne Vermeersch de "dictator". Dit groepje kwam elke week samen in een kamer bij de godvruchtige en Franstalige gezusters Carreer in de Zuidzandstraat. De "dictator" was de enige die twee contacten met de "buitenwereld" diende te onderhouden. Enerzijds bleef hij in contact met één van de voorgaande "dictators", die voor drie jaar als "raadgever" fungeerde, voor het geval zich onverwachte problemen voordeden. In de periode Etienne Vermeersch fungeerde Romain Van Landschoot als "raadgever". Anderzijds had de "dictator" contacten met een geestelijk raadsman. In de jaren vijftig werd deze rol vervuld door de Rhetoricaleraar E. H. Joris Blondeel, die ook proost van de collegebond van de KSA was. Voor hem was dit de wiskundeleraar E. H. Laurent Van Iseghem geweest, die in 1947 principaal van het college was geworden. De geestelijke raadsman werd hoofdzakelijk gepolst naar zijn oordeel over de kwaliteit van toekomstige leden. Over de eigenlijke activiteiten werd hij hoogstens incidenteel ingelicht. Nog andere contacten werden behouden, onder meer met vroegere leden die konden van nut zijn. Zo moest elk jaar een "Tijl" gevonden worden om de algemene vergadering toe te spreken. Volgens Wilfried Dumon me meldde werd deze rol bij herhaling vervuld door E. H. Jozef Cordy. Paul Delbecque, Sam Annys, Gaby Gyselen, Fernand Etienne en andere oud-keurmannen traden eveneens als "Tijl" op. Een poging tot geschiedenis van de "Swigenden Eede" Ik heb dit verhaal over de "Swigenden Eede" of "Gilde Noodvier" geschreven zonder documenten, zoals ik het mij naar best vermogen 35 tot 40 jaar na de feiten nog kan herinneren. Ik denk dat de essentie van mijn herinneringen correct is, hoewel ik zeker een aantal elementen vergeten ben. Daaraan heb ik ook gegevens toegevoegd die ik kon optekenen tijdens gesprekken met een paar van mijn vroegere medeskalden. Hierna doe ik een poging om, hoofdzakelijk op basis van gepubliceerde teksten, een begin van geschiedenis van de Brugse "Swigenden Eede" te schrijven, tegen de achtergrond van de studentenbeweging in het Sint-Lodewijkscollege en van de Vlaamse studentenbeweging in het algemeen. Wanneer werd de Brugse "Swigenden Eede" gesticht en was inderdaad de oorsprong ervan bij Albrecht Rodenbach te zoeken? Het is alvast zeker dat Rodenbach, samen met Paul De Mont en Amaat Joos in 1877 een overkoepelende Vlaamse studentenbond stichtte die enerzijds bestond uit een verbond van "spelersgilden" voor de vakantieperiode en een verbond van "keurmanschappen" voor de werking in de colleges tijdens het schooljaar. In Leuven vergaderde het "opperkeurmanschap", samengesteld uit één vertegenwoordiger per provincie. Deze "opperkeurmannen" duidden een vertrouwensman aan in ieder onderwijsinstelling van hun provincie, die dan op zijn beurt een betrouwbare medewerker in ieder klas zocht. Deze organisatie kwam enkel in West-Vlaanderen echt van de grond. Men richtte een paar landdagen in, men publiceerde "Het Pennoen", maar na een paar jaar was de "algemene studentenbond" doodgebloed. Kort daarop overleed Rodenbach. In West-Vlaanderen was men nochtans niet van niets vertrokken. Al voor 1877 bestond een Vlaamse studentenbond in een aantal colleges. Ten laatste in 1857 bestond in het Sint-Lodewijkscollege een min of meer georganiseerde studentenvereniging die in de congregatiezaal in de Oostmeers bijeen kwam met hoofdzakelijke recreatieve doeleinden. Hieruit groeide een toneelbond voor studenten die in 1869 vaste vorm kreeg onder de naam "Prosunt et Delectant" of "Nut en Vermaak". Aanvankelijk een loutere ontspanningsvereniging, werd de geest stilaan meer strijdend Vlaams. In 1877 kwam Albrecht Rodenbach de bond toespreken. Dit lag in de lijn van de mogelijke Brugse aansluiting bij het "Algemeen Studentenverbond". Sloot de bond hierbij aan? het is niet zeker. In ieder geval was er tweedracht. Bij de verkiezing van nieuwe bestuursleden in 1877, enkele weken na de speech van Rodenbach, verklaarde de uittredende voorzitter J. de Meyere "dat in generwijze de voorstanders der Vlag ((de Vlaamsche Vlagge) en der West-Vlaemsche kwestie aan ’t hoofd van onzen kring (mogen) staan". Dat hierop zes en dertig blanco briefjes in de stembus werden gevonden bij de verkiezing voor een nieuwe voorzitter, toont aan dat een belangrijke minderheid wel degelijk voor aansluiting gewonnen was bij een meer militante Vlaamse strekking. E. Calmeyn, één van de voormannen van deze strekking, werd uit de bond gesloten. Het jaar daarop werd hij evenwel in het bestuur opgenomen. De "Vlaamsche Vlagge" liet niet na te laten weten wat ze dacht van deze "wederkampers" die zich achter Vlaamse motieven verschuilden om de "echte" Vlamingen van de "Studentenkamp" (onderverstaan de aanhangers van de "Vlaamsche Vlagge", van "het Pennoen" en van het "Algemeen Studentenverbond") te bestrijden. Een strijd dus tussen gematigden en activisten, tussen voorstanders van een algemene taal en West-Vlaamse taalparticularisten (die in de "Vlaamsche Vlagge" een spreekbuis hadden), of misschien een strijd tussen Bruggelingen die hun autonomie wilden behouden en diegenen die de opname in een groter geheel genegen waren. De leerlingen van het Sint-Lodewijkscollege stonden immers op het behoud van hun zelfstandigheid. hun statuten voorzagen dat hoogstudenten en seminaristen hun bijeenkomsten mochten bijwonen, maar er niet het woord mochten nemen. In ieder geval was de "Vlaamsche Vlagge", ondanks de tweespalt, vol lof over de toneelopvoering die door de Brugse studentengilde op 3 september 1877 werd gegeven van een "tafereel uit de Brugsche Metten" en van "Willem Tell" naar Schiller. Dit laatste werd opgevoerd in een vertaling van de afscheidnemende hoofdman J. De Meyere, die de "Vlaamsche Vlagge" trouwens met lof beschreef als degene "die niet weinig heeft bijgebracht om de gilde van Brugge en de andere studentengilden op de weg te brengen waarin zij ten huidigen dage gaan". Het einde van de jaren zeventig was een periode waarin de toenemende Vlaamsgezindheid onder de collegestudenten tot botsingen met de geestelijke overheid leidde, met als gevolg dat de toneelbonden in de colleges verboden werden. Alleen in Brugge en Tielt werden ze behouden, wat er op wijst dat ze daar niet als een gevaar werden beschouwd. In het Brugse college vond men immers in de jaren zeventig geen militante, althans geen uitwendige activiteit zoals bvb. in Roeselare. Geen "groote stooringe" in Brugge, minder actieve deelname van Brugse priesters, seminaristen, hoogstudenten of leerlingen aan de "Vlaamsche Vlagge" of in Leuven aan "het Pennoen" en aan het "Algemeen Studentenverbond". In Brugge werkte men liever mee aan de "Gilde van Sint-Lutgarde", aan "Rond den Heerd" en aan het in het Sint-Lodewijkscollege gestichte "Biekorf". De studentenbond werd door de collegeoverheid goedgekeurd en gepatroneerd. Wat betreft de toestand in 1879 schreef Rodenbach in het "Pennoen" dat ook de Brugse gilde verboden was, maar zich hieraan niet gestoord had. Dit lijkt wel niet de juiste uitleg te zijn geweest, wellicht integendeel. Het verslagboek leert immers dat in 1879 de voorzitter plots de kring wilde ontbinden en het principaal De Leyn was, als erevoorzitter van de bond, die dit verhinderde. De Brugse studentenbond leefde in de volgende jaren gezapig verder, toneel spelen, op bedevaart trekkend naar Assebroek of naar Gistel, en "hammetjesfeesten" houdend. Vlaams militantisme was er slechts in de marge van deze activiteiten. Op het einde van de jaren tachtig situeert zich een nieuw fenomeen, de oprichting in de colleges van geheime genootschappen. Ditmaal vinden we het Sint-Lodewijkscollege in de kopgroep van de meest actieven. het jaar 1889 is het stichtingsjaar van verschillende van deze gezelschappen. De gelijktijdigheid wijst er op dat hier een organisatie achter stak. Waarschijnlijk is deze te zoeken bij de "Swigenden Eede" voorgezeten door Hugo Verriest, die omstreeks 1880 was gesticht en de "Vlaamsche Vlagge" en de studentenactiviteiten beschermde en begeleidde. Hetzelfde jaar 1889 was trouwens ook het "Westvlaamsch Studentenverbond" hersticht, zodat dit wel met de gelijktijdige oprichting van de geheime genootschappen moet in verband gebracht worden. In Oostende stichtte Robert De Smet de "Klauwaerds Gilde" die echter niet lang geheim bleef en onder druk van de collegeoverheid verdween. Drie jaar later stichtte De Smet, ditmaal met meer succes, de "Sint-Pietersgilde". Op Tweede Paasdag 1889 werd in Poperinge de "Gilde der Jonge Keikoppen" gesticht. In Brugge werd, ook in het schooljaar 1888-1889, de "Gilde Noodvier" opgericht, en dit lijkt wel definitief het genootschap te zijn waarover ik hierboven mijn persoonlijk getuigenis heb gegeven. Men was dus in het Brugse college militanter Vlaams geworden. De voornaamste oprichter was Gustaaf Van Acker, die na de Rhetorica Witte Pater werd. De gilde vergaderde bij Theophiel Laureyns, een alleenwonende vrijgezel in de Korte Winkel. men schafte zich een "wielstiftpers" aan en begon onmiddellijk met het uitgeven van het tijdschrift "de Knodse". De collegejongens hadden een verantwoordelijke uitgever nodig, die ze vonden in de persoon van een technisch tekenaar, Pieter Cardinael die in de Langestraat 12 woonde en verder niets met hun activiteiten scheen te maken te hebben. Weldra werd het blad gedrukt in Eernegem bij Laga, de vader van Jules Laga die de "Jonge Keikoppen" in Poperinge had gesticht. Men mag hieruit afleiden dat de geheime studentenbonden onderlinge contacten hadden. Vanaf 1892 werd weer in Brugge gedrukt bij A. Van Mullem, de drukker van de "Vlaamsche Vlagge". Prosper Victoor werd de opvolger van Gustaaf Van Acker en na hem werd het Gustaaf Lambrecht, die als bediende onvoldoende aansluiting had met de jongere studentengeneraties. Zodoende verdween het blad in 1900. Onder de eerste medewerkers bevonden zich Karel Plancke en Leo Perquy en later twee Tieltenaars, Karel Van den Bussche en Aloys Vande Vyvere. De twee laatsten waren ook actieve medewerkers van de "Vlaamsche Vlagge" maar hadden niets te maken met het Brugse "Noodvier" dat ondertussen in de anonimiteit bleef verder werken. "De Knodse" kreeg vanaf zijn stichting reactie vanwege Franstalige studenten van "Saint-Louis", die een blaadje publiceerden onder de naam "Le Parapluie". Hierop werd dan weer (door de mannen van Noodvier?) gerepliceerd met een vlugschrift "Schild en Vriend". Wat waren, buiten deze journalistieke schermutselingen de overige activiteiten van "Noodvier" tussen 1889 en het begin van de negentiende eeuw? Alleen het terugvinden van de verslagboeken over die periode zou een antwoord kunnen geven. Het is niet uitgesloten dat de bestaande verenigingen in het college, zoals de "Lettergilde", de congregatie, de onthoudersbond, het Sint-Vincentiusgenootschap en dan vooral de studentenbond vanuit "Noodvier" gestuurd of zelfs bestuurd werden. In 1890 was het "Algemeen Studentenverbond" opgericht, maar de "West-Vlaamse Bond" bleef de spil van de activiteiten alsook van de "Vlaamsche Vlagge", dit laatste onder het waakzaam oog van de "voedstervaders", verenigd in Verriests’ "Swigenden Eede". Rond dezelfde tijd werd op initiatief van E. H. Cyriel Delaere een stap verder gezet in de organisatie van de plaatselijke bonden die voortaan een eigen naam kregen. Uit die tijd dateren de namen "Breydelstede" en "Coninckstede" voor de bonden in het Sint-Lodewijks- en Sint-Leocollege. "Noodvier" had ondertussen een inzinking gekend. Dit blijkt uit wat in de geschiedenis van de "Vlaamsche Vlagge" te lezen staat: "Toen ook ontstonden geheime bonden in de colleges om onbelemmerd en onbemerkt te kunnen doorwerken. (…) Te Brugge was die bond heringericht door J. en L. Dewolf en L. Ghys en Em. Van Cappel." Dit situeert zich in 1893-94. Had Gustaaf Van Acker op vraag van de "Vlagge"-mannen, maar op eigen houtje "Noodvier" opgericht of was hij hiertoe aangemoedigd door Edward Van Robays (Egem 1855 – Barhamur, Indië 1906), die lid was geworden van de "Swigenden Eede" van Verriest? Deze priester-leraar die aan de basis lag van de priesterroeping van Van Acker, speelde in het Sint-Lodewijkscollege een belangrijke rol vanaf 1881 tot in 1892, jaar waarin hij bij de Jezuïeten intrad om missionaris te worden in Indië. Hij was de vaandeldrager van de vervlaamsing van het onderwijs en bleef ook als missionaris een overtuigd "Blauwvoeter". Het is op zijn kamer dat in de lente van 1889 door enkele leraars en onder de bescherming van Guido Gezelle, "Biekorf" werd gesticht. Lente 1889: precies dezelfde periode waarin de "Gilde Noodvier" werd opgericht. Het is alvast interessant vast te stellen dat de inzinking die "Noodvier" kende, te situeren is in 1892, precies op het tijdstip dat Van Robays het college verliet. Dat in 1893-94 nieuw leven in "Noodvier" werd geblazen, moet onvermijdelijk de aandacht vestigen op de jonge priester Cyriel Delaere (1861-1917) die van 1887 tot 1898 in het Sint-Lodewijkscollege werkzaam was. Aanvankelijk was hij leraar handel, mathesis en Engels in de handelsafdeling. In 1893 werd hij bevorderd tot surveillant van het externaat en had voortaan dagelijks en rechtstreeks contact met de leerlingen uit de hoogste klassen. Cyriel Delaere was niet alleen medewerker van "Rond den Heerd" en ‘Biekorf" maar was ook gedurende verschillende jaren de verborgen hoofdredacteur van de "Vlaamsche Vlagge", nadat hij Van Robays was opgevolgd in de "Swigenden Eede" van Verriest. In 1894 was hij "nauw betrokken bij de West-Vlaamse studentenbeweging, als verbindingsman tussen het groepje leraren van het Brugse college, de theologiestudenten en de universitaire wereld, op een ogenblik dat de Blauwvoeterie in een crisistoestand verkeerde" . E. H. Frans Dewitte, die op het einde van vorige eeuw leerling in Sint-Lodewijk was, heeft – weliswaar bijna 70 jaar later – geschreven dat het initiatief tot heroprichting van "Noodvier" in 1894 inderdaad onder impuls van Cyriel Delaere was gebeurd. Het is ver van uitgesloten, zelfs heel waarschijnlijk dat Van Robays in 1889 en Delaere in 1893-94 een voorname, wellicht determinerende rol speelden bij de oprichting van "Noodvier". Dat jonge priester-leraars aan zo een romantisch en weinig "orthodox" initiatief deelnamen, lag in de lijn van wat hun "heer ende meester" Guido Gezelle in de jaren vijftig had voorgedaan door de oprichting van een geheime "confraternity" met enkele van zijn leerlingen, wat Gezelle zelf een "loge" noemde. Gezelles’ geheime activiteiten met zijn jonge leerlingen hadden literaire en religieuze bedoelingen: het ene ging bij hem niet zonder het andere. Niets belet te vermoeden dat ook bij Van Robays en Delaere de Vlaamsgezinde bedoeling samenging met godsdienstig proselitisme. Het feit dat zowel Van Acker in 18989, als de heroprichters van 1893-94, Ghys, Van Cappel en de gebroeders Dewolf priester werden, geeft een niet te verwaarlozen aanwijzing in deze richting.
"Noodvier" na 1900 Voor de periode na 1900 zijn voorlopig ook maar schaarse gegevens over "Noodvier" beschikbaar, maar dat het genootschap bleef verder werken is onbetwistbaar. Frans Dewitte schreef dat kort na de eeuwwisseling "Noodvier" actief bleef onder de leiding van Michiel English (Brugge 1885-1962), terwijl het oud-leden van "Noodvier" waren die in 1904 een grote studentendag in Brugge organiseerden, onder meer de later volksvertegenwoordiger Alfons de Groeve (1885-1945). Fons Bekkers (Rhetorica 1908) haalde veel jaren later zijn herinneringen op aan het groepje van zes klasgenoten dat bij Leys in de Rolweg samenkwam, in het geboortehuis van Guido Gezelle. "Die groep was als het ware het fundament van de klas (…) en het kon niet anders of er moest van daaruit een geweldige invloed uitgaan op onze medestudenten (…). Daar werd gesproken en overleg gepleegd over de groei en de bloei van de "Studentenkring" van de "matigheidsbond" en van "Noodvier". Daar ontstonden onze letterkundige bijdragen voor moeder "de Vlag" (…). Ook werden daar de voetbalploegen opgesteld die moesten wedijveren met de andere klassen (…). Ze hebben gelukkig op het college nooit iets achterhaald over die geheime bijeenkomsten". In zijn memoires schreef Pieter Ghyssaert over zijn rhetoricajaar 1916 het volgende: "De rhetoricavoordrachten boden geen moeilijkheid daar ik daarmede aan mijn proefstuk niet toe was: de studentenbond had mij reeds in die richting getraind, aan de hand van het toenmalig studentenlijfboek der "Verhandelingen en voordrachten" van Frans Van Cauwelaert. Vrij spoedig werd ik opgenomen in een geheim groepje dat onder het schooljaar de studentenbondwerking doorzette. Daartoe werd veel moeizamer inspanning gevergd om de ouderlijke toestemming los te krijgen. Ik hield echter voet bij stek. Die bijeenkomsten geschiedden ten huize van een oudere humaniorastudent". Over dezelfde periode is er een getuigenis uit 1980 van professor Albert Laquet: "Vanaf de vierde werden uit ieder klas de beste elementen samengebundeld in de "geheime" kern "Noodvier", die regelmatig bij de voorzitter – een rhetoricaleerling – thuis bijeenkwam om de vergaderingen voor te bereiden en plannen te maken voor de vakantie. De eerste maal dat een vierdeling tot de vergadering van "Noodvier" werd toegelaten, moest hij een eed van trouw aan Vlaanderen afleggen". Een recent getuigenis komt van emeritus pastoor Jozef Houttekier (Rhetorica 1928) die een aantal gegevens meedeelde over de werking in de jaren twintig die hij als volgt resumeerde: De "Swigenden Eede" "was een kernwerking van enkele jongens uit alle klassen (…) die alles strikt geheim hielden voor de overige leerlingen (…). Wij waren enorm bezield door de Vlaamse gedachte". Ten onrechte dacht hij evenwel dat deze werking naderhand werd overgenomen door de KSA. Pater Jozef Ketele (Rhetorica 1931) heeft in zijn "herinneringen" over de periode 1925-31, zonder "Noodvier" te vermelden, een aantal activiteiten met publiek of geheim karakter beschreven die volledig in het kader van deze geheime vereniging passen. Dit is, voor zover me bekend, het voornaamste wat tot hiertoe over de activiteiten van "Noodvier" in deze eeuw werd geschreven. Hoe evolueerde ondertussen de "officiële" studentenwerking? Over de periode 1900-1943 bleef "Breydelstede" als studentenbond actief werken, ondanks de wijzigingen die zich in de studentenbeweging voordeden. na 1914 werd aangesloten bij het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) maar behield "Breydelstede" een grote graad van zelfstandigheid. Het moet dan ook niet zo moeilijk geweest zijn om in de jaren dertig, na de oprichting van de KSA, het AKVS te laten vallen. Nochtans slaagde kanunnik Dubois er niet in de collegebonden zonder meer in de KSA te integreren. Om de studentenbonden in de Katholieke Actie te kunnen inschakelen, was hij verplicht de oprichting van het "Jong Volkse Front" (JVF) te aanvaarden. Het is in het kader van het JVF dat de studentenbond tot in 1943 naast de KSA in het Sint-Lodewijkscollege bleef werken. In dat jaar werden uiteindelijk de bonden "Breydelstede" en "Coninckstede" volwaardig opgenomen in de KSA, als collegebonden naast de parochiale vakantiebonden. Mijn leeftijdgenoten zullen zich nog de roffels en de klaroenen van "Breydelstede" herinneren, die overgenomen werden door de KSA gewest Brugge en die, als ik me niet vergis, de basis werden van wat later zou uitgroeien tot de SFX-speelschaar. De KSA-collegebond van zijn kant zou in het bezit blijven van de vlag en de archieven van de vroegere collegebond. In werkelijkheid was het de "Gilde Noodvier" die hierop beslag legde. Het is de dubbele KSA-werking van collegebonden en parochiebonden die ook wij nog in de jaren vijftig hebben gekend en die onder meer meebracht dat we tijdens de avondstudie het "voorrecht" hadden KSA-bijeenkomsten te houden. Maar dit alles was hetgeen aan de oppervlakte en in het openbaar gebeurde en leert ons niets over de invloed hierop van het "affèrtje". Het zou natuurlijk bijzonder interessant zijn te kunnen nagaan hoe "Noodvier" zich over de decennia gedroeg en welke invloed van hieruit op de evolutie van de collegebond werd uitgeoefend. Van het AKVS overgaan naar het JVF en later naar de KSA, was niet a priori vanzelfsprekend en in het geheime genootschap werd hierover wellicht duchtig gedebatteerd. Hoe gedroegen de leden van "Noodvier" zich tegenover de opkomende fascistische en nationaal-socialistische ideologieën? Welke richting gingen ze tijdens de oorlogsjaren uit? Interessante vragen waarop leden die het hebben meegemaakt, zoals Gaby Gyselen, Georges Stalpaert of Fernand Bonneure, zouden kunnen een antwoord geven. Het is alvast een feit dat "Noodvier" zonder kleerscheuren de Tweede wereldoorlog overleefde en al onmiddellijk een normale werking kon verder zetten. Dat het steeds, weliswaar op discrete wijze, door volwassenen werd begeleid, geeft wellicht een begin van verklaring voor de "redelijkheid" die het genootschap, ondanks zijn radicalisme kenmerkte en voor de continuïteit van de werking. Een voorzichtige evaluatie De bijeengebrachte elementen lijken voldoende overtuigend om de stichting van de geheime gilde "Noodvier" in 1889 te plaatsen. Een verzwakking van de werking met daaropvolgende reorganisatie is te situeren in 1893-94. We weten dat het genootschap actief werkte voor, tijdens en na de eerste wereldoorlog en we weten dat het zeker tot op het einde van de jaren vijftig een volgehouden bedrijvigheid aan de dag legde. We weten (voorlopig?) niet hoelang de werking nog bleef doorgaan, of zelfs (wie weet?) nog steeds in één of andere vorm zou bestaan. Indien de archiefdocumenten terug te vinden waren, zou een boeiende lijst op te stellen zijn van diegenen die van "Noodvier" deel uitmaakten. Vooral echter zou men in die archieven de elementen vinden die een objectieve en meer diepgaande studie zouden mogelijk maken over deze ongewone en praktisch onbekend gebleven katholieke en Vlaamse "studentenloge". Bestaat het archief nog? het is alvast zeker dat de bewaarders ervan in de jaren vijftig er zich van bewust waren dat zij waardevolle documenten onder hun hoede hadden. Het kan natuurlijk dat de koffer op zekere dag in handen kwam van een minder zorgvuldige bewaarder die zich ter gelegenheid van een verhuizing of van een "papierslag" van de oude papieren ontdeed. het lijkt nochtans waarschijnlijker dat dit archief nog steeds ergens bewaard wordt. men mag verhopen dat het voor de toekomst beveiligd wordt, bvb. door het te deponeren in het stadsarchief van Brugge waar ook het archief van het Sint-Lodewijkscollege berust. Ondanks de beperkte kennis over de geschiedenis van "Noodvier" waag ik me aan een evaluatie ervan. Het doel van het genootschap was duidelijk: een idealistische Vlaamse en katholieke geest propageren. In de 19de eeuw vond men het noodzakelijk, om allerhande redenen, de beoogde doelstellingen vanuit geheime genootschappen te benaarstigen. Dit maakte deel uit van de romantische tijdsgeest. het is minder vanzelfsprekend dat driekwart eeuw later diezelfde idealen nog steeds op dezelfde wijze moesten behartigd worden. Zijn er redenen te vinden om deze lange levensduur te verklaren? De eerste uitleg ligt natuurlijk in de aantrekkingskracht van de geheimzinnigheid en het geheime op jonge geesten. We waren op dat gebied in 1950 niet minder romantisch dan onze verre voorgangers. Daarbij kon ook zeer sterk het feit spelen dat, - behalve voor de volledig ingewijden -, het ""affèrtje" een onafhankelijke bedoening was, onbekend aan ouders, medestudenten en collegeoverheid. Vooral dit laatste was in het Sint-Lodewijkscollege belangrijk. Waarschijnlijk was in weinig onderwijsinstellingen de wil tot autonomie en de bestendige of latente oppositie tegenover de collegeoverheid zo groot als in het Brugs college. Dit wil niet zeggen dat er in het college geen gezaghebbende en zelfs geliefde leraars waren, maar over het algemeen was er toch een sfeer van iets als een "gewapende vrede" tussen leerlingen en overheid. Hierover zijn kleurrijke en soms sterke verhalen te vertellen. Als een soort "bufferzone" en uitlaatklep, waren er de activiteiten die de leerlingen met een tamelijke graad van autonomie konden organiseren. De studentenbond, later de KSA en het JVF, de "Lettergilde" en vooral de "Swigenden eede" schiepen ruimte voor eigen activiteiten. Het "affèrtje" tokkelde niet alleen op de romantische snaar en streelde niet alleen de ijdelheid van de leden die zich opgenomen voelden in een "elite", het gaf ook een gevoel van nuttigheid en zelfs van macht. In het geheim van de bijeenkomsten van "Noodvier" kon een strategie worden uitgewerkt en uitgevoerd om het collegeleven te beïnvloeden. Dit kon gebeuren in klasverband en ook in jeugdbewegingverband, meer bepaald in de KSA en in de studentenbond. De geest binnen "Noodvier" was – althans in de periode die ik heb meegemaakt – niet fundamenteel verschillend van de algemene geest in het college en meer bepaald in de KSA, maar het Vlaams zijn en het katholiek zijn werden er op een meer radicale wijze beleden en op een duidelijk militante wijze beleefd. In de praktijk was het "affèrtje" een soort geheime "sovjet", met afzonderlijke "cellen", waarin ieder lid zijn autokritiek deed of de kritiek van anderen moest verduren en waar tevens alle klasgenoten, vooral in verband met hun Vlaamse en katholieke ingesteldheid, besproken werden. Uit die besprekingen volgde actie. "Veroveren" was het magische woord: de "leiders" van de klas veroveren, door ze lid te maken van de "Swigenden Eede", de anderen door met ze te praten en ze bepaalde denkwijzen te doen aankleven, of wanneer het om "franskiljons" ging, door ze zachtjes te isoleren. Dit laatste was wel meer theorie dan praktijk, want ik herinner me hartelijke vriendschappen met Franstalige jongens in mijn klas. In de schoot van het genootschap leerde men discussieren, een thesis verdedigen, op te komen voor idealen waarin men geloofde. Het was een leerschool in discipline, in discretie en in inzet voor een radicaal ideaal. het benaarstigen van een radicaal Vlaams ideaal had in de jaren dertig en veertig een gedeelte van de jeugd in de armen gedreven van het fascisme en het nationaal-socialisme. Wellicht was het één van de grootste verdiensten van de KSA dat zij aan de jeugd een Vlaams ideaal gaf dat binnen redelijke perken werd gehouden en ondergeschikt werd gemaakt aan een katholiek ideaal, zodat het grootste deel van de Vlaamsgezinde studerende jeugd van het afglijden naar de "nieuwe orde" en van de risico’s van collaboratie met de bezetter kon worden weerhouden. Hetzelfde gold, wellicht nog in grotere mate, voor de "Swigenden eede". Het ideaal dat er werd voorgehouden was radicaal maar bleef uiteindelijk onder controle. "Vlaams en katholiek" was de leuze en het ene kon niet behartigd worden zonder het andere. Het tweede luik veronderstelde dat de grenzen van het nationaal of nationalistisch gevoel, door de hiërarchie bepaald werden. Het is duidelijk dat "Noodvier" één van de vele schakels was in de lange strijd voor de vervlaamsing en voor het heroveren van een Vlaamse identiteit. Die strijd was zinvol en niet zonder gevaren zolang hij in een grotendeels andersdenkende of zelfs vijandige omgeving moest worden gevoerd. Onnodig te zeggen dat dit niet de strijd is die ik gekend heb. Gaandeweg kon men op het college zonder enig probleem Vlaming en zelfs flamingant zijn. Dit was zeker het geval na de Tweede wereldoorlog. tegen het einde van de jaren veertig was het omringende milieu immers fundamenteel verschillend van wat de vooroorlogse leden van "Noodvier" gekend hadden. het collegeleven was compleet vervlaamst en eigenlijk was de strijd die we verondersteld waren te blijven voeren "tegen de vijanden van het Vlaamse Volk", binnen de collegemuren in grote mate een ongevaarlijk gevecht tegen windmolens geworden. Om aan die strijd een vorm van legitimiteit en noodzakelijkheid te geven, werd een nostalgische sfeer onderhouden, waarin de studentenstrijd uit het verleden in ere gehouden werd: Rodenbach, de Blauwvoeterie, de "groote stooringe", de "martelaren" die van school gestuurd werden omwille van hun Vlaamse overtuiging, enz. Op het Brugse niveau werd herinnerd aan het "incident de Bruges" uit 1919: enkele Vlaamsgezinde studenten hadden in Cinema Coliseum geweigerd de "Brabançonne" mee te zingen en integendeel de "Vlaamse Leeuw" gezongen! Genoeg om alle dagbladen stof te geven voor talrijke artikels: het "incident" werd een nationaal evenement! Ook werd nog in geuren en kleuren verteld over de "slag van Knokke". In 1929 was een groepje studenten van het Sint-Lodewijkscollege door de Lippenslaan marcherend, aangevallen door "franskiljons" en had het zich met hand en tand moeten verdedigen. Naïef en onschadelijk was dit allemaal. We stelden ons voor grote strijders te zijn voor het Vlaams ideaal, maar we opereerden in een milieu dat zich gunstig opstelde tegenover het flamingantisme en waarin we dus geen risico liepen uit de toon te vallen. In die jaren liep ons flamingantisme trouwens moeiteloos samen met een onvoorwaardelijke koningsgezindheid. de koningskwestie hield iedereen bezig en wij waren zonder enig probleem strijdende Leopoldisten. Ook ons katholiek militantisme ging vanzelf. We vielen met onze bijzondere devoties of godsdienstoefeningen niet uit de toon, aangezien alle studenten toen opgroeiden in een geheel van gereglementeerde godsdienstpraktijken die het collegeleven bestendig beheersten. En de "veroveringsdrang" binnen het "affèrtje" sproot voort uit dezelfde geest van militantisme die we ook terugvonden in de KSA, de missiebond of de onthoudersbond. "Noodvier" zoals ik het heb gekend in het begin van de jaren vijftig was een actieve vereniging zonder rekruteringsproblemen en met klare en simpele doelstellingen die kritiekloos door de leden werden nagestreefd. Toch lijkt het me retrospectief dat toen reeds de Vlaamse zowel als de katholieke basis minder stevig was dan ze ons leek. De ganse opzet beantwoordde immers niet meer aan een echte noodzaak en had geen duidelijke en reële oppositie te overwinnen. het zou toen eerder begrijpelijk geweest zijn dat Franstalige of ongodsdienstige leerlingen – twee duidelijk ongewenste categorieën op het college – in een geheim genootschap solidariteit en steun zouden gezocht hebben. De grondige maatschappelijke verschuivingen vanaf de jaren zestig, die bij de studerende jeugd grote mentaliteitswijzigingen teweeg brachten, kunnen aaleen maar de discrepantie geaccentueerd hebben tussen een ouderwets Vlaams romantisme en de "new mood" bij de kinderen van de welvaartmaatschappij. Zoals Etienne Vermeersch het bij de confrontatie van onze herinneringen zegde, hebben we geen absolute maar een morele zekerheid dat "Noodvier" in het Sint-Lodewijkscollege niet meer bestaat. Wat wij in onze jeugd hebben beleefd lijkt ons zo "out of tune" met de huidige mentaliteit en atmosfeer, dat het ons zeer onwaarschijnlijk lijkt dat een collegestudent van de jaren tachtig aan het "affèrtje" nog een boodschap kan hebben. Het is deze zienswijze die me, na consultatie van vrienden uit de tijd van "Noodvier" er van overtuigd hebben dat het hier gebrachte verhaal niemand kan schaden en dat het kan gepubliceerd worden, zoals Etienne Vermeersch het met een glimlach zegde "zonder dat ons dierbaar Vlaanderen er zou aan ten onder gaan". Belangstelling voor de geschiedenis leert dat niets uit het verleden moet worden verzwegen of uitgeveegd. Alles mag, alles moet gezegd en geschreven kunnen worden. En mocht het onwaarschijnlijke toch war zijn, namelijk dat "Noodvier" nog zou bestaan? Dan zou dat betekenen dat men er in geslaagd is een nieuwe inhoud en een eigentijdse aantrekkelijkheid te geven aan het genootschap. In dit geval stuur ik een hartelijke groet aan onze verre opvolgers, die deze onthullingen wel zullen willen vergeven. Zij zullen later, zoals hun voorgangers, geamuseerd terugblikken op de "esbattementen" van hun jeugd. Zoals die voorgangers, zelfs indien ze sommige van de radicale idealen van hun jeugd ontgroeid zullen zijn, zullen ze met enige nostalgie terugdenken aan de trouwe vriendschappen die voor het leven gesmeed werden en misschien aan de ascese en de karaktervorming waarvan zij de sporen in zich zullen herkennen. Andries Van den Abeele (gepubliceerd in Biekorf, 1986, blz. 252-279). |
|