Boekbespreking

Jozef VAN WALLEGHEM,

Merckenweerdigste voorvallen

en Dagelijksche gevallen, Brugge 1790,

uitgegeven o.l.v. Yvan van den Berghe, m.m.v. Johan Van Keersbilck, Ludwien Casier, Ronald Engelrelst.

Brugge, 1985, Brugse geschiedbronnen uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge, Deel XVII, 256 blz.

Jozef VAN WALLEGHEM,

Merckenweerdigste voorvallen

en Dagelijksche gevallen, Brugge 1791 en 1792,

uitgegeven door Yvan van den Berghe en L. Casier, J. De Groote, R. Engelrelst, N. Geirnaert, A. Schouteet, A. Vandewalle.

Brugge, 1987, Brugse geschiedbronnen uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge, Deel XVIII, 224 blz.

De publicatie van het merkwaardig dagboek van Jozef Van Walleghem vordert, ondanks de problemen van overheidsbezuiniging en beknotting van tijdelijke personeelskaders. Na de delen 1787 (zie onze recensie in dit tijdschrift, 1982, blz. 243-252), 1788 (1985, blz. 133-1335) en 1789 (1985, blz. 135-136), verschenen de dagboeknotities over de jaren 1790, 1791 en 1792.

In onze vorige recensies hebben we ons enthousiasme uitgedrukt over de publicatie van deze unieke Brugse bron. De nieuwe delen hebben dit enthousiasme niet doen luwen, integendeel. De schat aan gegevens die erin wordt meegedeeld en de massa aan interpretaties en conclusies waartoe dit kan aanleiding geven, is overduidelijk. Men kan voortaan het laat-18de-eeuwse Brugge slechts kennen en begrijpen als men Van Walleghem heeft gelezen en herlezen.

Het jaar 1790 was natuurlijk het jaar van de Brabantse omwenteling. Van Walleghem, verscheurd tussen zijn eerbied voor gezag en monarchie, en zijn trouw aan de tradities, aarzelde welke houding hij zou aannemen. Uiteindelijk koos hij de zijde van de revolutie, omdat ze hem de garantie leek voor een terugkeer en nieuwe bloei van de waarden waar hij aan gehecht was: de gilden en ambachten, de godsdienstige praktijken, het conservatieve stadsbestuur. Van Walleghem beschrijft bijna dagelijks hetgeen we een ware orgie van kerkelijke plechtigheden kunnen noemen: eeuwige aanbidding, heroprichting van talrijke broederschappen, Te Deums, novenen, processies, ommegangen, predikaties, inwijding van patriottenvaandels en vooral plechtige misoffers waar de patriotten en de gemilitariseerde schuttersgilden en burgerwachten "in uniforme, met slaende trommels en vliegende vaendels" naar toe trokken. Vooral de requiemmissen voor overleden vaderlanders waren talrijk. De terugkeer naar de meest traditionele godsdienstpraktijken betekende het veruitwendigen van de revolutie tegen de keizerlijk "verlichte" politiek. Het is wellicht niet anachronistisch hierbij een parallel te trekken met wat we in onze dagen in de Oostbloklanden zien, waar de nationalistische revolutie tegen de overheerser zich eveneens door een demonstratieve kerkelijkheid veruiterlijkt.

Van Walleghem beschrijft nauwgezet de politieke evolutie, waarbij duidelijk blijkt dat ook de keizersgezinden "die in menigte binnen Brugge gevonden worden" zich niet gewonnen gaven, maar bestendig voor onrust en oproer bleven zorgen, terwijl hij zich ook zorgen maakte over de "listigen aenleg" van de Vonckisten.

De politieke evolutie verhinderde niet dat hij grote aandacht bleef hebben voor talrijke fait-divers en ook de lottotrekkingen bleef hij nauwgezet volgen.

Weldra kwam evenwel wijziging in zijn houding. Verheugd door het bericht dat de Belgische provincies zich een nieuwe vorst zouden geven in de persoon van aartshertog Karel van Oostenrijk, werd hij weldra "zoo onaengenaem als onverwagt" verrast door de oprukkende Oostenrijkse troepen (blz. 130). Vanaf 30 november geloofde hij niet meer in de revolutie en hekelde hij diegenen die nog soldaten wilden ronselen voor een verloren zaak (blz. 133). En is een patethische tekst riep hij het nageslacht tot getuige dat het volk bedrogen was geworden door de ambitieuze revolutieleiders en dat de "lieve nakomelingen" hieruit moesten leren bij voorkeur trouw te blijven aan hun natuurlijke vorsten (blz. 134). Hoe fel Van Walleghem zich bedrogen voelde, komt ook tot uiting in het feit dat hij, diepgelovig man, niet aarzelde ook de geestelijkheid verantwoordelijk te stellen voor de revolutie en de mislukking. Met bittere woorden beschreef hij hoe de oproerpaters zich plots in hun kloosters opsloten, alle patriottische versieringen uit de kerken verwijderden en alle godsdienstige plechtigheden opschortten "met het begraeven van het eynde der vrijheidsstaken ook geheel hunne godtvruchtigheijd begraevende" (blz. 135).

Ieder was " in zijne meyning bedrogen" schreef hij (blz. 138) en daar waar kort geleden duizenden optrokken om trouw te zweren aan de staten, stonden nu duizenden (dezelfden?) de binnenrukkende Oostenrijkse troepen toe te juichen (blz. 139).

Was 1790 een jaar vol evenementen en peripetieën geweest, dan werd 1791 een anticlimax. De magistraat trad streng op zowel tegen de "vijgen" die wraak wilden nemen op patriotten, als tegen patriotten die nog niet begrepen hadden dat de revolutie voorbij was. De sfeer bleef explosief, de minste rel, zelfs een twist om een barmeid, kon tot volksoproer leiden (blz. 15). Van Walleghem zelf wist niet meer wie te geloven. Generaal Van der Meersch werd met grote eer door de Oostenrijkers in Brussel verwelkomd. Dus had zelfs de "Belgische Washington" België verraden en aan de keizer verkocht (blz. 16).

Vanaf de maand juni 1791 begon grote belangstelling te ontstaan voor de revolutionaire gebeurtenissen in Frankrijk. Het stijgend aantal émigrés dat in Brugge zijn toevlucht kwam zoeken was hieraan zeker niet vreemd (blz. 39). De Franse gebeurtenissen gaven nieuwe moed aan diegenen die in hun hart anti-keizers waren gebleven en vanaf augustus groepeerden zich in het geheim honderden "patriotten" (blz. 48).

het jaar 1792 begon nochtans goed. De algemene amnestie voor alle daden van de Brabantse revolutie werd afgekondigd en Van Walleghem was nu wel helemaal verzoend met de "zoo minsaemen en vredelievenden keyser" (blz. 109) en betreurde weldra zijn ontijdig overlijden (blz. 122). Niet zo evenwel een aantal van zijn medeburgers, zodat onrust en relletjes regelmatig voorkwamen (blz. 123).

Vanaf februari werd een franse inval voorspeld, hoewel Van Walleghem daar weinig geloof aan hechtte (blz. 116). maar in juni kon men in Brugge al de kanonnen horen van de naderende franse troepen (blz. 140).

het lijkt dan ook enigszins onwezenlijk dat aartshertog Albert van Saksen Teschen in Gent de plechtige inhuldiging van keizer Frans II als graaf van Vlaanderen voorzat (blz. 144) of dat François Xavier Lauwereyns de Roosendale de Diepenheede met grote praal als proost van de collegiale O.-L.-Vrouwkerk werd geïnstalleerd (blz. 140), terwijl de Franse troepen zich voor de definitieve aanval voorbereidden. Ook Brugge viel weldra in hun handen.

Op 11 november 1792 waren de Oostenrijkers uit Brugge verdwenen. Franse afgevaardigden kwamen de inname voorbereiden en Van Walleghem kon zijn ogen niet geloven: plots liepen duizenden uitgelaten burgers met de Franse tricolore kokarde rond. En dan volgt het kleurrijk verhaal (dat ons ook al uit de geschriften van priester Van Hese bekend is) van de "onbeschrijvelijcke onruste" tijdens de laatste weken van 1792 (blz. 157), met als hoogtepunt de dramatische episode van de verbrijzeling van de stadhuisbeelden en de verbranding op de Markt van alle symbolen van het Ancien regime (blz. 173). Een verhaal als een filmscenario!

Wat anders kon een recensie van deze gedenkschriften zijn, dan een zeer onvolledig grasduinen in de overvloed aan informatie en aan overwegingen die Van Walleghem ons over de cruciale jaren 1790-92 heeft nagelaten?

Het voetnotenapparaat, bijzonder gedetailleerd voor het jaar 1790, is in beide boekdelen een accurate hulp voor een beter begriip van de teksten. Stilaan krijgt het indrukwekkende oeuvre van Jozef Van Walleghem aldus de erkenning die het verdient.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1988, blz. 128-131).