Boekbespreking

Jozef VAN WALLEGHEM,

Merckenweerdigste voorvallen

en Dagelijksche gevallen, Brugge 1788,

uitgegeven o.l.v. Yvan van den Berghe, m.m.v. Martine Secelle, Helena Debou en Ronald Engelrelst.

Brugge, 1984, Brugse geschiedbronnen uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge, Deel XIII, 164 blz.

Bij eerste lezing kan het dagboek Van Walleghem gewijd aan het jaar 1788, minder interessant lijken dan het voorgaande jaar. 1787 was een jaar van grote politieke beroering en burgerlijk oproer en daarbij vergeleken werd 1788 een heel kalm jaar. gelijktijdige dagboeken zoals bvb. van Robert Coppieters over Brugge of van staatsraad Albert Paridaens over Mons, hadden dit reeds aangetoond.

Controversiële punten zoals het algemeen seminarie, de begraafplaatsen extra-muros, de afschaffing van een aantal processies, de privileges van de ambachten, de burgerwachten, bleven weliswaar in de actualiteit, maar toch eerder in mineur.

Grondige wijzigingen in de samenstelling van de locale besturen (zoals op 8 maart te Brugge en in het Brugse Vrije) konden zonder noemenswaardige tegenkantingen worden doorgevoerd, hoewel Van Walleghem niet naliet op te merken dat voor zo’n belangrijke gebeurtenis de openbare gebouwen noch versierd noch verlicht werden, zoals van oudsher de gewoonte was geweest.

Aan heel wat van dergelijke opmerkingen die Van Walleghem maakte (zie bvb. blz. 44 en 69) voelt men aan dat de rust en kalmte slechts oppervlakkig waren en na de woelige maanden van 1787, niets meer nog zou zijn zoals vroeger.

Maar in afwachting van wat komen moest, was 1788 een rustig en ogenschijnlijk gelukkig jaar: de stilte voor de storm.

Een rijke caleidoscoop van het dagelijks leven

Zonder grote waarde dus dit tweede deel? Integendeel, omdat het een volwaardig tijdsbeeld geeft van het dagelijkse leven. De aandachtige Van Walleghem heeft alles gezien, gehoord en neergepend: sterfgevallen en geboorten (vooral van drielingen), ongevallen en moorden, misdaden en veroordelingen, processies die doorgingen en processies die verboden werden, schuttersfeesten en militaire plechtigheden, carnaval en toneelleven, keizerlijke ordonnanties en gemeentelijke reglementen, faits divers over de meest uiteenlopende onderwerpen, dit alles maakt dat we over Brugge anno 1788, dag voor dag evengoed zijn ingelicht als moest er een eigentijdse krant hebben bestaan. met op en tussen de regels commentaren en beoordelingen van Jozef Van Walleghem, die bij dit alles evenmin de politieke evolutie uit het oog verloor.

Het volstaat Van Walleghem met Coppieters te vergelijken, om het unieke van de informatie die ons door de mercenier werd nagelaten, te beseffen. Coppieters verbleef tijdens 1788 bijna de helft van het jaar buiten Brugge: in Gent, in Brussel, in Mechelen en elders. Zijn dagboek, hoe interessant ook, was derhalve minder op Brugge toegespitst en hij had uiteindelijk minder weet over wat er dagelijks omging, dan de honkvaste Van Walleghem. Het is natuurlijk ook interessant beider reacties op bepaalde controverses te vergelijken. Van Walleghem verborg zijn ongenoegen niet over het centraal kerkhof en beschreef ieder begin van manifestatie die zich hieromtrent voordeed, terwijl Coppieters er alleen oog voor had dat het begraven op dit kerkhof stilaan een routinezaak werd. En daar waar Van Walleghem lamenteerde over het feit dat alle seminaristen uit protest het algemeen seminarie in Leuven hadden verlaten en hij vreesde "dat heele onse heylige relligie zal ten onder gaen", ging Coppieters dit seminarie zelf bezoeken en bewonderde hij de bijzonder comfortabele huisvesting die er aan de jonge levieten werd geboden. Twee gezichtshoeken, twee standpunten: het is interessant ze telkens opnieuw naar aanleiding van grote of kleine oorzaken tot uiting te zien komen.

De ganse tekst lijkt in dit boekdeel foutloos te zijn overgeschreven. Nochtans wordt Pasen op 25 maart opgegeven, daar waar het de 23ste moet zijn. In een dagboek zijn precieze data belangrijk.

Verzorgde publicatie

De bemerkingen die naar aanleiding van de publicatie van het deel over 1787 werden gemaakt in verband met het kritisch apparaat, zijn op het deel 1788 niet meer van toepassing. Een bijzondere inspanning werd geleverd voor het verstrekken van toelichtingen en uitleg. Men kan dit a.h.w. cijfermatig vaststellen. Voor de 180 blz. tekst over 1787 waren er slechts 168 voetnoten, voor de 109 blz. over 1788 zijn het er 323: evenredig zouden er voor het eerste deel bijna 600 geweest zijn.

De kwaliteit is in dezelfde mate gestegen en we zouden de voortreffelijke inspanning die werd geleverd onrecht aandoen indien we de paar kleinere fouten zouden releveren die in zo’n werk onvermijdelijk binnensluipen. Op ongeveer iedere vraag die men zich bij de lezing van de tekst kan stellen, wordt een correct en interessant antwoord gegeven. Van Walleghem kreeg hiermee de behandeling die hij verdient.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1985, blz. 133-135).