Boekbespreking

Jozef VAN WALLEGHEM,

Merckenweerdigste voorvallen

en Dagelijksche gevallen, Brugge 1787,

uitgegeven o.l.v. Yvan van den Berghe, m.m.v. Chris Scherpereel, Helena Debou, Cathy Spiritus.

Brugge, 1982, Brugse geschiedbronnen uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge, Deel XII, 220 blz.

Met belangstelling werd in Brugge uitgekeken naar het eerste deel van de uitgave van het handschrift Van Walleghem, aan velen bekend en door slechts weinigen gekend. Dit handschrift bevat het relaas van de dagelijkse en merkwaardige, voornamelijk Brugse gebeurtenissen zoals ze door de auteur werden beleefd en genoteerd vanaf 1775 (hij was toen 18 jaar) tot een week voor zijn dood in 1801.

Eerste deel: het jaar 1787

De publicatie van het deel gewijd aan het jaar 1787 (men heeft geoordeeld de uitgave met de tekst over dit bewogen jaar te moeten beginnen en daarop de jaren tot 1801 te laten volgen, om pas daarna de eerste jaren ter hand te nemen), heeft zonder twijfel de verwachtingen ingelost die men erover had. Niet dat men bij lezing van dit deel veel nieuw feitenmateriaal zal ontdekken; wie de Jacobijnen en Traditionalisten van Yvan Vanden Berghe heeft gelezen, is goed ingelicht over de gebeurtenissen die in 1787 in Brugge plaats vonden. Van Walleghem brengt alleen maar de bevestiging dat Van den Berghe uit de archiefbronnen, aangevuld door de dagboeken en kronieken van Robert Coppieters, M. F. Allaert, J. K. Verbrugge, Dienbergen en Keukelinck, een verhaal heeft kunnen distilleren dat in niets door de dagelijkse aantekeningen van een aandachtig ooggetuige worden tegengesproken, integendeel.

De publicatie van de gedenkschriften van Van Walleghem komen dan ook te laat om ons, na het standaardwerk van Yvan Van den Berghe en na de hierboven geciteerde kronieken, nog echt nieuw materiaal bij te brengen, althans te oordelen naar de tekst over het jaar 1787. Wat evenwel de publicatie ten volle verantwoordt is het feit dat Van Walleghem al de Brugse kroniekschrijvers van zijn tijd ver overtreft door de veelzijdigheid en de volledigheid van zijn informatie. Na volledige publicatie zal zijn dagboek ongetwijfeld het voornaamste naslagwerk worden, bij voorrang op de andere tijdgenoten. Naast hem zal eigenlijk alleen nog Robert Coppieters echt nuttig blijven en waarschijnlijk ook, vanaf 1792, priester Van Hese.

Hoewel Coppieters veel minder informatie geeft (waarbij men er evenwel rekening moet mee houden dat de publicatie in 1907 slechts de helft van de volledige tekst inhoudt, met weglaten van de meeste petite histoire) en hij het ook niet zo bewust heeft geschreven met het oog op latere publicatie, geeft hij met zijn groter intellect en met zijn informaties uit de leidinggevende kringen, elementen en bedenkingen die niet uit de pen van de mercenier Van Walleghem zouden gekomen zijn.

Het lezen van deze kroniek laat ons als het ware op een paar uur een gans jaar uit de Brugse 18de eeuw herbeleven. Van Walleghem heeft ongetwijfeld het voornaamste opgetekend van wat de Brugse burger dag na dag beleefde: veroordelingen en terechtstellingen, ongevallen en zelfmoorden, carnaval en loterij, schuttersfeesten en processies, afkondiging van gemeentelijke of keizerlijke ordonnanties die in het dagelijkse leven ingrijpen, enz.

Daarnaast volgen we stap voor stap de evolutie in enkele van de grote twistpunten van het ogenblik: de afbraak van kloosters en van de Waterhalle, het gemor over de afschaffing en weldra het herstel van een aantal processies, de heftige tegenstand tegen het algemeen kerkhof, het dragen van kokardes, de opkomst van de patriotten, de burgerlijke patrouilles, de instelling en weldra de afschaffing van het nieuw keizerlijk gerecht en van de intendentie, en vooral ook de processie van Echternach in verband met het al dan niet afschaffen van de corporatieve voorrechten. In dit alles zijn het vooral de politieke evolutie en de sociale onrust die Van Walleghem bezig houden. Een groot deel van zijn kroniek is gewijd aan de oproerige neigingen van de volksmassa, waarvan de hoge graanprijzen en de politieke tegenstellingen om beurt of gelijktijdig de oorzaak waren.

Méér dan bij Coppieters kan men bij Van Walleghem vaststellen hoe explosief en revolutionair de toestand in 1787 wel was, hoe belangrijk de volksmassa door een bijna bestendige en massale straataanwezigheid op de evolutie van de gebeurtenissen doorwoog "noch heer noch wet ontziende" (blz. 77), hoe invloedrijk de ambachten en hun dekens weer aan het worden waren en hoe ze gaandeweg onmisbaar werden voor het handhaven van een minimale rechtsorde, en hoe daarentegen het officiële burgerlijk gezag, in eerste instantie het stadsbestuur, door de gebeurtenissen voorbijgestreefd was, uitgejouwd werd, gevangenen moest vrijlaten onder druk van de straat, ter dood veroordeelden niet kon terechtstellen onder dwang van de ambachten, de opgerichte galg overhaast weer moest opbergen en in allerhande zaken (het dragen van kokardes, het uitplakken van pasquillen, het begraven binnen de stad) ordonnanties uitvaardigde die vaak dode letter bleven.

Bij dit alles is de kleurrijke beschrijving van het bekende oproer van 31 juli – 1 augustus 1787 een hoogtepunt in de kroniek. Van Walleghem had er een gans boek kunnen aan wijden, schreef hij (blz. 96) maar hij beperkte zich tot een naar zijn zeggen beknopt, maar in het geheel van zijn kroniek, uitgebreid ooggetuigenverslag. Deze belangrijke passage, zoals trouwens een aantal andere in het boek, is zo levensecht en meeslepend geschreven, dat hij a.h.w. een kant en klaar scenario vormt voor een film of TV-feuilleton. Het is daarbij niet de minste verdienste van deze 18de-eeuwse, in Brugs-Vlaams geschreven tekst, dat hij nog zo fris en vlot leesbaar is gebleven.

Van Walleghem komt alvast bij het lezen van dit deel voor als een kritische toeschouwer die zich over vele zaken een persoonlijk oordeel had gevormd. Ook al was hij solidair met zijn sociale groep, dit belette hem niet erg sceptisch te staan tegenover de nieuwe rechtbank, niettegenstaande de nieuwe rechters mede door de ambachten zouden verkozen worden; ook al was hij anti-keizergezind omwille van de burgerlijke en kerkelijke hervormingen die hij verafschuwde, toch stond hij even vijandig tegenover de patriotten die openlijk het keizerlijk gezag aanvielen en door hun arrogant optreden de volksmassa tot reactie en oproer dreven.

Men mag in Van Walleghem daarbij ook een vroege monumentenzorger zien. De afbraak van de Waterhalle en van de kerken en kloosters betreurde hij, o.m. omdat het "zeer konstige" gebouwen waren. Hij beklemtoonde dat zij voor "veel nuttelycke noodzaekelijkheden" gebruikt werden en onderstreepte telkens opnieuw dat men nog niet wist wat er met de open gekomen ruimten zou gebeuren. Hij hoopte trouwens dat men de afgebroken monumenten zou heropbouwen (blz. 68 en 80), ook al betreurde hij de verkwistingen bij deze gang van zaken (blz. 158).

De begeleidende teksten

We zullen nier niet de bemerkingen herhalen die door J. Geldhof gemaakt zijn over de tekstuitgave (Biekorf, 1982, blz. 302). De tekst is voorafgegaan door interessante begeleidende artikels. Chris Scherpereel geeft ons in drie bijdragen een inzicht in de levensloop van Jozef Van Walleghem, beschrijft het volledige handschrift en geeft er ook de historiek van weer. Yvan Van den Berghe maakt een eerste evaluatie van het handschrift, dat hij terecht een kapitale bron noemt voor de geschiedenis van Brugge op het einde van het Ancien Regime. Het is duidelijk dat na de voltooiing van de publicatie, zowel over de politieke geschiedenis, als over het volksleven, de taal en de zeden, de mentaliteit van de middenklasse, en over Van Walleghem zelf, nog heel wat zal te bestuderen en te analyseren zijn. Hopelijk wacht ons dan een synthesestudie van de hand van onze Brugse specialist van de 18de eeuw.

De voetnota’s

Waar we helaas niet zo enthousiast kunnen over zijn, zijn de voetnota’s, die nochtans een essentieel deel van een dergelijke publicatie uitmaken. De lezer van een kroniek zoals die van Van Walleghem, mag verwachten dat hij bij iedere vraag die bij hem oprijst, over een persoon of feit, in het kritisch begeleidend apparaat een antwoord of verduidelijking zal vinden. Dit is hier slechts zeer onvolledig het geval.

We stappen over de indruk dat sommige voetnota’s, zeker voor de Brugse lezer, overbodig zijn, o.m. wat betreft geografische situering (Ankerplaats, Meersen, evenals een aantal terloops vernoemde West- en Oost-Vlaamse dorpen.

We menen dat een aantal door Van Walleghem gebruikte termen toch een woordje uitleg verdienden, zoals bvb. het koningscontoir (blz. 34), de schout (blz. 37), een billanderschip (blz. 47), de kokardes, hun betekenis, kleur, enz. (blz. 67), staatsgezind (blz. 97), stantrecht (blz. 110), enz., zoals men terecht een voetnota met uitleg wijdt aan o.m. de Hallegeboden, de stokhouders en het stedenhuis. Tevens werd willekeurig gekozen tussen de personen die in een voetnota enigszins werden geïdentificeerd, terwijl talrijke andere namen, sommige niet minder belangrijk of interessant, ongemoeid werden gelaten.

We vrezen te moeten vaststellen dat, ook al kan men in zo een werk enkele fouten en onjuistheden niet vermijden, deze hier in al te belangrijke mate voorkomen, wat aanleiding zou moeten geven, ter gelegenheid van een volgend deel in de reeks, tot de publicatie van een uitgebreid erratum en addendum. We zullen hierna, ten titel van voorbeeld, commentaar geven op een aantal van de voetnota’s (zie blz. 161 tot 181 van het boek). We geven ze met de nummering zoals die in het boek voorkomt.

13. Deze voetnota geeft uitleg over het "stedenhuis" en geeft als bron "een nog te verschijnen artikel van André Vandewalle in het liber amicorum Jan Buntinx". Welnu, niet alleen is dit L.A. een jaar voordien gepubliceerd, maar het erin opgenomen artikel van de Brugse stadsarchivaris rept met geen woord over het "stedenhuis". Het is naar zijn artikel in het gedenkboek Michiel Mispelon en gewijd aan de stokhouders dat men had moeten verwijzen.

16. Men heeft meer dan vier regels nodig om de tegenspraak tussen M. F. Allaert en Gailliard nopens de voornaam van schout Simon te bespreken. Waarom niet zelf het twistpunt opgeklaard door de Brugse doopregisters voor het jaar 1737 te raadplegen? Terloops is ook op te merken dat Fr. X. Simon de Ville verkeerd in het personenregister vermeld wordt onder de Ville i.p.v. onder Simon. Er zijn trouwens nog meerdere schoonheidsfouten in het register (Coopman en Koopman, de Gaugairie i.p.v. d’Hooghe de la Gaugerie, di Belgiojoso onder letter B maar von Kaunitz onder letter V).

36. Alhoewel Van Walleghem (op blz. 47) baron Louis J. de Haveskerke als de voorzitter of intendant van de nieuw opgerichte rechtbank of raad van eerste instantie beschrijft, wordt in deze voetnota Charles de Mahieu als intendant genoemd. De Mahieu was benoemd tot intendant van de "provincie" West-Vlaanderen, maar had niets met de nieuwe rechtbankorganisatie te maken.

43. Volledig verkeerd is de situering van het Kartuizerklooster in de Gillis Dopstraat, later Kartuizerinnenstraat, naar waar de bouwmaterialen van de afgebroken Waterhalle zouden zijn overgebracht. Iedereen weet natuurlijk dat het hier om het Kartuizerklooster in de Langestraat ging. Zulke vergissing is des te onbegrijpelijker, gezien dit vroeger klooster en kazerne, thans in verbouwing voor het nieuw gerechtshof, nog maar pas het voorwerp is geweest van een degelijke publicatie (J.P. ESTHER, J. DE GRAUWE en V. DESMET, Het Kartuizerklooster binnen Brugge, Brugge, 1980, zie blz. 46 en 199), terwijl ook het werk van F. SIMON, Geschiedenis der Kazernes Knapen en Rademakers te Brugge (1967) hier niet onbenut had mogen blijven.

45. Afgezien van de vergissingen Groeningestraat i.p.v. Groeninge, citeren van Duclos blz. 364 i.p.v. 384, vermelden "broeders van Franciscus Xaverius" daar waar men weet dat het gebouw van de "Sistjes" er kwam door het "Genootschap van de Heilige Franciscus Xaverius", wordt de recente chronologie van het Eekhouteterrein door mekaar geslagen en wordt alvast verkeerd gemeld dat uit de faling Dujardin (1875) een deel van het terrein onteigend werd voor de oprichting van het Museum voor schone kunsten. Het is immers pas in 1907 dat de stad de gronden in kwestie onteigende.

62. De dominicanen zouden zich in 1234 in de Sint-Jacobstraat gevestigd hebben! Dit is toch een vergaande slordigheid, vooral wanneer men Duclos als bron voor deze enormiteit opgeeft, bij wie men op blz. 563 (en niet 564) inderdaad leest dat de dominicanen in de rue Saint-Jacques gevestigd waren… in Parijs!

65. Uit een foutieve lezing van Duclos (blz. 31) besluit men dat het klooster van de augustijnen in 1250 in de Nieuwe Gentweg werd opgericht. Duclos schrijft nochtans (blz. 527) dat de augustijnen zich in 1250 in de Jan Miraelstraat vestigden, en men zou toch zonder moeite zowel bij Duclos als in andere bronnen hebben kunnen nagaan dat de lokalisatie in de Nieuwe Gentweg volledig foutief was en het klooster integendeel langs de Augustijnenrei lag.

67. Opnieuw een foutieve kloostersituering, die van de karmelieten in de Sint-Jorisstraat. Zoals voor verscheidene andere fouten is hier blijkbaar een onvoldoende kennis van het Frans de oorzaak. Duclos heeft het over "les carmélites" en niet over "les carmes". De auteur van de voetnota heeft daarbij ook kritische zin gemankeerd, want hij meldt dat het klooster in 1783 werd afgeschaft: hoe kon er dan in 1787 door de paters karmelieten nog een processie vanuit hun kerk gehouden worden?

91. Zich opnieuw beroepend op Duclos meldt men hier dat het leprozenhuis Magdalena naar het hospitaal Nazareth werd overgebracht, dat vanaf dan de naam Magdalena kreeg. Duclos schreef (blz. 575): "où les deux institutions demeurèrent séparées et indépendantes".

93. Betreffende de historiek en de juiste data nopens het Steen, het "rasphuis" (dat er niet kwam in 1722, maar in 1671) en het "tuchthuis" dat er in 1689 de opvolging van nam, zou men hier nuttig Duclos (blz. 575) hebben geraadpleegd.

97. Over de aflaat van Portiuncula is de nota onvolledig en derhalve eigenlijk onjuist. Men had hierover preciezer mogen zijn, want hier gaat het juist om iets dat voor de nieuwe generaties een onbekende is geworden.

149. "Tuischen" is niet "een soort dobbelspel spelen": de Bo zegt duidelijk "jouer un jeu de hasard" en vernoemt het myfelen (kop of munt spelen met geldstukken) en de roulette van de rijken. Ruimer dus dan alleen maar dobbelspel.

De personalia

Een voornaam deel van de voetnota’s bestaat uit korte biografische gegevens over een gedeelte van de door Van Walleghem geciteerde personen. We vinden het jammer dat hiervoor bijna uitsluitend gewerkt werd op basis van publicaties die zelf meestal uit tweede hand hun biografische gegevens haalden of die slechts geringe biografische elementen meedeelden. Het is vooral niet verantwoord zich zo uitgebreid en veelvuldig te baseren op Gailliard, Bruges et le Franc, waarvan de notoire onbetrouwbaarheid tot grote omzichtigheid moet aanmanen. Waarom ook hier niet gebruik gemaakt van de op het stadsarchief aanwezige parochieregisters om geboorte en overlijdensdata en juiste naam en voornamen te controleren?

Zelfs, en misschien vooral voor de personen warvoor men zich de moeite heeft getroost een wat uitgebreider biografie te schetsen, heeft men heel wat verkeerde gegevens genoteerd. We geven hiervan twee voorbeelden: Patrice de Coninck (voetnota 120) en Joseph d’Hooghe (voetnota 32).

Van Patrice de Coninck (177-1827) worden een reeks hoge ambten opgesomd die hij bekleed heeft. Sommige zijn onjuist en alle worden in een erg verwarrende volgorde gegeven. Men had op zijn minst onderscheid mogen maken tussen zijn functies onder het Frans bewind en die in de Hollandse periode. Een heel wat juister curriculum zou als volgt kunnen luiden:

Franse Tijd: Na vanaf 1800 gewerkt te hebben als raad bij de prefectuur van het Leiedepartement (Brugge) werd hij tussen 1802 en 1814 achtereenvolgens prefect van de Ain (Bourg en Bresse), Jemappes (Mons), Bouches de l’Escaut (Middelburg) en Bouches de l’Elbe (Hamburg). Napoleon waardeerde hem zeer, benoemde hem tot maître des requêtes bij de Raad van State en verhief hem in 1810 tot baron d’Empire.

Verenigd Koninkrijk: In 1815 werd de Coninck aangesteld tot lid en weldra tot rapporteur van de Kon. Commissie voor de hervorming van de Nederlandse grondwet. Daarna werd hij achtereenvolgens gouverneur van Oost-Vlaanderen (1815-1817), minister van Binnenlandse zaken (1817-1825), uitgebreid met de portefeuilles Waterstaat, Openbare Werken en Onderwijs (vanaf 1819), minister van Buitenlandse zaken (1825-1826) en tenslotte Minister van Staat (1826-1827).

Het zou een kleine moeite geweest zijn in plaats van Ch. Poplimont en R. Coppieters ’t Wallant te raadplegen, zich gewend te hebben tot de Dictionnaire Généalogique van F.V. Goethals (1850) en vooral tot de over Patrice de Coninck verschenen biografieën in: Biographie Universelle (1843), Biografisch Woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa (1852), Biographie Nationale, Tome IV (1873) en Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Deel VIII (1930). de drie laatste werken zomaar voor het grijpen in de leeszaal van de Brugse stadsbibliotheek!

Joseph Ignace d’Hooghe de la Gaugerie kende wel niet de vermaardheid van de Coninck, maar voor hem uitsluitend op Gailliard steunen (en die dan nog op een paar punten verkeerd vertalen, zoals "griffier van het wezenhuis" te Brugge voor "greffier de l’orphelinat", daar waar hij als raadpensionaris "griffier van wezen" was) is toch erg mager. Op basis van wat over d’Hooghe te vinden is in het dagboek van R. Coppieters en in de publicaties van Y. Van den Berghe, A. Schouteet, A. Viaene, A. Van Houtryve, A. Dewitte, e.a., kan men de volgende biografie opstellen (waarbij wij in cursief de verbeterde of bijgevoegde elementen noteren):

Joseph Ignace d’Hooghe, heer van Gaugerie, ten Heede, etc. (1735-1795). Hij werd in Brugge geboren op 22 maart 1735. Licentiaat in de rechten, liet hij zich in 1758 inschrijven als advocaat in Brugge. Van 1760 tot 1762 was hij vennoot cab Ch. J. Frison in de Brugse fabriek van Reimse stoffen. In 1762 werd hij, in opvolging van zijn vader, raadpensionaris en griffier van de stad Brugge. In 1764 werd hij griffier van wezen. In 1787 kandidaat voor een rechtersfunctie, in de nieuw opgerichte rechtbank, werd hij evenwel niet benoemd.

In 1792 (eerste Franse overheersing) werd hij voorlopig vertegenwoordiger voor Brugge en van 1793 tot 1795 was hij achtereenvolgens 4de stadsecretaris, 13de commissaris, eerste wethouder-rechter en tenslotte opnieuw raadpensionaris (ook tijdens de Tweede Oostenrijkse restauratie). begin 1795 werd hij samen met een aantal collega’s als gijzelaar in Rijsel gevangen gezet wegens de niet-betaling door Brugge van de speciale heffing van vier miljoen livres. Enkele weken later werd hij vrijgelaten.

Joseph d’Hooghe was actief in het Brugs verenigingslevcen. In 1765 was hij lid (in 1770 2de surveillant) van de vrijmetselaarsloge "La Parfaite Egalité", in 1770 lid en in 1781 proost van de Edele confrérie van het H. Bloed.

Tussen 1758 en 1785 werd hij o.m. lid van de Confrérie van Sint-Ivo, van de "Sabattine", van de Confrérie van het Concert (eigenaars van de schouwburg), van de Kunstacademie, van de schuttersgilde Sint-Joris (in 1770 deken) en in 1791 werd hij lid van de Vrije Archiers in Sint-Kruis.

In 1786 was hij stichtend lid van de Société Littéraire en in 1793 werdhij bescheiden lid van de Jacobijnse Club. d’Hooghe bleef vrijgezel en overleed in Brugge op 11 december 1795.

We hebben hiermee twee biografieën gegeven die meer uitgebreid zijn dan voor de behoeften van het dagboek Van Walleghem nodig is, maar willen alleen aantonen dat mits aandachtige lectuur van enkele basisboeken en artikels over de Brugse geschiedenis van de behandelde periode, desnoods aangevuld met een klein archiefonderzoek, een heel wat duidelijker en vooral een meer accuraat beeld van de door Van Walleghem geciteerde personen kan worden opgehangen.

Nog andere tekorten

Naast de inhoudelijke bezwaren op een aantal voetnota’s moeten we ook wijzen op het aantal drukfouten die eveneens aantonen dat de zorgvuldigheid is zoek geweest: Gilliskerk voor Sint-Gilliskerk (nota 9), Louvainiste voor Louvaniste (21), D’Donnoghue voor O’Donnoghue (24), Van Bogaerde voor Van den Bogaerde (32), Baerhove voor Baeshove (32), Anchement voor Anchemant (32), Caillard voor gailliard (32), Domincanen voor Dominicanen (62), Portianculi voor Portiuncula (97), causolidée voor consolidée (153.

D’Hooghe de la Gaugerie wordt éénmaal als d’Hooghe (33) en éénmaal als de Hooghe (32) vermeld, éénmaal als van Gaugerie (32) en éénmaal als de la Gaugerie (33).

Wat anderzijds de Brugse lezer zal opvallen is het aantal niet-geëigende benamingen voor Brugse verenigingen, zoals bvb.: de broederschap van het H. Bloed (32 en 99) of de adellijke confrérie van het H. Bloed (23) voor de Edele confrérie van het H. Bloed; de Orde van Sint-Sebastiaan (32) voor de schuttersgilde van Sint-Sebastiaan; de academie van de H. Geest (52) of het literair gezelschap van de H. Geest voor de Rederijkerskamer van de H. Geest.

We kunnen zo doorgaan met op allerhande tekorten te wijzen. Zo worden de geciteerde almanakken niet met hun titel vernoemd, maar enkel met hun volgnummer in de bibliotheek van het stadsarchief. Het werk van J. J. Gailliard Bruges et le Franc telt niet 5 maar 6 delen, de juiste titel van het levenswerk van Ch. van Renynghe de Voxvrie is Tablettes des Flandres.

De plicht van nauwkeurigheid

Indien wij zo gedetailleerd zijn ingegaan op de onvolkomenheid van de voetnota’s, essentieel element bij een dergelijke publicatie, dan is het om uiting te geven aan een bekommernis in verband met het onvoldoende kritisch werk dat soms door jonge academici wordt afgeleverd en vooral om de verantwoordelijken voor de verdere publicatie van deze eersterangsbron er toe aan te sporen dit onderdeel van het werk met meer aandacht te volgen. We weten allen dat vergissingen opgenomen in publicaties zoals deze, duiken gedurende vele jaren her en der weer op onder de pen van anderen, die in vertrouwen aanvaarden wat door beroepsmensen werd gepubliceerd.

Het is duidelijk dat de verdere uitgave van het dagboek Van Walleghem, voor wat betreft het omringend apparaat, een heel wat secuurder begeleiding zal vergen, wil men de onvolkomenheid van dit eerste deel vermijden.

Met begrip voor de wijze waarop dit deel tot stand kwam, zou het onverantwoord zijn indien dezelfde kritiek ook op de volgende delen zou toepasselijk blijven. Een stadsbestuur dat de lofwaardige beslissing neemt een historisch belangrijk werk te publiceren "op een wetenschappelijk verantwoorde manier" (blz. 5) moet tot het einde van zijn logica gaan en de materiële en financiële voorwaarden scheppen om dit werk behoorlijk te laten doen. Academici moeten zich anderzijds bewust blijven van hun intellectuele verantwoordelijkheid bij uitgaven waaronder hun naam wordt geplaatst.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1982, blz. 243-252).