DE REVOLUTIONAIRE DAME

CAROLINE LAMBERT

Andries Van den Abeele

Toen op 11 november 1792 de Franse revolutie onze stad bereikte, kwam een aantal Bruggelingen in de ban van de revolutionaire en republikeinse ideeën en stichtte een “Jacobijnse club”. Hun doel was het bestuur van stad en streek in handen te nemen. Verschillende vrouwen waren in de schoot van de “club” zeer actief. Eén onder hen was Caroline Lambert[1].

Catherine Thérèse Caroline Lambert, meestal Caroline genoemd, werd in Brugge geboren op 12 januari 1758 en was de dochter van Jean-Baptiste Lambert en Joséphine Lepère. Hij was in 1723 in Rijsel geboren en zij in 1719 in Ieper. Bij de volkstelling van 1748 was het jonge paar in de Vlamingstraat gevestigd en oefende hij het beroep van pruikenmaker uit[2]. Ze hadden heel wat kinderen, waarvan er minstens vijf de volwassen leeftijd bereikten. Naast Caroline waren dat Jeanne-Françoise (°1749), Marie-Thérèse (°1753), Jean-Baptiste (°1754) en Alexander (°1759).

Als recent “aangespoelden” hadden de Lamberts in Brugge weinig of wellicht zelfs geen familie. Voor de talrijke peters en meters die voor de kinderen nodig waren, deed Lambert een beroep op een hele reeks adellijke dames en heren, waarvan men kan veronderstellen dat zij klanten waren van zijn pruikenwinkel. We citeren: Jean-Baptiste d’Hooghe de la Gaugerie, François-Xavier de Cabilliau de Triponsau, Herman van Leeuwen, Prosper Zoetaert, Johanna de Cabilliau-Walckiers, Caroline Arrazola di Onate-le Bailly, Thérèse de l’Espée en Marie Lauwereyns-Van der Haeghen[3].

Caroline Lambert kreeg als meter Marie-Catherine Breydel, echtgenote van stadpensionaris Joseph de Cridts en als peter Charles-Adrien le Bailly de Maerloop, achtereenvolgens burgemeester van het Brugse Vrije en van Brugge en later voorschepen van Gent en voorzitter van de Staten van Vlaanderen. Ze zal in haar jeugdjaren ongetwijfeld die voorname peter en meter bij bijzondere gelegenheden ontmoet hebben en er geschenken van ontvangen hebben. In de revolutietijd behoorden ze tot vijandige kampen.

Volwassen geworden vestigde zich Caroline Lambert als handelaarster in mode-artikelen. In 1792, op het ogenblik dat het revolutionaire vuur in haar losbrandde, was ze gevestigd in het huis “de drie kandelaars”, Kuipersstraat, dat toebehoorde aan de drukker-uitgever Joseph Van Praet en naast zijn drukkerij gelegen was[4]. Van Praet en Caroline waren goede bekenden, aangezien ze al in 1783 lid was geworden van de Sint-Jorisgilde, waar Van Praet de regisseur en penningmeester van was. De ongehuwde Caroline was derhalve een zelfstandige dame die ongetwijfeld haar mannetje kon staan in het overwegend mannelijk gezelschap van de Sint-Jorisgilde.

Bij het losbreken van de revolutie, einde 1792, speelden de vrouwen in de “jacobijnse club”, met zijn nochtans uitsluitend mannelijke ledenlijst, een aanzienlijke rol. Rose de Gheldere-Wybo, schoonzuster van de voorman Jean-Antoine van Zuylen van Nyevelt de Gaesebeke, verscheen in de schouwburg in een tricolore kleed. Priester Van Hese noteerde in zijn dagboek “dat ze als een furie rondliep op de Markt en door de straten om het volk op te ruien[5]”. Petronilla de Stappens-van Outryve, de hartsvriendin van een andere voorman, Valentin Jacoby, schonk een eigenhandig geborduurde Franse driekleur aan de “club”[6]. Weduwe Dellewaert en de vrouwen van Jean-Othon van Huele, Goderis J. Genotte en Antoine Hardy leverden allerhande hand- en spandiensten.

De dames waren zo talrijk dat een “borgeresse” (helaas niet bij naam genoemd in het verslag dat in het Vaderlandsch Nieuwsblad gepubliceerd werd), in een bijeenkomst van de “club” verklaarde dat de Brugse vrouwen bereid waren een regiment te vormen om de idealen van vrijheid en gelijkheid te verdedigen! Bij die vrouwen behoorde dus ook Caroline Lambert en toen begin maart 1793 Brugge weer Oostenrijks werd vond ze het veiliger om zoals heel wat mannelijke “clubisten” op de vlucht te slaan en naar Parijs te trekken.

Zes maanden later keerde ze stilletjes naar Brugge terug, wellicht met de laatste nieuwe modesnufjes in haar koffers. De politie bleef nauwlettend haar doen en laten volgen, want burgemeester Van Overloop schreef in een verslag aan de centrale overheid dat ze haar revolutionaire gedachten allerminst had afgezworen en “clubisten” en Franse agenten bij haar thuis kwamen om er te complotteren[7].

Zij bleef dus haar Fransgezinde houding gestand en zal tot de groep behoord hebben die in juni 1794 enthousiast de Franse troepen verwelkomde en bij ieder gelegenheid de Franse vlag uitstak en meedeed aan de talrijke republikeinse feesten en vieringen die vaak heel luidruchtig waren en waar van Walleghem schande van sprak.

Waarom zij, zoals andere dames, zo opging in de Franse revolutionaire ideeën is niet meer te achterhalen. Het feit dat ze handel dreef in “articles de mode” en in “nouveautés de Paris” kan hierin een rol gespeeld hebben. Wellicht reisde ze af en toe naar Parijs voor haar inkopen. De Franse origine van vader Lambert zal waarschijnlijk ook een rol gespeeld hebben. Caroline kon zich half Française beschouwen en de revolutie gaf haar de mogelijkheid om volwaardig Franse “borgeresse” te worden.

Wat alleszins opvalt is dat men er in haar familie dezelfde ideeën op nahield. Over haar broers vonden we geen nadere gegevens, maar des te meer over haar zwagers. De ene was de in Ieper geboren ontvanger van het pondtgeld, griffier van de Sint-Sebastiaansgilde, assessor van de Kunstacademie en amateurkunstschilder François Goudeseune (1749-1815), die gehuwd was met Jeanne-Françoise Lambert en één van de voornaamste spionnen was die de Franse oprukkende troepen inlichtte over wat er in Brugge gebeurde. De burgemeester schreef dat hij de meest verdachte onder de Fransgezinde was.

Na de definitieve terugkeer van de Fransen, juni 1794, werd hij benoemd tot voorzitter van een “bewakingscomité” met politiebevoegdheden, dat evenwel niet lang in werking bleef, maar toch de tijd vond om een aantal priesters en kloosterlingen op te pakken en als gijzelaars naar Frankrijk te voeren. Wat men over hem dacht lezen we bij Van Walleghem die hem bestempelde als “een wreedaard die noch God noch religie meer herkent” en die meldde dat aan het Prinsenhof een plakkaat was gehangen waarop te lezen stond:

“Den afgod Goudeseune met zijne consoorten,
zullen haast g’hangen worden buiten de poorten[8]”.

Nadat Goudeseune begin 1795 in het eerste republikeins stadsbestuur tot gemeenteraadslid was benoemd, en nogmaals in maart 1796 in een meer beperkt bestuur, werd hij zoals de andere radicalen buiten gestemd bij de eerste min of meer democratisch gehouden verkiezing in mei 1997[9].

Als verdere beloning voor zijn republikeinse ijver werd hij in 1800 tot plaatsvervangend rechter benoemd, maar de regeringscommissaris noteerde een paar jaar later dat hij "geen rechtsgeleerde (was) en noch verstandig, noch geschikt”. In 1810 werd hij bedankt. In een verslag van substituut procureur generaal Mercx werd over hem genoteerd: “Eerste plaatsvervangend rechter sedert het jaar VIII, is zijn gedrag onberispelijk, maar hij is zo onwetend dat men hem nooit heeft opgeroepen. Hij heeft dus sedert zijn aanstelling geen enkele zaak behandeld[10]”.

Goudeseune vervulde om den brode enkele ontvangersfuncties, die hij heel zeker ook aan zijn francofiele houding te danken had. Ook dit was blijkbaar geen onverdeeld succes, want zelfs door zijn vroegere revolutiekompaan, de burgemeester van Sint-Kruis Valentin Jacoby, werd hij omwille van zijn nalatigheden berispt[11].

De tweede Fransgezinde en revolutiegezinde zwager van Caroline Lambert was apotheker Ignace Roels (1757-1822)[12]. Door Jan van Hese werd hij vermeld als “één van de voornaamste redenaars en boegbeelden van de Jacobijnse club”. Hij speelde daarna geen noemenswaardige rol meer en lijkt zich vooral te hebben toegespitst op het verbeteren van zijn fortuintoestand, onder meer door het aankopen van “zwart goed”. Hij bleef Fransgezind, ook onder het Verenigd Koninkrijk na 1815. Als directeur van de “Société Littéraire” behoorde hij tot de “radicale liberalen” die er volgens procureur Claerhoudt “extreme, om niet te zeggen revolutionaire principes” op na hielden en die het bestuur te “Hollands”, te autoritair en te klerikaal vonden[13].

Van Caroline Lambert zijn ons uit de Franse tijd geen “kloeke daden” bekend. In 1800 verhuisde ze naar de Koornbloemstraat E1-17, waar ze verder handel dreef in modeartikelen. De ligging nabij de schouwburg en de commerciële Vlamingstraat was hiervoor ongetwijfeld gunstig. Op 16 mei 1819, amper 61 jaar, overleed ze. Werd ze getroffen door een beroerte of was ze het slachtoffer van een ongeval? Feit is dat het overlijdensregister vermeldt dat ze op de openbare weg stierf in Sint-Michiels[14].

Haar broers Jean-Baptiste en Alexander, beide vrijgezel gebleven, deden aangifte van haar overlijden. Jean-Baptiste was in 1803 directeur geworden van de gleiersfabriek van Pulinx aan het Minnewater, die door zijn zwager Ignace Roels was opgekocht[15]. Toen hij in 1835 overleed verbleef hij in het Sint-Juliaansgasthuis, wat laat vermoeden dat de één en tachtig jarige seniel geworden was. Van de Lamberts bleven er in Brugge geen nakomelingen over, tenzij langs het echtpaar Roels-Lambert. Hun dochter huwde met de Franse inwijkeling Louis Chalant (1785-1859) die directeur van de posterijen werd in Brugge en de zoon Henri Roels (1788-1858) huwde met de jonge Française Adelaïde Darricau. Zijn tante Caroline leefde nog toen hij in 1815 tot rechter werd benoemd, maar kon zijn verdere loopbaan niet meer meemaken, die hij beëindigde als eerste voorzitter van het Hof van Beroep in Gent[16]. In de sociale opgang van haar neef zou ze waarschijnlijk een rechtvaardiging gezien hebben voor haar revolutionaire daden, want een loopbaan zoals de zijne was onder het Ancien Regime voor kinderen uit de kleine burgerij nauwelijks denkbaar.


[1] Y. VANDEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de revolutietijd (1780-1794), Brussel, 1972. De auteur was toen nog niet in de mogelijkheid om de dames in kwestie precies te situeren. Caroline Lambert vermeldde hij ten onrechte als de echtgenote van de textielhandelaar Lambert de Ronquier (zie onze In Brugge onder de acacia, Brugge, 1987, blz 151)

[2] G. DUMON, Volkstelling Brugge 1748, Brugge, 1993, NR 1405.

[3]  SAB, parochieboeken.

[4]  A. VAN DEN ABEELE, Drukker Joseph Van Praet in de Kuipersstraat, in: Biekorf, 1995, blz 196-211.

[5]  J. VAN HESE, Journal historique (…), Uitg. E. STRUBBE en E. HOSTEN, Brugge, 1931.

[6] A.VAN DEN ABEELE, Valentin Jacoby, burgemeester van Sint-Kruis (1806-1811), in: Brugs Ommeland, 1992, blz 37-53.

[7]  RAG, Raad van Vlaanderen, Fiscaal, 3659, verslag burgemeeester van Overloop, 29 januari 1794.

[8]  J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1795 en 1796, Brugge, 1996.

[9]  SAB, vernieuwingen gemeentebestuur.

[10]  Ph. VAN HILLE, Het Hof van Beroep te Brussel en de rechtbanken van Oost- en West-Vlaanderen onder het Frans Bewind 1800-1814, Handzame, 1970.

[11]  zie voetnota 6.

[12]  A. VAN DEN ABEELE, Politieke apothekers in de revolutietijd, in: Brugge die Scone, 1995, NR 1, blz 13-15.

[13]  F. SIMON, Reacties der Bruggelingen tijdens het Voorlopig bewind en de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 1814-1820 (licentiaatsverhandeling RUG 1965, onuitgegeven).

[14]  SAB, registers burgerlijke stand, overlijdens 1819.

[15]  A. Van den Abeele, De faïencefabriekaan het Minnewater te Brugge, in: Hand. Gen. Geschiedenis Brugge, 1986, blz 61-105.

[16]  Ph. VAN HILLE, Het hof van beroep van Brussel en de rechtbanken van Oost- en West-Vlaanderen onder het nederlands bewind en sinds de omwenteling van 1830 tot 4 oktober 1832, Tielt, 1981.