De burgemeesters van Brugge van 1800 tot 1977

I. François de Serret

(Brugge, 9 december 1767 - Beernem, 5 oktober 1849) was militair in de Zuidelijke Nederlanden, burgemeester van Brugge, bosbouwkundige, lid van het Corps Législatif in de Franse tijd en Tweede Kamerlid in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden,

Biografische gegevens

François-Joseph de Serret was de zoon van de uit Villers-le-Gambon (Namen) afkomstige officier François-Joseph de Serret (1739-1797) en van de Brugse Marie-Jeanne Willaeys. Hij huwde in 1797 met Marie-Thérèse van Outryve (1778-1858), de oudste dochter van Emmanuel-Louis van Outryve d’Ydewalle. Ze hadden zes kinderen, van wie er talrijke afstammelingen zijn, hoofdzakelijk langs de vrouwelijke lijnen . Eén van hun schoonzoons was de gouverneur van West-Vlaanderen, volksvertegenwoordiger en minister Adolphe de Vrière. Tot de andere afstammelingen de Serret behoren leden van de familie d'Udekem d'Acoz, onder meer prinses Mathilde.

Loopbaan

François de Serret junior liet voor het eerst van zich horen in 1788 tijdens de Brabantse omwenteling, als lid van het Brugs vrijwilligerskorps dat werd aangevoerd door zijn vader. Deze was, tijdens de daaropvolgende Eerste Oostenrijkse restauratie, één van de zeldzame Brugse sympathisanten van de jonge losbol, prins de Bethune-Charost die zich inbeeldde de leider van een onafhankelijke Belgische staat te worden.

Toen de Franse revolutionaire troepen een eerste maal Brugge innamen, einde 1792, sloot de Serret junior aan bij de Jacobijnse club. Zijn vader richtte opnieuw, nu in dienst van de Fransen, een militair korps op dat de orde in Brugge handhaafde en in maart 1793, toen Brugge weer Oostenrijks werd nam hij, samen met zijn zoons François en Louis (1769-1839) dienst in het Franse leger. Op een politielijst stonden ze vermeld als in dienst van de anarchisten.

In 1797 was François senior terug in Brugge om er te sterven en François junior om er te trouwen. Hij begon aan een ambtelijke loopbaan. Na de staatsgreep van 18 Brumaire ontstonden wat strubbelingen en werd hij enkele maanden adjoint au maire om vervolgens burgemeester van Brugge te zijn van 1800 tot 1803. Eén van zijn realisaties was de aanleg van de bomenrij van de Steenbrugse wandeling, leidend naar het Brugs kerkhof en naar Oostkamp. Hij werd ook lid van het kiescollege voor het departement van de Leie en was lid zowel van de Nationale wacht als van de Erewacht. Tijdens de wintermaanden bewoonde hij in Brugge het huis Casselberg in de Hoogstraat, sinds 1771 eigendom van de van Outryves. Hij werd tevens eigenaar in Beernem van een eigendom aangekocht door de oom van zijn vrouw, kanunnik Georges van Outryve en bouwde er in 1802 het kasteel Drie Koningen, in empirestijl, onder meer met bouwmaterialen afkomstig van de afgebroken Sint-Donaaskathedraal. Zijn geliefkoosde bezigheid was voortaan het kweken van bomen en planten op zijn uitgestrekt domein, terwijl hij ook actief was in de Société d’agriculture du département.

Het belette niet dat hij in 1813 werd afgevaardigd naar het Corps Législatif. Toen dit mandaat door de omstandigheden vroegtijdig was beëindigd, sloot hij zich aan bij de nieuwe machthebbers. In 1816 werd hij lid van de provinciale staten van West-Vlaanderen en van 1817 tot 1827 van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In beide organen trad hij actief op en niet steeds naar de zin van de regering. Minister Falck noemde hem “een kwast”. Hij evolueerde tot tegenstander van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en toen in juli 1829 in Brugge een protestactie werd gevoerd onder de vorm van een constitutioneel banket, prijkte François baron de Serret als eerste, onmiddellijk gevolgd door zijn schoonbroer Jules d’Hanins, op de lijst van de ingeschreven deelnemers. Geen wonder dat hij in 1830 door de Bruggelingen verkozen werd tot lid van het Nationaal Congres. Hij bedankte evenwel voor de eer, met het excuus van zijn leeftijd.

François de Serret werd in 1813 na een audiëntie bij Napoleon, in de adelstand verheven en tot baron gepromoveerd. Na 1814 deed hij geen inspanningen om zijn adellijke status en zijn titel door Willem I te doen bevestigen, hoewel hij aanvankelijk het regime genegen was en tot de kleine minderheid van Brugse notabelen behoorde die de Grondwet goedkeurde. Hij werd niettemin verder baron genoemd (op de kiezerslijst van 1836 is hij aldus vermeld) en ook op zijn grafsteen werd deze titel gebeiteld. Pas veel later verkregen zijn kleinzoons Polydore en Henri, respectievelijk in 1871 en 1905, adelserkenning met bij eerstgeboorte overdraagbare baronstitels.

Literatuur

Andries Van den Abeele, De noblesse d'empire in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 2002, blz. 309-332

II. Karel Aeneas Jacobus de Croeser

(Brugge, 14 juli 1746 - 22 januari 1828) was burgemeester van Brugge, genealoog en dichter.

Biografische gegevens

Karel-Aeneas (Charles Enée) de Croeser, heer van ten Berge, was de zoon van Charles-Joseph de Croeser (1701-1775) en Marie-Charlotte Stochove (1724-1774), beiden uit families die al eeuwen in Brugge gevestigd waren, de eersten afkomstig uit Zeeland, de tweeden uit Gelderland. De Croeser huwde in 1777 met Anna de Carnin et Staden (1747-1803) en ze hadden vier kinderen.

In 1775 kreeg jonkheer de Croeser van de Oostenrijkers de titel van baron. Op 7 oktober 1827 ontving hij, met overdracht op de oudste zoon, van Willem I de titel van burggraaf (benoeming die zonder gevolg bleef, omdat de open brieven niet tijdig werden gelicht, de Croeser drie maanden later overlijdende).

Loopbaan

De Croeser studeerde rechten in Leuven en behaalde het diploma van licentiaat. Hij begon aan een ambtelijke loopbaan in januari 1792 als schepen in de voorlaatste magistraat die door de Oostenrijkers werd aangesteld. Pas vanaf 1797 kwam hij weer te voorschijn, als voorzitter van de departementale raad van het Leiedepartement. In 1802 werd hij voorzitter van de Algemene raad van dit departement. Hij werd een eerste maal tot burgemeester van Brugge benoemd in 1803 en bleef het tot in 1813. Hij werd toen opgevolgd door Jean-Jacques van Zuylen van Nyevelt, maar in 1817 werd hij opnieuw burgemeester en bleef het tot aan zijn ontslag in 1827. In 1819 bracht hij nieuw leven in de ingesluimerde Confrérie van het Heilig-Bloed.

De Croeser heeft voor de stad Brugge veel gedaan. Eén van de inspanningen die hij leverde was voor de ontwikkeling van het algemeen kerkhof, waar hij een mausoleum liet bouwen voor hoogwaardigheidsbekleders. Hij werd één van de eersten om er zijn laatste rustplaats te vinden.

In 1803 mocht hij Eerste Consul Bonaparte in Brugge verwelkomen en in 1810 keizer Napoleon en keizerin Marie-Louise. Als herinnering aan de eerste ontvangst liet hij door Joseph Odevaere een groot portret maken, dat in het stadhuis van Brugge hangt en waarop hij samen met de Consul prijkt. Een groot portret van de Croeser alleen, hangt er eveneens.

De Croeser had een woning in de Gouden-Handstraat in Brugge maar woonde een groot deel van het jaar op het kasteel Ten Berge. Hij bewaarde er een uitgebreide bibliotheek en archief, met inbegrip van de geschriften van historicus Nicolaas Despars en van het beroemde Gruuthuse-handschrift.

Naast dichter in het Latijn, was hij vooral de auteur van enkele uitgebreide genealogieën, die hij in eigen beheer publiceerde.

Bibliografie

Charles de CROESER de BERGES, Abrégé généalogique de la parenté de messire Michel Drieux, dit Driutus, Brugge, 1785

Charles de CROESER de BERGES, Généalogie de la très noble et très ancienne famille de Stochove, originaire de la Province de Gueldres (…), Brugge, 1790

Baron de CROESER de BERGES, Epitaphes, memoires et inscriptions sepulcrales de la famille de Croeser, originaire de la province de Zélande, anciennement comprise dans la noblesse chevalereuse de l’Isle de Walcheren, Brugge 1790, groot folio, 30 p.

Charles de CROESER de BERGES, Histoire généalogique de la famille De Croeser et de plusieurs autres familles nobles qui lui sont alliées, Brugge, z.d. (een verzameling van talrijke afzonderlijke studies).

Literatuur

E. REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896)), Brugge, 1890-96, blz. 397-409.

N. RAEPSAET, Charles de Croeser, in: Biographie nationale, Tome IV, col. 513-514, Brussel, 1873.

III. Jean Jacques Ghislain van Zuylen van Nyevelt,

 ook geschreven als Johannes Jacobus Ghislanus van Zuylen van Nijevelt Wyckerslooth (Brugge, 11 oktober 1752 - 23 januari 1846) was Tweede Kamerlid in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en burgemeester van Brugge in de Franse en Hollandse Tijd.

Biografische gegevens

Van Zuylen van Nijevelt was het tweede kind van dertien en de oudste zoon van Jean-Bernard van Zuylen van Nyevelt (1721-1791), schepen van de stad Brugge en algemeen postmeester voor Brugge en het Brugse Vrije en van Isabelle du Bois de Leyseele (1730-1804). Hij was in 1788 gehuwd met Marie-Elisabeth van Wyckerslooth van Weerdesteyn, uit een katholieke Utrechtse adellijke familie (Utrecht 1759 - Brugge 1815), gezin dat kinderloos bleef. Het toont aan dat hij contacten had met de Nederlandse tak van de familie en hij werd trouwens heer van de Haar bij Utrecht en de eigenaar van het (toen vervallen) kasteel De Haar. Dit kasteel en domein behoorde sedert 1449 aan de van Zuylens en na het overlijden in 1801 van de ongehuwde laatste telg van een Nederlandse tak werd Jean-Jacques, als aangewezen erfgenaam, de nieuwe eigenaar. Tot in 2000 bleven kasteel en 400 ha park in familiebezit en behoren thans aan Stichting Kasteel De Haar (kasteel) en Vereniging Natuurmonumenten (groengebied).

Baron Van Zuylen hertrouwde in 1817 met zijn tweeënveertig jaar jongere nicht Julienne van Zuylen van Nyevelt (1794-1866), dochter van zijn broer Joseph-Ghislain en zus van Guy van Zuylen van Nyevelt (1809-1852) die in 1830 de dooppeter werd van Guido Gezelle. Hoewel hij zelf al de vijfenzestig voorbij was, kreeg het gezin van Zuylen-van Zuylen nog dertien kinderen, van wie het laatste in 1835 geboren werd. Burgemeester Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant was zijn neef (zoon van zijn oudste zus).

Loopbaan

Jean-Jacques van Zuylen van Nyevelt begon zijn beroepsloopbaan als algemeen postmeester voor Brugge en het Brugse Vrije, in opvolging van zijn vader. Er is weinig of niets bekend over hoe hij de woelige revolutiejaren doorbracht. Wellicht bracht hij een tijd in Nederland door. Hij kwam pas tegen het einde van het Franse keizerrijk weer te voorschijn, als lid van het Brugse stadsbestuur. Toen in 1813 burgemeester Charles-Enée de Croeser, die het einde van Napoleon zag naderbij komen, ontslag nam, werd van Zuylen door prefect Soult als opvolger voorgedragen en werd hij benoemd.

Hij moest Brugge door de moeilijke periode loodsen van het einde van het keizerrijk en de overgang naar het Verenigd Koninkrijk. In zijn laatste dagen had de Franse overheid nog een buitengewone belasting opgelegd en toen die niet snel genoeg gehonoreerd werd, werd Van Zuylen als gijzelaar meegenomen. Pas nadat de verschuldigde som werd overgemaakt, werd hij op vrije voeten gesteld. Terug in zijn stad, mocht van Zuylen er veel overwinnaars van Napoleon begroeten, onder hen op 29 mei 1814 tsaar Alexander I van Rusland.

Ook al had hij de reputatie heel trouw te zijn aan het Franse regime, en maakte hij anderzijds bekend dat zijn voorkeur ging naar een terugkeer onder Oostenrijks gezag, werd van Zuylen als burgemeester bevestigd, nadat hij, voorzichtig zijn loyaliteit aan het nieuwe Verenigd Koninkrijk had laten blijken. Het feit dat hij tot een ook in Nederland bekende en invloedrijke familie behoorde, zal daar ongetwijfeld hebben toe bijgedragen. Hij was ook verwant met Eugène Goubau (1761-1839) die als hoge magistraat moeiteloos van het Frans op het Nederlands regime was overgeschakeld en voor benoemingen in de Zuidelijke Nederlanden veel invloed had. Te vermelden is ook dat één van zijn Hollandse neven Van Wyckerslooth, kamerheer was van Willem I (Die zijn broer, Cornelis van Wyckerslooth (1786-1851) zou in 1833 als titulair bisschop van Curium (in partibus infidelium) voor Nederland gewijd worden).

Het vertrouwen dat in van Zuylen werd gesteld kwam ook tot uiting door zijn aanstelling (de eerste maal mocht Willem I zelf aanduiden wie hij verkoos) tot lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal.

In 1817 stelde hij zich niet meer verkiesbaar als kamerlid en nam hij ook ontslag als burgemeester, om te worden opgevolgd door zijn voorganger de Croeser. Van toen af had hij ongetwijfeld een volle dagtaak aan zijn jonge echtgenote en de dertien kinderen die op een tijdspanne van zeventien jaar geboren werden.

Literatuur

Louis van Renynghe de Voxvrie, Descendance de Jean-Bernard van Zuylen van Nyevelt et d'Isabelle du Bois, Brugge, 1964.

IV. Philippe Jean Ignace Veranneman de Watervliet

(Brugge, 3 december 1787 - Oostkamp, 9 maart 1844) was een politicus uit de Zuidelijke Nederlanden, lid van de Tweede Kamer, tijdens het Verenigd Koninkrijk en burgemeester van Brugge.

Biografische gegevens

Jonkheer Veranneman stamde uit een notabele familie afkomstig uit Zeeland en bekend als heren van Watervliet. De eerste geregistreerde adelbrieven van de familie dateerden van 1731, toen de betovergrootvader van Philippe, 'voor zoveel als nodig' door keizer Karel VI in de adelstand werd bevestigd. Philippe was de zoon van Jean-Charles Veranneman en van Emerence Pardo de Fremicourt, laatste vertegenwoordigster van deze Spaans-Brugse familie. Hij was in 1817 gehuwd met de dertien jaar jongere Hortense de Peellaert (Brugge 1800 - Oostkamp 1852), dochter van de Comte d'Empire Anselme de Peellaert en Isabelle gravin d'Affaytadi de Ghistelles. Ze kregen vier kinderen.

Hij mag niet verward worden met zijn oom en naamgenoot, Philippe Joseph Jean Veranneman de Watervliet (1761-1815), de auteur van een 'Traité de la souveraineté'.

Loopbaan

Veranneman bereikte de volwassen leeftijd in de laatste jaren van het Empire en leek onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden voorbestemd voor een aanzienlijke loopbaan. Vanaf maart 1814 werd hij lid van het Voorlopig bestuur van het departement, voorloopster van de bestendige deputatie. Het jaar daarop werd hij lid van de Provinciale Staten van West-Vlaanderen en in 1820 werd hij lid van de gedeputeerde staten. Ondertussen was hij in 1817 gemeenteraadslid van Brugge geworden, maar nam het jaar daarop ontslag vanwege zijn aanstelling tot districtscommissaris. Dat hij tot de voorstanders van het nieuwe koninkrijk behoorde, bleek toen hij in 1816 tot de eerste lichting behoorde van degenen die hun oude adellijke titels, afgeschaft door de Franse republiek, door Willem I weer lieten bevestigen. Hij werd dan ook onmiddellijk opgenomen in de 'Ridderschap van West-Vlaanderen'

In 1828 werd hij tot burgemeester van Brugge benoemd in opvolging van Charles-Enée de Croeser. Hij was ondertussen ook al tot lid van de Tweede Kamer van de Staten Generaal verkozen voor het arrondissement Brugge.

Tijdens de cruciale dagen van augustus - september 1830 was hij niet in Brugge, maar nam hij deel aan de zittingen van de Tweede Kamer in Den Haag. Toen hij nadien in het onafhankelijk geworden België terugkwam, bleek hij niet langer persona grata. Zijn plaats op het stadhuis was ad interim ingenomen door Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant en Veranneman ondernam geen pogingen om ze terug te winnen. Hij trok zich terug op zijn kasteel in Hertsberge, waar hij op zevenenvijftigjarige leeftijd overleed.

Men heeft vaak geschreven dat Veranneman in ongenade was gevallen bij de revolutiegezinden omdat hij Orangist was. De historici Albert De Jonghe, Arnoldus Smits o.s.b. en Els Witte hebben dit betwijfeld. Veranneman behoorde immers in de Tweede Kamer tot de oppositie tegen de regering. Hij nam zelfs in augustus 1830 het initiatief een petitie te richten tot de koning namens de stad Brugge, teneinde op bestuurlijke scheiding tussen Noord en Zuid aan te dringen. Hij was pas in juli 1830 opnieuw als Kamerlid bevestigd door de kiezers die hem omwille van zijn oppositie waardeerden. Waarom werd hij dan in november 1830 niet als burgemeester herkozen? De reden moet te zoeken zijn in de wens van de kiezers (het kiezerskorps bestond uit minder dan 500 burgers) om een nieuwe periode in te luiden. Veranneman had zijn opdracht in Den Haag belangrijker geacht dan het besturen van zijn stad in moeilijke dagen. Dat had zijn plaatsvervanger Coppieters in zijn plaats gedaan. Hij had het goed gedaan en daarom gaf men aan hem de voorkeur om voortaan de stad verder te leiden.

Literatuur

F. VAN DYCKE, Recueil héraldique (...), Brugge, 1851

GAILLARD, Bruges et le Franc, Tome 3, Brugge 1859

A. SMITS, Scheuring in de Nederlanden, Heule, 1999 (heruitgave).

A. DE JONGHE, Onuitgegeven bescheiden over de gebeurtenissen te Brugge in Augustus en September 1830, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, Jaargang 1934

F. SIMON, Reacties van Bruggelingen tijdens het Voorlopig Bewind de de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1814-1820, licentiaatthesis RU Gent 1965 (onuitgegeven)

E. WITTE, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden, 1830-1848, Brussel, 1973.

V. Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant

(Brugge, 8 december 1770 - Poperinge, 8 juli 1840) was gemeenteraadslid en burgemeester van Poperinge alsook van Brugge, waarvan hij tevens ook schepen is geweest.

Hij behoorde tot een adellijke familie die sinds enkele generaties hoge functies uitoefende, eerst in Kortrijk, vervolgens in Brugge en in Brussel. Zijn vader, Jean-Baptiste Coppieters (1732-1797) werd eerste schepen en thesaurier van de stad Brugge. Zijn moeder, Isabelle van Zuylen van Nyevelt (1749-1819) was de dochter van eerste schepen en postmeester Jean-Bernard van Zuylen van Nyevelt. In 1801 huwde hij met Marie-Thérèse van Renynghe (1769-1837), dochter van Benoît van Renynghe, burgemeester van Poperinge. Het echtpaar kreeg één zoon, Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant (1806-1860) die volksvertegenwoordiger werd. Burgemeester Coppieters was de volle neef van de Brugse burgemeester Jean-Jacques van Zuylen van Nyevelt.

Loopbaan

Vanaf zijn jonge jaren speelde Coppieters 't Wallant een politieke rol. In 1793 (laatste Oostenrijkse periode) was hij in Brugge gemeenteraadslid, bevoegd voor politiezaken en nadien schepen. Na zijn verhuis naar Poperinge, werd hij er in 1803 eerst gemeenteraadslid en vervolgens 'maire' van Poperinge in 1803.

Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kwam hij opnieuw in Brugge wonen. Hoewel hij een reputatie van extreem Frans- of keizersgezinde meesleepte, werd hij in 1816 lid van de provinciale staten van West-Vlaanderen en gemeenteraadslid, het jaar daarop schepen van de stad Brugge. Vanaf 1829 behoorde hij tot de tegenstanders van het Hollands regime. Bij afwezigheid van burgemeester Veranneman, nam hij als dienstdoende eerste schepen, weldra als dienstdoende burgemeester maatregelen voor de ordehandhaving tijdens de augustus- en septemberdagen 1830 evenals tijdens de oproerige dagen in oktober. Op 15 november 1830, na verkiezingen, werd hij de eerste burgemeester van Brugge in het onafhankelijke België.

Coppieters was zeer populair, alvast onder de kiezers. In 1836 werd hij herkozen met 453 van de 508 kiesgerechtigde Bruggelingen. Toen hij in 1840 in zijn zomerverblijf in Poperinge overleed, werd hij in De Gazette van Brugge omschreven als 'een goedaardig, standvastig en vrijmoedig man die minzaam in de omgang was en door elkeen werd geacht'.

Hij werd ad interim opgevolgd door schepen Jacques Dujardin en in februari 1841 door Jean-Marie de Pelichy van Huerne

Literatuur

E. COPPIETERS & Ch. Van Renynghe de Voxvrie, Histoire professionnelle et sociale de la famille Coppieters, Second Volume, Brugge, 1968

Comité voor Initiatief Brugge, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge,1988

VI. Jean Marie François de Pelichy van Huerne

(Brugge, 12 mei 1774 - 18 november 1859) was een Nederlands-Belgische grootgrondbezitter, officier en politicus. Als zodanig was hij lid van de Provinciale staten van West-Vlaanderen, gemeenteraadslid en burgemeester van Brugge en senator.

Hij was de zoon van Theodore de Pelichy de Turkswart en van Marie-Elisabeth de Stappens, dochter van de schout van Brugge Valentin de Stappens. Hij huwde met Marie-Joséphine van Huerne (1808-1872), enige erfdochter van de Brugse schepen en groot collectioneur Joseph Van Huerne de Schiervelde (1752-1844). Sindsdien ging hij door het leven onder de naam de Pelichy van Huerne. Zoals de familie van Huerne bleef de Pelichy nauw verbonden met Izegem en met het 'Blauwkasteel', zijn zomerresidentie.

Loopbaan

In 1795 werd hij ingelijfd in een Oostenrijks infanterieregiment en had de rang van kapitein bereikt toen hij in 1807 na de slag bij Presburg het leger verliet en zich opnieuw in Brugge vestigde. Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd hij lid van de Provinciale staten van West-Vlaanderen.

In 1835 tot gemeenteraadslid van Brugge verkozen, werd hij op 26 februari 1841 tot burgemeester benoemd, in opvolging van Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant. Hij kreeg een vleiende reputatie als eenvoudig en goedhartig man. Hij bleef burgemeester tot aan zijn ontslag op 31 december 1854, waarna hij werd opgevolgd door Jules Boyaval. Zijn bestuursperiode werd gekenmerkt door de grote armoede die onder de bevolking heerste en die bij herhaling tot hongeropstanden leidde ('Ellende der Vlaanders'). De Pelichy en zijn bestuur schrokken niet terug om sterke maatregelen te nemen, zelfs als die niet in overeenstemming waren met de meer conservatieve terughoudendheid van de regering.

In 1830 werd de Pelichy verkozen tot lid van het Nationaal Congres. Hij werd vervolgens tot senator verkozen, ambt dat hij 28 jaar zou bekleden. Hij was invloedrijk maar mengde zich zelden in de publieke debatten.

Zoals zijn schoonvader, van wie hij veel boeken en voorwerpen had geërfd, was hij een groot verzamelaar van kunstwerken, boeken en ephemera. Na zijn dood werd een aanzienlijk deel van zijn verzamelingen openbaar verkocht. Een ander deel ging over op zijn erfgenamen, de familie Gillès de Pelichy, die in 1972 opnieuw een grote openbare veiling organiseerde. De Pelichy onderhield vriendschappen met prins de Broglie, bisschop van Gent en met de pauselijke nuntius in België, Vincenzo Pecci, de latere paus Leo XIII.

Literatuur

Ch. GILLES de PELICHY, Lettres du prince de Broglie, évêque de Gand, au baron Jean de Pelichy et à Mr Joseph van Huerne (1816-1821, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis in Brugge, 1940-1946, pp. 48-111

Charles GILLES de PELICHY, Histoire des Gilles et Gilles de Pelichy, Tablettes des Flandres, Recueil 10, Brugge, 1971

Comité voor Initiatief Brugge, Brugse burgemeesters 1839-1987, Brugge, 1988

Koen Rotsaert, Lexicon van de parlementariërs uit het arrondissement Brugge, 1830-1995, Brugge, 2006, ISBN 90-76297-33-9 en ISBN 978-90-76297-33-0

VII. Jules Charles Auguste Boyaval

(Kortrijk, 7 februari 1814 - Bad Godesberg, 13 september 1879) was belastingsambtenaar en politicus. Hij was achtereenvolgens gemeenteraadslid, schepen en burgemeester van Brugge en senator.

Hij was de zoon van Louis Boyaval-Holvoet, directeur van belastingen. Gehuwd met Julie Dujardin (1818-1875), dochter van de wisselagent en schepen van Brugge Jacques Dujardin, verwant met de Brugse bankiers Dujardin en van diens echtgenote Julie Devaux, nicht van staatsman Paul Devaux.

Loopbaan

Boyaval werd op 14 december 1846 lid van de gemeenteraad van Brugge en twee jaar later werd hij schepen. Op 26 december 1854 werd hij tot burgemeester benoemd, in opvolging van Jean-Marie de Pelichy van Huerne. Voor het eerst werd een burgemeester aangesteld die een duidelijk politiek, met name liberaal, profiel had en hiermee uitdrukking gaf aan de liberale meerderheid die was tot stand gekomen. Hij zou burgemeester blijven tot aan zijn ontslag in 1876, nadat de katholieke partij de meerderheid had behaald en hij werd opgevolgd door Amedée Visart de Bocarmé.

Onder zijn burgemeesterschap werden in Brugge heel wat openbare werken uitgevoerd, o. m.: de tuin van het voormalig klooster van de Minderbroeders werd openbaar park, een huizenblok werd gesloopt voor het bouwen van een stadsschouwburg, ongezonde wijken werden gesaneerd, monumenten gerestaureerd (O.L. Vrouwtoren, stadhuis). Op onderwijsvlak zette hij zich in voor gemeentelijk, neutraal onderwijs. Zo stichtte hij een 'Maison d'éducation pour demoiselles', meer bekend onder de naam 'Institut Boyaval', school die het tien jaar volhield.

In 1859 werd Boyaval tot senator verkozen en bleef dit tot aan zijn dood. Bij zijn herverkiezing in 1878 haalde hij het met amper één stem op zijn tegenkandidaat. Hij werd beroemd (of berucht) naar aanleiding van de goedkeuring van de Wet op het lager onderwijs van 1 juli 1879, de zogenaamde 'ongelukswet' die een bittere, decennialange schoolstrijd inluidde. Hoewel Boyaval ernstig ziek was, trok hij per trein discreet naar Brussel, omdat zijn stem gelet op de krappe regeringsmeerderheid absoluut nodig was.

Tot de liberale politieke strekking behorende, bleef Boyaval een praktiserend katholiek, die een strenge scheiding maakte tussen zijn persoonlijk geloof en de publieke zaak. De aanwezigheid van de bisschop van Brugge op zijn uitvaart in de Sint-Walburgakerk, toonde aan dat hij in kerkelijke middens geacht werd.

Literatuur

Comité voor Initiatief Brugge, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge, 1988

Koen Rotsaert, Lexicon van de parlementariërs uit het arrondissement Brugge, 1830-1995, Brugge, 2006, ISBN 90-76297-33-9 en ISBN 978-90-76297-33-0

VIII. Amedée Charles Louis Visart de Bocarmé

(Sint-Kruis 4 november 1835 - Brugge 29 mei 1924) was volksvertegenwoordiger, burgemeester van Brugge en bosbouwer.

Amedée Visart behoorde tot een oude adellijke familie uit de streek van Doornik en voerde de titel van graaf. Hij was de zoon van Marie Jean Joseph Visart de Bocarmé (1794-1855), burgemeester van Sint-Kruis bij Brugge en hoofdman van de Gilde van Sint-Sebastiaan in Brugge. Hij werd geboren op het familiekasteel Rooigem, dat hij zijn leven lang als buitenverblijf zou behouden en dat tot in de jaren 1980 aan zijn nakomelingen bleef behoren. Visart huwde in 1864 met Emilie Faignart (1838 - 1875) en in 1884 met Nathalie van den Steen de Jehay (1852 - 1919). Uit het eerste huwelijk sproten Etienne Visart de Bocarmé, Albert Visart de Bocarmé en Valentine Visart de Bocarmé (1867-1947).

Loopbaan

Visart werd tot volksvertegenwoordiger verkozen in januari 1864, en opnieuw in 1868. Hij werd nadien telkens herverkozen en zetelde tot aan zijn dood in 1924. In deze lange periode speelde hij geen hoofdrol in het parlement en kwam zelden tussen in de publieke debatten. In grote controverses, zoals in de schoolstrijd, speelde hij eerder een matigende rol. Hij schreef wel in het begin van zijn loopbaan een meer militant werkje onder de titel: Considérations sur les dangers qui menacent l'enseignement religieux en Belgique (1865). Zijn voornaamste parlementaire activiteit bestond erin op te treden als pleitbezorger voor de Brugse belangen. Tegen het einde van zijn leven was hij voorzitter van de Kamercommissie Openbare Werken. Zijn prestige was zo groot dat, toen hij zich nog moeilijk kon verplaatsen, de leden van deze Commissie naar Brugge spoorden om er onder zijn voorzitterschap te beraadslagen. In 1920 was hij ook de indiener van het belangrijk wetsvoorstel over de hervorming van de Openbare Weldadigheid.

In 1875 werd Visart tot raadslid van de stad Brugge verkozen, in een periode dat het liberaal bestuur van Jules Boyaval lood in de vleugels had. De katholieke partij behaalde bij de verkiezing de volstrekte meerderheid (ze zou die honderd jaar lang behouden) en Visart werd op 18 februari 1876 tot burgemeester benoemd. Ook dit ambt zou hij tot aan zijn dood uitoefenen. De uitzonderlijke duur van zijn burgemeesterschap en de belangrijke initiatieven die hij nam, maken van hem onbetwistbaar de grootste Brugse burgemeester van de voorbije tweehonderd jaar.

In de eerste plaats was Visart, samen met baron de Maere, de grote voortrekker bij het tot stand komen van de nieuwe haven van Brugge-Zeebrugge. Hij schreef onder meer, zowel in het Nederlands als in het Frans: Een zeehaven in diep water op de Belgische kust (1883). Was de Maere de man van de visionaire ideeën, dan was Visart vooral degene die de politieke bakens verzette en op alle niveaus (koning, regering, parlement, bedrijfsleven, actiegroepen) de bouw van de haven bepleitte. Strijd die in 1895 werd gewonnen en in 1907 leidde tot de plechtige inhuldiging van de nieuwe haven. Ook voor de werkverschaffing was hij actief en hij speelde onder meer een rol bij de uitbouw van het Brugse metaalbedrijf La Brugeoise (thans Bombardier).

Visart maakte anderzijds van de verfraaiing van de stad één van zijn belangrijkste actiepunten. Hierin gesteund door zijn schepen Alfred Ronse begon hij aan een politiek van lange adem om het gebouwenpatrimonium van de stad te restaureren en te valoriseren. Privé personen die hieraan hun medewerking gaven, werden bij restauratie ondersteund door gemeentelijke toelagen. In volle opmars van de neogotische beweging werd ook veel aandacht besteed aan de nieuwbouw, die bij voorkeur in deze stijlrichting werd aangemoedigd. Dit ging gepaard met het promoveren van Brugge als kunststad en als toeristische stad en ook hiervoor was Visart een stuwende kracht. Voor de aanleg van nieuwe wijken ten Noorden van de binnenstad deed hij beroep op de Duitse urbanist Stübben.

Een tweede verfraaiingelement was het groen. De aanleg als groene wandelzone van de vestingen rondom Brugge, begonnen onder zijn voorganger, werd door Visart voortgezet en voltooid. Een eigen gemeentelijke groendienst kwam tot stand. Visart was een deskundige op het gebied van bomen en bossen en was vele jaren voorzitter van de Belgische Bosbouwvereniging. Hij was ook voorzitter van de toezichtraad van de openbare tuinen in Brussel. In de Ardennen beschikte hij over uitgestrekte proefvelden waar hij experimenteerde met boomsoorten en planten, vaak uit Amerika afkomstig. (Hij bouwde trouwens ook een kasteel als buitenverblijf in Durbuy). Dit bracht er hem trouwens toe, toen een uitzonderlijke regeringstoelage werd verleend van 1 miljoen goudfrank aan de Brugse Commissie voor Armenzorg, dit geld te doen aanwenden voor de aankoop van circa 3500 ha grond in de Ardennen, waarop opbrengstbossen werden geplant, die tot vandaag een regelmatig inkomen verschaffen aan het Brugse Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.

Tot aan de Eerste wereldoorlog bestuurde Visart een stad die zich van arme provinciestad stelselmatig ontwikkelde tot een cultureel, intellectueel en ook commercieel gewestelijk centrum. Heel wat nieuwe gebouwen gaven hieraan uitdrukking (nieuw station op het Zand, Staatsnormaalschool, Postgebouw en Provinciehuis op de Markt, Ziekenhuis bij het Minnewater, enz.). Het was ook de tijd van de grote herdenkingen, met standbeelden die werden opgericht voor Memling, Van Eyck, Breydel en De Coninck. In 1902 en in 1907 werden internationale tentoonstellingen gehouden, die een aanzienlijke impuls gaven aan de studie van en de waardering voor de Vlaamse Primitieven.

De zwarte bladzijde van de Eerste wereldoorlog doorstond Visart moedig, zonder toegevingen aan de bezetter. Het waren moeilijke tijden waarbij hij herhaaldelijk en vergeefs pleitte voor het niet-uitvoeren van doodstraffen. Heel wat inspanningen werden op zijn initiatief genomen om aan de hulpbehoevende bevolking steun te verlenen.

De jaren die hem nog restten na de oorlog, waren er van wederopbouw, die - ook al omwille van zijn hoge leeftijd - in zijn hoofde niet werden gekenmerkt door grote initiatieven. Wel paste hij het stadsbestuur aan de nieuwe tijden aan. Het stadsbestuur voerde een ongevallenverzekering in en trad regulerend op in verband met zondagsrust, ouderdomspensioenen en minimum uurlonen.

Hoewel hij zelf gebrekkig Nederlands sprak (eerder Brugs) was Visart een voorstander van de vernederlandsing van het openbaar leven, net zoals zijn broer Leon Visart de Bocarmé, die eveneens Belgisch parlementslid was. Hij schreef in 1919 een boekje onder de titel Het tweetalig België. Visart was ongetwijfeld de burgemeester van alle Bruggelingen. Omwille van zijn verdraagzaamheid en minzaamheid genoot hij een aanzienlijke populariteit.

Zijn portret door Flori Van Acker, geschilderd naar aanleiding van zijn vijfendertig jarig jubileum als burgemeester, hangt in het stadhuis. De stedelijke musea bezitten van hem ook een jonger portret, gemaakt door Eugène-Jean Copman. Een door hem op de nieuwe wijk Kristus Koning aangelegd openbaar park kreeg in 1929 de naam 'Graaf Visartpark'. In 1893 kreeg een beuk in het Zoniënwoud zijn naam. De statige woning van Visart in de binnenstad bevond zich in de Koeisteertstraat. Men weet niet of dit op zijn initiatief gebeurde, maar in 1900 kreeg de straat de meer deftige naam van Pieter Pourbusstraat.

Literatuur

Comité voor Initiatief Brugge, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge, 1988

Koen Rotsaert, Lexicon van de parlementariërs uit het arrondissement Brugge, 1830-1995, Brugge, 2006, ISBN 90-76297-33-9 en ISBN 978-90-76297-33-0

[bewerk] Externe link

Informatie over de familie Visart de Bocarmé op: http://www.visart.be

IX. Victor Van Hoestenberghe

(Stalhille, 10 december 1868 - Brugge, 12 juli 1960) was advocaat en politicus (gemeenteraadslid, schepen en burgemeester van Brugge) alsook senator. Hij was getrouwd met Vanneste. Het gezin bleef kinderloos. Van Hoestenberghe werd op 20 januari 1955 in de adelstand opgenomen met de persoonlijke titel van ridder. Zijn wapenspreuk luidde: 'Ik Dien'.

Loopbaan

Na zich in Brugge als advocaat te hebben gevestigd, stapte Victor Van Hoestenberghe in de plaatselijke politiek en werd op 1 januari 1908 gemeenteraadslid op de lijst van de katholieke partij. Op 1 juni 1912 werd hij tot schepen verkozen en kreeg de portefeuille onderwijs. Het jaar daarop werd hij schepen voor financies, functie die hij bleef uitoefenen totdat hij, in opvolging van burgemeester Amedée Visart de Bocarmé, op 27 juni 1924 tot burgemeester werd benoemd. Deze functie bleef hij 32 jaar uitoefenen, iets minder lang dan zijn voorganger, maar in totaal zetelde hij toch bijna een halve eeuw in het schepencollege. Ondertussen was hij ook als advocaat actief en werd zelfs stafhouder van de Brugse balie voor de periode 1924-1926. Hij werd tevens lid van het kredietcomité van de Bank van Brussel in Brugge.

Onder zijn bestuur evolueerde de stad Brugge op zelfde wijze als onder zijn voorganger, met inspanningen die zich in de eerste plaats richtten op de zeehaven enerzijds, op de monumentenzorg, de cultuur en het toerisme anderzijds. In 1930 werd een nieuw Groeningemuseum ingehuldigd (ontwerp door schepen en architect Jozef Vierin), en werd het overdekt stedelijk zwembad geopend. In Kristus Koning, Sint-Jozef en Zwankendamme werden nieuwe parochiekerken gebouwd. Een nieuwe stadswijk kwam tot stand op de Sint-Annaparochie en kreeg de naam Gezellekwartier. De waterbedeling, het elektriciteitsnet en het telefoonnet bestreken voortaan de ganse stad. Net voor WOII werd een nieuw station in gebruik genomen, terwijl het vroegere neogotische stationsgebouw na de oorlog werd gesloopt. Zowel voor als na de oorlog bestond het religieus en toeristisch hoogtepunt uit opvoeringen van het Heilig-Bloedspel, een massaspel door de redemptorist Jozef Boon geschreven, opgevoerd als een superproductie op de Grote Markt. Niet zonder veel vertraging en politieke strubbelingen kwam een nieuwe veemarkt met slachthuis tot stand op Sint-Pieters.

Tijdens WOII werd Van Hoestenberghe door de Duitse bezetter uit zijn ambt ontzet. Bij de bevrijding nam hij zijn functie onmiddellijk weer op, nadat hij tijdens de laatste bezettingsdagen onderhandeld had zowel met de bezetter als met de bevrijders om Brugge van oorlogsgeweld te vrijwaren. Hij loodste Brugge door de woelige maanden van herstel, zuivering, enz. De haven van Zeebrugge was zowel na WOI als na WOII grondig vernield en Van Hoestenberghe moest mee inspanningen leveren om de nodige financiële tussenkomsten voor het herstel vanwege de regering te verkrijgen.

Burgemeester Van Hoestenberghe trad actief mee op om het geplande Europacollege, postuniversitair instituut voor Europese studies, in Brugge te vestigen. Hij was ook actief in het bevorderen van sociale huisvesting.

Naast zijn burgemeesterschap, doorliep van Hoestenberghe eveneens een loopbaan als senator. Hij volgde in mei 1929 de tijdens de verkiezingsnacht overleden baron Albert of Albéric Ruzette op en bleef senator tot in 1946. Hij speelde een niet onbelangrijke rol bij de verdediging van de oorlogshouding van koning Leopold III. In de senaat zetelde hij in de commissies binnenlandse zaken en openbare werken. Hij was geregeld verslaggever over wetsontwerpen, onder meer met betrekking tot het taalgebruik in bestuurszaken. Uiteraard behartigde hij in de hoofdstad de belangen van de stad Brugge en van de haven van Zeebrugge.

Van Hoestenberghe nam ontslag als burgemeester op 3 maart 1956 en werd opgevolgd door eerste schepen Pierre Vandamme. Hij werd uitbundig gevierd (ook al werd algemeen aangenomen dat hij wellicht iets te lang aan de functie had vastgehouden). Zijn eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, zijn sterke wil en karakter, zijn groot plichtsbesef, werden terecht geprezen.

In het stadhuis van Brugge hangt een staatsieportret van Victor Van Hoestenberghe, gemaakt door Georges De Sloovere. Octave Rotsaert maakte van hem een buste (1953). Van Hoestenberghe resideerde het grootste deel van zijn actieve leven op de Mallebergplaats. Elke dag woonde hij de Mis bij in zijn parochiekerk, de H. Walburgakerk.

Literatuur

Comité voor Initiatief Brugge, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge, 1988.

Koen Rotsaert, Lexicon van de parlementariërs uit het arrondissement Brugge, 1830-1995, Brugge, 2006, ISBN 90-76297-33-9 en ISBN 978-90-76297-33-0

X. Pierre Vandamme

(Brugge, 10 juli 1895 - 18 maart 1983) was juwelier, havenvoorzitter van Zeebrugge en politicus. Als zodanig was hij achtereenvolgens gemeenteraadslid, schepen en burgemeester van Brugge.

Biografische gegevens

Vandamme was de zoon van juwelier Jan Vandamme (Kortrijk 1862 - Brugge 1917) en Blanka Valcke (Brugge 1867 - Ieper 1927), die in een gedicht door Guido Gezelle bezongen werden. Na zijn middelbare studies aan het Sint-Lodewijkscollege en zijn militaire dienst tijdens WOI, trad hij beroepshalve in zijn vaders' voetsporen. Hij huwde in 1922 met de Oostendse Marie-Louise Elleboudt (1896-1968). Het gezin had zes kinderen. Zwak van gezondheid bracht Pierre Van Damme in de jaren voor WOII heel wat tijd door in Zwitserland of aan de Azuurkust. Op 12 mei 1976 werd Pierre Vandamme in de erfelijke adelstand verheven met de persoonlijke titel van ridder. Zijn wapenspreuk luidde 'Dienen'

Loopbaan

Vandamme was twaalf jaar toen hij langs het zeekanaal tussen Brugge en Zeebrugge de feestelijke activiteiten gadesloeg naar aanleiding van de officiële inhuldiging van de haven door koning Leopold II. Van toen af zou het bevorderen van deze haven zijn levensdoel worden. Na WOI begon hij stilaan zijn ideeën publiek te maken, hetzij met artikelen in lokale kranten, hetzij als secretaris van de 'Cercle colonial et maritime'. In 1932 werd hij in het havenbestuur benoemd, als vertegenwoordiger van de stad Brugge.

Deze activiteiten brachten hem onvermijdelijk dichter bij de politiek en hij aanvaardde kandidaat te zijn voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1938. Hij werd verkozen en onmiddellijk tot schepen van openbare werken verkozen. Na de Duitse inval bleef hij nog een tijd de functie uitoefenen, maar nam ontslag toen onder Duitse bescherming de fusie van Brugge en randgemeenten leidde tot 'Groot Brugge', onder het burgemeesterschap van de buiten de gemeenteraad benoemde Vlaams-nationalist Jef Devroe.

Het is pas na de oorlog dat hij de volle maat van zijn kunnen kon aantonen. Een belangrijke opdracht was de voor de tweede maal grondig vernielde voorhaven in Zeebrugge weer bruikbaar te maken. Al op 25 mei 1940 was hij tot dienstdoende afgevaardigd bestuurder aangesteld, en na de oorlog was hij voorzitter en afgevaardigd bestuurder van de havenmaatschappij geworden, functies die hij tot in 1976 bleef uitoefenen. De heropbouw van de haven was niet vanzelfsprekend. Een gezaghebbende maritieme krant in Antwerpen voerde campagne onder het motto 'Il faut abandonner Zeebruges'. In de volgende jaren werden niettemin aanzienlijke inspanningen geleverd, waarbij Vandamme telkens de drijvende kracht was, teneinde nieuwe goederen en passagierstrafieken aan te trekken. De inspanningen kenden soms succes, maar soms ook heel wat ontgoochelingen. Onder deze laatsten was er het megaproject van de Amerikaan Cantor, om grote cruiseschepen naar Zeebrugge te brengen en de projecten van Latijns Amerikanen en van Onassis om Zeebrugge uit te bouwen tot een petroleumhaven en er een scheepswerf op te richten. Maar ook mislukte projecten waren nuttig, want ze leidden tot verdere uitdieping van de vaargeul, hetgeen dan weer andere investeringen en trafieken mogelijk maakte, zoals de passagierslijnen op Engeland, de petroleumterminal van Sinclair en Texaco, de terminal voor vloeibaar gas, enz. Vanaf de jaren zestig werden de inspanningen van Vandamme ook in grote mate ondersteund door nieuwe verantwoordelijken uit de jongere generaties, zoals Fernand Traen, Olivier Vanneste en Robert Simoen. Het werd de tijd van de studiecommissies (onder meer de Commissie Verschaeve en de Commissie Craen) en ook van de grote studieontwerpen, die zouden uitmonden op de aanzienlijke investeringen die van Zeebrugge een wereldhaven moesten maken.

Pierre Vandamme was ook overtuigd dat industrie moest worden aangetrokken, om trafiek te genereren. In Zeebrugge en in Brugge (Sint-Pieters) werden industrieterreinen aangelegd, waar zich stilaan bedrijven kwamen vestigen, hoewel die eerder weinig scheepvaart opleverden. Het onder zijn impuls aangelegde Nijverheidsdok bracht aanvankelijk weinig leven in de achterhaven. Het waren in de binnenstad gevestigde bedrijven, die zich daar het eerst kwamen vestigen. Geleidelijk lieten echter ook grotere en ook buitenlandse bedrijven zich verleiden door de gunstige voorwaarden. De grootste waren UCO, Outboard Marine, CBRT (weldra Philips), Pemco (weldra Bayer), etc.

Op 1 juli 1956 werd Pierre Vandamme tot burgemeester benoemd in opvolging van Victor Van Hoestenberghe. Zijn populariteit had tegen die tijd een zodanig hoge vlucht genomen, dat hij wekenlang op vorstelijke manier werd ingehuldigd. Hij was zeer betrokken bij het verenigingsleven in de stad en leek alomtegenwoordig. Hij schafte het ouderwetse reglement af dat carnaval verbood en gaf de impuls voor de oprichting van een 'Comité voor initiatief' dat zou instaan voor het nemen van initiatieven op het gebied van feestelijke activiteiten.

Zijn bestuur was, ook als stadsbestuurder, vooral gericht op de ontwikkeling van de haven, met inbegrip van de vissershaven, en het aantrekken van industrie. Hij had minder belangstelling voor het monumentenpatrimonium van de stad, wat niet wil zeggen dat hij er onverschillig tegenover stond. Ook de sociale woningbouw had zijn volle aandacht en verschillende nieuwe volkswijken ontstonden, buiten de oude stad, op de wijken Sint-Jozef en Sint-Pieters. Een kleurrijk verhaal was dat van wat de 'veemarktkwestie' werd genoemd, waarbij de 'officiële' veemarkt van de stad Brugge het moest afleggen tegen de privé veemarkt die op Sint-Michiels tot stand kwam, onder impuls van burgemeester Van Maele.

Op het einde van de jaren zestig werd vanuit het Brugse stadsbestuur voorgesteld om, in functie van verdere uitbouw van de stad en de haven, de gemeenten Lissewege, Dudzele en Heist bij Brugge te voegen. Uiteindelijk kwam er iets heel anders uit de bus en kwam een fusie tot stand met de randgemeenten Sint-Andries, Sint-Kruis, Sint-Michiels, Assebroek en Koolkerke, met daarbij Lissewege en Dudzele, maar niet Heist. Van 50.000 inwoners werd Brugge een stad van 120.000 inwoners.

De CVP had niet alleen de volstrekte meerderheid in Brugge, maar stond ook sterk op de randgemeenten. Vandaar dat het niet verbazend was dat, met Pierre Vandamme op kop, een sterke lijst werd samengesteld die een niet eerder behaalde score realiseerde. Toen kon de fusie ook in de praktijk tot stand komen. Het bleek al vlug dat dit een heel intensieve arbeid was, waar Pierre Vandamme, ondertussen 76, tegen opzag. Des te meer omdat het ook een veel 'politieker' en 'competitiever' bedoening was geworden dan hij gewoon was geweest, zowel in zijn eigen partij als in de verhoudingen met de andere (oppositie)partijen in de gemeenteraad. Na een jaar besliste hij dan ook ontslag te nemen en werd hij opgevolgd door zijn eerste schepen en voormalig burgemeester van Sint-Michiels Michel Van Maele. Achteraf is gebleken dat hij dit ontslag toch als afgedwongen beschouwde en hij zou zich laten gebruiken in campagnes die in 1976 tegen zijn opvolger werden opgezet en die aan de CVP de volstrekte meerderheid kostten.

Zowel na zijn ontslag als burgemeester als na zijn ontslag als voorzitter van het havenbestuur werd Pierre Vandamme uitgebreid uitgewuifd. In Zeebrugge werd een monument voor hem opgericht en kreeg de nieuwgebouwde zeesluis de naam Pierre-Vandammesluis. In Brugge was vroeger al het Nijverheidsdok omgedoopt tot Pierre-Vandammedok.

Bibliografie

De haven van Brugge, Brugge, 1942 en 1946

Le port de Bruges, Brugge, 1942 en 1946

Een hart aan zee, Brugge, 1982 (anekdotes uit zijn carrière)

Literatuur

Stad Brugge, Gemeenteblad, Plechtige huldezitting gemeenteraad (1971)

Comité voor Initiatief, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge, 1988

XI. Michel Van Maele

(Sint-Michiels, 2 oktober 1921 - Brugge, 26 februari 2003) was burgemeester van Sint-Michiels (1947-1970) en van Brugge (1972-1977), ondernemer en voorzitter van de voetbalvereniging Club Brugge

Loopbaan

Van Maele was één van de zonen (Leon, Kamiel, Hilaire, Michel, Georges) van de volksgeliefde landbouwer en molenaar Jules Van Maele, die tijdens de oorlog veel hulp aan zijn dorpsgenoten had geboden en hierdoor zeer populair was geworden. Na zijn middelbare studies bij de Broeders Xaverianen studeerde Michel Van Maele in Antwerpen voor regent. Het onderwijs was echter niet zijn richting en hij zag zich meer als handelaar en ondernemer. Hij huwde met Suzanne Lootens.

Zijn eerste betrekking was bij de volksbakkerij Ons Brood, waar hij de vertrouwensman werd van kanunnik Achiel Logghe en van de grijze eminentie van de CVP in Brugge, notaris Henry Van Caillie. Toen de beste tijd voor de coöperatieve bakkerijen voorbij was, nam Michel Van Maele enkele gelijkaardige bakkerijen over en concentreerde alles in een eigen bedrijf dat hij Paverko noemde. Hij zou in de loop van de jaren heel wat bedrijven oprichten, o.m. Punch, die cakes produceerde, Topel, die reinigingsproducten verkocht, Z die zetels maakte, etc.

Hij begon ook, met een vennoot, Maurice Ballegeer, aan het urbaniseren en verkavelen van vroegere landbouwgronden die in de bouwzone waren gekomen. Zoals veel burgemeesters, vooral van gemeenten in de periferie van grote steden, werd hij geconfronteerd met grootgrondbezitters die zelf niet zo goed weg wisten met hun eigendom op de gemeente, en hij bood dan ook de diensten van zijn vennoot aan. Het is duidelijk dat dit thans niet meer zo makkelijk zou aanvaard worden, maar een halve eeuw geleden, toen burgemeesters trouwens maar een symbolische wedde genoten, werd dergelijke samenwerking niet ongewoon bevonden en werd ze op veel gemeenten aangetroffen. Daarbij kwam dat, als het om een burgemeester ging, hij ook graag als weldoener optrad, en de verkoopprijzen niet opdreef. Op die manier werd een landelijke kleine gemeente op één generatie een drukbewoonde voorstad.

Burgemeester van Sint-Michiels

Zoals velen bewogen door de koningskwestie, stichtte Michel Van Maele in 1946 een afdeling van de CVP. Bij de gemeenteraadsverkiezingen behaalde hij veel succes en stond hij aan het hoofd van een volstrekte meerderheid in de gemeenteraad. Pas 25 geworden, werd hij de jongste burgemeester van het land.

Hij had grote ambities voor zijn gemeente, die hij niet alleen als residentiële 'slaapstad' wilde ontwikkelen.

Een eerste richting die hij insloeg was die van de industrialisering. Hij legde een industriezone aan, waar als voornaamste bedrijf het Amerikaanse 'Bus and Car' zich kwam vestigen om er bussen voor de Greyhoundlines in de USA te maken. Later kwam zich ook het werktuigkundig bedrijf MC Watteeuw in Sint-Michiels vestigen.

De tweede richting was die van de sociale huisvesting. Van Maele lag aan de basis, met Jef Zwaenepoel, van de Interbrugse Maatschappij voor sociale huisvesting, die talrijke gemeenten rond Brugge groepeerde en één van de belangrijkste Belgische maatschappijen voor sociale huisvesting werd. Heel wat sociale woonwijken kwamen in Sint-Michiels tot stand, en behaalden een kwaliteit die algemeen werd erkend. Michel Van Maele bleef de voorzitter van de maatschappij, terwijl hij ook medeoprichter was van de kredietmaatschappij 'Eigen Huis'.

Het derde belangrijk initiatief was de oprichting van het familiepark dat de naam Boudewijnpark kreeg. Het werd een succesverhaal, met grote toeloop van belangstellenden uit binnen- en buitenland. Weldra breidde het park uit met een poneyranch, met lokalen voor de Schuttersgilde van Sint-Michiels, met een overdekte piste voor ijsschaatsen, met een Dolfinarium en met de befaamde Zimmerklok.

Ten slotte was er ook nog de oprichting van een Overdekte Veemarkt, die de rechtstreekse concurrentie aanging met de Veemarkt van de stad Brugge en die de oorzaak was van scherpe tegenstellingen tussen Michel Van Maele en zijn medestanders enerzijds en het schepencollege van Brugge en meer bepaald Pierre Vandamme anderzijds.

Burgemeester van Brugge

In 1969 begonnen de discussies over de fusie van Brugge met sommige aanpalende gemeenten. De stad Brugge wenste, met het oog op uitbreiding van de haven van Zeebrugge, de gemeenten Heist, Dudzele en Lissewege bij Brugge gevoegd te zien. Het resultaat dat uit politieke discussies in Brugge tot stand kwam was heel anders. Die twee laatste gemeenten werden inderdaad bij Brugge gevoegd (Heist niet), maar ook de randgemeenten Assebroek, Sint-Andries, Sint-Kruis, Sint-Michiels en Koolkerke werden bij de fusie betrokken. Michel Van Maele was helemaal niet voor die fusie gewonnen, en liet zich bijstaan door de Gemeentedienst van België, om argumenten te verzamelen die een dergelijke fusie bestreden. Hij haalde het echter niet en in de loop van 1970 was de fusie een feit.

Het gevolg was dat binnen de CVP gewerkt werd aan een lijst voor de gemeenteverkiezingen, waarop voor- en tegenstanders van de fusie, verenigd de best mogelijke electorale uitslag zouden nastreven. De burgemeester van Brugge Pierre Vandamme voerde de lijst aan, gevolgd door Michel Van Maele. Naast nieuwkomers en jongeren, stonden op de lijst heel wat uittredende burgemeesters, schepenen en raadsleden, die elk in hun gemeente op sterke aanhang mochten rekenen.

Het resultaat was er dan ook naar en de CVP behaalde bij de verkiezingen van oktober 1970 54 % van de stemmen en hierdoor een confortabele meerderheid. Pierre Vandamme werd opnieuw burgemeester en Michel Van Maele werd eerste schepen en voor de hand liggende toekomstige opvolger. De verstandhouding tussen beide heren, ook al omwille van de vroegere concurrentie tussen Brugge en Sint-Michiels, was niet opperbest. Pierre Vandamme had het moeilijk om die omvangrijke fusie met zijn vele problemen in goede banen te leiden en tegen het einde van 1971 besliste hij ontslag te nemen. Enkele maanden later volgde Michel Van Maele hem op.

Een eerste grote realisatie van Michel Van Maele was de zuivering van het water in de Brugse reien. Deze reien waren al decennia stinkpoelen. Van Maele, bijgestaan door een paar pientere ingenieurs, voerde een meervoudig plan uit: de reien werden gebaggerd en ontdaan van vervuild slib, terwijl zuiver zand op de bodem werd gelegd - de rioleringen van de binnenstad werden heraangelegd, zodat ze niet meer in de reien uitmondden - de reien werden afgesloten voor het vervuilde water dat vanuit het Noorden van Frankrijk en andere industriegebieden, tot in de Brugse reien terechtkwam - vers grondwater werd via een pijpleiding vanuit een vijver in Sint-Michiels naar de reien gepompt. Het resultaat was opzienbarend.

Michel Van Maele was een uitstekend onderhandelaar bij aankopen. Hij slaagde erin talrijke gunstige aankopen te realiseren voor de stad Brugge. In volle stadscentrum kocht hij o.m. het vroegere Sint-Lodewijkscollege aan, waar het Zilverpand werd gebouwd (ondergrondse parkings, winkelgalerij, sociale appartementen) en het grootwarenhuis A l'Innovation, dat plaats ruimde voor de centrale stadsbibliotheek Biekorf en een ondergrondse parking. Naast andere parkings, ontwierp hij voornamelijk de grote ondergrondse parking onder 't Zand, die voor de commerciële bereikbaarheid van de binnenstad primordiaal was. Jammer dat zijn ontwerp om de reie op ditzelfde Zand terug open te maken, door zijn opvolger niet werd uitgevoerd. Hij kocht ook het Minnewaterpark aan evenals het Sincfaldomein, beiden aan de rand van de binnenstad.

In de deelgemeenten kocht Van Maele uitgebreide groenzones, die hetzij als bosgebied, hetzij als sport- en ontspanningscentra door de stad werden beheerd. De voornaamste aankoop was het domein Beisbroek in Sint-Andries. Verder zijn nog te vermelden het Veltembos, het domein Zeventorentjes met kinderboerderij, het Daverlopark, het sportcentum in Dudzele, enz.

Michel Van Maele was een groot voetballiefhebber en hij was zich bewust van de uitstraling die twee ploegen in nationale divisie, Club Brugge en Cercle Brugge, aan de stad Brugge bezorgden. De toekomst zag er eerder somber uit, vooral voor Club Brugge, die in financiële nesten zat. Van Maele vond een uitweg: de stad Brugge bouwde het Olympiastadion (thans Jan-Breydelstadion) waar beide ploegen konden spelen, terwijl ze hun vroegere eigendom konden urbaniseren en verkopen, wat sindsdien is gebeurd.

Toen de verkiezingen van oktober 1976 in het zicht kwamen, groeide de weerstand tegen Michel Van Maele. Een lijst die zich 'christen democraten' noemde deed aan de verkiezingen mee. Het resultaat was dat de CVP slechts 43 % van de stemmen behield. Een coalitie van alle andere partijen, onder leiding van Frank Van Acker, verzond de CVP naar de oppositie. Michel Van Maele nam ontslag als gemeenteraadslid.

Actieve nadagen

Niet meer politiek actief, bleef Michel Van Maele niet stil zitten. Hij bleef actief in zijn persoonlijke ondernemingen en in het Boudewijnpark.

Vooral stortte hij zich op het voetballeven, werd hij afgevaardigde bestuurder van Club Brugge en in 1999 ook voorzitter.

Op het einde van de jaren tachtig kwam daar nog een heel bijzondere activiteit bij. Michel Van Maele plaatste zich aan het hoofd van een groep die de negentiende-eeuwse gebouwen van het voormalige Sint-Janshospitaal in erfpacht en liet het restaureren. Het 'Oud Sint Jan' werd een ontmoeting- en congrescentrum.

Literatuur

Stad Brugge, Gemeenteblad, Plechtige huldezitting gemeenteraad (1972)

Comité voor Initiatief, Brugse burgemeesters 1830-1987, Brugge, 1988

Externe links

Stad Brugge: http://www.brugge.be - Club Brugge: http://www.clubbrugge.be  -Centrum Oud Sint Jan: http://www.sec-bruges.be  - Boudewijnpark Seapark: http://www.boudewijnpark.be

Andries Van den Abeele

(Dit zijn de lemma’s die ik voor Wikipedia heb geschreven, in een reeks gewijd aan de burgemeesters van Brugge. Te noteren dat ik hier van de laatste drie burgemeesters geen melding maak: die lemma’s zijn door anderen geschreven en die kan ik uiteraard niet onder mijn geschriften opnemen.

www.andriesvandenabeele.net