Dokter Isaac De Meyer

Biografische bouwstoffen

Eerste vaststelling: over Isaac De Meyer is tamelijk veel hier en daar geschreven, maar meestal nogal vaag en vaak de een van de ander afgeschreven. Het overzicht gemaakt door Liesbeth Thiers (Memlingmuseum) in voorbereiding op een tentoonstelling, is alleszins al een goed begin om tot een duidelijk beeld te komen.

Paul Breydel, Bruges et les Breydel, p. 151-156 heeft het over Isaac en Désiré De Meyer. Interessante illustratie, en vermelding van een portret van hem in de Gentse musea. Vermelding ook van catalogi van zijn kunstwerken en van die van zijn zoon.

Le Musée de l'Armée zou, volgens Liesbeth Thiers, weinig over hem hebben. Hij was nochtans heel affirmatief over zijn loopbaan, zodanig dat de grote veldslagen waar hij bij was op zijn grafmonument staan gebeiteld (zie in Brugs Ommeland 1993, De grafmonumenten op het Brugs kerkhof).


Over De Meyer als historicus zal het wellicht makkelijkst zijn om een beschrijving te geven. Zijn boek over de St-Sebastiaansgilde en zijn publicaties over de Brugse geneesheren, apothekers en vroedvrouwen, evenals zijn medische artikels, zijn hierbij het voornaamste, zowel als bron en als tentoonstellingsobject.

Idem als kunstverzamelaar, aangezien hij de catalogus heeft gemaakt van wat hij bezat, en dat zijn zoon hetzelfde deed. Hoe zijn verzameling tot stand kwam is misschien niet zo makkelijk te achterhalen. Vooral bvb. de 'Murillo'.

De Médaille de Ste-Hélène, toegekend door Napoleon III aan oud-strijders van het eerste keizerrijk, brengt ons bij de Brugse Napoleonisten. Verschillende artikels hierover in Biekorf. Er bestaan ook documenten van de Brugse verenigingen (er waren er twee, vanwege ruzies) bewaard op het stadsarchief. Na te gaan of De Meyer er bij te pas kwam.

Wat de 1çde-eeuwse nieuwbouw van Sint-Jan betreft, Luc Devliegher heeft hierover geschreven. Misschien staat daar iets over De Meyer in. Ik herinner me dat hij zou geijverd hebben voor het afbreken van de middeleeuwse gebouwen, 'ces chambres de la mort'. Ik heb dit destijds aangehaald in mijn brochure over Sint-Jan, maar niet genoteerd waar ik het gelezen had. Wellicht bij Devliegher.

Was hij een vooruitstrevend geneesheer en chirurg? Ik heb de indruk gehad dat hij eerder op zijn lauweren rustte, maar het onderzoek van zijn publicaties zou dit duidelijker moeten kunnen stellen. Hij was alleszins een zowel in Brugge als in België zeer geëerd man.

O.m. nazien in de Livre d'Or de l'Ordre de Léopold (in stadsbibliotheek aanwezig), welke elementen werden aangegeven die hem waardig deden achten van deze onderscheiding.

Dat Pieter Vincke (°1744) zijn oom was, is interessant. Deze was directeur van de Brugse vismijn, naast zijn andere activiteiten. De Gilde van St-Sebastiaan, waarin hij zeer actief was als één van de voornaamste heroprichters in 1799, bewaart zijn portret door Ducq, met daarop op de achtergrond de colonnade van de vismijn. Het portret werd aan de Gilde geschonken door dr. De Meyer (zie Godar). Na te gaan in zijn studie over de Gilde indien hij die schreef ter ere of nagedachtenis van die oom (De Meyer was immers zelf geen lid van de gilde en werd het pas naar aanleiding van het publiceren van zijn boek).

Was hij katholiek? Van (al dan niet sterke) overtuiging ongetwijfeld, gezien kerkelijk begraven. Zijn schoonbroer Bruno Versavel werd pastoor van het Begijnhof waar zijn portret wordt bewaard. Zijn andere schoonbroers waren: Carolus, vrijgezel, penningmeester van het Bedelaarswerkhuis en Joseph Versavel, vrederechter in Hooglede, die een zoon had die jezuïet werd. Politiek dacht ik, maar zonder absolute zekerheid, dat hij eerder aan de liberale kant stond. Ik heb evenwel maar weinig concrete aanwijzingen. Hij komt niet voor (behoudens vergissing) in ledenlijsten, bestuurslijsten, kandidatenlijsten) van de liberale partij, die vanaf 1846 georganiseerd werkte. (Misschien toch nog eens de doctoraatsthesis van Romain Van Eenoo er op nakijken). Hij was ook niet aanwezig op het Constitutioneel Banket van 1829, waarop ongeveer alle Brugse opponenten aan Willem I waren. De vraag over zijn politieke overtuigingen blijft dus eerder een vraagteken, tenzij er iets concreter zou gevonden worden. Tijdens zijn actieve periode in Brugge, vooral dan vanaf 1845, waren de liberalen aan de winnende hand, en misschien onderhield hij gewoon goede verstandhouding met de verantwoordelijken van stad en burgerelijke godshuizen.

Er was ook een Judocus De Meyer-Jooris, die directeur was van de vismijn in de Hollandse tijd. Blijkbaar opvolger van P. G. Vincke, die in 1824 al tachtig was. Hij was een broer van dr. De Meyer, want geboren Merendree, 11/01/1780. Woonde in 1836: Oude Burg C20-19. Lid gilde St-Sebastiaan in 1826. Dr. De Meyer werd pas in 1859 lid, naar aanleiding van het boek dat hij over de geschiedenis van de gilde schreef.

De zoon van dr. De Meyer, Désiré De Meyer, was vrijzinnig. Hij was vrijmetselaar. Ik heb nog ergens de maçonnieke doodsbrief liggen voor aankondiging van zijn burgerlijke begrafenis. Belette niet dat hij in Brugge aanzien genoot in alle middens (zie Duclos). Liep duidelijk niet met zijn lidmaatschap te koop.

De Meyer huwde op 14 juni 1821 met de dertien jaar jongere Colette Versavel (1799-1871) en ging waarschijnlijk inwonen, Oude Burg bij zijn broer. De echtgenote was de dochter van linnenhandelaar Ignace-Joseph Versavel (Passendale, 20/12/1763-1848) en Eugénie Coutteau. Ze woonden in 1837: Riddersstraat (eigenlijk Engelsestraat) A3-11. Eugenie Coutteau (Torhout 1760 - Brugge 1806) was de dochter van Aybert Coutteau, burgemeester van Torhout. Ze was dus al lang overleden en de stiefmoeder, geboren Serweytens overleed in oktober 1821. De connectie De Meyer-Serweytens via Versavel is eveneens interessant, want van de vele kinderen Serweytens waren er gehuwd met D'Herbe en met reder De Lescluze (dubbel huwelijk). Vermogende, belangrijke en zeer katholieke families. Zie in Tablettes des Flandres, Tome 8.

Een broer van Ignace-Joseph Versavel was Philippe Versavel-Noë, (Passendale, 29/08/1769), in 1837 wonende Oude Burg C19-2, lakenhandelaar. Was gemeenteraadslid na 1830 (speelde een rol in de revolutietijd), duidelijk in het katholiek-ultramontaanse kamp (zie Els Witte, Politieke machtsstrijd, enz). De Versavels zouden verder onderzoek vergen. (o.m. drie huwelijken van kinderen van Philippe Versavel met kinderen Grossé: zie mijn artikel Grossé van Brugge in Brugs Ommeland). De Meyer was dus aanverwant met deze zéér katholieke en vrome galonwevers en goudborduurders.

Beide broers Versavel waren al van einde 18de eeuw in Brugge gevestigd. Beiden lid St-Sebastiaangilde in 1799, Philippe lid in St-Kruis in 1798. Joseph staat al op de belastingslijsten in 1796. Zijn tweede zoon werd in 1795 in Brugge geboren.

In de Hollandse tijd was er ook nog een Joseph Versaevel-Van Lierde, lid van de Kamer van koophandel en linnenhandelaar. Dit was wel degelijk de schoonvader van dr. De Meyer, toen zo genoemd nadat hij hertrouwd was met de weduwe Van Lierde, geboren Serweytens.

Bij de vereniging Montanus zal u waarschijnlijk de 19de-eeuwse instrumenten vinden, daterende uit de tijd van De Meyer?

Misschien ook nuttig bij Registratie en Domeinen (ik vrees in Rijksarchief Beveren Waas) de successies na te zien van Isaac De Meyer en van zijn echtgenote. Als eventueel ook huwelijkscontract zou kunnen worden ingezien, zou wellicht kunnen nagegaan of hij zijn vermogen had doen toenemen en in welke mate.

Gegevens over de familie Coutteau:

Uit: Wilfried DE VOLDERE, De familie Coutteau te Torhout en Brugge, in Vlaamse Stam (2002 meen ik):

Eugenia Catharina Coutteau werd geboren en gedoopt te Torhout op 24 april 1760. Ze wordt slechts 46 jaar oud en sterft te Brugge op 3 mei 1806. Op 1 juli 1791 huwde ze te Torhout met Joseph Ignatius Versavel. Deze handelaar was geboren te Passendale op 26 september 1763 als zoon van Philippus Jacques en Maria Theresia Venein. Wanneer Eugenia stierf, woonde het gezin in Brugge in de Sint-Jansstraat 42. Joseph Versavel hertrouwde [in 1809] met Anna Serweytens (Brugge 2 april 1767-Brugge, 18 oktober 1821, dr. v. François Jacques en Anne Therese Van Huele, weduwe van Jean François Van Lierde 1740-An XIII). Joseph Ignatius Versavel stierf te Brugge in zijn woning in de Engelsestraat nr. II A 3 op 8 december 1848 [Dit kan hetzelfde huis zijn als hierboven aangeduid als Sint-Jansstraat en elders als Riddersstraat]. Uit het huwelijk Versavel-Coutteau worden vier kinderen geboren:

1. Carolus, geboren te Roeselare op 17 augustus 1793. Hij woonde te Brugge in de Engelsestraat II A3 (het ouderlijk huis). Tijdens zijn leven was hij lid en schatbewaarder van de commissie du dépôt de Mendicité (bedelarij). Carolus stierf als vrijgezel te Brugge op 29 maart 1855. De uitvaartplechtigheid had plaats op maandag 2 april om 10.30 uur in de Sint-Walburgakerk, waarna hij werd begraven op het kerkhof van Sint-Michiels.

2. Bruno, geboren te Brugge op 13 december 1795 en er 's anderendaags gedoopt op de Sint-Walburgaparochie. Toen hij aanwezig was bij de aangifte van het overlijden van zijn vader op het stadhuis was hij pastoor van het Prinselijk Begijnhof van Brugge. Zijn bidprentje leert ons dat hij priester werd gewijd te Mechelen op 23 januari 1821. Op 1 juni van hetzelfde jaar werd hij onderpastoor van Sint-Walburga te Brugge. Van 20 september 1830 tot 11 augustus 1867 was hij pastoor van het Brugse Begijnhof. Hij stierf schielijk te Brugge na zijn H. Mis. Dit bevestigt de akte van de burgerlijke stand: hij overleed om 8 uur 's morgens in de kerk van O.-L.-Vrouw. Hij woonde dan Cimetière N.D. C 16 nr. 5. Bij zijn eremis op 22 februari 1821 werd een lofdicht opgemaakt. De tombe van het hoofdaltaar in de Brugse begijnhofkerk is versierd met een halfverheven beeldhouwwerk, waaronder de tekst luidt: Donavit R.D. Bruno Versavel, pastor hujus Begginassii, anno 1860. Zijn geschilderde portret in gouden kader hangt boven de ingangsdeur van het kapittelhuis (begijnhof).

3. Joseph, geboren te Brugge op 5 april 1797. Hij was gehuwd met Adèle Virginia Beckaert (Kortrijk, ca. 1807 - Hooglede, 31 oktober 1836, dr. v. Ignatius Joseph en Maria anna Baeckelandt). Hij sterft eveneens te Hooglede op 17 juli 1881 en wordt begraven te Sint-Michiels-Brugge op 21 juli 1881. Hij was vrederechter in Hooglede waar vredegerecht en gemeentehuis in 1866 werden gebouwd. In 1848 werd hij er gemeenteraadslid. Hij was ook président de l'atelier d'apprentissage et du bureau des hospices civils d'Hooglede. Tijdens de eerste jaren van hun huwelijk woonde het koppel te Rijsel, waar hun twee kinderen Jules (jezuïet, °Rijsel, 1 december 1826- + Toulouse, 18 oktober 1900) en Edmundus Amatus (° Rijsel 4 augustus 1828 - + Hooglede, 13 oktober 1869, x met Mathilde Vanhelslandt) geboren worden.

4. Coleta, geboren te Brugge op 12 februari 1799 en er overleden op 9 maart 1871. Ze huwde te Brugge op 13 juni 1821 met Isaac De Meyer, dokter in de chirurgie, geboren te Merendree op 25 augustus 1786 en gestorven te Brugge op 29 mei 1861 (zn. v. Thomas en Agnes Vyncke). Het echtpaar woonde in de Sint-Salvatorkoorstraat C19 nr. 12. Isaac was een oud-Napoleonist. Hij was dan ridder in de orde van Leopold en van de Rode Arend van Pruisen. Als dokter was hij ook voorzitter van de provinciale medische commissie van West-Vlaanderen, gewezen ondervoorzitter en erelid van de Koninklijke Medische Academie van België, gewezen majoor-chirurgijn in het Franse en het Nederlandse leger, ridder van het Erelegioen, commandeur in de orde van Sint-Joris de Grote. Ook droeg hij de medaille van Sint-Helena. Zijn grafmonument is bewaard op het kerkhof van Assebroek. Het gaat om een hoge obelisk in blauwe natuursteen met de staf van Asclepios. Isaac De Meyer had het brevet van chirurgijn bekomen te Brugge in 1806. Hij werd in 1808 uitgeloot om dienst te nemen. Als chirurgijn en karabinier nam hij deel aan de veldslagen van Landshut, Eckmül, Regensburg, Ebersberg, Essling, Wagram en Waterlo. In 1814 behaalde hij het diploma van docteur en chirurgie de la Faculté de Paris. Hij vestigde zich tijdens de Hollandse periode te Brugge als arts. Hij was eveneens auteur van vele medische-historische publicaties.

Hieronder nog een artikel over De Meyer door eerwaarde heer Jozef Van den Heuvel (ik weet niet waar gepubliceerd, misschien in het maandblad van Sint-Tillo's Missiebond)

Het is nogal hagiografisch, maar daarom niet onjuist vermoed ik. Het geeft heel wat gegevens en een paar interessante referenties (o.m. naar Carton, die met Isaac De Msyer bevriend was).

De gegevens over het boek gewijd aan Sint-Sebastiaan, bevestigen mijn veronderstelling (link met Vyncke).

EEN GROTE ZOON VAN MERENDREE:


DOKTER ISAAC-JOSEPH DE MEYER

door Jozef Van den Heuvel

Hoe schoon was het dorp!: Merendree 1786, hoe landelijk, hoe stil en rustig.

Zeker, in de hogere regionen werd een nieuwe tijd voorbereid; de oude instellingen van het Ancien Régime werden ondermijnd. Jozef II begon zijn hervormingen tot een absolutisme. De oude adel was misnoegd, want zij zag zich van het bestuur uitgesloten. Een nieuwe adel, ambtenaren en industriële begonnen hun opgang. Ook de geestelijkheid was ontstemd, want de keizer-koster stelde hen heel wat beperkingen. Jozef II kende alleen de sterkte van de Staat en liet zich alleen leiden door de Rede. Met eeuwen geschiedenis en alles wat eigen is aan het volk hield hij geen rekening.
Zo groeide protest en oppositie in Vlaanderen, en begon het verzet tegen deze dwingeland. Zo groeide men naar de Brabantse omwenteling in 1789: de tijd der Patriotten. Parijs juichte die opstand toe in het behoudsgezinde Vlaanderen, en lonkte reeds naar het opportune ogenblik.


Zeker, het pauperisme was sedert de Bourgondiërs tot aan de industriële revolutie een bestendige plaag in Vlaanderen. Nu begon intensieve landbouwexploitatie op het platteland om zo het grote aantal kinderen voedsel te bezorgen.[1]

In het oude dorp Merendree, dat reeds in 722 in de kroniek van de Sint-Pietersabdij te Gent wordt vermeld, en reeds in de voorhistorische en de Romeinse tijd was bewoond (in 1787 ontdekte men er een medaille van keizer Trajanus) stond de tijd stil.
Toch had de Brugse Vaart die in 1751-1752 werd afgewerkt, het dorp grondig veranderd. Het dorp echter behield zijn eenheid, onberoerd door de stad Gent op 15 km, en slecht verbonden met Zomergem, Lovendegem en Drongen.
Slechts één grote baan, die van Gent naar Brugge, via Zomergem, Knesselare, doorsneed de gemeente.

In 1801 waren er 2397 inwoners, die als landbouwers of in het huisweven, de schamele kost voor hun talrijke kroost trachten te verdienen. In 1757 en 1767 waren er maar eventjes 241 weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat klitsekletsten door het dorp.


Het bijzonderste kasteel behoorde aan de familie van den Hecke van Lembeke en was in 1783 het eigendom van J.-B. Kervyn van Lettenhove, vader van de schrijver van l'Histoire de Flandre. In 1757 werd Pieter Herteleer burgemeester.

Op 24 augustus 1786 werd op een kleine hoeve Isaac-Joseph geboren. Zijn vader was Thomas De Meyer, zijn moeder Anna-Maria Seghers. Zeven kinderen kregen zij: het waren arme mensen die het moeilijk hadden, maar het waren eenvoudige en goede mensen. Vader was een oud-soldaat van de 7-jarige oorlog.

Jacob Sweerts was er reeds in 1776 de pastoor van die merkwaardige en zeer oude kerk. Het volk vertelde dat ze door Sint-Amand zelf was gesticht in de 7e eeuw. In het begin van de jaren 1800 zal men er heel wat wijzigingen aanbrengen. De toren, het portaal, het vroeger koor en de kruisbeuk waren van de 12e eeuw, maar de middenbeuk was uit de jaren 1500.

Wat moet het een mooie doopplechtigheid geweest zijn in deze vroeger eenbeukige romaanse kerk met het oude romaanse koor (nu het portaal) met de barokke koorbanken van de 17e eeuw, de kansel van 1689 en de mahoniehouten communiebank in Lodewijk XV-stijl, met de biechtstoel van Werner Wambach uit Gent, de gepolychromeerde beelden van de H. Radegondis en Sint-Rochus uit de 17e eeuw, en de vele heiligen uit de Grafleggingsgroep van 1762: O.L.-Vrouw, Sint-Jan, Maria-Magdalena, Jozef van Arimatea en Nikodemus,[3] en het mooie schilderij van van Cleef, de Verrijzenis van Jezus.

Hoe fier moet zijn geleerde oom Isaac Vyncke geweest zijn wanneer hij als peter zijn voornaam Isaac aan de kleine dopeling [2] mocht geven. Deze priester behaalde een eerste plaats aan de universiteit te Leuven en stierf als pastoor van Waregem einde 1800.

De kleine Isaac groeide op, en "de vonte smet": hij was een schrander kereltje.

Met grote ogen luisterde hij naar wat de pastoor verhaalde over "Jezus die tol betaalde uit de muil van de vis", een schilderij van Rubens dat in de sacristie hing. Meer nog luisterde hij naar het verhaal van de patroonheilige de H. Radegundis, die zo innig verbonden is met de geschiedenis der Franken. Geboren rond 518, werd deze nicht van koning van Thuringen door Chlotar (Clotarius), koning van Soissons en zoon van Chlodwig (Clovis) als buit meegebracht in het jaar 531, als meisje van 13 jaar, naar Athis bij Soissons in het christendom opgevoed. Chlotar was een echte bruut, die weinig had van een christen, tenzij de vrees voor de hel: hij had zelfs de zonen van zijn broer gedood. In 540 huwde hij haar, maar zij vluchtte voor deze moordenaar van haar vader, en werd teruggehaald. Ook haar broer liet hij vermoorden: den verliet zij met zijn toelating - daar zij kinderloos bleven - het hof, en werd door de heilige Medard van Noyon diacones te Saix in de Poitou en dan in de Lieve-Vrouwabdij (later de H.Kruisabdij) van Poitiers opgenomen. Zij leefde lang bij de 200 kloosterzusters en stelde er een ander als abdis aan. Hier studeerde zij o.a. de kerkvaders, beoefende het koorgebed en de naastenliefde. In dit klooster dichtte de priester Venantius Fortunatus de bekende hymnen "vexilla Regi prodeunt" en "Pange lingua gloriosi". Zij stierf op 13 augustus 587. De heilige Gregorius van Tours, die over haar schreef, vierde feestelijk haar begrafenis: "haar aangezicht was mooier dan leliën en rozen". Zij wordt afgebeeld met een kroon aan haar voeten, en twee wolven, want zelfs de dieren gehoorzaamden haar.[4]

Maar nog meer luisterde de kleine Isaac met aandacht, wanneer de pastoor de legende vertelde van de jonge heilige Gerolf, een jongen van zijn ouderdom. Deze zou tot de familie van de heren van Merendree behoord hebben en zou in 748 in de St.-Pietersabdij van Gent het vormsel uit de handen van St.-Elooi, bisschop van Doornik-Noyon, ontvangen. Bij de terugkeer vermoordde zijn peter hem in Drongen door een slag van zijn paard.[5]

Na heel wat ontevredenheid en strubbelingen met Jozef II, is in 1789 de Brabantse omwenteling aangebroken. De echte sympathisanten voor Frankrijk en zijn revolutionaire ideeën zijn in Vlaanderen dun gezaaid bij het gewone volk.

De oorlogsverklaring van Frankrijk aan Oostenrijk op 20 april 1792 zou gans Vlaanderen in de woelige branding meesleuren. Hun ordewoord: "dépouiller la Belgique" wordt letterlijk uitgevoerd door alles te plunderen, 80 miljoen frank belastingen - zesmaal de jaarlijkse belastingen - en het in omloop brengen van de "assignaten", het waardeloze Franse bankpapier: mensen sterven van de honger, de godsdienst wordt afgeschaft, de kerken gesloten en het land wordt bij Frankrijk geannexeerd: de Franse Revolutie viert haar hoogtij met een genadeloze bezetting.

Vader Thomas De Meyer, die verstandig en initiatiefrijk was, wordt als "Agent municipal" aangesteld, t.t.z. een gemeenteambtenaar met ongeveer de bevoegdheden van burgemeester: een delicate benoeming die hem aan heel wat gevaren blootstelde: hij moest in alles en altijd zorgen dat de bevelen werden uitgevoerd. Er waren slechts enkele verraders: de meeste Vlamingen bleven menswaardig tegenover hun medemensen en trouw aan de godsdienst.

Zo kon de uitoefening van de godsdienst in Merendree voorzichtig doorgaan: geen priester werd er aangehouden en alle bewoners ontvingen de geestelijke bijstand die ze vroegen. De priesters doken onder bij families die het voor zich een eer achtten.

De jonge De Meyer had een flink verstand, maar kreeg praktisch geen onderwijs.

Zijn oom Pieter Vyncke was handelaar te Brugge: op 9 juli 1798 kwam hij daar aan, twaalf jaar oud: zijn oom zou van hem een flink handelaar maken.

Het lot beslist soms over de levensloop van een mens: een priester, eerwaarde heer Buydens, gaf de pientere jongen lessen Latijn. De jongen zelf voelde zich aangetrokken door anatomie, de ontleedkunde, de kennis van het lichaam van de mens. Dan volgde hij lessen van chirurgie bij de gekende chirurg en verloskundige Cornelis-Michiel van Biesbrouck te Brugge.

De oorlogscommissaris bezorgde hem dan ook in 1806 het brevet "bijhulp van de chirurg" in de militaire hospitalen van de stad. Dat was maar een nederig begin, maar voor Isaac reeds een grote gunst, want zo kon hij de ervaring in zijn geliefkoosd vak leren. Ook werd hij vlug door zijn meesters om zijn ijver en standvastigheid beloond: hij mocht in het militair hospitaal zelf wonen en kreeg de kleine vergoeding van zijn rang. Zo was hij niet meer en laste van zijn ouders. Twee jaar lang deed hij hier dienst, en moedig bereidde hij zich voor op een schitterende loopbaan.

De grote oorlogen van Napoleon beslisten anders over het lot van Europa. 80.000 mannen van de oudere klassen werden opgeroepen, en ook de jonge De Meyer. Die was er wel niet boos om: hij hoopte dat er zo voor hem meer mogelijkheden open kwamen, en op de slagvelden en in de veldhospitalen zou hij zijn medische kennis kunnen vergroten. Daarom schreef hij naar de Hoge Raad van de gezondheid te Parijs een aanvraag om in het medisch korps van het leger opgenomen te worden.

Hij dacht onmiddellijk antwoord te ontvangen, maar dit moest de lange weg van de machtige administratie volgen, er moesten inlichtingen ingewonnen, men stelde een reeks vragen over de antecedenten van de milicien, over de gedane studies in de geneeskunde.

Al de antwoorden en getuigenissen waren gunstig, maar in die tijd ging het oproepen van mannen lastig, en de gebeurtenissen vlug, en zo brak de tijd van vertrek aan zonder beslissing van de Hoge Raad. Zijn toekomst scheen gebroken: hij vertrok als gewoon soldaat met het eerste regiment der carabinieri: er bestonden er maar twee en die waren de mooiste keurtroepen van het keizerrijk.

Op 20 oktober 1808 was hij op weg naar Lunéville[6]: in zijn ransel stak een boekje over anatomie. Bij zijn aankomst kreeg hij de gewone dril van ieder karabinier: het hanteren van geweer en sabel, de oefeningen te voet en te paard. Dit bereidde hem voor op het harde leven op bivak, op de slagvelden en het hardde zijn gezondheid.

Het werelddeel Europa, maar ook Afrika en Azië sidderde en dreunde onder een opeenvolging van veldslagen zoals er sedert Alexander, Hannibal en Julius Caesar niet meer waren gehoord. In 1806 had Napoleon het vasteland van Italië veroverd, in 1806-1807 Pruisen, in 1807-1914 streed hij tegen Spanje en Portugal. In 1809 herbegon de strijd tegen Oostenrijk.[7] Napoleon concentreerde zijn troepen op de grenzen en op de beide oevers van de Rijn.

De Meyer verliet op 1 maart 1800 Lunéville met een detachement carabinieri. Op 10 maart stak hij de Rijn over, en na heel wat marcheren kwamen zij in de nacht van 14 april bij hun regiment op het kasteel te Friun in Beieren: daar was ook de generale staf.

Hier begon de eigenlijke loopbaan van Isaac De Meyer: het resultaat van het onderzoek te Brugge was bij de kolonel aangekomen, en de chirurg-majoor Lorin riep hem: hij stelde heel wat vragen, een mondeling examen, deed hem een operatie verrichten in zijn bijzijn. Hij aanvaardde hem onder zijn bevel en bezorgde hem het brevet van zijn benoeming tot regimentchirurg.

Maar reeds op 19 april trok men op naar Abensberg, gelegen tussen Regensburg en Ingolstadt in Neder-Beieren: hier greep het eerste gevecht plaats. Het terrein lag vol lijken, het was een harde slag. De volgende dag reeds bij het ochtendgloren vertrokken de karabiniers samen met de keizer verder en kwamen 's avonds te Rhor bij Arensberg aan. De Meyer werd er op een heuvel bij de weg naar Landshut gesteld van 2 tot 44 uur in de nacht: over die nacht en die gevaarlijke voorpost zal hij later als oud man dikwijls vertellen: daar had hij Napoleon omgeven door zijn officieren, op de grond bij een vuur zien slapen.

De volgende dag (21 april) werd Landshut ingenomen. Hier vielen 9000 Oostenrijkers en verloren ze dertig kanonnen. Op 22 april waren ze reeds op het slagveld van Eckmühl, en wonnen. 10.000 Oostenrijkers werden hier gedood, gewond of gevangen, en 3000 Fransen.

Isaac vertelde later dat het lot van het gevecht beslist werd door een vreselijke stormloop van de kurassiers. Heel het leger wist dat het beslissend uur was aangebroken en dat de overwinning of nederlaag van hen afhing. En toen ze die ijzeren massa zagen, zich op de kanonnen en de bataljons der Oostenrijkers werpen, plaatste de infanterie het geweer op de rond en volgde ademloos vol bewondering en hoop die wervelstorm van menselijke wezens. Zij overwonnen, en bij hun terugkeer galmde het duizenden malen: "Leve de kurassiers!" Uren om nooit te vergeten.

De karabiniers werden weer verder gestuurd, op het slagveld bij de weg naar Regensburg: op zondag 23 april viel ook deze stad in de handen van de keizer. Gelegen op de rechteroever van de Donau, heeft deze stad met zijn 120.000 inwoners veel geleden in de Tweede Wereldoorlog.

's Morgens reeds vertrok De Meyer met zijn regiment naar het dorp Petting. Rond de middag kwamen zij er aan, maar de vijand lag in hinderlaag en ieder huis moest stormenderhand ingenomen. Het aantal doden was zeer groot, en de karabiniers waren meer dan gedecimeerd. Wat overbleef legde zich bij de uitgang van het dorp, in de vlakte voor Regensburg en kreeg bevel ten aanval. De kolonel antwoordde: "Zeg aan de keizer, dat het regiment niet meer bestaat. Bijna de helft is gesneuveld". Onmiddellijk kwam een tweede bevel: "Het eerste regiment, ten aanval".

Het vierde bataljon had het minst geleden, en werd met andere soldaten aangevuld. De Meyer, soldaat van de 8e compagnie, behoorde tot het eskadron. Pas stonden zij gereed tot de slag, of daar kwam een regiment Uhlanen en riepen op 200 meter afstand "Kom af, zwarte mutsen...". Een bal in volle borst doodde de kameraad, die links van De Meyer stond. Dan begon de onbeschrijflijke strijd.

De dappere kolonel La Roche was bijna onmiddellijk door vier of vijf Uhlanen omringd. De Meyer en twee andere Vlamingen konden hem gelukkig nog bevrijden. De kolonel was gekwetst aan het hoofd en De Meyer had een lanssteek gekregen op zijn hand. Toch moest men zich terugtrekken, want de geweerkogels kwamen van alle kanten.

Een maarschalk en De Meyer hadden de weg verloren en werden achtervolgd. De maarschalk werd het hoofd doorkloven en De Meyer kon zijn paard nog tot een snelle galop aansporen en een brede gracht doen overspringen: hij was gered en weldra terug bij zijn vrienden, uitgeput en bedekt met bloed, zweet en stof. 24 uur was het geleden dat hij nog had gegeten, maar zijn dorst was zo groot dat hij gras trok en daarmee zijn dorst stilde.

Zijn paard had een kogel in de rechterschouder en moest vervangen, en zijn mantelzak door een kogel doorboord. Het lot in een oorlog is dikwijls onbegrijpelijk.

De Meyer vertelde graag en kon goed vertellen: hij had heel wat beleefd; maar nooit stelde hij zich als een held voor. Wanneer men over de grote veldslagen vertelde, dan zei hij zachtjes: "Daar was ik ook".

Zekere dag vertelde hij het volgende: na een veldslag had hij heel wat ledematen van soldaten moeten amputeren, en de eerste verzorging toegediend vooraleer de soldaten naar de hospitalen konden weggevoerd worden. Zijn taak was ten einde en hij keerde naar de stad terug waar nog heel wat zwaarder werk wachtte.

Toen hij zijn paard besteeg kwamen juiste enkele mannen, waaronder een flink gebouwde prachtkerel onderofficier, met een tiental gewone soldaten: al wat nog overbleef van zijn bataljon dat een vijandige batterij had ingenomen. Het was een Vlaming, een Gentenaar, bijna een buur. Samen trokken zij verder en vertelden wat er al die dag was gebeurd. Zij vertelden ook het nieuws van hun geboortestreek, en over Napoleon, over zijn plannen en overwinningen. Heel die tijd bewaarde de Gentenaar de waardigheid van zijn graad, en riep nu en dan een kort bevel aan zijn mannen: hij scheen een man met gezag en een zekere voornaamheid.

Aangekomen in de stad, wensen zij mekaar alle geluk en gingen ieder hun weg. De Meyer dacht bij zichzelf: "Die man zal nog een mooie carrière maken!" Later vernam hij nooit meer iets over hem.

Lange jaren nadien woonde De Meyer in de Oude Burg te Brugge, bekleedde een hoge positie en stond in hoog aanzien. Eens wandelde hij in zijn tuin en hoorde een man in het Sint-Niklaasgodshuis, dat diende voor de grootste sukkelaars, zichzelf bevelen, terwijl hij oefeningen verrichtte. Plots herinnerde De Meyer zich die stem: het was die Gentenaar. Verschillende malen had hij op het slagveld bevordering gekregen en werd zelfs kapitein, maar het garnizoenleven had hem tot zo'n morele degradatie gebracht, dat de dokter hem niet meer op het goede spoor kon brengen. Zekere dag op de ontleedtafel der school voor geneeskunde te Brugge, waar De Meyer dokter Van Biesbroeck had opgevolgd, lag het dode maar flink gebouwde lichaam van deze ongelukkige dat onze dokter onmiddellijk herkende.

Op zekere dag op de vlakte bij Regensburg kwam een trompetter De Meyer zoeken of hij nog leefde: hij moest zich aanstonds naar Venting begeven waar hij als chirurg was benoemd.

Het is niet mogelijk alles te verhalen over de oorlog in Duitsland, over de veldslagen van Aspen-Essling (22 mei 1809), van Wagram (5 en 6 juli 1809)[8], enz.

Toen de vrede werd gesloten verbleef hij van 27 juli tot 14 augustus in het dorp Zurndorf in Hongarije. Hij kwam terug langs Wenen, Landshut en Regensburg.

Op 25 juni was hij in zijn oud garnizoen Lunéville als chirurg; hij had het op 1 maart meer dan een jaar geleden verlaten als simpele karabinier. Hij had gedurende 15 maanden de meest degelijke school gevolgd: de militaire hospitalen. Nu was hij terug goed gehuisvest en gevoed en verzorgde de soldaten van zijn regiment in het hospitaal en kazerne. Nu studeerde hij de theorie dieper in, na heel wat harde praktijk, en gaf zelfs wat les van anatomie aan enkele jongeren.

In 1812, toen de oorlog tussen Rusland en Frankrijk opnieuw ontvlamde, vertrok zijn regiment, maar hij kreeg het bevel te blijven: dat was hem te veel, hij voelde heimwee, zijn gezondheid ging achteruit. Zijn oversten stelden hem een onbeperkt verlof voor: hij weigerde en vroeg definitief verlof, want hij meende te zullen sterven. Op 8 september 1812 werd hem dit toegestaan.

Eindelijk zag hij zijn ouders terug, zijn geboortestreek Merendree en stilaan groeide daar weer het verlangen naar leven en gezondheid, en... naar studie. Hij wilde examens afleggen en graden bekomen. Daarom trok hij met een vriend naar Parijs, de ransel op de rug: acht dagen duurde de voettocht. Hij volgde hier particuliere lessen en cursus bij Orfila.[9]

Zekere dag kwamen zijn schriften in de handen van de beroemde Thénard[10], die zo tevreden was over zijn werklust, zijn klare geest en zijn toewijding, dat hij in het "collège de France" mocht verblijven. Met de grootste onderscheiding legde hij zijn vijf examens af, en op 11 maart 1814 verdedigde hij zijn thesis en werd gediplomeerd dokter in de chirurgie van de faculteit van Parijs. Zijn thesis werd te Parijs uitgegeven in 1914. "Dissertation sur les maladies de mamelles".

Nu werd Frankrijk door de bondgenoten overrompeld en De Meyer kwam terug. Europa stond in brand, men vroeg chirurgen. De Meyer gaf zich aan en werd chirurg-majoor benoemd. Na de slag van Waterloo bleef hij voor de gekwetste Franse soldaten eerst te Brussel, dan te Nijvel en Charleroi met zijn personeel. Heel wat bekenden ontmoette hij daar en trachtte hen ook te helpen om terug naar hun huisgezin te komen. Zo ontving hij op 1 september 1815 een brief uit Parijs van kolonel commandant president Auguste de la Roche Jacquelin, die hem dankte in naam van de grenadiers te paard: "Ik ben blij te vernemen dat u aan het hoofd van de militaire hospitalen staat, waar zoveel ellende is opeengehoopt, door de schuld van een tiran". In een andere brief herinnert hij hoe zij in Lunéville naast mekaar hun kamer hadden.

Wat nog van gekwetsten overbleef, bracht De Meyer op 15 oktober 1815 terug naar Brussel. Hijzelf werd als chirurg-majoor benoemd te Brugge: een korte rustperiode, want reeds op 13 november werd hij bij het eerste regiment karabiniers te paard in Baarle-Hertog benoemd. In 1816 trok hij naar Utrecht, bleef er tot het einde van het jaar, en werd dan met het garnizoen naar Doornik gestuurd.

Het gezondheidspersoneel werd verminderd in 1817. De Meyer mocht blijven, maar tot 1830 zullen meest Noord-Nederlanders worden benoemd. Om het de Zuid-Nederlanders lastig te maken werden deze zo ver mogelijk gestuurd.

Op juni 1817 ontving hij te Doornik zijn benoeming naar het militair hospitaal te Hoorn in Nederland. Hij bedankte, vroeg zijn ontslag en kreeg het op 17 juli 1817.

Zo kwam hij naar Brugge. Maar nu begon het pas...

In 1818 publiceerde hij in een geneeskundig tijdschrift een artikel "Observations sur un cas rare d'amputation de la cuisse, pratiquée sur le premier blessé à la bataille de Mont-Saint-Jean", en in een ander tijdschrift "Observation sur une opération d'une hydrocèle, contenant quarante-huit onces de liquide, guérie, par injection". In 1822 werd hij chirurg benoemd van het Bureau van weldadigheid (Bureau de Bienfaisance) te Brugge.

In 1825 werd hij lid en voorzitter van de plaatselijke Geneeskundige Commissie en in 1826 lid van de Provinciale Commissie en schreef: "Observation de hernie inguinale étranglée et compliquée de la présence d'un corps étranger". In 1827 wordt hij professor van chirurgie en verloskunde in de Ecole de Chirurgie. In 1828 chirurg-majoor van de schutterij. In 1830 wordt hij chirurg-majoor van de Burgerwacht, in 1831 lid van de gezondheidscommissie voor de cholera te Brugge en te Nieuwpoort, in 1833 voorzitter van de provinciale Geneeskundige Commissie en professor van verloskunde in het moederhuis door Chauvelin te Brugge opgericht.

Nu wordt hij lid van ontelbare wetenschappelijke genootschappen: op 28 oktober 1834 van de "Société des sciences physiques et arts agricole et industriels de France"; op 8 juli 1835 wordt hij lid van iets dat hem zeer ter harte gaat - de geschiedenis - L'institut historique de France, en op 3 mei 1839 van La Société d'Emulation pour l'étude de l'histoire et des antiquités de la Flandre-Occidentale, enz. enz. te Antwerpen, Gent en Luik, in Frankrijk, Duitsland en Nederland...

Ten slotte in 1837 wordt hij in het zeer oude en beroemde St.-Janshopitaal als chirurg benoemd[11]. Vanaf de stichting in 1841 van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, is hij er lid van.

Nu verschijnt zijn eerste merkwaardig geschiedkundig werk over de geneeskunde te Brugge: Notice historique sur la Société Médico-Chirurgicale de Bruges, gedrukt te Brugge in 1841; 80 bladzijden. Het wordt een aanloop voor zijn Analectes.

De Société Médico-Chirurgicale de Bruges werd op 8 januari 1815 opgericht, en onder de stuwkracht van dokter De Meyer op 1 juli 1838 gereorganiseerd. Zij was de voorzetting van de oude sociéteit van chirurgie, genoemd van de H.H. Cosmas en Damianus, opgericht in de XIVe eeuw, en van Sint-Lucas die tot 1665 opklimt. Van 1 oktober 1839 was hij er de voorzitter van. Het boek heeft als illustratie het zegel met de heilige patronen der geneeskunde, Cosmas en Damianus en Sint-Lucas, en een gravure naar het schilderij van Ph. Bernaerts, De anatomische les (1679).[12]

In hetzelfde jaar (1841) geeft hij ook te Brugge zijn "Notice sur Thomas Montanus (Van den Berghe) uit. Deze Montanus was de eerste voorzitter van het geneeskundig genootschap Sint-Lucas te Brugge, en dokter-pensionaris van het Sint-Janshospitaal. Hij werd in 1615 te Diksmuide geboren, en stierf in 1685 te Brugge. Ook dit boek heeft een gravure gemaakt naar het geschilderd portret door Jacob van Oost de Jonge (+1713).[13] Dit schilderij was in het bezit van I.J. De Meyer, en hij moet er een grote voorliefde voor gehad hebben, want Montanus had ook eerst grote ervaring opgedaan in het militair hospitaal te Sint-Winoksbergen vóór hij in 1656 benoemd werd in het Sint-Janshospitaal, en... ook hij schreef een merkwaardig boekje met zijn ervaringen van de pestepidemie te Brugge in 1666: Qualitas Loimodea sive pestis Brugana (Brugis, 1669).[14]

Het boekje van Montanus telt slechts 16 blz. en heeft ook een afbeelding van een ontvangstbewijs door hem ondertekend. In 1842 verschijnt "Origine des Apothicaires de Bruges" te Brugge, een boek van 88 bladzijden, een interessant overzicht van de geschiedenis vanaf de Nerin van de Kruyd-Halle (De oudste vermeldingen van crudenaere en apothecarius te Brugge vinden we in de 13e eeuw); dan vertelt hij over hun zegel, statuten, kapel, de eigenlijke apothekers en geeft een lijst met hun namen en afbeelding van een paar zegelstempels[15].

Zijn "Recherces historiques sur la pratique de l'art des Accouchements à Bruges, depuis le XIVème siècle jusqu'à nos jours" komt in 1842 van de pers te Brugge (56 blz). Vooraan prijkt het gravureportret van Cornelius Kelderman in toga en met bef. Hij was te Brugge in 1632 geboren, werd chirurg-pensionaris van de stad, schreef verzen en in 1697 te Brugge een boekje "Onderwijs voor alle vroedvrouwen raeckende hun ampt ende plicht". (Het werd zelfs een paar maal herdrukt). Volgens De Meyer was dit het eerste en enige boekje over verloskunde tot einde 1700 (vertalingen daargelaten).[16]

Nu schrijft hij een 12-tal bladzijden: "Note concernant les règlements sur l'art de guérir au XVIIme siècle". Brugge 1844 en "Notice biographique sur François Rapaert et ses descendants, médecins pensionnés de la ville de Bruges". (Brugge 1844, 100 blz.) met litho naar het portret (1569) door Pieter Pourbus, dat ook behoorde tot de collectie van De Meyer.[17] Frans Rapaert (+1587) was de eerste van een gans geslacht geneesheren. Hij studeerde geneeskunde te Padua en Pisa en kwam terug naar zijn geboortestreek waar hij dokter pensionaris werd.

De Meyer drukt hier ook een boekje (1551) van Rapaert af, een aanval tegen kwakzalvers en astrologen: "Den grooten ende eeuwigen almanack, ydel van alle bueselingen: van laten, van bayen, van purgeren, seker leeringen inhoudende, waer bij dat wel mocht heeten de geesele vande almanacken, medeyningen, huysmedecyns, quacsalvers".

In 1845 verschijnt dan te Brugge: "Notice sur Corneille van Baersdorp, médecin de l'empereur Charles-Quint" (49 blz). Vooraan de litho van het portret dat een anoniem meester in de 16e eeuw schilderde voor de Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie te Brugge, waar hij voogd was. Van Baersdorp stamt uit de beroemde adellijke familie van Borssele uit Zuid-Beveland en van de koningen en prinsen van Hongarije.

Cornelis[18] was schepen en in 1562-1563 burgemeester van Brugge, want na de dood van Karel V kwam hij terug naar Brugge, waar hij op 24 november 1585 stierf. Hij was samen met Vasalius lijfarts van Karel V aan het Spaanse hof, en vergezelde hem naar Spanje en Duitsland. Hij gaf uit te Brugge (in 1538) "Methodus universae artis medicae, formulis expressa ex Galeni traditionibus" en na zijn dood verscheen in 1592 te Frankfurt "De arthridis praeservatione et curatione".

Op 24 juli 1845 spreekt De Meyer een rede uit bij de onthulling van een monument te Diksmuide van Thomas Montanus, die in deze stad was geboren. Ook deze "Discours prononcé à l'inauguration du monument de Thomas Montanus" werd gedrukt.

De "Notice sur Pierre Lanbiot, chirurgien pensionnaire de l'hôpital de la ville et du Franc de Bruges" (13 blz.) verschijnt in 1846, en beschrijft het leven van deze chirurg, die in 1649 te Westkapelle (nu Knokke-Heist) werd geboren. Hij werd deken van de gilde. In 1689 vernielde een brand de gevangenis "Het Steen" genaamd, op de Burg. In dat gebouw hielden de chirurgijns hun vergaderingen. Lanbiot heeft al zijn invloed aangewend om deze te laten restaureren. Hij liet in 1688 te Brugge drukken: "Kort verhael van den loop soo vanden Chyl als van 't Bloedt... Mitsgaders den oorspronck ende Loop, soo van de dierelijcke Gheesten, als vanden Dauw ofte Lympha".[19] Petrus Lanbiot stierf te Brugge in 1728. De litho werd gemaakt naar een portret uit de collectie van Dr. De Meyer.

In 1851 verschijnen te Brugge de twee delen (346 blz. en 294 blz.) van zijn hoofdwerk: "Analectes médicaux ou recueil de faits qui ont rapports à l'art de guérir et qui se sont passés dans le ressort de la ville et du Franc de Bruges".

Hierin bracht hij alle nota's samen die hij uit de rijke archieven van de stad had opgetekend: de bijzonderste feiten, epidemieën, geneeskundige merkwaardigheden, organisatie, enz. Hij rangschikte ze per jaar van 1006 tot 1850 (o.a. over de honger van 1845, de typhus van 1848 en de cholera van maart 1849).

Het tweede deel "Esquisses biographiques des praticiens distingués de la ville et du Franc de Bruges, depuis 1400 jusqu'à nos jours", verscheen in 1842. Het geeft de levensbeschrijvingen van al de grote wetenschapsmensen uit Brugge en omstreken, in chronologische orde, vanaf Jan van Heusden, proost van de O.L.-Vrouwkerk, geneesheer en astroloog (+1400) tot Jakobus Kesteloot (+ in 1851 te Gent). Op het einde volgt nog een bibliografie. Verschillende illustraties, meest portretten, versieren de "Analectes". Het eerste deel werd in 1964 te Oedelem herdrukt, met een voorwoord van Dr. F. E. Joos, chirurg van St.-Janshospitaal en "Enkele biografische gegevens omtrent Dr. Isaac De Meyer" door Marcel Matthys.

In 1852 volgde een "Notice sur Jean-François van Dorpe, médecin mort à Courtrai en 1803", met portret. Op 17 februari 1757 werd deze te Herzeeuw (Herseaux, nu Henegouwen) geboren en werd lid van de Société de la Médecine te Parijs en te Montpellier. Zijn dokterstitel had hij te Parijs behaald, terwijl hij zieken verzorgde om te kunnen leven en zijn onkosten te betalen.

Zijn laatste groot boek "Jaerboek der Koninklijke Gilde van Sint-Sebastiaen te Brugge" (XXX-538 pp.) verscheen in 1859. Hij schreef dit "Om te voldoen aen de begeerte mijns moederlijke Ooms, de heer Pieter Vyncke, die in den tijd Deken van de gilde der handboogschutters te Brugge was... en reeds in 1806 was mijn werk voltrokken. Terwijl ik mij in de krijgsgasthuizen dezer stad onledig hield, kwamen op dat tijdstip de groote gebeurtenissen des keizerrijks aen mijne letterkundige bezigheid een einde stellen, en hielden mij tevens eenen ruimen tijd van mijn vaderland verwijderd". (blz. VI).

Jaar na jaar schrijft hij de bijzonderste gebeurtenissen over, en vertelt o.a. hoe door de Franse republiek alle broederschappen en gilden werden ontbonden en hun goederen aangeslagen. Maar zijn oom P.G. Vyncke kocht in 1798 alles terug voor 45.000 frank en redde zo door intekeningen het gildehuis en -hof.

In 1853 werd hij de vice-president van de Academie voor geneeskunde. Maar zijn gezondheid ging achteruit, en zo kon hij zich moeilijk naar Brussel begeven. Daarom gaf hij op 21 maart 1860 zijn ontslag en bleef erelid.

In Brugge had hij een grote naam en een groot aantal patiënten. Hij leidde dan ook een zeer werkzaam, eenvoudig en teruggetrokken leven. Zeer vroeg kwam hij naar het hospitaal zijn zieken bezoeken en bleef er de hele voormiddag werken. 's Namiddags hield hij vrij voor studie en het schrijven van boeken, of ging hij naar archief of bibliotheek.

In 1840 ontving hij het erekruis van de Leopoldsorde. De koning van Frankrijk maakte hem ridder van het Erelegioen in 1846. En paus Pius IX gaf hem de titel van ridder van Gregorius de Grote, omdat hij 40 jaar lang gratis de kloosterlingen van de stad had verzorgd, en in 1854 werd hij zelfs commandeur.

Op 7 juli 1852 werd hij door zijn oud-leerlingen en vrienden gevierd na heel wat voorbereiding. Bijna alle geneesheren van de provincie waren er aanwezig, en een groot feestmaal voor 80 geneesheren werd in de Gouden Leeuw opgediend, zijn portret werd hem geschonken[20] en heel wat aanspraken zetten hem in de bloemen.

Heel zijn leven en ook zijn sterven was dat van een diep en eenvoudig christen.

Op 29 mei 1861 werd hij begraven met militaire eer, als ridder van de Leopoldsorde, midden een grote volksmenigte[21]. Hij was 74 jaar oud. Bewust had hij zijn familie verwittigd.

Een groot man, kind van het toen zo eenvoudig-landelijke Merendree was niet meer. Hij die zoveel musea in zoveel landen had bezocht, was ook een groot kunstminnaar: aan zijn zoon liet hij een prachtverzameling schilderijen en kunstvoorwerpen over, waarvan enkele nu nog de roem van B

[1] R. Van Oorsbroek, H. Van Werveke, Geschiedenis van Vlaanderen. V. Vlaanderen in de XVIIe en XVIIIe eeuw.

[2] F. De Potter en J. Broeckaert, Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, 1864-1870, V. Merendree, blz. 1-15.

[3] L. Wuyts, in W.P.-encyclopedie van Vlaanderen, 4, blz. 308.

[4] Ook Baudonivia, een kloosterzuster die zij had opgeleid, beschreef haar leven.

[5] Zijn feest is 21 september in het Romeins Martyrologium, maar wordt op 25 september in het bisdom Gent gevierd. Zie Acta SS Sept. VI. Analecta Bollandiana 4, 1885, 203-206.
Van der Essen, Etude critique et littéraire sur les vitae des Saints Mérovingiens de l'ancienne Belgique, Leuven, 385-188.

[6] Deze stad met zijn meer dan 20.000 inwoners lag in het Franse departement Meurthe-et-Moselle in een vruchtbare vlakte, een goede wijn- en graanstreek. Vóór de Franse Revolutie woonden hier van 1703 tot 1737 de hertogen van Lotharingen. Hier kwam op 9 februari 1801 door de vrede van Lunéville een einde aan de Franse Revolutie-oorlog tussen Frankrijk en de Oostenrijkse keizer, en werd de hele linker-Rijnoever aan Frankrijk afgestaan.

[7] Voor Oostenrijk scheen in 1809 het ogenblik gunstig om de rechten der Habsburgers in Duitsland en Italië te herstellen, een einde te maken aan de eisen van Frankrijk, en Midden-Europa te bevrijden van de Franse overheersing. Zo ontstond een ongekend enthousiasme bij de bevolking en de soldaten. Het leger was na 1805 heel wat verbeterd. De landmacht telde 200.000 man, 23.000 lichte infanterie, 36.000 ruiters en 760 kanonnen., een einde te maken aan de eisen van Frankrijk, en Midden-Europa te bevrijden van de Franse overheersing. Zo ontstond een ongekend enthousiasme bij de bevolking en de soldaten. Het leger was na 1805 heel wat verbeterd. De landmacht telde 200.000 man, 23.000 lichte infanterie, 36.000 ruiters en 760 kanonnen.
Toen Napoleon de voorbereidingen van Oostenrijk gewaar werd, kwam hij in januari 1809 vlug terug van Spanje naar Parijs. Snel verzamelde hij een leger, zelfs jonge mannen werden opgeroepen. Nog voor de voleinding van de Franse troepenconcentratie, viel Oostenrijk op 9 april 1809 Beieren binnen. (Enc. Britannica, XVI, 22).

[8] Er vochten hier 181.700 Fransen (waaronder 29.000 ruiters) en 450 kanonnen; 23.000 ervan werden gedood of gewond en 7.000 vermist. Daartegen stonden 128.000 Oostenrijkers waarvan 4.600 ruiters en 410 kanonnen: 19.110 stierven of werden gewond en 6.740 vermist. (Berndt Zahl in Kriege).
Op dit slagveld te Wagram werd de gekende generaal Dominique Vandamme gekwetst. Hij was van Vlaamse oorsprong en geboren te Cassel in 1770 en stierf er in 1830, na een avontuurlijk leven o.a. als balling van 1816-1819 in de Verenigde Staten.
Zie J. Van den Heuvel, J. Opdedrinck, in Cnoc is ier, IX (1977), blz. 31-32.

[9] Mathieu Joseph Orfila was een beroemde Franse dokter en chemist, van Spaanse oorsprong (Mahon 1787-Parijs 1853). Eerst diende hij in de handelsvloot en studeerde pas daarna geneeskunde. In 1811 was hij dokter en opende te Parijs cursussen scheikunde, fysica, botanica en geneeskunde. Gaf heel wat boeken uit, liet zich tot Fransman naturaliseren en werd in 1819 professor aan de faculteit. Hij had een bijna tirannieke macht over het geneeskundig korps. In 1851 werd hij president van de geneeskundige Academie.

[10] Louis Jacques Thénard was een beroemd Frans scheikundige. Geboren in La Louptière in 1777, begon hij in het laboratorium van Vaquelin, en volgende hem op in het Collège de France. Later werd hij kanselier van de universiteit. Hij stierf te Parijs in 1857.

[11] Sint-Janshospitaal 1188-1976, 2 delen uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling in 1976 o.a. II, blz. 407, en J. Van den Heuvel, Heiligenverering en volksdevoties in het Sint-Janshospitaal, I, 195-215.

[12] St.-Janshospitaal, a.w., II, 599 (schilderij) en II, 382 (zegel) en II, 383 (zegel).

[13] St.-Janshospitaal, a.w., II, 594

[14] id. II, 404.

[15] id. II, 381, zie ook Annales de la Société Médico-chirurgicale de Bruges, III, 1842, p. 93

[16] St.-Janshospitaal, II, 405-406. Dit werkje van De Meyer verscheen ook in de Annales de la Société Médico-Chirurgicale de Bruges, IV, 1843, p. 15.

[17] St.-Janshospitaal, II, 592 (foto I, 134). Zie ook Ann. Soc. Méd. Chir., 1844.
A. Viaene, Wijsheid van Chirurgijns en Astrologijnen, 1550-1565, in Biekorf, 1859.

[18] St.-Janshospitaal, a.w., I, 134.

[19] St.-Janshospitaal, a.w., II, 406

[20] Het was gedateerd en getekend: J. Schubert, 1851 en behoort nu tot de verzameling Lesaffer te Brugge.
St.-Janshospitaal, a.w., II, 596, S. 93.

[21] C.C. Carton, Notice biographique de Mr. le Docteur De Meyer ASEB, 1857-1861. Over Kanunnik C. Carton zie Karel de Goede, Tent. 1977-Brugge. J. Van den Heuvel, Carton, II, 47, (D40).
G. Dewalque, De Meyer (Jean (sic) Joseph) in Biographie Nationale, V, 550-551.
Zie ook: Archief C.O.O., Brugge, Sint-Janshospitaal.

----------------------------------------------

Er is ook het artikel van Jan Esther over het nieuwe hospitaal in de publicatie van 1976 Sint-Janshospitaal 1188-1976, deel 1. Het is o. m. interessant voor de archivalische verwijzingen.

Het blijkt hieruit alleszins dat dr. De Meyer een zeer actieve rol speelde in het totstandkomen en beoordelen van het 19de-eeuws St-Jan.

Andries Van den Abeele

(niet-gepubliceerde nota, oktober 2004).