Albert Claes

Een biografisch portret

De jeugdjaren

Albert Louis Constant Claes werd op 11 juni 1915 geboren in Beaminster (Dorset). Zoals velen, waren zijn ouders eerst naar Nederland, vervolgens naar Engeland gevlucht bij het naderen van de Duitse troepen. 'Sweet Be'mister', zo werd het stadje door de dichter William Barnes (1801-1886) genoemd en tot op vandaag heeft het ongetwijfeld dit epitheton verdiend. Hoewel dit oude centrum van de wolindustrie vaak door brand werd geteisterd, blijven er op vandaag nog meer dan tweehonderd beschermde gebouwen, binnen een stadscentrum dat in zijn geheel als conservatiegebied wordt bewaard.

Vader Joseph Claes, was een Brusselaar die als bediende werkte in het goederenstation van Stuivenberg. Zijn echtgenote, Elvire De Bon, afkomstig van Antwerpen, was regentes. Albert Claes was de tweede van drie kinderen en had een oudere zus, Lily, en een jongere, Jo. Toen de oorlog voorbij was, werd Joseph Claes spoorwegbeambte in Deurne. Hij slaagde in een promotieexamen en werd benoemd tot stationschef vierde klas. Dit betekende verhuizen naar een passende standplaats en het werd in 1925 Zeebrugge, waar het gezin, volgens de herinneringen van Albert, eerst in een houten barak huisde, naast het plaatselijk goederenstation. Dit lag vlakbij de strekdam, waar voor het overige maar weinig huizen stonden. Wat nu de strandwijk is, bleef beperkt tot de Residence Palace en een paar villa’s. Net zoals de voorhaven, hadden de gebouwen zwaar onder de oorlog geleden. Na enkele jaren werd vader Claes, omwille van zijn goede kennis van het Engels, gepromoveerd tot directeur van de Maatschappij van de Ferry-Boats, een onderafdeling van de spoorwegen, die de verbinding verzekerde tussen Zeebrugge en Harwich, functie die hij tot aan zijn pensioen uitoefende, met een noodgedwongen onderbreking tijdens de Tweede wereldoorlog, die hij als stationschef in Oostende doorbracht.

Lager onderwijs kreeg Albert Claes thuis van zijn moeder. Middelbaar onderwijs was in Zeebrugge niet aanwezig met als gevolg dat hij in 1928 intern werd in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge. Aan dit nogal harde regime, zeker voor iemand die de vrijheid van zee en duinen gewoon was, heeft hij, volgens wat hij er heeft van verteld, weinig goede herinneringen bewaard. Ik ben twintig jaar na hem extern op dit zelfde college geweest en ook toen waren ‘die van de kust’ buitenbeentjes, die alle moeite hadden om zich aan de opgelegde discipline aan te passen. Er kwam trouwens voor Albert een abrupt einde aan zijn collegetijd. In de derde Latijnse ging een medeleerling aangeven dat Claes een ‘verboden’ boek las. Het ging om de verzenbundel Jocelin van Lamartine, die hij van zijn moeder had gekregen. De straf die hem werd opgelegd maakte hem opstandig. Het ‘consilium abeundi’ was er het gevolg van.

Hij verhuisde naar het Brugse koninklijk atheneum, een school die, voor wat betreft het rijksonderwijs, eenzelfde reputatie van degelijkheid had als het Sint-Lodewijkscollege in het vrij onderwijs. In het atheneum waren de klassen zo beperkt dat men bijna van privé-onderwijs kon spreken. Albert ondervond moeilijkheden met wiskunde, maar hij kreeg bijlessen die als resultaat hadden dat hij in de retorica een prijs voor dit vak verdiende.

Aan de universiteit

Begin de jaren dertig trok Claes naar de Universiteit van Gent, waar hij op vijf jaar tijd vier diploma’s zou behalen: het doctoraat in de rechten, de kandidatuur in het notariaat, en de licentiaten in de sociale en in de politieke wetenschappen. De studententijd deed bij hem ook de politieke belangstelling ontluiken. Enerzijds werd hij voorzitter van het Gentse Vlaams Rechtsgenootschap, anderzijds van het Liberaal Vlaams Studentenverbond. De woelige jaren dertig drukten hun stempel op het universitaire leven. Aanhangers van het VNV en het Verdinaso waren talrijk aanwezig en maakten weldra de meerderheid uit in de Gentse studentenraad. Als reactie hierop, richtte Albert Claes een studentenblad op onder de naam Neohumanisme, dat tot doel had de studenten te verenigen in de strijd tegen het fascisme. Hij werd de eerste hoofdredacteur en bleef dit tot aan zijn afscheid van het studentenleven.

Tijdens de verlofmaanden trok Albert Claes per fiets door de buurlanden. Een tocht van twee maanden doorheen Engeland bracht hem terug naar zijn geboortestadje en naar Cornwall. Hij bezocht er onder meer de ruïnes van Tintagel Castle, het legendarische kasteel van King Arthur, dat dermate indruk op hem maakte dat hij later de naam Tintagel aan zijn woning in de Stijn Streuvelsstraat gaf. Hij fietste ook door nazi-Duitsland, waar hij en zijn kameraden, als ‘stamverwante’ Vlamingen zeer hartelijk werden ontvangen.

Op 29 juni 1938 tot doctor in de rechten gepromoveerd, werd Albert Claes onmiddellijk opgeroepen voor legerdienst, tijdens de eerste algemene mobilisatie. Na korte tijd weer thuis, volgde de tweede mobilisatie in augustus 1939. Tijdens de ‘drôle de guerre’ werd hij onderofficier, in een eenheid geleid door de Bruggeling, majoor Georges Janssens de Bisthoven. Aan het hoofd van een veertigtal Kempische boerenzoons had hij als opdracht legerpaarden op te leiden, ze te leren zwemmen en ze te harden tegen het ontploffen van bommen en granaten.

De oorlogsjaren

De Tiendaagse veldtocht was voor het Belgisch leger voornamelijk een oefening in ‘tactische terugtocht’. Claes bevond zich op 28 mei met zijn eenheid in Waardamme. Met goedkeuring van hun bevelhebber maakten de soldaten hun wapens onklaar en trokken naar huis. Albert Claes arriveerde te paard in Zeebrugge. Een paar dagen later gaf hij gevolg aan het bevel van de Duitsers om zich in Brugge aan te melden. Hij werd er, zoals de anderen, onmiddellijk gearresteerd en in krijgsgevangenschap naar Duitsland gevoerd. Daar bracht hij de rest van het jaar 1940 door in een geïmproviseerd kamp in Nürenberg, waar de levensomstandigheden erg hard waren. Toen de Duitsers vaststelden dat hij in Engeland was geboren, had hij heel wat uit te leggen en doorstond hij enkele bange momenten.

Einde 1940 was hij weer thuis. Hij had zich net voor de aanvang van de oorlog, op 8 april 1940, ingeschreven als stagiair bij de Brugse balie en vestigde zich in Brugge. Zijn stagemeesters werden de liberale voormannen Albert Thooris en voornamelijk Victor Sabbe. Ook al was dit een louter professionele band, in de tijd toen nog méér in hokjes werd gedacht, hield het verbinden van zijn carrière aan twee heren die bekend stonden als liberale kopmannen en vooraanstaande leden van de Brugse vrijmetselaarsloge La Flandre, een duidelijke kleurbekentenis in.

Het werd een tijd van zich hard inwerken, waarbij Claes zich vooral toelegde op civiel recht en handelsrecht. Hij pleitte ook een paar keren voor het Hof van Assisen. Hij zou voor de rest van zijn leven actief blijven in de advocatuur. In 1952 werd hij lid van de Conferentie van de Jonge Balie, waar hij nadien ook penningmeester en ondervoorzitter van werd. In 1955 werd hij lid en in 1957 secretaris van de Tuchtraad. Wat later zou hij ook plaatsvervangend referendaris bij de Rechtbank van Koophandel worden. Een onbezoldigde functie, die ‘gehonoreerd’ werd met af en toe een ‘interessante’ curatele. In 2001 werd hij als ouderdomsdeken en nummer één op het Brugse ‘tableau’ in de bloemetjes gezet. De actieve tijd was nu wel voorbij, maar toch hield hij eraan verder als advocaat ingeschreven te blijven.

Bij de jonge liberalen

Parallel met zijn professionele opgang, ontplooide Albert Claes activiteiten binnen de liberale partij. Gedurende twintig jaar, tot hij de veertig bereikte, was hij actief in de verenigingen van jonge liberalen. Hij heeft aan de lange tijdsduur voor die activiteiten zelf een uitleg gegeven: het aantal geïnteresseerden was in Brugge gering, terwijl doorschuiven naar het partijbestuur, gelet op de aanwezigheid van een sterke kopgroep en het gebrek aan ‘vacatures’, niet vanzelfsprekend was.

Vooreerst zette hij een verlengstuk aan zijn studentenactiviteiten, als medeoprichter van de Bond van oud-leden van het liberaal Vlaams studentenverbond, waarvan hij in 1946-47 de eerste voorzitter werd. Vanuit deze vereniging werd in 1948 Neohumanisme opnieuw uitgegeven. De actieve medewerking van Claes was slechts van korte duur, vanwege discussiepunten over het liberale engagement van het tijdschrift. Het belette niet dat hij zijn opvolgers met belangstelling bleef volgen. Tot in 1958 bleef hij in hun raadgevend comité zetelen. In mei 1976, toen dertig jaar oud-ledenbond werd gevierd, was hij, naast Frans Grootjans en Willy De Clercq één van de sprekers op de academische zitting.

In Brugge werd hij door de partijleiding belast met de jongerenwerking. In 1945 werd hij plaatselijk voorzitter van de Liberale Jonge Wacht en het jaar daarop provinciaal voorzitter. Dit bracht hem begin 1946 tot het schrijven van een Liberaal manifest dat gepubliceerd werd in Contact, het tijdschrift van de West-Vlaamse liberale jongeren. Onvermijdelijk bracht deze inzet hem in het bestuur van het Nationaal Verbond van de liberale jeugd. In overeenstemming met zijn geaardheid, was het voornamelijk in de studiecommissies van dit organisme dat hij zich ontplooide. Toen in 1947 de Commissie voor politieke studies van het NVLJ werd opgericht, werd hij er de voorzitter van. In die hoedanigheid organiseerde hij drie congressen, over nationalisaties (Oostende, 1947), ondernemingsraden en sociaal liberalisme (Tienen,1948) en seksuele opvoeding (1949). Voor de twee eerste schreef hij het inleidend rapport. Ook aan latere congressen van de NVLJ leverde hij zijn bijdrage. Voor het congres met als thema’s gemeentelijke autonomie, grote agglomeraties en onderwijs (Luik, 1950) schreef hij het rapport Humanisme en vrijheid. Schets van een liberale levensbeschouwing. Voor het congres over de communautaire problematiek (Gent, 1951) schreef hij een congrestekst, Geschiedkundige schets van de Vlaamse beweging en stelde hij ook de congresresoluties op.

Tijdens die zelfde periode was Claes ook internationaal actief. Zo nam hij in augustus 1947 deel aan het stichtingscongres in Cambridge van de Wereldfederatie van Liberale en Radicale Jongeren. Op een congres in augustus 1950 in Stuttgart over de Europese éénmaking en op een ander in Hamburg in november 1951 gewijd aan het Schumanplan, was hij eveneens aanwezig.

Toen het NVLJ in 1952, met als eindredacteur Karel Poma, een handboek over het Belgisch liberalisme publiceerde, onder de titel Wat men moet weten over het Belgisch liberalisme, was een aanzienlijk deel van de teksten van de hand van Albert Claes.

Uit dit alles kan men concluderen dat Albert Claes zich in die jaren sterk inzette en op basis van veel studie en publicaties, zich ontpopte tot één van de theoretici van het liberaal politiek denken in België. Het was, mede omwille van de geringe perspectieven op verkozen mandaten die de liberale partij in Brugge bood, een activiteit die hem uitstekend lag. Ze bereidde hem daarbij uitstekend voor op de rol die hij in de volgende decennia als mandataris zou vervullen.

In de Brugse gemeenteraad

Onmiddellijk na de Bevrijding was Albert Claes, in het kielzog van zijn patron Sabbe, politiek actief geworden in de Liberale Partij. Dit betekende veel vergaderen, artikels schrijven, blaadjes uitgeven, handtekeningen voor de voordrachtlijsten inzamelen en op onverkiesbare plaatsen op verkiezingslijsten figureren. Bij de gemeenteverkiezingen van 1952 maakten de liberalen vooruitgang en hadden ze drie verkozenen: Victor Sabbe, de accountant Roger Ryckeman en Albert Claes.

Het was de tijd waarin Claes stilaan de gelederen van de jongeren verliet om in de partijinstanties zijn rol te gaan spelen. Het werd plaatselijk een eersterangsrol, gedurende meer dan veertig jaar. Het begon met het bestuurmandaat (1945) en het voorzitterschap van het Van Gheluwe’s Genootschap, de sociale vleugel van de Brugse liberalen, die banden had met de liberale vakbond en ziekenbond, waarin de hoofdfiguur in Brugge dokter Georges De Busscher was. Toen, na de oprichting van de PVV, het Genootschap een federatie ging vormen met de locale liberale partij, werd Albert Claes de algemene voorzitter, functie die hij tot in 1983 zou uitoefenen. Ook op het arrondissementeel vlak nam hij het voortouw. Lid van het arrondissementsbestuur vanaf 1945 werd hij in 1962 voorzitter en vervulde deze functie tot in 1979. In 1974 was hij ook voor korte tijd provinciaal voorzitter.

In 1958 was alleen nog Victor Sabbe als gemeenteraadslid voor de liberalen verkozen, maar hij overleed in november van dat jaar en zijn opvolger Roger Ryckeman overleed in 1961. Albert Claes kwam opnieuw in de gemeenteraad, waar hij tot in 1976 de enige liberale vertegenwoordiger zou blijven, met uitzondering van de periode 1968-70 toen de vroegere CVP-schepen Jean Kervyn de Marcke ten Driessche zich bij hem kwam voegen. Claes bleef onafgebroken gemeenteraadslid van 1961 tot einde 1988.of van Assisen. Hof van

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 werd de CVP-meerderheid in Brugge gebroken en werd een coalitie gevormd tussen socialisten, liberalen, Vlaams-nationalisten en enkele verkozenen die zich ‘christen-democraten’ noemden. Albert Claes werd schepen van openbare werken en havenbeleid, functie die hij twee ambtstermijnen, tot einde 1982 vervulde.

In de zorgvuldig bijgehouden en gepubliceerde notulen van de gemeenteraadszittingen, kan men de vele tussenkomsten terugvinden die Albert Claes hield, vele jaren als raadslid, vanaf 1977 als lid van het schepencollege. In de jaren voor de fusie was de sfeer in de gemeenteraad eerder gemoedelijk en werd weinig scherpe oppositie gevoerd. Burgemeester Vandamme was een voorstander van de algemene consensus en had graag zijn ‘meerderheid’ en zijn ‘minderheid’ op dezelfde lijn. Het was dan ook zeker niet eenvoudig om, als éénmansfractie dan nog, toch een eigen geluid te laten horen. Albert Claes spande zich hiervoor niettemin jaar na jaar in, meer bepaald naar aanleiding van de bespreking van de begroting. Vanaf 1971, in wat nu een uitgebreide stad en dito gemeenteraad was, bleef hij, als eenzame vertegenwoordiger van de PVV verder zijn stem verheffen en ideeën naar voor brengen, in een sfeer die trouwens heel wat agressiever was geworden tussen de meerderheid en de verschillende partijen van de oppositie.

Vanaf 1977 werd het anders. In de bonte coalitie die werd gevormd, had de PVV met haar twee verkozenen ook twee schepenzetels. Albert Claes kreeg de belangrijke bevoegdheid van openbare werken. In die hoedanigheid bloeide hij helemaal open. De studax was nu ver weg en zowel de dagelijkse gemeentelijke zorgen van rioolputjes en vele andere even kleine maar essentiële zaken als het ontwerpen en uitvoeren van grote werken, kenden weldra voor hem geen geheimen. De tijd was toen ook voorbij dat over de hoofden heen van de lijdzame burger kon worden beslist. De inspraak was ‘in’ en de discussies en vergaderingen werden legio. Het meest heikele dossier was wellicht dat van de aanleg van de expressweg A-17, die kordate voor- en tegenstanders had. Het werd een aangelegenheid waarin Albert Claes alle registers van overleg en diplomatiek manoeuvreren diende aan te wenden.

Toen hij in 2001 op zijn politieke loopbaan terugblikte, verklaarde hij dat deze tijd hem het meeste voldoening had geschonken: "Het waren twaalf prachtige jaren. Als schepen zie je de resultaten van je werk. Je neemt een beslissing, volgt die op en de realisatie is dusdanig dat je concreet ziet wat je beslist hebt."

Kamerlid voor het arrondissement Brugge

Op 23 mei 1965, nadat de verruiming had plaats gevonden binnen een door Omer Vanaudenhove tot Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) vernieuwde en herdoopte liberale partij, werd Albert Claes tot liberaal volksvertegenwoordiger voor Brugge verkozen. Hij had al vanaf de eerste wetgevende verkiezingen in 1946 op de lijst gefungeerd, op bescheiden en onverkiesbare plaatsen. Alleen toen de liberalen in Brugge 14,6 % van de stemmen behaalden werd Victor Sabbe verkozen, om het bij de vervroegde verkiezingen het jaar daarop weer niet te halen. Toen Claes in 1961 lijstrekker werd, verkeerde zijn partij met 8 % van de stemmen op een dieptepunt. De stijging naar 12,8 % in 1965 en een gunstige apparentering maakten dat hij deze keer verkozen werd. Die apparentering speelde hem trouwens parten toen hij in 1971 niet herkozen werd. In 1974 werd hij opnieuw kamerlid en bleef het onafgebroken tot in 1985.

Parlementslid worden, daar had Albert Claes de ambitie toe gehad en het is dan ook met grote overtuiging dat hij bijna dagelijks naar Brussel trok. Hij werd een actief Kamerlid, en hij specialiseerde zich op verschillende domeinen. Sommige ervan waren aan zijn arrondissement gebonden, zoals de visserij en de infrastructuurwerken voor de haven. Andere waren van algemene aard, en betroffen voornamelijk de stedenbouw en de ruimtelijke ordening enerzijds en maatschappelijke problemen anderzijds. Hij beet zich o.m. vast in de aanpassing van het Burgerlijk wetboek teneinde gelijkstelling te realiseren tussen natuurlijke en wettige kinderen. Anderzijds bleek hoe begaan hij was met het lot van de dieren.

Vanuit de Kamercommissie Justitie werd hij stilaan één van de vertrouwde figuren die zich moesten buigen over een dossier, telkens één van de kamerleden problemen had met het gerecht en de opheffing van zijn parlementaire immuniteit werd gevraagd. Voor het delicate afwegen van pro en contra, waarbij de politieke loopbaan van een collega, soms zelfs van een partijgenoot, kon geschaad of zelfs gekraakt worden, was Claes de geknipte man. Zijn juridische bagage, zijn discretie en zijn grote ervaring maakten van hem een vanzelfsprekend lid telkens zo een bijzondere kamercommissie diende te worden samengesteld. Dit was ook zo toen een commissie werd opgericht dat in 1985 het Heizeldrama diende te onderzoeken. Het was meteen de laatste grote activiteit van het kamerlid Albert Claes, die datzelfde jaar ontslag nam.

Ruzies

Het politieke parcours van Albert Claes beschrijven zou onvolledig zijn, als er niet enkele woorden werden gezegd over de nogal talrijke ruzies die zich binnen de Brugse liberale familie hebben voorgedaan.

Toen Albert Claes vanaf het einde van de jaren vijftig de onbetwiste nummer één van de Brugse liberalen werd, dan was dit vooral het gevolg van het vroegtijdig overlijden van de plaatselijke liberale tenoren Gabriel Fraeys, Victor Sabbe en Roger Ryckeman. Claes had zich in hun schaduw genesteld en dacht er niet aan ze van hun voetstuk te werpen. Als hij de nummer één werd dan was dit buiten zijn wil om. Het enige wat hij had gedaan was zich door studie en inzet degelijk voor te bereiden op een latere mogelijke aflossing.

Toen die aflossing er kwam werd hij geconfronteerd met een partij die maar niet uit de startblokken geraakte. Bij gebrek aan mannen en vrouwen met ambitie moest hij veel zelf op zich nemen, vooral dan de ondankbare bestuurstaken en administratieve activiteiten. Als het verkiezingsfonds moest gespijsd worden, de campagne georganiseerd, teksten geschreven, dan stond hij er vaak nogal alleen voor, of ten hoogste gesteund door een heel beperkte groep. Hierin zou voor hem eigenlijk pas verandering komen in de jaren zeventig, toen de parlementszetel tamelijk zeker werd en er vanaf 1977 ook nog de schepenzetel bijkwam.

Het stijgend succes van de liberale partij bracht heel wat nieuwe leden met zich mee en ook heel wat bestuursleden die de ambitie hadden een verkozen mandaat te verwerven. Die mandaten bleven evenwel beperkt tot één volksvertegenwoordiger, twee schepenen en een provincieraadslid. Stilaan begonnen ambities zich te manifesteren. Indien Albert Claes de teugels van de partij op locaal en arrondissementeel vlak strak in handen hield, dan was het omdat hij het gevoel had dat sommigen hem wilden doen opstappen en daar achtte hij de tijd nog niet voor gekomen. In 1976 leidde dit tot een liberale scheurlijst en in 1982, toen het nationaal partijbestuur diegenen gelijk gaf die hem geen verdere cumul noch overschrijding van de leeftijdsgrens meer gunden, was het Albert Claes zelf die uit de PVV stapte en met een eigen lijst naar de gemeenteverkiezingen trok. Hierin werd hij gesteund door het grootste deel van de actieve partijleden, met als gevolg dat er geen officiële PVV-lijst tegen hem in het veld trad. Na de verkiezingen viel alles weer in rustiger plooien.

Toen begin jaren negentig de PVV opnieuw een gedaanteverandering onderging en een nieuwe verruiming werd vooropgesteld, zowel wat betreft leden en verantwoordelijken als wat betreft kiezers, was Albert Claes één van de actieve initiatiefnemers in het Brugse. Het is niet zeker dat hij de in Brussel bekokstoofde initiatieven helemaal vertrouwde, maar dit belette niet dat hij er plaatselijk zijn volledige medewerking aan verleende en hij in de VLD nog een aantal jaren een bijzonder actieve rol speelde.

De haven van Brugge – Zeebrugge

Sedert de negentiende eeuw behoort het zich inzetten voor de Brugse haven voor iedere politieke mandataris van het arrondissement Brugge, tot de vanzelfsprekende plichten. Ooit drukte een volksvertegenwoordiger twijfels over de toekomstmogelijkheden van deze haven uit: hij werd nooit meer herkozen. Rond de uitbouw van de haven ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw immers een ‘union sacrée’ van alle politieke en maatschappelijke krachten in het Brugse, waaraan tot op vandaag onverminderd is vastgehouden.

Dat voor Albert Claes de aandacht en de inzet voor de haven groot zou zijn, was vanzelfsprekend. Het was die haven die het gezin Claes naar Zeebrugge had gebracht. Eenmaal politiek actief, schreef Albert Claes zich in de lijn in van zijn voorgangers, indachtig dat Julius Sabbe één van de vaders van de nieuwe haven was geweest. Gedurende zijn ganse loopbaan zou de haven bovenaan zijn agenda staan. Tot in de jaren zestig betekende dit voornamelijk het ondersteunen van alles wat, in de eerste plaats door burgemeester Vandamme, werd ondernomen voor het heropbouwen en het uitbreiden van de haven. Ook in die periode stond de haven buiten en boven de partijpolitiek. Albert Claes werd lid van de Nationale Havencommissie en daar kon hij onverdroten de Brugse standpunten verdedigen.

Vanaf 1977 werd zijn inbreng aanzienlijker. Naast schepen van openbare werken werd Albert Claes ook verantwoordelijk voor het gemeentelijk havenbeleid. In principe was dat een eerder symbolische bevoegdheid, want de haven werd bestuurd door een naamloze vennootschap, met het statuut van parastatale, die een onafhankelijke koers vaarde, in de mate waarin de hoofdaandeelhouder, de Belgische Staat, dit toeliet. Wel was het sedert de stichting praktisch steeds een Bruggeling geweest die de leiding had en er zetelde als vertegenwoordiger van de stad Brugge. Verdere inbreng van het stadsbestuur was dus vooral afhankelijk van de persoonlijke inzet van de bevoegde schepen. Albert Claes was hiervoor de geknipte man. Niet alleen was hij van jaren ver nauw betrokken bij de havenproblematiek, maar als volksvertegenwoordiger en schepen en weldra als lid van de raad van bestuur van de havenvennootschap, kon hij hetzij stokken in de wielen steken, hetzij voordeel halen uit het dragen van zijn verschillende petjes om de zaken vooruit te helpen. Onnodig te zeggen dat het dit laatste werd en dat hij ervoor zorgde dat de harmonie tussen stadsbestuur en havendirectie voorbeeldig was.

Het was een spannende tijd voor Zeebrugge. Voor het eerst sinds het ontstaan van de voorhaven werd overgegaan tot werken van grote omvang. Die werken waren vanaf 1970 begonnen en Albert Claes kon de afwerking ervan en de eerste spectaculaire stijgingen van de haventrafieken van heel nabij meemaken. Telkens op nationaal of gemeentelijk vlak een probleem rees, stond hij mee op de bres om de havenbelangen, die naast nationale ook in de eerste plaats Brugse belangen waren, te steunen. Hij maakte ook van zijn gemeentelijke bevoegdheid gebruik om bij de bevolking het havenvuur aan te wakkeren, door middel van publicaties en van een grote tentoonstelling.

De Julius-Sabbestudiekring

Na zijn afscheid van de actieve politiek zocht en vond Albert Claes een nieuwe adem in het verder bevorderen van de haven van Zeebrugge. Hieraan koppelde hij het verzamelen, ordenen en exploiteren van alles wat met de geschiedenis van deze haven te maken had. Aan het verzamelen was hij trouwens al vele jaren bezig. Naast zijn uitgebreide collectie scheepsmodellen die hij in zijn dubbel appartement in Zeebrugge bewaarde, barstte het er stilaan van de documenten en papieren. Teneinde dit nog verder uit te breiden en behoorlijk te ordenen, vond Albert een uitstekend vehikel in de Julius-Sabbestudiekring die in de schoot van het Willemsfonds was opgericht door Ernest Schepens (1943-1997).

Samen met een groep enthousiaste medewerkers is hij er in geslaagd een aanzienlijk archief tot stand te brengen van alles wat in de breedste zin met de haven te maken heeft. Het zal in de komende jaren blijken dat hier een goudmijn aan gegevens werd bijeengebracht. Dit zal later zonder enige twijfel als één van zijn belangrijkste realisaties worden erkend.

Vanuit deze activiteit heeft hij enerzijds Ernest Schepens gesteund bij het realiseren van een grote havententoonstelling, gekoppeld aan een boek waarin het pionierswerk van Julius Sabbe werd herdacht (1996). Anderzijds, nadat hij de fakkel van de al te vroeg overleden Ernest had overgenomen, was hij de voortrekker van de herdenkingen, opnieuw onder vorm van een tentoonstelling en een boek, die honderd jaar na zijn dood (2000), werden gewijd aan Auguste De Maere, de vader van Brugge – Zeehaven. Wanneer ooit een monument voor deze pionier zal worden opgericht, dan zal dit aan de niet-aflatende inzet van Albert Claes te danken zijn.

De rusteloze arbeid van een rustige man

Terwijl ik laat in de avond de laatste hand leg aan deze biografische schets, kijk ik even door het raam en bemerk ik dat het licht ook nog brandt in de werkkamer van mijn buurman. Die buurman is Albert Claes. En ook zijn echtgenote Simone, altijd druk in de weer voor culturele activiteiten, is op dit late uur nog druk bezig, zoals het licht in haar werkkamer aangeeft.

Sedert bijna vijfendertig jaar zijn we buren en zonder veel bij elkaar over de vloer te komen is dit een wolkenloze buurmanschap geweest. Alleen de honden, trouwe vrienden van hun meester, durfden bij nacht al eens de rust verstoren. Als de postbode weer eens enkele brieven voor mij tussen de briefwisseling voor nummer 54 heeft gestopt, komt Simone er mee aangelopen en houden we levendige praatjes.

Overdag weet men of Albert thuis is wanneer zijn auto (onveranderlijk een Citroën) voor de deur staat, met de van Herman Decroo in zijn hoedanigheid van minister van Verkeerswezen toegekende nummerplaat AC 100. Albert en ik hebben een uiteenlopend politiek parcours doorlopen, maar dit heeft zowel vroeger als nu de waardering en vriendschap niet gehinderd. Op de avond van een zo gevuld leven, kan men alleen maar bewonderend naar hem opkijken.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Huldeboek Albert Claes, Liberaal Archief, 2004).

www.andriesvandenabeele.net