Van dit werk werden gedrukt:

 

Vijfentwintig exemplaren bestemd voor de auteur,

genummerd van I tot XXV,

 

Vierhonderd vijf en zeventig exemplaren  bestemd voor de voorintekenaars,

genummerd van 1 tot 375,

 

samen de volledige oplage vertegenwoordigend.

 

 

 

 

Voor Louise Vanden Abeele en Matthieu Limelette

 

 

Andries Van den Abeele

 

 

 

EPITAAF

VOOR

DIRK

DE WITTE

 

 

Sint-Amands

aan de Schelde

15 maart 1934

 

Kessel-Lo

27 december 1970

 

 

Uitgeverij Walleyn Graphics

Grafisch ontwerper Johan Mahieu

Brugge 2002

 

 

 

O, als ik dood zal, dood zal zijn,
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.

 

J. H. Leopold

 

 

I

« AUS DEM LEBEN EINES TAUGENICHTS»

 

Toen ik in januari 1951 als intern in de derde Latijnse op het Sint-Jozefscollege in Aalst belandde, werd ik direct in een hechte vriendengroep opgenomen. De beslotenheid van een internaat, waarbij we van ’s morgens tot ’s avonds en tijdens vele weekends samen waren, bevorderde de vriendschap. Ze is zo diep geworteld dat het bij ieder weerzien, ook nu na vijftig jaar, is alsof we net de vorige dag nog samen waren [1] .

 

Eén van die vrienden was Dirk De Witte. Hij had toen al een zeker aureool van  literaire begaafdheid. Als een versje moest worden gemaakt of een tekst geschreven, stond hij paraat. Zoals anderen onder ons, deelde ik zijn literaire belangstelling, we konden uren vertellen en discussiëren over wat we lazen. Het ging niet vaak om boeken die we in de collegebibliotheek aantroffen, ook al was die niet zo puriteins samengesteld als men soms van bibliotheken in katholieke colleges heeft beweerd. Onze voorkeur ging evenwel naar auteurs waarvan men zegde ‘dat ze nog niet voor onze leeftijd waren’. We dachten dat we zelf wel de grens konden trekken.

 

Tot de onschuldige werken behoorden die van Bruce Marshall (De werkers van het elfde uur) of van A. Roothaert (Dokter Vlimmen), van Hemingway (For whom the bells toll) of Evelyn Waugh (Brideshead revisited). We wierpen ons ook op de ‘grote literatuur’ en de volumineuze werken. Russische auteurs en Scandinavische, waren de favorieten. Gullbransons’ De geschiedenis van het geslacht Björndal werd met passie gelezen. Na vijftig jaar flitsen de titels van de trilogie me nog door het hoofd: En eeuwig zingen de bossen – Winden waaien om de rotsen - De weg naar elkander. Walschap, Elsschot en Timmermans ontbraken evenmin op het appel. En ook Godfried Bomans niet.

 

Het bleef daar niet bij. Naast vele anderen, behoorden weldra de Montherlant van Les Jeunes Filles, de Anouilh van Antigone, de Malraux van L’espoir en van La condition humaine, de Camus van L’étranger en van La Peste tot onze lectuur. Ook Sartre natuurlijk, niet de filosoof, maar de literaire werken die we in goedkope uitgave konden aankopen: Les mains sales en Huis Clos, met de onvermijdelijke discussie over L’enfer c’est les autres. En dan was er de pessimistische roman Het vijfentwintigste uur (1950) van Virgil Gheorgiu, die we gepassioneerd lazen. Après la mort des lapins blancs, il n’y a plus d’espoir was één van onze geliefkoosde citaten. De zin kwam uit het verhaal van wanhoop dat Gheorgiu beschreef, wanneer in een vastgelopen onderzeeboot de witte muizen stikken, onverbiddelijk voorteken dat de zuurstof is opgebruikt en het fatale einde voor de opvarenden nadert. Met dezelfde passie las ik Journal d’un curé de campagne van Bernanos, maar of Dirk dit ook las, herinner ik me niet meer. Zeker weet ik dat hij Au cœur des masses las, het cultbook (toch voor ons) geschreven door René Voillaume, de stichter van de Petits Frères de Charles de Foucauld.

 

Onder de vrienden waren er velen die, althans zoals ik het aanvoelde, want schijn kan bedriegen, met een zonnig temperament begiftigd waren en vrolijk en blij, zonder al te veel zorgen, door het leven stapten. Dit was niet het geval met Dirk, die net als de aandoenlijke held van Bernanos, een getormenteerde ziel was en als zeventienjarige bezig was met de zin en de onzin van het leven. Daarover gingen veel discussies en, zoals men hierna zal lezen, ook de brieven die hij me schreef.

 

Tegelijk dompelden we ons onder, met grote wellust, in wat ons in de klas werd voorgeschoteld. Vooral het poësisjaar was een permanent festijn. Vergilius en Horatius afwisselend met Homeros, waarbij we passages uit het hoofd leerden om ze bij wijze van conversatie tegen mekaar op te reciteren; Lamartine (Mon cœur lassé de tout, même de l’espérance) en Baudelaire ontdekken, Rimbaud appreciëren, Mallarmé leren begrijpen, en genieten van Villon, du Bellay, Ronsard en al die anderen; en dan nog Goethe en Rilke, Shelley en Keats; en in onze eigen taal, vanaf de Alle dinghen syn my te inghe, ic ben soo wyt en het Egidius waer bestu bleven dat aan ons romantisch gemoed appelleerde, de ganse Nederlandse poëzie als een feestelijke stoet aan ons voorbij zien trekken, geleid en ingeleid en begeleid door een uitzonderlijk leraar. Wie aan zijn hand een vers binnentrad, vergat het nooit meer. Zoals die middag toen hij Nicolaas Beets voordroeg, met de onvergetelijke openingszin en met de tweede strofe die Dirk moest aanspreken:

 

De moerbeitoppen ruisten,

God ging voorbij.

Neen, niet voorbij, Hij toefde,

Hij wist wat ik behoefde,

En sprak tot mij


Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn' vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

 

En dan die stilte die om te snijden was, als hij weer met een gedicht voor de dag kwam dat niet in onze Zuid en Noord [2] stond, waar hij van wist dat het indruk op ons zou maken en dat hij onnavolgbaar reciteerde, terwijl ons hart van emotie beukte [3] . Ik herinner ze me nog als was het gisteren, zoals bijvoorbeeld het toen pas gepubliceerde gedicht van Ed. Hoornik, dat ook met de dood te maken had, en waarvan de eerste strofe, niet zonder enige humor, luidde:

 

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus,
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.

 

Daarop het commentaar van de leraar: “Als dit geen ontroerend gedicht is... dan weet ik het niet meer!! Zie je dat lieve kleine kindje daar liggen op die véél te grote baar?” Wij genoten, van het gedicht, van de voordracht, van het commentaar, terwijl we de tekst overschreven in ons eigen gedichtenschrift. O temps, suspend ton vol: die uren waren véél en véél te kort.


We werden ook zelf tot activiteit aangespoord: elke dag moest één van ons voor de klas een korte uiteenzetting houden; we waagden ons met wisselend succes aan het schrijven van verzen en als we een verhandeling moesten maken, aarzelden we niet volumineuze teksten van twintig bladzijden en méér te produceren, die door de leraar zorgvuldig werden gelezen en geannoteerd. Niet dat lectuur en literatuur ons ganse leven vulden, zelfs niet aangevuld met de initiaties in de muziek (die namiddagen met Bach en Corelli of met de indrukwekkende Kirsten Flagstad die het klaaglied van Dido zong) en beeldende kunst (de antieke beelden natuurlijk) die evenmin ontbraken, er waren immers nog veel andere dingen die ons bezig hielden, - wiskunde en driehoeksmeetkunde, om maar die te noemen - maar dat ze een bijzondere plaats innamen, staat vast.

 

Tegen het einde van de Poësis had Dirk zijn besluit genomen: na aarzelingen, waarbij hij een tijdje de religieuze richting leek in te slaan, kwam hij tot de conclusie dat het geloof der vaderen niet voor hem was weggelegd. Méér nog, hij helde over naar een totaal atheïsme. We voerden daarover discussies: ik hield het bij le pari de Pascal. Daarnaast knoopte Dirk enkele – meestal kortstondige en voornamelijk epistolaire – relaties met meisjes aan. Het een en het ander was de paters niet onbekend, want hij verborg zijn evolutie niet, maar daar werd door hen niet verder op ingegaan.

 

Vooral in de Poësis was Dirk één van de lievelingen van de klastitularis, pater Marcel Schurmans (1909-1989), die in hem een verwante dichterziel aantrof. Hij ging immers door voor iemand die beloofde in de literatuur zijn weg te zullen maken. Het feit dat hij in Sint-Amands woonde, waar zijn ouders een bescheiden kruidenierszaak uitbaatten [4] , en hij soms uren doorbracht naast het graf van Emile Verhaeren, aan de boorden van de Schelde, deed hem zelf lichtjes dromen dat hij de tweede poëet van zijn dorp zou worden [5] .

 

Binnen de dorpsgemeenschap liet Dirk niets merken van zijn geestelijke evolutie en deed hij gewoon mee aan wat van een voorbeeldige jonge parochiaan mocht worden verwacht: de zondagsmis, de deelname aan de activiteiten van de jeugdvereniging en van het parochiaal centrum, de oprichting van een Academie voor de studenten van het dorp. Thuis bleef hij alleen met zijn ouders die de leeftijd van grootouders hadden: zijn vader was 46 en zijn moeder 42 toen hij geboren werd, zijn oudere broer en zus waren toen al volwassen en weldra het huis uit. Die broer was één van zijn onderwijzers op de lagere school.

 

De zwaarmoedigheid die Dirk duidelijk kenmerkte, belette niet dat hij in de wandel een aangename compagnon was, ook al was hij een echte sloddervos die je soms met geen tang zou hebben aangevat en was het op zijn kamertje een bende. Hij was hierin nog niet eens de ergste. Eén van onze klasgenoten slaagde er in op zijn kamertje een paar konijnen te kweken, zonder dat de surveillant daar erg in had. Hoe hij Madame Cécile, de poetsvrouw, tot zwijgen kon bewegen is me altijd een raadsel gebleven.

 

Na de poësis genoten we al evenzeer van ons laatste gemeenschappelijk jaar. In de klas was dit het jaar van Cicero en Demosthenes, van Plato en de Griekse tragedies, van de grote historici (Tacitus) en redenaars door de eeuwen heen tot en met de Toespraak tot de hoofden van Lebak en Paul-Henri Spaak. We waren nu de ‘chefs’ van het college en gedroegen ons dienovereenkomstig. We kregen hiertoe vanwege de directie veel gelegenheid. Aan ons kwam het toe allerhande activiteiten te organiseren, zoals de spaarweek voor de missies, de vastenactie, de verkoop van het jezuïetenweekblad De Vlaamse Linie, zowel als sportieve activiteiten op de ‘campagne’ van de paters. Wij gingen het toneelstuk dat we hadden ingestudeerd, opvoeren in Mere, in Buggenhout, in Ninove, waar sommigen onder ons woonden en waar hun ouders voor een gulle ontvangst zorgden. We organiseerden culturele uitstapjes. We brachten de teksten en de foto’s bijeen voor het afscheidsboek dat we wilden uitgeven.

 

Om over die activiteiten en over alles en nog wat te praten, onttrokken we ons graag aan het oog van de toeziende studiemeesters. Eén van onze geliefkoosde plekken was de dakgoot van het collegegebouw. Hoogtevrees was ons duidelijk onbekend, want we liepen daar en zaten daar, duchtig paffend, alsof het een praatcafé was op de begane grond. Dat niemand van ons ooit naar beneden is gedonderd, mag een mirakel heten.

 

Dit was evenwel, voor enkelen onder ons, nog niet voldoende. We vonden een nieuwe uitlaatklep voor ons jong geweld, door ’s nachts fuifjes te organiseren. Eerst met enkelen, in een of ander afgelegen en weinig gebruikt lokaal, waar we rookten, dronken, discussieerden en gedempt zongen. Weldra nodigden we een aantal externen uit om ons hierbij te vervoegen. Allengs werden we driester en braken uit het college. Aanvankelijk met een paar, weldra met tien of meer op de negentien internen die onze klas telde. We gingen wandelen in de stad, trokken de kroegen binnen, werden zelfs aan huis ontvangen bij sommige van onze Aalsterse klasgenoten of hielden serenades onder de vensters van het meisjespensionaat van de ‘Dames de Marie’.

 

We werden overmoedig en op een nacht werden we gesnapt. Achteraf bleek dat we waren verklikt door een Aalstenaar die ons regelmatig uit het raam van de eerste verdieping had zien klauteren. De surveillant had geduldig op de loer gelegen, tot hij ons te pakken kreeg. Een tiental onder ons werd, net voor de eindexamens begonnen, voor tien dagen naar huis gestuurd. Eigenlijk was het maar best dat aan onze esbattementen een einde kwam. Immers, om overdag fit te kunnen blijven, hadden we de gewoonte aangenomen cafeïne te slikken, wat ons wel vele uren wakker hield, maar van de bleke gezichten kon je aflezen dat het ons geen goed deed. Dirk deed aan dit alles actief mee en was bij het organiseren van de ‘festiviteiten’ niet de laatste. De nacht toen we gesnapt werden, had hij net geen zin gehad om mee te gaan en ontglipte hierdoor aan de jezuïetentoorn.

 

Op de nachtelijke zowel als op andere bijeenkomsten was hij vaak de vedette. Hij had op zijn repertoire een onemanshow, gewijd aan Onze Michel, waarin hij het uiterst treurige verhaal van een mislukkeling op hilarische wijze acteerde. Telkens opnieuw werd hij aangepord om Onze Michel op te voeren. Er bestaat een foto van de luidkeels schreiende Dirk. Hij had ook een arsenaal gewaagde moppen, over allerhande onderwerpen, in een tijd dat de ‘political correctness’ nog niet had toegeslagen en er nog geen oekazen bestonden op hetgeen waarover men zich wel of niet mocht vrolijk maken. Op dat punt kenden we grenzen noch taboes. Zo had Dirk een aantal rauwe moppen over psychiatrisch gestoorden. Hij was niet de enige ‘tapper’ in onze club, maar zijn moppen waren speciaal, door hem herwerkt en aangepast, altijd bijzonder plezierig, meestal kort, soms wel choquerend maar niet vulgair. Hij debiteerde ze recto tono en met het meest uitgestreken gezicht dat contrasteerde met hetgeen hij vertelde, wat het komisch effect nog versterkte. Wie de conversatie alleen maar zag en niet hoorde, kon evengoed veronderstellen dat hij passages uit de Heilige Schrift aan het reciteren was.

 

Tijdens de collegejaren trad hij mee op in toneelopvoeringen. Niet de grote rollen, want hij had een wat monotone, niet ver dragende stem, maar hij deed mee. In het ‘lekenspel’ van Henri Brochet, De gierigaard, de soldaat, de laars en de duivel opgevoerd in 1951 speelde hij… de grote duivel. Datzelfde jaar zette het college een grote productie op van Het geding van Ons Heer van Paul De Mont en daarin behoorde hij tot de groep van het Joodse volk. In 1952 trad hij op in Julius Caesar als Trebonius, één van de samenzweerders. In 1953 was Het Heilig Experiment van Fritz Hochwälder (1911-1986) aan de beurt. In dit drama over het conflict tussen religieuze en wereldlijke macht, geplaatst in de zeventiende-eeuwse ‘reducties’ van Paraguay, trad Dirk op als jezuïet. Het verhaal werd vele jaren later, in 1986, onder de naam The Mission, een groot filmsucces met Robert de Niro en Jeremy Irons in de hoofdrollen. Ook in andere stukken trad Dirk op, zoals in De zeven heilige slapers en in De zaak Kubinsky, van de Hongaar Ladislas Fodor (1898-1978), de later in Hollywood succesvolle scenarioschrijver, waarin hij de rol van de kantoorbediende Stanislas Kapolna speelde.

 

Toen we tijdens de Vasten van 1953 een grote actie op het getouw zetten ten voordele van Oostpriesterhulp, knutselden we een vliegtuig in elkaar, dat langs een touwwerk van het hoogste gebouw naar beneden ‘vloog’. Dirk kwam daarop met een moto de koer opgereden, verkleed als ‘rugzakpriester’ en las een boodschap voor.

 

Wanneer een leraar werd gevierd, als we iets op het getouw zetten, dan was het vanzelfsprekend dat Dirk het podium besteeg en een vers of toespraak van eigen maaksel uitgalmde.

 

Tegen het einde van het jaar, als een vorm van collectieve geestelijke striptease, schreven we elk op een blad een woord, epitheton of zin die, naar ons gevoel, elk van onze klasgenoten typeerde. Enkele die er voor wat Dirk betreft uit kwamen waren: “Fifi van de Prof; meester in het redeneren tegen alles wat logisch is; theosoof, filosoof, pedagoog, psycholoog, mislukt boeroloog, cynicus, naturalist, sensitivist, sensualist, realist, artiest, nakomeling van Horatius en Pallieter". Hij intrigeerde zijn kameraden, zoveel is duidelijk.

 

Dat hij naar de universiteit in Gent trok en Germaanse filologie ging studeren, lag in de lijn van de verwachtingen. Hij vond er in professor Herman Uyttersprot (1909-1967) een mentor voor wie hij dezelfde verering ging koesteren als tijdens de collegejaren voor pater Schurmans. De studie boeide hem, hij leerde vlot Duits en Engels spreken en schrijven en wijdde zijn eindverhandeling aan de Duitse auteur Joachim Ringelnatz (1883-1934).

 

Gehuld in zijn eeuwige duffel of houtje-touwtje jas, dook hij kortstondig in het uitbundige studentenleven, niet zonder enige moeite, want hij was spoorstudent en moest de laatste trein naar Schoonaarde halen, waar hij inwoonde bij zijn zus en schoonbroer en waar ook zijn zieke moeder haar laatste levensjaar doorbracht. Vaak zat er niets anders op, bij uitlopende esbattementen, dan de roes te gaan uitslapen op een bevriend ‘kot’. Meestal bracht hij zijn broodjes voor ’s middags mee en verorberde die in Café The Bridge, waar hij een groepje vaste stamgasten aantrof met wie vaak tot een stuk in de namiddag duchtig werd gekaart. Anderzijds gebeurde de bekostiging van zijn studies niet zonder problemen. In zijn tweede kandidatuur nam hij een job aan als surveillant of ‘studiemeester’ in een Gents internaat. De avonduren werden toen noodgedwongen aan de studie gewijd, met als gevolg dat hij een ‘onderscheiding’ behaalde.

 

Toen we na de retorica waren uitgezwermd, stichtten we samen een blaadje, Hortansken genaamd, met de bedoeling de banden met de oud-klasgenoten levendig te houden. We kregen negen afleveringen voor mekaar, de laatste in 1958. Eigenlijk had het gestencild blaadje als officiële naam ‘De Baggerboot’, naar analogie van ons ‘officieel’ afscheidsboek dat ‘Het Galjoen’ heette. Dit boek hadden we evenwel de schuilnaam ‘Octaaf’ gegeven, en zo werd het voor de opvolger ‘Hortansken’.

 

Dirk was de regelmatige leverancier van talrijke teksten. In proza waren het gewoon impressies of verslagen, zelfs een plezierig verhaaltje over zijn huwelijk en wittebroodsweken. Wat betreft de gedichten, waren het vlugge werkjes, soms op de hoek van een cafétafel neergekrabbeld. Sommige waren met weemoed en droefheid beladen, andere gingen de vrolijke kant uit. Dirk maakte graag pastiches. Piet Paaltjens, Karel Van de Woestijne, Paul Van Ostaijen, Virginie Loveling, Willem Kloos, Nicolaas Beets, zelfs Bredero en Hadewych: hij bootste ze op zijn manier in koldergedichten na. Wat hiernavolgend aan dichtwerk wordt gepubliceerd, behoort gedeeltelijk tot hetgeen hij inleverde voor ons intiem krantje. Waar onder vermeld staat dat ze ongepubliceerd bleven, gaat het om verzen die hij mij af en toe opstuurde, zonder dat het de bedoeling was ze ook te verspreiden. ‘Verspreiden’ was natuurlijk een groot woord, voor een blaadje met zijn povertjes gestencilde 45 exemplaren.

 

Het werd duidelijk dat Dirk zich voornam literair actief te blijven en zo mogelijk naam te maken. Het was natuurlijk met de nodige ironie dat hij zich de grootste moderne dichter noemde, maar dat hij bezig was zich te bekwamen en hoopte een niveau te bereiken dat hem erkenning zou opleveren, is zeker.

 

In juni 1957 studeerde hij af en vond onmiddellijk een betrekking als leraar, het beroep dat hij al van in de humaniora als het zijne had vooropgesteld. In het voetspoor van de vele onderwijzers, onderwijzeressen en regentessen in zijn familie en omgeving, werd hij de eerste doctorandus. In één van zijn teksten gaf hij na enkele maanden lucht aan een zekere ontgoocheling over het povere niveau van zijn leerlingen.

 

Zijn eerste opdracht had hij verkregen bij de jezuïeten: vanaf 19 september 1957 gaf hij 21 uur Nederlands in het Sint-Barbaracollege in Gent. Hij postuleerde vervolgens voor lesuren in athenea. Zo gaf hij les in de athenea van Leuven, Tienen en Aarschot en in het Rijkstechnisch instituut in Leuven. In 1962 werd hij voorlopig en op 1 februari 1963 definitief benoemd tot leraar algemene vakken in het secundair onderwijs aan het Koninklijk Atheneum van Aarschot. In Jong en Oud, het oud-studentenblad van het college werd in het herfstnummer van 1964 meegedeeld dat hij twintig uur les gaf in het atheneum van Aarschot (Nederlands in poësis en retorica) en acht uur bij de Zusters in Tessenderlo (Engels en klassieke literatuur in de Eerste Wetenschappelijke) [6] . Hij stond tegen die tijd al zeven jaar voor de klas. Hij ging duidelijk op in zijn onderwijstaak en presteerde vaak méér uren dan een volledige lessenrooster vereiste [7] .

 

Toen hij, naar aanleiding van één van zijn eerste bescheiden publicaties om een korte autobiografie werd gevraagd, deed hij dat in onvervalst Dewittiaans: Ik leef iedere dag mijn leven. Ik herleef het iedere dag, ruminerend het vreemde kinderverdriet, de duistere nachten, de eenzame angsten, de broze ogenblikken van hoop en alles wat het lichter en dragelijker helpt maken. Ik leef met mijn leven. Ik zoek het. Ik schrijf het [8] .

 

Het duurde enkele jaren vóór hij zijn eerste werk in boekvorm publiceerde en enige reputatie verwierf. Het werden de verhalenbundel Het glazen huis geluk en de roman De vlucht naar Mytilene, die hij zelf, ondanks het zware thema, een persiflageroman noemde, zonder te verduidelijken wie of wat hij wilde persifleren. In Jong en Oud, het tijdschrift voor de oud-leerlingen van het Sint-Jozefscollege, werd regelmatig bericht over zijn jongste publicaties of activiteiten. Dirk deelde mee dat hij aan een omvangrijke autobiografische roman werkte, waarvan zijn alter ego Ernie Wever het hoofdpersonage was. In 1965 publiceerde hij hiervan een kort fragment, waarin hij het had over een opstandig jongetje dat ongelukkig was op het college en zich opsloot in zijn eigen fiere en rebelse overtuiging. Er zat ongetwijfeld iets van Dirk in dat jongetje, en het college dat hij beschreef was voor zijn tijdgenoten goed herkenbaar. Het verhaal stond nochtans veraf van de werkelijkheid, want Dirk was eenzaam noch opstandig geweest en was zowel bij de leraars als bij zijn kameraden populair: hij was een open, vrolijke, fidele kerel. Het verhaal culmineerde in een verzonnen laatste bezoek van de moeder en drie dagen later het bezoek van de vader, die haar overlijden kwam melden. De ouders van Dirk stierven evenwel pas toen hij al volwassen was. Het autobiografische was dus aangepast aan de ongelukkige jeugd die hij zich wenste aan te meten, maar die hij niet aan den lijve had moeten ondervinden. ‘Waarom vrolijk, als het ook droevig kan?’

 

Nog student, was hij einde december 1956 gehuwd met de vier jaar oudere Anneke Hoegaerts, die hem hun korte leven lang adoreerde. In 1954 had hij zijn vader verloren en in 1955 zijn moeder: hij had nood aan houvast en aan een thuishaven. Het jonge koppel ging wonen in de Leopoldstraat in Mechelen. Begin de jaren zestig vond de verhuis plaats naar de Een-Meilaan in Kessel-Lo. Dirk en Ann woonden naast een nicht van Dirk, Lydia De Bleser en haar echtgenoot Guy van Gysel, die aan het doctoreren was in de scheikunde. Er werd ook vriendschap gesloten met het jonge echtpaar Dora en Jos Daniels, dat in dezelfde straat woonde. Ze behoorden alvast tot het jolige, optimistische type. Jos Daniels werkte als jong jurist bij de Verzekeringen ABB, maatschappij waarvan hij later afgevaardigde bestuurder en voorzitter werd. Het echtpaar Daniels bouwde een huis en Dirk en Anneke kwamen mee behangen en schilderen. Er was veel gezelligheid en veel discussie, waar onder meer ook de twee onderpastoors van de parochie bij betrokken waren, tot ze de gezelligheid boven het priesterschap prefereerden, in het huwelijk traden en een wijnhandel opzetten. Een andere nabije vriend uit die periode was Mon Van den Eynde, de trainer van Gaston Roelants. Met hem reeds Dirk dagelijks naar Aarschot, waar ze beiden aan het Atheneum verbonden waren. Van den Eynde stond bekend als een vrolijke kerel en onuitputtelijke moppentapper. Het ziet er dus duidelijk naar uit dat Dirk in de periode 1960-65 onder heel normale en vrolijke mensen leefde, bij wie hij als aangename vriend werd geaccepteerd.

 

In Kessel-Lo kon Dirk bouwgrond kopen boven op de Trolieberg en liet hij er het huis bouwen waar hij in augustus 1965 met Anneke zijn intrek nam. Het was een tamelijk banaal huis, dat iets van een Zwitsers chalet had, maar van achter het brede venster genoten ze van een prachtig gezicht op de vallei, met in de verte de toren van de abdij van Vlierbeek. De contacten met de vrienden uit de Een-Meilaan verminderden, tot men mekaar uit het oog verloor. Dirk begon zich stilaan als kunstenaar te gedragen en zocht zijn relaties voortaan in de literaire en artistieke middens.

 

Het huwelijk bleef tot beider groot verdriet kinderloos en er kwam sleet op. In september 1969 vertrok hij voor een sabbatjaar naar Zuid-Afrika, waar hij dankzij een studiebeurs literair-sociologisch onderzoek kon gaan verrichten, met het oog op een doctoraatsverhandeling over het onderwerp Sociologie van de Afrikaanse literatuur, waarbij hij zich vooral concentreerde op de Afrikaanse schrijver Nicolaas Van Wijk Louw (1906-1970). Hij verbleef er tot in juni 1970, hoofdzakelijk in de kleine universiteitsstad Grahamstad. Hij sloot er vriendschap met een jonge studente en na zijn terugkeer onderhield hij tijdens zijn laatste levensmaanden met haar een drukke correspondentie, waarin hij het had over zijn opvattingen over literatuur en leven. Einde 1999 kondigde uitgeverij Manteau in haar catalogus voor het jaar 2000 de publicatie van deze briefwisseling aan, onder de titel Brieven uit Leuven. Die brieven gaven, volgens de uitgever, een uniek beeld van het literaire leven in ons land aan het einde van de jaren zestig. Toch ging de publicatie, naar verluidt vanwege te geringe belangstelling bij de boekhandel, niet door.

 

Bij zijn terugkeer hernam Dirk, zo goed en zo kwaad als het ging, het gemeenschappelijk leven met Anneke. Hun huwelijk, wellicht te vroeg aangegaan, niet samengehouden door het cement van de gewenste kinderzegen, was van een ongelijke samenstelling, met een filosofische piekeraar die zijn leven in literaire termen beleefde en een minder intellectuele maar hartelijke en toegewijde vrouw, die niets liever vroeg dan hem gelukkig te maken. Ze was, zo schreef Loekie Zvonik, alles voor hem: moeder, vriendin, geliefde, minnares, zuster, echtgenote. Jeroen Brouwers voegde er aan toe dat zij ook nog zijn secretaresse, zijn typiste, zijn advocate, zijn klankbord was. Ten overvloede was zij ook nog zijn financier, want het huis op de Trolieberg werd in grote mate dankzij de door haar ingebrachte centen mogelijk gemaakt. Het gemis aan kinderen compenseerden ze, schreef Brouwers, door een aandoenlijke affectie voor de kinderen van anderen en door het in huis halen van zwerfhonden en dito katten. Als hun hond jongde dachten ze aan zichzelf en schreef Dirk: Er was geen jaloersheid, geen ontgoocheling, alleen een stille melancholie en een beetje zelfmedelijden, hoewel we filosofisch beter wisten.

 

Onze vriendschap was ondertussen niet verbroken, maar we hadden elk ons leven, en van reünies of brieven schrijven kwam na enkele jaren niet veel meer in huis. Eenmaal bracht ik in 1960, tijdens mijn legerdienst, een genoeglijke avond door in zijn appartement in Mechelen. Hoewel we uit elkaar waren gegroeid, waren de zeldzame ontmoetingen steeds een feest van de vriendschap. Een vanzelfsprekende vriendschap, niet geforceerd of kunstmatig. Dit was onder meer het geval toen we einde 1963 mekaar ontmoetten, tien jaar na de retorica. Op die bijeenkomst was Dirk de gangmaker en tot in de vroege morgen onderhield hij ons in de Beurze van Amsterdam met zijn onuitputtelijke voorraad moppen. Als mijn geheugen niet faalt, was het de laatste keer dat ik hem ontmoette.

 

Dirk was, zoals de teksten hierna aantonen, al van in zijn jeugd begaan, zoniet behekst door het vrijwillig uit het leven stappen. In een vroege brief schreef hij me dat hij de dood niet vreesde, maar te laf was om een einde aan zijn leven te stellen. Het zou later anders worden. Hij begon geschiedenissen te verzamelen over auteurs die zelfmoord hadden gepleegd en over methodes van zelfmoord. Hij citeerde vaak het controversiële woord van Camus: Il n’y a qu’un problème vraiment sérieux, c’est le suicide. Die zin kwam ook voor op de kaft van de verhalenbundel De formule van Lorentz, meteen zijn laatste boek.

 

In een brief aan pater Schurmans, in de zomer van 1968, waarin hij opgave deed van tien publicaties, verschenen of te verschijnen (Ik hoop dat je nu niet de indruk krijgt dat ik maar tot tien kan tellen.) kondigde hij een eerste publicatie aan over het zelfmoordthema, in het tijdschrift Komma: een fragment uit hét werk waarmee ik voor het ogenblik bezig ben en waarover ik al sprak: een onderzoek naar de thematiek in het œuvre van de schrijvers en schrijfsters die zelfmoord pleegden en zo mogelijk een analyse van de motieven. Dit werk wordt dus meer een psychiatrisch dan een letterkundig document. Het fragment dat in Komma verschijnt is in feite maar een voorbeeld van methodiek en handelt over een nogal marginale Vlaamse schrijver Gust Van Roosbroeck, medewerker indertijd aan de eerste jaargang van De Boomgaard en die in 1914 uitweek naar Engeland en vandaar naar Amerika, waar hij professor in de romanistiek werd aan de universiteit van New York [9] .

 

Voortaan schreef Dirk bijna over niets anders meer dan over zelfmoord. Alleen nog teksten over zelfmoord of schrijvers die zelfmoord hadden gepleegd, interesseerden hem. Hij zocht naar motivaties, hij speurde ook naar methodes om die te ontdekken. In zijn artikel Blues for Mr. Suicide schreef hij onder meer: Ikzelf word in mijn studie over de zelfmoord van de literator al te vaak geleid door de gedachte dat ik in hoofdzaak naar de psychische inhoud van het werk moet speuren om indices te ontdekken van de progressieve desintegratie die later eindigt in zelfmoord. Ik ben door de lectuur van de Perzische schrijver Sadegh Hedayat [10] echter beginnen beseffen dat ook de vormgeving van het werk revelerende aanwijzingen kan geven. Hierbij verwees hij naar de romans van Ernest Hemingway waarin, volgens hem, de aftakeling van de schrijver ook in de manier van schrijven was vast te stellen.

 

In zijn eigen leven beklemtoonde hij de zinloosheid van het bestaan. Zelfs als hij zich uitgebreid bezon over het maatschappelijk engagement waar hij zich toe verplicht achtte, - hij had in de dagen van mei 68 deelgenomen aan de ‘bezetting’ van het Paleis voor Schone Kunsten - eindigde dit op een compleet negatieve conclusie: Het uiterste pessimisme waarvan ik soms beschuldigd werd – en dat ik niet ontken – kan uit niets anders voortkomen dan uit de onvrede met de maatschappij waarin ik verplicht ben te leven en die me tezelfdertijd dat leven onmogelijk maakt, omdat ze me dwingt te leven volgens haar schema’s en à priori’s waarin ik niet geloof en waaraan ik geen waarde hecht. Ook hier lag de conclusie voor de hand.

 

De morbide belangstelling voor het uit het leven stappen, hield hem stilaan volledig in de ban. In de meeste van zijn verhalen kwam zelfmoord aan bod. In alles wat hij schreef kondigde hij zijn gewilde dood als het ware aan. Maar wie moet nu gaan vrezen dat de schrijver in zijn eigen leven zal voltrekken wat hij in zijn verhalen heeft gefantaseerd? Zou hij de donkere gevoelens niet eerder de baas worden door ze van zich af te schrijven?

 

En toch. Op 27 december 1970 voegde Dirk de daad bij het woord en vergaste zich in zijn auto, samen met zijn hond. Het nieuws stond twee dagen later in de kranten in de gebruikelijke, omfloerste maar niettemin voldoende duidelijke termen: dood in zijn garage aangetroffen. Of ik het nieuws direct vernam, of pas enkele dagen later, herinner ik me niet meer. Ik las toen, om redenen te lang om hierover uit te wijden, alleen maar Le Monde en het Brugsch Handelsblad, en daarin kwam het bericht natuurlijk niet voor. Ik denk eerder dat ik het pas begin januari vernam. Ik leefde toen zelf in de euforie van de geboorte, een paar weken voordien, van ons derde kind en eerste zoon, we waren pas verhuisd naar het huis van mijn dromen onder de Brugse molens, mijn eerste boek was in historische kringen goed onthaald, ik had een uitstekende uitslag bekomen bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober en op 1 januari, na een uitbundige Oudejaarsnacht, legde ik met schorre stem de eed af als gemeenteraadslid in de nieuwe fusiestad Brugge.

 

Het nieuws van Dirks dood greep me sterk aan en ik had er nood aan enkele oude kameraden terug te zien, hoofdzakelijk om onze herinneringen aan hem op te halen. Ik organiseerde een bijeenkomst bij mij thuis waarop een half dozijn klasgenoten aanwezig was, met echtgenoten: een soort dodenwake, maar dan wel met uitbundig plezier en de erbij horende spijs en drank. Wij hadden geen états d’âme, het leven lachte ons toe. Ik had ook Anneke De Witte uitgenodigd, en ze had aanvaard, maar toen onze gasten al waren aangekomen, belde ze op met de mededeling dat ze niet zou komen. Het overlijden van Dirk begon ze nog maar pas te verwerken, zegde ze, en een gesprek met zijn jeugdvrienden kon ze nog niet aan. Ze zou nog wel contact opnemen, beloofde ze. Zeven maanden later, op 27 juli 1971, volgde ze Dirks onzalig voorbeeld, samen met haar kat.

 

Dirk is amper 36 geworden en hij heeft slechts een pril en onvoldragen œuvre nagelaten. Hij heeft nochtans méér geschreven en gepubliceerd dan men zou vermoeden, de hiernavolgende proeve van bibliografie toont het aan. Hij hield er de moed in, zoals blijkt uit de opgave van het vele werk waar hij mee bezig was, in zijn mededeling van medio 1968 aan pater Schurmans. Toen had hij nog duidelijk de ambitie, ‘iemand’ te worden in de kleine republiek der Nederlandse letteren.

 

Hij begon zich in literaire kringen te bewegen en trad met enkele van de gevestigde auteurs in contact en briefwisseling: Gerard Walschap, Karel Jonckheere, Ward Ruyslinck en vooral Marnix Gijsen. Uiteraard onderhield hij contacten met zijn uitgevers, Angèle Manteau, Julien Weverbergh en Jeroen Brouwers. Ongetwijfeld hield hij er nog andere relaties op na, maar veel is hiervan niet meer te achterhalen. Het Archief en Museum van het Vlaams Cultuurleven bewaart slechts een klein aantal van zijn brieven [11] .

 

Af en toe publiceerde hij artikels in De Nieuwe en in De Vlaamse Gids, zijn besprekingen van de films van Pasolini vertrouwde hij aan Kultuurleven toe, maar het was voornamelijk in het Nieuw Vlaams Tijdschrift dat zijn meest bewerkte bijdragen verschenen. Soms waren het erudiete artikels, zoals over de poëzie van Gerrit Achterberg en van Lucebert, maar stilaan kwam hij op dreef met bijzonder kritische bijdragen. Kees Fens was de eerste om er in 1967 van langs te krijgen. In 1970, onder de titel Een omelet bakken op een puinhoop verweet hij aan Julien Weverbergh dat hij zich in zijn recensies als een charlatan gedroeg. Naast zijn sneren naar de ‘elucubraties’ van Weverbergh, kregen meteen ook de auteurs Willem Frederik Hermans en Hugo Claus een flinke veeg uit de pan.

 

In 1971, na zijn dood dus, verschenen nog twee gelijkaardige artikels. Het eerste had het over De vrucht van de verbeelding, met name over een kind dat in Het ivoren aapje van Herman Teirlinck, indien de chronologie van de auteur klopte, elf en een halve maand na de bevruchting geboren werd: de langste ezelsdracht in de Nederlandse letteren. Dirk vond dat romanciers geloofwaardig moesten schrijven en onder meer de chronologie in het oog dienden te houden.

 

Het tweede, onder de suggestieve titel In het land der blinden was een grondig gedocumenteerde kritiek op de onnauwkeurigheden, onjuistheden en slordigheden, - de ‘geestesverwarring’ noemde hij het - in het werk van Hugo Claus. Zijn speurend en kritisch oog had nogal wat ontdekt, zowel in De Metsiers als in Omtrent Dedee en in De Verwondering. Slordigheid, waardoor de tijdsstructuur in het honderd loopt, personen verschillende leeftijden toegemeten krijgen, de seizoenverschijnselen ontsporen en zo meer, is karakteristiek voor de romancier Hugo Claus, vergissingen die door de ongewone slordigheid tot een constante aan elkaar geregen worden. - De Verwondering, algemeen beschouwd als het beste boek van Hugo Claus, staat vol onnauwkeurigheden en nonsens. Zijn oordeel over Claus was dat hij een literator [is] in wiens romanwerk dergelijke fouten niet meer incidenteel zijn, maar zo kwistig rondgestrooid werden, dat men het als een belediging begint te ervaren. Dat zijn kritiek gepubliceerd werd in het NVT waar Hugo Claus tot de redactie behoorde, was extra pikant. Helaas was Dirk er niet meer om er van te genieten.

 

Wat heeft hem uiteindelijk tot de integrale wanhoop gedreven? Een uitgeblust huwelijk? De eentonigheid van zijn leraarsbestaan? Het besef dat hij geen groot schrijver zou worden? Misschien iets van dit alles, hoewel het wellicht niet méér dan de uitwendige tekenen waren van een aanwezige pathologie. Het is duidelijk dat de zelfmoordgedachte hem van in zijn prille jeugd bezighield. Uitzonderlijk is de Weltschmerz bij een jongere, vooral een met een poëtische ziel, natuurlijk niet. Hij heeft die evenwel niet van zich kunnen afzetten, heeft de giftige plant  jarenlang gekoesterd en heeft ze uiteindelijk laten overwoekeren, als een verslindende parasiet. Ik ken mijzelf te goed om niet te weten dat ik mijn lijden cultiveer, schreef hij me al in 1954.

 

Dertig jaar na zijn dood, mijmer ik soms over onze vriendschap. Het was mooi. Ik stel me vragen over wat hij zou geworden zijn, had hij het leven aanvaard. Zou hij verdere literaire ambities gekoesterd hebben en een erkend auteur zijn geworden van eigen scheppend werk, of een gevreesd en erudiet criticus? Zou hij naam hebben gemaakt als beeldhouwer? Of als schilder en tekenaar? We zullen het nooit weten. Bij weinigen zal zijn naam thans nog een precies beeld oproepen en het zal er niet op verbeteren. Daarom heb ik deze bladzijden aan hem gewijd, als een epitaaf van herinnering.

 

Nu en dan, hier en daar, zal iemand die hem gekend heeft en in wiens herinnering hij voortleeft, deze bladzijden ontdekken en met weemoed terugdenken aan de joviale man, met zijn vele poches dans le cœur, die hunkerde naar vriendschap en liefde, en er, ondanks alles, ook zelf veel gaf.

 

 

 

 Ik zal nog met u wandelen,
Twee vrienden hand in hand,
Eens, na mijn laatst ontwaken,
Ginds, in een ander land.


P. N. Van Eyck

 

 

II

« UNE DESCENTE AUX ENFERS »

 

 

Na 1963, zeker na 1965 heb ik Dirk De Witte niet meer ontmoet en voor zover ik me herinner ook niet meer met hem gecorrespondeerd. Ik volgde hem van op afstand, las zijn boeken. Misschien heb ik hem ervoor gefeliciteerd, ik weet het niet meer. Het waren de jaren waarin ik huwde, de kinderen kwamen, en ik tot over mijn oren in het professionele en politieke werk zat. De tijd ook van veel andere vriendschappen: Brugse, of overgehouden uit mijn Naamse tijd en vooral van de legerdienst. En ook nog de tijd waarin ik zelf stilaan de schrijfmicrobe te pakken kreeg, al was het dan in een gans ander register dan dat van Dirk.

 

Over hoe hij die laatste jaren vóór zijn dood evolueerde, bestaan twee essentiële bronnen, Jeroen Brouwers en Loeki Zvonik. Beiden hebben hem, elk op hun manier, een vorm van onsterfelijkheid bezorgd, voor hem een monumentum aere perennius opgericht, door het voortreffelijk te boek stellen van zijn droevige, hartverscheurende en aangrijpende geschiedenis. Beide verhalen verdienen in extenso te worden herlezen, want hierna kan ik er slechts enkele elementen, hopelijk de essentiële uit halen.

 

Jeroen Brouwers

 

Jeroen Brouwers heeft Dirk De Witte gekend, wellicht vanaf 1965 maar vooral in de jaren 1967 tot 1969. Hoe was de verhouding tussen beiden? Enerzijds was Dirk zes jaar ouder en Brouwers amper vijfentwintig. Zelfs onder zijn leeftijdgenoten was Dirk eerder een ‘chef’. Hij was toen ook al een aantal jaren leraar. Is het uitgesloten dat hij zich aanvankelijk in zekere mate als mentor tegenover de jongeman gedroeg? Hij leerde hem alvast auto rijden. Anderzijds had Brouwers bij uitgeverij Manteau een functie die hem de mogelijkheid gaf een schrijverscarrière te bevorderen. Vandaar misschien een zekere afhankelijkheid vanwege Dirk, zoals die tot uiting kwam in sommige van de brieven die hij aan Brouwers richtte en waaruit in maart 2001, naar aanleiding van een literaire rel, geciteerd werd [12] . Hoe dan ook was de relatie tussen beide mannen niet oppervlakkig. Brouwers schreef immers: Zijn zelfmoord, toen die tenslotte, nadat hij vele malen was aangekondigd, dan toch nog had plaats gevonden, heeft mij een dreun bezorgd ten gevolge waarvan ik ben veranderd in een andere persoon dan die ik was vóórdat het gebeurde (…). Deze zin herinnert me aan het vers van J. W. F. Werumeus Buning, - de dichter van de Maria Lecina ballade, die we uit het hoofd reciteerden -, waar we beiden hoog mee opliepen:

 

Zo tedere schade als de bloemen vrezen

Van zachten regen in de maand van mei,

Zo koel en teder heeft uw sterven mij

Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

 

Een eerste maal heeft Brouwers Dirk onder de naam Lorentz Blanke ten tonele gevoerd in zijn novelle Zonder trommels en trompetten (1973), hernomen in Mijn Vlaamse Jaren (De Arbeiderspers, 1978). Deze novelle zou misschien niet geschreven zijn, in ieder geval zou hij niet zó geschreven zijn als hij geschreven is, als ik Dirk de Witte met zijn manieën, zijn obsessies en zijn tranen niet van nabij had gekend (…), herinnerde zich Brouwers, die ook vertelde dat hij aan Dirk veel stripverhalen had uitgeleend, Kuifje, Asterix, de Smurfen, Lucky Luke en nog van dat soort. Opwekkende lectuur dan toch!

 

Ze bezochten elkaar aan huis – ze woonden op een afstand van een kwartiertje rijden -, en Brouwers herinnerde zich hoe, op de zolder van zijn woning in Vossem, Dirk ooit aan aldaar hangende kettingen was gaan bungelen, terwijl hij namen opsomde van schrijvers die zich hadden verhangen. Voor het boek dat hij zich voornam te schrijven over ‘zelfmoord in de literatuur’, wilde hij eerst honderd namen bij elkaar hebben, alvorens hij er aan begon. Toen hij er zeventig had bijeengeharkt, loofde hij honderd frank uit voor ieder nieuwe naam die men hem kon leveren. Brouwers bracht er hem twee aan, maar Dirk vergat hem ervoor te betalen. 

 

Ze ontmoetten elkaar voor het laatst ergens midden 1969, kort voor Dirks vertrek naar Zuid-Afrika. Hij had zich snor en kinbaard aangemeten. Brouwers hield daar niet van, deed er zelfs een afkeer voor op: zie je nou wel! al die jongens met hun snorren en sikjes… De relatie was ten einde: Wij hadden elkaar toen eigenlijk zo helemaal niets meer te zeggen, het kwam voor dat wij kwartierenlang zwijgend tegenover elkaar zaten, waar ik chagrijnig en nerveus van werd.

 

In Kroniek van een karakter (Deel I, De Achterhoek, 1986, Deel II, De Oude Faust 1987, uitgeverij Hadewych), had Jeroen Brouwers het opnieuw bij herhaling zowel over Dirk als over Anneke De Witte. Zij was bij Manteau enige tijd zijn secretaresse en speelde zelfs een kleine rol in de hevige ruzies binnen de uitgeverij, onder meer door het stiekem afvoeren in 1970 van een gedeelte van het archief, richting Archief & Museum van het Vlaams Cultuurleven, op een dag dat Julien Weverbergh niet op kantoor was en enkele dagen vóór Anneke in dienst trad bij Angèle Manteau die haar eigen uitgeverij had verlaten en naar Elsevier was overgestapt. Een addernest was het me daar wel.

 

Brouwers schreef ook dat hij van Loeki Zvonik in 1980 het zelfmoordkoffertje van Dirk had gekregen, met allerhande papieren erin, waartussen hij evenwel nauwelijks iets interessants had gevonden en het op de zolder had gekieperd. Verder vermeldde hij dat hij zich voor zijn zelfmoordboek toespitste op het ‘geval’ Dirk de Witte, maar er jarenlang niet toe kwam het kwestieuze hoofdstuk te schrijven.

 

De belangrijkste teksten van Jeroen Brouwers over De Witte zijn een uitgebreid artikel Tien jaar na de dood van Dirk De Witte, verschenen in Vrij Nederland op 20 december 1980 en een nog breder uitgewerkte tekst in zijn boek De laatste deur, Essays over zelfmoord in de Nederlandse letteren (Uitgeverij Synopsis - De Arbeiderspers, 1983). Het verhaal over De Witte vormde het slothoofdstuk en tevens het meest uitgebreide (vijftig bladzijden op de vijfhonderd) van het boek.

 

Hierin schreef Brouwers onder meer: Hij was een goed mens, in ieder geval was hij een goedhartig mens. Ik heb hem gekend als de hulpvaardigheid, de gastvrijheid, de vriendelijkheid zelve. Ik heb van Dirk De Witte leren auto rijden in diezelfde Anglia [waarin hij zelfmoord pleegde], op de stille landwegen tussen zijn huis op de berg en het kerkhof in het dal. Heel soms lachte hij. Al was hij wars van ‘artistiekdoen’, hij bezat het fluïdum van de ‘lijdende kunstenaar’ – als hij lachte leek het of dat niet paste bij zijn gezicht, dat het gezicht was van een zeer verdrietige piekeraar, of dan toch van een melancholicus met slaapmoeilijkheden. Vlak voor zijn dood cultiveerde hij nog een snor en een kinbaardje, die aan zijn uiterlijk iets extra-filosofisch en extra-droefgeestigs toevoegden. Soms werden zijn ogen uitdrukkingsloos en vochtig, soms ging hij verder en liet hij zijn tranen onbeschroomd de vrije loop, ongeacht de omstandigheden en het gezelschap waarin hij zich bevond. ‘Schreit hij alweer? Il a la larme facile’ (Loeki Zvonik)”.

 

Het kwam voor dat hij de conversatie abrupt afbrak en in de suizende stilte die dan ontstond voor zich uit ging zitten staren, alsof hij opeens naar elders was verplaatst, waar hij alléén was en niet hoefde te praten. Als hij daarna ‘terug’ was begon hij… moppen te vertellen, tientallen achter elkaar, uitermate droog en zonder dat zijn gezicht erbij uit de plooi kwam.

 

Brouwers vermeldde ook dat Dirk schilderde en beeldhouwde. Dit laatste bestond uit metaalconstructies, ‘maskers’ volgens Eugène Van Itterbeek, grotendeels vervaardigd uit aan elkaar gelaste afvalmaterialen [13] . Die werken waardeerde Brouwers nog het meest, omdat daar volgens hem niet zo erg bij opviel wat bij zijn schilderwerk en nog meer bij zijn geschriften in het oog sprong: achteloosheid, onzorgvuldigheid, minachting voor vakmanschap.

 

Over de literaire waarde van het werk van Dirk De Witte was Jeroen Brouwers dan ook erg negatief. Het hàd een œuvre kunnen worden. De schrijver Dirk De Witte stierf midden in een literaire expansieperiode die van hem misschien iets méér zou hebben gemaakt dan de middelmatige schrijver die hij is geweest. Hij was bezig te zoeken naar zijn eigen stem, stijl en vorm; hij was dààr gekomen waar iedere schrijver belandt die zijn debuutroman achter de rug heeft en zich realiseert dat het nog niet geschreven boek altijd het belangrijkste van zijn letterkundige productie zal blijven. De Witte zou, ooit, misschien, tenminste één volledig geslaagd boek hebben geschreven, als hij niet zo haastig was geweest met zijn zelfmoord: er waren tekenen die in die richting leken te wijzen.

 

Van wat hij schreef werd méér niet dan wel gepubliceerd. Tot de ongepubliceerde geschriften van Dirk De Witte behoren zeker twee of drie, maar misschien ook méér, lijvige romans en zeker ook een tiental korte verhalen, waaronder ten minste één in het Duits. Ook aan deze geschriften kleefden de sporen van overhaasting, ze waren onleesbaar, hij kreeg ze zonder mankeren van tijdschriftredacties en uitgeverijen retour, soms met goedbedoelde suggesties tot verbetering ervan, maar De Witte was dan alweer aan een volgend geschrift begonnen en de suggesties tot verbetering vatte hij op als blijken van miskenning van zijn talent en zelfs als persoonlijke beledigingen.

 

Hij raakte verbitterd en hij werd onbenaderbaar. Hij waande zich tenslotte mislukt op alle gebieden van zijn bestaan: vanaf die misschien vermeende of zelfs gefantaseerde ‘vaagheid’ van zijn afstamming [14] tot de kinderloosheid van zijn huwelijk. Hij voelde zich teleurgesteld in zijn echtgenote, zijn vrienden en andere relaties. Hij achtte zich veronachtzaamd door literaire collega’s, de literaire kritiek en het publiek. Hij beeldde zich in dat hij een slechte en impopulaire leraar was. Maar gelukkig had hij zijn hond nog. Wolf, de bastaardteckel: de enige die me nog begrijpt. Alvast de enige van wie hij geen tegenspraak moest vrezen.

 

Zei hij iets, dan was het acht van de tien keer een citaat, zes van de acht keer een citaat in verband met zelfmoord. Dit citaat was steevast afkomstig uit een boek van een schrijver-zelfmoordenaar, of uit een wetenschappelijke verhandeling over zelfmoord, of uit een boek van de schrijver-zelfmoordenaar in spe Dirk De Witte zelf, ook wel kon hij een tekst in verband met zelfmoord citeren die zowel van een ander als gelijkertijd van hem zelf was.- In de laatste maanden van zijn bestaan behoorde Das Handwerk des Lebens, het dagboek van de Italiaanse schrijver-zelfmoordenaar Cesare Pavese, tot zijn lijflectuur: hij streepte er passages in aan, hij citeerde eruit, hij lardeerde de conversatie met zinsneden en denkbeelden van Pavese, niet zelden alsof ze van hem zelf waren.

 

In zijn steeds kleiner wordende kring van intimi werd hij een dwingeland van zieligheid: op geen enkele manier gelukkig, maar tevens op geen enkele manier bezig of bereid daar iets aan te veranderen. – Hij werd zeer eenzaam. Brouwers  kreeg medelijden en gevoelde wrevel om het geknoei met de talenten die hij wel degelijk bezat. Hij distantieerde zich van hem, het beste wat hij kon doen, wilde hij niet meegezogen worden in de al maar onwezenlijker wereld van Dirk.

 

Uit wat Brouwers schreef, en uit wat Loeki Zvonik schreef, over wie we het aanstonds zullen hebben, met betrekking tot respectievelijk de laatste jaren en de laatste maanden in het leven van Dirk De Witte, over zijn eenzaamheid, zijn bestendig bezig zijn met de dood, zijn zieligheid, enzovoort en anderzijds zijn rusteloosheid, zijn enorme, versnipperde, koortsachtige en onafgewerkte activiteit (hij produceerde veel, hij was altijd aan het produceren), herken ik wat ik in een paar zeer gelijkaardige gevallen heb meegemaakt,  – tot en met de hond als laatste toeverlaat, het laten groeien van een baard, de geïdealiseerde  personen met wie men zich identificeert, het ‘spreken in raadsels’ en het opbouwen van mythes, het koortsachtig bezig zijn met steeds nieuwe initiatieven die altijd opnieuw luchtkastelen blijken of onafgewerkt blijven, het spelen van lugubere ‘spelletjes’, het ‘terroriseren’ van zijn omgeving, het dreigement van ‘ik maak me van kant’, het oeverloos peroreren en niet naar anderen luisteren, het afbreken met vrienden en familieleden van zodra die niet kritiekloos instemmen.

 

Ik ben maar een leek, maar met die andere ervaringen voor de geest – waar trouwens werd ingegrepen en genezing werd bereikt -, lijkt het me dat Dirk psychisch gestoord was en medische hulp behoefde. Jeroen Brouwers en Loeki Zvonik gaven een bijna klinische beschrijving van wat er allemaal verkeerd bij hem liep en een zenuwarts zou op basis hiervan zeer waarschijnlijk een exacte diagnose kunnen stellen, zelfs zonder de patiënt te hebben ontmoet. Manisch-depressief? Het zou zoiets geweest kunnen zijn. Tot hiertoe had ik dit niet door. Ook niet toen ik Brouwers destijds las. Nu ik hem herlas, met in de herinnering de paar gevallen die ik ondertussen heb meegemaakt, kreeg ik een déjà-vu gevoel, stond alles me plots klaar voor de ogen.

 

Ik heb een boek van dokter Gaston Colle bij de hand, Organische psychiatrie, een inleiding (Acco, 1991). Onder de rubriek “manisch, depressief of gemengd organisch syndroom” vermeldt hij: - als verschijnselen uit het manisch register: overdreven activiteit, psychomotorische agitatie, spreekdrang, gedachtenvlucht, verhoogde afleidbaarheid, overdreven gevoel van eigenwaarde en grootheidsideeën, roekeloosheid, verminderde slaapbehoefte; - als verschijnselen uit het depressief register: slapeloosheid of slaperigheid, psychomotorische agitatie of remming, verlies van belangstelling en van genot, vermoeidheid, zelfmoordgedachten, concentratiezwakte; in beide gevallen: zonder verneveling van het bewustzijn noch verstandelijke achteruitgang, zonder associatiezwakte noch incoherentie.

 

Men kan dit alles, bijna punt voor punt bij Dirk terugvinden tijdens zijn laatste levensjaren, zoals Brouwers ze heeft opgetekend, en in zijn laatste maanden zoals Loeki Zvonik ze heeft weergegeven.

 

Ook het waansyndroom dat dokter Colle behandelt, bevat elementen die in de beschrijving van Brouwers zijn terug te vinden: excentriciteit, incoherente gezegden, hyperactiviteit, geritualiseerd of gestereotypeerd gedrag met magisch denken, - zoals, voor dat laatste, onder meer de buitenissige betekenis die Dirk hechtte aan het getal zevenentwintig. Hierin past perfect de beschrijving die Brouwers van Dirks zelfmoord gaf: pretentieus, nadrukkelijk en theatraal voorbereid, volvoerd en van mogelijke ‘betekenislagen’ voorzien. En ook nog, voor wat de excentriciteit betreft, de snor en de kinbaard van het laatste jaar.

 

Zijn omgeving, zoals het vaak voorkomt, heeft dit niet zo aangevoeld. Anneke stond te zeer voor hem in bewondering en was te onderdanig, om in zijn zonderlinge gedrag iets anders te zien dan de uitdrukking van zijn artistieke Sehnsucht en zijn zoeken naar zingeving. Ze was wellicht al zelf geïnfecteerd door zijn ziekte en de eruit voortvloeiende ‘spelletjes’. Soort zoekt soort. Als Brouwers over Dirk schreef dat hij kon van zijn kwaadheid en snel ontvlammende jaloezie blijk geven op een wijze die soms aan het volkstoneel deed denken dan schreef hij over haar: Ook zij was niet afkerig van het brede theatergebaar, de knieval, het zich kermend en stortend rondwentelen in het stof: men moet dit opvatten in letterlijke zin. Waarop ze dan beiden langdurig huilden. Voor wat zonderling gedrag betreft, waren ze aan elkaar gewaagd.

 

De middens die hij frequenteerde bestonden ook eerder uit bohémiens en ‘alternatieven’, bij wie de ziektesymptomen die hij vertoonde waarschijnlijk niet opvielen. Daarnaast had hij ‘relaties’ in literaire kringen, maar wellicht weinig of geen echte vrienden. Anderzijds, wie psychisch gezond was, keek alleen maar onwennig en met onbegrip tegen zijn evolutie aan, en bleef algauw uit de buurt. Waarschijnlijk had hij zich afgesloten (hij werd ongenaakbaar, schreef Brouwers) van ‘normale’ mensen, zoals zijn vroegere medestudenten, collega’s of familie. Met deze laatste had hij trouwens nooit veel contacten gehad. Zij zouden misschien vlugger lont hebben geroken. Uiteindelijk sloot hij zich af van de wereld en waren nog maar heel weinig mensen bereid zijn ‘gejank’ aan te horen.

 

Dertig jaar geleden waren psychische stoornissen nog veel meer een taboe dan dit thans het geval is, al geeft men ook nu nog altijd makkelijker toe te lijden aan een maagzweer, een hartaandoening of zelfs een kanker, dan dat men een psychische stoornis zal bekennen. Het gaat nochtans ook maar gewoon om een ziekte, in onze samenleving zelfs een wijdverspreide en banale ziekte. Daarbij heeft de psychiatrie, vanaf de jaren vijftig en zestig, met reuzenschreden vooruitgang geboekt. Dirk kon zonder twijfel genezen worden en bevrijd van zijn angsten en zijn doemdenken. De vraag is daarbij natuurlijk, of hij zelf zou aanvaard hebben dat hij gewoon ziek was en er in zou hebben toegestemd zich te laten verzorgen. Misschien zou het hem gevleid hebben, had men hem een psychoanalyse voorgesteld. Zijn ingewikkelde ziel zou wellicht in de rechte plooien zijn gevallen, na een grondig uit elkaar rafelen. De farmacologische behandelingen verrichtten anderzijds voor dergelijke gevallen wonderen. Hij zou zich het trotzdem hebben kunnen eigen maken, en geleerd hebben te leven met de wanhoop.

 

In De laatste deur heeft Jeroen Brouwers een hoofdstuk gewijd aan de psychiatrie in verband met de zelfmoord van schrijvers. Hij heeft er zich sceptisch in uitgelaten over de mogelijke gunstige resultaten van de toegepaste therapieën. In de door hem besproken gevallen heeft hij ongetwijfeld gelijk. Hoe zou het ook anders kunnen? In alle takken van de geneeskunde staat behandelen niet gelijk met genezen. Zou het dan beter zijn bij het helen van het zo mysterieuze menselijk brein? Wie echt gek wordt, met onomkeerbare brain damage, is nog moeilijk zoniet onmogelijk te genezen. Maar in het geval van Dirk lijkt het me dat het precies om een aandoening ging die wel degelijk geneesbaar was. Dirk was niet gek, hij moest zeker niet naar een psychiatrische inrichting verwezen worden, hij was alleen maar ziek. Net het soort ziekte waar sedert de doorbraak van de psychofarmaca, echt wonderen voor zijn verricht.

 

Om me helemaal als amateur diagnosesteller te laten gaan, lees ik bij Colle dat een deficiënte werking van de schildklier aan de basis van de manisch-depressieve aandoening kan liggen. En welke fysische kenmerken vertoont die deficiëntie? Onder meer een droge huid, een vale gelaatskleur, een kenmerkende gerimpelde facies, een platte trage stem: herken ik daar soms Dirk niet in? Ik hou er mee op. Ik moet maar eens, met Brouwers en Zvonik onder de arm, bij een goede zenuwarts voor advies gaan aankloppen. Ook al heeft het post factum natuurlijk niet veel belang meer.

 

Dirk zou het waarschijnlijk in zijn zieke geest ontluisterend hebben gevonden dat zijn ultieme daad niet een grandioos zelf gewild en zelf bedacht protest was, dat ze niet het zich inschrijven betekende in de lijn van Von Kleist, Dagerman en Pavese, maar dat ze gewoon paste in een banaal ziektebeeld, misschien zelfs als gevolg van een fysische insufficiëntie. Toch is het voor zijn echte vrienden, denk ik, alles bij elkaar, een welkome benadering van zijn drama en een troostende verklaring ervoor. Je blijft toch immers altijd achter met een sluimerend schuldgevoel van had ik maar iets gedaan.

 

In de beschrijving van Jeroen Brouwers herken ik Dirk, en ook weer niet. Hij was in grote mate, vanwege die inwendige en niet geïdentificeerde ziekte, een andere Dirk geworden. In de jaren voordien had ik hem altijd wel als zwaarmoedig ervaren, maar tezelfdertijd toch als een plezierige vriend. Zijn geschriften – niet alle - waren droeviger dan hij zelf in de dagelijkse omgang was. Hij had inderdaad la larme facile, maar dan vooral als hij zijn ‘paradestuk’ opvoerde over Onze Michel. Hij lachte niet zelf wanneer hij op dreef was, maar dat was zo zijn stijl. De pokerface verhoogde nog het hilarisch gehalte van wat hij vertelde. Die Dirk was dus na 1965 willens of onwillens begonnen aan een descente aux enfers, die onvermijdelijk leidde tot de ultieme daad. Onwillens, neem ik aan, want vermoedelijk maakte nooit iemand hem er op attent dat hij zich moest laten verzorgen.

 

Ook Ward Ruyslinck kwam in zijn roman De bovenste trede (Manteau, 1997) nog op Dirk De Witte terug. Hij schreef: Op 3 november 1954 pleegde de eenendertigjarige Zweedse schrijver Stig Dagerman zelfmoord. Hij sloot zich samen met zijn hond in de garage van zijn woning in Danderyd op en zette de motor van zijn auto aan. (…) De Vlaamse schrijver Dirk De Witte was twintig jaar toen Dagerman afscheid van het leven nam, maar hij had toen nog nooit van Stig Dagerman gehoord. Pas ruim tien jaar later maakte hij kennis met het werk en de ideeën van de intussen vertaalde en beroemd geworden Zweed. De Witte, bewogen door identieke emoties, verscheurd door twijfel en angst, herkende in de auteur van ‘Het verbrande kind’ en ‘Natte sneeuw’ een zielsverwant. Ook zijn leven was in het slot gevallen en het zoete gif van Dagermans noodlottige Lebensverneinung drong zijn zieke geest binnen. Op 27 december 1970 (…) vergaste hij zich in de garage van zijn huis in Kessel-Lo, in pijnlijk soortgelijke omstandigheden. Ook zijn hond vergezelde hem naar het hiernamaals. Zijn dood was een haast getrouwe kopie van Dagermans dood. Zijn zieke geest: Ruyslinck, die Dirk heeft gekend, had het juist gezien.

 

Loeki Zvonik

 

Het tweede getuigenis, naast dat van Jeroen Brouwers, komt van Loeki Zvonik, pseudoniem van Hermine Strybol – Zvonicek (1935-2000). In 1975 publiceerde zij een roman die een aanzienlijk succes kende en talrijke herdrukken beleefde, onder de titel Hoe heette de hoedenmaker? (Uitgeverij Hadewych, Schoten) [15] .

 

Jeroen Brouwers schreef over dit boek: Jaargenote [in Gent] was Loeki Zvonik: vijf jaar na De Wittes dood debuteerde zij in de letteren met de mooie, afstandelijk maar zeer liefdevol geschreven roman ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ Dit boek is één van de gaafste sleutelromans die mij in de Nederlandstalige literatuur bekend zijn: voor de mannelijke hoofdpersoon ervan heeft Dirk De Witte niet zozeer ‘model gestaan’, die mannelijke hoofdpersoon is Dirk De Witte, en de roman reveleert met historische exactheid en psychologische finesse de laatste maanden van het leven van Dirk De Witte – ik onthul hiermee geen geheim. De roman van Loekie Zvonik is het beste geschrift dat men kan lezen als men omtrent ‘de mens’ Dirk De Witte zou willen achterhalen wat hem bezielde (of juist niét bezielde) om eigenhandig een eind aan zijn leven te maken. Behalve grote literaire waarde heeft de roman even grote documentaire waarde en kan, behalve als roman, worden gelezen en geraadpleegd als nauwkeurige bijdrage tot een biografie van Dirk De Witte.

 

‘Roman’ is een conventionele benaming voor een vorm van literatuur die men thans onder de noemer ‘fictie’ brengt. Ten onrechte denk ik, want een roman is niet altijd een gefingeerd verhaal en houdt vaak méér realiteit in dan sommige zogenaamd waarheidsgetrouwe beschrijvingen en reportages. Het ‘objectief nieuws’ van de kranten, zo stelt men vast, zodra men op de een of andere manier bij dat ‘nieuws’ betrokken is geweest, wordt dikwijls gearrangeerd en gemanipuleerd, louter fictie eigenlijk. In het geval dat ons hier bezig houdt, is het duidelijk dat de auteur niets hoefde toe te voegen aan de naakte werkelijkheid. Ze had een dramatische episode beleefd en hoefde die slechts waarheidsgetrouw te rapporteren. Het ging hier niet om fantasie, maar om een met bloedend hart en met ogen vol tranen opgetekende histoire vécue.

 

Het verhaal gaat hoofdzakelijk over de twaalf dagen, van 15 tot 27 september 1970, die Dirk en Hermine samen doorbrachten, naar aanleiding van een internationaal seminarie voor filologen in Wenen. Tijdens hun studiejaren in Gent hadden ze even met elkaar gesympathiseerd en waren mekaar vervolgens uit het oog verloren. Het toeval bracht hen samen voor de gemeenschappelijke reis naar Wenen.

 

Zij wist niets af van Dirks evolutie. Hij gedroeg zich aanvankelijk normaal en ik vind hem in haar beschrijvingen zeer herkenbaar terug, des te meer omdat ze hem Didier noemt, de voornaam waarmee we hem op het college en ook daarna aanspraken. Hij ondertekende altijd Dirk, maar in de dagelijkse omgang was hij voor ons Didier, de voornaam van zijn geboorteakte. Ook op de overlijdensberichten van zijn ouders kwam hij met die voornaam voor.

 

Vanaf de eerste nacht in het congreshotel, waar ze de kamer deelden – daar had hij op aangestuurd -, liep het al flink mis. In de vroege morgen maakte Didier haar wakker, had afschuwelijk gedroomd en kroop bij haar in bed. Het onvermijdelijke volgde, waarop hij in huilen uitbarstte en zij hem als een kind moest troosten.

 

De dag daarop was het weer van dat. En dan grijpt hij me vast, maar anders dan in de afgelopen nacht, alsof hij me in andere dingen dan mezelf doorboren moet, en dan stoot hij in mij zijn smarten los, over elke liefde die wanhoop is en elke vreugde die wanhoop is in het gezicht van allen die lijden in pijn en ziekte, in oorlogen en door onbegrip, wreedheid en zwakheid, dank zij en ten gevolge van god en de mensheid. En dan de kinderen die men verwacht wordt te verwekken. En die men niet verwekken kan. (…) Maar jij, jij Hermine zal me verlossen, jij zal me redden. Wil je me redden. Wil je me redden?

 

Op een avond reden ze buiten de stad, zaten ze onder hoge bomen en deden ze, bij het horen van koeienbellen, de belofte dat als het met één van hen beiden slecht ging en hij de andere dringend nodig had, hij zou opbellen of een telegram sturen met als enig codewoord ‘koeienbellen’. Zullen we nooit iets onherroepelijks doen zonder de andere daarvan op de hoogte te brengen? vroeg hij en zij stemde in. Uitgerekend hij vroeg het, niet zij.

 

Didier praatte veel, honderduit. Over zijn vrouw en haar verslindende liefde, over zijn jeugd, over zijn ouders, en eindeloos over wat hem het leven onherbergzaam had gemaakt. Hermine: Ik probeer soms te zeggen dat er manieren zijn om in een betrekkelijke harmonie te leven met de omringende wereld. Maar hij luistert niet. Hij luistert eigenlijk nooit naar mij.

 

Op de terugreis, tijdens de laatste nacht die ze samen doorbrachten, vroeg ze hem: Zal je proberen gelukkig te zijn? Zal je helemaal opnieuw beginnen? Het zal niet zo moeilijk zijn. En hij beloofde het.

 

Opvallend was ook hoe bij Dirk alles in het teken was komen te staan van anderen, met wie hij zich vereenzelvigde. Hij moest in Wenen in dàt café zijn want Kafka was er geweest, hij moest in die straat zijn want Gérard de Nerval (ook een zelfmoordenaar) had er gewandeld, hij moest op de passende plek Rilke citeren. En daarbij altijd maar Pavese en nog Pavese, en von Kleist en Dagerman en tutti quanti. Met Pavese stond hij op en ging hij slapen. Il mestiere di vivere, het dagboek van een aangekondigde zelfmoord, was zijn bijbel geworden. Hij las het dan niet eens in het Italiaans, maar in het Duits, de taal van de zwaarmoedigheid, waaruit het laatste eventuele straaltje zuiderse zon was uitgevlakt. Cesare Pavese: de puber die maar niet tot volwassenheid kwam; het tragische plezier zich te wijden aan de eigen onmacht; zich te beroemen op iedere mislukking; de strijd, niet om de zelfmoord te vermijden, maar om hem te verdienen. Finio vitam, ergo sum.

 

Ik zit in een huid die anderen me hebben aangemeten, schreef Dirk. In feite mat hij zichzelf andermans huid aan. Hij leefde niet meer als Dirk De Witte, maar als een dubbelganger van Pavese, een surrogaat voor Von Kleist, een kopie van Dagerman. Hij schreef niet aan een eigen dagboek, neen, hij las en herlas het dagboek van Pavese. Hij wist niet meer of hij zichzelf citeerde dan wel Pavese.  Alles begon, alles eindigde met literatuur, met citaten, met vergelijkingen, met verbanden. Dat leven via via, we hebben het allemaal een beetje in ons, de reminiscenties aan onze lectuur, de imitatie ten aanzien van de bewonderde groten, vooral dan in onze jeugd: les maîtres à penser. Voorbeelden inspireren. Je moet daar evenwel niet in overdrijven, zoniet leef je niet meer echt, je leeft nog alleen bij procuratie, je wordt geleefd.

 

Een andere inspiratiebron vond hij in de Suzanne van Leonard Cohen. Niet zo bijster origineel, want in dat jaar was het dé song die je in artistieke kroegen kon horen. Hij zou de plaat nog een laatste keer op de grammofoon leggen, vóór hij die fatale dag de auto instapte. Ondertussen maakte hij ook weer de woorden van het lied tot de zijne, in zijn gesprekken met Hermine:

 

And you know that I’m half crazy,

but that’s why you want to be there. –

And you know that you can trust me,

for you’ve have touched my perfect body with your mind.

 

In dezelfde periode genoot ik eveneens van de obsederende stem van Cohen. Ze weerklonk telkens weer in de nachtkroeg Ter Halle waar ik vaak kwam. Van de woorden hoorde ik evenwel maar flarden, ik had er geen behoefte aan er nader op in te gaan: de stem en de melodie volstonden, als achtergrond bij vrolijke, of soms (de drank hierbij helpend) nostalgische conversaties. Maar Dirk zocht er weer méér achter, moest zich met het verhaal vereenzelvigen en er nieuwe voeding in vinden voor zijn literaire ‘spelletjes’.

 

Net zoals met de stekende melodie van Jeux interdits, waar hij ook méér in zocht, één van de aangrijpendste muzikale herinneringen uit onze jeugd, gekoppeld aan de frisse en tevens lugubere film, - de enige melodie die hij behoorlijk uit zijn gitaar kon knijpen. Het verhaal van Jeux Interdits had hem trouwens geïnspireerd voor één van zijn eerste en beste korte verhalen, Isabelle 1940, dat een zeer gelijklopend thema behandelde, dat van een jongentje op de vlucht in mei 40, dat op een boerderij onder de indruk kwam van een jong meisje; jongentje dat kort daarop door een ongeval om het leven kwam.

 

Op 27 september kwamen Hermine en Didier thuis, elk weer in eigen huis. Exact drie maanden vóór de fatale dag. Regelmatig belde Didier op. Soms klonk hij opgewekt of ironisch. Maar dan weer terneergeslagen: Help me. Ik kan niet meer. Ik kan niet meer leven thuis. Anna trouwens ook niet, maar ze gelooft dat ze me nog vasthouden kan. Ze wil me niet verliezen. Ze is bang. Ze heeft haar klauwen in mij geslagen. Het is fataal.

 

Hij kwam bij Hermine thuis en schoof mee aan tafel aan, met het gezin. Hij zag er moe uit en afgetobd. Ze gingen buiten wandelen, in de regen. Ik ga er een eind aan maken, zegde hij, ik zal in de auto gaan zitten, ik kan niet meer, er moet een einde aan komen. Ze probeerde het hem uit het hoofd te praten en ontrukte hem de belofte dat hij haar zou opbellen als het niet meer ging. Ja natuurlijk, zegde hij. Ik zal telefoneren. Koeienbellen, zal ik zeggen.

 

Ze hebben mekaar nog een paar keer ontmoet en nog enkele malen getelefoneerd. Zij werd het moe dat met hem alles zo ingewikkeld was. Ze ging niet in op zijn ‘onzinnige spelletjes’, ze had hem door met zijn klachten en ingebeelde tragiek. Zodra hij voelde dat hij op haar geen greep kon krijgen, haakte hij af. Je vergeven? Ja zeker, alhoewel, zoals vroeger wordt het toch nooit meer. Op 11 december zagen ze elkaar voor het laatst. Kom me niet achterna, had hij haar gezegd. Ook zij, als gezonde en evenwichtige vrouw, had het ziektebeeld niet ontwaard.

 

En toen kwam de dag waarop het buiten sneeuwde, zijn vrouw van huis was en hij alles organiseerde, alle symbolen die aan zijn dood een betekenis moesten geven op hun relevante plaats legde. Hamlet open bij de monoloog To be or not to be, met de regels over het doodgaan:

 

To die – to sleep –

No more; and by a sleep to say we end

The heartache, and the thousand natural shocks

That flesh is heir to.

 

Pavese open op de laatste bladzijde (Geen woorden, een daad, ik zal nooit meer schrijven), bovenop een stapeltje onafgewerkte handschriften; daarnaast zevenentwintig bladen met een paar cryptische aantekeningen. Een briefje met enkele ultieme wilsbeschikkingen. Hij bracht de machinerie in gereedheid die, naar het voorbeeld van Stig Dagerman, van de auto een gaskamer moest maken, nam de slaappillen, zette de motor aan, trok de choke uit, legde een zware steen op de gaspedaal, kroop achter in de wagen en gaf zich over aan de eeuwige sluimering. No more. Rond vijf uur in de namiddag was alles voorbij. Kort daarop kwam Anneke thuis en vond hem.

 

Hij had niet opgebeld. Geen ‘koeienbellen’ geroepen. Of toch? Hermine: ’s Anderendaags belt mijn zuster mij op en vraagt: Met wie praatte je gisteren zo lang tussen drie en vier? De lijn was voortdurend bezet.  - Ik was er niet. Ik was de hele namiddag niet thuis. Heeft hij toch een laatste noodsignaal willen uitsturen? Een laatste kans willen geven aan het leven? De mogelijkheid bieden aan iemand om vlug in de auto te springen en bij hem de sleutel uit te trekken, de motor stil te leggen, vóór het onherroepelijke voltrokken was? Het lijkt er op.

 

Tijdens de nieuwjaarsdagen verspreidde zich het nieuws van zijn dood. Anneke gaf hem een kerkelijke uitvaart. Hij werd begraven op het kerkhof van de abdij van Vlierbeek. De vrienden kregen een gedachtenisprentje toegestuurd, met een citaat uit de onvermijdelijke Pavese: Der Schicksalgebundene Mensch ist nicht frei. Zeven maanden later, exact op dezelfde zevenentwintigste, deed zij alles nog eens precies over. Ze ligt naast hem [16] .

 

Wij hebben verder geleefd. Wij leven verder. Ik leef verder. Hoe zinloos het allemaal ook was, de deernis blijft, voor haar en voor de lieve jeugdvriend, die het leven, het moeilijke leven, niet aankonden. Het was hun schuld niet. Het was de schuld van niemand. Fata manent omnes. Het moest zo zijn. Onafwendbaar. Een Griekse tragedie.

 

 

 

Tegen een laatste wilsbeschikking in?

 

U gaat “jeugdbrieven” en “een 40-tal jeugdverzen” van DdW openbaren. U bent toch op de hoogte van zijn per “testament” geformuleerde besluit dat na zijn verscheiden niets van zijn hand meer zou mogen verschijnen? Niet dat men zich daar strikt aan heeft gehouden, maar toch…

 

Dit schreef me Jeroen Brouwers in mei 2001, naar aanleiding van mijn vraag – zeer vriendelijk door hem ingewilligd – om uitgebreid te mogen citeren uit zijn teksten die op Dirk De Witte betrekking hebben. Het siert Jeroen Brouwers dat hij na al die jaren met deze wilsbeschikking rekening houdt.

 

Ik ben natuurlijk bekend met één van de clausules uit de laatste wilsbeschikking van Dirk, die zegde: geen enkele van mijn ‘boeken’ mag ooit herdrukt worden. Wat ik van hem hierna publiceer, valt dus alvast niet onder de laatste wil zoals de auteur die uitdrukte. Ik publiceer alleen losse, ongepubliceerde geschriften, uit een tijd toen hij zichzelf nog niet als letterkundige beschouwde.

 

Aan die laatste wilsbeschikking is trouwens geen gevolg gegeven. In 1981 bezorgde de uitgeverij Van Walraven in Apeldoorn een herdruk van zijn roman De vlucht naar Mytilene en in 1982 werd door het Zeeuws Kunstenaarscentrum in Middelburg het romanfragment Ernie Wever herdrukt.

 

Minstens vijf nog ongepubliceerde teksten verschenen kort na zijn dood: één in De Vlaamse Gids, drie in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, één in Elseviers’ literair supplement. Niemand voelde zich door zijn wilsbeschikking gehinderd, ook zijn echtgenote niet, die toen nog leefde.

 

Die laatste wilsbeschikking van Dirk moet met een korrel zout worden genomen. Hij heeft het hierbij alleen maar gehad over de herdruk van zijn gepubliceerde boeken. Hij heeft niets gezegd over de stapels manuscripten die hij achterliet. Had hij de heimelijke hoop dat hiermee ooit iemand iets zou aanvangen? Hij wist immers zeer goed dat er een voor de hand liggende manier bestond om ieder mogelijke publicatie hiervan te verhinderen, namelijk door ze zelf te vernietigen.

 

In zijn artikel Blues for Mr. Suicide, waarin hij het uitgebreid had over de Perzische schrijver Sandegh Hedayat (1903-1951), vermeldde hij dat deze alvorens zelfmoord te plegen, al zijn manuscripten had verbrand opdat ze niet in de handen van het canaille zouden vallen.

 

Dirk had hetzelfde kunnen doen, maar dat deed hij niet. Hij wilde dus de integrale verdwijning van zijn geschriften niet. Net zoals hij, naar mijn overtuiging, eigenlijk niet echt een einde aan zijn leven wilde stellen, of toch minstens de ‘laatste deur’ nog op een kier wilde laten, wenste hij evenmin dat wat hij geschreven had, compleet in het niets zou opgaan.

 

Hoe dan ook, dertig jaar na zijn dood, publiceer ik de hierna volgende geschriften van zijn hand, enkel en alleen uit piëteit en vriendschap. Als hij het daar niet mee eens is, - en na het overlijden van zijn vrouw is niemand nog gerechtigd in zijn naam te spreken - zal hij het me vanuit het hiernamaals moeten laten weten [17] .

 

 

 

III

JEUGDBRIEVEN VAN DIRK DE WITTE

 

 

 

 

Een kattebelletje

ongedateerd (tweede of derde trimester 1951)

 

“Doe een onverbiddelijke strijd losbreken tegen alle lafheid en halfheid in de klas” (Uittreksel uit de brief van Pater de Wit [18] ).

 

Ik vraag jouw steun, hier is de mijne. Wees onverbiddelijk, ook tegen mij.

 

D.

 

 

II.

 

Sint-Amands, 4 augustus 1952

 

“Ik had allen tijd. Ik houd van uitstellen. Dan krijgt alles meer fles en dan bemoeit God er zich ook mee” (Uit: Brouwer van de Fé).

 

Gans genegen Andries,

 

Ik hoop dat je ondertussen al antwoord hebt gekregen uit Diest. Anders houden ze ginder ook van uitstel. Maar alles bijeen: tien dagen wachten is nog niets hé? Havelaar wachtte en hij wachtte dertig dagen. Dat is meer dan een maand. ’t Is te zien; als je februari neemt wel, anders niet.

 

Ja jongen. Of ik meega op bedevaart weet ik niet. Ik vaar een van deze dagen mee met een schip. Maak je geen illusies: het blijft op de Schelde en het Albertkanaal! Maar ik weet niet wanneer het vertrekt en wanneer het weer aankomt. Ik zou natuurlijk dolgraag meegaan. ik zal ook mijn uiterste best doen om te kunnen meegaan.

 

Een verslag van mijn vakantiedagen ga ik je niet geven. Ik heb vandaag reeds zes bladzijden correspondentie door mijn pen en ik moet nog een brief of vier beantwoorden. Ik ben van zin een secretaris te huren. Alleen dit: ik ben naar Maredsous geweest voor drie dagen met Frits [19] en met autostop (respectievelijk in gezelschap en bij middel van). Frits is in Brussel geraakt met een Oostpriester, op de duo van diens motto.

 

Ik heb reeds verschillende boeken gelezen (ongeveer dertien).

 

Om te eindigen: ik heb getracht het pijpen af te leren. Niet dat van Boutens [20] maar van Timmermans [21] . Maar Adriaan Brouwer heeft me verleid. Ik was “down”, d.w.z. ik was van een “up” gevallen. En Adriaan zei zo tegen mij: “Alleen een nieuw verlangen naar toeback siddert u weer op. En nu mogen de paters zoveel bassen en preken, dat het slecht is voor dit en dat, dat het mensdom er door uitsterft, en dat er uitgedroogde kinderen van ter wereld komen (sic! en sik op de grond) en si en la. Zij zoeken hunnen hemel hiernamaals, ik hoop dat ze hem vinden en dat ik hen er zal ontmoeten (ik ook), maar de sukkelaar, die de hemel op aarde uit een stenen pijpke kan zuigen, kan ik toch ook geen ongelijk geven. Iedereen zoekt zijn geluk. En laat mij nu ne keer stoppen. Neen hé, niet van die gearomatiseerde “bucht”. Goeie Appelterre moet ik hebben”. Ik liet hem opsteken. Maar ja, ik sukkelaar, ik rook toebak en ik viel omver. Vallen is niets, maar opstaan!

 

Nu nog iets dat je misschien nog niet weet: de Prof blijft [22] . Vermoei u dus maar goed onder de vakantie dat ge kunt uitrusten onder het schooljaar! Ik wens je nog een goed examen. Een flinke handdruk van aan den oever van de Schelde,

hartelijk in Vlaanderen en Christo.

 

Dirk

 

P.S. Je schrijft in elk geval de bijzonderheden nopens de bedevaart?

 

III.

 

Aalst, 25 oktober 1952

 

Carissime,

 

Feitelijk weet ik niet goed hoe deze brief te beginnen. En nog minder hoe ik hem ga eindigen. Zoals ge al wel gemerkt hebt ben ik alles behalve een competent iemand waar het briefschrijven betreft. Nochtans schrijf ik liever een brief naar iemand dan met hem te spreken. (Dat is natuurlijk erg relatief). Maar wanneer men schrijft kan men rustiger en zonder te worden tegengesproken zijn gedachten uiteenzetten. Ik zeg niet dat ik mijn gedachten derwijze ga uiteen zetten dat er achteraf een net plan kan worden van gemaakt. Dit is nu juist mijn genre niet.

 

Ik maak dus gebruik van het ogenblik dat ge mij (ongaarne misschien) biedt. En dankbaar gebruik. Want we hebben, dunkt me, nog tamelijk weinig met mekaar gebotst, omdat we zo karig waren met woorden. Het zou larie zijn te beweren “dat, zo er geen woorden waren, onze harten, vereend door hetzelfde streven, dezelfde idealen, etc., mekaar verstonden als harten van etc.” Dat is nonsens. Onze harten zijn noch verenigd door hetzelfde ideaal, noch kloppen dermate voor elkaar dat we ze als briefwisselingapparatuur zouden kunnen gebruiken.

 

Ik beken het eerlijk: ik heb nog nooit met jou gesproken zoals door Jacques Van Ginneken een gesprek wordt verondersteld. Ik hoop dat dit het eerste dergelijke gesprek wordt, al zal het misschien hard zijn. Het is geenszins mijn bedoeling u te berispen want 1° zou ik niet weten waarom (daarover straks meer), 2° zou ik niet weten waar ik het recht zou halen om u te berispen [23] .

 

Met de KSA is het op het moment treurig gesteld. De acties dalen fel, al is dit slechts door ingewijden waar te nemen. Seppe Seghers werd (door chantage!!) aangesteld tot baas van ’t kot. Ik ben er woedend om. Seppe zelf doet het met gegronde tegenzin, daar waar hij denkt dat hij helemaal geen leider is en de bond beter Ignace Hanssens kon nemen. Amen dico vobis: de bond heeft geenszins kans gehad om Ignace te nemen, aangezien pater Rector Seppe door wat ik noem chantage er toe heeft gebracht het leiderschap aan te nemen. Seppe zelf was er heilig van overtuigd dat hij het niet kon, doch, toen pater Rector wees op de lafheid ervan indien hij zou weigeren, heeft hij, tegen zijn goesting, tegen eigen overtuiging in, aangenomen. Ik neem hem niets kwalijk: “Ne jugez pas”. Ik vind het wel spijtig dat pater Rector bondsleiders kan aanstellen. Ik vroeg aan Seppe of hij Ignace had voorgesteld. Hij had dit gedaan maar men had kordaat geweigerd: een poëet die de leiding nam over de Rhetorici!!!! En waarom niet?

 

Ik heb er aan gedacht de KSA te verlaten. Omdat ze ons niets te geven heeft dan een paar mooie woorden, een half uurtje pret (!) en voorts de reputatie van brave jongens. Dank u. Seppe zelf bekent dat de KSA voor al de rhetorici een veertiendaagse formaliteit is. KSA heeft één gebrek: ze is niet efficiënt in haar werking. KSA in haar oorspronkelijke vorm heeft geen bestaanreden op het internaat. Het wordt een stuk geheimagentschap van het college. (Maar dan een bekend geheimagentschap!). Ik wil niemand lafheid verwijten, ik blijf zelf nog in KSA uit menselijk opzicht, alhoewel ik er niets, maar ook niets aan heb. (Er is trouwens geen enkele reden waarom ik nog zou verlangen er iets aan te hebben. later zult u mij begrijpen…).

 

Ik benijd u omdat ge, ondanks alles, zo persoonlijk waart en overtuigd van de rechtvaardigheid van uw principes. We weten natuurlijk niet hoe alles is gebeurd. Ik zal niet verzwijgen dat ik het graag zou weten. Dat we het allemaal graag zouden weten. De externen verwijten de internen hun lafheid en laksheid. Maar wij kunnen of mogen niet oordelen vooraleer we zeker weten wie er gelijk had. Niet zozeer wie er gelijk kreeg. Machiavelli is nog niet dood!! Misschien kunt ge toch iets zeggen indien ge niet alles moogt of wilt vertellen. Maar laat ons tenminste de mogelijkheden om een juist denkbeeld te vormen over het gebeurde, opdat ik zou kunnen weten wat ik moet doen. Het is natuurlijk een kiese zaak en ik zou niet graag nieuwe moeilijkheden berokkenen.

 

Indien ge antwoordt doe het dan langs P. Rollier [24] om. Denk er dan ook even aan dat ik de laatste tijd helemaal veranderd ben. ’t Schijnt dat de geschiedenis een grote invloed heeft op de moreel en de moraal. Reken het dan mij niet aan, maar de geschiedenis. En denk ook even aan het woord van J. J. Rousseau, over de mens en de maatschappij. Er is ook zoiets als rijpingsproces. Volgens mij duurt dat tot aan de dood. Over wat er daarachter komt zwijg ik. Want het moet er ofwel niets zijn ofwel wreed schoon, want er is nog geen enkele van teruggekomen om het te komen zeggen.

 

Bruce Marshall [25] schrijft in De Koningsdochter: “Wanneer hij kinderen zag was het niet moeilijk voor hem om te geloven in Gods bestaan”. Het is zo ook met het geloof in God wanneer men vreugde heeft. Maar wanneer men nadenkt en het leed, het onzinnige van het leven ziet, dan voelt men veel lust Sartre te volgen in zijn uitzinnige philosophie van walging voor het leven. Walging voor het leven en vrees voor de dood!! Men kan ook opgaan in epicurisme, maar ondanks alles blijft de vraag: waarom leven wij?

 

Oh, ik ben weer heel zwaarmoedig en gewichtig aan het doen. Ik zou beter alles wat meer van de humoristische kant opnemen. Maar ik ben de laatste tijd niet erg gesteld op humor. Ik geloof dat zoekenden altijd zwaarwichtig zijn. Ik hoop dat u mij zult verstaan wanneer ik u vraag hierover met niemand te spreken. Het is een tijdstip hetwelk ik zal doorkomen. Maar ik moest er iemand over schrijven.

 

Er komen dagen waarop het leven bitter schijnt en niet meer levenswaard is. De geschiedenis speelt ons aardige parten. We groeien van knaap tot man, maar we groeien voorover onder de druk van het leven. Ik zou veel willen geven om de humor en het inzicht van Bruce Marshall te hebben. Ik zal die mens nu niet dadelijk ophemelen als de schrijver bij uitstek maar ik vind hem buitengewoon interessant. (Ik weet niet hoe het komt, maar ik denk plots aan een boek van Pearl Buck dat u mij onlangs zegde gelezen te hebben!!).

 

Ik sluit mijn epistel met een flinke poot uit Aalst en een welgemeend “auf Wiedersehen”.

 

Je “verknochte”

Dirk.

 

IV.

 

Sint-Amands 27 juli 1953

 

Carissime Driesken,

 

Hier enkele woordjes van aan de groene Scheldeboorden. Ik zou je willen schrijven in een taal die overloopt van lyriek, in een taal die opwiekt naar de blauwe heuvelen van de Parnassus, over alles en nog wat, over Hanar en Lydia, twee wezens die mijn pen heeft geworpen in het land van Siloar, de stad Babel, het land der verstrooiing. Ik zou willen zingen het rondo van mijn vreugde, het epos mijner liefde, het sonnet van mijn heimwee naar alles en nog wat, de ballade van mijn werkzaamheden, van mijn huishouden, van de afwas, de kook, de schuur en de winkel die ik gedurende drie dagen heel alleen heb moeten doorworstelen, met daarbij een moeder die ik moest verplegen en een vader die ons huis beschouwt als een “tankstation” bij dag en een “parkeerplaats” bij nacht. Hier was werk voor een petit frère [26] , beste kerel!! Als ik nog ooit zo iets tegenkom, bestel ik er zeker één.

 

Maar ik zal niets doen van dit alles. Noch een ballade, noch een epos, noch een rondo zal ik schrijven, maar het eenvoudige proza van de snertvent die je altijd hebt gekend. Je ziet, ik ben de nederigheid in persoon. Altijd geweest, nog gebleven. Ik zit echter met een ei (en ’t is ’t eerste niet): wat moet ik je echter schrijven? Wat? Er is zoveel en toch zo weinig.

 

Ik ben blij omdat Seppe zei dat je geschreven had dat je zo goed tiert in Frankrijk. Ik ben blij omdat je eindelijk dan toch de vrede des harten hebt kunnen en mogen vinden. Het was mij een hele opluchting toen ik je hoorde zeggen dat je weer naar huis ging.

 

Dinsdag

Vervolg van de brief (herderlijk schrijven) van de apostel Theodorik aan de Proletariërs.

“Beminde broeders,

Maar bovenal moeten wij denken aan Maria. Want zij is lief en schoon en edel van hart. Zij kent al onze verlangens en met haar zijn we nooit alleen. Tot haar heeft de geest (mijn geest) geroepen: “Kom mijn vriendin, mijn schone, kom buiten! Mijn duifje in de spleten der rotsen, in de scheuren van de stenigen wand, ach laat mij uw kopje eens zien, laat mij uw stem toch horen. Want uw stem is zoet en uw gelaat zo bekoorlijk…” [27]

 

Ge begrijpt natuurlijk over wie het gaat. Ook zij heet Maria. Heel onze familie heet trouwens Maria. En om in het onderwijs te blijven (twee broers onderwijzer [28] , waarvan één inspecteur, een schoonzus met een diploma van onderwijzeres, al mijn nichtjes (de echte!) onderwijzeressen of regentessen, de overige dertig (pseudo)nichtjes idem, wat kan een mens dan anders doen, als hij zelf in het onderwijs wil gaan en zich geven aan de opvoeding van de jeugd – oh ondankbare taak – is ook zij onderwijzeres. Oef, wat een kanjer van een zin – en ik ben er toch doorgeraakt. Met evenveel moeite als grootvaders’ knaapje!

 

Of ze mooi is? Ja, maar dat heeft geen belang (Dat zeggen de rijken ook: geld heeft geen belang).

 

Waarom ik je dit alles schrijf? Mijn beste: gedeelde smart is halve smart!!! Wat een mens daarmee afziet kunt ge met geen pen beschrijven. Ken je nog de soep van het leven: een mergpijp tabak, een mergpijp kunst, een mergpijp liefde en een mergpijp drank. Tja, zo ben ik tenslotte ook aan de derde mergpijp van de soep geraakt! De vierde, (den drank, vous savez) zal ik er maar wijselijk uit laten en vervangen door een paar frikadellekens, kwestie van niet meer in affronten te vallen na ’t een of ’t ander feest. Daarbij, met die ene alleenspraak tegen de stinkende Styx heb ik meer dan genoeg; en de twee drie parasangen naar het huis van Frits die dag, wil ik niet meer herdoen [29] . Nog voor geen tien volle aflaten.

 

Jongen, een brief schrijven hier, in deze omstandigheden is een marteling, een foltering. Als ik grijze haren zal hebben op mijn grijs en zwetig hoofd vóór de jaren, dan zal het zijn van deze brief. Zo gauw ik er een heb stuur ik het op. Als ik twee woorden geschreven heb, moet ik in de winkel zijn. Dan ben ik al vergeten wat ik geschreven had tevoren. Daarom is dat alles zo dwaas onsamenhangend.

 

Onze Misselten [30] is ondertussen voorgoed begraven. We hebben hem een monument opgericht, dat uitblinkt door zijn afwezigheid. Maar diep in mijn hart zijn woorden tot bloei gekomen, die kunnen vertolken de ideeën en princiepen die ik de laatste jaren heb gevoed en gekoesterd. Het zijn mijn zorgenkinderen geworden, ik heb ze begoten met de waterstralen van mijn relativiteitstheorieën, en ze te zonnen gezet in de vuurgloed van mijn kunstenaarsziel en mijn temperament. En daaruit is ontstaan een tere plant, die ik moederlijk bemoeder (ai). In mijn pen zit een boek, mon vieux. De bladzijden rollen er uit. Dik? Neen, maar mollig en gezond. En als Giege Hezelle het uitroept in de pathetiek van de avond: “Mijn harte slacht de regenboog…”, dan houd ik hem kalm maar beslist tegen: “Neen ouwe taalparticularist, laat hem leven, want ik heb hem nog nodig”.

 

Het zal worden de bewoording van al mijn gevoelens, al mijn streven, al mijn dromen en desillusies, van mijn lijden en mijn liefde(n)! Ja, mijn braaf, het zal iets skoon word. Het kan niet anders. Het kan niet anders. Want de titel is: Land der verstrooiing. En het kan nu zijn dat àndere schrijvers ook hebben geschreven over Babel. Maar mijn boek zal het schoonste zijn en oh het schoonste blijven. Eenvoudig omdat ik geen parels voor de zwijnen strooi en mijn boek naar geen uitgeverij draag. Daarbij, mon fieux, wer soll dass bezahlen? Ego autem not !! En lezers zeker niet.

 

Is dat voldoende geschreven? Je dichtbundel is nog alles behalve klaar. Of liever, wel klaar maar je moet niet denken dat je hem zo dadelijk in handen zult krijgen. Het was een dure plicht mijn geesteskinderen eerst aan mijne Liefde (een tamelijk Platonische liefde trouwens – en bovenal relatief!) te overhandigen. Als ze die jeugdzonden niet heeft verbrand, weggegooid, er niet mee naar het WC is geweest (sorry – of schokt dat je niet meer?) en mij niet trouw blijft, dan zult ge ze waarschijnlijk binnenkort te lezen krijgen. Als ze mij wél trouw blijft zult ge ze niet binnen een onafzienlijk korte tijd mogen verwachten. De knoop ligt hier: blijft ze me niet trouw, dan moet ik natuurlijk nog een gedesillusioneerd geestesproduct schrijven. Dat zend ik je dan meteen op.

 

Dat is het einde. Ik verwacht geen antwoord, tenzij na de 18e augustus. In het begin van augustus ben ik de pijp uit: een verdiend verlof!! Ondertussen, vieux André, wens ik je het beste. Een groet aan Pyé en Kikki [31] (aan wie ik misschien nog even iets zal schrijven) maar vooral aan ons liefste klein Drieske.

 

Je trouwe kameraad,

Dirk

 

P.S.

Wel herlezen. Maar geen letter aan veranderd. Quod scripsi, scripsi.

 

 

V.

 

Schoonaarde, begin oktober 1953

Derde dag van het schachtenjaar in germanistenstijl

 

Beste Andries,

 

Je vraagt me mijn mening? Ik heb er geen mening op na te houden en als ik er een op na houd uit ik ze niet. Ik handel eenvoudig en bekreun me niet meer om meningen en princiepen. Ik houd er mijn princiepen op na, et après moi le déluge. Ik vlucht eenvoudig weg uit de schijngemeenschap, de schijnheiligheid of de schijnboosheid: het kan me niet schelen. Ik handel dus gewoon en steek mijn bijdrage als antwoord op uw vraag welwillend en met een goed hart in je handen.

 

Ik wil gerust bijdragen met artikels. De leiding van het ding neem ik geenszins op mij. Wat je niet gevraagd hebt, maar ik “jank” voor ik geslagen ben.

 

Inderdaad, mijn beste: “Die Frau ist das Viertel des Mannes…aber die Helfte des Satans!!” De vrouwelijke kunne is bedrieglijk, is vals, werkt deprimerend op ons, is ontrouw. Maar geen “innige deelneming”, geen geweeklaag om de verlopen “dies irae”. Gejubel en harpenspel!! Want we zijn verlost uit de listen en de lagen van de duivel. (In dit geval een engelachtig duiveltje). En ik zou, als ik pastoor was, of burgemeester, elke echtgenoot op de bruiloftsdag doen zeggen, op de stoep van stadhuis of kerk: “Caesar, qui morituri sunt, te salutant!!!” Neen, mijn beste. Mijn devies van nu af: “Vrijgezel – tot in de hel”. En een wijze raad: “Laat u niet binden! uw schoonmoeder zal u vinden!!!”

 

Alhoewel, en ik geef dat toe, dat er vriendelijke Brugse porren [32] bestaan. Gelukkig maar dat ze er ook “vrijgezellinnen theorieën” op nahouden. En als Hanssens je ooit eens met een triomfantelijk gezicht moest komen vertellen dat ik mijn hart aan een Brugse schone heb verpand, gooi hem in één van je stinkende reitjes [33] en zeg hem dat hij misschien wel de mens van buiten kent (door zijn jaarlijkse esthetische (?) praktijken en exploten met Venussen en konsoorten [34] ) maar niet van binnen. Van binnen, waar, ondanks de vuile seksuele libidorommel, toch veel meer is om te bewonderen dan om te haten. En dat hij later misschien wel een been zal kunnen breken en weer ineenzetten, maar dat men niet moet leren harten te breken, en nog veel minder te repareren. Dat kunnen alleen vriendelijke Brugse porren die niet zeveren over Liefde of liefde, maar gewoon hartelijk en kameraadschappelijk met je door het leven gaan. Maar dat kunnen ex-studenten van de jezuïeten en de bisschoppelijke humaniora om den drommel maar niet vatten. Het is “en tout cas” een pluimpje te meer op de hoed van ”Brugge die Scone”. Of is het “Bruges la Morte”?

 

Over de lezers van mijn artikel heb ik geen illusies: er zullen er toch weinigen zijn die de weemoed en de pijn verstaan waarmee het geschreven is. Ik hoop dat tenminste jij het verstaat. En dat je de grens zult trekken tussen wat ik meen en niet meen - tussen realiteit en verlangens, droombeelden, idealen.

 

So, auf Wiedersehen? Een stevige “Germaanse” poot.

Je door dik en dun lange trouwe etc. kameraad,

Dirk.

 

VI.

 

Schoonaarde, 5 februari 1954

 

Beste Dries,

 

Als je dan toch zo verlekkerd zijt op een brief van je beminde, door jou aangekleefde, enz. schachtus kolossalus, nou dan zal ik je er niet langer laten op wachten.

 

Studeren doe ik niet meer, een kolossale bekentenis. Kleine “poppedeines” op mijn knieën houwen doe ik ook niet meer. Dichten doe ik ook niet meer. Eten doe ik niet veel meer. Om te drinken heb ik ook niet veel lust meer. Jongen, jongen, ik ben dwaasweg aan het vegeteren. Vegeteren. Zonder ambities, zonder “idealen”, zonder veel menselijk opzicht. Triestig? Buitengewoon! En vervelend! Niets méér vervelend dan dat. Maar ik heb zelfs geen lust meer om pret en dol plezier te maken, zoals je dat vroeger van mij kon verwachten. Ik zie het holle, lege van dat alles veel te goed in. Of ik dan een mysticus, een “asceet” (in beschaafd Nederlands: hij scheet) aan ’t worden ben? Ook daarvoor heb ik geen goesting.

 

Je zult je misschien afvragen waarom ik niet de hand aan mijn eigen body sla, waarom ik geen strop ga kopen, of onder een trein spring, of mij vergiftig? Lafheid, jonge man. Niets dan lafheid. Ik ben niet bang van dood “zijn”, maar sterven, zie je. En je eigen zomaar van de wereld helpen. Ik ben er te laf voor.

 

Existentialisme? Neen Dries. Maar het ziekelijk ver doorgedreven gnoothi se auton [35] van ik weet niet meer wie!

 

Maar laat me mijn biecht een minuutje onderbreken. Om je te feliciteren [36] . Ik zie je daar al staan zeg achter die academische lessenaar op een stoel, woeste gebaren makend. Over wat heb je gespeekt? In het amoureuze waarschijnlijk! Eén, Korinthen, dertien van Paulus!! [37]

 

Als ik geen schacht was geweest, was ik ook gaan spreken op het welsprekendheidtoernooi van de Univ’s. Ik ben in ieder geval gaan luisteren. Een Bruggeling heeft ook dààr de 1ste prijs weggekaapt. Je moet hem zeker kennen: Raf Geerardyn [38] . Hij heeft een broer priester (“onze kaloot” noemt hij die).

 

Voor mij ligt je brief van 7 januari 54. “Brief aan een vriend om hem er van te overtuigen dat hij het leven niet zo ernstig, pardon niet zo tragisch moet opvatten”. Ik begrijp de bedoeling van de Pater: “Dat hij moet vertrouwen in Gods goedheid, Gods liefde, Gods genade. Dat het leven een gunst is en men zich vol vertrouwen in Gods open armen moet werpen. Dat men niet moet nadenken over al de problemen van het geloof, maar eenvoudig en kinderlijk moet geloven.“

 

Maar als die vriend niet meer gelooft? Aan niets meer gelooft? Niet eens meer aan zijn eigen-hemzelf? De dwaze opvatting van “we leven maar eens” is voor mij onaanvaardbaar: als er na het leven niets meer is, dan kan je het lijden of het tekort aan plezier toch niet beklagen. Dat is nonsens.

 

Je kan dan nog pret maken om te vergeten. Om het ogenblik te vergeten. Maar dàt is het hem. Ik ken mijzelf te goed om niet te weten dat ik mijn lijden cultiveer. Oh, niet voor het ogenblik. Voor het ogenblik vegeteer ik.

 

Wat de “bierontspanning” betreft: twee of drie of vijf pinten drinkt men uit smaak. De rest uit pose of uit onwetendheid. Zat zijn, zo zat zijn dat je moet “pieren” is niet plezant en eerder een overspanning dan een ontspanning. Ik kan het weten: ik heb een fiets.

 

Wat die seksualiteit betreft: het schijnt tegenwoordig de mode homoseksueel te zijn. Ik vind al dat gelul over seksualiteit banaal en belachelijk: is het dan zo iets overweldigend ernstig? Waarom beschouwt men het niet als honger of koude of warmte of een andere zinnelijke indruk? Ik ben er van overtuigd dat als men er minder moest over zeveren, er veel minder aandacht aan zou besteed worden. Na al de preken over kuisheid op het college heb ik zo stilaan de indruk gekregen dat de mens een hond is of een ander dier dat zijn seksuele aandrift absoluut moet overwinnen.

 

Over mijn temperament en mijn talent zullen we zwijgen. Ik heb vanavond al veel lust gevoeld om al die dichterlijke rommel in de prullenmand te gooien en eens ernstig beginnen te werken. Maar als ik dan voor mijn boeken zit, dan is het literatuur, filologie en geschiedenis. Absurde, dwaze dingen, zoals alles absurd is en dwaas. Je kan het nu spijtig vinden of niet, dat iemand op twintigjarige leeftijd zo levensmoe kan zijn! Je kan het spijtig vinden, maar het is niet mijn fout. Ik heb niet gevraagd om in het leven gegooid te worden. Als ik er lust toe had zou ik “la nausée” kunnen krijgen. Maar ik heb zelfs walg van de walg!!

 

Bemoedigend zijn deze woorden nu precies niet. Nog goed dat jij niet veel bemoediging nodig hebt. Je hebt een uitweg voor al je desillusies: God – je geloof.

 

Ik zit in een impasse. Soit. Als ik op een ogenblik moed genoeg heb, werp ik mij in het existentialisme van Camus, of Malraux, of het vitalisme van Montherlant of Marsman. Het een al even dwaas als het andere. Maar het komt er niet op aan, als ik maar een zin aan de onzin geven kan. Een meisje? Laat me lachen!! Dat is onzin aan de zin geven!!

 

Enkele staaltjes van mijn productiviteit vind je hier ook wel bij. Een parodie op Van de Woestijne en een paar andere.

 

Als je ooit lust hebt eens op een zondag naar Schoonaarde over te waaien, laat dan eens iets weten, dan kan je van ’s zaterdags tot ’s zondags blijven. Mits verwittigen natuurlijk, want ik lig hier onder de sloef. Doe het absoluut eens! Veel is er in Schoonaarde niet te zien, maar er is in elk geval een goede kelder en last not least: een hoop gedichten! Doe je het zo vlug mogelijk? Als je tenminste zin hebt om je ook eens een dag of twee te vervelen!

 

Ik dwing je niet. Verre van mij. Ik hoop nu alleen maar dat deze brief je bereikt en niet onder de censuur valt van een gestrenge pater prefect die uitroept: “Vade retro, Satanas”. Stel hem dan gerust en zeg dat ik ook bij de jezuïeten ben opgebracht.

 

So long boy! Vaja con Dios my André, vaja con Dios my Dries.

 

Dirk

 

P.S. Als ik nog eens inspiratie heb schrijf ik een héél Hortansken.

 

VII.

 

Schoonaarde, alle dagen [rond maart 1954]

 

Beste,

 

In vliegende haast en vaan een briefje. Hortansken. Zo rap mogelijk. Wil zelf alles vullen: gedichten, enz. Stuur alles op. Kan ik ze zeker terugkrijgen? (toekomst hangt er van af!!!). Kies beste uit. Of neen: PUBLICEER ALLES. Dan ineens een Hortansken. Misschien: Jef Van den Berghe naar u om stencils te tekenen? Goed? Anders: droog Hortansken.

 

‘k Voeg bij de gedichten nog wat anders, enz. Ook: brieven van commilitones (fiction?).

 

Met mij alles goed. Met u ook. Als ik tijd heb: langere brief. Moet nog blokken. ’t Is 11 uur en donker. ‘k Schrijf naar Seppe Seghers, en zeg tegen Roelandt, enz…: “schrieven of dood”. Ça va?

 

Vaja con Dios. Doe bi di gedichten dat van het WC ook bij hé jong!

 

Viele Embrassementen,

 

Den Dirk.

 

N.B. Zorg jij voor: verantwoording – brief uit Drongen

            Spoed – Spoed – Spoed – Spoed

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

VIII.

Ongedateerd (mei 1954)

 

Sm..rl.p!!

 

Gvd. Gvd. Gvd.

 

Gij hebt zeker Hortansken naar St-Amands gestuurd? Snoodaard! Beseft gij de snoodheid van uw snode snoodheid?

 

Ik zit te slapen in de cursus van Van Werveke en Jefke [39] zegde mij dat hij gisteren Hortansken heeft toegestuurd gekregen. Wat zullen ze thuis van hun brave, goede, vlijtige, oppassende, enz. zoon denken?

 

Afin. What happened, happened. Soit.

 

Hartelijk dank voor je brief van verleden keer. Ik hoop dat God mij wat zal helpen om op de plaats te komen die hij mij heeft voorbestemd, want alleen kan ik het niet.

 

Ik ben de laatste tijd erg productief. Geen slechte gedachten: dichterlijk productief! Bij de eerstvolgende occasie zal ik je een paar proeven opsturen. “Daar is in langhen tijt geen beter werk ghewrocht”.

 

Als ik er eens in ben zorg ik voor een machtige brief. Maar voor het ogenblik ga ik blokken, opdat ik mijn hart zou kunnen de rust geven die het nodig heeft om weer aaneen te groeien. Ik dank je omdat je nog zo een goeie indruk over mij hebt. Een mens heeft een beetje begrijpen nodig. Het geeft je een paar illusies weer en je vergeet er een ogenblik je verbittering door.

 

Ajuus kerel, ik ga nog wat opletten.

 

Je schachtus kolossalus,

 

Dirk.

 

IX.

 

ongedateerde postkaart (1954)

 

Beste,

 

Vlug een paar woordjes om te laten weten hoe ik hem doorgehakt heb (de knoop!).

 

Ik verkeer in (financiële) onmogelijkheid een reis naar Brugge te betalen (Een student heeft nooit een cent).

 

Komt daarbij nog dat ik binnen veertien dagen (dus rond den 20ste) belet ben en ik mij ergens anders moet gaan vervelen. Ik heb niet de gewoonte plannen te maken die ik niet binnen de 24 uur kan uitvoeren, zodat ik de knoop heb doorgehakt met hem te laten zoals hij was. Ze dronken een glas, ze deden een plas en ze lieten de zaak zoals ze was.

 

Voor wanneer de volgende knoop? Ik zit met een kater.

 

Dirk.

 

X.

 

Sint-Amands, 20 augustus 1954

 

My heart is everywhere

but not here

My heart is with her…

O jerum jerum jerum

O quae mutatio rerum

 

Beste Andries,

 

Ik heb een hele hoop correspondentie die op mij ligt te wachten. Ik ga eerst de zakelijke afhandelen. Dan de amoureuze. Vermits ik moeilijk een amoureuze correspondentie met jou kan voeren, deel ik mijn antwoord op jouw brief in bij de zakelijke. Andere soorten van correspondentie voer ik niet meer sinds je brief van X – X – 54.

 

Zo, daar gaan we. Ik dacht dat je mij vergeten was. Het schijnt dus toch niet waar te zijn. En aangezien je brief méér een uitnodiging is dan een oproep, neem ik de uitnodiging aan [40] . Aan de oproep zou ik waarschijnlijk ook beantwoord hebben. Het is alleen een kwestie van nuance.

 

Dus, dat is in orde: 10 – 11 – 12 september zijn van nu af aan op mijn kalender als “bezet” aangestreept. Wat de vereiste kwaliteiten betreft: ik vrees dat ik slechts aan de eerste zal kunnen beantwoorden: 1) Frans en Duits kennen (een beetje rekbaarheid in het begrip “kennen” a.u.b.); 2) goed presenteren. Aan 3) 4) 5) kan ik slechts gedeeltelijk beantwoorden. 3) er niet te jong uitzien is relatief. Ik zie er jonger uit dan ik ben. Dat zeggen alle meisjes. Geloven we het dan maar. 4) Vriendelijk ben ik. Beslist. Maar of ik vriendelijk én beslist ben? Laat zich nog raden. 5) Ik ben gewoonlijk overal waar ik niet moet zijn (damestoiletten en zo) en me laten opmerken kan ik zelfs niet als ’t moet. Hoe zou het dan gaan als ’t niet moet?

 

Afin. Alle gekheid op een bezemsteel. Hortansken’s artikel is reeds in de ziedketel van mijn brein gegoten en op een klein vuurtje staat de spijs te pruttelen!

 

Ik ben naar Duitsland geweest. De Belgische kleuren (atsjie!!) gaan verdedigen in een Europese gemeenschapsweek. Daarover vertel ik je nog meer. Ik wil alleen wel zeggen dat ik me een zo goed Europeër voelde dat, wanneer ik het Belgisch Volkslied moest zingen, ik niet verder geraakte dan “O Vaderland, pom pom pom pom pom tereirei”. Gelukkig verstond niemand Vlaams. Zodat ik met een gerust geweten de meer populaire versie van de ezel heb gezongen. Ik weende bijna van geestdrift, omdat ik toch één van de tien versies van buiten kende. En dan nog de meest volkse. “Ja, ploretariërs aller landen, verenigt u”.

 

Zo beste vent, geheel tot uwe en tot Europa’s beschikking.

 

Je Dirk, dr. phil. germ.

 

P.S. Ik hoop maar dat ik Clemens von Brand-aan te zien krijg!

 

Inderdaad het weer is slecht. Het is geen weer. En aangezien ik alleen literatuur kan maken bij weer (goed of slecht): geen literatuur.

 

XI.

 

Ongedateerd (einde augustus 1954)

 

Beste Andries,

 

Hier Hortansken’s artikels. Veel apart is het niet: ik heb mijn aspiratie nodig voor andere dingen: ik teken, schilder, dicht, schrijf en musiceer tegenwoordig. Ik ben aan een vertaling bezig van een Duits boek en kan zo mijn tijd goed gebruiken.

 

Voor het ogenblik is alles safe met mij: de angst voor het leven bestaat grotendeels uit angst voor de nabije moeilijkheden. Bij mij was het enkel de angst voor het examen. Donc…

 

Schrijf bitte nog eens een “kleintje” over dit congres: wanneer ik komen kan (om welk uur ik je best thuis kan vinden, etc.) Wat wordt het nu eindelijk met jou? Ga je binnen of niet? Ik ben nieuwsgierig eens wat nieuws over jou te vernemen!

 

Tu te souviens, Cinna, du jour

(c’était en septembre)

où nous n’avions pour pisser

qu’un simple pot de chambre?

Ce jour reviendra-t-il, peut-être?

En attendant, pissons par la fenêtre.

 

Je ziet, parodiëren gaat nog best. Een parodie maken van het leven moet je niet doen. We parodiëren al genoeg… (“De moralist is daar weer” zou Sus Van Acker zeggen).

 

Tot schrijven beste! Ondertussen: maak je niet te moe met de congresvoorbereidingen.

 

Een flinke poot van de ouwe getrouwe

Dirk

 

N.B. Zorg dat je zusters buiten zijn als ik kom logeren! (I’m a lady-killer and a lady-killed).

 

XII.

 

ongedateerd (Brugge, 7 of 8 september 1954, ’s morgens vroeg)

 

Beste,

 

Vader is erg ziek. Hoe erg ziek weet ik niet. Ik hoop het beste. (L’espoir, ce sale espoir, zou Anouilh zeggen).

 

Hartelijk dank voor de paar dagen die ik in Brugge heb mogen doorbrengen. Ik hoop dat ik de invitatie eens met een andere zal kunnen beantwoorden.

 

Excuseer dat ik zo dadelijk moet gaan lopen. Ik schrijf je nog wel iets.

 

Je Dirk.

 

XIII.

 

Overlijden van Frans De Witte (Moerzeke-Castel 2 april 1888 – Buggenhout 9 september 1954), echtgenoot van Marie De Bleser, vader van Dirk De Witte.

 

Begrafenis op maandag 13 september 1954 in Sint-Amands.

 

XIV.

 

En zo plotseling staat het dicht bij u.

En zo plotseling merkt ge uiterlijk

hoeveel pijn en lijden tot u kwam

hoeveel vriendschap – héél stil – men u nam

hoe de glimlach van je lippen wijkt.

En dan vraag je, heel verbaasd, de dagen…

maar de dagen – zij weerklinken leeg.

Dan verstomt je stille klagen.

Je vraagt niemand meer, want alles zweeg.

Zinloos, arm schijnt het leven,

lang reeds uitgedroomd.

Maar dan plots staat neven

u het leven – hard en ongedroomd.

 

9/9/54

 

XV.

 

Overlijden van Marie De Bleser, weduwe van Frans De Witte (Sint-Amands 20 oktober 1892 – Schoonaarde 22 augustus 1955)

 

XVI.

 

Ongedateerd (begin juli 1956)

 

Beste Dries,

 

Of je nou een vreugdekreet zult slaken bij het zien van deze brief of hem eenvoudig met een vloek(je) in de papiermand zijn bestemming geven, weet ik niet. Ik hoop in ieder geval niet het laatste, dan had ik dat evengoed hier kunnen doen. Je zou in elk geval het recht hebben om ten minste te vloeken. Je hebt nou reeds lang genoeg gewacht en je twee brieven zijn zo wraakroepend onbeantwoord gebleven, dat ik er mij zou over schamen als ik nog schaamtegevoel had.

 

Dat ik met de machine schrijf zou reeds kunnen een symptoom zijn van deze onbeschaamdheid. Maar neen, het is enkel omdat ik zo zenuwachtig op ben, dat ik enkel nog een paar hanenpoten kan zetten. Het laatste wat ik in lange tijd geschreven heb is een handteken onder mijn “papier” van het eerste licentiaat. Gisteren zijn we gedelibereerd en ik leg het er nog op aan in de vlugst mogelijke tijd aan de ouwe getrouwen te laten weten hoe het zit.

 

Aangezien ik weet dat jij een dankbaar persbureau bent en langs jou het nieuws zich zal vermenigvuldigen in meetkundige reeks wend ik mij tot jou (nie geluven). Ik las in de krant van verscheidenen dat ze gepromoveerd werden. Hoe zit het met jou? Ik hoop dat je door geen enkel kreng van die dwazeriken gebuisd wordt of gebuisd bent. Ik ben een trouw lezer van examenuitslagen en kijk na.

 

Wat er na dat jaar (of is het twee jaar?) dat we mekaar nog gezien hebben gebeurd is? Je weet dat ik een wederhelft heb (die tussen haakjes naast mij zit en je haar vriendelijkste groeten stuurt). Die wederhelft neemt, wat maar natuurlijk is, de helft van mijn tijd enzovoorts in beslag. Laat dat een reden zijn waarom ik u niet schreef. Een andere is dat je brieven ook altijd in zulke beroerde perioden toekwamen dat ik niet de tijd of de lust had om dadelijk weer te schrijven, zodat een antwoord nooit tot u gekomen is.

 

Volgend jaar zit ik in het laatste jaar en hoop te promoveren met een thesis over een Duits schrijver die in al zijn beroemdheid een “lokale plaatselijke” grootheid is geweest, waarvan de naam je weinig zal zeggen: Ringelnatz (hein?) [41] .

 

Waar ik tegenwoordig mijn tenten heb opgeslagen? Ik breng een paar dagen door in Schoonaarde, een paar dagen in Putte (bij Mechelen), het geboortedorp van mijn ega. Duitsland (met name Berlijn) zal één van de etappen van mijn verloftijd uitmaken, omdat ik bij de weduwe van mijn schrijver de brieven moet gaan nalezen, enz. Tot uw geruststelling weze gezegd dat die weduwe 78 jaar is, zodat er waarschijnlijk niets meer zal uit voortkomen.

 

Als het met de goedheid van Seppe Seghers overeenkomt, zullen we eens tot Brugge komen. De lange Hanssens is nog volop bezig met zijn examens. Luc De Ryck [42] heeft onderscheiding en is zinnens nog eens een gelegenheidsslaapje te doen met Hortansken. Ik zal hem daarbij helpen, omdat zei hij, hij zich te impotent voelt om het alleen klaar te spelen. Ik zal dat met veel plezier doen. Zo bestaan we, hé…

 

Ik hoop dat het bij jullie even slecht weer als bij ons is. Hier is het affreus. Maar allee, ’t is toch verlof hé… Dit briefje eindigend stuur ik u ontzaglijk veel groeten en hoop u in de toekomst nog eens te zien. Wenselijk was dat, indien je in de buurt kwaamt, je even telefoneerde naar Schoonaarde (tel. 43163). Ben ik daar niet, dan ben ik waarschijnlijk in Putte (tel. 41335 Mechelen).

 

So long old fellow en bis wir uns wiedersehen.

 

Dirk

 

XVII.

 

Huwelijk.

 

Dirk De Witte heeft het genoegen u zijn huwelijk aan te kondigen met Mejuffer Anneke Hoegaerts.

 

Mijnheer en Mevrouw Ph. Hoegaerts-Lammineur hebben het genoegen u het huwelijk aan te kondigen van hun dochter Anneke met Mijnheer Dirk De Witte.

 

De huwelijksmis zal opgedragen worden door E. P. J. Hoegaerts, scheutist, in de kerk van Sint-Niklaas te Putte op 29 december 1956 om 11 uur.

 

Anneke en Dirk nodigen u uit voor de avondpartij die aanvangt om 9 uur aan gelegenheidsadres. Avondkledij niet verplicht.

 

 

IV

 

JEUGDPOËZIE VAN DIRK DE WITTE [43]

 

I.

Bidt allen

 

Ik hield het doodshoofd in mijn bevend’ handen

en langs de kale donkere wanden

van de kamer schoof een bleek flauw licht

dat kalm rustte op mijn jong gezicht.

Ik weet nu dat mijn jong gelaat te bloeien staat

in ’t Licht. Maar als de avond vaart

dat het vergaat.

Dat het vergaat in ’t donkere kille graf,

maar weer zal leven omdat God het gaf.

Bidt allen dat dit jong gelaat

als ’t sterft, niet voor altijd vergaat,

maar in zijn eeuwig licht te bloeien staat.

 

(ongepubliceerd, waarschijnlijk 1952)

 

II.

Heren Rhetorici

 

(op de wijs van …)

 

Heren Rhetorici, nu gaat ge voor goed heen,

Wij zingen u een afscheidslied, maar geen droevig geween,

Nu zijn wij baas over dit kot, terwijl gij ’t vroeger waart.

Dat gij de zeden hier geleerd, voor altijd goed bewaart,

en ziet dat ge niet veel en drinkt het goede bruine bier,

dat geldt voor de Jezuïet en onderofficier. (Bis)

 

Een voorbeeld waart ge in de klas, ge hebt er veel geleerd,

Van der Meersch zat op zijn stoel en alles liep gesmeerd.

Op ’t einde van dit jaar, schreeft gij een pronostiek

de ene leert nu scheikunde, d’ander journalistiek,

de ene schreef “doctor in germaanse theologie”,

de andere schreef: “een militair genie”. (Bis)

 

Dit jaar scheen ons niet lang van duur, door fratsen allerhand,

zettet gij ons steeds weer vol vuur, ge waart niet ambetant.

Al wordt de Flup ne Witte Pater, hij drinkt toch gaarne bier.

Daarbij, om grapjes uit te halen, geneert hij zich geen zier.

De Poet wordt zeker ingenieur, die zeer geleerde vent,

een echt wiskundig fenomeen, met Sandra steeds content. (Bis)

 

Er is ook nog een kinderdoc, chanteur de l’opéra,

de twee Rikken, al even straf in trigono en fysica,

daar is nog apotheker Piet en Jan de advocaat,

terwijl den bruine Pater Dirk, in ’t kort nu binnengaat.

Daar is ’n drukker, een notaris. Jezuiët dat wordt Oompie

en Jappie wel die vent, die leert economie. (Bis)

 

Voor ’t sluiten van de reeks zijn daar nog Paul, Henry,

ze worden allebei doctoor, studeren chirurgie,

daar is Dodo ’n architect en Frans nog ne Jezuïet,

een vechtersbaas van eerste klas, voorwaar ne rare Piet.

Als slot nu van dit mooie rijm, dierb’re Rhetorica,

Wensen w’u een toekomst, vol van gloria! (Bis)

 

(Ongepubliceerd, Juni 1952 - Gezongen op een feestje georganiseerd door de Poësis 1951-52 ter ere van hun voorgangers, de Rhetorica 1951-52).

 

 

III.

De ruiters en de dood

 

Drie ruiters reden door ’t eenzame bos,

ze voerden de teugel zwierig en los,

maar naast hen reed de dood.

 

Ze kwamen van ’t slagveld, ze hadden verslaan

en zouden tezaam nu naar huis weer toe gaan,

maar naast hen reed de dood.

 

En boven hun hoofden vlogen kraaien mee

en krasten vrolijk en wel tevree,

want naast hen reed de dood.

 

Ze hoorden de hoefslag der komenden niet,

want één van de ridders zong galmend een lied,

naast hen zong de ijselijke dood.

 

Drie pijlen snorden hen recht naar ’t hart,

’t gelaat van de helden was verwrongen door smart

maar lachend reed naast hen de dood.

 

De ruiters naderden de dode drie,

één hunner vroeg: “wie zijn het, wie?”

toen antwoordde lachend de dood:

 

Uw eigen vrienden zijn gedood door uw schot,

want zo besliste het d’Almachtige God”,

toen reed weg de lachende dood.

 

En treurig reed de traagzame stoet

en druppelend kleurde de grond van het bloed,

hen volgde van verre de dood.

 

(ongepubliceerd, waarschijnlijk 1952)

 

 

IV.

Meivaart

 

Dien morgen waren ze vroeg al uitgetrokken

en elke groep trok naar haar plein,

daar stonden vlaggen aan hun houten stokken

daar zou het feest en reidans zijn.

Zij zingen altijd nog dezelfde leuzen

en bont gebloemte siert hun stoet.

De wereld heeft geen andere dan hun keuze:

dat zij in vrede leven moet.

 

Dien morgen waren ze vroeg al uitgetrokken,

de glimlach van ons hart trok mee.

Is deze jeugd zo blij en onverschrokken

in zulk een wereld, zo vol wee,

hoe kunnen wij dan ooit een dag versagen?

Het enige parool dat geldt is: sterk te staan

en ons geloof levend uit te dragen

zoals een kind de Meievaan.

 

(ongepubliceerd, waarschijnlijk 1952)

 

V.

Wij zongen vol vuur [44]

 

Wij zongen vol vuur de psalmen

van broederliefde en beminnen.

Ik hoor nog de zangen weergalmen,

ik zie ze als wuivende palmen,

die zingen van liefde en beminnen.

 

Wij zongen, vergaten de daden,

wij spraken met gloeiende stem,

we bewandelden vurige paden

we zongen en spraken en baden,

we droomden ons dromen om Hem.

 

En later zullen we denken

vol heimwee aan deze stonden.

We wilden hem alles schenken,

en Hem in geen enkel mens krenken,

we voelden ons innig verbonden.

 

Maar ons oude handen zullen eens strelen

de grijze haren van ons moeë hoofd.

We hadden zoveel leed te delen,

vergaten de lach en het spelen.

We hebben enkel in daden geloofd.

 

En zacht zeggen wij bevende woorden,

tot de blonden die onze kinderen zijn,

zoals wij ze eertijds ook hoorden,

en ze ons in het diepste bekoorden:

Droom deze ene droom, goed te zijn.

 

Je vraagt me hier nog iets bij te voegen. Wat moet ik je schrijven, wat kan ik je schrijven?

 

Wij allen verlangen de innigheid

der vriendschap en haar heiligheid.

Wij vragen en bidden en wenen er om,

wij zingen ons heimwee uit in een lied.

Maar die ze zoeken, vinden haar niet…

 

Dirk

 

(ongepubliceerd, waarschijnlijk 1953)

 

 

VI.

Zegelied

 

(Op de wijs van…)

 

’t Was in de Missiespaarweek,

wij preekten goed,

wij haalden ’t beste boven,

om al uw geld te roven.

 

Toen kwam het grote nieuws af,

één dag congé

voor wie het meeste geld had,

voor wie een oom bankier had.

 

De jongens van de vierde

sloegen papier,

het werd helaas geen geldslag,

ze kregen geen congédag

 

Maar wij rhetoricanen

wij deden ’t goed,

voor de beer was geschoten

bespraken w’onverdroten

DEN DAG CONGÉ…

 

(ongepubliceerd, 1953)

 

VII.

In Memoriam

 

Kom sluit de poort en laat ons verder gaan.

Na ’t oude einde komt een nieuw begin.

Op ’t kruispunt veler wegen hebben wij gestaan:

We sloegen elk de baan onzer gedachten in.

 

Vaarwel die samen met ons hebt geleefd.

Gedachten gaan voorbij met roem en droefenis.

Gij hebt met ons naar ’t schoonste doel gestreefd,

Met heel uw hart, dat nooit verzadigd is.

 

Veel vragen wij u niet: een simpele bee,

Houdt ons een poos nog in uw hart bewaard.

Een stille weemoed komt. Het afscheid naakt.

Wij gaan weer zeilen op een andere zee.

 

Een oude avond gaat. Een morgen klaart.

De merel van de lente heeft zijn roep gestaakt.

 

(Juni 1953, gepubliceerd in: Het Galjoen, jaarboek van de Rhetorica 1952-1953).

 

VIII.

Verantwoording

 

Ze zeggen me soms: “je gedichten

ruiken erg naar een zekere Piet”.

Ik ben het al wenen gaan biechten,

en zo erg is dat nu trouwens ook niet.

 

Daarbij, er zijn honderd manieren

om zichzelf helemaal te zijn

en de teugels der ziel eens te vieren,

maar Paaltjens manier is ook mijn.

 

Eens grinniken om niet te wenen.

Oh zeg het me niet - ik heb het mij

zelf dikwijls gezegd: “Niet degenen

die met hun ketenen spotten zijn vrij”.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

IX.

Antwoord

 

We worden oud, we krijgen reeds een (geestelijke) buik,

en hijgen als we honderd meters moeten lopen.

Verrottend als een veel te veel besproeide bloemenstruik,

lopen we hier zo maar nog wat rond te lopen.

 

Ze wijzen ons al met de vinger achterna:

Ken je hem ook nog de idealist van vroeger?

Hij meende ook dat hij een dichter was. Haha!

Hij droomde zich voor ’t mensdom heel een zwoeger.

 

Wat rest hem nog van al zijn dromen (dromen!)

Nu sloft hij daar, de vroegrijpe bourgeois.

Hij wist te veel…om het examen heelhuids door te komen

en las te veel: Sartre, Dostojewski en, stel je voor: Leon Bloy.

 

Hij wilde lief hebben en trouw zijn en, de dwaas, geen flirter wezen.

Och heren, zwijg, u hebt het nooit verstaan!

Wat rest me nog dan Paaltjens en Verlaine en Baudelaire te lezen,

en op mijn kamer stilletjes dood te gaan?

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

X.

Op de plee

(Naar Karel Van de Woestijne: “Aan de zee”).

 

Hier, waar het gieren zwiert, ten glinsterklaren billen,

van woelig joelgen wind die wuift en wapperwaait;

hier waar een felle hand, in arren wille,

met bliksemend papier ze na het werken paait.

 

Hier, dat een zwoegend mens ’t gezwoeg der gladde spieren,

als om een krommen boog geweldig zwellen laat

en ’t nekgebogen schepsel met een krachtig gieren,

de schuine flanken van het closet slaat.

 

Hier, o mijn God, te zitten en te zuchten,

en laten rollen op het hollen van de tijd,

hier, tussen lucht en water te verluchten,

en eindelijk te zuchten: “ ‘k ben het kwijt”.

 

En alles overzien om alles te vergeten,

misprijzend d’einders om er een te draaien van een vaâm;

de leden schrijnig wel van vlijmige distelbeten,

maar op de mond een zucht, “O God, ’t heeft deugd gedaan”.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XI.

Zelfportret [45]

 

Geen fier geheven prinsenaangezicht met blauwe ogen,

maar een banaal nietszeggend tweegevecht.

Weemoedigheid, of soms een bonte lach? Meestal gelogen!

Alleen de grove grijnslach rond de mond is echt.

 

En het voortijdig dwaas en roekloos levenspogen

en vooral bijtend spijt om een absurd bestaan,

kwam tussen borstelig-zwarte wenkbrauwbogen

een onmeedogend teken slaan.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XII.

Porren

 

De porren, ze zijn allemaal dezelfde:

liever de twaalfde kussen dan de elfde.

Ook zij moest iemand hebben – naar ik thans zie –

die vrijen kan en kussen met convictie!

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XIII.

Lustig drinklied

 

De druiventrossen ruisen.

Gij gaat voorbij!

Neen niet voorbij, maar luister

hoe lijze ik het fluister:

“kom, drink en zing met mij”.

 

Gitaren – vuren branden –

zeg hoort ge mij?

Komt broeders, laat ons schinken

en op elkander klinken:

TROTZDEM, en geren bij!.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954).

 

XIV.

The End

 

Ik kreeg een brief: het einde van het spel!

‘k Wist niet dat liefde zo gauw kon vervelen.

Beminde zij mij niet? Nou, ik haar wel.

Maar ik heb met mijn liefde laten spelen.

 

Een zoen, een zucht – en hopeloos vergaan

was alle liefde, alle trouw, (ai zwijg, mijn maag moet keren).

Nu kan ik slechts nog voor het venster staan

om eenzaam zonder lief te leren leven.

 

Mijn tranen wellen uit de bron van groot verdriet:

een niet te stelpen bron van zilte natte tranen.

Maar ach, mijn wenen treft haar herte niet:

ze wandelt met een ander door de lindelanen.

 

Zij gaf me mijn geschenken weer:

een ring, een boek, een band voor haar horloge,

en zakdoekjes, geboord met kantwerk, fijn en teer,

-         Gelukkig maar: nu kan ik toch mijn tranen drogen.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XV.

Scheldelandschap

 

De notelaren dromen aan de dijken,

- de dorpen slapen nog, de lucht wordt grijs,-

en sidderen als de wind langs hen komt strijken

en glanzen tinnat van de kille dauw.

 

De notelaren aan de vroege dijken

die van de grauwe lucht ontwaken gaan

en waar het eendre water langs komt strijken,

totdat zij aan zichzelf ten onder gaan.

 

De dijken en de zwarte notelaren,

zij worden aan de grauwe lucht nog stroever

en blijven wat ze zijn: een boom, een wal,

 

waartussen steeds dezelfde schepen varen.

De dijken liggen vreedzaam langs de gladde oever,

tot ook de vloed hen overspoelen zal.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XVI.

Gebed

 

Soms bid ik nog in ’t veel te koude bed

schoon ik getrokken ben uit het verband –

een zeldzaam maar een overschoon gebed:

 

GOD

 

sluit niet om mij de wrede, harde kring

der zekerheid die alle dromen bant,

maar laat me de illusie of d’herinnering…

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XVII.

Poésie pure

 

Je suis le cor de brume, qui crie sur l’Escaut,

angoissé par le cri des autres navires

qui glissent vers la mer – et leur unique désir:

trouver un pays lointain, où tout est calme et beau.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954).

 

XVIII.

Ontmoediging

 

Ik ben een schacht in ’t diepst van mijn gedachten

en dien d’anciens nog tot een voetschabel.

Ik ben de minste schacht onder de schachten,

oh, zeg het mij niet meer: ik weet het wel.

 

Ik word nog door de vrouw – onnozel kind – bedrogen.

Ik zeg de vrouw, maar ge moet lezen: por.

Geen tranen wellen nochtans uit mijn ogen:

de kraan is dicht. Daarbij, de bron is dor.

 

Ik heb mijn dromen allen zien verzwinden:

een zeepbel stuk gespat onder de druk der winden.

Ik wilde dichter zijn, een flinke muzentelg.

Maar zie: ik ben een fietswiel zonder velg.

 

En elk begeren is zo broos, zo broos.

Ik sta nog in het krijt bij Willem Kloos!

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954).

 

XIX.
Plaatje om te kleuren

 

een bank en gras

parkbankstudentenmanieren

groen-groen graaggroen

een VOGELTJE en een

BOOM met pootjes een

v v v vogeltje

gele musgroengrasgelemusgras

groene musgroen geel vogeltje

de blauwkouwe boom aan het vogelpootje

GROEN GEEL GEEL GROEN

blauwkouw vogeltje.

 

Dit was een atonaal gedicht. Waarschijnlijk zul je het niet begrijpen. Maak je geen zorgen: ik ook niet. Misschien zullen ze het begrijpen als ik dood zal zijn, er vele boeken over schrijven, wat ik er mee bedoelde trachten te achterhalen en geleerde colleges geven over: het picturaal-auditieve in de atonalie van Derk Dikkederm.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

XX.

La Nausée

 

Et la tristesse me prend comme un serpent fatal.

Je pleure. Et mes sanglots se perdent dans le vin.

Tout comme d’une bête mourante, désespérée, qui râle,

et qui s’écroule à cause du chagrin.

 

Je n’ai plus d’yeux pour femmes légères,

pour ces bijoux précieux, pour ces amours tombés;

car je sais dans ces cœurs comme un nœud de vipères:

le serpent du Jardin, qui y est resté.

 

Et pourtant, désireux de tout ce qui est beau,

je te désire, oh femme, ton sang et ton amour,

tes lèvres impures, ton cœur – ce grand bourreau –

comme dans la nuit je désire le jour.

 

Mais quand le jour est là, tout nu comme une pauvresse,

j’ai la nausée de tout ce que je vois.

Je n’ai pour soulagement rien d’autre que l’ivresse,

la poésie, et le retour en moi…

 

(ongepubliceerd, begin 1954)

 

XXI.

Siloë

 

Ik vroeg niet veel: geen geurig bed van rozen,

maar paren en beminnen in een stil alkoof,

en luisteren naar de liederen van den boze,

-         en later stikken in mijn ongeloof.

 

Ik vroeg niet veel – geen lang gelukkig leven

maar slechts wat vreugde, slechts een kort geluk,

aan een naakt lichaam mogen beven [46] .

Maar nu de morgen openbreekt, breek ik ook stuk.

 

Ik vraag niet veel – niets dat mij kan ontroeren.

Geen kind – ook niet de eenvoud van een vroom gedicht,

maar nu – oh engel – kom het vijvervlak beroeren

als niemand anders in het water ligt.

 

(ongepubliceerd, begin 1954)

 

XXII.

Je sais

 

Je sais que dans le soir

une fille est toute en pleurs.

Je sais que tout de noir

elle a vêtu son cœur.

 

Je sais que c’est pour moi

qu’elle est en deuil et pleure.

Mais cela me laisse froid,

car je n’ai plus de cœur.

 

Une bête l’a mangé,

cette bête s’appelle l’amour.

Une fille m’a été

un grand, cruel vautour:

 

“Ne pleure plus petit,

car tout ça passera,

cela s’appelle la vie…”

La vie? Un pauvre tas!!

 

(ongepubliceerd, begin 1954)

 

XXIII.

Droevig liedtken

 

Zij stond op het balkon en hij eronder,

Hij roerde de gitaar,

de wind speeld’ in zijn haar.

Hij roerde de gitaar en haar bijzonder.

 

Het was een lied waarin het heimwee trilde,

de wind speeld’ in zijn haar,

de sterren blonken klaar.

Hij zong in tremolo tot zijn Mathilde.

 

Helaas was het balkon niet al te sterk meer,

de sterren blonken klaar,

haar liefde was te zwaar

en onder d’overdruk stortte ’t balkon neer.

 

Zij werden onder ’t puin bedolven, moesten stikken.

Haar liefde was te zwaar,

bracht hen ten onder. Daar

hoort men elke nacht de lieven snikken.

 

(ongepubliceerd, begin 1954).

 

XXIV.

Sonnet aan de lichtekooi

 

Suzanna, weet ge wat dat is: beminnen,

en onafscheidbaar deel te zijn van een geheel?

Gij vielt ten prooi aan honderd mannenzinnen

en honderd monden rustten op uw blanke keel.

 

Suzanna, weet ge wat dat is: ontvangen,

Suzanna die van honderden ontving,

de speculante op het heet verlangen,

maar in wiens dorre bodem ’t zaad verging.

 

Suzanna, patrones der kuise vrouwen,

uw minnaar is een ordinaire Don Juan,

wien gij, o noodlotstaak, een toverdrank moet brouwen,

omdat hij niet sereen beminnen kan.

 

Suzanna, richt als steile torens uw gebeden,

aan ’t randgebied van uw en mijn verleden…

 

(ongepubliceerd, waarschijnlijk 1954)

 

XXV.

Vergeef ons…

 

Vergeef ons, professoren, wat wij u misdeden:

de cursussen, gebrost of slapende verdaan;

de omgang met de vrouw van lichte zeden

of met de bakvis met het lichte bloesje aan.

 

Vergeef ons professoren, wat wij u misdeden:

als wij u in de cursus hebben leed gedaan

en, ontoegankelijk voor uw heerlijkheden,

uw edele woorden zijn voorbijgegaan.

 

Ook wij vergeven wat gij ons deedt lijden:

toen wij als schachten bladen penden met de vleet,

toen gij ons zonder zweem van schaamte,

in Juli en September zakken deed.

 

Of toen gij ’s avonds in de lindelanen,

ons liefdeuurtje schaamtloos hebt verstoord

en onze harten, met de oerkracht der tirannen

met uw harde blikken hebt doorboord.

 

Bedenk: ook gij waart jong, mijn professoren,

ook gij hebt hier gewandeld in de laan,

gij hebt, als ik, geblokt, gespeeld – verloren.

Ik ben nog jong. Maar gij reeds zelfvoldaan.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 3, september 1954)

 

XXVI.

Grafschriften

 

Ik ben een lijk, een slordig lijk

en lig vijf voeten diep in ’t slijk

’t is hier wel warm, maar ’t is hier fijn,

omdat hier veel schoon meiskens zijn.

Allo, allen die hier in ’t donker zitten

de complementen van de “Witten”.

 

*

Hier ligt Andries Van den Abeele

zich stierlijk te vervele.

 

*

Onder dezen droeven killen steen,

ligt, hij was der besten schachten één –

Josephus Van den Berghe de Ninovieter,

discipel van Horatius, De Witten en Pallieter.

 

*

Allen die hier voorbij zult gaan,

blijft eens een ogenblikje staan,

gedenk dat hij die hieronder is,

militaristisch was en zeer sarcastisch,

en dat hij, om dat uit te boeten,

nu eeuwig in de hel moet wroeten.

Dat is begot geen werk.

getekend Piet Declerck.

 

*

Ik ben content. Dat is mijn recht.

Zjie Olbrecht.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 3, september 1954)

 

 

XXVII.

Droevichst Liedtken

 

Hij trok het schuifken open.

Het profken stond aan zijn zij.

Hij zag het buisken liggen:

“Ach profken, spaar het mij”.

 

“Ik zal ’t u wel eens sparen,

Toekomend jaar misschien,

Als gij wel blokt en braaf zijt”,

Zei ’t profken, “we zullen zien”.

 

“Toekomend jaar, och profke,

Ik heb er geblokt nu zo goed,

Denk alsjeblief aan het porke

Met wie ik trouwen moet”.

 

Het profke had tranen in d’ogen

Streek over ’t studentje zijn haar

En sprak diep, diep, héél diep bewogen,

(Sic, sic, sic, sic) “ach, gij sukkelaar”.

 

Er was een grafje gedolven,

De proffen stonden er rond

Ze hebben ’t studentje begraven

En ze stopten het in de grond.

 

Het graf droeg een kruis en een buiske,

Hoor hoe de wind droevig suist.

’t Studentje dronk nooit en ocharme,

De sukkel is ook al gebuisd.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XXVIII.

De regen

 

De regen speelt staccato

de straten spelen nat

de jongen ocarino

mijn hart speelt ‘k weet niet wat.

 

Gedachten vallen stuk

als regen op de grond

ik voel mijn nat geluk

en kussen op mijn mond.

 

Over natte straten,

een regenspielerei.

Ik zal u straks verlaten,

misschien verlaat ge mij.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XXIX.

Uit het ‘Droevigh Liedtboeck’

van A. G. Bredekloot.

 

Van blocken komt mi cleenen bate.

Die lieden raden mi dattict late,

maar ommedat ic minen sin niet een vervare

(dit seggic u al over waere),

eest niet voor het eselsvel

dat wi moeten blocken, dikkewel?

 

Neen, wi en wi zyn niet sonder

d’eksamen, die groet wonder

ploecht te wercken achter lande.

Bi wilen comt er af scande,

quale, toren ochte wedermoet,

bi wilen bliscap ochter goet.

Den wisen maect si oec soe ries

dat hi moet bliven in ’t verlies,

eesdt hem lief ochte leedt.

Si dwingt sulcken dat hine weet

weder sprecen ochte swighen

daer hi loen af waent gecrighen.

 

Omme goet te blocken moet men ghedincken

datter achter landen oec vergincen

die d’eersten stondten op de reie

der meesters in de blockbeesterije.

Daeromme, si ghedinckt dat men veele moet rusten,

ende bi tyd ende stonde sinen dorst moet blusten.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XXX.

Il penseroso

 

Omdat we anders dan ons zelve zijn,

omdat we slapen gaan en wakker blijven,

omdat we water proeven in de oude wijn

en in de jonge meisjes oude wijven;

 

Omdat wij Ik en Gij zijn, komen en verdwijnen,

en afscheid nemen voor we ergens binnen gaan,

omdat w’ontgroeid zijn aan de bouwdoos en de treinen

maar toch nog steeds verlangen naar de maan;

 

Omdat we altijd lachen als we wenen

en brood zien in de grijze wegenstenen,

en als de zon schijnt in de regen staan,

en als we blijven willen, verder gaan;

 

Omdat we anders zijn dan anderen,

kan ik mijn IK niet in een GIJ veranderen…

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XXXI.

Het zij en ik

 

De Leie vloeit in zinderend begeren…

Mijn hart leeft tussen Drabstraat en de Hoge Poort.

Wie kan zich tegen ’t eigen bloed verweren,

of jaagt de eigen driften voort?

 

Als zeven duivels (maar die wederkeren

met hun familie en hun vrienden bij),

die ons in hun roden gloed verteren

als blauwe lucht een wolk in Mei…

 

Maar wie alleen een som moet investeren

en arm is en berooid en zonder kapitaal

en wie geen hoofd bezit om snel te calculeren,

(geen hoofd en bovendien nog kaal!)

 

Wie zal hij gans zijn leven kunnen savoureren

en aan de andere vrouwen als een asceet vorüber gaan?

Neen, hij zal braaf zijn met zijn appels en zijn peren,

en met de kippen slapen gaan!

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XXXII.

Ballade

 

Lieden comt mi nu tevoren

omme dees ballaad ’t aanhoren.

 

Het quamen jonghelingen op een collegie,

grote van doghet ende van couragie.

Ic en wete niet goet hoe dattic moet beghinnen

(si souden het een scande vinnen

als ic niet en conste dichten per alfabeet,

maer ’t can mi nietten scelen ene sceet !!).

 

Ic sal u dichten van enen wiens ambochte

feitelike nooit en dochte:

hi was hovesche ende subtyl van zeden,

zonderlinghe sine scoenheden.

Hi vaerde opder wide seeën

en hadde bi sin vertreck al weeën.

 

Maer hoort nu wat is gesciet

met hem die Felix Austria hiet.

Daer hi cwam in die Hoghescole gevaeren

liet hi dadelik sine boecken varen.

Hi en exerceerde hem verder niet

inde conste die blockbeesterie hiet.

 

Nu hebbic oec nog wat ghesponnen

van – god moet mi onnen

dattic de pointe wel moghe gheracen

ende een goet ende daeraf maecen –

ic sei dus: van dien op tcollegie

crepeerdeget onder de burocrasie.

Hi placht te wesen zoals dat heet

in tclooster waer hi seven jaeren sleet,

coster. Ja coster was hi daer,

dat segghic u al voor waer.

Hine was laet noch trage

bi nachte. Wel bi daghe!

Hi was snel te sinen werke opten dormter van retorike

(hi plach te luden). Hi was noois sieke.

“Frieten es ene goede spise

die ick boven alle dinghen prise”

plach hi te seggen, ende hi at,

at altide, tsi hi stont, lach ochte sat.

 

Ende kenst du noch den Doren?

Hi was voor tvliegen uutvercoren.

Ende als hi ene vlieghe zagh,

hem dochte dat hem thert beghaf.

 

Ay, Deus, gheve mi inspiratie,

opdat ic niet soude commen in temptatie,

ende die dinghen overslaen

die enen paepe ons heeft aenghedaen.

Hi was van Antwerpen gheboren

ende voerde immer groten toren

jeghen de lieden die op den dormter woonden.

Dit segghic u hoe hi se beloende:

hi liet se comen in der studiesale.

Dit was een overgrote quale,

want weets du wattet bedieden can

also een erlik ende dorstigh man

geen ocso ofte tee can cocen

ofte op sinen cote niet can rocen

eenen Belgha ofte eenen Michelle?

Wien tgesciede, ay, hi weets het welle!

 

In Drongen ende in Sceet ende in Frankenlande

vindt men oec noch in den gheesteliken stande

spitsghebroeders di in abite cropen.

Een is door zine onvlijt misghelopen.

Die andren bidden nu met vlite:

“Here, hulpe hem weder in abite”.

 

Laetic nu singhen van eender jonghelinck

die in Antwerpen bider Jesuiten ghinc.

Hi es ghesoncen in enen staet

welcs woord in ’t oud-Duutsc nietten bestaet,

maer hets een dinc met fluten ende tropmoepen

ende met veel laweit ende hard roepen.

Hi es verslaefd aen alle viese dinghen

als daer syn: bosmensen, Vortsak ende swinghen.

 

Hi hevet oec noch eenen compaen

die ghoet met hem mach medeghaen;

die houdt van enen man met enen sterken arm

ende oec van dat maziek met veel ghecarm.

 

Laet mi oec singhen van eenen langhen.

Hi was van der cunsten duvel ghevangen.

Hi en is gheen vlijtigh studenteken een

en vreselyck lang ende hoogh ter been.

 

Maer sinen ouden ghebuere was eenen anderen,

die sal nimmer ofte nooit veranderen:

hi es een rolder ende een flink blokker

maer ooc enen listighen porrenverlokker.

Van Ninove es hi, dus een eerlic man.

Hi heeft enen sconen kotmadam.

Op Dirk heeft die ene oghe

maar hi es een vlijtigh filologhe

die nooit noch naer meiskens heeft ghececen.

Ende die dees ballade heeft ineen ghestecen.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XXXIII.

Dien avond en die…

 

Ik denk aan u, als aan die vele dagen

die wij in Aalst versleten op een bank.

Ach, wil niet verder vragen, wil niet zagen,

maar luister naar de zoete zachte klank

van mijn gitaar (is dit geen stout enjambement?)

Wat zal ik u, mijne geliefde zingen?

De vreugde om een nieuw engagement?

Of van de Umlaut en veel andere dorre dingen?

Hoe zweemt mijn geest u toewaart, mijn geliefde.

Wat zal het lied zijn dat ’k u zingen zal?

Oh, als ik u in ’t een of ’t ander ernstig griefde,

ga naar ’t W.C. en neem een grain de val.

Mijn liefde door de goden (Bacchus enz.) belaagd

is in de donkerte van deze nacht verdwenen.

Mijn lief heeft zich vannacht weer eens beklaagd

omdat ik haar wat te be(je)neveld hadde toegeschenen.

 

En ik ben eenzaam in dees duisternis der nacht.

Ik denk altoos aan haar, ‘k kan haar niet lossen.

En wat mij in mijn dromen altijd tegenlacht:

u, dien avond en die rosse…

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XXXIV.

Het hazenpad

 

Een man die eens te kiezen had

die koos maar vlug het hazenpad

maar na een maand reeds had hij spijt

                   - geraakte ’t hazenpad niet kwijt.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XXXV.

 

Een moedeloos heerschap bij het kaarten

gaf na een uur de pijp aan Maarten.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XXXVI.

Memoires van een getrouwde zatlap

 

Ge zijt voor mij gedaan, studentikoos plezieren,

gedaan de pitjesbak, de dansthee en den Amber,

gedaan ’t op alle hoeken van de straten pieren,

gedaan, adieu Louis, Frans, Piet, Albert.

 

Gedaan Irma, Marcel, Fons à la main of zittend,

Marraine, Gent of Leuven, ‘t groot pissijn,

gedaan blok en exaam, gedaan profs, vittend,

want elk leed moet door ons geleden zijn.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 9, einde 1958).

 

XXXVII.

Na tien jaar

 

De blaren vielen tienmaal af. En heel wat haren.

En de illusies? (Wat zou dat wel kunnen zijn?)

Maar wat we al die jaren hebben kunnen sparen

was meer dan we verwachtten. Dat bleek bij de wijn.

 

Wie had gedacht dat – tegen elke theorie –

we zouden praten en mekaar daarbij begrijpen,

ondanks de zeer gespreide terminologie

en de verscheiden temp’raturen van het rijpen?

 

Je zag de theoloog goedsmoeds de filoloog,

de veearts de bankier en d’arts in d’ogen kijken.

En niemand die een ander in de haren vloog

omdat hij van beginsels durfde af te wijken…

 

Herinneringen kwamen steeds meer opgerezen.

En als ik ’t achteraf nauwkeuriger bekijk:

Je wordt er jonger mee – het is een soort genezen.

En de afwezigen? Ze hadden ongelijk!

 

(Ter gelegenheid van het tweede lustrum en feestelijke bijeenkomst van Rhetorica 1952-53. Gepubliceerd in: Jong en Oud, n° 33, zomer 1963, p. 25)

 

 

V

VROEGE TEKSTEN VAN DIRK DE WITTE [47]

 

I.

Caleidoscoop der humaniora

 

Als je aan de Humaniora, de “klassieke studies” begint, dan sta je tegenover die zes jaar die voor je liggen tamelijk klein en praktisch zonder enig begrip voor proporties in het perspectief van de tijd.

 

Zes jaar, elk drie termijnen, is 18/18. En met het Kerstverlof in de Zesde Latijnse hadden wij slechts 1/18de achter de rug. We hadden in heel de “humaniora affaire” thuis weinig of niets te maken. De traditie of de omstandigheden dwongen ons de klassieke studie aan te vatten. We deden dat dan ook, de enen met koele, hoewel berekende onverschilligheid, de anderen met de hoop der wanhoop en nog anderen op hoop van zegen.

 

Waar wij naartoe zouden wisten we nog niet. Toen wij nog op de gemeenteschoolbanken zaten, opteerden wij voor coureur of pastoor. Daar was het een vrolijke bende waarvan de toekomst voor velen vaststond: de fabriek of de boerderij. Wij mochten “studeren”. En toen het eerste verlof thuis werd doorgebracht, deden wij al onze boeken mee en vertelden we aan iedereen die het horen wilde dat wij Latijn leerden en pastoor wilden worden. Ik persoonlijk wilde toen liever schoolmeester worden, hoewel pastoor ook aantrekkelijk was.

 

En zo groeide in ons onbewust onze toekomst. Vijfde, Vierde, Derde en Poësis stond er voor het merendeel nog niets vast. Drongen zou het definitief vastleggen van onze toekomst zijn [48] .

 

Buitenstaanders en aankomelingen zullen zich wellicht afvragen hoe wij onze keuze doen? Wel, eerlijk gezegd, is dat een buitengewoon moeilijke operatie en verschillend van de één tot de ander.

 

Er zijn er die op een nacht wakker worden en in vlammende letters op hun muur zien staan: “Gij moet dokter worden”. Die worden dan natuurlijk dokter, of advocaat. Anderen gaan ’s morgens te biecht en te communie, vasten de hele dag (zoiets gebeurt meestal in de Oude Abdij) en als ze ’s avonds op hun kamer komen, slaan ze bij het romantische licht ener kaars de beduimelde bijbel open.

 

Zo was er één die het boek opensloeg op de tekst: “Komt tot mij allen die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken”: die ging naar de handelshogeschool om belastingsontvanger te worden.

 

Een tweede sloeg het boek open op de woorden: “Maar de gehuurde knecht ziet de wolf komen, laat de schapen in de steek en vlucht weg…”: die gooide zich in de politiek.

 

Een derde las: “Want hun daden waren slecht…” en hij werd jezuïet.

 

Het merendeel werkt met schifting. Dat gaat zo. Het komt er op aan tijdens de eerste maanden van het schooljaar alle mogelijke inlichtingen over beroepskeuze bijeen te garen. Dan werk je met nullificatie: Dokter wordt je niet omdat je niet graag veel geld verdient – dus geliquideerd. Advocaat wordt je niet omdat het niet origineel is – dus geliquideerd. Germaanse doe je niet omdat je graag veel geld verdient en een ver familielid bij de weerstand is – dus geliquideerd. Het is een onfeilbare methode, als je maar categoriek en sterk genoeg zijt in het vinden van drogredenen.

 

Je moet natuurlijk ook rekening houden met je aanleg. Als je veel van talen houdt moet je beslist voor wetenschappen gaan. Je hebt een veel grotere kans van slagen aan de universiteit. Want als je heel goed mathesis kent denk je dat je niet meer moet studeren. Mutatis mutandis kan men hetzelfde zeggen voor Dokter of Filosoof. En als je veel van kinderen en jeugd houdt, moet je Fröbel doen. Beslist. Zo in mijn geval. Die overtuiging wordt nog gestaafd door het Bijbelwoord: “Laat de kleinen tot mij komen” en de opvoeding van het collegemilieu dat ons kinderlijk heeft bewaard.

 

Zo is er reeds een klein tipje van de grote sluiter opgelicht. Zo kozen we onze toekomst: niet in bevliegingen, maar met een scherpe zin voor realiteit, edelmoedig van hart, met de wil een wereld te helpen scheppen waar allen samen gelukkig zijn.

 

Dirk De Witte

(Het Galjoen, de geschiedenis der humaniorajaren van de 45 Rhetorici van het Sint-Jozefscollege te Aalst uit het jaar 1952-1953, p. 64-65).

 

 

II.

Alma Mater. Eerste en tweede Schachtendag

 

Die eerste werkelijke Universiteitsdag! Afschuwelijk! Het begon met het brossen van twee cursussen.

 

De antecedenten in ’t kort. ’s Maandags was het opening met academische zitting rond 11 uur. Aangezien ik spoorstudent ben moest ik rond half tien uit mijn logies vertrekken. De miserie begon met naar een trein te gaan die niet reed. Je lacht? Het is nog geen tijd om te lachen. Lach als je durft.

 

Je lacht met de miseries van een spoorstudent als je hoort dat iemand moet overstappen in Wetteren, maar een statie te vroeg uitstapt, in Schellebelle, te voet naar Wetteren loopt, en met de bleinen [49] op de voeten de trein ziet vertrekken als hij er aankomt. Met autostop naar Gent gaat, achterop een camion in de regen mee mag en om half twaalf toekomt. Lach als je durft. Maar die iemand was ik. Ik…Ik…

 

En ik zeg het zonder schaamte, omdat alles neerkomt op de rug van de Jezuïeten, die ons wél leerden dat een moord met dubbel gevolg moord kan zijn. Net of wij verdomme een moordenaarsbende zijn. En àls we ooit eens een moord doen, dan zal het op een Jezuïet zijn, en dàt ga ik niet biechten. Dat is een goed werk. De Jezuïeten die ons leerden goochelen met “amo, amas, amat” (spraakkundig opnemen a.u.b.) maar niet leerden hoe we een treingids moeten hanteren. (Ik ben zeker dat geen twee mensen je begrijpen als je hen aanspreekt met “amo-amas-amat?”).

 

Enfin soit! Maar ik was te laat voor de openingszitting, nog niet genoeg schacht om zelf mijn weg te vinden en te veel schacht om zo maar met een rond gebaar een “beflatte [50] ” jongeheer aan te spreken en hem de weg te vragen.

 

Lach je nog?

Lach je nog als ik je vertel dat ik op een tram sprong, radeloos, de eerste de beste, om, als ik tien meter verder gereden was, een bekende – de enige die ik die morgen had gezien – te zien voorbij stappen, net of hij was in Gent geboren – en hij was evenveel schacht als ik!

 

Ik spring van de rijdende tram, moet haastig uit de weg springen voor een auto, om onder een fiets terecht te komen die de geluidsmuur trachtte te doorbreken. De Strop brulde iets van “…oep haa uufflakke sloan… [51] ”. Een flik [52] kon ik nog juist van achter mijn hielen spurten en ik belandde, rood als een flat [53] , bij de bekende. En het enige wat meeviel: hij ging juist eten.

 

Tot daar de antecedenten, al dient er nog bijgevoegd dat ik al de gebouwen heb afgezocht om te weten waar ik Dinsdag cursus had.

 

Dinsdag. – En cursus om 8 uur. In de statie een paraderende Herman Hanssens die op Herman De Groote wachtte. En ik wachtte mee tot vijf voor acht. In een spurtje de tram op. Naar de Universiteitsstraat om er te vernemen dat het eerste jaar in de Plateau cursus had. Naar de Plateau. Zoeken… en vinden: om kwart na acht. En vinden: èn de Plateau èn Jean Cardon die ook wat te laat kwam. Naar het lokaal van prof. Goubeau. Gang links, gang rechts, trap op, dwars vooruit en… twintig, dertig jongelui die tegen de muur of op de trappen van een sigaretje genoten. Een bomvolle zaal en een kleine dikke Professor Baur waarvan ik alleen het hoofd kon zien.

 

We vroegen of de Germaanse daar cursus had en ja… we hadden dààr cursus. Maar we konden niet binnen. We hebben Baur daar binnen laten cursus geven en hebben ons met het gelukzalige gezicht van alle brossers [54] op onze “part postérieure” gezet en een rokertje opgestoken. ’t Scheen dat Baur van 9 tot 10 uur ook cursus gaf, voor de Germanisten alleen, want in de bomvolle zaal zaten juristen, historici en heel de santeboetiek bijeen. Waar de cursus doorging wist niemand. Tenzij naar we later te weten zijn gekomen, enkele “rari nantes”, wiens nota’s we in de bibliotheek met een twintigtal dankbaar hebben gebruikt.

 

De derde cursus die voormiddag was van Van Werveke, en die kwam niet. ’s Avonds kwam ook de Boucherie niet. Gelukkig hebben we van de vijf cursussen van de Dinsdag (de beruchte Dinsdag… de afschuwelijke Dinsdag…de deprimerende enz. Dinsdag…) toch één cursus kunnen volgen, die van Uyttersprot die me vroeg in volle cursus of ze in Sint-Amands nog kaatsten (sic) en of … Verhaeren daar nog lag (resic!) en mij vroeg of ik al “vaarzen had gepleegd”. En ik kon niet neen zeggen, want ik wou niet liegen, en ik kon niet ja zeggen, want ik wou me niet belachelijk maken, en ik heb even beminnelijk geglimlacht en ben gaan zitten. Naast mijn stoel, op Jean Cardon’s knie. Vergeef me Jean, ik heb niet gewild je belachelijk te maken, ik heb niet gewild dat we alle twee rood zagen van schaamte. Ik heb gewild dat ik alleen rood zag. Ik, ik alleen, Jean [55] .

 

Maar doe me nu een plezier Jean. Spreek niet te veel meer met Suzanne, Jean. Want ik wil niet dat wij alle twee rood zien…van liefde, Jean. Maar ik. Ik alleen Jean….

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 1, maart 1954)

 

 

III.

Inleidend woord

 

Wij hebben onder ons een dichter. Ik zal nou niet speciaal zeggen dat hij twee kg hersenen in zijn “uuflakke” heeft, of een speciaal hart. En het ware zeker niet kwaad als wij hem eens een enige gelegenheid gaven om kosteloos (voor hem en voor ons) te publiceren.

 

Hij verdient het. Het is een rompslomp wilde greep uit kilos papieren. Er zijn ernstige bij en nog ernstigere. Er zijn zotte bij, waar de jouissantie uit opborrelt. We laten de dichter zelf aan het woord: “Zotte gedichten kan ik enkel schrijven als ik wreed droevig ben, als ik erg lijd. Ernstige gedichten kan ik altijd schrijven. Daarom doe ik dat zo weinig”.

 

We hopen dat de gedichten een kijk geven op één van de commilitones die erg veel de schijn heeft een pathologisch geval te zijn. Maar hoor je hem: “We zijn allemaal pathologische gevallen. En niemand heeft het recht extremisten of non-conformisten te veroordelen. Want wat nu forma is, is het morgen of overmorgen misschien niet meer. Alles is relatief, en wat jij vandaag aanvalt, zal je morgen misschien moeten verdedigen”.

 

The Publisher

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954).

 

IV

Nog een Inleiding

 

Hortansken is geboren. ’t Schaapje moet in leven blijven.

 

En ’t is niet genoeg met de methode van dat manneke uit het gedicht toe te passen. De Dokter had gezegd: “als de blaren van die struik gaan vallen, zal uw zusterke sterven”. En dat manneke bond al de blaarkens vast met een garendraadje. Dat garendraadje, allé gauw, dat zijn uw wensen, ge wilt wel een Hortansken krijgen, maar ja…

 

Denkte gij dat wanneer jullie vader tegen jullie moeder had gezegd: “Ik wil een Jefke of een Jantje of een Pietje of wat weet ik nog allemaal niet, krijgen”, maar hij was met zijn handen in zijn zakken blijven staan, dat hij dan werkelijk een Jefke of zo zou gekregen hebben?

 

Alla, Alla, ge weet toch allang wie dat Sinterklaas is zeker?

 

Handen uit de zakken…en schrijf eens iets. Al was het maar één enkel woord: “Ik verkeer. Stop”. Dan zou ik al langs Hortansken om, een goede raad kunnen geven, bvb. "Stop verkeer”.

 

Er zijn er een paar die het gedaan hebben. Hartelijk bedankt. Waar blijft de rest? Of moet ik alles alleen doen? Zeg, ik zou graag geen al te grote buis hebben. Mag ik wat verwachten?

 

Theodorik Leukos [56] .

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 2, mei 1954)

 

V.

Een jaar later

 

Ik zit hier op mijn kamertje, één hoog, en droom over al de voorbije dingen heen, van een vrolijke bende jongelui die op een mooie dag in Juli elkaar de hand drukten en onder de invloed der ‘toverspreuken van druiven’ de dure eed zwoeren elkaar nooit te zullen vergeten, maar over alle politiek, over alle ideologie, de band te bewaren die hen bond.

 

“Op ’t kruispunt veler wegen hebben wij gestaan…” – Ik citeer mezelf, omdat er buiten mij geen andere dichter bestaat die de moeite waard is geciteerd te worden. Dat is geen blijk van een meerderwaardigheidscomplex. Dat is een trieste realiteit. Want dichter zijn is een noodlot. Ik kan het weten – ik heb een fiets. En met die fiets maak ik een reis door het verleden. Het verleden van één jaar. Een volslagen jaar met wel en wee, met liefde en schoonheid. Vergeef het mij als ik poëtisch en sentimenteel doe. Ik kan nu eenmaal niet anders.

 

Toen ik na de deliberatie thuis kwam, heeft mijn vader gevraagd: “Zoonlief, wat denkt ge van het voorbije jaar?” Het laconiek antwoord kwam zonder aarzelen: “Veel”. Ik weet niet juist meer wat ik er toen van dacht. Want alles is relatief. Ook ideeën. En wat ik vandaag aanbid zal ik morgen misschien verbranden. Aeternitas constans est. Ik ben nu eenmaal geen aeternitas. Dus ook niet constans. Het enige wat ik over het voorbije jaar weet: geen enkele dag, geen enkel ogenblik zou ik opnieuw willen beleven. Ik ben – wij zijn – nog jong. En jonge mensen mogen niet van hun herinneringen leven. Wij leven met het hart naar de toekomst gericht. Dat is nu eenmaal een kenmerk van de jeugd.

 

Wij zijn geen schachten meer. We weten thans waar Abraham zijn mosterd haalt. Wij weten een heleboel dingen over het inwendig leven van de mens (psychologisch en biologisch). We weten (dat leerde ons de psychologie) dat er remmingen bestaan in het onthouden, dat verliefdheid één van die remmingen is. We weten dat Jean Jacques Rousseau zes kinderen had en geen enkele vrouw. We weten zonder veel moeite te berekenen hoeveel bier een schroef van Archimedes in één uur kan naar boven halen. We kennen de Griekse treurspelers. We weten hoe we best de batterijen opstellen als de vijand zus of zo aanvalt. Sommigen weten zelfs hoe het aan boord te leggen om een onderscheiding te behalen.

 

Inderdaad we weten veel. Misschien een beetje te veel. Vroeger wisten we hoe de kindjes er kwamen. Nu weten we hoe ze er niet komen. Dàt is het leven. ik kan er ook niets aan doen.

 

We hebben het dit jaar goed gedaan. We hopen dat we het volgend jaar nog beter zullen doen…!

 

(Augustus 1954, gepubliceerd in: Hortansken, n° 3, september 1954)

 

VI.

Uit dagboeken

 

Uit het dagboek van een arme schacht

Avond, 11 uur. Alleen op mijn kamertje. Ik ben zo bedroefd want ze heeft me verlaten. Nu ben ik moederziel alleen op de wereld. Niemand die mij helpen kan, want allen zullen zij spotten met mijn verdriet en zeggen: “De onnozele hals, waar hij zich zorgen over maakt”. Ze zullen me bespotten en met de vinger nawijzen.

 

Het leven heeft geen zin meer zonder haar. Zij was goed en fijn en slank en teer en mals en ze kuste zo goed. Ik studeerde voor haar en onder mijn hoofdkussen lagen haar brieven, met een roze zijden strik rond. Ze roken zo goed. Alles is voor mij een trieste woestenij geworden en ik ben als een kameel die zoekt naar een groene oasis. Maar ik vind niets, want zij was de enige oasis in mijn leven. “Un seul être vous manque, et tout est dépeuplé…” Waar zal ik de moed vandaan halen om nog verder te studeren? Isabella, Isabella, waarom heb je mij verlaten? Ik verdrink me, ik hang me op…

 

Uit het dagboek van geen schacht

Verdomme, ’t is er toch van gekomen. Ik had het wel gedacht. Die smeerlap van hierboven flodderde altijd rond haar. En ik liet dat maar toe, omdat ik dacht dat ze trouw genoeg zou geweest zijn om mij niet te laten stikken. Maar nu zit ik alleen. Hoe moet ik nu verdomme aan mijn sigaretten kommen? En hoe ga ik die vervelende avonden doorbrengen als ze mijn filters niet betaalt bij Derk? Nogal goed dat ik Louiseke ook nog heb. Dan heb ik toch Maandag, Dinsdag en Woensdag nog. Maar wat moet ik met mijn Donderdag en Vrijdag doen als ik Evelientje niet heb? Ik zal mijn sigaretten een beetje op rantsoen moeten zetten. Zo zijn de vrouwen hé; ze zeveren eerst hele dagen over trouw en per slot van rekening laten ze je zitten. Nogal goed dat ik haar geen cadeautjes gegeven heb.

In ieder geval ga ik me deze nacht een flink stuk in mijn voeten drinken.

 

Uit het dagboek van een Ancien.

Van den avond heb ik echt geen sjans gehad.

Ik ben wel drie frank verloren met whisten.

Het leven heeft geen zin meer.

Ik ga slapen.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 3, september 1954).

 

 

VII.

Kritiek van een ontsnapte

 

Prefecten zijn er niet alleen om admittaturs of straffen te geven. Zij moeten ook mensen zijn.

 

Surveillanten zijn géén schoonmoeders.

 

Professors moeten heel het jaar interessant zijn en niet alleen in ’t begin of op ’t einde om een goede indruk na te laten.

 

College-eten is dat wat men niet aan de varkens kan geven omdat er een Dierenbescherming bestaat.

 

Pedagogie is niet de opvatting het goede te lonen en het kwade te straffen. Pedagogie is de kunst mensen te vormen. Daarom zijn opvoeders uit den boze.

 

Partir c’est mourir un peu”. Want wat gaan de Paters eten onder de vakantie, als er geen studenten meer zijn?

 

Misbruik van vertrouwen is misbruik van de armoede der paters. Want armoede is gebrek hebben aan iets.

 

Een studentenkamer is de kamer die de student huurt voor anderen, waar hij zelf weinig vertoeft, waar hij een bed zet voor ’t gebruik van medestudenten en waar hij voedselvoorraden opslaat waar hij zelf niet aan komt.

 

Een jezuïet is een mens die

-         de verantwoordelijkheid van een pastoor niet durft dragen,

-         te lui is om Benedictijn te worden,

-         te veel van zijn vrijheid houdt om Trappist te worden,

-         te graag de mode volgt om Franciscaan te worden,

-         te graag geld ziet om broeder van de Foucauld te worden,

-         zich niet gaarne bindt om te trouwen.

 

In de marge geschreven: Voor Hortansken. Later volgen nog inzendingen! Dirk.

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 3, september 1954.

 

VIII.

Aan onze confraters de paters

 

Terwijl sommigen een duidelijk streven naar stijl en taalzuiverheid vertonen om niet alleen zichzelf maar ook het volk ten dienste te staan met hunne kunst, lig ik hier in mijn bed enkele slordige velletjes te bekriebelen. En nu denk ik even terug. Want wat ik nu ben is de resultante van al de vorige levensevenementen, het is de stroom die verder groeit in de richting waarin hij door de voorgaande bedding wordt gestuwd. En wat ik nu ben… een povere surveillant die tracht drie dingen tezelfdertijd te doen: te studeren, te werken en wat ontspanning te zoeken.

 

Ik beklaag me niet hoor, ik leef goed tegenwoordig. Ik vermoord geen mensen, ik doe niemand groot kwaad, ik haat niemand (integendeel, ik bemin er vele). Ik doe mee aan de zeven werken van barmhartigheid en men zegt mij dat ik veel te streng ben – dus een goed surveillant.

 

En jullie? Hoe gaat het met jullie? (Want toen ik even terugdacht aan wat voorbij is, botste ik onmiddellijk op jullie gestalten!). Ik mag geloven dat jullie allemaal al een heel dik vel op jullie knieën hebben, dat er al een ernstige plooi in jullie voorhoofden ligt en dat jullie schedel zo een beetje de afgeplatte vorm heeft gekregen, eigen aan mensen die een diep religieus gevoel hebben (Sint Jan Berchmans en pater Brugmans bvb.). Zonder te vergeten dat jullie ook nog lachen kunnen: de tevreden gulle lach van mensen die gelukkig zijn, omdat ze zich volledig ingezet weten. En dat is een reden tot geluk.

 

Ik zou jullie nu kunnen vertellen over mijn werk hier. Maar dat is hetzelfde als op ieder college, als in iedere instelling die studenten logeert: bij de kleinen de particuliere vriendschappen (die gewoonlijk verder gaan dan eenvoudig “vriendschap”), bij de groteren de zwerftocht in het rijk der erotiek, het onbevredigd (en nooit te bevredigen) zoeken naar prikkels in “Picollo”, enz., die ze “slecht” noemen, maar die ze toch lezen. Als ze nu nog eens de moeite waard waren (badpakken vind je in de Veldstraat in elk uitstalraam!). Ze zeggen met wellust “Laura” of “Jeannette” en iets mooi bestaat voor hen niet meer, want alles komt in functie van hun seksualiteit en zo zien ze niet dat seksualiteit slechts een attribuut van de vrouw is.

 

Dat ik geleerd doe? Het kan moeilijk anders: ik ben thans ook “geleerd”. Je vroeg je verwonderd af waar ik bleef, wat er met mij was… Misschien deed je er goed aan niet éérst te schrijven, niet zelf de eerste stap te zetten, maar mij tot jullie te laten komen. Ik vermoed dat dit weer zo een jezuïetenstreek is.

 

Dat ik droef geworden ben? Dat ik alles te ernstig opneem? Dat ik tekort kom aan mijn titel van “navolger van Horatius en Pallieter”? Geef me de verzekering dat ik later onmiddellijk een plaats in het vrij of (liefst) officieel onderwijs zal hebben, waar ik mijn filosofische nonsens kan verkopen en ik word onmiddellijk weer de “dwaze kloot” van vroeger. Dan zal ik misschien minder “dwaze kloot” zijn dan nu.

 

Zes maand later: vervolg van mijn briefje aan de rokken uit onze klas. Jullie hebben zonder twijfel het beste deel gekozen. Hij die bemint heeft altijd het beste deel, niet hij die bemind wordt.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

IX.

Een filoloog

 

Hij was een filoloog zoals alle andere filologen. Dat wil zeggen dat hij voor àlles lust had en werkkracht en moed, enz., behalve voor filologie. Vooral die zachte winteravond in juli niet. Hij zat al de hele dag achter zijn boeken en achter zijn kacheltje dat zo weinig warmte gaf dat hij er Bols moest bij ter hulp roepen om zich wat op te kikkeren.

 

Lusteloos bladerde hij in zijn cursus terwijl hij zijn tenen naar de warmte van de kachel krolde. Hij vroeg zich af of het mogelijk was dat filologentenen altijd zo ruiken konden, maar hield dadelijk stil bij de gemeenplaats: “Ik heb een gat in mijn kous”. Dat hij niet zegde “Ik heb een kous in mijn gat” was alleen te danken aan de Bols, want in abnormale toestanden (d.w.z. Bolsloos) was hij vol van dergelijke obsceniteiten. Mannen vertellen graag pikante dingen als ze alleen zijn. Dit is dan ook een van de oorzaken dat men de beste moppen hoort tappen in gemeenschappen waar mannen onder elkaar zijn, dus in kloosters. Ik zal me nu niet aan een sofisme vergrijpen en een verband van gevolg tot oorzaak leggen, door te beweren dat bepaalde mensen in mannelijke gemeenschappen gaan leven om naar hartelust hun prepuberteitperiode te herleven. Vade retro, Satanas!

 

We waren dus begonnen met de scherpzinnige vaststelling dat hij een filoloog was. Dit zeggen is hetzelfde als beweren dat hij geen van de snuggerste was. Want om filoloog te worden moet men meer dan één “soort nagel waarop spiraalvormig een groef is gesneden” (cfr. Meneer Peeters) los zitten hebben: er is niemand die méér zou moeten studeren dan een filoloog en niemand die minder kousen maakt in zijn leven. Onze tuinier is een buitengewoon goed filoloog en heeft zijn dokterstitel behaald met een verhandeling over: “Gebruik en etymologie van de uitroeptermen aan het adres van het paard”. Hij kent de etymologie van al de bloemen in onze tuin, tot zelfs het bloempje dat in het Latijn de naam zou dragen van “Flos Stercorata” en vooral zou groeien (gezien de Latijnse en Nederlandse dialectische naam) op plaatsen waar herhaaldelijk studenten een proces-verbaal krijgen door het vertonen van een voorwerp dat niet aan het daglicht mag komen (cfr. politiereglement art. 202 etc.).

 

Over de dwaasheid van een dergelijk politiereglement spreken wij niet. Want een dwaasheid is het! Als de kleine van onze kotmadam pipi moet doen op straat kan zij hem daartoe de nodige wenken en inlichtingen verschaffen zonder gevaar te lopen een bekeuring te krijgen. Als wij dat doen noemt met dat met een grotesk woord “zedenschennis”. Toegegeven dat het onhygiënisch is, maar…er blijft toch altijd een maar!!

 

Onze tuinier dus is een uitstekende filoloog, maar hij kent geen roos uit een appelaar, wat mijns inziens toch een beetje overdreven mag worden genoemd. Waartoe dient dan een dokterstitel? Hij spreekt (de tuinman, niet de titel) beschaafd en vloeiend Nederlands (wat op zichzelf al een unicum is) en zegt keurig: “mag ik de tuinslang hebben?” als hij eenvoudig bedoelt of hij de katsoedarm mag hebben om het plankier (de bijgang, het voetpad, enz.) af te spuiten.

 

De kraanman is eveneens dokter in de filologie (hij promoveerde met: “Het gebruik van ‘ik’ in de egocentrische Renaissanceliteratuur van C. Huyghens”) maar hij heeft ons reeds verduiveld veel geld gekost door herhaaldelijk de ophaalbak van 750 kg (max.) op het hoofd van de meestergast te laten vallen.

 

Ik vraag u dan, waartoe dient FILOLOGIE? En aangezien ik volkomen van het onnut van de filologie overtuigd ben en het principe nastreef: utilitas ex integra causa, inutilitas ex quocumque defectu, kan ik onmogelijk met het verhaal verder gaan.

 

Hij was een filoloog…

Spijtig genoeg.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

X.

Mijn beste luitjes allemaal

 

Mijn klok loopt naar 2 uur, mijn fles wijn is leeg en mijn hart is vol. Boordevol. En om het nog voller te doen komen, zodat het overloopt, herlees ik nog eens de brief van Polle Ghyselen. De eerste brief die ik van hem ontving. Het gaf me een schok, zoals alleen de eerste brief van ergens een geliefd meisje een schok geven kan. Denk niet dat ik aan verkeerde praktijken doe met de Polle! Zijn brief bewijst trouwens het tegendeel. (Hij schrijft o.m.: “Het schijnt dat gij stof hebt om 4 Hortanskens mee te bevruchten”. Neen, Polle, een dekstier ben ik niet. Eén Hortansken – en dan nog broederlijk gedeeld met de Lukken).

 

Hij spreekt daar ergens van de gemeenschap. Inderdaad, jongens, jullie bennen de bloem van Vlaanderen, de steunpilaren van ons volk, de kaarsen die met heldere vlam het licht moeten verspreiden in deze donkere tijd van pro- en anti-collardisme [57] . Ik zal vooralsnog mijn flikkerend lichtje onder de korenmaat van een nieuwe blokperiode moeten steken. ja, een mens die gebuisd wordt, heeft tegenslag in het leven. Maar allez, vooruit, niet versaagd dappere Belgen, er zijn er nog. Een tegenslag is goed in ’t leven, dat hardt en sterkt een mens. Daarom, dank U Mijnheer de Ryck, dank U Pater Laga, Pater Roodbaard, Pater Van den Broecke en al degenen die mij de eerste beginselen van Engels en Duits hadden moeten bijbrengen, dank U, omdat ge mij de gelegenheid hebt gegeven om te harden, te sterken, enz. voor het komende leven.

 

Beste luitjes, eerst degene die gebuisd zijn. Hartelijk proficiat! Proficiat omdat ge hebt durven bewijzen dat het geestelijke voorrang heeft op het materiële, nl. een mooie uitslag, een nieuwe bromfiets van de pa, een paar rolschaatsen van mama en een doos suikertjes van oma. Doe zo voort, beste vrienden! Lap het materiële aan uw zweetvoeten! Bewijs de professors dat ze stommeriken zijn en dat ge hun zever niet wilt leren, niet zult leren.

 

En nu de “erdoren”. Proficiat beste vrienden. Hartelijk proficiat, omdat ge durft bekennen dat ge het materiële hoger stelt dan het geestelijke, omdat ge de bromfiets en de rolschaatsen hebt durven aannemen, en de kussen van de ouwe lelijke suikertante. Doe zo voort, beste lui. Lap het geestelijke aan uw botten: bewijs de professoren dat ze stommeriken zijn en dat ge het beter weet dan zij, of minstens even goed.

 

En nu nog een speciaal proficiat aan degenen die opgegeven hebben. Proficiat omdat ge er voor uitgekomen zijt dat ge uw stof niet kent, maar dat ge ze zult kennen. Proficiat, omdat ge er durft voor uitkomen. Voor wat? Voor dat, tiens.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XI.

Welaan dan…

 

Men heeft geklaagd dat Hortanse niet ernstig genoeg was. Men heeft gezegd dat er in Hortanse te veel over meisjes gesproken wordt.

 

Welaan dan, zuivere pasterszielen, Hortanse zal ernstig worden. En over geen meisjes meer. Over ons, mannen, wiens hart doorsneden wordt door vele problemen die we in het leven ontmoeten – en waarvan het meisje niet een van de minste is, het meisje waartegen we ons tot nog toe verzetten (verleden tijd) met een ironische om niet te zeggen cynische glimlach, een schertsend woord, een luchtig gebaar; wat ons thans ook ontzegd wordt.

 

Welaan dan, zie je hem stappen, de man langs de dijken? Zijn jaskraag is niet hoog opgeslagen als in opstellen van poësis, zijn blik is niet somber, zijn oog staart niet duister. Zijn ogen zijn toe. Zijn mond is toe. Hij leeft en merkt het niet. Hij struikelt en gaat verder. Zijn handen steken niet in de zakken van zijn jas. Ze hangen niet moedeloos langs zijn lijf. Hij heeft geen handen. Hij struikelt verder langs de dijken, langs de grazende geiten die voor hem uit de weg gaan ofschoon hij een mens is als ieder ander: gesloten ogen, gesloten mond, geen handen. En op zijn hoed blinkt de regen niet. Hij gaat struikelend langs de vissers die niet vissen en met toeë ogen naar de dobber zitten te kijken. Hij is een van de velen. Hij is een van allen en toch een van de weinigen. Eén van de weinigen die leven hoewel ze niet leven. Hij leeft zijn niet-leven. Hij leeft met de ratten en het waterkroos en de mist die uit de schouwen in vuile slieters over het Scheldedal neerstrijkt. Hij rookt zijn sigarette en gooit zijn stompje weg met dezelfde onvoldaanheid en afkeer als ieder ander die weet wat sigarettenroken kan betekenen.

 

Maar, en dit kan een zeer verstandige opwerping worden, hij gooit zijn sigarette weg en hij heeft geen handen. Hoe gooit hij zijn sigaretteneindje weg? Hij spuwt het weg. Hij spuwt het uit met zijn tong die gelijkt op de tong van een kameleon. Hij gooit het eindje weg met zijn tong die als een kankerplek in zijn mond hangt te bengelen. Hij is een man als ieder ander, met een tong en handen en voeten als ieder ander.

 

Alleen beseft hij niet dat hij niet leeft. Dat hij er niet is. Dat zijn zijn er niet kan zijn. Cogito ergo sum. Cogito ergo non sum, zijn enig argument. Maar een argument dat sluit als een bus. Voor hem, omdat hij nu eenmaal niet kan geloven aan zijn zijn. Dus moet hij geloven aan zijn niet-zijn. En een argument vinden om zijn geloof te verantwoorden.

 

Nu wandelt hij niet over geen dijken. Hij rookt geen sigaretten en versterkt zijn positie niet in geen algemene luchtdruk. Hij zoekt het midden, het midden tussen het midden en het uiterste.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XII.

Bij de grootste moderne dichter

 

Toen wij uitgenodigd werden om eens te komen snuffelen in de prullenmand van de grootste moderne dichter aller tijden deden wij een ontdekking, duizendmaal gewichtiger dan de ontdekking van de steen van Rosette door Champollion.

 

Het is een gedicht waarin de dichter zichzelf, méér dan zichzelf blootlegt onder de scherpe dwang van de borstel waarmee hij het gedicht verfde. En opdat niets van de schoonheid zou verloren gaan, brengen we u het gedicht exclusief en gans op fotokopie.

 

JOD s S ie

(Joosefien)

La fille au Balkon (sans Balkon)

 

Jossie:

goed

braaf

gezond

schoon

lief

enz

JOSSIE

 

Een blauwe vogel in de blauwe LUCHT

VLIEGT

VLOOG…ik vloog

vliegen en laten vliegen

 

Mädchen auf dem Balkon

 

Ridders toernooien en een blauwe vogel in de lucht

ROOD

GROEN

LEVE en WEG met Collard.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955).

 

XIII.

Een gesprek uit het jaar 1970

 

Reeds driemaal was ik het koperen naamplaatje voorbijgegaan, aarzelend, slenterend. Het hing als een onooglijk blinkend kleinood tegen de immense gevel uit natuursteen, witte helle natuursteen. Misschien was het helemaal geen koper, maar platina of goud of een van die andere spullen (ik meen niet dat het uranium was, alhoewel het toch zou kunnen…)

 

De vierde maal pakte ik al mijn moed en de bel in beide handen. Een geluid als van zilveren cimbalen klonk mij in de oren, waarvan ik mij nu pasbewust werd dat ze wel héél vuil zouden kunnen zijn. Maar het was te laat: de deur draaide plots op haar hengsels open (natuurlijk op haar hengsels!).

 

Ik zocht met bevende handen in mijn brieventas en haalde een beduimeld naamkaartje boven: De Witte, krentenschrijver. Zo stond het er inderdaad op. Ik lei het kaartje op de zilveren platoo, angstig afwachtend of de knecht-in-livrei het er zou afschudden en met de bede het mij na inzage terug te bezorgen, aangezien ik maar één naamkaartje had, tevens opmerkend dat het “krantenschrijver” moest zijn en niet “krentenschrijver”.

 

Hij vertrok zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, mij achterlatend met een kloppend hart en niet wetend waar ik de handen moest houden. Na een poos, lang genoeg opdat ik de diploma’s (twee onderscheidingen, een grote, een grootste en een hors concours) zou hebben kunnen bewonderen, hoorde ik een deur geruisloos openslaan en verscheen in de deuropening…de beroemde, beruchte, geprezen, enz., advocaat, procureur des konings, eerste raadgever aan het Hof, e.d., Seppe de Seghers de Buggenoot.

 

Hij strekte de armen uit en sprak, bulderde: “Witte, nondedju, hedde gij genen dorst? Ikke wel. Kom, santé”.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XIV.

Le malade imaginaire

 

Ik zit hier in mijn zetel, méér liggend dan zittend. Gewoonlijk duidt men een zetel als een rustoord, vooral als men pantoffels draagt, een stoel heeft om de benen op te leggen, een radio om u te vermaken en een krant om u in te verdiepen. Niet iedereen denkt er echter zo over: de zetel waar ik me nu in bevind heeft wel een armleuning op de juiste hoogte, een rug die mijn ruggengraat volgt in zijn golving en zo voel ik hem méér als een elektrische stoel, waar uw armen en handen vastgesnoerd aan liggen, uw rug tegen de leuning wordt gedrukt, rond uw knieën liggen banden en op uw hoofd weegt een helm, die u het verstand zo leeg doet schijnen en pijnlijk zoals het mijne.

 

Ik zit hier in mijn zetel, gevangen, veroordeeld zoals hij die, begeleid door een aantal gendarmes naar de stoel gaat om daar niet meer uit te komen. En toch, hoe ik ook rondkijk, rond mij staan geen gendarmes, mijn handen zijn vrij, ik kan mijn benen bewegen, mijn rug van de leuning wegtrekken en het doezelende hoofd draaien zonder een vastgehechte helm te voelen. Waarom klaag ik dan? Omdat ik er slechter aan toe ben!

 

Ik zit hier in mijn zetel, veroordeeld zoals de misdadiger die straks zijn lading elektrische stroom door het lijf krijgt, maar veroordeeld door de natuur, die u aan een zetel bindt om er u nog een tijdje te laten in liggen…om te rusten? Doe ik er dan niet beter aan de voorschriften van de natuur te volgen? Rust? Neen, dat in geen enkel geval, want ik ga naar de dood en voor de dood staande kijkt men rond naar wat men zou kunnen aanvatten dat er niets mee te zien heeft. Die dood, die kan nog ver zijn: een dag of vijf, een week, misschien een maand of twee, maar ze staat toch reeds te kijken: als ik mijn pen niet meer zal roeren zal ze toehappen, en dan…

 

Schrijven wil ik om de vrees te verdrijven die mij dringt, de vrees voor de dood, het natuurlijk einde van het menselijk leven. Ik moet er door, en intussen geeft Moeder Natuur me de tijd om de sprong goed te berekenen. Ik wil hem goed berekenen, en buiten alle filosofie om, omdat die toch steunt op een vooropgezet Vorauszetszungsloss principe.

 

Daar zit ik dan, gebonden aan mijn zetel, en moet schrijven om de schrik, de vrees en de angst te verdrijven die mij soms komen pijnigen. Soms ja, - want meermaals zie ik de dood als een goed, als een verlossing van verdere kwalen, van wereldomwentelingen, van leger en foltertuigkampen – roep ik haar toe… Helaas, dan glimlacht ze ijzig en maakt me er op attent dat ze niet lacht, want ijs lacht niet, ook geen lijk of geraamte. Enfin, ik moet voort schrijven, om ’t even wat, tot Ze me komt halen, tot ik de pen in onmacht laat vallen en ze breken laat, de punt in de grond…

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 7, juli 1955)

 

XV.

Na een periode van stilte

 

Na een periode van stilte ben ik weer tot het leven teruggekeerd. De oorzaak van dit zwijgen? Misschien de liefde (ik bedoel: geen liefde)? Misschien de al te lang durende winter die mijne fysische en psychische krachten heeft ondermijnd? Misschien het gebrek aan evenwicht in de huidige maatschappij die zelfs apathische figuren als ik misnoegd maken kan? Misschien niets van dit alles. Alleen maar het gebrek aan lust. En de oorzaak van dit verbreken van het zwijgen? Een stralende Luk De Ryck die met twéé Hortanskens in zijn armen afkomt (hebt ge het iterisme bemerkt: de stralende Luk De Ryck?)

 

En ik ben onmiddellijk overgegaan tot een gewetensonderzoek (En ik moet u zeggen: ik heb heel lang moeten zoeken – voor ik het vond, mijn geweten!). Ik ga er de psychologische ontwikkeling niet van mededelen, van dit gewetensonderzoek. Dat blijft tussen mij en mijn engelbewaarder. (Ja, ja, mijn engelbewaarder – een  metafysische hé – geen met een paardenstaart of een kop à la Saint-Germain!). Maar het was hard. En ik heb al mijn welsprekendheid bij elkaar moeten leggen, mijn zin voor logische aberraties en sofismen, casuïstiek en relativisme, om het tenslotte toch af te leggen tegen mijn bewaar- en schutsengel. Ik heb me aan het schrijven gezet.

 

Misschien is het interessant voor u eens even de koleuren na te gaan die mijn gezicht tijdens dat gewetensonderzoek heeft doorstaan:

1)     rood (van schaamte)

2)     blauw (van opwinding)

3)     groen (van het blauw op het rood)

4)     geel (van ’t verschieten: mijn gal schoot in mijn bloed)

5)     wit (verbleekt geel)

6)     rozerood (van de inspanning)

7)     bruin (maar niet mijn gezicht dan hé; ik heb gisterenavond pruimen gegeten).

 

Misschien zouden Goethe met zijn “Farbenlehre” en Newton met zijn kleurentheorie hier nog iets kunnen uit leren.

 

Maar ik moet me haasten, de cursus is bijna gedaan. En dan moet ik absoluut naar mijn kot, ik heb vannacht geen oog dichtgedaan. Ik heb liggen denken, o neen niet aan een meisje, zoals ge denkt. Ook niet aan twee meisjes (ahahahaha, neen, neen, jong!). Ik heb liggen denken aan een hele school meisjes. Ik heb liggen denken hoe ik daar als surveillant zou kunnen binnen geraken. Mij zo maar aangeven zou geen zin hebben. Mij verkleden? Viel spricht dafür, viel spricht auch dagegen. Men zou natuurlijk niet merken aan mijn sopraanstemmetje dat ik een man ben! Mijn apenbenen (bokspoten zegt de Jean, maar dat is wat overdreven) zou ik zonder veel moeite kunnen laten feminiseren. Maar wat blijft dan over van mijn sex-appeal? ’t Is ’t enige waarmee ik nog wat aantrekkingskracht kan uitoefenen.

 

Als ge ergens een geval kunt aanduiden, laat het dan eens weten. En last but not least: hoe kan de oppositie van de “res extense” tegenover de “res cogitans” worden opgelost? Pneumatische bustenhouders? Ik houd niet van lapmiddeltjes. Culture physique. Kul, Tuur!

 

Dus maar niet als surveillant in een meisjespensionaat gaan? Allez, vooruit dan, ge hebt gelijk. ’t Is beter voor mijn studies ook. A propos, over mijn studies. ’t Schijnt dat er iets beloofd wordt aan Sint Isidoor (’t Is toch Sint Isidoor hé? Of heb ik het verkeerd voor?). Héwel ik ga beginnen met niets te beloven. Ik mag beloven wat ik wil, ’t is toch geen avance meer. En daar ik een hekel heb aan vele nutteloze beloften, ga ik het maar zo laten. Allé mannen, tot ziens hé!!!

 

Uit de briefwisseling van Theodoricus Leukos,

prof. in Honorée kous van de universiteiten

van Amerika, Europa, enz.; aan zijne geliefde

Hortansken B.A.G.gerboot.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 8, januari 1956)

 

XVI.

Open brief aan Jean en Luc en Achilleus [58]

 

Zijn wij ook zulke stommeriken geweest? Hebben wij ook zoiets neergeschreven als: “de pakjesdrager droeg de koffer van de reiziger die moeilijk te hanteren was”? of: “I am not breakfast to day”? Ik vrees het. En ik begin de bijnaam van één onzer leraars niet meer als bijnaam te beschouwen, maar als een symbool: de taak van een leraar is sisiphuswerk (mijn excuses aan Luc voor de doorgedreven progressieve spelling, ook in zijn “moedertaal”). Het is een steen een helling zien oprollen en hem weer zien naar beneden tuimelen, hopeloos…

 

Wanneer een geneesheer een blindedarm wegneemt, dan blijft die weg, en wanneer een ingenieur de berekening vindt voor de omtrek van een drijfriem, dan is het juist (of niet juist) en als een advocaat zijn cliënt hoort veroordelen tot levenslange dwangarbeid, dan wist hij op voorhand dat het zo zou zijn omdat hij zo doorzichtig had gelogen (de advocaat natuurlijk, niet de cliënt) dat hem de fijne glimlach van de burgerlijke parij niet ontgaan was.

 

Maar wanneer wij, quos dei odient et magistros faciunt, zeggen dat lyriek de monologische uitbeelding van een gemoedstoestand is, dan horen wij de volgende dag vertellen dat het niet zo is. En dan geven we nul op tien, maar het blijft in die arme breinen. Het is erg student te zijn in deze beroerde tijden waar de ene spelling na de andere sneuvelt, waar de ene kunstrichting na de andere bezwijkt, waar de ene theorie door de andere vernietigd wordt, waar de ene leraar zegt: zus en de andere: broer. Maar er is één ding erger dan student te zijn, en dat is leraren. (Hoort gij de wijsheid uit zijn oude mond? De zon heeft reeds voor mij zijn kreis volbracht, dra zal het zenit mij zijn baan ontroven, enz…)

 

En zeggen moeten: wij zijn ook zo geweest. Wij hebben ook “hij word” geschreven en “geboent”. Wij hebben misschien zelfs wel “gedrinkt” en “gefluit” en wat weet ik nog meer. Maar in de severiteit van ons vakmanschap moeten wij dat vergeten bij lesverbeteringen, zoals een biechtvader zijn jeugdzonden moet vergeten als hij zegt: “Ge zult niet kussen” en misschien denkt aan La Fontaine en zijn vos (Welke? Hebt ge de humaniora gedaan of niet?).

 

Maar als we dan soms, ééns op de maand, iemand horen die werkelijk “wordt” (en vroeger bvb. werdt) of iemand die gefloten heeft en niet “gefluit”, dan… vox faucibus haesit bij deze rari nantes, en dan zijn wij blij. En als je dàt kan, als je die vreugde werkelijk kan beleven, ben je dan niet the right man in the right place?

 

Van de mogelijkheid die men mij bood, mijn buitenechtelijke betrekkingen met Hortansken te hervatten, maak ik dankbaar gebruik. Ik deins echter een weinig terug voor het opzet mijn eenjarige memoria aan het daglicht te brengen, omdat ik de naïeve zielen niet wil afschrikken en de gesofisticeerden in hun wereldwijsheid wil laten. Verder nog met de mogelijkheid voor ogen dat één van uw kinderen binnen

(C cos. y. (tang z)

V. Det. E.R.O.S.

jaren mijn klas zou binnenstappen, zwaaiend met het door mijn pen geschreven pensum en roepend: “A thing of beauty is a joy for ever” (spreek uit: é ding of bjoeti is é joi foreva). Ik zie me daar al staan, vergrijsd – vroegtijdig, door de vele zorgen des levens – en ten schande gemaakt door mijn eigen ontuchtigheden.

 

Wilt ge weten wat het huwelijk is? Koop u een Faust, scheur uit Faust Twee het laatste blad. Ge hebt het huwelijk.

 

Het was misschien veel gemakkelijker te zeggen wat het huwelijk niet was (mijn oude collegewijsheid indachtig: dat is allemaal relatief). Degenen van de klas die reeds met mijn penaten hebben kennis gemaakt, weten wat het niet is. Degenen die het nog niet hebben gedaan, zullen het niet begrijpen. Ergo concludo: commentaar overbodig.

 

Vrijdag 28 december 1956 [59] . Een wit-zwarte Chevrolet (kleur van rouw om het afstervende jongmanschap – kleur van vreugde om het afstervende maagdschap) stopt voor het gemeentehuis (lees: gemeenteschool). Vier man (beschuldigden en twee getuigen) verschijnen voor de burgemeester dd. (Toon, toevallig nuchter). Het is 11h 06; 11 h 08: ja, ik wil (tweemaal); 11 h 09: “Dan verbind ik u hiermee tot man en vrouw” (plechtige dronkemansstem), gevolgd van de onvergetelijke feestrede dier zelfde stem: “En na zeide van makanderen en na kunde nemie vanien [60] ”. 11 h 10: De veldwachter doet de deur open, steekt afwijzend de hand uit naar het toegestoken bankbriefje: “Wij mogen niets aannemen” en steekt het achteloos in zijn broekzak. 11 h 11: “Dag Papa, Dag Mama”. Nieuwe ouders, de eerste schoonouders. 11 h 15: “Nee, Mijnheer, pardon, Papa”. De nieuwe nomenclatuur nog niet gewend. Dat komt wel. 11 h 30: Leopoldstraat 95, schuren en behangen.

 

Zaterdag 29 december. Geen geween en geknars der tanden, want niemand werd buiten geworpen. De stijve hoge boord zit ongemakkelijk. In de namiddag wordt mijn “sjapobuus” door de stoeltjeszetster teruggebracht. Ik kijk vlug of ik mijn vrouw ook niet vergeten heb.

 

Van dan af weet ik niet veel meer. Ik heb me zachtjes in mezelf teruggetrokken om te zien hoe de anderen stilaan ontnuchterden en dan dachten dat ik ontnuchterd was; het drukke gedoe, de liedjes van ooms en tantes (“Wees steeds spaarzaam met petrol”, “Vroeger in mijn jonge jaren”, enz), de binnenkomende genodigden, het was allemaal nieuw en on-beleefd (nicht erlebt).

 

Dan het afscheid: een regen van rijst, een sliert van blikken bussen achter de auto, rammelend tot in Mechelen. The rest is silence…

 

We hebben de eerste maand aan mijn schrijftafel moeten eten, omdat de tafel die we besteld hadden niet klaar geraakte. We hebben een maand zonder stoelen gezeten, omdat de stoelen niet klaar waren. We hebben drie maand geleefd zonder pollelepel [61] (ik vraag me af hoe het mogelijk is). We hebben acht maand geleefd zonder kaplamp. We hebben vier maand geleefd zonder kapstok. We hebben pas verleden maand een passe-vite [62] gekocht (dat is niet erg geweest, ik mag toch geen soep).

 

Maar we zijn al die tijd gelukkig geweest: ik had geen tafel te dekken, we rustten in de diepe zetels van Eros, ik kon zelf genoeg opscheppen, de liefde gaf ons licht, we hingen onze jassen aan de kapstok der hoop, we draaiden er alles wel zonder passe-vite door (wie sprak er ook weer van “drek van de duivel”? De duivel mag gerust van MIJN W.C. gebruik maken!).

 

Toen ik trouwde, herinnerde ik me nog vaag hoe pater Schurmans mij in de Poësis verbood het “Hooglied” te lezen… Ik glimlachte verheugd toen ik zijn gelukwensen las. Het was (buiten de schatten die mij bij huwelijkscontract ten deel vielen), het mooiste wat ik die dag gekregen heb.

 

(gepubliceerd in: Hortansken, n° 9, einde 1958)

 

 

XVII.

Ons tweede lustrum: 1953 – 1963

 

In de loop van het jaar hadden ons een vijftal even verlokkende als dringende noodkreten bereikt, zodat het onmogelijk was deze dag voorbij te gaan zonder de anderen met onze aanwezigheid te vereren…

 

Het was een opmerkelijk teleurstellende gewaarwording die ons beving toen we, in ons deftig burgerpak, de speelplaats opstapten, waar een twintigtal ouwe hufters tegen een bal aan ’t stampen waren met een overgave die ze tien jaar geleden onmogelijk aan de dag zouden hebben kunnen leggen. De gewaarwording was in die zin bijzonder teleurstellend dat we even steels in het spiegelende glas van een deur keken en dachten: Hemeltje! Ben ik ook zo geteisterd door de tand des tijds?? Het heeft ons een trauma bezorgd die we de eerstvolgende maanden niet meer kwijt geraken. Hoe raak je een Faustcomplex überhaupt kwijt? De enigen die onaangetast in de storm der jaren waren blijven staan waren de mannen van de oude garde: Pater Vandermeersch, Pater Schurmans, Pater Frenay en de heer Sandra (die met weemoed zijn grijze haren met de mijne vergeleek – ik bleek er heel wat meer te hebben…). Later op de avond bleek ook de heer De Ryck opmerkelijk weinig geleden te hebben van tien jaar levenservaring.

 

Het balstampen eindigde, zoals verwacht in het voordeel van de internen (5 – 2) die op eigen terrein speelden en de bal, ondanks hun geteisterde fysiek, toch met frisse overmoed over de speelplaats keilden. De afgebladderde gevels keken even verschrikt op uit hun zaterdagmiddagrust. Dachten toen blijkbaar: hé kijk – wat die hier nou komen uitrichten; en al zoveel kaalhoofdigen! – en verzonken toen weer in hun maceratiestaat. Een zestal dames keken hoofdschuddend naar deze stuntelige Sturm-und-Drang-uitingen van hun respectieve echtgenoten en hadden het over God-weet-wat: kinderen, koken, keuken.

 

De uit de kluiten gewassen pubers kwamen weer tot rust in de refter van de kwarten – een soort sas tussen de speelplaats en de kapel, waar om zes uur, ter intentie van de Fé, Matje [63] en de echtgenote van Wilfried Van Huffel, door pater Frenay een mis werd opgedragen. Deze mis werd door pater Schurmans opgeluisterd met een kanselrede over de vriendschap. Hiermede konden de dames dadelijk horen dat hun echtgenoten niet overdrijven wanneer ze bepaalde verzen uit hun poësisjaren thuis reciteren. André Anthonis diende de mis op voortreffelijke, zij het zeer conservatieve wijze en vergat bovendien te bellen bij het Domine non sum dignus, tekortkoming die door Dries onmiddellijk op heftige toon werd gewraakt. Hij struikelde echter geen enkele keer en ook de bel werd niet omvergelopen. De misdienaarsgang was er echter niet helemaal – er waren te veel reminiscenties aan het rollende of stampende scheepsdek.

 

Het geplande “College revisited” moest worden afgelast omdat in de Borse van Amsterdam met de aperitief gewacht werd. In de burgerpakken gestoken hadden de meesten gezichten gekregen die na die drie uur samenzijn alweer waren verjongd – of was het ons hart en onze blik die plots jonger waren geworden? Die langzaam terug waren gekeerd naar een tijd die ieder van ons, in dezelfde omstandigheden (Pater Vandermeersch als alziende maar niets-willende-weten, Pater Libbrecht als al-willende-weten maar niets-ziende, “studeerkamertjes”, dezelfde groep vrienden om je heen) zou willen herleven.

 

Het lustrumdiner (waarvoor ettelijke forellen en een koebeest het leven hadden gelaten, waarvoor korven aardappelen waren gerooid, waarvoor manden druiven waren geperst, met schil en zonder schil) ging op elastische wijze de avond in. Zij die iets te zeggen hadden zegden het. Er werden vingers op wonden gelegd en er werd balsem uitgegoten, allebei met Zuid-Amerikaanse vurigheid en openhartigheid. En dat alles om een “visseltje” waarvan beweerd werd dat het aan kapitaalsvlucht zou doen. Pater Vandermeersch beperkte er zich toe zijn vreugde uit te drukken over het feit dat hij niet lang hoefde te spreken en over het besef dat zijn inspanningen om de bodemloze korven die we waren met water te vullen, blijkbaar toch meer hadden opgeleverd dan hij vermoed had in een tijd toen we hem onze blote knieën nog durfden laten zien.

 

Jef Van den Berghe had nog wat “geschommeld” in allerlei laden, om een nog naar allerlei bedenkelijke en democratische geuren riekend papier terug te vinden dat van negen jaar her dateerde en dat ons opnieuw werd voorgelezen omdat geredelijk werd verondersteld, dat wij er niet alleen niets meer van wisten, maar er nooit wat van geweten hadden, omdat de wijze woorden toen niet waren doorgedrongen door onze bewaasde oorvliezen.

 

Dirk riep in een korte toespraak een paar herinneringen op: verzen, mensen, situaties, onthullingen (zoals die van de gestencilde circulaire over het afgelasten van de ouderdag, die slechts op twee exemplaren is verschenen).

 

Dries liet ons daarna horen hoe wreed de jeugd kan zijn: typerende uitlatingen uit een tijd waarin iedereen over iedereen de waarheid nog mocht zeggen en die na al die jaren nog zo juist bleken te zijn dat ik begon te twijfelen aan mijn eigen typerende uitlating: alles is relatief, zo juist ook dat er heel wat werd gebloosd, wat toch betekende dat dàt opzet van de humaniora – gnoothi se auton – toch werd bereikt.

 

Van Guy Olbrechts vernamen we dat hij zijn ascetische levenswijze zo diep heeft uitgebouwd dat hij niet alleen zijn ontbijt, maar zelfs zijn middagmaal aan de kant laat staan.

 

Officiële taptoe werd geblazen door Pater Schurmans om kwart na twaalf. De officieuze door Pater Vandermeersch om twee uur (of mocht ik dat niet zeggen?). De clandestiene na vier uur door iedereen…

 

Wat deze dag ons geleerd heeft:

-         dat leven worden is,

-         dat we mekaar na al dat worden nog begrijpen,

-         dat de Jezuïeten, door ezels te drenken die geen dorst hebben, van die ezels chirurgen, leraars, advocaten, notarissen, veterinairs, ingenieurs, nijveraars, ijveraars, maar vooral mensen maken,

-         dat we mekaar méér moesten ontmoeten (op democratischer basis – Bob bvb. is maar een bescheiden onderpastoor van een bescheiden parochie en het openbaar ambt is nog niet voldoende geherwaardeerd… Ze maken ons blij met een dood vogeltje, hé Jef Singelyn!).

 

In de loop van de avond werd een olijfkleurig gulden boek getekend door de aanwezigen. Dit zal de eerste bladzijde ervan zijn.

 

Van eenenveertig oud-retorici in leven, waren aanwezig: Achiel Haers, Johan Suys, Staf Wellekens, Jean Cardon, Roland Roelandt A, Andries Van den Abeele, Paul Ghyselen, Luk De Rijck, Jos Singelyn, André Anthonis, Guy Gabriëls, Jan Fivez, Herman De Groote, Robert Cieters, Raoul Vereecken, José Buysse, Guy Olbrechts, John Guens, Jozef Seghers, Chris Willems, Jozef Termote, Ignace De Sadeleer, Jozef Van den Berghe, Frits Verleysen en Dirk De Witte.

 

Lieten zich verontschuldigen wegens verblijf in het buitenland, ziekte of misverstand: Pierre Rollier, Herman Hanssens, Paul Dehaene, Roland Roelandt B, Armand Veranneman, Johan Van den Haute, Herman Van de Sype, Luc Lemli, Herwyn Vandenbulcke, Piet Declerck.

 

Dirk De Witte

(gepubliceerd in: Jong en Oud, n° 33, zomer 1963, pp. 22-24 (met foto’s).

 

 

 

VI

 

PROEVE VAN BIBLIOGRAFIE

 

De hierna volgende proeve van bibliografie is opgemaakt, enerzijds aan de hand van het werk van Dirk dat ik bezit, anderzijds op basis van de berichten die pater Schurmans hierover regelmatig in het oud-leerlingenblad Jong en Oud publiceerde. Die berichten waren soms wat summier, zonder opgave van een precieze titel of bibliografische gegevens, maar konden in de vermelde tijdschriften worden nagetrokken. Soms werden publicaties aangekondigd, maar het is niet altijd zeker dat ze er allemaal ook kwamen. Ook de bijkomende gegevens betreffende presentaties, lezingen, enz. komen uit Jong en Oud.

 

-         Het glazen huis geluk, verhalenbundel, Uitgeverij Manteau, 1964 (Bespreking door Rudolf Van de Perre in: Jong en Oud, n° 40, lente 1965, p. 24) – Dirk De Witte werd in het TV programma “Vergeet niet te lezen” geïnterviewd op 5 april 1965. – Op 3 april 1966 las hij voor BRT 3, in de reeks verhalen “Noord en Zuid”, zijn verhaal “Zondaars” voor).

 

-         Woord vooraf in de dichtbundel “Eerstelingen” van Pol Verpoort (bespreking door Stefaan Van den Bremt in: Jong en Oud, n° 40, lente 1965, p. 24). Ook Pol Verpoort, eveneens oud-leerling van het Sint-Jozefscollege, maakte in 1979 een vroegtijdig einde aan zijn leven.

 

-         Ernie Wever (romanfragment), in: Werk van Nu, Uitgeverij Manteau, 1965, Marnix Pocket, pp. 6-20 (met foto van de auteur en korte door hem zelf geschreven biografie). Heruitgave: Zeeuws Kunstenaarscentrum, 1982.

 

-         Nikomycine B 12, in: Komma, Den Haag, Nijgh é Van Ditmar, 1965, jaargang I, n° 2, pp. 16-29.

 

-         Bewaarschoolmetafysika, in: Komma, Den Haag, 1965, jaargang I, n°3, p. 75

 

-         Literatuur en taalimperialisme, in: Komma, Den Haag, 1965, jaargang I, n° 3, pp. 75-76

 

-         Pro Gerardo, in: Mep, 1965, 11, pp. 17-22

 

-         De vlucht naar Mytilene, Uitgeverij Manteau, 1965, 158 pp. (bespreking door Stefaan Van den Bremt in: Jong en Oud, n° 43, winter 1965, p. 29-30). Dirk presenteerde zijn boek op 5 november 1965 in De Groene Schuur, gelegen nabij zijn nieuwe landelijke woning op de Trolieberg in Kessel-Lo. Heruitgave: Van Walraven, Apeldoorn, 1981.

 

-         Isabelle 1940, Engelse vertaling in: Delta, Review of Arts, Life and Thought in the Netherlands, 1966.

 

-         Een protestsong tegen inmenging in Vlaanderen, in: De Nieuwe, 27 mei 1966, (over de studentenrellen rond ‘Leuven Vlaams’).

 

-         Emiel Verhaeren, bij de vijftigste verjaardag van zijn overlijden, in: De Nieuwe, 4 november 1966.

 

-         Emile Verhaeren “gehuldigd”. Geen teken van tegenspraak…, in: De Nieuwe, 2 december 1966.

 

-         Encephalogram, in: Kentering, n° 5, 1966.

 

-         Engagement in de literatuur, voordracht gehouden op 17 maart 1967 op een Forum in Hasselt.

 

-         Engagement: een getuigenis, in: Kultuurleven, juni 1967, blz. 338-347.

 

-         Ernie Wever, in: Vandaag, Afrikaanse bloemlezing van Nederlandse literatuur, 1967.

 

-         Isabelle 1940, verhaal opgenomen in “Van Stijn Streuvels tot Dirk De Witte”, Griekse vertaling van Nederlands proza, 1967.

 

-         Isabelle 1940, in een Roemeense verhalenbundel, 1967.

 

-         Nur wer von Fremden lebt, lebt angenehm…, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, n° 2, 1967, pp. 98-99 (een korte bijdrage over Brecht en diens houding tegenover plagiaat).

 

-         Wachten tot de zon opkomt, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, n° 2, 1967, pp. 126-135 (een kort verhaal, vermeld als ‘biopsie’).

 

-         Kees Fens: een geval van bij voorbeeld uremie, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1967, blz. 681-695 (een zware charge tegen de ‘omgekeerde criticus’).

 

-         De anti-Midas, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, n° 4, 1967, pp. 791-804 (een kort verhaal, vermeld als ‘biopsie 2’).

 

-         Een blinde kat, in: Verhalenbundel samengesteld door Marnix Gijsen en Karel Jonckheere, Uitgeverij Manteau, 1967.

 

-         Al de dieren die ik doodde, in: Het dier en wij, bundel proza, poëzie en essays, samengesteld door Marnix Gijsen, Uitgeverij Manteau, 1967.

 

-         Stoorder – ongestoorde, in: 7 over Karel Jonckheere, pp. 85-92, Uitgeverij Manteau, 1967.

 

-         Nacht, zei de zon (Het artikel Stoorder – Ongestoorde, aangevuld door Jeroen Brouwers), Uitgeverij Manteau, 1967.

 

-         Blues for New Year’s eve, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1968, blz. 546-549 (een gedicht).

 

-         Blues for Mister Suicide – Partita n° 2, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1968, blz. 996-1021 (tekst voornamelijk gewijd aan schrijver en zelfmoordenaar Sadegh Hedayat).

 

-         De sport in de literatuur (in samenwerking met E. Van den Eynde), Uitgeverij Manteau, 1968, Maerlantpocket n° 14, 128 pp. Op 31 oktober 1970 sprak Dirk De Witte op de Boekenbeurs over “Literatuur en sport”. (bespreking in Jong en Oud, n° 56, lente 1969, p. 19-20).

 

-         Artikel over onderzoek naar de thematiek in het œuvre van schrijvers en schrijfsters die zelfmoord pleegden, met als casestudy August Van Roosbroeck, in: tijdschrift KOMMA. We konden deze publicatie niet verifiëren.

 

-         Koning Oidipous, 112 na Freud, in: Kultuurleven, mei 1969, blz. 293-297 (over de film Oidipos Re van Pasolini).

 

-         Pasolini’s Theorema: Intramundane ascese versus levenschenkende eros, in Kultuurleven, juli 1969, blz. 425-433.

 

-         Lucebert, of de kwadratuur van het woord, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 1969, pp. 168-190.

 

-         De formule van Lorentz, Uitgeverij Manteau, 1969, 136 pp, (bespreking door Stefaan Van den Bremt in: Jong en Oud, n° 57, zomer 1969, blz. 30-31).

 

-         Enquête naar de werking van de schoolbibliotheken in het Rijksonderwijs, in: Mededelingen van de Vereniging Vlaamse Letterkunde, (1969).

 

-         Frank Lateur is gestorven, in: De Spectator, 23-24 augustus 1969

 

-         Zuid Afrika: separate! But equal?, in: Kultuurleven, mei 1970, pp. 342-357.

 

-         Een omelet bakken op een puinhoop, Nieuw Vlaams Tijdschrift, oktober 1970, pp. 806-830 (een kritische studie over werk van Weverbergh).

 

-         Harry Mulisch is gek, in: De Vlaamse Gids, januari 1971, blz. 4-7 (een structuuranalyse van Mulisch’ verhaal ‘De sprong der paarden en de zoete zee’).

 

-         Een wedloop tussen taal en tijd, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1971, pp. 75-98 (over het hermetisme bij Gerrit Achterberg).

 

-         De vrucht van een verbeelding, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1971, pp. 99-102 (over fouten en onwaarschijnlijkheden bij Teirlinck).

 

-         Een bosje rinkelende autosleutels, in: Elseviers’ literair supplement, 10 juli 1971 (een tekst over een overleden grootvader, meteen een soort literair testament) [64] .

 

-         Het land der blinden, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, december 1971, pp. 990-1022 (over slordigheid in de romans van Hugo Claus).

 

-         Theo PEETERS, In memoriam Dirk De Witte, in: Labris, jaargang IX (1972), n° 1, pp. 91-99 (tekst van een radiolezing over zelfmoord, met medewerking van Dirk De Witte).

 

 

VII

 

OVER DIRK DE WITTE BIJ ZIJN DOOD

 

Over Dirk De Witte verschenen verschillende afscheidsteksten. Schreven onder meer over hem: Hugo Bousset (Dirk De Witte bevrijd in de dood, De Spectator 3 januari 1971), Frans De Peuter (Dirk De Witte, de steppenwolf, De Nieuwe Gazet, 22 januari 1971), Johan De Roey (Over Dirk De Witte, De Bond, 23 april 1971 en Afscheid van Dirk De Witte, De Nieuwe 1 januari 1971). Ik citeer hierna enkele zinnen uit de teksten geschreven door Johan De Roey, Eugène Van Itterbeek en Jos De Freine met daarna fragmenten uit een gedicht van Lieven Rens.

 

Voor ons, de vrienden uit zijn jeugd was het “in memoriam” geschreven door onze gevierde oud-leraar uit de Poësis, pater Marcel Schurmans s.j. het meest aangrijpende en vonden we ook het meest juiste. Hierna volgt het.

 

Dirk De Witte. In memoriam.

 

Dirk De Witte werd geboren in Sint-Amands aan de Schelde in 1934. Hij deed een paar voorbereidende en al zijn humanioraklassen op ons college, dat hij verliet in 1953. Hij behaalde het licentiaat Germaanse filologie te Gent en was leraar Nederlands aan het atheneum te Aarschot.

 

De verste herinnering die we van hem hebben is dat hij als kleine jongen op een proclamatie een berijmd opstel mocht voordragen over de brand van de Sint-Martinuskerk (1947). De virus van de literatuur had hem toen al te pakken.

 

We hebben Dirk een paar keren bezocht in zijn gezellige bungalow in Kessel-Lo en telkens ondervonden we van hem de hartelijkste, zij het enigszins onrustige, vriendschap. Na zijn verblijf in Zuid-Afrika (1970), waar hij met een studiebeurs literair-sociologisch onderzoek ging doen, hebben we hem niet meer ontmoet.

 

Dat dit verblijf hem niet de gezochte opheldering en lichtpunten heeft gebracht, konden we duidelijk tussen de regels door lezen in het lange artikel dat hij over de sociale toestanden in Zuid-Afrika schreef in Kultuurleven. Op een briefje waarin we hem gelukwensten om dit interessante artikel en om zijn gelukkige terugkeer, kwam geen reactie meer. We schreven hem dat hij voorzeker met een rijke, vernieuwende buit teruggekomen was, en we citeerden daarbij het fameuze vers Heureux qui comme Ulysse…. Hij zal dit waarschijnlijk als louter “literatuur” ervaren hebben.

 

Dan meldden de kranten het fatale nieuws: “D. D. W. dood aangetroffen in zijn auto in de garage bij zijn woning op 27 december 1970”

 

We wisten, en al zijn vrienden wisten het ook, dat Dirk vanaf zijn jongensjaren een door metafysische problemen en angsten gemartelde is geweest. We zien hem nog in de klas zitten met een verbeten, donkere trek op zijn gezicht: een jongen die klaarblijkelijk steeds met een kapitale vraag in zijn kop zat.

 

Wie de paar hoofdstukken, die wél gepubliceerd werden, uit zijn tot nog toe niet in boekvorm uitgegeven levensverhaal Ernie Wever gelezen heeft, zal getroffen geweest zijn door het ongemeen scherpe beeld van zijn ongelukkige jeugdjaren. Sommigen van zijn vrienden zullen ook wel, een beetje beangstigd, zijn geestelijke evolutie gevolgd hebben in zijn boeken: Het glazen huis geluk, De vlucht naar Mytilene, De formule van Lorentz. De titels zelf geven al te denken. Die boeken tekenen overduidelijk de innerlijke fysionomie van iemand die worstelt met onoplosbare problemen omtrent de zin van leven en dood.

 

Ook de artikelen die we van hem lazen over literair engagement, in het NVT en in De Vlaamse Gids en zijn verhelderende analyses van filmen (Fellini en Pasolini) in Kultuurleven, hebben die problemen als achtergrond.

 

Hij heeft jaren lang gewerkt aan een boek over de zelfmoord van literatoren. We weten niet of dit boek dan ooit verschijnen zal, onder het tamelijk goedkope leitmotiv van Camus: Il n’y a qu’un problème philosophique vraiment sérieux, c’est le suicide.

 

Eugeen Van Itterbeek wijdde aan zijn vriend Dirk een treffend afscheidsartikel: Dirk De Witte, geen vragen meer in De Standaard van 2 januari 1971. Hij zegt daarin terecht: “de oplossing die Dirk aan de voor hem onoplosbare vragen gaf, is natuurlijk voor ons onaanvaardbaar”.

 

We betreuren dat Dirk niet tot een christelijk-stoïcijns trotzdem is toegekomen en dat hij de slotregel van een gedicht van P. N. Van Eyck, dat hij in de poësis nochtans bewonderde, en berustend prijst hij ’t zware leven schoon, niet tot de zijne heeft kunnen maken.

 

Wij buigen met deernis en droefheid neer over zijn graf. Hij moge de vrede gevonden hebben, die de wereld hem niet gaf. Zijn vele vrienden en zeker zijn klaskameraden 53 zullen hun vriend Dirk node missen. Een van zijn klasgenoten zei ons dat hij bittere tranen had geweend bij het vernemen van Dirks plotse heengaan.

 

Wij delen in de droefheid van zijn vrouw, An Hoegaerts.

 

Wat was er brozer dan je Glazen huis geluk

en uitkomstlozer dan je Vlucht naar Mytilene?

Je maakt je over Lorentz formule niet meer druk,

want haar geheim brak in wat uitlaatgassen stuk”.

 

Marcel Schurmans s.j.

(verschenen in Jong en Oud, lentenummer 1971)

 

 

Afscheid van Dirk de Witte

 

(Uittreksels)

 

Zondag 27 december 1970, rond 17 uur, heeft hij met het leven gebroken. Mijn verbijstering is groot tegenover de eenvoud van die keuze en de accuratesse waarmee zij gestalte kreeg.

 

Ik heb niet de moed om over de moed van die keuze te spreken; het is voor mij een confrontatie van te nabij geweest. En het is te makkelijk om de dode in te spinnen in de cocon van wat ik, als de anderen met vermoeide woorden, pretentieus het eigen verdriet zou kunnen noemen. Dit gaat buiten mij, buiten ons om. Grote woorden zijn voor generaals die met smetteloos witte handschoenen aan door het leven gaan.

 

De zachtmoedige die met lemen woorden een bolwerk heeft willen bouwen tegen de overmacht van de elementen die hij wel kan namen geven maar niet kan grijpen, niet kan elimineren, vraagt nauwelijks om woorden.

 

Onze vertwijfeling na zijn dood heeft zo weinig betekenis na zijn vertwijfeling. Ons rouwbeklag is een farce na al deze aanklachten en dringende vragen tussen de regels. Er zijn geen antwoorden meer nodig. Het antwoord is onverbiddelijk gegeven.

 

Johan De Roey

(gepubliceerd in: De Nieuwe, 1 januari 1971.

 

 

Dirk De Witte – Geen vragen meer

 

(Uittreksels)

 

Er zijn geen passender woorden om het leven van Dirk De Witte in zijn volle draagwijdte samen te vatten dan deze: ‘Ik leef met mijn leven. Ik zoek het. Ik schrijf het’. Hij heeft het leven willen leven tot op het punt waar het niet meer kan geschreven worden. Hij heeft het uitgangspunt van het ongerijmde van het menselijk bestaan tot zijn laatste onverbiddelijke consequentie doorgetrokken, zodat eerst de taal, de bestaansreden van de schrijver, eronder bezweek, en tenslotte De Witte zelf. De omtrek van de cirkel is nu volkomen gesloten. Het punt omega werd bereikt. Is dit alles negatief?

 

Waarschijnlijk moet men de energie van een zesendertigjarige bezitten om de fundamentele twijfel aan de zin van het bestaan om te zetten in een daad, waarop niemand ooit nog kan terugkomen. Dirk kon het compromis met het leven, dat oud worden is, niet aanvaarden: ‘Maar ouder worden is de wereld accepteren zoals we hem hebben leren kennen (zoals hij is?) – en dat wil ik niet’. Dat was zijn übermenschliche trots.

 

De Witte geloofde niet in ‘deze’ maatschappij. Dat ongeloof ligt aan de grond van zijn fundamentele vervreemding, eenzaamheid en verzet. Vele verantwoordelijken in ‘deze’ maatschappij moet het tot nadenken stemmen hoe de wezenlijk metafysisch-onrustige piekeraar en ernstige denker die De Witte was, door de bestendige leugen om ons heen, naar de enige volgens hem juiste en ondubbelzinnige werkelijkheid gedreven werd die tenslotte de dood is: ‘de laatste en echtste vorm van het bestaan, een bestaan zonder masker’.

 

Eugène Van Itterbeek

(gepubliceerd in: De Standaard, 2 januari 1971. Ook verschenen in: Eugène Van Itterbeek, Aktuelen 2, Brecht-Antwerpen, 1977, pp. 7-10.

 

(uittreksels)

 

Als auteur en vooral als lezer was Dirk De Witte onverzadigbaar. Hij werd gedreven door het verlangen naar het totale weten en het totale œuvre. Overal zocht hij naar de oplossing van zijn levensvragen, bij Freud, Marcuse, Jung, Marx, James Joyce, Wittgenstein, Le Clezio, in de modernste uitingen van de muziek, in het smeden van maskers. Hij trok naar Londen om er “Hair” bij te wonen. Manifestaties als het Popfestival in het Kralingenbos en Jazz Bilzen wilde hij niet missen. Overal wilde hij bij zijn waar de hedendaagse maatschappij zich in haar meest bizarre, maar niet minder betekenisvolle vormen uitte. Hij trok naar Zuid-Afrika (niet het Zuid-Afrika der blanken), maar naar het land van Breytenbach en André J. Brink van wie hij het werk was gaan bewonderen.

 

Dat alles komt best naar voren in zijn verhalenbundel De formule van Lorentz, het meest authentieke werk van De Witte. Hij schreef ook essays en ook daarin was de vorm voor hem meer dan de vorm: “Het schrijven is een tweede wereld, die veel grotere eisen stelt aan de naar geluk zoekende mens dan de wereld waarin wij leven. Wanneer die tweede wereld uit elkaar valt, dan blijft er niets meer over”.

 

De Witte beantwoordde aan het type van schrijvers die hij zelf, met verbazingwekkende zelfkennis kenschetste: “Allen schrijvers die hun leven bouwden op de te enge fundamenten van de mythe van het schrijverschap. Dat is de diepe droefheid van de schrijver, dat hij niet wil zijn als de anderen, niet kan zijn als de anderen en toch onoverkomelijk op hen gelijkt”.

 

Eugène Van Itterbeek

(gepubliceerd in: Mededelingen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, januari 1971).

 

Ook van Eugène Van Itterbeek: Schrijven en zwijgen bij Dirk De Witte, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1971, pp. 57-75.

 

Een brief naar de overkant aan Dirk De Witte

 

Toen, Dirk, ben ik gaan begrijpen dat uiteindelijk jij het beter zeggen en schrijven kon dan ik. En ik ben je tegen je schenen beginnen schoppen om naar pen en papier te grijpen en je hebt het gedaan en ik ben fier op de boeken en verhalen die je geschreven hebt. Je talent kwam tot ontplooiing, je taalvaardigheid, je schrijftrant, je manier om tot een climax te komen.

 

Van tamelijk nabij heb ik het kunnen volgen, Dirks levensvisie en Dirk de auteur, tot bijna op het punt waar het niet meer kon geschreven worden. Het compromis heb je niet meer willen aanvaarden. Je was te zeer geëngageerd.

 

Dirk, wat hebben we nog samen beleefd? Huisbezoeken, jij bij mij, ik bij jou – en maar praten. Voor mij was het schrijven omzeggens voorbij, terwijl jij op zoek was naar de formule van Lorentz, de poging tot zelfverwezenlijking, de inlossing van een extreme geluksdrang, een uiterst verlangen om de eenzaamheid te doorbreken – tegen de angst voor innerlijke verloedering en de hoop op nog een klein beetje zuiverheid en integriteit in een door de beschaving ontwrichte wereld…

 

Toen kwam de fundamentele twijfel. Had je die in mij gevonden, omdat ik tegelijk toch zowat je biechteling en biechtvader was misschien? Je kende hoogten en laagten, je was uitbundig of neerslachtig en ik durfde je soms geen vragen meer te stellen. Je IK begaf onder de onmenselijke druk van zoveel problemen. Je zag alles als uitzichtloos.

 

Jos De Freine,

gepubliceerd in: Heibel (Vorselaar), aflevering 3/4, blz. 4-10, 1971

 

Cantate

In memoriam Dirk De Witte

(fragmenten)

 

2.

Wat kende ik van de werken van de vent?

Een paar verhalen, een romanfragment,

een foto en de plechtigheid te Gent.

 

Een grote bruine man, met haar en baard

viriel maar grijzend, en het oog een haard

waar asse nog gensters van gloed bewaart.

 

Achteraan bleef hij, in afzondering,

tot opgeroepen hij naar voren ging,

bedaard de koker van de prijs ontving.

 

Niet om die prijs, maar om zijn manlijkheid,

om het geleefde leven, leed en strijd,

achter zijn oog, heb ik hem toen benijd.

 

Op de receptie raakte hij bevriend

met kleine Kasper Tindemans, een kind,

en om die eenvoud heb ik hem bemind.

 

Wat weet ik van het werk en van de vent?

God, dat hij iémand was, want nauw gekend

bleef zijn gebaar mij in het hart geprent.

 

3.

 

Reeds toen lag er een schaduw over hem,

bedenk ik nu, te donker en te wijs

lag weemoed in zijn glimlach en zijn stem.

 

Reeds toen, in zijn geslotenheid bezeerd,

was hij getekend en rijp voor de reis

van waar geen sterveling meer wederkeert.

 

15.

 

Heer, geef Dirk De Witte wat hij zocht.

Zet hem niet in een ander leven vast,

Veroordeel hem niet blijvend tot de krocht.

 

Gun hem de slaap, gun hem vergetelheid,

Maak hem als zand waarover water wast

En wegebt, onbewogen en bereid.

 

Of liever nog – en loon hem het verdriet –

Open zijn ogen voor het volle licht

Waarmee het leven opstraalt over ’t niet.

 

En als hij in uw vlammen staat, ontdaan

Door schrikkelijke klaarte van ’t Gezicht

Neem hem geheiligd in genade aan.

 

Lieven Rens

Januari 1981

 

 

VIII

 

RECENSIES IN “JONG EN OUD”

 

Publicatie van werk van oud-leerlingen werd door Pater Schurmans met argusogen gevolgd. De minste informatie die hij hierover te pakken kreeg, verscheen onder de rubriek “Flitsen” of “Wetenschappelijk werk” in het oud-leerlingenblad. Voor werk in boekvorm, vooral als het om producten ging van oud-leerlingen voor wie hij een bijzondere belangstelling had en genegenheid koesterde, was het zeker dat er een recensie kwam.

 

Voor de boeken van Dirk De Witte deed hij hiervoor beroep op twee bekende letterkundigen, beiden oud-leerling, die met kennis van zaken konden recenseren: Rudolf Van de Perre en Stefaan Van den Bremt. Eenmaal schreef hij zelf een korte notitie.

 

We voegen er ook het harde maar toch genuanceerde oordeel van Jeroen Brouwers aan toe.

 

 

Het glazen huis geluk

 

Vroeg of laat zou het toch eens gebeuren. Voor ons ligt thans het schrijversdebuut van Dirk De Witte: Het glazen huis geluk, een verzameling van zes verhalen. Zeggen we al dadelijk dat het ons verheugt dat Dirk De Witte niet verstrikt is geraakt in het egocentrische gepieker van vele van zijn schrijvende generatiegenoten. Wel schetst hij ons, verhalend, een beeld van de moderne mens, meer bepaald de situatie van adolescenten in onze tijd. Oorlogsbedreiging, angst, éénzaamheid, uitzichtloosheid, dood, dat is het vrij sombere klimaat waarin zijn, zonder uitzondering, jeugdige personages leven.

 

Drie verhalen (het titelverhaal, Isabelle 1940 en Zondaars) eindigen op de dood van het hoofdpersonage, twee andere (Tibullus en het lied, en Het monster) op een morele ineenstorting. En toch menen we in al deze verhalen precies een hunkering naar een betere en zuiverder wereld te bespeuren, maar het glazen huis van het geluk is in dit leven zo broos! “Isabelle 1940” is het gevoeligste en het meest onroerende verhaal. “Tibullus en het lied” (veruit het langste) is een stevig verhaal, met magisch-realistische inslag, sterk van inhoud en compositie. Het einde zal voor sommigen misschien wat bevreemdend aandoen. “Het monster” en “Zondaars” konden we minder appreciëren, het eerste is nogal ziekelijk, in het tweede lijkt de figuur van de priester geforceerd. Wij menen dat het geheel, zonder deze twee verhalen, een sterkere indruk zou nagelaten hebben.

 

Tot besluit weze nog gezegd dat Dirk De Witte reeds over een zuivere en suggestieve stijl beschikt. Met belangstelling kijken we uit in welke richting hij met volgend werk zal evolueren.

 

Rudolf Van de Perre

verschenen in Jong en Oud, n° 40, lente 1965, p. 24

 

In Jong en Oud, n° 41, zomer 1965, p. 30, werd verder nog gemeld:

“Het boek van Dirk De Witte, Het glazen huis geluk, in vorig nummer besproken, kende een uitzonderlijk succes in de kritiek. We lazen vele besprekingen, bvb. in Kultuurleven, De Nieuwe, De Volkskrant (Amsterdam), de Volksgazet, enz. Alle waren zeer lovend. “Geen debuut of belofte, maar volwaardig en volgroeid schrijverschap” zei een recensent”. Dit bericht is Schurmans vintage, op en top.

 

In Nederland was de receptie gemengd. L. Th. Lehmann schreef in Vrij Nederland van 26 juni 1966 over “Het glazen huis geluk”: “een treurig record van slecht schrijven”. Willem Brandt was daarentegen nogal ingenomen met wat De Witte schreef. L. Van Duinhoven noemde hem in Het Algemeen Dagblad van 10 mei 1969, een “Vlaamse Wolkers”.

 

In eigen land is De Witte over het algemeen welwillend beoordeeld en geprezen. Hij vond sympathiserende critici en verdedigers van zijn werk in o.m. Hubert Lampo, Piet Van Aken, Paul Hardy, Leo Geerts (Het glazen huis geluk, in: De Nieuwe, 21 mei 1965 en Sappho in Amerika, in: De Nieuwe, 4 februari 1966), Urbain Van de Voorde (Novellen van dood en liefde, in: De Standaard, 28 augustus 1965), Bernard Kemp (Verteller over leven en dood, in: De Standaard, 4 juli 1969) en Hugo Bousset. Voor zijn laatste boek verwierf hij zelfs een literaire prijs van de Koninklijke Vlaamse Academie.

 

Over leven en werk van Dirk De Witte verscheen een uitgebreide notitie door Phil Cailliau in: Kritisch literair lexicon, februari 1984, blz. 2-7.

 

Georges Wildemeersch schreef over Dirk De Witte in zijn artikel Literair profiel van Klein-Brabant, verschenen in: Profiel van Klein-Brabant, 1981

 

De vlucht naar Mytilene

 

Na zijn geslaagd debuut met de verhalenbundel Het glazen huis Geluk, verschijnt van Dirk De Witte een eerste roman. De Vlucht naar Mytilene is een dubbelzinnig boek. (Dubbel-zinnig in de eerste betekenis van het woord!). Het is geschreven onder dit motto, een vers van Sappho:

 

This way, that way

I do not know

what to do: I

am of two minds.

 

Het gaat om een vlucht die meteen ook een tocht is. De roman is gesteld in de ik-vorm. Cecile Loones, een jonge lerares, besluit naar Amerika te vertrekken, na een verbroken verloving met Michel. Omdat bepaalde herinneringen en plaatsen te erg samen gaan hangen? Méér dan dat: ze wil haar verleden totaal uitwissen, en herbeginnen met een schone lei. Niet enkel een evasie dus: een innerlijke tocht.

 

Wie is Cecile Loones? De onbetekenende lerares, behept met ressentimenten en complexen, en die zich schaamt over zichzelf? Dat wezen tracht ze juist te vernietigen. Ze is zich bewust geworden van een fundamentele aliënatie: wat ze tot dan toe geweest is, was een verminkt ik. Daarom vertrekt ze. Voortaan verwerpt ze elke “begoocheling”. Zij heeft een eerste werkelijke stap gezet op de weg naar vrije zelfwording. Doel van haar tocht is, zoals ze zelf zegt, de “eigen kern” te vinden.

 

In Amerika gaat Cécile samenwonen met een andere jonge vrouw, Marion. Een genegenheid ontstaat tussen hen beiden, zo sterk dat Bill, die Marion het hof maakt, door Cecile vijandig wordt behandeld, als een indringer. Zelf verwerpt ze trouwens de wereld van de man; ze reageert uitzonderlijk fel op de minste toenaderingspoging. Opmerkelijk is ook, dat Marions verhaal strikt parallel loopt met dat van Cecile: men zou het een “spiegelverhaal” kunnen noemen. Als ook Marion breekt met Bill, zijn beide vrouwen nog meer op elkaar aangewezen.

 

Het wordt een vlucht met twee, die tot haar uiterste consequentie wordt doorgedreven: uit hun vriendschap groeit een allengs meer lesbisch getinte relatie – een gegeven dat door de auteur op uiterst kiese manier behandeld wordt. Maar voor Cecile is ook dit uiteindelijk niet meer dan een nieuwe begoocheling, die slechts de “schijn van iets zinvols” te bieden heeft. Is Mytilene een ultieme mythe? (In de Oudheid was Mytilene één van de belangrijkste centra op Lesbos).

 

Wanneer Cecile totaal stuurloos dreigt te worden, ontvangt ze een brief van Michel, die haar vraagt terug te keren. Ze gaat er op in: Marion pleegt zelfmoord de dag voor haar vertrek. Zo blijft het verhaal tot het einde zijn dubbelzinnigheid bewaren.

 

De vlucht naar Mytilene is een knap geschreven roman, van moralistische inslag. De lucide zelfanalyse, de intellectualistische en pregnante stijl herinneren soms wat aan Marnix Gijsen. Dirk De Witte is op weg om een plaats te veroveren onder de talentvolle jonge Vlaamse auteurs.

 

Stefaan Van den Bremt

(verschenen in: Jong en Oud, n° 43, winter 1965, p. 29-30)

 

De formule van Lorentz

 

Wie Dirk De Witte kent van zijn vroeger literair werk (Het glazen Huis Geluk en De Vlucht naar Mytilene) moet dringend kennis maken met zijn nieuwe boek. Het is een verrassing. Niet omdat zijn vroeger werk geen talent verried – maar dit boek bezorgt je toch een kleine schok: je maakt kennis met een schrijver die meer heeft dan alleen maar talent, een schrijver die kans maakt om echt belangrijk te worden. Er is een vooruitgang op verschillende vlakken: zo heeft de nog enigszins stroeve taal van vroeger plaats gemaakt voor een opvallende taalvaardigheid en bovendien een echt creatieve benadering van de taal. Daarnaast stelt Dirk De Witte, in het spoor van Robbe-Grillet en bij ons schrijvers als bvb. een Krijgelmans, het schrijven zelf ter discussie.

 

Volgens de aantekening van de auteur, bevat het boek “verhalen en teksten”. Met teksten wordt ongetwijfeld bedoeld experimentele stukken waarin de traditionele verhaaltrant verlaten wordt. Feitelijk is er maar één dergelijke “tekst” in het geheel van de bundel aan te wijzen, nl. Biopsie I, en hij steekt dan ook wel wat af tegen de rest. Een biopsie is, volgens Van Dale, een “verwijdering uit een levend lichaam van een stukje weefsel voor microscopisch onderzoek”. Het levend lichaam dat aan onderzoek wordt onderworpen is de tijd, dat continue fluïdum waarin we zijn gevat en waaruit de auteur door middel van een kunstmatige ingreep, een fragmentje probeert te isoleren.

 

De ik-figuur zit op een terras op de Kurfürstendamm in Berlijn en geeft een schijnbaar neutraal verslag van de talrijke indrukken die zich van buiten uit aan hem opdringen en de resonanties die ze in hem wakker roepen. Hij selecteert niet, zijn bewustzijn registreert: “We zijn inderdaad niet de almachtige godjes over onszelf, we kiezen, vervormen, vervalsen, drukken vier dimensies plat". De dubbele tijdsaanduiding wijst wellicht op het dooreenlopen van twee tijden: een subjectieve en een objectieve. Een vrouw die langskomt met een Afghaanse windhond roept herinneringen op aan een vroeger rendez-vous op dezelfde plaats en hij wordt helemaal opgeslorpt door die vroegere vrouw, tot alles uiteindelijk overloopt in beelden en flarden dialoog uit een al vroeger geziene Franse film. Het is het procédé uit “L’année dernière à Marienbad”: verleden en heden lopen in elkaar over, waarbij het geheugen als schakel dienst doet; alleen is er in de tekst van De Witte niet de minste (doorlopende) intrige: zich ervan bewust “hoe onvolledig we de tijd, het ogenblik, in woorden kristalliseren”, schrijft de auteur het verslag neer van een tijd- en bewustzijnsfragment in hun complex en onsamenhangend verloop.

 

Ik moet de lezers geruststellen die me met stijgende argwaan zijn gaan volgen. Jawel, de rest van het boek bestaat uit echte verhalen, die zelfs heel leesbaar zijn geschreven. Er is ook een duidelijke gemeenschappelijke thematiek met als voornaamste scharnieren: het zoeken naar de eigen identiteit en de drang tot communicatie (of liefde). De Witte schijnt wel sterk beïnvloed te zijn door het existentialisme (ergens citeert hij zelfs Heidegger), dat hij vermengt met Freudiaanse gegevens, zoals de vaderbinding in het eerste verhaal. Zijn personages zijn van-zich-zelf-vervreemden, die vechten tegen de valse identiteit die hun door de maatschappij is opgedrongen.

 

De liefde zou een uitweg bieden, indien de ander niet evenzeer gealiëneerd was en de taboes van de samenleving niet “het moment van de waarheid”, de volle authenticiteit, onmogelijk maakten. Zodat de levensvisie van de auteur bepaald niet rooskleurig wordt. “Il n’y a qu’un problème sérieux, c’est le suicide” staat er op de achterkant van het boek, en dit is inderdaad één van de leidmotieven van de bundel. Het kwaad is onuitroeibaar, want “men heeft het (kwaad) geïsoleerd en het als categorie verder geteeld om het te kunnen aanwenden als een middel tot onderwerping”. Deze zin komt uit het laatste en tevens titelverhaal, dat te mooi is om het te gaan navertellen, en dat eindigt met een soort kosmische zelfmoord: “en dan spat, in een verblindende witte flits, het heelal uiteen met een dreunende klap die klinkt als een zegekreet in de duisternis waarin plotseling alles opnieuw is opgelost”. En God, de hoofdpersoon, wordt weer de psychische totaliteit, waarin alle tegenstellingen verdwijnen.

 

Stefaan van den Bremt

(verschenen in: Jong en Oud, n° 57, zomer 1969, blz. 30-31

 

De sport in de literatuur

 

Na enkele bespiegelingen over Sport: een sociologisch verschijnsel met verworven rechten, en over Sport: een vorm van cultuur of een stiefkind, wordt in dit essay de neerslag van de sportbeoefening in de wereldliteratuur door alle tijden op de voet gevolgd. Homerus, Montaigne, Byron, de Montherlant, Hemingway, Ringelnatz en zovele anderen werden door de sport geboeid.

 

Wist u dat Maeterlinck over boksen en schermen heeft geschreven? Dat Gorter een bekwaam bergbeklimmer was? Dat Hugo Claus geïnspireerd werd door het Amerikaanse voetbal? Dat Cassius Clay een hymne over zijn eigen grootheid schreef? Dat Nabokov doelwachter is geweest? Dit en zovele andere dingen kan u nalezen in dit boek.

 

Achteraan staat de indrukwekkende alfabetische lijst der literatoren die zich voor de sport interesseerden. We vonden er de namen van Guido Gezelle en van Gerrit Achterberg niet bij. Nochtans beoefende de zoetgevooisde dichter zo graag met zijn jonge vrienden de edele schaatssport (lees maar “ ’t Edele spel der vlugge schaverdijnders” in GGG) en schreef Achterberg zo’n prachtig, autobiografisch (!) gedicht over “De schaatsenrijder”. Misschien hebben de beide auteurs zelf nooit de ijzers ondergebonden?

 

Als men goed zoekt kan men allicht nog een even lang en even interessant boekje samenstellen. In deze bedenking zit natuurlijk geen kritiek! Vrienden, als u zich voor de sport en / of literatuur interesseert, leest dan dit boekje dat Dirk De Witte schreef in samenwerking met zijn collega E. Van den Eynde, die leraar lichamelijke opvoeding is te Aarschot en tevens een zeer belangrijke rol speelt in de Belgische sportwereld. U zal er deugd aan beleven.

 

Marcel Schurmans

(verschenen in: Jong en Oud, n° 56, lente 1969, p. 19-20).

 

Jeroen Brouwers: een genuanceerd oordeel

 

“Door zich zo kort na zijn debuut al als een jonge hond in een groot leeg blik door middel van gas om het leven te brengen, is De Witte van de middelmatige maar altijd nog beloftevolle schrijver die hij was toen hij nog leefde, definitief de mislukte schrijver geworden die ‘in het gebied van de stilte’ het zijne aan die stilte bijdraagt. Dat spijt mij – èn voor de schrijver persoonlijk èn voor de literatuur”.

 

“De schrijver Dirk De Witte behoorde niet tot de ‘zeer begaafden’ en was niet een Heinrich von Kleist, al heeft hij zich nogal eens met deze dichter vereenzelvigd. Zou hij gewoon zijn gestorven, in plaats van door zelfmoord, hij zou als schrijver zijn bijgezet in een afgelegen hoekje van de uitgestrekte urnentuin der letteren en wellicht nooit meer ter sprake zijn gekomen. Men herinnert zich zijn naam niet vanwege de literatuur die hij heeft gemaakt, maar vanwege zijn zelfmoord”.

 

“Er is aan het herlezen van De Wittes verhalend proza weinig literair genoegen verbonden: het kwaliteitsgehalte ervan is van een pijnlijke middelmatigheid, de taal is onzuiver, de stijl is flets en slordig, wat dit proza uitademt is sentimentaliteit en verveling, voor het grootste gedeelte bestaat dit proza uit kitsch”.

 

“In enige van zijn laatste verhalen streefde De Witte vormvernieuwingen na, wat voor mij het sympathiekste facet van zijn kleine œuvre vertegenwoordigt: toen hij deze verhalen publiceerde leken ze de belofte van nieuwe schrijfimpulsen in te houden.”

 

“Hij schreef essays, soms polemisch van aard, die misschien ten onrechte ongebundeld zijn gebleven. Ik herinner me sommige van deze essays (…) gefascineerd te hebben gelezen. Hij was niet onintelligent, sommige van zijn essays waren (…) mengelingen van verbluffende spitsvondigheid en baarlijke nonsens, van gedegen inzicht en achteloze Spielerei, maar waar het hem (…) aan schortte, was humor: er kon bij De Witte geen glimlachje af en alles was bij hem zwaar als lood, - geheel overeenkomstig zijn karakter”.

 

Jeroen Brouwers

(De laatste deur, p. 454-507)

 

 

IX. PROEFSCHRIFTEN VAN EN OVER DIRK DE WITTE

 

Dirk DE WITTE

Joachim Ringelnatz: Ironiker des sanften Gesetzes

 

Document : 5391493

Naam : de Witte, Dirk
Titel(s) : Joachim Ringelnatz: Ironiker des sanften Gesetzes (Ein Beitrag zum Studium des Komischen)
Uitgever : s. n. Gent
Publ Jaar : 1957 Bevat : 180 p.
Dissertatie : Diss. lic. Wijsbeg. & lett. Gent
exemplaar : 5391510 R.U.Gent L :L32.GTh
Aanwezig

 

Ludo PERMENTIER

Dood en zelfmoord bij Dirk De Witte: een onderzoek naar zijn mensbeeld

KU Leuven, 1972, 148 pp.

 

Document : 204854

Naam : Permentier, Ludo
KUL. Faculteit letteren en wijsbegeerte
Titel(s) : Dood en zelfmoord bij Dirk De Witte: een onderzoek naar zijn mensbeeld
Uitgever : s. n. Leuven
Publ Jaar : 1972 Bevat : 147 p.
Dissertatie : Diss. Lic. Germ. filol.
Noot : KUL. Faculteit wijsbegeerte en letteren
exemplaar : 204863 K.U.Leuven BIBC :THL15075
Aanwezig

exemplaar : 3387074 K.U.Leuven KOMA :Q119/224 Aanwezig

 

Rita STYNEN

Dirk De Witte. Een biografische, bibliografische en thematische studie

KU Leuven, 1972, 60 pp.

 

Document : 2145248

Naam : Stynen, Rita
KUL. Faculteit letteren en wijsbegeerte. Groep Germaanse filologie
Titel(s) : Dirk De Witte: een biografische, bibliografische en thematische studie
Publ Jaar : 1972 Bevat : 59 p.
Auteursvermelding : Stynen, Rita
Dissertatie : Diss. Lic. germaanse filologie
Noot : KUL. Faculteit letteren en wijsbegeerte
exemplaar : 3431344 K.U.Leuven KOMA :Q119/337
Aanwezig

exemplaar : 4372438 K.U.Leuven BIBC :THL46356 Aanwezig

 

Kris HAGHEBAERT

Dirk De Witte, literatuur als ultieme poging tot overleving

RU Gent, 1974, 140 pp.

 

Document : 4019624

Naam : Haghebaert, Kris
Titel(s) : Dirk de Witte: literatuur als ultieme poging tot overleving
Uitgever : s. n. Gent
Publ Jaar : 1974 Bevat : 139 bl., bl. I-VIII
Dissertatie : Diss. lic. Fac. lett. & wijsbeg. Gent
exemplaar : 4019840 R.U.Gent B :BIB.GTh16242
Aanwezig

exemplaar : 5203796 R.U.Gent L :L30.GTh1973-74 Aanwezig

 

Gerda VOS

Zelfmoord, een wetenschappelijke benadering getoetst aan het leven en het werk van Dirk De Witte

Kathol. Hogeschool voor vrouwen Antwerpen, afd. Psychologie, 1979, 120 pp.

 

Document : 4844739

Naam : Vos, Gerda
KVH. Afdeling Assistent in de psychologie
Titel(s) : Zelfmoord: een wetenschappelijke benadering, getoetst aan het leven en het werk van Dirk De Witte
Uitgever : s. n. S. l.
Publ Jaar : 1979 Bevat : VIII, 117 p.
Auteursvermelding : Gerda Vos
Dissertatie : Diss. Assistent in de Psychologie
Noot : Katholieke Vlaamse Hogeschool Antwerpen
exemplaar : 4844762 HO ANTWERP KVHB :AP 0486
Aanwezig

 

 

X. ARCHIEF DIRK DE WITTE

in het Archief en Museum van het Vlaams Cultuurleven

 

Titel(s): Fantastische en ongewone verhalen Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 123 vel(len), 124 pagina('s), max. 29,6 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92436/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(1) Annotatie: Beschrijving :verbeterd typoscript + handschrift

 

Titel(s): De capitulatie van Cantarelli Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 25 vel(len), 24 pagina('s), max. 29,7 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 92443/1-25 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Handschrift + verbeterd typoscript

 

Titel(s): Vaes Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Drama Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: ca. 57 vel(len), ca. 60 pagina('s), max. 17,9 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92448 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Beschrijving : schets + verhaal
handschrift + verbeterd typoscript

 

Titel(s): [ losse notities ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Losse notities Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 4 vel(len), 4 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92447/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(6)

 

Titel(s): Tibullus en het lied [verhalenbundel] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 161 vel(len), 161 pagina('s), max. 33,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 88264/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(7)

 

Titel(s): Een bundeltje verzen van weemoed en liefde Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript, doorslag Genre: Poëzie Taal: Duits Signatuur: gesigneerd Formaat: 20 vel(len), 20 pagina('s), 21,4 x 13,7 Inschrijvingsnummer(s): 92454 Magazijnplaats: W 79135 / H(8)

 

Titel(s): [ Aanzet voor een gedicht ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, potlood Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/15 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 2 verzen Met droedels onderaan de bladzijde.

 

Titel(s): Aan het leven
" Spaar ons de nachten en de blijde dromen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/17 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving :
4 v. x 3 str.

 

Titel(s): " Verzaak mij, droom uw meisjesdromen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/18 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving :4 v. x 4 str.

 

Titel(s): " Das Sterben ging vorbei. Wir sahen Und ich sah bloss " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Duits Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,9 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 92442/19 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 2 v.

 

Titel(s): De Droom
" Wij ontmoeten elke nacht onze gestalten "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 20,7 x 16,3 Inschrijvingsnummer(s): 92442/20 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 6 v. + 3 v.

 

Titel(s): " Een man wordt dr. zijn vrouw gehaat "
" van d'oude pijn verlaten "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/21 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Twee gedichten

 

Titel(s): De vrouw in de tuin
" Ik heb een tuin gekend, een rozenloze, "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 13,7 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92442/22 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 3 v. + 4 v.

 

Titel(s): " Uw moe geworden blik kijkt naar de aarde " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/23 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 v. + 5 v. + 4 v. Handschrift + typoscript

 

Titel(s): " Hij heeft zijn kracht gemeten met wie sterker waren. "
" Zich van een diepe deernis vol te weten "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92442/24 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving :
"Hij heeft zijn kracht..." : 4 v. x 3 str.
"Zich van een diepe ..." : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): " wij stonden aan de rand zoals zovelen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,8 x 21,8 Inschrijvingsnummer(s): 92442/25 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): " Spreek niet tot mij, maar leun uw oor aan 't venster " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/26 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): " In alle uren schuilt een scherpe pijn : " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/27 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): Nachttrein
" Er schuilt een vreemde pijn in dit allenig reizen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/28 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 5 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/69, map 13)

 

Titel(s): " Wie niet de weemoed kent der rode herfsthaarden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/29 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): " Een meteoor viel op de open stad " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/30 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 5 v. + 2 v.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/63, map 13)

 

Titel(s): " In mij stijgt gij. De ban van uwe woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/31 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str. + 2 v.

 

Titel(s): " Nacht "
" Soms is het of het leven stilhoudt "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/32 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : "Nacht" : 11 v. "Soms is het of..." : 6 v.

 

Titel(s): " In mij stijgt gij. De tover van uw woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 92442/33 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str. + 2 v.

 

Titel(s): " In mij stijgt gij. De tover van uw woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 92442/33 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str. + 2 v.

 

Titel(s): " Het is niet nodig dat ik wederkeer : " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 13,7 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92442/34 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/75, map 13)

 

Titel(s): " Er schuilt een vreemde pijn in dit allenig reizen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/35 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): " Soms is het of het leven stilhoudt " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/36 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): De zoon
" In elk gebaar, in elke geur schuilt pijn "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/37 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er nog twee exemplaren, één zonder (verbeterd typoscript)en één met titel (inschrijvingsnr. 92442/63 en 202756/72, map 13)

 

Titel(s): " Maar wat wij zien : het zijn de schermen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 10,5 x 21,7 Inschrijvingsnummer(s): 92442/38 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): Moeder
" Gij droeg uw leven als een late zomer "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 13,0 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/39 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er zijn nog twee exemplaren, zonder titel (inschrijvingsnr. 92442/45 en 202756/77, map 13)

 

Titel(s): " Want alles gaat zijn gang en kent zijn grenzen : " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,3 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/40 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 1 v.

 

Titel(s): " Er is geen hier-zijn meer, geen daar-zijn, " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,6 x 21,7 Inschrijvingsnummer(s): 92442/41 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/78, map 13)

 

Titel(s): Jeder stirbt für sich allein...
" Ik zoek naar uwe oude moederhanden "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/42 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/95, map 13)
Er is nog een derde exemplaar, zonder titel (inschrijvingsnr. 92442/62)

 

Titel(s): " Het is niet nodig dat ik wederkeer : " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/43 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): " Toen alles aan uw leven weg kwam knagen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92442/44 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/92, map 13)

 

Titel(s): In M.M. II
" Gij slaapt voor mij. Het winterland "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/46 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er zijn nog twee exemplaren, zonder titel (inschrijvingsnr. 92442/54 en 66))
Er zijn nog twee exemplaren met als titel "I.MM." en "I.M.M." (verbeterd typoscript, inschrijvingsnr. 202756/74 en 79, map 13)

 

Titel(s): " De kamer stierf mede met uw sterven. " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92442/47 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er is nog een tweede exemplaar, verbeterd typoscript (inschrijvingsnr.92442/61)
Er is nog een derde exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/94, map 13)

 

Titel(s): I.M.P.
" De vruchten zijn thans rijp : spreid uwe handen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/48 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str. + 1 v. + 4 v.
Er zijn nog twee exemplaren (inschrijvingsnr. 92442/56 en 202756/71, map 13)

 

Titel(s): " Maar wat wij zien : het zijn de schermen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/49 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr.202756/76, map 13)

 

Titel(s): " Ik vind u niet meer in de oude bladen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/50 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 6 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (202756/73, map 13)

 

Titel(s): Dodenwake
" Het leven wast niet aan de luide dingen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/51 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er is nog een tweede exemplaar, verbeterd typoscript (inschrijvingsnr. 202756/90, map 13)

 

Titel(s): " In alle uren schuilt een sterke pijn " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/52 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): " Gij spraakt me over alle dingen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/53 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 92442/65)

 

Titel(s): " Gij spraakt me over alle dingen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/53 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 92442/65)

 

Titel(s): " Het leven wast niet aan de luide dingen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/55 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.
Er is nog een tweede exemplaar, zonder titel (inschrijvingsnr. 92442/54)

 

Titel(s): Zo werd ieder uur een bang verbeiden Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/57 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): " Zovele woorden zijn om u gegleden, " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/58 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 5 str.

 

Titel(s): " Ik vind u niet meer in de oude bladen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92442/59 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 6 v. x 2 str.

 

Titel(s): " Sterven is een stelsel. Gij hebt dit verhaal " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,2 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 92442/60 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 2 v. + 8 v.
Handschrift + verbeterd typoscript

 

Titel(s): " Zovele woorden zijn om u geleden, " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/64 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str. Handschrift + verbeterd typoscript.

Titel(s): " Dit is ons huis : "
Ik ken de sleutel niet
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 pagina('s), 21,6 x 16,8 Inschrijvingsnummer(s): 92442/67 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : Twee gedichten. "Dit is ons huis" : 6 v. x 2 str.
"Ik ken de sleutel niet" : 7 v.

Titel(s): " We zijn de onbezonnen dans ontsprongen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 13,7 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/71 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): Belangrijke bijverdienste gevraagd voor de betrekking : Knap heer met initiatief Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 7 vel(len), 7 pagina('s), 29,6 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92442/72 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): [ Over Trygve Janssen, Zaman, Wulms en Zenger ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 8 vel(len), 8 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92442/73 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): Een lekker gek verhaal Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 7 vel(len), 7 pagina('s), 29,8 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92442/74 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): [ Over een vrouw voor het raam die de mensen die voorbijgaan haat ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/75 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): [ losse notities ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Losse notities Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 30,8 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92442/79 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): Analitische en beschrijvende woordprojectie
" Belijkwade geheimen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 9,6 x 9,6 Inschrijvingsnummer(s): 92437/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): [ Duitse woordenschat ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Varia Taal: Duits Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 10 vel(len), 13 pagina('s), max. 29,6 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 92436 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Duits en Nederlands. Handschrift + typoscript

 

Titel(s): De wachtzaal
" Hen lokt de warmte van de wachtlokalen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 21,1 x 16,3 Inschrijvingsnummer(s): 92437/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving :

Titel(s): " De bal die tussen hand en muur " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 19,4 x 12,7 Inschrijvingsnummer(s): 92437/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str

 

Titel(s): " Ik vond het leven onder witte appelbloesem " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 20,7 x 15,0 Inschrijvingsnummer(s): 92437/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 9 v.

 

Titel(s): " Als alles holler klinkt en d'avond vroeger groeit " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 2 pagina('s), 21,5 x 13,7 Inschrijvingsnummer(s): 92437/7 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str. + 5 v. x 2 str.

 

Titel(s): " Hij staat. Hij raakt heet natte gras " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 pagina('s), 22,4 x 14,5 Inschrijvingsnummer(s): 92437/8 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 18 v.

 

Titel(s): [ bundeltje met biografische gegevens over Ana Bozenka én 5 gedichten ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 9 vel(len), 8 pagina('s), max. 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92437/9a-g Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : Handschrift(inkt en balpen) + typoscript

 

Titel(s): [ Over een treinreis ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 4 vel(len), 4 pagina('s), 27,6 x 20,5 Inschrijvingsnummer(s): 92437/10a-d Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : Handschrift(inkt) + verbeterd typoscript

 

Titel(s): " Tot waar de dag vergrijst zijn wij gegaan " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,8 x 21,2 Inschrijvingsnummer(s): 92437/11 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str. + 2 v.

 

Titel(s): " Wij schurken ons leed aan de woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92437/12 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str. + 9 v.

 

Titel(s): " Het residu van de dag " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 21,5 x 13,8 Inschrijvingsnummer(s): 92437/13 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 14 v.

 

Titel(s): " Er moeten buiten ons twee werelden zijn " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,8 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92437/14 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 5 v. + 7 v. + 4 v.

 

Titel(s): " Van alle vrees het einde " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 21,5 x 13,9 Inschrijvingsnummer(s): 92437/15 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 10 v.

 

Titel(s): " Wir spielten Sophokles " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Duits Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 21,0 x 16,5 Inschrijvingsnummer(s): 92437/16a-b Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 6 v. + 10 v. + 4 v. + 4 v.

 

Titel(s): [ In een bar in Algerije ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 12 vel(len), 12 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202755/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): [ Over Peter de postbode en Seger Terhaag ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 4 vel(len), 4 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202755/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): [ Over Daniël en Malou ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 13 vel(len), 13 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202755/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): De kleine Heinrich Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 5 vel(len), 5 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202755/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): [ Over een oude man met profetische neigingen ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202755/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(11

 

Titel(s): [ bundel gedichten ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 37 vel(len), 37 pagina('s), 27,7 x 21,7 Inschrijvingsnummer(s): 202756/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): " Een stuk van mij: de zin der woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,6 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): " de moeilijke woorden vermijden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): " Soms vermijden we de angstige vragen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 12 v.

 

Titel(s): " Het onweerstaanbare : het zich verraden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 6 v.

 

Titel(s): " Er is niet zoveel te zeggen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): " Het lichtere geluid - de vogelstemmen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/7 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): " in het paleis van Docletianus wonen drieduizend mensen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 20,9 Inschrijvingsnummer(s): 202756/8 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v. + 6 v.

 

Titel(s): " als ik in mezelf de trappen afdaal " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 20,9 Inschrijvingsnummer(s): 202756/9 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 3 v. + 6 v. + 4 v.

 

Titel(s): " De doorgezonde verlangens breken af. " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 20,9 Inschrijvingsnummer(s): 202756/10 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 14 v.

 

Titel(s): Wer spricht von Siegen ? Uberstehn ist alles...
" zoals je zei tot morgen tot vanavond tot straks "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,8 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 202756/12 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 3 v.

 

Titel(s): I.M. Amici
" Dit is een gebed een laatste hulde "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,8 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 202756/13 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 5 v. + 3 v. + 2 v

 

Titel(s): " Ik heb me een teerputs vol teer gekocht " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/14 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving :
4 v. + 3 v. + 5 v. + 2 v.

 

Titel(s): " het leven is een braaknoot " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/16 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 6 v. + 2 v.

 

Titel(s): " Het is eigenaardig - zo noem ik dat - " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 12,6 x 13,3 Inschrijvingsnummer(s): 202756/17 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v. x 2 str.

 

Titel(s): Artifex
" De zwaartekracht verdween : "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/18 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 8 v. + 4

 

Titel(s): " tegen het klankbord van de ogen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,6 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/20 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): hemellichamen
" de wereld wordt opnieuw wat hij eens was : "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/22 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): hemellichamen
" de wereld wordt opnieuw wat hij eens was : "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/22 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 8

 

Titel(s): " de dubbelloop van ogen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/23 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 10 v.

 

Titel(s): " het duin : liggend naakt " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,6 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/24 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving :
14 v.

 

Titel(s): " borsten bloeien als bezwaren " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/25 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): " bundeltje Duitse gedichten " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Duits Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 12 vel(len), 12 pagina('s), 29,5 x 20,8 Inschrijvingsnummer(s): 202756/26 Magazijnplaats: W 79135 / H(11)

 

Titel(s): [ Over de deliberatie ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202757/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Onvolledig

 

Titel(s): Wie eerst slaat, wint Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 9 vel(len), 9 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202757/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Er is nog een tweede exemplaar, zonder titel (inschrijvingsnr. 202757/2)

 

Titel(s): [ Over Bab ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202757/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Onvolledig

 

Titel(s): [ gedeelte van de brief van Lamont ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202757/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(6)

 

Titel(s): [ Over de zonen van Bach ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202757/7 Magazijnplaats: W 79135 / H(13)

 

Titel(s): " Leenroerig waad ik door de woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/27 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 3 v. x 2 str.

 

Titel(s): Need me ?
" better try strichine "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/28 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): " de doden zullen zonder mij wel leven " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202756/29 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v.

 

Titel(s): " Zo af en toe een verhaaltje tussendoor kan geen kwaad " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202756/30 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 16 v. + 2 v.

 

Titel(s): " De voorschriften die ik bij een dokter stal vind ik niet meer " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202756/31 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): “Vanmorgen zat er één brief in de bus” Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer 202756/32 Magazijnplaats: W 79135 / H (13) Annotatie: Beschrijving: 19v.

 

Titel(s): " morgen zullen de leerlingen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/33 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 11 v.

 

Titel(s): " Come friendly nigt, fall upon me " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202756/36 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 8 v. x 5 str.

 

Titel(s): " de visser legt de lijnen van zijn angst " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Duits Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/37 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 17 v.

 

Titel(s): doornroosje
" sleep touched you with fingers of an answer "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/38 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 16 v.

 

Titel(s): sappho, as in space
" evening : "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/39 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 16 v.

 

Titel(s): " Het tafelblad is de rens geworden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,9 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/40 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 9 v. + 6 v. + 4 v. + 1 v.

 

Titel(s): " Ik ben Oedipoes niet " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,8 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/41 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 5 v. x 3 str.

 

Titel(s): " Als elk eigendomsbewijs werd gescheurd " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,9 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/42 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. + 10 v

 

Titel(s): " Soms worden we omboord door eindeloze blijheid " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,8 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/43 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving :
5 v. + 3 v. + 6 v.

 

Titel(s): " Multiplicanade " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 14,8 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/44 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): " A zealous man however. Really you were " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/45 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v. x 2 str.

 

Titel(s): " tegen het klankbord van de ogen " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/46 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): " borsten bloeien als bezwaren " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/47 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): " Gen 38:9 " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/48 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving 

 

Titel(s): blues for mister suicide
" get a ticket to nowhere, mister suicide "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Engels Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/49 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v.

 

Titel(s): " zoals geschreven staat in het boek ik : " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 202756/50 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): " Haren tarem " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/51 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v. x 2 str.

 

Titel(s): way-out
" tot een dimensie onbekend "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/52 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): Domme kracht
" Soms, in het lichaam van de tijd "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/53 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str. + 1 v. Met droedels in de linkermarge.

 

Titel(s): " ik werp een vangarm van woorden uit " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 202756/55 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 9 v.

 

Titel(s): " de hemel is een ver gehucht " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202756/56 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 10 v. + 1 v.

 

Titel(s): " het woord is ruis, geen informatie " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/57 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 2 v. + 8 v.

 

Titel(s): Grootstomtijd
" aan deze kant begint de grootstomtijd "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/58 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 5 v. + 6 v. + 2 v

 

Titel(s): " vandaag een vrede van eindelijk " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/59 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 8 v.

 

Titel(s): biosynthese
" over de kleurvlaken lijnen heen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/60 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 3 v. + 4 v.

 

Titel(s): " elke bladnerf te kunnen gadeslaan " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 202756/62 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 2 v. + 16 v.

 

Titel(s): " In mij stijgt gij. De tover van uw woorden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/64 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving :
4 v. x 2 str. + 2 v.

 

Titel(s): " Dood is het hunkeren naar wat het leven " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/66 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v.
Er is nog een tweede exemplaar (inschrijvingsnr. 202756/93, map 13)

 

Titel(s): Het kind
" Ook hij verlangde naar de spelen van een kind. "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/80 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 6 v.

 

Titel(s): " Gij voelt de zware hand wéér aan uw borst " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/81 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving :
8 v. + 4 v.

 

Titel(s): " De zusterkens der Liefde zullen mij nog eenmaal wassen, " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/82 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 6 str

 

Titel(s): " Uw adem aan de palmblaren " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/83 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): Geluk
" Geluk is meer dan een puzzelstuk "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/84 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): " Gij waart mijn Jesue " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/85 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 2 str.

 

Titel(s): Mädchen im Atelier
" Weet je nog hoe vroeger - je was pas zeventien - "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/87 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 4 str.

 

Titel(s): " Zovele woorden zijn om u gegleden " Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/89 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v. x 3 str.

 

Titel(s): In M.M.
" Zo blijfty ge in en rondom mij verborgen "
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 1 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202756/91 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Beschrijving : 4 v.

 

Titel(s): [ Bundel gedichten ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 40 vel(len), 40 pagina('s), max. 27,7 x 21,7 Inschrijvingsnummer(s): 202756/96 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: +/- 40 gedichten

 

Titel(s): Tijding uit het niets [ + brief van Humo] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: niet gesigneerd Formaat: 12 vel(len), 12 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202759 Magazijnplaats: W 79135 / H(13) Annotatie: Incl. brief van HUMO aan Dirk de Witte

 

Titel(s): [ losse notities ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Losse notities Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 14 vel(len), 14 pagina('s), max. 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92438 Magazijnplaats: W 79135 / H(14) Annotatie: Handschrift + typoscript

 

Titel(s): [ Gedeelte van een handschrift ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Beschouwend proza Taal: Nederlands Signatuur: gesigneerd Formaat: 2 pagina('s), 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92450/1 c Magazijnplaats: W 79135 / H(14)

 

Titel(s): [ Schoolwerk ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: [1953], niet gesigneerd Formaat: 27 vel(len), 45 pagina('s), 27,9 x 21,7 Inschrijvingsnummer(s): 92439/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(9) Annotatie: In het Duits, Frans en Engels. Handschrift + typoscript

 

Titel(s): Zo varen wij zo zijn wij. Stof tot korte meditatie voor de aankomende jongeman. Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Nederlands Signatuur: 05-1953 tot 06-1953, niet gesigneerd Formaat: 27 vel(len), 26 pagina('s), 27,4 x 21,2 Inschrijvingsnummer(s): 92439/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel: “Ik heb gevoeld wat afscheid is” Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Poëzie Taal: Nederlands Signatuur: 14-03-1954 niet-gesigneerd Formaat: 1 pagina 13,3 x 20,9 Inschrijvingsnumer: 92442/14 Magazijnplaats: W 79135 / H (9) Beschrijving: 4 v x 3 str + 2 v.

 

Titel(s): Joachim Ringelnatz. Ironiker des sanften Gesetzes. Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: 1956 tot 1957, gesigneerd Formaat: 187 vel(len), 187 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92455 Magazijnplaats: W 79135 / H(11) Annotatie: Scriptie

 

Titel(s): [ Biografie van Joachim Ringelnatz ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: [1957], gesigneerd Formaat: ca. 66 vel(len), ca. 67 pagina('s), max. 29,6 x 20,9 Inschrijvingsnummer(s): 88268/12 Magazijnplaats: W 79135 / H(4) Annotatie: Beschrijving :
Scriptie

 

Titel(s):

Ringelnatz. Biografische Notizen

Auteur:

Witte, de, Dirk

Stadium:

Handschrift, inkt

Genre:

Schoolwerk

Taal:

Duits

Signatuur:

[1957], niet gesigneerd

Formaat:

67 vel(len), 74 pagina('s), max. 27,6 x 20,9

Inschrijvingsnummer(s):

88268/13a-z en aa-zz en aaa-ooo

Magazijnplaats:

W 79135 / H(4)

Annotatie:

Beschrijving :
notities voor een scriptie.

 

Titel(s): Joachim Ringelnatz. Versuch eines Revivendums Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: [1957], gesigneerd Formaat: ca. 77 vel(len), ca. 77 pagina('s), max. 29,7 x 21,2 Inschrijvingsnummer(s): 88268/14 Magazijnplaats: W 79135 / H(4) Annotatie: Beschrijving :
scriptie

 

Titel(s): [ Biografie Joachim Ringelnatz ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: [1957], gesigneerd Formaat: ca. 70 vel(len), ca. 80 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 88268/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(4) Annotatie: Beschrijving: Ontwerp scriptie. handschrift + typoscript.

 

Titel(s): Humor. Ironie. Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: ca. 1957, niet gesigneerd Formaat: ca. 81 vel(len), ca. 82 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 88268/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(4) Annotatie: Beschrijving :
losse notities. handschrift + typoscript.

 

Titel(s): Der Geist der Zeit Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: ca. 1957, gesigneerd Formaat: 59 vel(len), 59 pagina('s), max. 31,7 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 88268/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(4)

 

Titel(s): [ Over humor en ironie. ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: ca. 1957, gesigneerd Formaat: ca. 52 vel(len), ca. 52 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 88268/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(8) Annotatie: Beschrijving
onderdeel van een scriptie handschrift + typoscript

 

Titel(s): Ringelnatz. Literarische Betrachtungen in Notizen Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: ca. 1957, niet gesigneerd Formaat: ca. 50 vel(len), ca. 50 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 88268/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(8) Annotatie: Beschrijving :onderdeel van een scriptie

 

Titel(s): Ringelnatz. : Zeitungsausschnitte, Cabarett, Als Mahler, Bibliografische Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, inkt Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: ca. 1957, niet gesigneerd Formaat: ca. 53 vel(len), ca. 53 pagina('s), max. 29,6 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 88268/7 Magazijnplaats: W 79135 / H(8) Annotatie: Beschrijving : aantekeningen e.d. voor een scriptie.

 

Titel(s): [ Biografie Joachim Ringelnatz ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: 08-02-1957, gesigneerd Formaat: ca. 86 vel(len), ca. 86 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 88268/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(4) Annotatie: Beschrijving :scriptie

 

Titel(s): [ Over Joachim Ringelnatz ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Schoolwerk Taal: Duits Signatuur: Mechelen, ca. 25-03-1957, gesigneerd Formaat: ca. 54 vel(len), ca. 54 pagina('s), 27,5 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 88268/8 Magazijnplaats: W 79135 / H(8) Annotatie: Beschrijving : onderdeel van een scriptie

 

Titel(s): [ verhaal geschreven tijdens zijn legerdienst ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Verhalend proza Taal: Engels Signatuur: [1959], niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 18,0 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92437/2a-b Magazijnplaats: W 79135 / H(9)

 

Titel(s): Heterogeen
[= Het glazen huis geluk ]
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: 148 vel(len), 148 pagina('s), 27,5 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 88264/2 en 92436/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(1) Annotatie: Beschrijving :
De ganse bundel werd opgestuurt naar Manteau maar slechts een deel van de verhalen werd gepubliceerd onder de titel "Het glazen huis geluk". Publicatie : Het glazen huis geluk. verhalen, Brussel : Manteau, 1964, Ad Multos nr. 24, 127 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): Het glazen huis geluk Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1962, gesigneerd Formaat: 164 vel(len), 164 pagina('s), 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 92436/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(1) Annotatie: Publicatie :
Het glazen huis geluk. verhalen, Brussel : Manteau, 1964, Ad Multos nr. 24, 127 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): Heterogeen
[= Het glazen huis geluk ]
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: 164 vel(len), 164 pagina('s), max. 29,6 x 20,9 Inschrijvingsnummer(s): 92436/4 Magazijnplaats: W 79135 / H(1) Annotatie: Beschrijving :
De bundel werd ingestuurd voor de letterkundige wedstrijd van 1962 ingericht door de Provincie Brabant. (zie copie bijgevoegde brief; voor originele brief zie: W 79135 / B) Publicatie : Het glazen huis geluk. verhalen, Brussel : Manteau, 1964, Ad Multos nr. 24, 127 p.

 

Titel(s): De formule van Lorentz Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1962 tot 03-1968, gesigneerd Formaat: 131 vel(len), 131 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92450/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(3) Annotatie: Incl. collage op de omslag van de map Publicatie : De formule van Lorentz. verhalen en teksten, Brussel : Manteau, 1969, Grote Marnixpocket nr. 47, 132 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): [ 13 verhalen ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: ca. 1962, gesigneerd Formaat: ca. 111 vel(len), ca. 111 pagina('s), max. 29,8 x 21,2 Inschrijvingsnummer(s): 202747 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Handschrift + verbeterd typoscript

 

Titel(s): [ fragment uit "Ernie Wever" ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], niet gesigneerd Formaat: 2 vel(len), 2 pagina('s), 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 92447/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Publicatie : Ernie Wever, Middelburg: Zeeuws Kunstenaarscentrum, 1982, Slibreeks nr.19, 24 p.

 

Titel(s): [ aantekeningen bij "Ernie Wever" ] Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Handschrift, balpen Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: 14 vel(len), 14 pagina('s), max. 33,3 x 21,2 Inschrijvingsnummer(s): 88263 Magazijnplaats: W 79135 / H(7) Annotatie: Publicatie : Ernie Wever, Middelburg: Zeeuws Kunstenaarscentrum, 1982, Slibreeks nr.19, 24 p.

 

Titel(s): De engel aan het paradijs
[= De engel met het vlammend zwaard ]
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: 51 vel(len), 51 pagina('s), max. 29,7 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 92456/1-4 Magazijnplaats: W 79135 / H(8) Annotatie: Beschrijving :
De novelle werd ingestuurd voor de letterkundige wedstrijd van 1962 ingericht door de stad Aalst. (zie bijgevoegde reglement en brieven (copies); voor originele brieven zie: W 79135 / B, nrs. 92456/3-4) Trefwoord(en): Aalst [Literaire Prijs]

 

Titel(s):

[ Klad van een brief i.v.m. de afbetaling van een lening voor studiekosten ]

Auteur:

Witte, de, Dirk

Stadium:

Typoscript

Genre:

Varia

Taal:

Nederlands

Signatuur:

[1962], niet gesigneerd

Formaat:

1 pagina('s), 29,6 x 21,0

Inschrijvingsnummer(s):

92442/76

Magazijnplaats:

W 79135 / H(9)

 

 

Titel(s): Heterogeen
[= Het glazen huis geluk ]
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: ca. 148 vel(len), ca. 148 pagina('s), 27,4 x 21,4 Inschrijvingsnummer(s): 88264/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(14) Annotatie: Beschrijving :
De ganse bundel werd opgestuurt naar Manteau maar slechts een deel van de verhalen werd gepubliceerd onder de titel "Het glazen huis geluk". Publicatie :
Het glazen huis geluk. verhalen, Brussel : Manteau, 1964, Ad Multos nr. 24, 127 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): Heterogeen
[= Het glazen huis geluk ]
Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript, doorslag Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1962], gesigneerd Formaat: ca. 148 vel(len), ca. 148 pagina('s), 27,1 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 88264/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(14) Annotatie: Beschrijving :
De ganse bundel werd opgestuurt naar Manteau maar slechts een deel van de verhalen werd gepubliceerd onder de titel "Het glazen huis geluk". Publicatie : Het glazen huis geluk. verhalen, Brussel : Manteau, 1964, Ad Multos nr. 24, 127 p.

 

Titel(s): Ernie Wever Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 15-03-1962 tot 05-08-1962, gesigneerd Formaat: ca. 298 vel(len), ca. 298 pagina('s), max. 27,5 x 21,6 Inschrijvingsnummer(s): 88262/1-11 Magazijnplaats: W 79135 / H(7) Annotatie: Publicatie :
Ernie Wever, Middelburg: Zeeuws Kunstenaarscentrum, 1982, Slibreeks nr.19, 24 p.

 

Titel(s): De dwaze vlucht. Een TV novelle Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Drama Taal: Nederlands Signatuur: [1963], niet gesigneerd Formaat: 44 vel(len), 43 pagina('s), 27,5 x 21,0 Inschrijvingsnummer(s): 202760 Magazijnplaats: W 79135 / H(13)

 

Titel(s): De vlucht naar Mytilene Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, gesigneerd Formaat: 168 vel(len), 168 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 88266/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(2) Annotatie: Publicatie :
De vlucht naar Mytilene. roman, Brussel : Manteau, 1965, Ad Multos nr. 26, 159 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): De vlucht naar Mytilene Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, niet gesigneerd Formaat: 171 vel(len), 170 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 88266/6 Magazijnplaats: W 79135 / H(2) Annotatie: Beschrijving :
Definitieve manuscript. Publicatie : De vlucht naar Mytilene. roman, Brussel : Manteau, 1965, Ad Multos nr. 26, 159 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): De vlucht naar Mytilene Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, gesigneerd Formaat: 177 vel(len), 178 pagina('s), max. 29,7 x 21,1 Inschrijvingsnummer(s): 88266/3 Magazijnplaats: W 79135 / H(2) Annotatie: Publicatie : De vlucht naar Mytilene. roman, Brussel : Manteau, 1965, Ad Multos nr. 26, 159 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): De vlucht naar Mytilene Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, gesigneerd Formaat: 176 vel(len), 176 pagina('s), max. 27,0 x 21,3 Inschrijvingsnummer(s): 88266/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(2) Annotatie: Publicatie : De vlucht naar Mytilene. roman, Brussel : Manteau, 1965, Ad Multos nr. 26, 159 p. Uitgever: Manteau [Brussel-Antwerpen]

 

Titel(s): Nikomycine B-12 Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: [1964], gesigneerd Formaat: 17 vel(len), 17 pagina('s), max. 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92446/1 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Publicatie : "Nikomycine B-12", in: Komma, 1965, jrg. 1, nr.1, pp.16-29. Gepubliceerd in: Komma

 

Titel(s): Nikomycine B-12 Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, gesigneerd Formaat: 16 vel(len), 16 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 92446/2 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Publicatie : "Nikomycine B-12", in: Komma, 1965, jrg. 1, nr.1, pp.16-29. Gepubliceerd in: Komma

 

Titel(s): Nikomycine B-12 Auteur: Witte, de, Dirk Stadium: Verbeterd typoscript Genre: Verhalend proza Taal: Nederlands Signatuur: 1964, gesigneerd Formaat: 16 vel(len), 16 pagina('s), 27,4 x 21,5 Inschrijvingsnummer(s): 202757/5 Magazijnplaats: W 79135 / H(6) Annotatie: Publicatie : "Nikomycine B-12", in: Komma, 1965, jrg. 1, nr.1, pp.16-29. Gepubliceerd in: