Brugse drukkerij en uitgeverij 1910-1920 In 1910 werd in de Vlamingstraat 47 in Brugge (ongeveer tegenover de Jezuïetenkerk) een boek- en kunsthandel geopend onder de naam Sint-Michiel, met een uitgeverij daaraan toegevoegd. Het logo – uiteraard Sint Michiel die de draak neervelt - werd ontworpen door Joe English. De handel bleef tot in 1920 op het adres Vlamingstraat gevestigd, hoewel vanaf 1919 het nummer 17 werd vermeld, zodat een verhuis tot de mogelijkheden behoort. In de vooroorlogse periode publiceerde de uitgeverij Sint-Michiel twaalf boeken, drie van Edward Vermeulen[1] (waaronder één in co-editie met Futura, de uitgeverij van Arnold Smits in Leiden) en drie van de letterkundige en samensteller van bloemlezingen, priester Jozef Geurts (1871-1946)[2], waarin hij teksten van Stijn Streuvels thematisch op een rijtje plaatste (een co-editie met de gewone uitgever van Streuvels, L. J. Veen Amsterdam). Verder was er een boek van de advocaat en kunsthistoricus Jozef Muls (1882-1961)[3], van de scheutist, missionaris en later internationaal bekend etnoloog Leo Bittremieux (1880-1946)[4], van de Kortrijkse geneesheer en Vlaamse voorman Emiel Lauwers (1858-1921)[5], van de leraar, later ACW-voorzitter, katholieke minister, minister van Staat en burgemeester van Sint-Niklaas Hendrik Heyman (1879-1958)[6] en van de Nederlandse literator Felix Rutten (Sittard 1882 - Rome 1971)[7]. Het zal wellicht een raadsel blijven hoe deze auteurs bij een beginnende uitgever, een jonge snaak nog wel, in het voor hen verre Brugge terecht kwamen. Vooral de naam Sint-Michiel Brugge kunnen koppelen aan die van de aanzienlijke Amsterdammer L. J. Veen lijkt een prestatie. Dan was er ook nog een nieuwe reeks onder de titel Het geestelijk leven, een initiatief van de bisschop van Brugge Gustave Waffelaert (1847-1931) en van de directeur van het Brugse Groot Seminarie Jeroom Mahieu (1874-1955). Het werd een co-editie met de Rooms Katholieke Boekcentrale in Amsterdam. Dit betekende opnieuw een opmerkelijke promotie voor de beginnende Brugse uitgever. Tijdens de oorlog ging de samenwerking met de Amsterdamse uitgever verder en werden twee geleerde traktaten van de Brugse bisschop gepubliceerd. Het is alvast duidelijk dat Sint-Michiel in de vooroorlogse periode niet over een eigen drukkerij beschikte. Ze vertrouwde haar uitgaven toe aan de Brugse drukkers Adolf Van Mullem, Desclée de Brouwer en Sint-Catharina en in Nederland aan Thieme in Nijmegen. De uitgeverij gaf ook een reeks briefkaarten uit met kleurentekeningen door Jules Fonteyne. Het ging om een plezierige reeks Brugse stadsgezichten en volksfiguren, in de herkenbare stijl van Fonteyne. Er is geen zekerheid over de publicatiedatum, maar het meest waarschijnlijk is dat dit vóór 1914 gebeurde. Toen Jules Fonteyne in 1919, na een jarenlang verblijf in Engeland naar Brugge terugkeerde, zal hij weinig sympathie hebben gehad voor een drukker en uitgever die zich in het vaarwater van de Frontbeweging bewoog. Na de oorlog werd direct sterk van wal gestoken. De uitgaven volgden elkaar in snel tempo op. Geen enkele was nog een zelfstandige uitgave van Sint-Michiel maar telkens ging het om co-edities met de Vlaamsche Boekenhalle van Alfons De Groeve en éénmaal met Futura in Leiden. Een lijvig werk was van de hand van pater Callewaert (1886-1964)[8] en een ander van de franciscaanse frater en brancardier Evermar Van Moere (1889-1962) die tijdens de oorlog tot de Fronters had behoord[9]. Zijn boek eindigde trouwens met een lofrede op Ons Vaderland, het blad van de Frontbeweging[10]. Een andere vriend uit de Frontbeweging was Jozef Simons, van wie een werk werd gepubliceerd. Twee werken waren van Frans Daels en één van Jeroom Mahieu. De hand van Cyriel Verschaeve was hierbij duidelijk merkbaar: hij schreef een voorwoord voor Van Moere, voor Frans Daels en voor een verzameling gedichten van Albrecht Rodenbach. Verder werden verschillende van zijn werken uitgegeven of heruitgegeven en bij Sint-Michiel gedrukt, hetzij in co-editie met de Vlaamsche Boekenhalle, hetzij voor rekening van de met de Frontpartij en met Cesar Couvreur gelieerde uitgeverij Ons Vaderland in Brussel. Voor deze naoorlogse publicaties trad Sint-Michiel als drukker op, hoewel ook nog een enkele keer met de Sint-Catharinadrukkerij of met Adolf Van Mullem werd gewerkt. Sint-Michiel en de gebroeders Couvreur Als initiatiefnemer voor de uitgeverij Sint-Michiel is tot hiertoe steeds, o.m. in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, advocaat Alfons De Groeve aangeduid[11], de stichter van de Brugse uitgeverij Kerlinga[12]. Hij zou dus voor zijn uitgeverij twee afzonderlijke namen hebben gebruikt. Dit gaf geen verklaring voor uitgaven tijdens de oorlog in Brugge terwijl hij in Leiden woonde, noch voor de publicaties na de oorlog waarbij naast elkaar de uitgeversnamen Huis Sint-Michiel Brugge en De Vlaamsche Boekenhalle Leuven-Leiden werden vermeld. We vestigen met dit artikel de aandacht op de echte initiatiefnemers van de uitgeverij Sint-Michiel, die vóór de oorlog parallel met De Groeve publiceerde, om na de oorlog enkele keren met hem samen te werken. Die initiatiefnemers waren de relatief onbekend gebleven gebroeders Couvreur. Wie precies wat deed is slechts gedeeltelijk te achterhalen. Er kwamen immers vijf broers en een zuster Couvreur in Brugge wonen. Zij waren de kinderen van de hoofdonderwijzer van Lapscheure, Louis Couvreur (Lapscheure 8 juni 1862 – Agen, Lot-et-Garonne, 28 januari 1923) en Octavie Minnaert (Lapscheure 1 juli 1856 – 2 april 1921), van wie ze in alfabetische volgorde hun voornaam gaven: Aimé, Bertha, Cesar, Desideer, Elias, Flora (1894-1895), Gerard en Hilaire (12/08 - 8/10/1898). De vijf jongens verwierven in Torhout het onderwijzersdiploma en de oudste mocht regent worden. Ze oefenden evenwel weinig of niet het beroep uit. Aimé en Cesar Couvreur De oorsprong van de boekhandel en uitgeverij blijkt te liggen bij Cesar Couvreur (Lapscheure 23 augustus 1890 – Privas, Ardèche, 1958)[13]. Pas afgestudeerd woonde hij vanaf 1910 op het adres Vlamingstraat 47[14]. Hij was toen amper twintig, zodat het niet uitgesloten is dat ook zijn twee jaar oudere broer Aimé Couvreur (Lapscheure 4 november 1888 – Ronse 2 februari 1951) bij de zaak was betrokken. Aimé bleef niet in het boekenvak. Onmiddellijk na WOI trok hij naar Ronse en huwde er met een Waals meisje, Marie Dobigies. Na de rudimenten van de textielnijverheid te hebben geleerd, kwam hij weer naar Brugge en richtte er op het adres Rodestraat 25 een atelier van breigoed op. Begin jaren dertig verhuisde hij opnieuw naar Ronse, waar hij zijn loopbaan eindigde als directeur van het textielbedrijf Van Caeneghem[15]. Cesar Couvreur had een meer bewogen leven. Op 4 augustus 1914 meldde hij zich als vrijwilliger bij de Jagers te voet. In november 1914, gegrepen door de Spaanse griep, werd hij verzorgd in het militair hospitaal in Calais[16]. Begin 1915 vertrok hij naar het opleidingscentrum van Valognes (Manche). Vanaf Juni 1916, ondertussen tot sergeant bevorderd, bevond hij zich aan het front. In mei 1917 werd hij adjudant en einde dat jaar werd hij op de legerdagorde als volgt vermeld: S’est révélé de façon superbe dans des circonstances difficiles. Bij K. B. van 5 juni 1918 ontving hij het Oorlogskruis met de volgende vermelding: Au cours d’un bombardement violent, s’est porté en première ligne pour avoir des renseignements précis au sujet de la situation. A, par sa tranquille bravoure, maintenu l’émulation de ses hommes, malgré la pluie de projectiles qui les accablait. Op 7 november 1918 werd hij tot onderluitenant bevorderd, trok na de Wapenstilstand met zijn regiment naar Duitsland en was eind december weer in België. Op 8 juli 1919 ging hij definitief met onbepaald verlof en keerde (met vier frontstrepen) naar het burgerleven terug[17]. Cesar Couvreur heeft een rol gespeeld in de Frontbeweging. Tijdens zijn opleiding in Valognes behoorde hij tot de Vlaamsgezinde miliciens die samenkwamen ‘in een aparte kamer van het dorpscafé om brieven van het front te lezen, Vlaamse liederen te zingen, de pers uit Nederland te bespreken en hun zorgen te vergeten’. We blijven onze oude principes trouw, wat niet heel gemakkelijk is, meldde Couvreur in een brief gepubliceerd in Vrij België[18]. De oorlog was nog niet voorbij toen hij actief werd in het Verbond van Vlaamse Oud-strijders en in de Frontpartij. Op 2 November 1918 verdedigde hij samen met Filip de Pillecyn en Joris Van Severen de standpunten van de Frontbeweging op een bijeenkomst in Brugge met o.m. Frans Van Cauwelaert[19]. Op 15 november, vóór hij met zijn regiment naar Duitsland vertrok, nam hij in Gent deel aan de stichtingsvergadering van wat de Frontpartij zou worden en werd hij lid van de ‘Opperraad’[20]. In november 1919 stond hij in Brugge als vierde kandidaat op de lijst van de Frontpartij voor de wetgevende verkiezingen[21]. Couvreur werd in 1920 door de Staatsveiligheid gesignaleerd op een Elf-julifeest in Aalst, waar hij in een toespraak tekeer ging tegen legertoestanden en tegen de houding van de kerkelijke overheid ten aanzien van pater Callewaert, terwijl hij tevens hulde bracht aan Lodewijk Dosfel[22]. Hij was één van de voormannen bij de V.O.S.-betoging van 29 juli 1920 in Brussel, tijdens dewelke het Parlementsgebouw werd bestormd. Dit had voor gevolg dat hem op 25 november 1920 zijn graad van officier werd ontnomen pour faits graves, non prévus par la loi[23]. Hij werd er anderzijds ook van verdacht een bomaanslag te hebben gepleegd[24]. Volgens familieherinneringen zou hij het in brand steken van de Universiteitshal in Gent hebben beraamd, waar evenwel niets van in huis kwam, omdat de medesamenzweerders zich terug trokken. Hij behoorde alvast tijdens de beginperiode van de Frontpartij tot de meest revolutiegezinde fractie die voor het bereiken van Vlaamse onafhankelijkheid, naar het Ierse voorbeeld, geweld en terreur voorstond. Van midden 1919 tot 1922 leidde hij het naar Gent en nadien naar Brussel verhuisde blad Ons Vaderland, de spreekbuis van de Frontpartij (met als opeenvolgende hoofdredacteurs de gebroeders Bert en Frans D’Haese en met Achilles Mussche als redacteur)[25]. Hij stond hierbij sterk onder de invloed van de activistische priester Robrecht De Smet (1875-1937)[26], die hem in zijn briefwisseling ‘Keizer’ noemde en over hem schreef: Er is geen edeler kerel dan hij. Bij een andere gelegenheid schreef De Smet dat Cesar zeer nalatig was, maar toch een beste kerel[27]. Couvreur richtte tevens in Brussel, met financiële ondersteuning van de Tieltse aannemer Honoré Debusschere, een verwante van Verschaeve, onder dezelfde naam als de krant een uitgeverij en boekhandel op, waarbij hij voor een gedeelte van het drukwerk gebruik maakte van de persen van Sint-Michiel. De Frontpartij vond dit initiatief dermate belangrijk dat toen ze Filip de Pillecyn als redacteur ter beschikking stelde van De Standaard, meteen als voorwaarde stelde: De schikkingen van de Frontpartij met Couvreur inzake uitgeversfirma zullen niet gedwarsboomd worden door enige onderneming van de heren Van Cauwelaert en Van de Perre[28]. De schrik zat er duidelijk in dat de Afdeling boeken van De Standaard een concurrentiestrijd zou ontketenen waartegen het broze bedrijfje onder de leiding van Couvreur niet zou opgewassen zijn. De gestelde voorwaarde werd trouwens door de bestuurders van De Standaard niet geaccepteerd. Op 6 maart 1920 trad Cesar Couvreur in Gent in het huwelijk met Anna Van Sante (Wetteren 1900 - Montesquieu-Volvestre 1945), de zus van dominicaan en Fronter Carlos Van Sante (1896-1947)[29]. Hoewel hij waarschijnlijk al vanaf einde 1919 in Brussel woonde, werd Couvreur pas op 17 maart 1920 uit de Brugse bevolkingsboeken uitgeschreven naar het adres Legerlaan 6 in Brussel. In 1921 woonde het echtpaar Eikenlaan 166 in Ukkel waar hun eerste zoon Diedrik (Thierry) werd geboren. Een straat verder, Gendarmendreef 57, woonde moeder Van Sante die gedurende enkele tijd onderdak verleende aan de op de dool geraakte Robrecht De Smet. In zijn beheer van Ons Vaderland en van het geïllustreerd weekblad De Tijdspiegel werd Couvreur slordigheid en nalatigheid verweten. Hij kwam alvast in een wespennest terecht, waar de strijd werd uitgevochten tussen de radicalen (zoals Robrecht De Smet) en de gematigden (Hendrik Borginon en Adiel Debeuckelaere). Couvreur kreeg opdracht in Nederland financiële steun te gaan zoeken, maar werd hierin gepasseerd door Borginon die de verkregen gelden zeer waarschijnlijk deed terecht komen in de kas van het Antwerpse De Schelde. Sommige heftige artikels in Ons Vaderland schoten in het verkeerde keelgat bij kardinaal Mercier, die in mei 1920 aan de clerus op straf van doodzonde verbood het blad nog te lezen of op enigerlei wijze te bevorderen[30]. Cesar Couvreur die zijn toekomst had verbonden aan Ons Vaderland, dat weldra zieltogend was en waar Debusschere zich van afwendde, kwam financieel zwaar in de problemen[31]. Toen het blad in februari 1922 ophield te bestaan, en ook de boekhandel en uitgeverij in het debacle werden meegesleept, kwam hij korte tijd werken bij breigoedfabrikant Aimé Couvreur en nam hij zijn intrek boven het atelier in de Rodestraat 25. Hij zette meteen een punt achter zijn Vlaamsgezinde activiteiten. Het is niet uit te sluiten dat de manier waarop mensen zoals Debusschere, Jozef Goossenaerts, Jeroom Leuridan en zelfs Robrecht De Smet hem in de steek lieten en zonder naar hem om te kijken het nieuwe blad Vlaanderen oprichtten, oorzaak was dat hij er de brui aan gaf. Van toen af begon een nomadenleven dat we in grote lijnen konden reconstrueren. Einde 1922 emigreerde hij naar Frankrijk samen met zijn broer Gerard en met hun vader, die evenwel op 28 januari 1923 in Agen overleed. Ze vestigden zich als landbouwer in Grenade (Landes), waar zoon Carlos (1923 - Marseille 1973) werd geboren. In 1925 verhuisden ze naar Fonsorbes (Haute-Garonne), waar ze een melkerij uitbaatten en van waaruit Cesar in briefwisseling was met volksvertegenwoordiger Gustaaf Sap, aangaande zijn militair pensioen[32]. Wellicht was de activiteit aldaar niet succesvol want eind jaren twintig belandden de broers weer in Brugge, waar de jongste zoon van Cesar, Emiel (1930 - Arpajon 1983) werd geboren. Het adres was opnieuw Rodestraat 25, nadien Boomgaardstraat 2 en Van Voldenstraat 14. Als beroep gaf Cesar Couvreur dat van handelsreiziger op, waarbij hij als verkoper optrad voor het breigoed van zijn broer Aimé. Toen die Brugse activiteit werd opgeheven moest Cesar iets anders gaan doen, waarvan we alleen weten dat het om een activiteit ging die bij de andere broers niet in goede aarde viel en tot gevolg had dat er nog weinig onderling contact was. Cesar verdedigde zich met naar zijn zuster te schrijven: “Ik moet toch leven”[33]. Op 27 februari 1932 werd hij in de Brugse bevolkingsboeken uitgeschreven naar Lavelanet de Comminges (Haute-Garonne), waar hij met vrouw en kinderen en met zijn schoonmoeder naar toe trok. Het jaar daarop verhuisde hij naar het nabije Montesquieu-Volvestre (Haute-Garonne), waar hij ging boeren (houden van kippen, eenden, konijnen en kalkoenen) en dit tot in 1950. In de periode van het Front Populaire was hij communist geworden en tijdens WOII sloot hij zich samen met zijn zoons Thierry, Carlos en Emile aan bij de partizanen van de FFI. In 1945 overleed zijn vrouw aan borstkanker. De brief aan zijn zuster Bertha, waarin hij hierover zijn groot verdriet en ontreddering uitdrukte, was het laatste wat de familie in Vlaanderen nog van hem vernam[34]. Hijzelf overleed in een bejaardenhuis in Privas (Ardèche) in 1958[35]. Desideer en Elias Couvreur Terwijl Cesar in 14-18 aan het front stond, kwam Desideer Couvreur (Lapscheure 25 juli 1891- Brugge 11 maart 1947) op 20 oktober 1915 zijn intrek nemen in de Vlamingstraat. Hij moet ook enige rol in het activisme hebben gespeeld, met eruit volgende problemen na de oorlog, want tijdens WOII ontving hij van de zogenaamde Bormscommissie een vergoeding van 111.000 fr. Net iets vroeger dan Cesar, op 14 januari 1920 verliet hij Brugge en ging wonen in de Fabriekstraat in Aarschot, het jaar daarop in de Lindaumstraat 22 in Diest. Weldra kwam hij naar Brugge terug en was vanaf 1923 gehuisvest bij Elias Couvreur in het Genthof. Hij huwde met Marie Clais, ging Speelmansrei 16 wonen, werd zelfstandig accountant en verwierf enige reputatie als kampioen schaakspeler. De vierde broer, Elias Couvreur (Lapscheure 21 juli 1892 - Brugge 25 juli 1955) kwam in juli 1913, na het behalen van het onderwijzersdiploma en een korte activiteit in de Visserijschool in Heist, in Brugge wonen in de Gouden Handstraat. Bij het uitbreken van de oorlog meldde hij zich als vrijwilliger en bracht het tot eerste sergeant in de medische diensten. Net zoals zijn broer behoorde hij tot de Vlaamsgezinde frontsoldaten. In een lezersbrief die verscheen in Vrij België op 29 oktober 1915, drukte hij zijn overtuiging uit dat de vrijmaking van ons dierbaar vaderland de oplossing der Vlaamsche kwestie met zich mee zal brengen en dat een nakende toekomst alle dromen van onze jongelingsjaren zal zien bewaarheid worden[36]. Begin 1916 meldde Elias zich als vrijwilliger voor het expeditieleger dat de Duitsers in hun Oost-Afrikaanse kolonies ging bevechten. Hij behoorde tot de medische diensten en leverde in die hoedanigheid zijn bijdrage tot de slag bij Tabora, waar de Belgen in augustus 1916 een beslissende overwinning op de Duitsers behaalden. Het jaar daarop nam hij in dezelfde hoedanigheid deel aan de gevechten in Mahenge. De Belgische strijd in Oost-Afrika had tot gevolg dat ons land door de Volkerenbond het mandaat kreeg toegewezen over Rwanda en Burundi. Na de oorlog bleef hij nog een tijdje in Kongo, waar hij voor de Union Minière werkte. In de herfst van 1919 was hij thuis en zwaaide op 5 december 1919 definitief af, houder van acht frontstrepen en van talrijke eretekens. Hij had blijkbaar heimwee naar Afrika en schreef naar Cyriel Verschaeve over zijn idee om naar Zuid-Afrika uit te wijken. Hiervan kwam evenwel niets in huis. Hij was onmiddellijk bij de uitgeverij en drukkerij betrokken en vanaf zijn terugkomst tot in juli 1920 correspondeerde hij regelmatig met Verschaeve over de publicaties die op het getouw stonden, zowel bij Sint-Michiel als bij Ons Vaderland[37]. Toen Sint-Michiel er mee ophield, richtte hij samen met Desideer in hun woning op het Oosterlingenplein, helemaal buiten het handelscircuit, een boekhandel op onder de naam Gebroeders Couvreur. In september 1921 huwde hij met de beeldhouwster en kunstschilderes Martha Dupon (Roeselare 23 juni 1890 – Brugge 6 juni 1976). Zij was toen net, bij de eerste naoorlogse gemeenteverkiezingen op 20 juni 1921, als vertegenwoordiger van de ‘Gilde der ambachten’ binnen de katholieke partij tot raadslid verkozen. Bij de verkiezingen van oktober 1926 stond ze niet meer op de lijst. Wellicht onder invloed van haar man, was ze zich op Vlaams gebied, o.m. wat betreft de eis voor amnestie, radicaler gaan opstellen dan men binnen de arbeidersvleugel van de katholieke partij wenselijk achtte[38]. Dit stond evenwel een levenslange vriendschap met kanunnik Achiel Logghe niet in de weg, die zij jaren later in zijn oude dag vaak gezelschap hield. Na het stopzetten van de boekhandel, associeerde Elias Couvreur zich met zijn schoonbroer, beeldhouwer Gerard Dupon (Roeselare 1895 – Brugge 1970) en met de gezusters Dupon, waaronder zijn echtgenote. Samen richtten ze rond 1923 een kunstatelier en een handel in religieuze kunst op. Hiervoor kochten ze een aanzienlijk huis aan, Genthof 25, dat ruimte bood aan talrijke bewoners. Hier woonden de echtparen Gerard Dupon, Julien Pyck-Dupon, Elias Couvreur-Dupon alsook Albert Dupon en Anna Dupon. Bertha Couvreur, vader Louis Couvreur, Desideer Couvreur en nog anderen kwamen er zich tijdelijk vestigen. Elias zorgde voornamelijk voor het vervoer en de leveringen van beelden en kerkmeubilair. In 1927 trok het echtpaar Couvreur zich uit de associatie terug en verhuisde naar Sint-Andries. Daar richtte Elias een vervoerbedrijf op, dat hij in 1936 de naam Brugsche taxi’s gaf. Hij werd de vaste chauffeur van kanunnik Logghe, van notaris Henry Van Caillie en van andere niet-gemotoriseerde prominenten. Met Logghe ondernam hij zelfs een vakantiereis per auto tot aan de Noordkaap. De contacten met de leiders van ‘De Gilde’ maakten dat hij tijdens het interbellum geen rol speelde in het VNV. Tijdens de meidagen 1940 werkte hij in een dienst voor hulp aan soldaten en nadien was hij actief in Winterhulp. Bij gebrek aan auto’s en benzine viel de taxiactiviteit stil. Couvreur was een goede bekende van VNV-leider Jozef Devroe, die vriendschapsbanden had met de familie Dupon en op zijn verzoek werd hij voor korte tijd (van juli 1941 tot aan de fusie van Groot-Brugge in oktober 1942) burgemeester van Sint-Andries. Hij fungeerde tevens als secretaris van de Studiekring voor gemeentebesturen, opgericht door het VNV om bijscholing te geven aan de talrijke nieuwbenoemde bestuurders uit eigen rangen. Nadien trad hij in dienst bij de Unie van Hand- en Geestesarbeiders en werd eerst naar Saint-Omer, nadien naar Rijsel gestuurd, waar hij de belangen van de in Noord-Frankrijk voor de Duitsers werkende Belgische bouwvakkers moest behartigen. Toen zij na D-day niet meer betaald werden, kreeg Couvreur de opdracht in Duitsland de nodige centen te gaan ophalen. Men stuurde hem van her naar der tot hij uiteindelijk in Wittenberg (Oost-Duitsland) belandde, waar hij kort na zijn aankomst eerst in een paramilitaire organisatie werd ingelijfd en nadien door de Duitsers werd opgepakt onder de beschuldiging Russische krijgsgevangenen bij een ontsnappingspoging te hebben geholpen. Bij de komst van de geallieerden werd hij uit de gevangenis bevrijd en bleef in Duitsland rondhangen. In mei 1945 arriveerde hij in Antwerpen, waar hij onderdook, en van waar hij aan zijn vrouw liet weten dat hij kans zag weer naar het buitenland te vertrekken. Hij reisde naar Frankrijk waar hij hoopte bij zijn broer Cesar onderdak te vinden. Hij was er evenwel niet bijzonder welkom, maar bleef toch nog meer dan een jaar in Frankrijk. Via zijn vrouw nam hij contact op met het gerecht en verklaarde zich bereid zich te laten berechten. Einde november kwam hij in Knokke aan en op 12 december 1946 werd hij aangehouden. Hij liep een veroordeling van drie jaar op, kwam einde september 1948 vrij en verkreeg in 1950 eerherstel[39]. Tot aan zijn dood bleef hij in Knokke wonen. Gerard en Bertha Couvreur Er was nog een vijfde broer, Gerard (of Geert) Couvreur (Lapscheure 5 februari 1896 – 1 december 1944) die in april 1919 op het Oosterlingenplein 5 kwam wonen en meewerkte in Sint-Michiel, om in september 1920 te verhuizen naar de Eiklaan in Brussel, waar ook Cesar ging wonen. Het is zeer waarschijnlijk dat hij met hem samenwerkte in Ons Vaderland. Nadien trok hij met Cesar mee naar Frankrijk om er te boeren, kwam ook in 1929 naar België terug en werkte eveneens voor zijn broer Aimé. Hij huwde met Marie Diet en werd eigenaar en uitbater van het hotel La Santé, Lippenslaan in Knokke. In 1939 vertrok hij naar Boedapest als privé-leraar voor de kinderen van de Belgische ambassadeur, graaf de Lalaing. Hij kwam in 1942 weer naar Knokke, was er tijdens de laatste oorlogsmaanden actief in het Rode Kruis en bezweek aan een hartstilstand terwijl hij naar Lapscheure fietste. Met de broers was ook Bertha Couvreur (Lapscheure 14 oktober 1889 – Knokke 29 augustus 1950) naar Brugge komen wonen, eerst in de Gouden Handstraat, nadien op het Oosterlingenplein en vervolgens in het Genthof. Ze werkte mee in de boekhandel Sint-Michiel en het feit dat haar dochter Marie-Adrienne in het bezit is gebleven van briefwisseling aangaande de uitgeverij, mag laten vermoeden dat Bertha het secretariaatswerk uitvoerde. Later werkte ze in het confectiebedrijf van haar broer Aimé, tot aan haar huwelijk met Cyriel Diet (1894-1968), fietsenhandelaar in Knokke. Alle kinderen Couvreur hadden dus iets met boeken te maken: Cesar (waarschijnlijk ook Aimé) als stichter van de boekhandel, drukkerij en uitgeverij Sint-Michiel, Desideer er werkzaam tijdens de oorlog, Elias en Gerard na de oorlog en Bertha zowel tijdens als na de oorlog. Elias en Desideer waren na de oorlog de oprichters van een efemere boekhandel op het Oosterlingenplein terwijl Cesar en Gerard zich in Brussel verder met boeken en kranten inlieten. De gebroeders Couvreur en het Vlaams-nationalisme De gebroeders Couvreur, vooral Cesar en Elias, met Desideer en Gerard in hun kielzog, zijn duidelijk te situeren in het Vlaams-nationalistische kamp, dat van de Vlaamse oud-strijders en van de Frontpartij. Het was voor beide eerstgenoemde de aanleiding tot een bewogen levensloop. Tijdens de oorlog al waren de contacten met Cyriel Verschaeve frequent. Zo is er een briefje bewaard waarin Verschaeve aan Cesar antwoordde dat hij tijdens zijn laatste bezoek geen regenmantel had achtergelaten en dat hij trouwens tijdens zijn vorige bezoeken nooit een regenmantel droeg[40]. De boeken die Sint-Michiel publiceerde waren vóór WOI niet ideologisch te situeren, maar na de oorlog was de bij hen ingetreden radicalisering af te lezen van de auteurs die ze publiceerden, waarbij de nadrukkelijke aanwezigheid van Cyriel Verschaeve opvalt. De productie was van korte duur en bleef bescheiden. Eigenlijk werd alleen in het jaar 1919 nog uitgegeven, dan nog enkel in co-editie, terwijl in 1920, laatste bestaansjaar van Sint-Michiel, op een paar uitzonderingen na, enkel nog werd gedrukt. Dit was dan o.m. het geval voor een aantal van de boeken dat door Ons Vaderland werd uitgegeven. Daaronder bevonden zich een zestal literaire werken van Verschaeve, maar ook meer agressieve teksten: een paar anonieme pamfletten van dezelfde Verschaeve (bundelingen van artikels, eerder in Ons Vaderland verschenen) en enkele anonieme brochures over de Vlaamse soldaten aan de IJzer, over August Borms, over de Frontpartij en over het Vlaamsnationalisme, in een reeks onder de benaming Storm en Drang. Verder verschenen gedichten van Piet Van Rossem en Ward Hermans, teksten van Lodewijk Dosfel, Paul Davidts, Hendrik Jacobs (1875-1944), Paul Kenis en Jozef Simons[41]. Het was ook niet verwonderlijk dat voor Vlaanderen bij deze uitgeverij de vertaling verscheen (gelijktijdig in Nederland bij Elsevier) van The economic consequences of the peace, het profetische boek waarin de economist John Maynard Keynes heftig van leer trok tegen het Verdrag van Versailles. Alles bijeen ging het om een twintigtal publicaties die zich allen situeren in 1919 en 1920, met misschien nog een paar begin 1921. Het lijkt alvast duidelijk dat in het jaar 1919, toen Cesar en Elias nog niet uit het leger ontslagen waren, Desideer en Gerard de zaak actief leidden en zelfs het Frontblad Ons Vaderland drukten. Dit kan men opmaken uit het feit dat naar hen werd geschreven om een abonnement te onderschrijven en dat met hen briefwisseling werd gevoerd over dit blad. Zo is er een briefkaart van Jozef Simons, die vroeg wanneer hij de drukproeven mocht verwachten van zijn mengelwerk voor Ons Vaderland en tevens van zijn Heeroom en zijn neefjes. Met Jozef Simons waren er trouwens nog méér contacten: hij deelde zijn adres mee in Antwerpen (mei 1919), zijn nieuwe kazernering in Seraing (6 juni 1919) en vroeg naar de drukproeven van Bonifacius Suikerbuik. In de loop van het jaar 1919 liet pater Callewaert weten dat hij naar Torhout moest en achteraf bij de gebroeders Couvreur wilde overnachten. Hij vroeg hen of ze hun strijdgenoot Berten Pil, die in Oostkamp verbleef, konden uitnodigen en hoopte dat ook Cesar en Elias al zouden terug thuis zijn: We kunnen dan samen de nacht doorbrengen in overwegingen en gebeden. Dat ware heerlijk, zo schreef hij[42]. Verschaeve, Simons, Pil, Callewaert, De Smet: de relaties van de broers wezen duidelijk in Vlaams-nationalistische richting. Wat Alfons De Groeve betreft, hij had vóór en tijdens de oorlog niets met de uitgeverij Sint-Michiel te maken. Pas na de oorlog gaf hij verschillende boeken in co-editie met haar uit en liet minstens twee van de door hem zelfstandig uitgegeven boeken bij haar drukken. Voor de samen gepubliceerde boeken vermeldde De Groeve het adres Brugge niet bij zijn uitgeversnaam, maar alleen Leiden en Leuven, daar waar hij wél Brugge (en ook Gent) mee vermeldde voor wat hij zelfstandig uitgaf. De drukkerij Sint-Michiel werd na het vertrek van Cesar en Desideer Couvreur, mee geleid door oud-strijder, geestesgenoot en medeoprichter van de Frontpartij, Achiel Geerardyn (1894-1969), die einde 1919 bij Elias en Gerard Couvreur zijn intrek nam. Als uitgeverij viel de zaak stil, aangezien Cesar Couvreur deze activiteit overhevelde naar zijn Brusselse Ons Vaderland. Na korte tijd werd ook de drukkerij opgedoekt of, meer waarschijnlijk, overgenomen door Geerardyn, die einde 1920 zijn eigen drukkerij en uitgeverij stichtte, onder de naam Excelsior[43], gevestigd Sint-Trudostraat 21 in Brugge[44]. Andries Van den Abeele (gepubliceerd in: Biekorf, 2001, blz. 342-354. Uitgaven Sint-Michiel 1910 Edward Vermeulen, Herwording, roman 1913 Emile Lauwers, Eenige lessen over heelkundige ziekenverpleging Jozef Muls, Steden (204 p., gedrukt bij Sint-Catharinadrukkerij, december 1913) Edward Vermeulen, De dieperik, roman, met tekeningen door Joe English (co-editie met Futura, Leiden) 1914 Leo Bittremieux, Mayombsche penneschetsen (gedrukt bij A. Van Mullem, maart 1914) Hendrik Heyman, Grepen in het sociaal leven. Eene reeks sociale studiën (gedrukt bij A. Van Mullem) Jeroom Mahieu, Over geestelijk leven, met algemeen overzicht door Mgr. Waffelaert, reeks Het geestelijk leven, n° 1 (co-editie met R. K. Boek-Centrale, Amsterdam, gedrukt bij A. Van Mullem) Felix Rutten, Landen en lién (gedrukt bij Sint-Catharinadrukkerij, juni 1914) [Stijn Streuvels], Uit Stijn Streuvels’ werken I. Gevoel en leven : jeugd, godsdienst, zeden en gewoonten, portretten en karakters, bijeengebracht door Joz. Geurts, met portret van Streuvels door Jules Fonteyne (co-editie met Veen Amsterdam) [Stijn Streuvels], Uit Stijn Streuvels’ werken II. Gevoel en leven : huisgezin, leven en dood, bijeengebracht door Joz. Geurts.(co-editie met Veen, Amsterdam) [Stijn Streuvels], Uit Stijn Streuvels’ werken III. Natuur: natuur en jaargetijden, uit de dierenwereld, bijeengebracht door Joz. Geurts (co-editie met Veen, Amsterdam) Deze drie laatste werken gedrukt bij Boek- Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen. 1916 G. J. Waffelaert, Eening der minnende ziel met God, of Handleiding tot de christelijke volmaaktheid naar de leering, bij voorkeur, van gelukzaligen Ruusbrouck, reeks Het geestelijk leven n° 2-3 (248 p., co-editie met R.K. Boek-Centrale, Amsterdam) 1918 G. J. Waffelaert, De geestelijke duif opvliegende Godewaarts, of de drie baanvakken van den weg der volmaaktheid, reeks Het geestelijk leven, n° 4 (co-editie met R. K. Boek-Centrale, Amsterdam) 1919 Laurentius Julius Callewaert, Op den uitkijk (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden; gedrukt bij Sint-Catharina Brugge, 412 blz.) Frans Daels, Voor Moeder en Zuigeling, met een voorwoord door Cyriel Verschaeve en tekeningen door Joe English (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden) Albrecht Rodenbach, Keurgedichten, ingeleid door Cyriel Verschaeve (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden) Jozef Simons, De vroolijke en stichtende historie van Bonifacius Suyckerbuyck (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden). Evermar Van Moere, minderbroeder, Soldatenleven. Een bijdrage tot de oorlogsfolklore van den Vlaamschen soldaat,. met een voorwoord door Cyriel Verschaeve (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden) Edward Vermeulen, De zwarte pokken, roman (co-editie met Futura, Leiden). Cyriel Verschaeve, Judas, 3de druk (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden) 1920 Frans Daels, Operatieve Verloskunde, met tekeningen door Joe English (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden) Jeroom Mahieu, Het inwendig gebed, reeks Het geestelijk leven n° 5 (co-editie met Vlaamsche Boekenhalle, Leuven-Leiden, gedrukt bij A. Van Mullem) Edward Vermeulen, Herwording (tweede druk, co-editie met Vlaamsche Boekenhalle) Cyriel Verschaeve, Uren bewondering voor grote meesterwerken: I. Lucifer (één uitgave met als uitgever Ons Vaderland, Brussel, een ander met als uitgever Vlaamsche Boekenhalle, telkens met als drukker Sint-Michiel, Brugge) Ook II. Adam in Ballingschap en III. Noach, werden dit zelfde jaar door Ons Vaderland (ook door Vlaamsche Boekenhalle?) uitgegeven en wellicht bij Sint-Michiel gedrukt. We konden geen exemplaren raadplegen. Uren bewondering voor groote meesterwerken IV (steden), V (schilders) en VI (toondichters) werden in 1921 voor Ons Vaderland of voor eigen rekening gedrukt door Excelsior, de opvolger van Sint-Michiel. [1] G. DURNEZ, Edward Vermeulen, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB), Tielt, 1998, blz. 3263; M. VERMEULEN, Edward Vermeulen (Warden Oom), VWS-Cahiers, herfst 1977. [2] M. KELLENS, Jozef Geurts, in: NEVB, blz. 1296. [3] G. GYSELEN en L. SIMONS, Jozef Muls, in: NEVB, blz. 2107. [4] M. VAN COPPENOLLE, Figuren uit het Brugsche, Brugge, 1936, blz. 23; Lexicon van West-Vlaamse schrijvers, Deel 3, blz. 34; J. VERMEULEN, Leo Bittremieux, VWS-cahiers, n° 146, 1991. [5] R. VAN LANDSCHOOT, Emiel Lauwers, in: NEVB, blz. 1804. [6] L. WILS, Hendrik Heyman, in: Nationaal Biografisch Woordenboek (NBW), Dl. XII; L. WILS, Hendrik Heyman, in: NEVB, blz. 1443; P. VAN MOLLE, Het Belgisch Parlement 1894-1972, blz. 177. [7] Grote Winkler Prins, lemma Rutten, Felix. Rutten was gehuwd (huwelijk in 1929 ontbonden) met de schrijfster Marie Koenen, van wie later in Brugge werk werd gepubliceerd door de uitgeverij Wiek Op. [8] B. VAN CAUSENBROECK, Jules L. Callewaert, in: NEVB, blz. 679-81; P. J. A. NUYENS, Jules Carolus Callewaert, in: NBW, IV, 1970; Lexicon van West-Vlaamse schrijvers, Deel 2, blz. 25; H. VERLEYEN, Julius Callewaert, VWS-cahiers, winter 1976. [9] D. VANACKER, De Frontbeweging, de Vlaamse strijd aan de IJzer, Koksijde, 2000, blz. 119. [10] Pieter Stefaan Van Moere zette na de oorlog zijn opleiding bij de franciscanen niet verder en werd zaakwaarnemer in Brussel. Onder de naam Petro Van Moere publiceerde hij nog enkele boeken over professionele onderwerpen en een verzenbundel [11] L. SIMONS, Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen, Deel II de twintigste eeuw, Tielt, 1987, blz. 35-37; S. MAES, Alfons De Groeve, in: NEVB, blz. 1359. [12] A. VAN DEN ABEELE, Kerlinga, Brugse uitgeverij, in: Biekorf 2001, blz. 246-250 [13] L. VANDEWEYER, Cesar Couvreur, in: NEVB, blz. 815. De gegevens in dit artikel zijn aan te vullen en op een paar punten te verbeteren met wat we hier meedelen. [14] Deze en andere adresgegevens uit: Stadsarchief Brugge, Bevolkingsboeken en Kiezerslijsten. [15] Te oordelen naar zijn Franstalig overlijdensbericht had hij zich aan de locale toestand aangepast. [16] [Oscar Dambre], De offergang van Lode de Boninge en Frans Van der Linden, Temse, 1934. [17] Militaire gegevens over Cesar en Elias Couvreur: Ministerie van Defensie, Centrale Dienst van het Stamboek, c/o Legermuseum, Brussel. [18] D. VANACKER, a.w., blz. 79 [19] Idem, blz. 407 [20] A. DE BRUYNE & T. VAN MOERBEKE, Vierenveertig brieven van Robrecht De Smet aan Jules Charpentier, in: Verschaeviana, 1984, blz. 9-120, blz. 19. [21] G. DEMAREST, De Vlaamse beweging te Brugge 1918-1930, licentiaatthesis RUG 1975. [22] E. VAN DEN BERGHE, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 1984, blz. 246-248. [23] L. VANDEWEYER, Cesar Couvreur, a.w.; Centrale Dienst van het Stamboek. [24] E. VANDENBERGHE, a.w. [25] L. SCHEPENS & L. VANDEWEYER, Ons Vaderland, in: NEVB; blz. 2306; L. VANDEWEYER, Machtsstrijd in het Vlaamse Front. De ondergang van “Ons Vaderland”, de geboorte van “Vlaanderen”, in: Wetenschappelijke Tijdingen, 1985, blz. 206-224. [26] R. VAN LANDSCHOOT, Robrecht H. De Smet, in: NEVB, blz. 2565-67. [27] A. DE BRUYNE & T. VAN MOERBEKE, a.w. [28] G. DURNEZ, De Standaard, het levensverhaal van een Vlaamse krant 1914-1918, Tielt, 1985, blz. 108. [29] L. BUNING & L. VANDEWEYER, Carlos Van Sante, in: NEVB, blz. 2693. [30] L. VANDEWEYER, Machtsstrijd in het Vlaamse Front, a.w., blz. 211. [31] A. DE BRUYNE & T. VAN MOERBEKE, a.w., blz. 32 en 90. [32] Ministerie van Defensie, Centrale Dienst van het Stamboek, c/o Legermuseum, Brussel. [33] Archief Marie-Adrienne Diet, Knokke-Heist. [34] Idem. [35] Inlichtingen vanwege Diedrik Couvreur, les Ponts de Cé (Maine et Loire). [36] D. VANACKER, a.w., blz. 54. [37] Archief en Documentatiecentrum van het Vlaams Nationalisme (ADVN), Verschaevearchief, briefwisseling Cyriel Verschaeve – Elias Couvreur. [38] G. DEMAREST, a.w. [39] Dossier Elias Couvreur, Archief Krijgsraad, Brussel. [40] Archief M. A. Diet, Knokke-Heist. [41] Over elk van deze auteurs, met uitzondering van Henri Jacobs, zal men een artikel vinden in NEVB. [42] Archief M. A. Diet, Knokke-Heist [43] A. VAN DEN ABEELE, Excelsior, Brugse drukkerij en uitgeverij, (in voorbereiding). [44] Met mijn dank aan de heer en mevrouw André en Myriam Vincke-Dupon, dr. Johan Couvreur, Z. E. H. Elias Couvreur, mevrouw Marie-Adrienne Diet, de heer Diedrik Couvreur, mevrouw Frieda Pyck, Z. E. H. Piet Buysse, de heren Guido Vermeersch, Lucien Van Acker, Jan D’Hondt, professor Ludo Simons, archivaris van het Legermuseum Richard Boijen en Eerste voorzitter van het Krijgshof Jozef Durant.. |