KERLINGA,

Brugse uitgeverij

1909 – 1913

0p 3 oktober 1910[1] behaalde Alfons De Groeve (Brugge 20 oktober 1885 – 5 augustus 1945)[2] zijn diploma van doctor in de rechten. Hij was 25. Hij had in 1903 zijn humaniorastudies aan het Sint-Lodewijkscollege voltooid, waar hij als derde in de rangschikking was geëindigd. Zeven jaar was een relatief lange tijd om de rechtenstudies af te maken, maar De Groeve was dan ook parallel zeer actief in het Brugse, West-Vlaamse en Leuvense studentenleven: ‘steeds op gang, werkend, sprekend, schrijvend, onvermoeibaar’[3]. In 1909, ondanks de aanmoedigingen van Cyriel Verschaeve, mislukte hij in het laatste jaar, ook in tweede zittijd en moest het overdoen. Uit de brieven van Verschaeve kan men tevens opmaken dat hij gezondheidsproblemen had[4].

De Groeve behoort tot de nooit grondig bestudeerde acteurs op het culturele en politieke vlak, wat als gevolg heeft dat zijn curriculum niet altijd nauwkeurig wordt weergegeven. Zo was hij in 1909 nog geen advocaat (NEVB) en kan hij ook moeilijk op de korte tijd van zijn advocatenpraktijk een gerenommeerd Assisenpleiter geworden zijn (Osaer). De Leeuwenkamer was niet de studentenbond van het Brugse Sint-Lodewijkscollege (NEVB) maar een informele groep gelijkgezinden rond apotheker Chielens[5]. De  studentenbond waar De Groeve in zijn collegetijd deel van uitmaakte was de in 1876 gestichte bond Prosunt et delectant[6], terwijl hij ook lid was, in de Rhetorica waarschijnlijk hoofdman, van de in 1889 opgerichte geheime Gilde Noodvier[7]. Ook over zijn activiteiten als uitgever bestaan misverstanden.

Einde 1910 vestigde De Groeve zich in de Ontvangersstraat n° 1 en schreef zich als stagiair in bij de Brugse balie. Zijn ‘patron’ was de katholieke volksvertegenwoordiger Eugeen Standaert[8]. Op het tableau voor het gerechtelijk jaar 1913-14 stond hij voor het eerst – onderaan de anciënniteitlijst - als volwaardig advocaat vermeld. De advocatuur werd voor De Groeve onderbroken door de Eerste wereldoorlog en zijn uitwijken naar Nederland. Hij zou ze niet meer hernemen. Het vervolg van zijn loopbaan toont aan dat het advocatenberoep hem niet bijzonder had aangesproken.

De belangstelling die hij tijdens zijn studentenjaren had opgedaan voor het publiceren (hij was redactiesecretaris van Ons Leven en gaf zelf ‘Vlaamse’ postkaarten uit, met tekeningen door zijn vriend Joe English) trok hij door en maakte dat hij het initiatief nam tot het oprichten van een uitgeverij, die de naar Rodenbach verwijzende naam Kerlinga kreeg[9]. Als datum van oprichting wordt meestal 1909 gegeven. Hij gaf toen inderdaad een werkje uit (een overdruk van een in Jong Dietschland verschenen tekst van Verschaeve), maar als uitgever werd hiervoor vermeld: Kunstkamer Kerlinga, zoals ook nog in 1911 de Vlaamsche Kunstkamer Kerlinga werd vermeld. Een andere naam voor de informele Leeuwenkamer bij apotheker Chielens? Pas in dat jaar werd voor het eerst onder de naam Uitgeverij Kerlinga gepubliceerd.

Dat De Groeve de initiatiefnemer voor Kerlinga was, alsook de drijvende kracht, is een zekerheid. De briefwisseling die hij hierover voerde met Cyriel Verschaeve en Stijn Streuvels (die beiden nogal sceptisch reageerden) toont dit duidelijk aan. Evenwel, ook al worden geen andere namen genoemd, kan men uit een brief van Verschaeve opmaken dat De Groeve niet alleen stond, gezien deze hem aanmoedigde zijn medestanders te kiezen ‘onder volhardende koppen’. Het was alvast onmogelijk, gelet op de deontologische voorschriften van het beroep, dat de jonge stagiair en nadien advocaat, op eigen naam een commerciële activiteit zou hebben uitgeoefend. Hij moet hierin dus zijn bijgestaan door anderen, wellicht door leden van de informele ‘Leeuwenkamer’. Er zijn brieven bewaard bij het AMVC, geschreven door de weduwe Denys-Chielens, namens Kerlinga, waarin ze zich meldde als de ‘bibliothecaris’ van de uitgeverij. Marie Lucie Chielens (Ardooie 1859 – Brugge 3 juni 1944), zuster van apotheker Zeger Chielens, tante van de Groeves klasgenoot Rudolf Chielens, was de weduwe van Alfons Denys en De Groeve trad in 1911 in het huwelijk met hun dochter, Leontine Denys.

Rond dezelfde tijd ontstond in Brugge een uitgeverij Sint-Michiel. Men heeft tot hiertoe aangenomen dat De Groeve eveneens de oprichter was van de Boekhandel en Kunsthalle Sint-Michiel en van de gelijknamige drukkerij en uitgeverij (NEVB). Dit was evenwel niet het geval, zoals we in een volgend artikel zullen aantonen.

Kerlinga (met inbegrip van de Kunstkamer Kerlinga) bleef tijdens haar korte bestaan een bescheiden uitgeverij, die slechts dertien boeken publiceerde. Het jaar 1913 was het enige waarin een noemenswaardige activiteit werd ontwikkeld. Alhoewel de oorlog pas begin augustus 1914 uitbrak, verscheen dat jaar geen enkele publicatie meer. Vijf van de gepubliceerde werken waren van Cyriel Verschaeve, vier van priester Delfien Van Haute (1869-1944)[10], voor beiden hoofdzakelijk herdrukken van al vroeger gepubliceerd werk. Twee werken waren van Jef De Cock (1877-1944)[11], één van L. R. Van Gistel[12] en van Emiel Van der Straeten (1887-1918)[13]. Voor zoveel we konden nagaan werden de meeste uitgaven gedrukt bij A. Van Mullem in de Geerolfstraat.

Hetgeen De Groeve publiceerde kan niet als baanbrekend worden beschouwd. Daarbij beoefende hij het uitgeversvak als amateur en het liep niet vlot. Verschaeve maakte zich over de kwakkelende werkzaamheden en vertragingen herhaaldelijk boos en verzekerde dat alleen de vriendschap er hem van weerhield de samenwerking stop te zetten[14]. Het uitgeven was trouwens, naast zijn advocatenpraktijk niet De Groeves enige activiteit. Hij was nauw betrokken bij de oprichting van de coöperatieve volksbakkerij ‘Ons Brood’, speelde als medewerker aan de katholieke volkskrant Het Brugsche Volk een belangrijke rol in de strijd tegen ‘paster’ Fonteyne en zijn christen-democraten, was ook lesgever in de Vakschool, opgericht door priester Achiel Lauwers (1864-1910)[15] en bestuurslid van het Brugse Davidsfonds[16].

Het uitwijken naar Nederland betekende het einde van Kerlinga, maar niet van de uitgeversactiviteiten, die De Groeve nu voltijds opnam onder de naam De Vlaamsche Boekenhalle, Leiden. Waarom hij de naam Kerlinga liet vallen en na de oorlog niet hernam, is niet bekend. Tijdens de oorlog werd de naam wellicht als te ‘Germaans’ aangevoeld, wat best vermeden werd[17]. Werd hij na de oorlog afgeschrikt door het feit dat in 1918-1919 in Den Haag een uitgeverij Kerlinga agressieve activistische literatuur publiceerde?[18].

In 1919 kwam De Groeve naar België terug en werd in Brugge ingeschreven op het adres Vlamingstraat 17[19]. Weldra verhuisde hij naar Kessel-Lo bij Leuven. Hij publiceerde voortaan en tot in 1926, talrijke boeken onder de uitgeversnaam De Vlaamsche Boekenhalle. Het adres dat hij hierbij opgaf varieerde. Meestal was het Leuven-Leiden, maar ook bij herhaling Brugge-Gent-Leuven-Leiden.

In het jaar 1919 kwam een samenwerking met de Brugse uitgeverij en drukkerij Sint-Michiel tot stand. Het ging enerzijds om enkele gemeenschappelijke uitgaven, waarbij Sint-Michiel als adres Brugge opgaf, terwijl De Vlaamsche Boekenhalle enkel Leuven en Leiden vermeldde. Anderzijds liet de Vlaamsche Boekenhalle een paar boeken bij Sint-Michiel drukken. Het ging o.m. om twee werken in de reeks Pedagogische studiën die door Alberic Decoene en Frans De Hovre werd op het getouw gezet[20].

Toen Alfons De Groeve in 1931 op verzoek van kanunnik Achiel Logghe naar Brugge terugkeerde, om er werkzaam te zijn in de christelijke arbeidersbeweging, in 1932 verkozen werd tot gemeenteraadslid en schepen en in 1939 tot volksvertegenwoordiger voor de katholieke partij, waren de uitgeversactiviteiten al lang voltooid verleden tijd en dacht hij er niet aan ze te hernemen.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Biekorf, 2001, blz. 246-252)

Uitgaven (Vlaamsche) Kunstkamer Kerlinga

1909

I. Oorda (ps. v. Cyriel Verschaeve), De dichter Albrecht Rodenbach (uitgave van Kunstkamer Kerlinga, overdruk uit Jong Dietschland, drukkerij L. Braeckman, Brecht).

1911

Jozef de Cock, Bloemenhoedjes (verhalen) (uitgave van Vlaamsche Kunstkamer Kerlinga, drukkerij A. Van Mullem, Brugge)

Uitgaven Kerlinga

1911

L. R. Van Gistel, Op de baan naar Veurne (drukkerij A. Van Mullem, Brugge)

1912

Jozef De Cock, Over het geluk, Thomas Aquinas

1913

Emiel Van der Straeten (ps. v. Emiel Delrue), Alexander (toneelspel)

Delfien Van Haute, De Ark van Noë (toneelspel in vijf bedrijven)[21]

Delfien Van Haute, Eenige gedichten

Delfien Van Haute, Rijmdichten[22]

Delfien Van Haute, Parsifal, wondersage in acht zangen[23]

Cyriel Verschaeve, De Van Artevelden, I Jacob van Artevelde (drukkerij A. Van Mullem)[24]

Cyriel Verschaeve, De Van Artevelden, II Philips van Artevelde (drukkerij A. Van Mullem)[25]

Cyriel Verschaeve, De Passie van O. H. Jesus Christus (drukkerij A. Van Mullem)

Cyriel Verschaeve, Ferdinand Verbiest (drukkerij A. Van Mullem)


[1] Aldus ingeschreven op de tabel van de Brugse balie (zie: Almanak voor Brugge en de provincie West-Vlaanderen, 1911).

[2] G. PLOMTEUX en M. BOEY, Alfons De Groeve, in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (EVB), blz. 615; G. PLOMTEUX, Kerlinga, in: EVB, blz. 783; J. GELDHOF, Cyriel Verschaeve en zijn uitgever Alfons De Groeve, in: Verschaeviana, Eerste deel, aflevering 4, blz. 433-477; J. GELDHOF, Streuvels over de uitgevers, in: Biekorf, 1972, blz. 283-284; P. VAN MOLLE, Het Belgisch Parlement. 1894- 1972, Antwerpen, 1972, blz. 77; A. OSAER, De katholieke partij in een periode van standsvertegenwoordiging. Het arrondissement Brugge 1918-1936, licentiaatverhandeling, Leuven 1979, blz. 206-207; S. MAES, Alfons De Groeve, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB), blz. 1359-60; Lexicon van West-Vlaamse schrijvers, deel 3, blz. 47.

[3] Die seer scone historie ofte geschiedenisse der vrome yeesten ende vroede ghesechden der catievige scriftuere die men noemet De Vlaamsche Vlagge, Tielt, 1926, blz. 538.

[4] J. GELDHOF, Cyriel Verschaeve en zijn uitgever Alfons De Groeve, a.w., blz. 445.

[5] J. GELDHOF, Achiel Logghe, in: Ne pereant, II, Brugge, 1966, blz. 85-86.

[6] W. DUMON, Breydelstede, 80 jaar geschiedenis (1949).

[7] A. VAN DEN ABEELE, De Gilde “Noodvier”. Een geheim genootschap in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge, in: Biekorf, 1986, blz. 252-279.

[8] L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen, 1836-1921, Tielt, 1976, blz. 561; P. VAN MOLLE, a.w., blz. 308.

[9] Er dient opgemerkt dat in Leuven onder de naam Kerlinga, van 1909 tot 1914 een club actief was die kleine studentenliederboekjes uitgaf. Zou De Groeve daar kunnen bij betrokken geweest zijn? Het samenvallen van de naam en de data is alvast intrigerend.

[10] Lexicon van West-Vlaamse schrijvers, deel 1, blz. 87.

[11] R. BOUDENS, Jozef De Cock, in: NEVB, blz. 756.

[12] In Lectuurrepertorium vermeld als “Zuid-Nederlander”. Geen nadere gegevens bekend. Waarschijnlijk een pseudoniem.

[13] Grote Winkler Prins, lemma Emiel Van der Straeten, pseudoniem van Emiel Delrue. In de periode 1911-1913 was Delrue bijzonder actief en publiceerde werk bij o.m. Delille, Maldegem – Plantijn, Gent – Janssens, Boucherij en Opdebeeck (o.m. in 1911 zijn belangrijke roman Zuiderkruis), alle drie in Antwerpen.

[14] J. GELDHOF, Cyriel Verschaeve en zijn uitgever Alfons De Groeve, a.w., blz. 441.

[15] A. OSAER, a.w. blz. 206.

[16] F. VANDAELE, 115 jaar Davidsfonds Brugge, 1875-1990, Zedelgem 1990, blz. 116.

[17] J. GELDHOF, a.w. vermeldt dat De Groeve in 1917 onder de naam Kerlinga Judas van Cyriel Verschaeve en een boekje van Frans Daels onder de titel Gij moet genezen (met een voorwoord door Verschaeve) in Leiden publiceerde. We hebben hiervan geen exemplaar gevonden en dus niet kunnen vaststellen of deze publicaties inderdaad onder de naam Kerlinga dan wel onder die van De Vlaamsche Boekenhalle het licht zagen, als ze inderdaad verschenen.

[18] O.m. Van flamingant tot…”landverrader”! Eene bladzijde over de wording en den ontwikkelingsgang van het aktivisme in Vlaanderen (Kerlinga, Den Haag) en Kardinaal Mercier en de Vlamingen (Kerlinga, Den Haag)

[19] Of hij toen echt weer in Brugge kwam wonen is niet duidelijk.  Het kan dat hij zich gewoon op het adres liet inschrijven van de gebroeders Couvreur, met wij hij een zakelijke samenwerking had opgezet, maar dat hij er niet woonde (zie onze volgende bijdrage over de uitgeverij Sint-Michiel).

[20] met name: Alberic Decoene, John Lancaster Spalding en Jacques Van Ginniken, De persoonlijkheid van den opvoeder; John Lancaster Spalding, Licht en Leven (vertaald en bewerkt door Leo Elaut).

[21] Een heruitgave van het reeds in 1900 verschenen werk.

[22] Een heruitgave van het reeds in 1897 verschenen werk bij uitgeverij Schepens in Brussel.

[23] Een identieke heruitgave van hetzelfde werk onder ps. Eckaert uitgegeven in 1896 door A. Van Mullem – Van Haelemeersch.

[24] Eerder verschenen in Jong Dietschland (1912)

[25] Idem