Jules Van Praet

Ik weet niet of het de koning is die Van Praet heeft gemaakt of Van Praet die de koning heeft gemaakt. Deze uitspraak van Adolphe Dechamps, minister en eerste-minister in de jaren 1840-1850, is kenschetsend voor de hoge achting waarin de Bruggeling Jules Van Praet door zijn tijdgenoten werd gehouden.

Een hoogbegaafde jonge man

Jules Van Praet werd in Brugge geboren op 2 juli 1806. Hij droeg een in die stad goedklinkende naam. Grootvader Joseph Van Praet had reputatie verworven als belangrijk drukker en boekhandelaar en als bijzonder actief deelnemer aan en organisator van het verenigingsleven. Met zijn echtgenote die net zoals hij afstamde van de kunstschilders Herregoudts, en met hun talrijk gezin, woonde hij In het Wapen van Oostenrijk in de Kuipersstraat. De oudste zoon, Joseph Basile Van Praet was nog een jonge man toen hij naar Parijs trok om er bij de hoge adel en weldra bij koningin Marie-Antoinette als bibliothecaris te werken. Hij glipte door de mazen van de Terreur tijdens de Franse Revolutie en werd weldra één van de conservators van de Bibliothèque Nationale, eerbiedwaardig instituut dat zijn herinnering in eer houdt, tot op het Internet. De tweede zoon François Van Praet werd door de virus van de politiek gegrepen en speelde een niet onbelangrijke rol, zowel in het stadsbestuur als in dat van het Leiedepartement. Bij de derde zoon Augustin, gehuwd met Anne-Marie De Pauw, dochter van een wijnhandelaar, lagen de ambities minder hoog. Aanvankelijk bestemde hij zich voor om de familiale boekhandel en drukkerij verder te zetten. Toen evenwel de revolutie zich ontwikkelde en na de aanhechting bij de Franse Republiek vele openbare functies werden gecreëerd, werd hij griffier bij de rechtbank van eerste aanleg in Brugge. Een eerder bescheiden en ondergeschikt ambt, dat hem toeliet een gezapig leven te leiden, gewijd aan lectuur en verzamelen van boeken. Hij was de enige van de drie broers die kinderen had: Jules en Virginie.

Jules doorliep de humaniora in het pas opgerichte atheneum van Brugge, waarvan Augustin één van de initiatiefnemers en beschermheren was. Hij werd pas vijftien op het einde van de Rhetorica en zijn vader besliste dat de jonge snaak het jaar zou overdoen in het atheneum in Brussel. Dan nog werd hij te jong bevonden om universitaire studies aan te vatten en werd hij aan de goede zorgen toevertrouwd van oom Joseph Basile in Parijs. De zestienjarige werd ondergedompeld in het leven van de grootstad en vooral in de intellectuele kringen waarin zijn oom zich bewoog. De geneesheer William Frederic Edwards en zijn jongere halfbroer de natuurkundige Henry Milne Edwards, die hun verblijf in Brugge en de nauwe vriendschap van hun vader met de Van Praets niet vergeten waren, introduceerden hem bij hun vrienden. De jonge man mocht mee luisteren naar de discussies die ze hielden met onder meer de natuurkundige André Ampère, de historici Abel Villemain en François Mignet, de historicus en latere staatsman François Guizot. Vooral ontstond een heel nauwe vriendschap tussen Jules en de veertigjarige Henry Beyle, die toen nog niet de beroemde Stendhal van Le Rouge et le Noir was. Beiden onderhielden jarenlang een drukke briefwisseling, waarin Beyle zich als mentor van de jonge man aanstelde. Dergelijke contacten met grote geesten waren voor de vorming van de bescheiden jongen uit een provinciestadje, wellicht belangrijker dan vele studiejaren.

In 1823 keerde Van Praet naar Brugge terug en schreef zich in aan de universiteit van Gent. Hij trof er weinig Bruggelingen aan, maar dan toch minstens zijn jeugdvriend Edward Conway, met wie hij zich verder in het Engels bekwaamde. Hun meesters waren onder meer de criminoloog Haus, de historicus Warnkoenig, de taalkundige Johannes Schrant en de rechtshistoricus en latere Nederlandse minister-president Johannes Thorbecke, die maar weinige jaren ouder was dan zijn studenten. Jules behaalde op 10 augustus 1826 zijn doctoraat in de rechten met een thesis over de kansovereenkomsten.

Terug in Brugge kon de twintigjarige doctor zich bij de balie inschrijven, wat hij evenwel niet deed. Hij gaf er de voorkeur aan zich verder aan de studie te wijden en kreeg een rustig baantje toebedeeld, als adjunct van de stadsbibliothecaris en tegelijkertijd stadssecretaris Pierre Scourion. Het ambt was een sinecure – de bibliotheek was nauwelijks drie dagen per week voor bezoekers toegankelijk – alle ruimte biedend aan de jonge bibliothecaris om zijn historische hobby te beoefenen. In 1828 publiceerde hij hiervan het resultaat onder de titel Histoire de la Flandre depuis Gui de Dampierre jusqu’aux ducs de Bourgogne. Voor dit werk had hij zich voornamelijk op Froissart en op de oude Vlaamse kroniekschrijvers gebaseerd. Het jaar daarop volgde een studie met de titel De l’origine des communes flamandes et de l’époque de leur établissement. Zijn reputatie groeide hierdoor zo snel dat hij, amper drieëntwintig, tot lid van de Koninklijke Academie werd verkozen. Toen de stad er door de hogere overheid werd toe aangezet een voltijdse archivaris in dienst te nemen, werd hiervoor op Van Praet beroep gedaan. Op 21 mei 1830 werd hij aangesteld en dit was één van de laatste benoemingen van het stadsbestuur onder het Hollands bewind. Van Praet begon onmiddellijk aan wat hij op dat ogenblik als een levenswerk beschouwde, het ordenen en inventariseren van archieven die na lange jaren van relatieve verwaarlozing, daar grote behoefte aan hadden.

Onverwacht naar de top

Maar toen kwam de Revolutie van 1830. Van Praet speelde hierin geen enkele rol, maar zijn schoonbroer Paul Devaux, des te meer. Devaux was Bruggeling van geboorte, maar had in Luik zijn universitair diploma behaald en behoorde met Nothomb, Lebeau, Rogier en Van de Weyer tot het groepje jongeren die het tot stand komen van het onafhankelijk België forceerden. In 1827 was Devaux gehuwd met Virginie Van Praet, de enige zuster van Jules. Nu hij plots één van de machthebbers van het nieuwe land in wording was, ontbood hij zijn schoonbroer naar Brussel waar hem, naar zijn zeggen, hoge functies te wachten stonden. Het probleem bleek evenwel dat Jules niet erg enthousiast was om Brugge te verlaten en ook weinig ambities koesterde. Hij stuurde dan toch maar een sollicitatiebriefje naar Charles Rogier, zonder evenwel te vermelden waar hij precies belangstelling voor had.

Uiteindelijk werd hij toegevoegd aan het Comité diplomatique, voorgezeten door Sylvain Van de Weyer, omwille van zijn juridische en historische kennis, maar vooral omwille van zijn talenkennis, want naast het Frans sprak hij vlot Engels en natuurlijk Nederlands. In November 1830 vergezelde hij graaf d’Aarschot voor een lang verblijf in Londen, in een poging om de plooien tussen het rebellerende land en de Mogendheden glad te strijken. De tegenstellingen bleken te groot en de delegatie besloot uiteindelijk onverrichter zake naar België terug te keren. Ondertussen had men daar evenwel niet stil gezeten en had het Nationaal Congres beslist de knoop door te hakken en de troon aan Leopold van Saksen Coburg aan te bieden. Op de terugweg kruisten de delegaties elkaar en de Bruggelingen Henri de Brouckère en priester Leon De Foere, die als lid van de Constituante tot de tweede delegatie behoorden, konden Van Praet overtuigen om rechtsomkeer te maken.

Vanaf hun aankomst op 20 april 1831 zou Van Praet talrijke keren prins Leopold ontmoeten en als tolk bij de besprekingen een voorname rol vervullen. ’s Avonds hielp hij het rapport voor de regering in Brussel opstellen en stuurde daarnaast nog een meer persoonlijk verslag naar Paul Devaux. Hij kon hierin niet nalaten aan zijn schoonbroer mee te delen dat hij getafeld had, gezeten tussen twee hertogen, dat hij persoonlijke gesprekken had gevoerd met minister van Binnenlandse zaken lord Melbourne, dat de delegatie ging dineren bij eerste minister lord Grey en dat de Chancellor lord Brougham er op had gestaan hem te laten voorgaan bij het betreden van de rookkamer na een diner. De bescheiden archivaris bevond zich plots onder de groten der aarde en genoot er duidelijk van. Hij viel daarenboven in de smaak en toen Leopold na veel discussies de Belgische troon aanvaardde, was zijn eerste beslissing Van Praet tot zijn secretaris te benoemen. Voor de jonge man, die op 2 juli zijn vijfentwintigste verjaardag had gevierd, begon een avontuur dat de rest van zijn leven zou vullen.

In de onmiddellijke omgeving van de nieuwe koning maakte hij de reis mee met de Crusader van Dover naar Calais, de aankomst in De Panne, de feestelijke doortocht tot in Brussel en de plechtige eedaflegging op 21 juli 1831. Daarop begon het werk om van dit nieuwe land een georganiseerde Staat te maken. Hoewel hij als grondwettelijk monarch niet over de bevoegdheden beschikte die hij had verhoopt, bleef toch veel ruimte over voor Leopold om zijn stempel op het openbaar leven te drukken. Zijn naaste medewerker Van Praet zou hierbij, ondanks zijn leeftijd, in stijgende mate een belangrijke rol vervullen. Alle tijdgenoten die het duo aan het werk zagen, zijn het er over eens dat het om een innige samenwerking ging, waarbij de ene de andere aanvulde. De dossiers werden één voor één door Van Praet bestudeerd en met zijn commentaar aan de koning voorgelegd. Voortaan was hij de tussenpersoon voor de contacten met politici, hoge ambtenaren en andere hoogwaardigheidsbekleders. Ofwel bereidde hij hun afspraken met de koning voor, ofwel handelde hij de zaken rechtstreeks met hen af. Ook met de pers onderhield hij zeer nauwe contacten. Hij bekommerde zich ook om het samenstellen van de koninklijke entourage en zo komt het dat zijn jeugdvriend Edward Conway tot intendant van de Civiele List werd benoemd.

Net zoals hij in 1830 en 1831 de Engelse leidende kringen van nabij had leren kennen, was het huwelijk in 1832 van koning Leopold met prinses Louise-Marie de gelegenheid voor Van Praet om van nabij kennis te maken met al wie aan het Franse hof en in de Franse politiek meetelde. Hetzelfde jaar kon hij voor het eerst zijn diplomatieke talenten aanwenden om een regeringscrisis op te lossen. Het was de eerste maar niet de laatste keer dat hij, zich gesteund wetende door de koning, de politieke problemen aanpakte en oplossingen vond. Het werd stilaan duidelijk, niet in het minst aan hem zelf, dat hij over speciale vaardigheden beschikte die van hem een geboren bemiddelaar en oplosser van conflicten maakten. Men mag hierbij niet vergeten dat hij toen pas zesentwintig was, maar zijn onderhandelingspartners in de regering waren vaak zijn leeftijdgenoten: Rogier was tweeëndertig, Devaux eenendertig, Van de Weyer dertig en Nothomb zevenentwintig! En als er dan waren die de veertig naderden, dan kende Van Praet ze soms al van vóór de Belgische Onafhankelijkheid: Felix de Mûelenaere die hij in Brugge als Procureur des Konings had gekend, Charles de Brouckère die in Brugge geboren was en met wiens vader Augustin Van Praet op de rechtbank had gewerkt en Joseph Lebeau die de uitgever was geweest van Jules’ eerste boek. Uit de schaarse briefwisseling die uit die tijd vanwege Van Praet is overgebleven, blijkt dat hij het ganse officiële gedoe, zowel aan de koninklijke hoven als in de politiek met een geamuseerde ironie gadesloeg. Hij was zonder enige twijfel een exponent van de bekende Brugse droge humor en beschreef met een zichtbaar genoegen de zwakheden, de ijdelheid of zelfs de fysische eigenaardigheden van de prominenten.

Zo gaf hij aan de koning, naar aanleiding van de diplomatieke besprekingen die hij in 1838 in Londen voerde en die zouden uitmonden op de aanvaarding van het nog steeds hangende Verdrag van de XXIV artikelen, de volgende beschrijving van de Franse gezant Sebastiani: "De Franse ambassadeur beeldt zich in dat hij op zijn eentje de zaak leidt: "hij heeft dit verhinderd" – "hij heeft dat bekomen", welnu, hij heeft niet alleen tot hiertoe niets verhinderd en niets bekomen, maar hij heeft ook niets begrepen…". Het dictaat van de XXIV artikelen waarmee Van Praet naar België terugkwam was natuurlijk geen succes voor het jonge koninkrijk: een deel van Limburg, Brabant en Luxemburg diende te worden afgestaan, hetzij aan Nederland, hetzij voor de vorming van een zelfstandig Groot Hertogdom.

Na al acht jaar in de dienst en in de schaduw van de koning te hebben gewerkt, kreeg Van Praet de politieke microbe te pakken en stelde hij zich kandidaat voor de Kamer bij een tussentijdse verkiezing in Antwerpen. "Hoewel Vlaming, denk ik de belangen van Antwerpen te kunnen verdedigen" schreef hij naar Charles Rogier. Of hij zijn kandidatuur stelde met de goedkeuring van de koning, wordt niet door documenten bevestigd. Het is wel zeer onwaarschijnlijk dat hij dit zonder de koninklijke zegen ondernam en het is helemaal niet uit te sluiten dat de koning de idee koesterde zijn alter ego, nadat hij tot kamerlid was verkozen, al vlug tot minister, zelfs tot regeringsleider te bevorderen. Het liep evenwel anders uit: Van Praet werd verslagen door de Antwerpenaar Edouard Cogels en zette dan maar onverstoord zijn meer occulte maar niet minder invloedrijke activiteiten bij de koning verder.

Om de intieme samenwerking definitief te bezegelen en wellicht om wat balsem op de wonde aan te brengen bij de gebuisde kandidaat, liet de koning hem het jaar daarop tot Minister van het Huis van de Koning benoemen, titel die hem een groter gezag verleende zowel in zijn contacten met de regering als in die met de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden. Aangezien de buitenlandse politiek nog in grote mate tot le domaine réservé van de koning behoorde, was het vaak Van Praet die in Parijs of in Londen onderhandelingen ging voeren en akkoorden afsloot, boven het hoofd van de minister van Buitenlandse zaken en van de ambassadeurs. In Wenen, in Berlijn en in Sint-Petersburg hield men steeds rekening met de adviezen en voorstellen van de Ministre du Roi, die zo belangrijk was geworden dat de kwatongen – wellicht niet onterecht - beweerden dat hij een zevende minister was (het was de gelukkige tijd dat een Belgische regering uit zes ministers bestond) en dat hij machtiger was dan de zes andere samen.

De Minister van de koning aan het werk

Een tijdgenoot, baron de Haulleville, die Van Praet leerde kennen toen hij de vijftig naderde heeft hem als volgt beschreven: "Zijn kabinet, antichambre van dat van de koning, was een ruim vertrek, sober maar smaakvol bemeubeld. Aan de muren hingen waardevolle schilderijen of tekeningen, tegen de muren stonden de kasten met rijkelijk ingebonden boeken, evenals met verzamelingen tijdschriften en politieke nieuwsbladen. Daartussen zat Mijnheer Van Praet. Hij was steeds keurig uitgedost: zijn zwarte geklede herenjas, zorgvuldig toegeknoopt, herinnerde aan de strenge kledij van Mr. Guizot; zijn rechte boord en zijn brede das deden aan lord Palmerston denken. Op het eerste gezicht gaf hij de indruk van een stijve hark, vormelijk en kil, maar als hij aan het praten sloeg, gaven zijn priemende en spirituele oogjes blijk van een grote welwillendheid tegenover zijn gesprekspartner en van een onverzadigbare behoefte om te behagen en plezier te doen. Hij luisterde met de ogen. Zijn woorden, altijd elegant en afgemeten, uitgesproken met zachte en aangename stem, klonken bemoedigend en van een beminnelijke inschikkelijkheid. Die zo vaak gesolliciteerde man, was nooit verbaasd over een vraag. Alleen, als die vraag hem buitensporig leek, probeerde hij zijn bezoeker tot de werkelijkheid terug te voeren, door middel van een humoristische maar nooit sarcastische bemerking."

Was hij, na de koning, de belangrijkste Belg voor het buitenlands beleid, dan was hij tevens een man van gezag in de binnenlandse politiek. De relaties tussen de koning en zijn regering waren vaak gespannen, vooral omdat Leopold lichtgeraakt was wanneer hij een aantasting van zijn prerogatieven vermoedde. Voor het vlot verloop van de contacten, het verzoenen van tegengestelde meningen, het vooropstellen van de hogere belangen van het land had Van Praet zijn gelijke niet. Bij iedere regeringscrisis deed hij voorstellen voor de samenstelling van een nieuwe regering en meestal – niet altijd – volgde de koning zijn suggesties. Aangezien hij, na de periode van het ‘unionisme’, nu eens een liberale, dan weer een katholieke formule voorstond, maakte hij zich in de politieke wereld, en meer bepaald bij zijn liberale vrienden heel wat vijanden. "Van Praet is jaloers op zijn vroegere vrienden. Hij ziet ze niet graag minister zijn, dat ergert hem", schreef Charles Rogier in 1842 naar zijn broer Firmin, ambassadeur in Parijs en vriend van Jules Van Praet. De vijandschap was, zoals dikwijls onder politici, niet van blijvende aard. Twintig jaar later, na zo vaak in zijn schermutselingen met de koning, de bemiddelende invloed van Van Praet te hebben ondervonden, schreef Rogier aan Leopold: "Deze manier om het contact te onderhouden [via de kabinetschef van de koning] zou heel wat problemen kunnen opleveren, indien de tussenpersoon iemand was met minder bekwaamheid, minder discretie en minder behendigheid dan Mr. Van Praet".

Bij dit alles, en ook al bleef hij steeds de trouwe dienaar van de koning, schrikte Van Praet er niet voor terug soms stoute taal te spreken. Toen in 1864 Leopold gedurende verschillende maanden weigerde enkele koninklijke besluiten te ondertekenen, aarzelde Van Praet niet om, na verloop van tijd, zijn ontslag in de weegschaal te werpen. Kort daarop waren alle besluiten ondertekend. Dit was toen al de tijd dat het eenzelvig karakter van de oude koning maakte dat hij alle contacten schuwde en zelfs de ministers voortaan alleen nog via Van Praet met hem correspondeerden. In de laatste maanden van zijn leven sloot Leopold zich volledig op en alleen Van Praet had nog toegang tot hem. Het was tijdens die moeilijke maanden in grote mate hij die de koninklijke macht uitoefende. Toen de koning op 10 december 1865 de geest gaf stond Van Praet aan zijn zijde. Vijf en dertig jaar trouwe dienst werden in het testament van de koning beloond met een lijfrente van 20.000 goudfranken.

De mentor van koning Leopold II

Van Praet naderde de zestig en was nog vol levenskracht. Hij werd onmiddellijk door de jonge Leopold II in zijn functie bevestigd en hij zou zijn koning nog bijna twintig jaar trouw bijstaan. Dit was niet verwonderlijk want, terwijl Leopold weinig contacten had onderhouden met zijn zoon en opvolger, was Van Praet als een tweede vader voor hem geweest. In de moeilijke periode, tijdens dewelke de oorlog tussen Frankrijk en Pruisen evenals de val van Napoleon III, ook in België revolutionaire gevolgen dreigden te hebben, stond Van Praet in de eerste lijn om de passende maatregelen te doen nemen. Zijn verhouding met de jonge Leopold II was uiteraard verschillend met de wijze waarop hij met Leopold I was omgegaan. De nog jonge en onervaren koning betrouwde volledig op zijn mentor. Voortaan was het bijna uitsluitend Van Praet die besliste, naar gelang de omstandigheden, of het de katholieken dan wel de liberalen waren die een regering mochten vormen. In alles werd hij geleid door de overtuiging dat het voortbestaan van het kleine België, midden tussen de vijandige mogendheden, een factor van vrede en stabiliteit in Europa betekende.

Had Leopold I er hem van weerhouden te publiceren, of had de tijd hem ontbroken, feit is dat in 1867, veertig jaar na zijn vroeger historisch werk, Van Praet het eerste deel uitgaf van zijn Essais sur l’histoire politique des derniers siècles, in 1874 en 1884 gevolgd door twee nieuwe delen. Deze nog altijd leesbare werken waren de vrucht van decennia aandachtige lectuur en profiteerden tevens van de concrete vertrouwdheid van de auteur met de machtsuitoefening. In die werken was hij vooral uitstekend in het typeren van de grote personages, die hij met scherpe, soms ironische toetsen voor zijn lezers schetste. In de inleiding bij het eerste volume schreef hij: "In de toekomst zal de geschiedenis het verhaal doen van de eerste jaren van het onafhankelijk België, tijdens dewelke het land vrediger, vrijer en welvarender is geweest dan ooit tevoren en zal ze hulde brengen aan belangrijke persoonlijke invloeden en aan doorluchtige toewijdingen waarvan ze de herinnering zal doen samengaan met die van ons prille bestaan als natie". Hierbij dacht Van Praet zonder enige twijfel aan de beide koningen die hij had gediend. Zou het uitgesloten zijn dat hij zich, zonder valse bescheidenheid ook bij de belangrijke en toegewijde personaliteiten rekende?

Jules Van Praet intiem

Jules Van Praet bleef vrijgezel. Hij had een vol leven aan zijn opdrachten en een gezin zou hem, naar zijn gevoel, hierin gehinderd hebben. Gedurende een halve eeuw bewoonde hij een statig herenhuis in de Hertogstraat, op korte loopafstand van het koninklijk paleis. Als telg van een familie van bibliofielen was ook hij een collectioneur van mooie banden en oude boeken en als nakomeling van de schilders Herregoudts had hij grote belangstelling voor de schilderkunst, waar hij een groot verzamelaar van werd. Hij kocht een aantal 18de-eeuwse of vroeg 19de-eeuwse werken aan van onder meer Goya, Canaletto, Gainsborough, Bonington, David en Géricault. Uit de Franse school kocht hij echter meest werk aan van levende kunstenaars: Larguillière, Ingres, Corot, Theodore Rousseau en Decamps. Als Belgische schilders waren vooral Alfred en Joseph Stevens in zijn verzameling aanwezig, maar ook Wappers, Madou, Florent Willems en Louis Gallait. Zijn voorkeur ging evenwel naar Jean-François Millet en Ernest Meissonnier. De wereldberoemde Angelus van Millet behoorde tot zijn collectie. Het schilderij dat thans in het Musée d’Orsay wordt tentoongesteld en op zijn minst enkele honderden miljoenen franken waard is, werd door Van Praet in 1860 voor 800 frank van de erfgenamen van de Gentenaar Papeleu aangekocht, door bemiddeling van zijn vriend Arhur Stevens, broer van de schilders. Vier jaar later ruilde hij het evenwel voor een ander werk van Millet, La grande bergère. Hij verklaarde hierover volgens Charles Tardieu: "Wat wilt u, het is ontegenzeglijk een meesterwerk, maar bij die twee boeren die even hun werk voor een gebed onderbreken, meent iedereen de klok van de naburige kerk te horen en dat eeuwige geklep ging me tenslotte hinderen". Daarnaast bezat Van Praet nog talrijke andere werken van Millet en evenveel van Meissonnier.

Van Praet had geen voorzorgen genomen om deze collectie na zijn dood bijeen te houden. Besprekingen in die zin tussen zijn erfgenamen en de overheid draaiden op niets uit, alles werd verkocht en de meeste van die schilderijen behoren thans tot de topwerken in de grootste musea van de wereld. Diezelfde erfgenamen namen zijn aanbevelingen tot discretie over zijn nagelaten papieren erg letterlijk op en vernietigden ongeveer alles wat ze vonden. Hierdoor ging een schat aan gegevens verloren over de relaties tussen Leopold en Van Praet en over het beleid van het land tijdens de eerste vijftig jaar van zijn bestaan. Ook de voor de kennis van de tijdsgeest belangrijke briefwisseling met Stendhal ging in de vlammen op.

In 1881 werd Van Praet vijfenzeventig. Hij vluchtte van langsom meer Brussel om te gaan werken of verpozen in zijn vakantieverblijf in Blankenberge. Stilaan werd zijn sterk gestel aangevreten en, hoogst onwelkom, werd hij bijna blind. Hij ging zijn intrek nemen Waterloolaan 48 bij zijn ongehuwde neef en nicht Devaux (zijn schoonbroer Paul was hem in 1880 in de dood voorgegaan). Bij Leopold II werd hij bijgestaan door zijn neef Jules Devaux als secretaris, die hem rond 1875 in de functie van kabinetschef opvolgde maar in 1886 op achtenvijftigjarige leeftijd overleed. Van Praet die zijn leven lang de godsdienstpraktijk had verwaarloosd, evolueerde vanaf de jaren zeventig onder invloed van de redemptorist en latere kardinaal Adolphe Deschamps en werd bewust gelovig. De Kapellekerk werd zijn vaste stek, waar hij vaak de Mis ging bijwonen.

Einde 1887 kwam het einde in zicht. De koningin kwam hem bezoeken, kort daarop Leopold II. Op 29 december 1887 gaf hij de geest, als laatste van de Brugse Van Praets. De koning zorgde persoonlijk voor een nationale begrafenis en woonde zelf, hoogst uitzonderlijke zoniet unieke eer, de uitvaartmis in de Zavelkerk bij. Nog bij leven van Jules Van Praet had Leopold II hem speciaal willen eren, door aan de baan die naar het paleis van Laken leidde de naam Jules van Praetlaan te geven. Het is pas in 1957 dat zijn geboortestad zijn naam aan een straat toebedacht.

Jules Van Praet behoort zonder enige twijfel tot de meest prominente figuren die België sedert 1830 hebben geleid. Historici hebben soms aangewezen wie "in ’s lands politiek een belangrijker rol vervulde dan ooit te voren een Bruggeling was te beurt gevallen" (Jan Van Houtte, De geschiedenis van Brugge). Het is ontegensprekelijk dat Felix de Mûelenaere, Paul Devaux, Albert Ruzette, Achiel Van Acker of meer recent Jean-Luc Dehaene een aanzienlijke rol in de leiding van dit land hebben gespeeld. Ik ben nochtans van mening dat de palm van de meest invloedrijke Bruggeling toekomt aan Jules Van Praet, die een halve eeuw lang en vooral tijdens de eerste jaren van het nieuwe koninkrijk een uitzonderlijk belangrijke, en op enkele cruciale ogenblikken doorslaggevende rol heeft gespeeld.

Andries Van den Abeele

Bibliografie

Emile BANNING, Jules Van Praet, in: Moniteur Belge, 1/01/1888; E. DISCAILLES, Jules Van Praet, in: Biographie nationale, T. XVIII, 154-163; Alphonse WAUTERS, Jules Van Praet, in: Annuaire de l’Académie Royale de Belgique, 1890; baron de HAULLEVILLE, Portraits et silhouettes, T. 1er, Brussel, 1892; G. CHARLIER, Stendhal et les Van Praet, in: Revue d’histoire littéraire de la France, 1922, pp. 492-494; IDEM, Stendhal et ses amis belges, Paris (ed. Le Divan), 1932; A. DE RIDDER, Une mission de J. Van Praet à Londres en 1838, in: Bulletin de la Commission Royale d’Histoire, T. LXXXVIII, 1924; Graaf Louis de LICHTERVELDE, Léopold 1er et la formation de la Belgique contemporaine, Brussel, 1929; IDEM, Leopold II, Brussel, 1926; Carlo BRONNE, Leopold Ier et son Temps, Brussel, 1942; IDEM, Jules Van Praet, Ministre de la Maison du Roi, Brussel, 1943; Piet VERMEIR, Leopold I, Dendermonde, Deel I, 1965, Deel II, 1967; J. VANDAMME, Het bibliotheekwezen in Brugge vóór 1920, Brugge, 1971; A. VANDEWALLE, Beknopte inventaris van het stadsarchief van Brugge, Deel I: Oud Archief, Brugge, 1979; A. VAN DEN ABEELE, Jan Baptist Herregoudts, schilder en brouwer, in: Biekorf, 1995, blz. 87-92; IDEM, Drukker Joseph Van Praet in de Kuipersstraat, in: Biekorf, 1995, blz. 200-211; IDEM, De Herregouds-portretten en Jozef Van Praet, in: Biekorf, 1995, blz. 286-288; IDEM, De Brugse drukker-uitgever Joseph Van Praet (1724-1792) en zijn tijd, in: Handelingen Genootschap voor geschiedenis Brugge, 1996, blz. 98-138; IDEM, De zoons van drukker-uitgever Joseph Van Praet, in: Biekorf, 1997, blz. 206-221; G. LACAMBRE, in Catalogus tentoonstelling Parijs-Brussel, Brussel-Parijs, Brussel, Mercatorfonds, 1998; G. KIRSCHEN, Léopold avant Léopold Ier, Brussel, 1998

In extenso gepubliceerd in Bulletin van de Vereniging van de Adel, 2002

Verkort gepubliceerd in: Vlaanderen, jan/feb. 2002, blz. 30/31

Gedeeltelijk gepubliceerd in: Brugsch Handelsblad, 22 februari 2002