Jacob en Frans Neyts en hun familieleden.

Enkele biografische aanvullingen

Jozef Huyghebaert heeft in 1990 de synthese gemaakt van wat bekend is over het leven van de Vlaamse operadirecteur Jacques-Toussaint Neyts (1727-1794)[1]. Deze Bruggeling en zijn broer François-Dominique Neyts (1719-1797) werden door hun tijdgenoot Pieter-Frans Ledoulx (1730-1807) beschreven als de eerste uytvinders der vlaemsche opera’s ofte sangkundige tooneelspelen[2]. In 1997 heeft Bram Van Oostveldt een bijdrage geleverd over de plaats en invloed van Neyts in het operaleven van de achttiende eeuw in de Oostenrijkse Nederlanden[3]. Op een aantal punten zijn de biografische gegevens over de beide broers en over hun familie vatbaar voor aanvullingen en ook voor het plaatsen van enkele vraagtekens, onder meer in verband met de einddatum van hun operauitvoeringen.

De biografie door Ledoulx

Het meeste wat ons over het leven en vooral over de petite histoire van Jacob en Frans Neyts bekend is, vindt zijn oorsprong in de biografische tekst die Ledoulx over hen schreef. Op het eerste gezicht lijkt Ledoulx hiervoor een betrouwbaar auteur. Hij was immers een tijdgenoot van de gebroeders Neyts en had ze wellicht persoonlijk gekend. Zijn mededelingen werden dan ook lange tijd kritiekloos overgenomen.

Wij hebben in een ander geval aangetoond dat Ledoulx een voorliefde had voor opgesmukte verhaaltjes die de test van een kritische controle nauwelijks kunnen doorstaan[4]. Ledoulx is in de algemene lijnen misschien wel ongeveer juist, maar is in de concrete gegevens van feiten, namen en data helemaal niet te betrouwen. Eigenlijk zou zijn werk woord na woord moeten worden gecontroleerd en geconfronteerd met betrouwbare documenten.

In het levensverhaal van de gebroeders Neyts komen bij Ledoulx heel wat romantische ingrediënten voor die mooi en vertederend klinken: twee bastaardkinderen die wees waren geworden, werden door een kinderloze adellijke oom en tante geadopteerd en werden hierdoor zelf in de adelstand opgenomen; de stiefvader overleed evenwel voortijdig en de querulerende stiefmoeder verkwanselde het familiefortuin in een uitzichtloze rechtszaak over een opgeëiste erfenis; een toevallig op straat ontmoet bedelend meisje met een gouden stem werd de ster van het door Jacob Neyts opgerichte operagezelschap en huwde met hem; de catastrofe van een theaterbrand in Amsterdam betekende het einde van de populariteit van het gezelschap, zoniet het einde zonder meer. De tonaliteit bij Ledoulx was duidelijk die van de verteller die omwille van het mooie verhaal niet zo bekommerd was om de exactheid ervan: méér romanschrijver dan historicus.

Omdat heel wat foutieve gegevens in zijn tekst voorkomen, is het moeilijk denkbaar dat Ledoulx zijn inlichtingen verkreeg van Frans Neyts of van de weduwe van Jacob Neyts (respectievelijk in 1797 en 1799 in Brugge overleden). Wellicht ging hij te rade bij de kinderen van deze laatste, die hem wat opgesmukte familieverhaaltjes opdisten. Waar elders dan bij hen zou hij de lange lijst van de door Neyts in het Vlaams omgezette opera’s hebben gehaald?

De vergissingen begonnen al met de gegevens over de ouders en stiefouders. Volgens Ledoulx waren de jongens door een Dominicus Lynch buiten het huwelijk verwekt bij een juffrouw Cary en waren Thomas Neyts en een zus van Dominicus Lynch, waar hij de voornaam niet van kende, hun stiefouders. Dit was grotendeels verkeerd. De ouders heetten Antoine Cary en Maria Duchesne en waren kerkelijk gehuwd, zodat de kinderen binnen de huwelijksband waren verwekt. De stiefouders heetten Thomas Neyts en Margareta Lynch. Zoals de tabel hierbij aantoont, was de stiefmoeder de oudere volle nicht en niet de tante van de twee geadopteerde jongens.

Antoine Cary, burgemeester Oostende

                                    |                         |

Etienne Lynch x Anne Cary          Antoine Cary x Marie Duchesne

†1691                  †1715                   † vóór 1733        † vóór 1733

                  |                                              |                          |

      Margareta Lynch                     Frans D. Cary    Jacob Th. Cary

          1687-1763                           1719-1797           1726-1794

                 x                                                                       x

         Thomas Neyts                                              Isabelle Stassinon

            1672-1737                                                       1743-1799

Frans-Dominiek Neyts was niet in 1718 in Brugge geboren maar op 29 maart 1719 in Kortrijk. Jacob-Toussaint Neyts was in Brugge geboren, evenwel niet in 1726 maar op 14 juni 1727[5]. Hij overleed in Boulogne-sur-Mer maar niet in 1796 zoals Ledoulx vermeldde, maar op 6 juli 1794. Zijn broer Frans overleed in Brugge maar niet in 1798 maar op 28 november 1797. De stiefmoeder Margareta Lynch overleed volgens Ledoulx in Brugge in 1753, maar ze komt niet in de Brugse overlijdensregisters voor. Volgens F. Van Dycke overleed ze in 1763 in Nijmegen, wat zou betekenen dat ze met het operagezelschap van haar zonen meereisde[6]. Een verhaal met zoveel primaire fouten moet wel met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd.

De ouders en de familie van de gebroeders Neyts

Over de wettige ouders van de twee jongens is, buiten het feit dat ze bestaan hebben, ongeveer niets geweten. De vader was waarschijnlijk de zoon van de Antoine Cary die burgemeester van Oostende zou geweest zijn, maar documenten die hierover zekerheid zouden geven, zijn tot hiertoe niet geproduceerd. Welk beroep oefende hij uit? Was hij Ier gebleven, zoniet vrijlaat of poorter van een of andere stad geworden? Wanneer en waar werd hij geboren, huwde hij, overleed hij? Liet hij enig materieel goed aan de kinderen na? Niets hiervan is tot nu toe bekend. We weten even weinig over zijn vrouw waarvan alleen vermeld werd dat ze uit Brussel afkomstig was. Voor die vroegtijdig overleden ouders had het nageslacht blijkbaar geen belangstelling.

Over de familie Lynch weten we iets méér, dankzij de genealoog F. Van Dycke. Etienne Lynch was op het einde van de zeventiende eeuw consul van de Engelse natie in Brugge en huwde met zijn landgenote Anne Cary, ook als Kerwy in de parochieboeken ingeschreven[7]. De kinderen Lynch burgerden uitstekend in. Dochter Johanna huwde met een telg uit een andere Engelse ingeweken familie, Frans Talbout († 1750) die een voortreffelijk curriculum volgde: schepen en burgemeester van het Brugse Vrije en nadien ook nog, enigszins verwonderlijk, in 1742 burgemeester van de corpse van de stad Brugge[8]. De zoon Dominique Lynch werd schepen van de stad Brugge en in 1727 commis van het nieuw gedelf van Plassendale naar Duinkerken. Dit ambt was hem niet voordelig en hij eindigde in 1733 als onvermogende debiteur[9].

En dan was er nog Margareta die huwde met de schepen van het Brugse Vrije Thomas-Maximiliaan Neyts, die hoewel vijftien jaar ouder, voor haar een mooie partij was. Het ging om een eerder laattijdig huwelijk. Toen ze als praenobiles op 13 augustus 1720 in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in de echt verbonden werden, was Thomas 48 en de bruid 33. Een verstandshuwelijk wellicht en alvast één waar het verwekken van kinderen niet als een prioriteit gold of althans niet lukte.

De familie Neyts behoorde al verschillende generaties tot de rijke burgers van de stad en grootvader Jan Neyts had in Oostkamp, naast uitgestrekte bosgronden en zaailand, in 1662 de heerlijkheid Nieuwburg verworven en er het kasteel gebouwd, waar later zoveel zou over te doen zijn. De moeder van Thomas-Maximiliaan, Anna Spanoghe, behoorde tot een minstens even aanzienlijke familie en bracht onder meer de heerlijkheid Kleiem (Zuienkerke) in de familie Neyts. In 1678, naar aanleiding van haar overlijden, schonk haar broer Maximiliaan Spanoghe († 1680), laatste en ongehuwde mannelijke naamdrager, uut genegendheyd de heerlijkheid aan zijn schoonbroer, haar weduwnaar Thomas Neyts senior[10].

Het gezin Neyts-Spanoghe telde vier kinderen en woonde in een notabel en schoon huis in de Mariastraat. De oudste zoon, Jan-Baptist, bestemd om zijn vader als feodaal erfgenaam op te volgen, werd licentiaat in de rechten. In de loop van het jaar 1700, nadat hij pas zijn overleden vader was opgevolgd, werd hij met enige plechtigheid lid van de keizerlijke hoofdgilde van kruisboogschutters Sint-Joris, waar hij het register fier kon ondertekenen als heer van Cleyem en hoofdman van de gilde van Sint-Sebastiaan in Zuienkerke. Ook zijn jongere broer werd bij die gelegenheid lid van de Sint-Jorisgilde[11]. Jan-Baptist kreeg niet lang de gelegenheid om van zijn status als familiehoofd te genieten want hij overleed, nog vrijgezel, op 15 november 1702. Een ongehuwde zuster Maria-Barbara overleed kort na hem. Een tweede zuster, Anna-Felicia (†1704) was gehuwd met Jacob-Bernardus Trappequiers (†1740). Thomas-Maximiliaan had voor het beroep gekozen dat voor de hand lag voor een jongere zoon van goeden huize: in 1700, nog vrijgezel, was hij legerkapitein[12]. Kort nadien kwam grondige verandering in zijn leven.

Op enkele maanden tijd erfde hij eerst van zijn vader, kort daarop van zijn broer en zus. De heerlijkheid Nieuwburg, in de successie van zijn vader aan zijn zus Anna-Felicia toebedeeld, was niet meer voor hem bestemd, maar hij verhief onmiddellijk de andere lenen en was voortaan heer van Kleiem[13], Walcourt en Izenberge[14]. Wat hij van zijn vader geërfd had vonden we niet terug, maar dat moet heel wat zijn geweest, voortgaand op wat hij van zijn broer en zuster erfde. Van Jan-Baptist waren dat hofsteden en gronden in Snaaskerke, Meetkerke, Klemskerke, Oostkamp en Beerst, naast een huis op de Sint-Gillisparochie in Brugge en een hele reeks renten en obligaties[15]. Van zijn zus Maria-Barbara erfde hij hofsteden en gronden in Steene, Lapscheure, Zandvoorde en Oostkamp, benevens een dubbelhuis op de Walplaats en weer een hele reeks renten en obligaties[16]. Het lijkt er op dat Thomas-Maximiliaan voortaan een renteniersleven kon gaan leiden, aangevuld met activiteiten in overheidsdienst. Vanaf 1707 werd hij schepen van het Brugse Vrije en bleef dit tot aan zijn dood.

De adellijke kwaliteit van de gebroeders Neyts

Eén van de sprookjeselementen in het leven van de gebroeders Neyts, zoals Ledoulx het beschreef, was hun opname in de adelstand, als gevolg van de adoptie door het adellijk echtpaar Neyts. Ledoulx heeft met geneugte het verhaal neergepend van die twee arme wezen die hij foutief voor onechte kinderen hield en die door een vermogend en kinderloos verwant echtpaar werden geadopteerd. Aldus zouden ze erven hunne goederen. Ze zouden meteen deel uitmaken van het uitgebreid familiaal netwerk Neyts, Spanoghe, Rommel, Talbout, Lynch, enzovoort. Een ambtelijke cursus honorum lag ook voor hen in het verschiet.

De opname in de adelstand is alvast een feit. Thomas-Maximiliaan Neyts, vrijlaat onder het Ambacht Snellegem en schepen van het Brugse Vrije, werd zelf in de adelstand verheven op 28 april 1722[17]. Dit betekende maar een bevestiging van een bestaande toestand. Hij leefde immers al lang volgens den staat van den edeldom en werd ook meestal als edele heer of praenobilis betiteld. Op 30 september 1733 was het de beurt aan Frans en Jacob Cary, van wie de adoptie door het echtpaar Neyts gehomologeerd werd[18]. Het gevolg van deze adoptie en adelsverheffing was, nog steeds volgens Ledoulx, dat Frans Neyts-Cary, die toen amper 14 was, uit Cadiz werd teruggeroepen waar hij was heen gestuurd om er op eenen koopmanscomptoir den koophandel te leeren. Zijn broer Jacob, toen 6 jaar, liep in Brugge school bij de paters Augustijnen om te leeren lezen en schrijven en dan de latinsche taele te leeren. Beiden zouden voortaan een voordere opvoedinge krijgen in al het gone eygen is aen eenen edelman.

Wat in de daaropvolgende jaren die opvoeding inhield, is niet bekend. Dat de jonge heren in een statig herenhuis in Brugge woonden is waarschijnlijk. Dat de zomermaanden op het kasteelgoed Kleiem in Zuienkerke werden doorgebracht, praktisch zeker. Daar vonden ze naast het omwald kasteeltje met ophaalbrug, een grote hoeve, en een vogelrie, zwanerie en visscherie, terwijl ze hun vader konden vergezellen naar de bijeenkomsten aan de vlakbij gelegen schietpers van de schutters van Sint-Sebastiaan, waarvan de heer van Kleiem de verplichting had de hoofdman te zijn[19]. Misschien had Neyts ook nog in Izenberge en in Walcourt een optrekje. Normaal zullen de jongens verder school gelopen hebben, wellicht bij de Augustijnen en bijzondere lessen gekregen hebben (muziek, schermen, paardrijden, houding en goede manieren, enzovoort) aangepast aan hun stand. Niet voor lang echter.

Het einde van de mooie droom

Er kwam immers een dubbele kink in de kabel. Op 9 september 1737 overleed Thomas-Maximiliaan Neyts en werd zijn stoffelijk overschot bijgezet bij zijn ouders, in het familiegraf van de Spanoghes in de Onze-Lieve-Vrouwkerk. De douairière van Kleiem  ging met haar twee zoons (toen 18 en 10 jaar oud) en haar dienstmeid, iets soberder wonen in een burgershuis in de Hoornstraat[20].

Om niet nader gepreciseerde redenen waagde ze zich toen aan een jarenlang proces, dat ze verloor en dat haar het grootste deel kostte van wat haar echtgenoot haar had nagelaten, zoniet zelfs alles. Het proces had betrekking op de eigendomsrechten over het leengoed en kasteel Nieuwburg in Oostkamp. Jan Neyts, de grootvader van Thomas, die er in 1662 eigenaar was van geworden, had het vroegere ‘speelhof’ dat gedurende tweehonderd jaar één van de buitenverblijven was geweest van de familie Adornes[21] tot kasteel uitgebouwd. Bij de verdeling na het overlijden van Thomas Neyts senior (21 januari 1700) was de heerlijkheid Nieuwburg ten deel gevallen aan zijn dochter Anna-Isabella Trappequiers-Neyts. Bij de snel op elkaar volgende verdelingen zowel van de vader, als van Jan-Baptist en Maria-Barbara Neyts, koos Anna Neyts zoveel mogelijk voor de allodiale eigendommen in Oostkamp, die samen met de feodale heerlijkheid een economische eenheid vormden. Na haar vroegtijdige dood, en bij de verdeling tussen haar twee dochters, ging de feodale erfenis over op haar dochter Isabelle Claesman-Trappequiers. Zo was de burgemeester van het Brugse Vrije Albert Claesman (†1750), heer van Vyve en sedert 1735 baron van Male, namens zijn vrouw de leenhouder en eigenaar van Nieuwburg geworden[22]. De man tegen wie Margareta Neyts-Lynch het opnam, was één van de invloedrijkste gezagdragers van het ogenblik en was net aan het bouwen begonnen van een weelderige stadsresidentie in de Sint-Jacobstraat[23]. Lag de oorzaak van het geschil eventueel bij hem of was het als een tegenzet dat Claesman, in naam van zijn vrouw, zich als apparenten hoir universeel had opgeworpen na het overlijden van Neyts? Hij had daaraan later wel verzaakt, maar zijn vordering zal ook wel een rol in het geschil gespeeld hebben[24].

Dit geschil liep dus over Nieuwburg[25]. Zonder de gerechtelijke documenten te hebben ingezien die hierover eventueel nog bestaan, kan men veronderstellen dat de weduwe Neyts de stelling verdedigde dat een heerlijkheid niet aan een vrouwelijke erfgename had mogen toegewezen worden en eerst aan Jan-Baptist en vervolgens aan haar man als hoir feodaal had moeten ten deel vallen; of misschien bepleitte ze dat na het vroegtijdig overlijden in 1704 van Anna Neyts, dit leen naar de familie Neyts had moeten terugkeren, in de persoon van de enige overlevende broer, Thomas-Maximiliaan. Maar Margareta Lynch had blijkbaar geen goede argumenten. Volgens Ledoulx liep dit uit op haar ruïne en werden al haar eigendommen (volgens hem voor een waarde van veertien duizend ponden groot, hetzij circa 85.000 gulden) in beslag genomen en verkocht, in betaling van de hoge gerechtskosten.

Zo beschreef Ledoulx het verloop in geuren en kleuren: Dogh gelijck sij eene stijfhoofdige vrouwe was, geraeckte in proces met m’her Albert Claesman, baron van Male, aengaende een casteelgoed liggende op de prochie van Oostcamp. Naer dat dit proces geloopen hadde in verscheijde raeden, soo tot Gend als tot Mechelen en wierdt dit voorders betrocken tot Mechelen in de revisie ofte leste instantie, en gelijck dit proces op het wijsdom was, quam eenen raedsheer rapporteur uyt den raed aenkondigen dat het stond om de sententie uijt te geven, haer aenraedende van hetselve bij te leggen, ende aen te nemen de gratieuse offers die de tegenpartie haer voorenhielden, van selfs alle proceskosten te voldoen, en uijt het proces te scheijden. Maer dese vrouwe (…) wilde daer niet van hooren, denckende dat sij al het recht hadde van de gansche wereld, vraegde de sententie. Dewelcke korts daernaer werd uijtgesproken tot haer naedeel. Maer dese vrouwe ontfinck de selve met een klouck gemoed, dat sij ’s anderendaghs met een onverschilligheid, met een carosse de raedsheeren ginck bedancken over het goed recht dat sij gedaen hadden, nogh niet insiende haere volkomen ruïne. Opnieuw dus één van die sterke en kleurrijke verhalen van Ledoulx. De archieven van de gemelde rechtbanken in Gent en Mechelen bewaren wellicht nog precieze gegevens over hoe de vork juist in de steel stak en vanaf en tot wanneer dit ongetwijfeld wijdlopig proces liep.

Of dit echt de enige reden was voor de financiële problemen van de weduwe Neyts, daar doen ons een paar in Brugge gevonden elementen aan twijfelen. Thomas Neyts was eigenaar van een dubbelhuis, afkomstig van de erfenis Spanoghe, dat hij verhuurde, genaamd ’t Ruyterken of Den Milden Ruyter, gelegen aan de Oostkant van het Walplein, op de hoek met de Walstraat. In 1734 had hij er een hypotheek op gevestigd voor zekerheid van een lening van 6 ponden groot die hij bij de weduwe Verschoot had aangegaan. Op zich niet bepaald een teken van grote rijkdom. De Staat van goed bij het overlijden van Neyts, als die terug te vinden is[26], zou waarschijnlijk aantonen of hij inderdaad een gefortuneerd man was gebleven, zoals men aannam, dan wel of dit om de een of andere reden nog slechts een façade was[27]. Het is alvast een feit dat zijn weduwe Margareta, korte tijd na zijn dood, door de Raad van Vlaanderen veroordeeld werd tot het betalen van 20 pond aan meester-timmerman Dominicus van Speybrouck voor timmerwerken en levering van hout en van 53 pond als afbetaling op een wisselbrief van 103 pond aan makelaar Joos Vyncke. Voor beide schulden werd inschrijving genomen op ’t Ruyterken. Dit gebeurde op 19 juli 1738, tien maanden na het overlijden van de echtgenoot en gelet op de juridische en administratieve termijnen, mag men aannemen dat het om schulden ging die nog door de overledene waren gemaakt. Margareta kon die duidelijk niet betalen met als gevolg dat beide huizen die samen ’t Ruyterken uitmaakten, al op 22 november 1738 werden verkocht[28].

Dit was niet alles. Ook Kleiem bleek niet houdbaar en had in 1739 al een nieuwe eigenaar, met name Jacques De Witte, telg uit een adellijke familie uit het ambacht Snellegem, waar in de 16de eeuw ook Pieter De Witte, eerste bisschop van Cuba toe behoord had. In 1746 verkocht Jacques De Witte het goed aan de burgemeester van het Brugse Vrije, ridder Anselme de Peellaert († 1780)[29]. Izenberge en Walcourt zullen de zelfde weg zijn opgegaan.

Men kan hieruit met tamelijke zekerheid besluiten dat Margareta Lynch van haar man niet een riante maar een bezwaarde erfenis kreeg toegeschoven. Heeft dit er haar toe aangezet alles op alles te zetten en een procedure in te stellen nopens een vroegere verdeling van erfenis, die wellicht destijds in de familie aanleiding had gegeven tot discussie en onvrede? Zou men terloops hierbij wellicht de hypothese mogen formuleren dat de adoptie van de twee jonge zoons Cary onder meer gebeurde om te verhinderen dat na de dood van Thomas-Maximiliaan Neyts zijn erfenis eveneens naar de familietak  Trappequiers – Claesman zou gaan, aangezien de familie Neyts in de mannelijke lijn volledig zou zijn uitgestorven?

De gebroeders Neyts geen edelman meer

Wat ook de redenen mogen geweest zijn, het resultaat was er: Margareta Lynch, die men nog veel jaren ten onrechte als douairière van Cleyem betitelde, was arm geworden. Dit had voor gevolg dat er, onmiddellijk na de dood van haar echtgenoot en los van het proces tegen Claesman, geen geld was om de engagère of taks te betalen die zou hebben toegelaten, éénmaal één van de zoons meerderjarig werd, de schepenfunctie van de adoptievader over te nemen of een andere overheidsfunctie te verwerven. Het verst dat beide broers het brachten was tot respectievelijk kapitein van de Burgerwacht en klerk van de vierschaar. In het Brugs ontspanningsleven moesten ze zich tevreden stellen met het lidmaatschap van een burgerlijke schuttersgilde (Frans in Sint-Kruis in 1752 en Jacob in Sint-Sebastiaan in 1746) en kregen ze geen toegang tot de chique Sint-Jorisgilde waarvan hun adoptievader lid was geweest.

De gebroeders Neyts konden duidelijk hun prille adellijke stand niet hoog houden. Waarschijnlijk was het hen niet mogelijk de nodige taksen te betalen ter verheffing van de feodale lenen en werden de heerlijkheden, die de adellijke titel moesten dragen, verkocht. Alleszins was er vanwege beide broers een feitelijke verzaking aan de adellijke stand en leefwijze. De door Frans Neyts uitgeoefende functie van kapitein van de Burgerwacht was bescheiden en kon niet doorgaan voor een adellijk ambt, des te minder omdat hij dit combineerde met een activiteit als bezoldigd kerkmuzikant. Jacob Neyts werd in 1753 klerk van de vierschaar, wat evenmin een verheven functie was. Enkele jaren later, omstreeks 1758 werden beide broers beroepsacteur en muzikant, hetgeen helemaal niet verenigbaar was met het behoren tot de adelstand en zelfs aanleiding gaf om zonder meer een de facto ontzetting op te lopen.

De gebroeders Neyts hebben alvast nooit aanspraak gemaakt op een adellijke titel. Zij ondertekenden steeds gewoon als Neyts. Bij de geboorte van de kinderen werd Jacob nooit met een adellijk predikaat vermeld. Ook gebruikten zij nooit meer de naam Cary, noch alleen, noch in samenvoeging met Neyts.

De afstammelingen willen de adellijke status terug.

Het is dan ook verwonderlijk dat F. Van Dycke in 1851 in zijn Recueil héraldique, naast artikels over Cary en Lynch, een artikel Neyts Cary inlaste. Hierin stond geen enkele verwijzing naar de niet-adellijke toneelactiviteiten en handelsactiviteiten van Frans en Jacob Neyts, maar werden beiden beschreven als “descendants de la très illustre maison Cary d’Irlande” en onterecht vermeld als heren van Kleiem, Walcourt en Izenberge. Voor hen en voor de nakomelingen van Jacob werd kwistig omgesprongen met de predikaten Messire en Dame des dits lieux en werden allen, tegen de gegevens van de burgerlijke stand in, Neyts Cary genoemd.

Wie had belang bij zo een laat en juridisch ongegrond eerherstel? Het feit dat talrijke, meestal accurate gegevens over de nog levende nakomelingen van Jacob Neyts werden vermeld, waarvan de meesten in Brussel, Nederland, Frankrijk of zelfs Brazilië woonden, doet veronderstellen dat iemand van de familie hierbij betrokken was. De enigen die toen in Brugge woonden waren twee kleindochters van Jacob Neyts. Catherine (°1799) was gehuwd met kantonaal inspecteur en schooldirecteur Jan Brans (Amsterdam 1796 – Brugge 1862), de schoolmeester bij wie de jonge Guido Gezelle op de banken zat. Het is niet uit te sluiten dat Brans, die in de Brugse gemeenschap van die tijd een niet onbelangrijke plaats was gaan innemen, zijn sociale status hoger wou optrekken door samen met de aangetrouwde familie te figureren in een lijvig boek gewijd aan de genealogieën van de Brugse high society. De andere kleindochter Marie (1809-1885) was gehuwd met de gepensioneerde majoor Jean Dirick (1788-1875) en die kan er wellicht ook de hand in gehad hebben[30].

Tien jaar later, toen J. Gailliard zijn Bruges et le Franc uitgaf kwam er geen notitie over de familie Neyts in voor. Wel werd Thomas-Maximiliaan Neyts vermeld onder de notitie gewijd aan de familie Spanoghe, maar zo stond er: Il mourut sans postérité. De geadopteerde zonen en hun nakomelingen kwamen er niet meer aan te pas. Dit kan niet anders dan opzettelijk gebeurd zijn, want Gailliard kende en gebruikte natuurlijk het werk van zijn voorganger in genealogische opzoekingen[31].

Isabelle Stassinon

Over de echtgenote van Jacob Neyts, die de sterzangeres van het operagezelschap werd, schreef Ledoulx: Onder de voornaemste vertoonders was eene doghter, die begaeft was met een goede stemme, geboortig van geringe afkomst, want haeren vader was eenen mestraeper. Het geval wilde dat hij (Jacob Neyts) haer hoorde zyngen, ’s avonds aen de huyzen voor geld, met nog een andere doghter. Hij was daer van ingenomen over haer soete maniere van singen, aenmerckende oock haer schoonheyd, dat hy dacht haer tot sig te trecken, waer toe hy haeren vader heeft verwillight, van syne doghter aen hem over te laeten, voor eene somme geld. Nu haer verkregen hebbende heeft hy haer geleerd en onderwesen in de sangkunde, dat zy één van de eerste tonneelspeelsters wierd. Waernaer zy hauwbaer wordende, haer heeft getrauwt voor zyne vrouw en daer by verscheyde kinders verweckt. Weer een aandoenlijk verhaal, de Pygmalion van Georges Bernard Shaw  of Lisa Doolittle en professor Higgins in My Fair Lady waardig.

Vooreerst moet worden opgemerkt dat Isabella-Clara Stassinon niet op 8 october 1744 is geboren, zoals door Van Dycke werd opgegeven, maar op 8 oktober 1743. Zij staat in de doopregisters van de Sint-Annaparochie in Brugge vermeld als Isabella Stassenant, dochter van Johannes en Clara Deswarte. De schrijfwijze van haar naam was onzeker. Bij de geboorte van haar zoon Jean-Celestin in 1766 staat Stacinon vermeld, in 1768 bij de geboorte van Jean-Baptiste is het Stassiznon en in 1771 bij de geboorte van de tweeling Jacques en Louise wordt het Stassinon.

Het vaderlijk beroep was natuurlijk niet erg eervol, maar of het zo nederig was dat zijn dochters moesten uit bedelen gaan en hij Isabelle zonder meer aan Neyts verkocht, valt nog te bezien. Mestrapers waren officiehouders en het beroep, op zich niet bijzonder verheffend, kon winstgevend zijn. Weliswaar stond Jan Stacenon bij de volkstelling in 1748 vermeld als woonachtig in de volksbuurt van Sint-Gillis In ’t lant van Belofte met als beroep mestraper en met de bijkomende vermelding disch, zoals dit het geval was voor de overgrote meerderheid van de bewoners in zijn straat[32]. Was dit tien jaar later nog zo? Toen Isabelle op 7 januari 1799 op de leeftijd van 55 jaar in Brugge overleed, werd haar vader in de overlijdensakte vermeld als negociant. Er waren natuurlijk veertig jaren verlopen sedert de episode die Ledoulx beschreef en de vader kon zich opgewerkt hebben, maar het vraagt minstens verder onderzoek of hij rond 1758-60 echt zo straatarm was dat zijn kinderen moesten gaan bedelen en hij één van zijn dochters gewoon verkocht. Of deed ook hier Ledoulx er een kleurig schepje bij?

Wanneer en waar Jacob Neyts en de zestien jaar jongere Stassinon huwden, vonden we niet terug. Hun eerste kind werd in september 1763 in Nijmegen geboren. Het kan dus best dat ze trouwden in een of andere stad terwijl ze op tournee waren. Zeker is dat ze kerkelijk huwden, ondanks hun professionele situatie die in andere gevallen en zelfs in hun eigen operagezelschap aanleiding gaf tot weigering vanwege de kerkelijke overheid[33]. Bij de verschillende dopen van hun kinderen werden Jacob en Isabelle Neyts gewoon als man en vrouw gemeld en de kinderen als filius legitimus en filia legitima. De houding van de clerus tegenover toneelspelers was dus niet in alle gevallen zo negatief als men het soms heeft voorgesteld[34].

Frans Neyts

In de schaduw van Jacques Neyts bevond zich, althans volgens de biografen, zijn broer Frans. François-Dominique Cary (of Carew) werd in Kortrijk geboren op 29 maart 1719 en stierf, ongehuwd, in Brugge op 8 frimaire An VI (28 november 1797)[35].

Op het ogenblik van de adoptie en van het aannemen van de familienaam Neyts bevond de veertienjarige knaap zich, volgens Ledoulx, bij een handelaar in Cadiz (Spanje) om er een commercieel beroep aan te leren en werd hij als nieuwbakken edelman naar Brugge teruggeroepen om er een voordere opvoedinge te krijgen in al het gone eygen is aen eenen edelman. Van dit laatste kwam evenwel weinig terecht en Frans Neyts die eene bijsondere begaeftheijd voor de musijcke had, leerde viool spelen en zelfs violen bouwen. Hij werd voltijds muzikant, weliswaar in een heel bescheiden functie. Ledoulx schreef dat terwijl hij de musicque volmaektelijk wel kende, in de kercken voor loon (ging) spelen op de docksaelen, namentlijk in de kercke van Sint-Donaes. Ook nog volgens Ledoulx werd hij benoemd tot kapitein van een compagnie van de Burgerwacht, hetgeen hem een bescheiden maar vast inkomen bezorgde.

De korte biografische nota die men over Frans Neyts aantreft in een Nederlandse publicatie, waar hij de eer krijgt van een afzonderlijke notitie, los van zijn broer, roept vragen op[36]. Hierin wordt gezegd dat hij orkestmeester was in Amsterdam en dat hij veel bijdroeg tot de ontwikkeling van de opera in de Nederlanden. Was hij het, zo vroeg de biograaf zich af die in 1810 als zanger, samen met een juffrouw Carels, aan het Hollands toneel verbonden was? Op dit laatste kan men alvast negatief antwoorden, gezien Frans in 1797 overleden was. Het is waarschijnlijk dat het ging om Jan-Baptist Neyts (Brugge 12 februari 1768 – Amsterdam 11 oktober 1824), een zoon van Jacob en Isabella Neyts-Stassinon.

Deze Jan-Baptist Neyts was gehuwd met een Jeanne Arondeur. Hij wordt tweemaal vermeld in een studie gewijd aan de Amsterdamse filosoof Johannes Kinker. In 1801 zong hij, voor de maatschappij Felix Meritis, gezangen op teksten van Kinker. Bij die gelegenheid droeg hij een Chinees priesterkleed, muts en schoenen. In 1803 was hij één van de uitvoerders die Haydns’ Schöpfung zongen, in een vertaling opnieuw van Kinker[37]. De muzikale activiteit werd in de familie Neyts dus ook in de volgende generatie doorgezet, ook nog door een andere zoon zoals we verder zullen zien.

Nog in een andere bron komt Frans Neyts voor zonder vermelding van zijn jongere broer. In 1746 werd in Brugge door een tiental jonge muziekliefhebbers een muziekvereniging opgericht onder de naam Confrerie van het Concert. Frans Neyts wordt hierbij vernoemd als voornaamste initiatiefnemer en eerste directeur. Van Jacob Neyts was hier geen spoor, wat niet abnormaal is, gezien hij toen pas 19 was. Frans Neyts bleef tot in 1752 directeur van de vereniging en verdween toen. Meningsverschillen? Niet onmogelijk[38]. Het is ook mogelijk dat hij toen gewoon een meer professionele weg insloeg. Dit zou dan kunnen betekenen dat hij enkele jaren in Amsterdam of elders zou werkzaam geweest zijn, om dan vanaf 1756 zijn carrière aan die van zijn broer te verbinden.

Operaloopbaan van Jacob en Frans Neyts

Jacob Neyts begon aan een beroepsactiviteit als klerk van de vierschaar. Hij oefende dit ambt uit van maart 1753 tot januari 1758, na volgens Ledoulx eerst enkele jaren bij een klerk in de leer te zijn geweest. Veel activiteit ontplooide hij hierbij niet, gelet op het gering aantal akten dat door hem werd verleden[39]. Hij had zich nochtans al op 3 maart 1753 aangesloten bij het rechtskundig genootschap gekend onder de naam De Sabbatine[40], wat toch op enige belangstelling duidt voor de juridische aspecten van zijn ambt. Weinigen van zijn collega’s waren lid van dit genootschap.

Ook Ledoulx schreef dat Neyts in het procureuren niet veel te doen hadde. Was er gewoon onvoldoende werk voor de procureurs of was dit beroep niets voor Neyts en verwaarloosde hij het? Aan de overvloed aan vrije tijd schreef Ledoulx het toe dat hij begon op te treden in het amateur-gezelschap van de rederijkerskamer De weerde drie santinnen, waar hij samenwerkte met de schoolmeester Pieter Coucke, in syn school oock niet te doen hebbende.  Volgens Ledoulx traden ze op in een toneelzaal die zich bevond in het huis Nazareth in de Grauwwerkersstraat[41] en oogstten ze succes.

In het kielzog van gouverneur-generaal Karel van Lotharingen kwam het Hof van Brussel in juni van het jaar 1756 even naar Brugge overgewaaid. Om de bezoekers te plezieren werd in de theaterzaal van het Jezuïetencollege de opéra comique Ninette à la Cour van Simon Favart door de Comédiens de Bruxelles opgevoerd. Dit inspireerde Neyts, die op enkele weken tijd het libretto in het West-Vlaams vertaalde en dit ook publiceerde. Er deed zich een uitstekende gelegenheid voor om het vervlaamste stuk aan het publiek voor te stellen. De Confrerie van het Concert, die tien jaar eerder door onder meer Frans Neyts was gesticht, had op d’Oude Beurze een nieuwe schouwburg gebouwd en die werd op 15 oktober 1756 feestelijk in gebruik genomen met de opvoering van Mimi in het Hof. Enkele weken later, op 27 november, gaf Neyts in dezelfde schouwburg de creatie van het door hem vertaalde La Bohémienne of den bedrogen gierigaard.

Beide stukken werden opgevoerd door De Yverige Brugsche Jonckheydt, zoals we uit een schrift van een Juffrouw Catharina De Smit weten[42]. Men moet zich over wat zo een gezelschap betekende geen te groot idee vormen. Het troepje van Neyts bestond uit drie acteurs, twee actrices en enkele instrumentalisten. De rol van Frans Neyts als vioolspeler is hierin duidelijk te situeren, die van Jacob Neyts minder. Dat hij de teksten vertaalde ligt voor de hand, dat hij de muziekarrangementen – al dan niet samen met zijn broer – uitwerkte ook, maar of hij zelf een muziekinstrument bespeelde, zoniet als zanger optrad of gewoon maar als regisseur, wordt nergens vermeld.

De bijval was bemoedigend en de gebroeders Neyts begonnen ook buiten Brugge op te treden, onder meer in april en mei 1757 in Duinkerken. Het succes was blijkbaar van die aard dat Jacob Neyts begin 1758 zijn procureursfunctie opzegde om zich volledig aan zijn hobby of passie te wijden.

De overlevering en een aantal documenten verzekeren dat voortaan werd opgetreden in veel Vlaamse, Brabantse en weldra Hollandse en Zeeuwse steden. Van 1757 tot 1772 werd het leven van Jacob Neyts en van zijn kompanen dat van rondreizende acteurs. Brugge bleef hierbij hun thuishaven. De oudste zoon Louis-Jacques werd weliswaar in 1763 in Nijmegen geboren (overleden in Parijs 12 augustus 1828) en de dochter Marie-Isabelle in 1765 in Duinkerken (overleden in Calais op 5 augustus 1826), maar de vier volgende werden tijdens het winterseizoen in Brugge geboren: Jean-Celestin (6 december 1766, overleden in Brugge 29 oktober 1839), Jan-Baptist (12 februari 1768, overleden in Amsterdam 11 oktober 1824) en op 4 december 1771 de tweeling Jacques-François en Louise (zij overleed in Brugge 4 oktober 1773). Later werd nog een dochter Henriette in Gent geboren (overleden in Brussel 2 juni 1842).

Eenmaal goed op dreef heette het gezelschap niet meer De Yverige Brugsche Jonckheyt, maar werd het De Vlaemsche Opera. Vanaf 1768 trad het gezelschap jaarlijks in de lente in Amsterdam op en werd daar weldra als het voornaamste vreemd operagezelschap beschouwd, althans door sommigen. Over het succes en de impact van de West-Vlaamse operagroep in Nederland en meer bepaald in Amsterdam, bestonden immers uiteenlopende opinies.

Acteur en toneelschrijver Simon Rivier beschreef het Vlaams gezelschap als een zootje uitgehongerde zwervers[43]. Men mag hierbij evenwel niet uit het oog verliezen dat Rivier verbonden was aan de schouwburg die in 1772[44] in de vlammen opging. Hij had dus redenen om Neyts een kwaad hart toe te dragen[45]. Een andere Noorderling bekritiseerde “de vreemde, ons onterende bastaardtaal” die door de Vlaamse zangers gebruikt werd[46]. Daarentegen schreef C. Wybrands dat zij de belangrijkste troep waren van al diegenen die Amsterdam aandeden[47] en vermeldde het Biografisch Woordenboek der Nederlanden (1852) dat ze “overal den uitbundigsten lof oogstten”. Wat hun taal betreft, rapporteerde dit zelfde Woordenboek dat de operaliefhebbers en vooral de dames verzot waren op uitvoeringen in het zoetgevooisde West-Vlaams!

Op 11 mei 1772, naar aanleiding van de première van de door Neyts vertaalde opera’s Den deserteur en De kwalijk bewaarde doghter gebeurde het drama. De Amsterdamse schouwburg schoot tijdens de voorstelling in brand en de paniek die de vluchtende toeschouwers aangreep had voor gevolg dat er achttien doden vielen. Er barstte hierna een hevige polemiek en pamflettenoorlog los en Neyts werd van onvoorzichtigheid beschuldigd[48].

Wat waren de gevolgen voor de Vlaemsche Opera? Ledoulx zegt het niet duidelijk. Ze zijn naar Brabant afgezakt, schreef hij, nadien naar Gent en tenslotte naar Kortrijk waar Neyts geheel is gescheyden uyt de toonelspelen ten jaere 1779. Hij ging in Mechelen wonen en werd er handelaar in wijn en brandhout. In het Biografisch Woordenboek der Nederlanden werd het: dit schrikkelijk ongeval berokkende zijn ondergang. Bij Goethals (1838)[49]: il poursuivit ses voyages sans rencontrer l’accueil dont on l’avait autrefois honoré en bij Stecher (1899): il finit par renoncer à la vie théatrale et s’établit en 1779 à Malines. Volgens J. Huyghebaert hernam hij alvast onmiddellijk na de brand de voorstellingen in Amsterdam, in andere zalen en zelfs in een houten theatertje. Bram Van Oostveldt betwist evenwel dit laatste, omdat hij hierover geen enkel document  aantrof.

J. Huyghebaert acht het juist dat Neyts na 1772 minder bijval genoot en schrijft dit toe aan de kwijnende belangstelling voor vertaalde stukken, wellicht bespoedigd door de snelle groei van het aantal mensen die Frans verstonden. We zijn wat sceptisch over die uitleg, vooral dan voor wat de Hollandse provincies betreft, waar de kennis van het Frans bij de burgerij en de middenstand er toch maar minimaal moet op vooruit zijn gegaan, maar ook voor Brabant en zeker voor Vlaanderen, gelet op de grote bijval die de Vlaamse opera nog in de jaren 1788-1790 in Brugge genoot. Anderzijds toont Huyghebaert aan dat 1772 niet het eindpunt betekende in de toneelactiviteiten van Neyts. Na 1772 trok het gezelschap verder van stad tot stad en deed opnieuw Amsterdam aan. Ook optredens in Haarlem zijn bekend. In 1775 werd Neyts als deskundige onder de arm genomen door de Kortrijkse rederijkerskamer van het H. Kruis, die in een dispuut gewikkeld was met een gezelschap uit Geraardsbergen, aangaande een door de Kortrijkzanen ingerichte toneelwedstrijd. Neyts bleef dus gezag hebben om in dergelijke geschillen een uitspraak te doen[50]. Op 8 oktober 1777 speelde het gezelschap in Gent en bleef zowel daar als in Brugge gans het winterseizoen optreden. De opbrengsten vielen blijkbaar tegen en Neyts vroeg in Brugge daags voor vastenavond een benefietbal te mogen organiseren, wat hem evenwel door het Concert geweigerd werd[51]. Hetzelfde jaar 1777 trad hij in november en december ook in Mechelen op. In juni 1778 werd in Den Haag opgetreden.

Het jaar 1779 betekende evenmin het einde. In 1781 verschenen aankondigingen in de Mechelse pers voor opvoeringen door de Vlaemsche Opera. In 1783 kreeg de troep de naam Nieuwe Nederduitsche Opera. In mei 1784 waren er optredens in Gent. Daarmee was evenwel, volgens Huyghebaert, het eindpunt bereikt. Neyts stopte dat jaar met operavertoningen en zou pas na 1789 in Frankrijk met een nieuw, nu blijkbaar Franstalig gezelschap van stad tot stad trekken, tot aan zijn dood in 1794.

Of dit voorlopig eindpunt er in 1784 wel geweest is, is niet zeker en zou verdere opzoeking verdienen. Het staat vast, het dagboek van Jozef Van Walleghem is hierover duidelijk, dat in de jaren 1788 en 89 een aanzienlijke opflakkering van het Vlaams operaleven in Brugge plaats vond. Van Walleghem noemde de uitvoerders in 1788 eenige konstminnende tonneelspeelders deser stadt Brugge of ook de konstminnende tonneelspeelders der Vlaemsche Schouwburg deser stadt Brugge.  In 1789 gebruikte hij dezelfde naam en eenmaal die van de konstminnende liefhebbers der Nederlandtsche Vlaemsche Schouburg. Waren het de gebroeders Neyts die opnieuw optraden? Uit hierna behandelde documenten blijkt alvast dat ze eind 1787 de wijnhandel liquideerden en waarschijnlijk Mechelen verlieten. Begonnen ze weer op te treden, omdat ze toch wel van iets moesten leven? Van Walleghem vernoemt een paar maal hun naam, maar het is niet duidelijk of hij hiermee bedoelde dat ze zelf optraden of dat het om opera’s uit het repertoire van Jacob Neyts ging. Het is alvast zeker dat bij die door Van Walleghem beschreven heropleving van de Vlaamse opera, de werken die werden uitgevoerd voorkwamen in het gekende repertoire van Neyts.

Tijdens het revolutiejaar 1790 werd eveneens veel opera opgevoerd en met enorm succes, door de Konstminnende tonneelspeelders der Vlaemsche Schouwburg, ook nog de Nederlandsche Vlaemsche Schouwburg genaamd. Ook hier betrof het stukken die door Neyts voor het Vlaams repertoire waren omgezet. Jammer genoeg vermeldt Van Walleghem geen namen[52]. Op 18 april zou dit gezelschap voor het eerst een gemengd programma opvoeren, eerst La servante maîtresse in het Frans, gevolgd door De trouwe Antonio in het Vlaams. De opvoering ging eerst niet door, bij gebrek aan belangstelling maar vond op 10 mei toch plaats[53].

Indien Neyts er bij te pas kwam, dan betekent dit dat hij inderdaad Mechelen had verlaten, maar daarom nog niet direct naar Frankrijk de wijk had genomen om er in het Frans opvoeringen te gaan doen. Als hij het was die opnieuw naar Brugge was afgezakt, dan begon hij zich hier stilaan, wellicht met de aanmoediging van zijn Franse schoonzoon, in Franse uitvoeringen te oefenen. Het blijft, bij gebrek aan ook maar de minste naamaanduiding, bij een hypothese.

Charles de Cassina, graaf van Wonsheim, baron van Boelare

Een apart hoofdstuk in het leven van Jacques Neyts vormt zijn relatie met graaf Charles-François-Ghislain de Cassina (1751-1794)[54]. Neyts zou hem, volgens Ledoulx leren kennen hebben in Gent na 1772 en hij zou door hem het griffierschap aangeboden zijn van de baronie van Boelare. Zonder de bewogen levensloop van deze edelman te kennen, zou men bij het lezen van Ledoulx kunnen veronderstellen dat Cassina als weldoener optrad voor Neyts. Zo had het onder meer I. Stecher begrepen, die in de Biographie Nationale schreef dat Neyts door Cassina ondersteund werd. Zelfs nog onlangs schreef H. Installé dat de graaf als sponsor van het toneelgezelschap van Neyts optrad en hem een niet onbelangrijke erfenis naliet[55]. Ook J. Huyghebaert had het over een voor Neyts zeer voordelige testamentaire wilsbeschikking die Cassina naliet[56]. Het was evenwel net andersom: het was de berooide edelman die jarenlang op de kosten van Jacques Neyts ging teren. Althans, zo verzekerden ze allebei. Misschien zal het op het einde van het hiernavolgende verhaal nog iets anders kunnen klinken: twee arme drommels probeerden samen middelen te vinden, niet altijd orthodoxe, om er weer bovenop te komen.

Charles de Cassina was de zoon van Pierre-Philippe de Cassina (1686-1769) en de bijna dertig jaar jongere Marie-Louise de Plotho d’Ingelmunster (ca 1715-1790). Het echtpaar had elf kinderen waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten: Marie-Françoise (1737-1814) gehuwd met de Franse officier Philippe de Murat (1744-1806)[57], Louis-Benoît (1739-1771), René (1742-1766), Françoise-Florence (°1748) die kanunnikes werd in Denain (op 12 km van Valenciennes), Albertine (1749-1816) gehuwd met graaf Charles-Joseph de Lichtervelde (1741-1803)[58], en tenslotte Charles-François.[59]

Als kapelaan op het kasteel van Boelare en huisonderwijzer van de kinderen trad de Gentse kanunnik Anselme Bara op. Het is tijdens de periode van zijn verblijf op het kasteel van Boelare dat Bara in 1765 lid werd van La Discrète Impériale, de vrijmetselaarsloge in Aalst. Al dan niet door hem geïntroduceerd, werden ook zijn twee pupillen lid, Louis in 1767 en Charles in 1773[60]. Bara was méér dan kapelaan, hij had ook volmacht gekregen van de graaf om zijn vermogen te beheren. Na het overlijden van de graaf kwam het tot een hevige botsing en tot een proces, toen de erfgenamen tot de vaststelling kwamen dat de rekeningen niet met de nodige zorg waren bijgehouden[61].

Charles de Cassina begon al op zijn veertiende aan een militaire loopbaan bij de Gardes Wallonnes met standplaats in Cadiz. In 1771, bij de dood van zijn broer Louis, nam hij ontslag en keerde als feodale erfgenaam naar de Oostenrijkse Nederlanden terug, met onder meer de titels graaf van Wonsheim en Martazana, baron van Boelaere, ridder van het Heilig Roomse Rijk, Beer van Vlaanderen, heer van het Land van Aalst, van Schendelbeke, van Hemelveerdegem en van Mosscher Ambacht. In februari 1773 huwde hij met de twee jaar oudere Catherine Henriette de Brouchoven, gravin de Bergeyck (Mechelen 21 april 1749 - Mintard (?) 18 augustus1820), die zoals haar meter Catherine de Brouchoven (†1757) barones van Leefdaal was, en nam met haar zijn intrek in de statige patriciërswoning van de familie de Bergeyck op de Bruul in Mechelen.

Dit vleiend huwelijk was een gevolg van het feit dat Cassina, door de voortijdige dood van zijn twee oudere broers, onverwacht familiehoofd en feodale erfgenaam was geworden. Catherine was de achterkleindochter van de thesaurier generaal in de Spaanse Nederlanden Jan van Brouchoven (1644-1725), tweede graaf van Bergeyck, die zelf de zoon was van de Antwerpse schepen en raadsheer van de Spaanse koning, baron Jan-Baptist van Brouckhoven (1619-1681), eerste graaf van Bergeyck en van die zijn echtgenote, Helena Fourment (1614-1673), de weduwe van Pieter Paul Rubens[62]. De zoon van Jan van Brouchoven, Nicolas-Joseph van Brouchoven, derde graaf van Bergeyck, baron van Leefdaal (°1691), kreeg elf kinderen, onder wie Jan-Baptist van Brouchoven (1721-1758), vierde graaf van Bergeyck, die gehuwd was met zijn nicht Thérèse van Brouchoven (†1789). Ze hadden twee dochters, Lucie die huwde met Gerard de Liedekerke en Catherine, de echtgenote van onze Charles Cassina[63]. Het huwelijk Cassina – Bergeyck bleef kinderloos en liep nogal spoedig op de klippen.

Op niet nader te bepalen datum werd Cassina lid van de Mechelse loge La Constante Fidélité, en stond in 1786 nog op het tableau van de leden[64]. Henri Installé vermeldt dat hij gunstig bekend stond om zijn liefdadigheid en dat hij onder meer tijdens een overstroming die Mechelen teisterde, niet aarzelde in een boot voedsel te gaan brengen aan over land onbereikbare slachtoffers[65]. Cassina toonde zijn moderne geest naar aanleiding van zijn huwelijk, door de herendiensten kwijt te schelden die de onderhorigen van de baronie Boelaere verschuldigd waren. De moderniteit van het gebaar werd wel afgezwakt doordat hij die karweiplicht door de belanghebbenden liet afkopen: de centjes waren welkom[66].  Voor het overige liet hij het beheer van de familiedomeinen over aan zijn moeder en aan de rentmeester en ontvanger Jean-François Bruyneel[67].

De financiële toestand werd er, sedert het geschil met Bara, niet beter op. Cassina verklaarde later dat zijn vader en zijn broer er nogal op los hadden geleefd, terwijl hij anderzijds overtuigd was dat zij en ook hijzelf door hun ontvanger waren bedrogen. Om een aantal dringende schulden te vereffenen werden rond 1780 de eigendommen van de familie in Deerlijk (de Cassinas waren al vanaf het begin van de 17de eeuw Heer van Deerlijk[68]), Diependale, Zwevegem, Ingelmunster, Zulte en Desselgem verkocht. Deerlijk werd aangekocht door de schoonbroer Charles-Joseph de Lichtervelde[69]. Samen bracht dit 80.000 gulden op, waarbij dan nog nieuwe leningen werden aangegaan onder meer om een schuld van 40.000 gulden op te vangen. Dit belette niet dat Cassina verder grote investeringen deed: het kasteel werd verbouwd en nieuw bemeubeld naar de heersende smaak, terwijl een grote laan over enkele honderden meters vanaf het kasteel tot aan de baan naar Gent tegen een hoge kostprijs door moerasgronden werd getrokken[70]. Nieuwe verkopen volgden, onder meer de dorpen Aspelare en Nederhasselt die Cassina volledig in eigendom had, alsook een groot deel van het meubilair in het kasteel. Dit volstond nog niet en om zich aan ongeduldig wordende schuldeisers te onttrekken, trok hij, zonder zijn vrouw, weer naar Spanje.

Zijn moeder maakte hiervan gebruik om hem op beschuldiging van verkwistingen door de wethouders van de baronie Boelare onder curatele te doen stellen (24 december 1784, bevestigd op 24 september 1785). Hij keerde terug en tekende bij de Grote Raad in Mechelen verzet aan tegen de aanstelling van zijn schoonbroer de Lichtervelde en de Gentse advocaat Jean-Ferdinand Rohaert (1733-1808) tot zijn voogden. Cassina die, o ironie, tot in 1783 penningmeester was van La Constante Fidélité, nam als raadsman advocaat Jean-Henri Pouppez, secretaris en redenaar van zijn loge. Die slaagde erin de twee voogden af te zetten en… zichzelf, met het akkoord van Cassina, tot curator te doen aanstellen[71]. De uitspraak kwam op 9 november 1785. Groot was de verbazing en ontgoocheling van Cassina toen zijn logebroeder in wie hij dacht een medestander en vertrouwensman te hebben, voortaan met de grootste strengheid tegen hem optrad. Hij verbood hem nog op het kasteel van Boelare te verschijnen en aangezien de echtgenote ondertussen een echtscheidingsprocedure had ingezet en Cassina bij haar in Mechelen niet meer binnen mocht, verplichtte Pouppez hem zijn intrek te nemen in de herberg De Kranevogel en betaalde hij hem een karig maandelijks alimentatiegeld.

Het is vanaf toen dat de compleet berooide graaf zijn lot aan dat van Jacob Neyts verbond. Het verhaal van Ledoulx dat ze mekaar in de jaren zeventig in Gent hadden leren kennen, is niet onmogelijk maar toch eerder onzeker. Zou Cassina toen echt een sedentair griffierschap aangeboden hebben aan de leider van een rondreizend toneelgezelschap? Deze functie werd trouwens bekleed door zijn ontvanger Bruyneel, met wie hij pas in 1784 in dispuut zou komen. Er bestaat meer kans dat het tussen 1780 en 1785[72] in Mechelen was dat de kennismaking plaats vond, wellicht via Louis Neyts, de oudste zoon van Jacob, die als muzikant of frère à talent eveneens lid was van La Constante Fidélité[73].

Voor de jaren 1787-1789 beschikken we over tamelijk wat gegevens met betrekking tot de relatie Cassina-Neyts, dankzij een dertigtal brieven, afkomstig uit de papieren van schoonbroer Charles de Lichtervelde, aan wie de meeste ervan geadresseerd zijn[74]. De afzenders van die brieven waren Egidius De Backer, advocaat bij de Raad van Vlaanderen, raadpensionaris van Geraardsbergen en zaakwaarnemer voor de familie Cassina, advocaat Pouppez, Cassina zelf en Jacob Neyts. Pouppez en vooral De Backer wisten niets, maar dan ook niets goeds over Neyts te vertellen. Enkele epitheta: le fameux Neyts – la vilaine race de Neyts ces vilaines gensles vils adhérents du comte. De Backer vertelde dat Cassina iedere week met de familie Neyts naar de concerten trok die in de Commanderij Pitzenburg werden gegeven, dat men daar schande over sprak en daarom niemand hem ook maar een groet gunde[75]. Cassina bleek nauw verbonden met Neyts: Il n’y a point d’apparence qu’il quittera jamais la vilaine race de Neyts. Tout va de pire en pire. Il a juré de disposer de tout ce dont il serait capable en faveur de ces vilaines gens. Il dit qu’il mangera jusqu’à son dernier morceau de pain avec eux[76].

Van de kant van Jacob Neyts was natuurlijk een gans andere klok te horen. Begin 1785 schreef iemand in een niet-ondertekende brief in lovende woorden over hem naar Cassina. Wie was de auteur van die brief, die in geuren en kleuren aan Cassina liet weten dat zijn vrouw een echtscheidingsprocedure had ingezet, met de hulp van een kanunnik de Waepenaert, wat de briefschrijver op café vernomen had van een loslippige notarisklerk? Het mooi geschrift en het onberispelijk Frans lijkt in de richting van Jean-François Baret te wijzen, over wie we het hierna uitgebreid zullen hebben. Over Neyts ging het in die brief aan Cassina als volgt: Pour moi, et encore plusieurs personnes avec moi, nous rendrons toujours cette partie aux Neyts que ce sont des honnêtes gens, auxquels vous vous êtes attaché à cause de leur probité, de leur sincérité et des talents qu’ils possèdent pour la musique. On est aussi généralement d’accord que le père est un homme d’esprit, très fin en affaires[77].

Jacob Neyts zelf nam uitgebreid de eigen verdediging op in brieven die hij schreef naar Charles de Lichtervelde. Een paar dagen nadat in 1787 het vonnis was uitgesproken waarbij Cassina verder onder voogdij bleef, schreef hij, na er op gewezen te hebben dat het enige wat men aan hem kon verwijten was dat hij un revers de fortune gekend had: J’étais indigné d’apprendre que le seul crime dont était chargé le comte de Wonsheim était sa fréquentation dans ma maison[78]. Je ne l’avais jamais recherché et à sa prière je n’ai tâché que de lui être utile. Depuis deux ans je suis sa seule ressource, je me suis épuisé pour le tirer de l’état où il est en ce moment. Aussitôt que j’ai été instruit de la haine mal fondée que ses parents et amis me portaient, je l’ai sollicité de me quitter. Mais il était malheureux, je n’avais pas la force de lui fermer ma porte. Malade d’esprit[79] et de corps il avait besoin de moi. C’est moi seul, Monsieur, qui le soutient encore, et ce dans l’intérêt de sa famille[80]. Neyts stelde voor om voortaan van alle verdere contacten met Cassina af te zien… mits een voorwaarde waar we aanstonds op terugkomen. Anderhalf jaar later schreef hij naar dezelfde: Quelles que soient les sottises qu’on ait pu répandre au sujet de mes liaisons avec le comte de Wonsheim, je n’en suis pas moins dans son malheur son plus sincère ami. L’état dans lequel il se trouve m’affecte de plus en plus, pour lui, pour l’honneur et pour l’intérêt d’une famille illustre[81].

De disputen die tussen Neyts en de familie van Charles Cassina ontstonden hadden natuurlijk met centen te maken. In juli 1787 maakte Pouppez hier een eerste maal melding van. Neyts had bij hem een vordering voor circa 16.000 gulden ingediend, voor leveringen van wijn, met daarbij nog verschillende schuldbekentenissen vanwege Cassina[82]. Pouppez had hem 1.900 gulden voor de wijnleveringen uitbetaald maar bleek niet van plan nog een gulden méér te lossen. In november daaropvolgend stelde Neyts de curator in gebreke om binnen de drie dagen de betaling uit te voeren[83]. Toen dit niet gebeurde gaf hij opdracht aan Gentse advocaten om een procedure in te stellen, er aan toevoegend dat alle minnelijke voorstellen onbeantwoord waren gebleven en er de nadruk op leggend dat het hier om schulden ging die dateerden van voor het onder curatele stellen van Cassina[84]. Pouppez diende van zijn kant een verzoekschrift in bij de rechtbank teneinde deskundigen aan te stellen, die de waarachtigheid van de gevorderde bedragen zouden onderzoeken[85]. Pouppez en De Backer waren immers overtuigd dat het om geantidateerde en fictieve schuldbekentenissen ging, die met de medeplichtigheid van Cassina waren opgemaakt. Waar zou het gezin Neyts immers al dat geld gevonden hebben om aan Cassina te lenen? Il est de notoriété publique qu’ils n’ont pas un liard et qu’ils ont été poursuivis partout et de tous côtés pour dettes, schreef Pouppez[86]. De Backer van zijn kant schreef dat de familie Neyts zo op het einde van haar Latijn was dat ze onmogelijk nog in Mechelen kon blijven wonen, alles aan het liquideren was en zelfs de lege wijnflessen aan het verkopen was[87]. Als Pouppez en De Backer gelijk hadden dan betekende dit dat Cassina en Neyts het op een akkoordje hadden gegooid om geld aan de curator te ontfutselen - geld waarvan Cassina ongetwijfeld van oordeel was dat het hem toekwam -, om dit dan onder elkaar te verdelen.

Tijdens dezelfde periode – het ging duidelijk om een geconcerteerde actie met een offensief op diverse fronten - deed Cassina opnieuw een poging om van zijn curator verlost te geraken. De Backer was daar goed van op de hoogte, want al op 30 mei 1787 liet hij weten dat de graaf van zin was verder te procederen, geholpen par le talent sophistiqué du fameux Neyts[88]. Op 19 juli 1787 schreef Cassina een vriendelijk briefje naar zijn schoonbroer de Lichtervelde om hem van de ingezette procedure in te lichten en hem tevens een exemplaar te sturen van het verweerschrift dat hij had laten drukken onder de titel Mémoire à consulter pour Messire Charles-François-Ghuislin de Cassina (…) en dat in Mechelen kwistig was uitgedeeld[89]. In dit verweerschrift vertelde hij zijn ganse leven en legde hij uit hoe onheus en onrechtvaardig hij door zijn familie werd behandeld. Hij trok hard van leer tegen Bruyneel, de baljuw en griffier van de baronie Boelare en vooral tegen curator Pouppez, de rechtbank verzoekend hem zijn vrijheid terug te geven en aangevend hoe hij dacht zijn schuldeisers te kunnen voldoen. Hij bracht hierin tevens hulde aan zijn enige echte vrienden, de familie Neyts: Ceux qu’on prétendait qu’un vil intérêt attachait seul à moi dans ma prospérité, sont les seuls qui m’ont secouru dans mon infortune[90]. Het verweerschrift was zwierig opgesteld en de conclusie die men er kon uit halen was dat alle schuld voor de financiële problemen waar hij mee worstelde zeker niet bij Cassina lag. Hij had wellicht onvoldoende beseft dat zijn vader een levensstijl had aangehouden die niet in evenredigheid was met de opbrengsten en hij had lichtvaardig een bezwaarde successie aanvaard. Daarbij moest hij jaarlijks aanzienlijke douairies betalen aan zijn moeder en aan de weduwe van zijn oudste broer en verder moest hij ook nog aan zijn drie zusters een jaargeld betalen. Cassina was zeker niet bekwaam om de toestand te keren en achteraf gaf hij dat ook toe. Hij meende nochtans voldoende mogelijkheden te hebben, als men hem maar liet doen, om alles weer in goede orde te brengen.

Bij het lezen van het pamflet was De Backer niet mals: Ce mémoire ne consiste que dans des exclamations et des déductions et falsifications sophistiquées et très fausses. Cassina nuit à lui-même et à sa famille et ne fait que perdre sa réputation. Daarbij, zo voegde De Backer er aan toe, de graaf was niet bekwaam om deze fameux libelle diffamatoire zelf op te stellen. Wie had het dan wel gedaan? Cette pièce est digne de son auteur, le rédacteur du fameux Courrier de l’Escaut nommé Baret. Ce fameux apostat va marier la fille de Neyts: pas surprenant qu’il fasse si bien l’apologie de la famille Neyts[91]. De rechtbank had niet veel tijd nodig. Begin augustus 1787 volgde het vonnis: Cassina werd in zijn vordering volledig afgewezen, de curatele van Pouppez werd bevestigd en verdere verspreiding van het verzoekschrift werd verboden[92].

Jacob Neyts, als spreekbuis van Cassina, verloor evenwel de moed niet, al was het wellicht de moed der wanhoop. Pas was het vonnis uitgesproken of hij richtte zich tot de Lichtervelde. De belofte die hij hem deed om voortaan de contacten met Cassina te verbreken, teneinde de familie welgevallig te zijn, en waar we het hierboven over hadden, deed hij op één voorwaarde: dat de curatele door de familie zou worden opgeheven. In der minne bekomen dus, wat pas door de rechtbank was afgewezen. Lichtervelde antwoordde met een beleefd maar nietszeggend briefje, waarin hij verzekerde dat hij alleen het welzijn van zijn schoonbroer voor ogen had[93]. Lichtervelde behoorde trouwens zelf tot de schuldeisers van Cassina en had al bij herhaling gedreigd tot uitvoering over te gaan[94]. Toen na enkele dagen bleek dat van een vrijwillige afstand van de curatele vanwege de familie geen sprake kon zijn, deed Neyts nog een tweede poging. Nu vroeg hij dat men minstens Cassina naar het kasteel van Boelare zou laten terugkeren ne fut ce que pour le distraire des idées sombres auxquelles le livrent l’oisiveté, le dénuement de tout, la maladie, le désespoir et la douleur qui l’agressent de plus en plus[95]. Ook hierop kwam geen gunstig gevolg, maar dat hadden de spitsbroeders wellicht voorzien en was die briefwisseling alleen maar bedoeld om zich vooraf in te dekken voor wat moest volgen.

Immers, enkele dagen later: coup de théâtre. De Backer liet weten: Wonsheim a commis la folie de dresser sa tente à Boulers. Hij was op 30 augustus in het kasteel getrokken, enkele dagen later gevolgd door de ganse aanhang Neyts en Baret, die de intentie hadden op het kasteel te blijven wonen, omdat ze volgens De Backer de huur voor hun Mechelse woning niet meer konden betalen. Cassina gedroeg zich alsof hij weer de heer van Boelare was en benoemde de zoon Louis Neyts tot luitenant baljuw van de baronie van Boelare en van de heerlijkheid Schendelbeke. Met de wethouders van de baronie had hij nog een eitje te pellen, want zij waren het die waren ingegaan op het oorspronkelijk verzoek tot het onder voogdij plaatsen dat door zijn moeder was ingediend. Gans de maand september en oktober spanden vader en zoon Neyts en Baret zich in om alle papieren in te kijken en de staat van de goederen van alles wat de heer van Boelare toekwam op te maken[96]. Cassina had zogezegd Louis Neyts al jaren geleden, voor hij door de curatele verhinderd werd rechtsgeldige daden te stellen, tot luitenant baljuw en griffier benoemd, en Jacob Neyts stuurde trouwens een kopie van die aanstelling naar Pouppez[97]. Maar zowel Pouppez als De Backer waren overtuigd dat het hier eens te meer om een geantidateerd stuk ging[98]. Hoe lang de “bezetting” van het kasteel duurde is niet duidelijk, maar dat ze een einde nam staat vast. Weliswaar kreeg Cassina nog op 4 oktober van zijn moeder, die in Eke bij haar schoonzoon en dochter de Lichtervelde verbleef, een briefje waarbij ze bevestigde dat als het van haar afhing, pour autant qu’il me regarde de consentir, hij opnieuw het kasteel mocht bewonen[99], maar waarschijnlijk waren zijn zusters of zijn curator het daar niet mee eens. Einde 1787 liet De Backer weten dat Cassina al enige tijd ingetrokken was bij Baret marié à la sultane, la fille de Neyts, die blijkbaar naar Brussel verhuisd was. Daar werden ze geregeld opgezocht door Isabelle Stassinon la vilaine vieille sa mère, qui vient donner ses perverses leçons[100].

Nog schreef Neyts een paar brieven naar de Lichtervelde, van wie hij blijkbaar niet wanhoopte enige steun te verkrijgen, al was het maar omdat die ook zou inzien que la fortune du comte de Wonsheim se dissipe en frais énormes de procès[101]. Het bleef vruchteloos. Het laatste wat we in de bewaarde briefwisseling lezen is een vriendelijk briefje van Cassina zelf aan zijn schoonbroer, waarin hij beloofde hem spoedig in Eke te komen opzoeken en ook, Madame et très honorée Mère in Doornik te gaan bezoeken. Hij zou dit doen zodra hij hersteld was van een zware jichtaanval[102]. Ondanks alle processen, bleef Cassina dus ook nog vriendschappelijke pogingen tot toenadering met de familie ondernemen. Een jaar later, op 6 mei 1790, in volle revolutietijd, overleed zijn moeder in Doornik en werd ze bij de Plothos in Ingelmunster begraven, waar ze zoals wat curieus in haar testament geschreven stond, abandonne mon corps mortel pour la nourriture des vers[103]. Volgens dit testament moest het erfdeel in vier gelijke delen worden verdeeld onder de overlevende kinderen[104]. Cassina kon zich opnieuw rijk wanen.

Hij was ondertussen met Neyts naar Frankrijk getrokken, waar hij in 1793, enkele maanden voor zijn dood, die intrad in Seclin op 28 januari 1794, een uitgebreid testament deed registreren. Na voorzieningen te hebben genomen voor zijn begrafenis, voor 100 zielenmissen en voor 400 broden voor de armen van Onkerzele en Boelare, na opnieuw geprotesteerd te hebben tegen de laster waarvan hij oordeelde het slachtoffer te zijn geweest en allen vergiffenis te hebben geschonken die hem kwaad hadden berokkend, beschikte hij over zijn goederen. Vooraf dienden zijn schulden tegenover Jacob Neyts, ten beloop van circa 16.000 gulden[105] te worden terugbetaald. Van het overblijvende was één derde eveneens voor de twee gebroeders Neyts en voor Isabelle Stassinon bestemd.  Hij rekende erop dat dit aanzienlijk méér dan 20.000 gulden zou bedragen, waarvan hij 6.000 gulden bestemde voor de zoon van het echtpaar, Jean-Celestin Neyts, 6.000 gulden voor de schoonzoon Jean-François Baret en 4.000 gulden voor die zijn dochter Isabelle, waar Cassina de peter van was. De andere twee derden gingen naar zijn wettige erfgenamen, met name zijn drie zusters, die hij aanspoorde om binnen de zes maanden de familie Neyts in speciën voor haar deel te vergoeden[106]. De naïeve man, die pas 43 was bij zijn overlijden, gedroeg zich dus tot op het einde, ondanks zijn berooidheid, als grand seigneur.

De erfgenamen kampten evenwel met de bezwaarde successie van hun moeder, vooral  omwille van de zware belastingen en heffingen die de opeenvolgende revolutionaire besturen hadden opgelegd. Ze namen in Geraardsbergen bankier Pierre-Jean Spitaels (1768-1851) onder de arm[107] en die deed wat hij kon. Hij trok zelfs naar Antwerpen om er de hulp in te roepen van de ondertussen machtig geworden Jean-François Baret, die het wel grappig zal hebben gevonden dat de nabestaanden van Charles Cassina op hem een beroep kwamen doen. Spitaels vroeg hem door syne bewerkinge afslag of quytschol van de contributien te connen bekommen. Baret maakte er zich van af met de verklaring dat hij door syne menigvuldige affairen daer in niets konde doen[108]. Het was natuurlijk pech voor de familie, dat één van haar tegenstanders en schuldeisers ondertussen een invloedrijk man was geworden. Hij gaf wel een aanbevelingsbrief mee voor advocaat Jacques-Guillaume Meyer (1756-1805) in Gent[109].

Dit betekende evenwel van de regen in de drop vallen, want toevallig kende ook Meyer het geval Cassina en zijn familietwisten van nabij. Hij was namelijk de testamentuitvoerder van Cassina! In 1790 had de actieve Vonckist Meyer in Gent de meest radicale revolutionaire strekking geleid[110], in 1792 had hij de kant van de Franse republiek gekozen en was hij zoals Baret dat in Brussel was, in Gent de voorman, de stichter zelfs van de Jacobijnse club. In 1793 was hij naar Frankrijk gevlucht en het was tijdens zijn verblijf aldaar dat Cassina hem tot zijn testamentuitvoerder had aangesteld. In 1794 was Meyer President van de Centrale Administratie van het Departement van de Schelde geworden en zelfs lid van de Administration Centrale et Supérieure en van de Conseil de Gouvernement die alle Belgische departementen onder controle hielden[111]. Men noemde hem le fléau des aristocrates et des royalistes. Spitaels was dan ook aan het slecht adres, want Meyer deelde hem onomwonden mee dat de republicque geld nodig hadde en dat de familie maar moest verkopen[112].

Ook de ex-vrouw van Cassina kwam voor de proppen met haar eisen om in de erfenis te delen, wat de zaken alleen nog maar bemoeilijkte en dan ook maakte dat de erfgenamen er niet aan dachten zomaar de wilsbeschikkingen van de excentrieke Cassina uit te voeren. Spitaels slaagde erin, dankzij een juridische uitputtingsslag, de familie Neyts vrede te doen nemen met enkel de terugbetaling van de bijna volledige schuld, zonder intresten of andere sommen, ten beloop van 14.000 gulden en dus ook zonder verdere rechten in de erfenis van Cassina. De zaak sleepte lang aan en toen het akkoord in 1804 eindelijk bereikt werd, waren de meeste belanghebbenden, Jacob en Frans Neyts, Isabelle Stassignon en Jean-François Baret overleden. Alleen zoon Jean-Celestin Neyts en de weduwe Baret bleven over om het bedrag in ontvangst te nemen[113]

Hiermee waren de problemen van de erfgenamen Cassina niet van de baan. Toen ze ten einde raad in 1816 het kasteelgoed in Boelare openbaar te koop stelden, werd het aangekocht door… Pierre-Jean Spitaels, van wie de erfgenamen er tot in 1962 bleven wonen[114]. Spitaels had de verkoop namens de familie georganiseerd en toen geen enkel ernstig bod werd gedaan, kocht hij het dan maar zelf. Waarschijnlijk was hij hier in zekere mate toe verplicht, wilde hij de gelden recupereren die hij aan de familie had voorgeschoten. Anderzijds kocht hij goedkoop. Voor het kasteel en 52 ha grond betaalde hij amper 4.074 fr aan de familie, en de tegenwaarde van 14.000 gulden aan Charles Van de Woestyne, die de aan Neyts te betalen som had voorgeschoten, mits het vestigen van een hypotheek op het kasteel[115].

Jean François Baret

Een ander belangrijk personage in het leven van Jacob Neyts en zijn gezin was de al enkele malen geciteerde Jean-François Baret[116]. Geboren in Boulogne-sur-mer in 1756, behaalde hij aan de universiteit in Parijs een graad van maître-ès-arts. Daarop werd hij in Namen econoom (of predikant) bij de aldaar gelegerde Hollandse troepen[117]. Na 1782 maakte hij een reis naar Rome en daar kreeg hij het verhaal te horen van zijn streekgenoot Benedictus Labre (Amettes bij Boulogne 1748 – Rome 1783). Het is niet duidelijk of hij de heilige man nog bij leven ontmoette, of pas na zijn dood zijn merkwaardige levensloop leerde kennen. Hoe dan ook, teruggekeerd in Boulogne, publiceerde hij in 1784 een biografie van Labre, onder de titel Le triomphe d’un vrai chrétien en parallèle avec celui des Sages du Monde ou Eloge historique de Benoît-Joseph Labre, die ook in vertaling verscheen bij De Moor in Brugge en bij Hanicq in Mechelen onder de titel Den zegeprael van eenen waeren Christen (…) of historische lofreden van B.J. Labre (50 blz.). Hierin deed hij onder meer het verhaal van de miraculeuze genezing, op voorspraak van Labre, van de president van het Mechelse seminarie Jean-François Huleu (1746-1815), die dit kort voordien zelf wereldkundig had gemaakt in een Tractatus historico-asceticus, boek dat zoals zijn talrijke andere werken (meer dan dertig) bij Hanicq gedrukt was.

Waarschijnlijk dankzij deze publicatie kwam Baret in contact met Pierre-Joseph Hanicq (geboren in Brugge in 1753), die sedert 1778 in Mechelen als drukker en boekhandelaar gevestigd was. Hanicq die drukker van het aartsbisdom was, begon in 1784 met een krant die hij, na eerst een paar andere namen te hebben uitgeprobeerd, vanaf het einde van dat jaar Le Courrier de l’Escaut noemde. De krant had, naast de ondersteuning van de politiek van Jozef II (Hanicq was een vijg), als hoofddoel campagne te voeren voor de heropening van de Schelde voor de scheepvaart. Hanicq riep Baret naar Mechelen en maakte hem vanaf januari 1785 redacteur van zijn krant. Als openingsartikel schreef Baret onder meer: Ma feuille ne peut être qu’une gazette, mais j’en exclurai tous les faits inutiles et peu intéressants. Je ne dirai rien que d’essentiel. Je veux que la suite de ces feuilles forme une histoire complette de la discussion qui occupe tous les esprits, je veux y montrer la gradation insensible qui doit amener les révolutions que l’on prévoit. In het nummer van 9 december 1784 had hij al geschreven: Je suis quaker. La guerre me déplaît, non parce que j’en suis une des premières victimes, mais par les maux qu’elle peut causer à mes frères[118]. Was Baret echt toegetreden tot de kerkgemeenschap van de Quakers, die ook in het Noorden van Frankrijk actief was? Of was hij protestant geworden door zijn contacten met de Hollanders in Namen? Zaakwaarnemer De Backer schreef alleszins over hem als le fameux apostat en le conseiller apostat et calviniste[119]. Of hij zich, toen hij in Sint-Rombouts huwde, verzoend had met de katholieke kerk dan wel een gemengd huwelijk aanging, zou nog verdere opzoeking vergen.

Baret was al vlug ingeburgerd in Mechelen. In 1785 publiceerde hij een lofdicht op  kardinaal-aartsbisschop de Frankenberg en een tekst over de vrijmetselarij, waarvan de inhoud niet bekend is. Werd hij zelf vrijmetselaar? Het is weinig waarschijnlijk, want tegen die tijd was de Grande Loge Provinciale des Pays-Bas stilaan aan het zieltogen, terwijl ieder logewerking in 1786 door de overheid in de provinciesteden verboden werd. Baret kwam in ieder geval in contact met vrijmetselaars, in de eerste plaats met de drukker Hanicq en verder met Charles de Cassina en de musicus Louis Neyts.

Zo kwam hij ook in contact met het gezin van Jacob Neyts en dit had tot gevolg dat hij op 29 juli 1787 in de Sint-Romboutskathedraal in het huwelijk trad met Marie-Isabelle Neyts, de oudste dochter van Jacob. De getuigen bij het huwelijk waren Charles de Cassina en Pieter Hanicq[120]. Een niet-ondertekende brief, maar die waarschijnlijk van advocaat Pouppez afkomstig was, bracht bij graaf de Lichtervelde verslag uit over de gebeurtenis. Volgens die brief werd het huwelijk voor dag en dauw ingezegend: om 5 uur waren ze de kerk al uit. Monsieur le comte était à la tête de cette bande infernale. Vandaar trokken ze naar de herberg waar Cassina woonde en hen het ontbijt aanbood et de là ils sont partis en grand cortège en Brabant, où il payera sans doute encore les pots cassés. De informant wist daarbij nog te vertellen dat de berooide Cassina een jaarpensioen van 600 gulden aan de bruid had beloofd, terwijl Baret van hem een eenmalig bedrag van 4.000 gulden zou ontvangen, als hij hem uit zijn curatele kon bevrijden[121]. Cassina was toen waarschijnlijk nog in de illusie dat hij zijn proces voor de rechtbank in Mechelen zou winnen en weldra opnieuw over zijn onafhankelijkheid zou beschikken.Dit werd dan al bij voorbaat gevierd ter gelegenheid van het huwelijk Baret-Neyts. Een paar dagen later kwam het negatieve vonnis dan ook hard aan.

Baret had nog méér ambities dan krantenredacteur te zijn. In 1786 stichtte hij op het stadhuis van Mechelen een soort vervolmakingschool. Hij had over het onderwijs duidelijke principes, die ingingen tegen het ingeburgerd pedagogisch model dat de jeugd zoveel mogelijk eruditie wilde bijbrengen. Hij was van de strekking mieux vaut une tête bien faite qu’une tête bien pleine. Daarbij kwam ook zijn democratiserende tendens naar boven, want hij verweet de geschiedschrijvers zich te uitsluitend met de vorsten bezig te houden en niet met het volk en de gewone man. Alvast verdedigde hij de moderne stelling dat veel weten op zich weinig nut had als het maar was om dit als een automaat te herhalen: La mémoire exercée sans le jugement est peut-être la première cause des erreurs, même des crimes des hommes prétendus instruits, zo schreef hij[122].

De houding van Baret in de eerste periode van de revolutietijd, die hij had zien aankomen, is niet helemaal duidelijk. In december 1789, op het ogenblik dat de Brabantse revolutie zegevierde, ontstond wellicht een meningsverschil met Hanicq over de te volgen gedragslijn en die moest op 10 december 1789 aan zijn lezers le départ inattendu du rédacteur melden. Betekent dit dat Hanicq de Oostenrijkers trouw bleef en Baret de kant van de revolutie koos, en zo ja aan wiens zijde, die van de Statisten of van de Vonkisten? Maar als dat zo was, moest dan niet eerder Hanicq vluchten en niet Baret? Of omgekeerd, draaide Hanicq de huik naar de wind, aangezien hij prompt zijn krant omdoopte tot Le Courrier Belgique en was het Baret die vijg bleef? Of was ‘vlucht’ of althans ‘politieke vlucht’ niet het juiste woord voor dit vertrek? Ging het eventueel, gelet op de ingewikkelde situatie hierboven geschetst, om een evolutie in de privésfeer? Was trouwens Baret einde 1787 al niet in Brussel gaan wonen en waren zijn banden met de Mechelse drukker niet al eerder verslapt? In het kielzog van Baret volgde alvast de familie Neyts, die voor alle zekerheid haar debiteur en spaarpotje de Cassina meenam.

In 1790 vindt men Baret terug in twee publicaties. Vooreerst in de Annales de la monarchie, een duidelijk conservatieve publicatie, in de geest van de Statisten[123]. Tevens werd hij in Duinkerken de redacteur van de Gazette de la Flandre Maritime Française, die verscheen van januari tot einde juni en die de in Parijs aan gang zijnde revolutie ondersteunde en de ideeën ervan in Vlaanderen en Brabant wilde verspreiden. De krant werd evenwel door de Soevereine Staten van Brabant verboden, zodat men mag aannemen dat de stellingen die erin werden verdedigd niet in overeenstemming waren met de conservatieve strekking die in de Brabantse revolutie de bovenhand had[124]. Baret dus toch revolutionair van de strekking Vonck? Of Baret schrijvend naargelang zijn broodheren?

Welke de politieke gezindheid van Jacob en Frans Neyts[125] was, als ze die al hadden of zich gelet op hun hachelijke toestand konden veroorloven, is evenmin duidelijk. Als ze einde 1789 nog in Mechelen verbleven (wat dus alles behalve zeker is) en de stad verlieten, kan dit doen veronderstellen dat ze keizersgezind bleven en niet onder de Etats Belgiques wilden leven. Maar nogmaals, waarom kwamen zij en Baret dan in ruzie met Hanicq die een notoire keizersgezinde was? Ledoulx schreef dat Jacob Neyts zelf ook redacteur was van Le Courrier de l’Escaut, samen met Baret en alzoo dit was geschreven wat schimpachtig op de opkomende patriotisme, en dat de patriotten de overhand kregen, heeft moeten het land verlaten in het jaer 1789 en is gevlught naar Vrankrijck en heeft gaen wonen tot Bolognie sur mer, daer hij is gestorven in het jaer 1796. Zoals reeds gezegd, was Ledoulx geen gezaghebbende bron. Hetgeen we hierboven schreven, zou evengoed tot de conclusie kunnen leiden dat het gezin gewoon “uitgeschud” de stad verliet, dit al eind 1787, op het ogenblik van de raid op Boelare en hiermee wellicht zijn schuldeisers ontvluchtte. Als het vertrek toch eerder einde 1789 zou te situeren zijn, kan men veronderstellen dat een bijkomende reden kan geweest zijn dat onder een nieuw regime represailles vanwege vijandig gezinde stadgenoten konden gevreesd worden en dat niet alleen omwille van politieke meningsverschillen. Anderzijds valt op te merken dat hun huisgenoot Cassina in 1793 als zijn testamentuitvoerder de Gentse advocaat en Vonckist Meyer aanduidde, die op dat ogenblik (tweede Oostenrijkse restauratie) ook in Frankrijk verbleef. Baret en Neyts in 1790 onder de aanhangers van Vonck rekenen, en na de mislukking van de Etats Belgiques tot de voorstanders van de Franse republiek, lijkt alles bij elkaar de meest waarschijnlijke hypothese.

Trok het gezin Neyts, Cassina inbegrepen, met Baret naar Frankrijk, waar hij hen misschien introducties bezorgde teneinde een inkomen te verwerven met wat ze het best konden, met name operastukken opvoeren? Of kwamen ze ook nog in 1790, zoals wellicht in1788 en 89, eerst naar Brugge terug om er weer actief te zijn als uitvoerders van Vlaamse Opera en verantwoordelijk te zijn voor de aanzienlijke activiteiten op dit gebied, zoals we die hierboven signaleerden? Behoudens het ontdekken van precieze documenten, zal dit wel altijd een vraagteken blijven.

Wat deed Baret in 1791 en 1792? Trok hij eventueel met zijn schoonvader en de familie mee op operatournees in het Noorden van Frankrijk? Men heeft er het raden naar. Trouwens, van die tournees zegt zelfs Ledoulx niets en men zou er toch minstens moeten kunnen bevestiging van hebben door persberichten in de Noord-Franse kranten van die tijd, of door andere bewijsvoering. Alvast sloot Baret zich toen op de een of andere manier bij de revolutie aan want hij dook plots in het volle daglicht op bij de inval van de troepen van generaal Dumouriez in november 1792 en was toen duidelijk gewonnen voor de Franse revolutie. Hij speelde onmiddellijk een voorname rol in Brussel, waar hij secretaris en voorzitter werd van de Jacobijnse club en bekend stond als un des orateurs les plus exaltés du club[126]. In maart 1793 bleef hij als één van de laatste aanhangers trouw aan de club. In een ultieme rede uitgesproken op 11 maart 1793 voor de zeldzame overblijvers, maakte hij een balans op en een verontschuldigend gewetensonderzoek. Hij zegde onder meer: La plainte la plus fondée c’est qu’on a fait à cette société des motions violentes; c’est qu’on y prend des arrêtés qui troublent la tranquilité publique. Sans doute, on a tenu souvent à cette tribune un langage peu mesuré; sans doute elle a souvent été déshonorée par des disputes personnelles; quelquefois aussi elle a pris des arrêtés rigoureux, mais tout cela venait d’un excès de zèle patriotique[127].

Daarop volgde hij de Fransen in hun aftocht om in juni 1794 bij de definitieve Franse overheersing eerst in Brussel lid te worden van het Comité de sûreté générale en vervolgens in Antwerpen openbaar aanklager (het equivalent van onze Procureur des konings). Vanaf begin 1797 vervulde hij dezelfde functie in het departement van de Leie, zodat hij zich in Brugge kwam vestigen. Tegen die tijd was de episode van de Franse toneelopvoeringen van de familie Neyts, als die inderdaad plaats vond, al minstens drie jaar voorbij. Jacob Neyts was op 6 juli 1794 in Boulogne-sur-mer overleden en zijn weduwe was naar Brugge teruggekeerd, waar ze voortaan op de Eiermarkt, samen met haar zoon Jean-Celestin een tabakwinkel uitbaatte. Dit gebeurde onder de handelsnaam In Amsterdam, wat gelet op de herinneringen aan de schouwburgbrand van 1772, voor een winkel van rookartikelen wel enigszins uitdagend kon genoemd worden. Ook broer Frans keerde naar Brugge terug.

Voor de familie Neyts was het waarschijnlijk een hele belevenis dat de schoonzoon nu plots één van de voornaamste machthebbers in het departement en in de stad was. Als men van hem iets wilde bekomen, dan moest men dat heel beleefd vragen. Oud-burgemeester Robert Coppieters ondervond het. Zijn eerste contact met Baret was niet onaangenaam. De openbare aanklager kwam zelf de oud-burgemeester opzoeken en was vergezeld van zijn vrouw, die als Bruggelinge en als dochter van de toneelman Jacob Neyts wellicht als introductie diende bij de mede-eigenaar en trouwe bezoeker van de schouwburg die Coppieters was. Baret kwam vragen een beschermelinge van hem, Marie Maeyens, op te nemen in de armenschool op de Onze-Lieve-Vrouwparochie, waar Coppieters voogd van was. Die stond de vraag onmiddellijk toe, want Baret viel mee: le trouvant fort poli et très prévenant et porté à rendre service. Coppieters profiteerde ervan om onmiddellijk een wederdienst te vragen aan citoyen Baret, die er naar hij hoopte zou voor zorgen dat de schoolgebouwen verder gratis zouden ter beschikking blijven en dat Coppieters zelf de door hem voorgeschoten bijna 3.000 gulden werkingskosten voor de gratis toegankelijke school, van de overheid zou terugbetaald krijgen. Salut et fraternité ondertekende de recent door de Oostenrijkers tot baron gepromoveerde edelman, die als hij iets moest bekomen, en vooral als het over zijn centen ging, geen moeite had om zich aan de nieuwe geplogenheden aan te passen![128]

In de loop van 1797 werd Baret commissaire du pouvoir exécutif voor het departement van de Leie. Hoe hij zich opstelde tijdens de Beloken Tijd van kerkvervolging die toen inging, is nog niet onderzocht. Na de staatsgreep van 4 fructidor An V (14 november 1797) die een radicalisering van de politiek inhield, werd hij lid van de Conseil des Anciens, zelfs secretaris, en verbleef voortaan vaak in Parijs. Hij liet zich in zijn nieuwe functie niet onbetuigd, verdedigde onder meer de decadaire feesten en de blokkade van Engelse invoer. Als Quakeradept liet hij zich opmerken door een sterk antimilitarisme en kwam hierdoor met Mirabeau in botsing. Toen kwam 18 Brumaire (9 november 1799), de staatsgreep van Bonaparte en de Constitution de l’An VIII (13 december 1799). Baret koos de goede kant en werd naar het Département du Nord gestuurd om er de ambtenaren uit te zuiveren die het nieuw regime niet gunstig gezind waren. Als dank werd hij als enige “Belg” benoemd in het Tribunaat, het nieuw wetgevend lichaam dat uit 100 leden bestond[129]. Hij werd evenwel ziek terwijl hij zich in Valenciennes bevond en overleed er begin van het jaar 1800. Hij was amper vierenveertig. Had hij langer geleefd dan zou hij waarschijnlijk zichzelf en de familie Neyts nog tot op grotere hoogte hebben opgetild.

Een juridische nasleep

Het drama van de volledige ruïne van de familie, nadat de weduwe van Thomas Neyts omstreeks 1740 een roekeloos proces had ingespannen en verloren, was meer dan tachtig jaar later nog altijd niet door de nakomelingen vergeten. Men kan zich goed voorstellen dat de berooide Jacob Neyts op zijn kinderen de nostalgie had overgedragen van de tijd toen we rijk waren.

Albert Claesman en zijn echtgenote die de heerlijkheid Nieuwburg en de aanzienlijke eraan verbonden eigendommen hadden geërfd, hadden maar één dochter, Isabelle Claesman († 1768) die als begeerde enige erfgename in het huwelijk trad met de rijke burger, ondernemer, stokhouder van de baronieën Male en Vyve, griffier van het feodaal hof op de Burg van Brugge en tresorier van Damme, Charles-Jean Dhont (1723-1798)[130]. Hij werd in 1760, het jaar van hun huwelijk, in de adelstand verheven en nam de naam aan van ridder Dhont de Nieuwburg de Bouchoute de Bassevelde[131]. Aangezien dit huwelijk en ook zijn tweede met Anne le Bailly (1751-1830) kinderloos bleef, werd de aanzienlijke erfenis[132] verdeeld onder de nakomelingen van zijn broers en zuster, meer in het bijzonder de families Pecsteen en Peers[133].

Wie of wat heeft er de nazaten Neyts toe aangezet een poging te ondernemen om op die rijke erfenis, minstens op het deel dat van Isabelle Claesman kwam, aanspraak te maken? In 1827 spanden ze een geding in voor de rechtbank van eerste aanleg in Brugge tegen Macharius Peers (1763-1844)[134], Jacques Pecsteen (1769-1849)[135] en consorten. In eerste instantie maakten die er zich van af met te pleiten dat de broers Neyts, als geadopteerde kinderen geen aanspraak hadden kunnen maken op erfenissen via hun adoptievader en meteen betwistten ze ook de rechtsgeldigheid van hun opname in de adelstand.

Na meer dan vijf jaar procederen sprak de rechtbank haar vonnis uit. Wat de erkenning betrof van de opname in de adelstand van Frans en Jacob Neyts, kregen hun nakomelingen gelijk. De open brieven waarmee de broers geadeld werden, waren wel degelijk in goede orde geregistreerd. De adoptie, gebeurd volgens het gewoonterecht van het Brugse Vrije en volgens het Romeins recht, werd eveneens als rechtsgeldig bevestigd, met als gevolg dat de broers Neyts konden erven van hun adoptievader. Het slechte nieuws volgde hierop. De broers Neyts waren geen agnaten, of verwanten langs mannelijke zijde van Isabelle Claesman, maar cognaten, verwanten langs de vrouwelijke zijde. Hierdoor konden ze volgens de regels die onder het Ancien Regime golden in het Brugse Vrije, geen rechten op de erfenis doen gelden.

Hiermee was de kous evenwel niet af. De erven Neyts hadden immers ook gepleit dat wat voor hen eventueel gold, ook voor de familietak Dhont van toepassing was, dat die dus ten onrechte geërfd had en de goederen van Isabelle Claesman als vacant moesten beschouwd worden. Vacante goederen waren bestemd om naar de Schatkist te vloeien en, als in die zin gevonnist werd, was het niet uitgesloten dat de erven Neyts een voor hen gunstige regeling met de administratie van financiën zouden kunnen treffen. Ze hadden dus wel degelijk belang vonden de rechters De Roo[136], Bauwens[137] en De Ritter[138] en werden door het vonnis uitgenodigd om het bewijs te leveren dat het inderdaad om vacante goederen ging[139].

De erfgenamen Neyts namen met de uitspraak geen vrede en tekenden beroep aan. Op 29 juli 1836 gaf het arrest van het Hof van Beroep in Gent hen opnieuw in zekere mate gelijk, om ze dan weer meteen ongelijk te geven. Opnieuw werd bevestigd dat de open brieven van 1733 zeker geldig waren en de gebroeders Neyts dus wel van hun adoptieouders konden erven, althans van hen en van de familieleden aan de mannelijke zijde, met uitsluiting van successies via de vrouwen. Ze zouden dus steeds vreemd gebleven zijn aan de erfopvolging van Isabella Claesman. Hieruit besloot het Hof, in tegenstelling tot de Eerste aanleg, dat er geen verdere aanleiding meer bestond om na te gaan of er sprake was van vacante goederen, gezien hoe dan ook de aanlegger geen belang kon doen gelden. Het vonnis in eerste aanleg werd op dat punt vernietigd.

Hierop trokken de nakomelingen Neyts naar Cassatie[140]. Ze deden dit op drie gronden: het Hof zou ten onrechte beslist hebben dat bij de adoptie beperkingen zouden zijn opgelegd voor wat betreft latere erfenissen; ook ten onrechte dat de geadopteerde kinderen vreemd zouden zijn aan de familietak van Thomas Neyts en er derhalve niet konden van erven; en eveneens onrechtmatig dat het irrelevant was na te gaan of het hier al dan niet om vacante goederen ging, gezien ze er hoe dan ook niet in gerechtigd waren. Ook hier haalden ze enkele principiële genoegdoeningen. Ze hadden evenwel het geweer enigszins van schouder veranderd in hun besluiten. Het ging er immers niet om, zo betoogden ze, te willen erven van Isabella Claesman, waar ze geen bloedverwant van waren, maar het ging erom twee generaties hogerop, in hoofde van Thomas-Maximiliaan Neyts familiegoederen te doen terugkeren (en hierdoor dus naar hen), volgens de regels van het gewoonterecht binnen het Brugse Vrije. Het Hof van Cassatie was het hiermee evenwel niet eens. Het vond dat het Hof van Beroep terecht had beschouwd dat het om een eis op een erfenis ging en dat noch Thomas-Maximiliaan Neyts, noch a fortiori zijn nakomelingen hierop recht hadden. De afwijzing was dan ook terecht en was op de juiste rechtsgronden gebeurd, oordeelde Cassatie. In datum van 27 november 1837 werd dan ook de voorziening in verbreking verworpen[141]. De ganse procedure had meer dan tien jaar geduurd.

Wat Marguerite Lynch bijna honderd jaar vroeger niet had kunnen verkrijgen, was evenmin aan de nazaten gelukt. Verdere procedures waren nutteloos en de kansen om nog ooit de hand te leggen op een fortuin waar ze recht meenden op te hebben, waren uiterst gering zoniet onbestaande geworden. Dat ze niettemin vijftien jaar later nog aan hun adellijke afkomst hielden, ook al was die nooit door hun voorvader gebruikt en evenmin in de Hollandse noch in de Belgische tijd herbevestigd, en derhalve juridisch vervallen, toont de genealogie Neyts Cary aan in de Recueil héraldique van 1851. Misschien hadden ze toch nog niet alle hoop opgegeven de erfenis te recupereren of wilden ze alvast aantonen dat hun adelbrieven niet moesten onderdoen voor die van de Dhonts, Peers en Pecsteens. Ze slaagden er evenwel niet in de vivre noblement, noch een vernieuwde erkenning van adeldom te bekomen, als ze die al aanvroegen. Weldra verdwenen ze in de anonimiteit. Dit betekende het einde van het verhaal à la Balzac van de gebroeders Neyts en hun familie.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in:

Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis in Brugge,

2001, blz. 56-100)


[1] J. HUYGHEBAERT, Jacques-Toussaint Neyts Cary, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Deel XIII (1990), kol. 592-598.

[2] P. F. LEDOULX, Leven der konstschilders, konstenaressen (…) van de stad Brugge (…), handschrift uit 1795-1800, Stadsarchief Brugge, Deel II, blz. 80-93. Op deze tekst berusten de biografiën door:

J. DE MERSSEMAN, Neyts (Jacques-T. Cary dit) in: Biographie des hommes remarquables de la Flandre Occidentale, Brugge, 1844, Tome II, blz. 7-11.

I. STECHER, Neyts Jacques, dit Cary, in: Biographie Nationale, Tome XV, 1899, kol. 657-662.

[3] B. VAN OOSTVELDT, Jacob Toussaint Neyts en de Vlaemsche Opera, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1997, blz. 172-202.

[4] A. VAN DEN ABEELE, De biografie van Mathias De Visch (1701-1765), in: Biekorf, 1981, blz. 356-363.

[5] Stadsarchief Brugge, doopregisters, Onze-Lieve-Vrouw, 3de portie. Zijn peter was Toussaint Michiels, waarvan de weduwe bij de volkstelling van 1748 in de Zwarte Leertouwersstraat stond ingeschreven als ‘waschege’.

[6] De meeste vergissingen, niet alle, werden gecorrigeerd in F. VAN DYCKE, Recueil héraldique des familles nobles et patriciennes (…), Brugge, 1851, blz. 97, 255 en 302-305. We hebben de Brugse gegevens gecontroleerd in SAB, parochieboeken. De overlijdensdatum voor Margareta Lynch staat bij Van Dycke niet vermeld onder de notitie Neyts, maar onder de notitie Lynch, blz. 255.

[7] F. VAN DYCKE, a.w., vermeldt hun overlijden in Brugge respectievelijk in 1691 en 1715. Ze komen niet voor in de parochiale overlijdensregisters, maar wellicht was dat omdat ze als vreemdelingen in de kerk van de Augustijnen begraven werden.

[8] F. VAN DYCKE, a.w. vermeldt verkeerd dat hij van 1743 tot 1749 burgemeester van schepenen in Brugge was.

[9] Stadsarchief Brugge, Inventaris bekommerde inboedels.

[10] G. F. TANGHE, Parochieboek of beschrijving van Zuijenkerke, Brugge, 1861, blz. 10.

E. VAN DER ELST, Kleihem, in: De woonstede door de eeuwen heen, n° 10, 1971, blz. 43-51. De zuster Eleonore Spanoghe stichtte het Godshuis dat haar naam draagt in de Katelijnestraat en Stoofstraat.

[11] Stadsarchief Brugge, Kruisbooggilde Sint-Joris, ledenboek.

[12] Met die graad vermeld bij de successies van zijn broer en zuster.

[13] Rijksarchief Brugge, Archief van het Prinselijk Leenhof op de Burg van Brugge, n° 79/ 23, récipissé voor de verheffing van het leen Kleiem (1702)

[14] Misschien had hij al in de erfenis van zijn vader Walcourt en/of Izenberge verkregen, maar dit konden we niet nagaan.

[15] Rijksarchief Brugge, idem, n° 79, Letteren van vercaevelinge ende vacacies ten sterfhuyze van d’heer ende meester Jan-Baptist Neyts, 5 januari 1703.

[16] idem, n° 79, Letteren van vercaevelinge ten sterfhuyze van mevrouw Maria-Barbara Neyts, 19 december 1703.

[17] L DUERLOO en P. JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel van de 15de tot de 20ste eeuw, Brussel, 1992, Deel N-Z, blz. 51-52. Het jaar voordien was zijn schoonbroer Jacob Trappequiers in de adelstand verheven. Men ontkomt niet aan de indruk dat tussen beide familietakken een vorm van wedijver, zoniet naijver bestond.

[18] L. DUERLOO en P. JANSSENS, a.w., Deel A-E, blz. 470.

[19] E. VAN DER ELST, a.w.

[20] G. DUMON, Volkstelling Brugge 1748, Brugge, 1993, n° 19/6749.

[21] N. GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes en de Jeruzalemstichting te Brugge, Dl. I Inventaris, Dl. II Regesten van de oorkonden en brieven tot en met 1500, Brugge, 1987, trefwoord Nieuwburg.

[22] G. CLAEYS, Kroniek van Oostkamp, z.p., 1985, blz. 90-91, 160 en 201; Rijksarchief Brugge, Staten van Goed Brugse Vrije, 4de reeks, n° 1226, verdeling in 1730 van de erfenis van Anna Felicia Neyts, tussen haar dochters Claesman-Trappequiers en Le Gillon-Trappequiers.

[23] Het huidig n° 23, thans Muziekconservatorium.

[24] SAB, Staten van Goed 2de reeks, n° 17815 (Neyts). Deze Staat van goed is ontgoochelend, doordat het alleen om een heel beperkte akte gaat (blijkbaar een overschrijving uit een groter geheel), daterend uit 1756, waarbij Margaretha Lynch een klein bedrag en een stuk grasland aan een nieuwe eigenaar overdroeg.

[25] Stadsarchief Brugge, n° 636, Dossier betreffende de nalatenschap van Isabelle Albertine Claesman, dochter van Albert Claesman, baron van Male, heer van Vijve, etc., echtgenote van Charles Dhont en juridische betwistingen hieromtrent (18e-19de eeuw, met retroacta).

[26] Normaal zou dit zich op het Rijksarchief in Brugge moeten bevinden, in de reeksen Staten van Goed van het Brugse Vrije. Het komt wel meer voor dat stukken ontbreken van families waar moeilijkheden voorkwamen. Dit wellicht omdat de Staat van Goed ook voor andere zaken werd geraadpleegd en van de weeserie naar een andere instantie overging.

[27] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, 17815 (jaar 1756) is niet die Staat van goed, maar een beknopt overzicht van een eerder onbenullige zaak tussen Margareta Lynch en Albert Claesman.

[28] Stadsarchief Brugge, Registers van de zestendeelen, Onze-Lieve-Vrouw 0906, 2156, 4110, 4384, 4542 (met dank aan archivaris Jan Dhondt). Het is niet uitgesloten dat bij verdere ontsluiting van dit archief, nog andere eigendommen van Neyts zullen te voorschijn komen.

[29] E. VAN DER ELST, a.w.

[30] Het echtpaar Dirick ligt, samen met hun dochter Valentine (†1868) begraven op het Brugs kerkhof, vak 27.

[31] J.J. GAILLIARD, Bruges et le Franc (…), Brugge, 1862, Tome 5, blz. 213.

[32] G. DUMON, a.w., n° 44/1123.

[33] J. HUYGHEBAERT, a.w. kol. 593.

[34] A. VAN HOUTRYVE, Van Comedie tot Koninklijke Stadsschouwburg, Brugge, 1995, blz. 17-19; B. VAN OOSTVELDT, a.w., blz. 178-182.

[35] F. VAN DYCKE, a.w. blz. 302-305; Stadsarchief Brugge, parochieboeken en akten Burgerlijke stand. De aangifte van overlijden werd gedaan door J. Fr. Baret, op dat ogenblik ‘commissaire du directoire exécutif du département de la Lys’ en zijn schoonbroer Jean-Celestin Neyts. Frans Neyts, werd opgegeven als rentenier, en er werd vermeld dat hij als Cary geboren was en de aangenomen zoon was van Thomas Neyts.

[36] A.J. VAN DER AA, Biografisch Woordenboek der Nederlanden, Amsterdam, 1852, trefwoorden Neyts Jacques en Neyts François.

[37] A. HANOU, Sluiers van Isis, Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting (…), Deventer, 1988, Deel II, blz. 26 en 130.

[38] Stadsarchief Brugge, Archief speellieden, Resolutieboek van de Confrerie van het Concert (inventaris A. Vandewalle n° 415); A. VAN DEN ABEELE, Het “Concert”. Van Brugse muziekvereniging tot schouwburguitbater, in Brugs Ommeland, 1994, blz. 171-242.

[39] A. SCHOUTEET, De klerken van de vierschaar te Brugge met inventaris van hun protocollen, Brugge, 1973, blz. 233.

[40] A. SCHOUTEET, De Sabbatine. Een Brugse vereniging van rechtsgeleerden in de 18de eeuw, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1981, blz. 99-111.

[41] Dit gebouw stond waar eind jaren negentien zestig de huizen met nummers 21 tot 25 zijn gebouwd. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd het gebouw gebruikt door de suikerraffinaderij Ley, in de negentiende eeuw onder meer door de stedelijke Nijverheidsschool, in de twintigste eeuw voor de Burgerwacht en uiteindelijk ook als schoolkliniek. Een gedeelte werd ook als stapelplaats gebruikt door de firma Metalunion.

[42] J. HUYGHEBAERT, Jacob Toussaint Neyts en zijn Yverige Brugsche Joncheyt, in: ‘t Beertje, volkskundige almanak, Brugge, 1987, blz. 78-88.

[43] J. HUYGHEBAERT, Nat. Biogr. Woordenb., a.w., kol. 549.

[44] Ledoulx gaf 1771 als datum op: één van zijn talrijke vergissingen.

[45] A.A.J. VAN DER AA, a.w. art. Rivier.

[46] J. HUYGHEBAERT, a.w., kol 549.

[47] C. WYBRANDS, Het Amsterdams toneel, z.d., blz. 201-212.

[48] B. VAN OOSTVELDT, a.w., blz. 182-188; J. HUYGHEBAERT, West-Vlaams in de opera van Amsterdam rond 1770, in: Biekorf, 2000, blz. 275-279. Het verhaal van Neyts en van de brand van de Amsterdamse opera hebben Daphne MEIJER geïnspireerd voor haar roman Het plezier van de duivel, Amsterdam, 1995.

[49] F.V. GOETHALS, Lectures relatives à l’histoire des sciences, des arts, des lettres, des moeurs et de la politique en Belgique et dans les pays limitrophes, Brussel, 1838, T. III, blz. 232-239.

[50] J. HUYGHEBAERT, West-Vlaams in de Opera van Amsterdam, a.w., blz. 278.

[51] Stadsarchief Brugge, Verslagboek “Concert”, f° 55 v°; A. VAN DEN ABEELE, a.w., blz. 195-196.

[52] A. VAN DEN ABEELE, a.w., blz. 204-206.

[53] J. VAN WALLEGHEM, Daegelijksche gevallen 1790, folio 143 en 146.

[54] Tenzij anders vermeld, de gegevens hierna uit: V. CAMPEN, La baronie de Boulaere, Geraardsbergen, 1930.

[55]  H. INSTALLE, Mechelse verlichte geesten, vrijdenkers en vrijmetselaars (1772-1840), Antwerpen – Rotterdam, 1990, blz. 48 en 51.

[56] J. HUYGHEBAERT, a.w., kol. 595.

[57] Zijn omvangrijk familiearchief berust op het stadsarchief van Gent.

[58] G. SCHRANS, Le “rendez-vous de la noblesse”: La Loge Bruxelloise “L’Heureuse Rencontre” au XVIIIe siècle, in: Acta Macionica, Volume 8 (1998), blz. 232-238.

[59] Zoals wel eens meer voorkomt met wat minder geslaagde en daarenboven uitgestorven families, zijn genealogische gegevens moeilijk te vinden. Noch de Annuaire de la Noblesse de Belgique, noch de genealogische werken van F.V. GOETHALS bevatten gegevens. Een paar gegevens in DE VEGIANO, Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne, Dl. I, 1865, blz. 401. Onze gegevens komen hoofdzakelijk uit V. CAMPEN, blz. 118-119, M. VAN TRIMPONT Het Land en de Baronie Boelare, Geraardsbergen, 1998 en G. SCHRANS, a.w.

[60] B. VAN DER SCHELDEN, La Franc-maçonnerie belge sous le Régime Autrichien (1721-1794), Leuven, 1923, blz. 340-341 en 360

[61] Stadsarchief Gent, Modern Archief, Fonds Napoleon De Pauw, nrs. 2248 en 4135 (Bara); G. SCHRANS, Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw, Gent, 1997, blz. 60, 326 en 436.

[62] R. DE SCHRIJVER, Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck, Brussel, 1965, blz. 15 en 23 en v.; M. DE VEGIANO, Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne, (uitgave de Herckenrode), Gent, 1870.

[63] Met mijn dank aan graaf René de Brouchoven de Bergeyck en graaf Daniel de Brouchoven de Bergeyck voor de verstrekte inlichtingen.

[64] P. DUCHAINE, La franc-maçonnerie belge au XVIIIe siècle, Brussel, 1911, blz. 380-381; H. INSTALLE, a.w. blz. 40-4..

[65] INSTALLE, a.w., blz. 16, evenwel zonder bronaanduiding.

[66] M. VAN TRIMPONT, a.w., blz. 254.

[67] V.CAMPEN, a.w., blz. 122.

[68] L. SLOSSE, Rond Kortrijk of schetsen over de prochiën van het oud bisdom van Doornyk (…), Eerste Deel, Roeselare, 1898-1903, blz. 249.

[69] E. DE SEYN, Geschied- en Aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, Eerste Deel, Brussel, z.d., blz. 275. Volgens V. CAMPEN evenwel, zou Deerlijk aangekocht zijn door burggraaf Robert de Moerman.

[70] Bouwen door de eeuwen heen, deel 5n 1, provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Aalst, Gent, 1978, blz. 383-386.

[71] Universiteitsbibliotheek Gent (UBG), Fonds Vliegende Bladen (VB) I N 10, brief 4/10/1787 van Pouppez aan de Lichtervelde geeft hiervan een lichtjes andere versie: Je n’ai en vérité accepté la charge avec bien de la répugnance et uniquement pour me rendre à des sollicitations qu’on me fit à ce sujet (was die “on” Cassina zelf?). Overigens bekloeg Pouppez er zich over dat hij nooit een frank ereloon had kunnen in rekening brengen en dat zijn ander werk leed door de vele beslommeringen die deze voogdij hem bezorgde.

[72] In zijn testament van 1793, heeft Cassina het over twaalf jaar dat Neyts hem diensten zou bewezen hebben, wat ons dus tot 1781 zou leiden. Men moet hierbij rekening houden met het feit dat, om de rechtsgeldigheid van de schulden die hij tegenover Neyts had te kunnen blijven volhouden, hij de gekregen financiële hulp moest kunnen situeren voor de datum eind 1784 waarop hij onder curatele werd gesteld. Neyts daarentegen, in zijn briefwisseling met Charles de Lichtervelde, zegde in augustus 1787 dat hij Cassina sedert twee jaar steunde en in maart 1789 sprak hij van “meer dan drie jaar”. Dus eerder 1784-85.

[73] B. VAN DER SCHELDEN, a.w., blz. 340-341.

[74] Universiteitsbibliotheek Gent (UBG), Fonds Vliegende Bladen (VB) I N 10

[75] idem, brief 29/01/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[76] idem, brief 5/08/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[77] idem, brief 5/02/1785, niet ondertekend aan Cassina. Hoe die brief tussen de papieren van de Lichervelde terecht kwam is natuurlijk een raadsel.

[78] Wat misschien in familieverband wel kon worden opgeworpen, maar wat in de gevoerde procedures niet ter sprake kwam: daar ging het alleen over de financiële aspecten van het geschil.

[79] Rijksarchief Ronse, Familiearchieven 574/84 is een medisch verslag van 21 juli 1784 door een geneesheer J. Verkerk uit Leuven waarin Cassina als een zenuwlijder wordt beschreven.

[80] UBG, VB I N 10, brief 9/08/1787 van Neyts aan de Lichtervelde.

[81] idem, brief 23/02/1789 van Neyts aan de Lichtervelde.

[82] idem, brief 29/07/1787, waarschijnlijk van Pouppez aan de Lichtervelde.

[83] idem, brief 17/11/1787 van Neyts aan Pouppez.

[84] idem, brief 21/11/1787 van Neyts aan advocaten Picard en Dehautpré

[85] idem, kopie van verzoekschrift 23/11/1787 van Pouppez aan de rechtbank.

[86] idem, brief 29/07/1787, waarschijnlijk van Pouppez aan de Lichtervelde.

[87] idem, brieven 5/08 en 19/09/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[88] idem, brief 30/05/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[89] idem, brief 19/07/1787 van Cassina aan de Lichtervelde; exemplaar van het verweerschrift in Rijksarchief Ronse, familiearchieven n° 574/85.

[90] Mémoire, blz. 16.

[91] UBG, VB I N 10, brief 25/07/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[92] idem, brief 5/08/87 van De Backer aan de Lichtervelde.

[93] idem, brief 9/08/1787 van Neyts aan de Lichtervelde, met kopie van diens antwoord.

[94] idem, brief 4/10/1787 van Pouppez aan de Lichtervelde; brieven 23/12/1787 en 21/01/1788 van De Backer aan de Lichtervelde.

[95] idem, brief 19/08/1787 van Neyts aan de Lichtervelde.

[96] idem, brief 19/09/1787 van De Backer aan de Lichtervelde; niet-ondertekende brief van 26/10/1787 aan “Madame Mère”.

[97] idem, brief 17/11/1787 van Neyts aan Pouppez. In 1782 had Cassina een bediende Neyts: Jacques? zoon Louis, die toen 19 was? (zie M. VAN TRIMPONT, a.w., blz. 257)

[98] idem, brief 21/11/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[99] Rijksarchief Ronse, Familiearchief Cassina;  574/78; M.VAN TRIMPONT, a.w., blz. 259.

[100] UBG, VB I N 10, brief 11/12/1787 van De Backer aan de Lichtervelde. Wat waren die perverses leçons? Zanglessen wellicht, waarbij de pikante liedjes uit het repertoire van de opera-comique werden aangeleerd?

[101] idem, brieven 23/02 en 1/03/1789 van Neyts aan de Lichtervelde.

[102] idem, brief 15/03/1789 van Cassina aan de Lichtervelde.

[103] Rijksarchief Ronse, Familiearchieven 574/34.

[104] V. CAMPEN, a.w., blz. 124.

[105] Het precieze bedrag bedroeg: 15921 gulden en nog wat kleingeld. Het ging nog altijd om hetzelfde bedrag dat Neyts al vanaf juli 1787 opeiste: blijkbaar had hij geen verdere bedragen meer aan Cassina geleend, voor zoveel natuurlijk de vroegere bedragen werkelijk aan leningen beantwoordden. Die leningen aan een onder curatele gesteld persoon, zouden trouwens niet rechtsgeldig of opeisbaar geweest zijn.

[106] V. CAMPEN, a.w., blz. 124; M. VAN TRIMPORT, a.w., blz. 261.

[107] V. SCHOBBENS en W. VAN HILLE, Descendance de J.B. Spitaels, Tablettes des Flandres, Document 1, Brugge, 1958, blz. 120.

[108] Rijksarchief Ronse, familiearchieven 574/330 en 332; M. VAN TRIMPORT, a.w. blz. 267.

[109] G. SCHRANS, Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw, a.w., blz. 392-393.

[110] S. TASSIER, Les démocrates belges de 1789, Brussel, 1930, blz. 323, 374, 405.

[111] F. LELEUX, Charles Lambrechts, un démocrate inconditionnel, z.u., z.p., 1989, blz. 119 en 135.

[112] Rijksarchief Ronse, familiearchieven 574/330 en 332; M. VAN TRIMPONT, a.w. blz. 267.

[113] Deze langdurige en ingewikkelde zaak zou nog verder kunnen worden uitgepluisd, op basis van de archieven Cassina (Ronse) en de Murat (Gent), maar dit lijkt ons in het kader van dit artikel niet nodig.

[114] V. CAMPEN, a.w. blz. 127-128. Vrederechter Campen was zelf met een afstammelinge van Spitaels gehuwd en woonde op het kasteel van Boelare; M VAN TRIMPONT, a.w., blz. 278.

[115] V. CAMPEN, a.w., blz. 128; M. VAN TRIMPONT, a.w., blz. 272-273.

[116] Dictionnaire de Biographie Française, Tome V (1951), col. 448.

[117] UBG, VB IN 10, brief 25/07/1787 van De Backer aan de Lichtervelde. De Hollandse troepen lagen in Namen uiteraard ingevolge het Barrièretraktaat. In 1782 werden die kazerneringen door een beslissing van Jozef II opgeheven. Baret was 18 jaar in 1774. Tussen 1774 en 1782 kan hij dus zowel zijn studies afgemaakt hebben als in Namen werkzaam geweest zijn. De Backer schreef dat Baret “ministre” bij de Hollandse troepen was. Is het aan te nemen dat hij er als predikant optrad? Niet helemaal uit te sluiten natuurlijk, hoewel hier het woord ministre evengoed als econoom kan begrepen worden.

[118] H. INSTALLE, a.w., blz. 76.

[119] idem en UBG, VB I N 10, brief 5/08/1787 van De Backer aan de Lichtervelde.

[120] Stadsarchief Mechelen, huwelijksregisters Sint-Rombouts, n° 32, blz. 202.

[121] UBG, VB I N 10, brief van 29/07/1787, waarschijnlijk van Pouppez aan de Lichtervelde.

[122] BARET, Discours pour l’ouverture d’un cours de langue Française et Belles Lettres, prononcé à Malines dans une des salles de l’Hôtel de Ville, le 17 octobre 1786, par BARET, Maître-des-Arts de l’Université de Paris.

[123] Galerie historique des contemporains ou nouvelle biographie, Mons, 1827, Tome I, blz. 317.

[124] A. VIAENE, Veelnamig Vlaanderen, in: Biekorf 1971, blz. 5-14.

[125] Ik neem de hypothese dat Frans Neyts samen met zijn broer in Mechelen verbleef, alhoewel over hem nergens sprake is.

[126] A. LEVAE, Les jacobins, les patriotes et les représentants provisoires de Bruxelles. 1792-1793, Bruxelles, 1846, blz. 214.

[127] idem, blz. 359.

[128] R. COPPIETERS, Journal d’évènements divers et remarquables, uitgegeven door P. Verhaegen, Brugge, 1907, blz. 374 en 401-402.

[129] F. LELEUX, a.w., blz. 327.

[130] Naast zijn kasteel in Bassevelde en Nieuwburg in Oostkamp, woonde hij in Brugge vele jaren in een aanzienlijk herenhuis, thans Garenmarkt 17 (C. D’HOOGHE, De huizen van het Zuidproosse te Brugge van ca. 1400 tot 1920, Brussel, 1997, blz. 85.)

[131] L. DUERLOO en P. JANSSENS, a.w., Dl. A-E, blz. 689.

[132] Bij de bijzondere contributies die tijdens de Franse overheersing werden opgelegd, was Dhont in Brugge de hoogst belaste.

[133] L. DUERLOO en P. JANSSENS, a.w., Dl. N-Z, blz. 156: de toevoeging de Nieuwburg gebeurde pas bij KB van 20 mei 1896.

[134] idem, blz. 690 en Dl. N-Z, blz. 156. Afstammelingen Dhont en Peers behoorden op het ogenblik van het proces niet tot de adel. Verschillende adelsverheffingen in die families gebeurden na 1840.

[135] idem, Dl. N-Z, blz 152. Jacques Pecsteen werd in 1822 in de adelstand verheven, ook al leefde deze familie al adellijk onder het Ancien regime..

[136] Charles De Roo (Tielt 1793 – Brugge 1880), lid van het Nationaal Congres en van de Kamer van Volksvertegenwoordigers tot 1848, rechter in Brugge in 1833, ererechter in 1862, in de adelstand verheven in 1871.

[137] Bauwens († 1872), achtereenvolgens vrederechter in Oostende, rechter in Brugge en in 1851 raadsheer bij het Hof van Beroep in Gent.

[138] Charles de Ritter (Brugge 1789-1860), rechter in Brugge van 1832 tot aan zijn dood, zoon van handelaar Jacques De Ritter-Stassignon, Spinolarei..

[139] Rechtbank Brugge, Archief Rechtbank van Eerste aanleg, vonnis n° 4 van 16 oktober 1833, griffie n° 166, zittingsblad 1833, 2de deel.

[140] Mémoire de plaidoirie pour les sieurs Jean-Célestin Neyts et consorts, demandeurs en cassation d’un arrêt de la Cour d’appel séant à Gand, en date du 29 juillet 1836, représentés par Mre Spinnael, avocat à la Cour, contre les sieurs Macaire Peers et consorts, héritiers de feu le sieur Charles Dhont, veuf décédé de Dame Isabelle Claesman, baronne de Male, défendeurs, représentés par Mre Sanfourche-Laporte, avocat à la Cour, z.p., 1836.

[141] Pasicrisie, Jurisprudence de Belgique, Cour de Cassation, 1837, blz. 161-170.