Makelaars en handelaars

Van middeleeuwse nering der makelaars

naar moderne kamer van koophandel

in het XVIIde-eeuwse Brugge,

met de lijst van de leden (1281-1795)

en van de besturen (1340-1791).

door Andries Van den Abeele en Michaël Catry

Een publicatie van de Kamer voor Handel en Nijverheid van Brugge en het Noorden van West-Vlaanderen, Brugge, 1992, 208 blz., met talrijke (kleuren)illustraties. Woord Vooraf door Olivier Vanneste, gouverneur van West-Vlaanderen en door Marc Grahame, voorzitter van de Kamer voor Handel en Nijverheid. Avec résumé en Français; with English summary; mit Zusammenfassung in Deutsch; Resumen en Castilian.

Hoofdstuk I

Handeldrijvend Brugge

Een voorbestemde plek

Hoelang al drijft men handel op de plek en in de nederzetting die op een bepaald tijdstip als Brugge bekend werd? De begindatum ligt wellicht méér dan twintig eeuwen van ons verwijderd. Het is één van de geheimen die nog gehuld blijven in de nevelen van de prehistorie.

Wat we wél zeker weten is dat in het begin van onze tijdrekening een bewoond gebied zich uitstrekte van aan de huidige Zilverstraat tot aan de Wulpenstraat en het Fort-Lapin. Het was één van de belangrijkste Gallo-Romeinse nederzettingen uit die tijd. Van hieruit werd handel gedreven met Oost-Gallië en Engeland[1]. De nabijheid van de open zee en een paar grote Romeinse verkeerswegen waren hierbij doorslaggevend.

Rond 640 kwam Sint Elooi hier twee kapellen oprichten, de latere Sint-Salvatorskerk en de Sint-Donaaskerk. In zijn preken had hij het over de bewoners die weefden en verfden en met hun producten handel dreven[2]. Rond 700 was dit gebied gekend als het Municipium Flandrense, de Vlaanderse stad, hoofdplaats van het toenmalige Vlaanderen. Er zijn geen documenten bewaard die aantonen dat in dit administratief en militair centrum ook handel werd gedreven, maar kunnen we ons een nederzetting voorstellen waar ook niet onvermijdelijk handelsactiviteiten plaats vonden? Dat blijkt ook hieruit dat vóór 875 in Brugge munten werden geslagen. Die munten tonen niet alleen aan dat hier een handeldrijvende bevolking woonde, ze vermelden ook voor het eerst de naam Brugge. In 958 werd de wekelijkse zaterdagmarkt alsook wellicht de jaarmarkt officieel georganiseerd. In 1037 beschreef een monnik van de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars, Brugge als beroemd om het groot aantal kooplui die men er aantreft en de toevloed van de meest luxueuze goederen.

Toen graaf Karel de Goede op woensdagochtend 2 maart 1127 vermoord werd, waren de Brugse makelaars die in Londen gevestigd waren, hiervan al de vrijdagmorgen ingelicht[3]. Dit toont aan hoe georganiseerd de handel op dit tijdstip al was. Brugge werd vanaf die tijd een bekend en internationaal handelscentrum, dat bestuurd werd door de rijk geworden kooplui die zich poorters noemden. Ze beschikten over aanzienlijke financiële middelen die het mogelijk maakten dijken aan te leggen zoals die van Brugge naar Cadzand, de stad te omwallen, talrijke straten te plaveien, een ingenieus waterdistributienet door de hele stad aan te leggen en een groeiend aantal stenen gebouwen op te trekken. Dit was alleen maar mogelijk door de rijkdom die de handel teweeg bracht.

Willem de Bretoen beschreef hoe in Damme, de voorhaven van Brugge, in 1213 de hele vloot van de Franse koning Filips Augustus, in totaal zeventienhonderd schepen kon aanleggen. Daarnaast beschreef hij de rijkdommen die van overal werden aangevoerd: de zijde en het laken, de kant, de verfstoffen, de wijn, het ijzer en andere metalen, waaronder goud en zilver. De toltarieven en ook de makelaarstarieven tonen aan welk een uitgebreide serie producten op de Brugse markt werden verhandeld.

De middeleeuwse organisatie

Vanaf de dertiende eeuw beschikken we over documenten die de organisatie van het zakenleven beschrijven. In grote lijnen was die organisatie al een paar eeuwen ouder, maar de ongelukkige brand van de Hallen in 1280 had alle keuren en charters in rook doen opgaan.

De middeleeuwse ordening was gekenmerkt door een sterke specialisatie, waarbij ieder beroep en iedere beroepstak over een eigen professionele vereniging beschikte, met eigen reglementen en voorrechten. Elk van die beroepen, of het om ambachtelijke productie of om dienstverlening ging, vertoonde uiteraard ook een handelsaspect. Voor sommigen beperkte zich dit tot het bevoorraden van de locale markt of het leveren van diensten aan de plaatselijke bevolking. Voor anderen groeide dit uit tot internationale activiteiten van invoer en uitvoer.

Er bestond geen aparte gilde voor de handelaars. Een invoerder of uitvoerder van textiel was aangesloten bij één van de gilden van volders, ververs, droogscheerders, wevers, kleermakers, handschoenmakers, tapijtwevers of andere; de invoerders van specerijen vonden mekaar in de nering van de Kruidhalle; de houtinvoerders hoorden bij de schrijnwerkers en timmerlieden, enz. Deze corporatieve indeling zou stand houden tot op het einde van het Ancien Regime. Zelfs als sommigen zich ontpopten tot belangrijke industriëlen of aanzienlijke handelaars, bleven ze samen met hun bescheidener beroepsgenoten en hun personeel meestal lid van het middeleeuwse gild, met de rechten en plichten zoals ze eeuwen voordien waren vastgelegd.

Naast de gilden waren ook nog veel andere groepen actief in het handelsleven. Zeer belangrijk waren de vreemdelingen die zich in Brugge kwamen vestigen. Vanaf de twaalfde eeuw waren ze per “natie” georganiseerd, beschikten ze over eigen reglementen en privilegies, stonden ze onder het gezag van hun consul en hadden ze een gemeenschappelijk kantoor en stapelplaatsen, het natiehuis. Castilianen en Biskajers, Florentijnen en Genovezen, Engelsen en “Oosterlingen” en nog veel anderen waren op die wijze in Brugge georganiseerd en namen een aanzienlijk deel van de internationale handel voor hun rekening.

Een andere activiteit, ook grotendeels gevoerd door vreemdelingen (Lombarden, Florentijnen, Cahorsijnen, Genovezen) was die van het bankieren en geld wisselen, essentiële schakel in het handel drijven tussen ver van elkaar wonende partners. Het is bekend dat op het gebied van het bankwezen in het middeleeuwse Brugge baanbrekend werk werd verricht[4].

Een bijzondere vorm van internationale samenwerking was die van de Hanzen, waarin handelaars of verenigingen van handelaars uit verschillende landen zich groepeerden. Brugge was hiervan de bakermat. Rond het midden van de elfde eeuw ontstond de Brugse Hanze, die zich voornamelijk specialiseerde in het bevorderen van de handel met Engeland en daardoor na verloop van tijd de naam Hanze van Londen kreeg. Ze groepeerde talrijke handelaars uit verschillende steden van het graafschap Vlaanderen, die samenwerkten onder de stevige leiding van Brugse hoofdmannen of hanzegraven.

De Brugse Hanze kende haar hoogtepunt in de tweede helft van de dertiende eeuw. Zo groot was haar macht geworden, dat alleen leden van de Hanze lid konden worden van het College van burgemeester en schepenen. Tegen het jaar 1300 was de economische en politieke toestand gewijzigd en verdween de Hanze.

Op het einde van de dertiende eeuw telde de Brugse Hanze ongeveer vijfhonderd Brugse leden. Hiervan zijn ons een paar honderd namen bekend, terwijl we voor de gilden van hosteliers en makelaars voor die periode heel wat minder leden kennen. Toch zien we in beide naamlijsten vaak dezelfde namen of familienamen. Wijst dit op continuïteit tussen de Brugse Hanze en de groeperingen van hosteliers en makelaars?

Misschien is dit een vermetele veronderstelling, want statutair was het lidmaatschap van de Brugse Hanze onverenigbaar met het makelaarsberoep, ook al blijken hierop uitzonderingen te zijn geweest. Daarbij konden hosteliers wél hanzeaten zijn. Met onze vraag willen we niet een soort machtsoverdracht van de ene vereniging naar de andere suggereren, maar wel dat het ons niet onmogelijk lijkt dat er een verband was tussen het wegkwijnen van de Brugse Hanze tegen het einde van de dertiende eeuw en het aanzienlijk dynamisme van de nering van de makelaars, minstens vanaf 1293 en nog méér na 1302. Hierna volgen alvast de namen die ons in die richting doen denken.

LEDEN VAN DE BRUGSE HANZE[5]

LEDEN VAN DE NERINGEN VAN HOSTELIERS EN / OF MAKELAARS[6]

zelfde naam en voornaam:

niet noodzakelijk zelfde persoon

Jan (1229) en Willem De Deken

Willem (1305) en Nicolaes (1328) De Deken

Pauwel van Langemarck (1298)

Pauwel van Langemarck (1281)

Jan van Harelbeke (1283)

Jan van Harelbeke (1289)

Lamsin van der Scaere (1287)

Lamsin van der Scaere (1289)

Jan Christiaens (1292)

Jan Christiaens (1328)

Jan (1292) en Nicolaes (1292) Alverdoe

Jan (1339) en Nicolaes (1339) Alverdoe

Raven Danwilt (1251)

Jan-Pieter (1289) en Raven (1366) Danwilt

Rogier de Hont (1292)

Rogier de Hont (1292)

Pieter de Tanghe (1270)

Jan en Pieter de Tanghe (1301)

Hendrik (1233), Jan (1270) en Willem (1283) de Ram

Willem de Ram (1302)

Jan (1270) en Jacob (1299) Metten Eye

Jacob Metten Eye (1281)

Lambert de Tollenaere (1292)

Lambert (1289) en Jacob (1340) de Tollenaere

Joos (1283) en Jan (1272) van Curtricke

Jan (1328) en Elias (1301) van Curtricke

Michiel Bachten Monster (1270)

Lexus (Lamsin?) Bachten Monster (1305)

Pieter (1265), Jan (1269) en Jacob (1297) Bonin

Nicolaes Bonin (1316)

Gabriel de Wulf (1270)

Nicolaes de Wulf (1339)

Christiaen de Groote (1270)

Gillis de Groote (1305)

Pieter (1281) en Boudewijn (1270) van der Vlaminckpoorte

Margarete van der Vlaminckpoorte (1305)

Gillis van de Walle (1299)

Jan van de Walle (1337)

Gillis (1292) en Laurens (1285) Ut den Broucke

Hughes Ut den Broucke (1339)

Walter de Posterne (1272)

Pieter de Posterne (1305)

Jan van Hondschoote (1288)

Lauwer (1316) en Nicolaes (1339) van Hondschoote

Jan Ralos (1270)

Wouter Ralos (1281)

Diederik van Edenghem (1299)

Pieter van Edenghem (1316)

Gauthier Foitre (1205)

Lamsin Foitre (1280)

Egelrecht (1270) en Jan fs. Jacob (1299) de Baker

Jacob de Baker (1280)

Jan (1287) en Lamsin (1298) van der Leie

Pieter (1331), Andries (1340), Jacob (1340) en Meeus (1340) van der Leie

Boudewijn Wandelard (1229)

Nicolaes (1281) en Katheline (1305) Wandelard

Willem van Lissewege (1292)

Jan van Lissewege (1281)

Christiaen Balaes fs. Pieter (1292)

Pieter Balaes (1281)

Jan Zwinkin fs. Lamsin (1292)

Michiel Zwinkin (1281)

Wouter van Cassel (1290)

Jan van Cassel (1281)

Het is een opwindend idee dat een filiatie zou hebben bestaan tussen de oudste internationale koopmansvereniging in onze gewesten en de nering van makelaars en waarden, die een zo belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de handel in onze stad en die uitgroeide tot Kamer van Koophandel.

Wat was dan wel die nering van makelaars en waarden en aan welke behoefte voldeed ze?

De waarden of hosteliers

Voor een vlot handelsverkeer moesten de reizende kooplui een beroep kunnen doen op allerhande hulpdiensten die nodig waren voor het vervoeren, het stapelen en de distributie van hun goederen.

Onder deze hulpdiensten namen de waarden al heel vroeg een belangrijke plaats in. De vreemde kooplieden die naar Brugge kwamen, vooral dan in de periode toen nog maar weinig naties zich ter plaatse hadden georganiseerd, namen meestal hun intrek in de locale herbergen. Spoedig werden de herbergiers heel wat méér dan alleen maar verhuurders van kamers.

In de eerste plaats bezorgden ze aan de handelaar ruimte waar hij de meegebrachte goederen veilig kon stapelen. Als stilaan een vertrouwensrelatie was gegroeid, kon de handelaar het wagen de goederen in bewaring te laten bij de waard of ze zelfs aan zijn adres te versturen. Zo werd de hostelier zijn locale agent. Hij trad ook op als bemiddelaar. Hij kon als tolk fungeren, kon de vreemdeling wegwijs maken in de ingewikkelde plaatselijke reglementering en kon hem vertegenwoordigen en verdedigen bij de verschillende tol- en belastingskantoren. Hij begon ook regelmatig als tussenpersoon op te treden voor locale of vreemde handelaars. Niet alleen kon hij zo kooplui in contact brengen met elkaar, hij kon ze inlichtingen geven over de kredietwaardigheid van mogelijke partners en weldra begon hij zelfs borg te staan voor zaken die hij wenste tot stand te zien komen.

Zo werden de waarden van lieverlede commerciële makelaars, die een essentiële functie vervulden in het handelsleven. Al in de twaalfde en dertiende eeuw behoorde een aantal waarden tot de rijkste en invloedrijkste patriciërsfamilies van de stad. De Van der Beurses, de Metten Eyes, de Hauwerschilts, de Alverdoes, de Bachterhalles, de Utenbroekes, de Danwilts, de Bonins en enkele andere werden toonaangevende en ook politiek machtige personaliteiten.

Alhoewel ze in 1281 nog talrijk waren om het beroep van hostelier uit te oefenen, kwamen ze op een lijst die voor een borgstelling vanwege de stad moest dienen, niet meer voor onder de rubriek hosteliers, maar waren ze opgenomen bij de hoogste klasse van poorters of burgenses.

De makelaars

Weldra begonnen de waarden hun commerciële activiteiten zo uit te bouwen dat ze “knapen” of “gezellen” in dienst namen, die voor hen de zich specialiserende makelaarsactiviteit uitoefenden. Nog wat later begonnen zich zelfstandige makelaars te vestigen.

Aanvankelijk waren de hosteliers de werkgevers en  waren de makelaars de ondergeschikten, wat natuurlijk niet naar de zin was van de meer dynamische onder hen. Vanaf uiterlijk 1293 slaagden de makelaars erin zich aan de voogdij van de waarden te onttrekken. Ze behoorden tot het gemeen dat in conflict trad met de leidende klasse. Een aantal patriciërs en poorters, weldra als Leliaards bekend, zochten steun bij de Franse koning, feodaal suzerein over onze gewesten. De middenklassen, samen met een andere groep patriciërs, bekend als Liebaards of Klauwaards, sloten een bondgenootschap met de graaf van Vlaanderen.

De waarden waren het rijkst en hadden het meest invloed, maar de makelaars waren het talrijkst. Om hun doel te bereiken hadden ze het goede kamp gekozen. In 1293 verleende de graaf van Vlaanderen hen een charter, dat een afzonderlijke organisatie van makelaars officieel bekrachtigde. Voortaan mocht niemand zich nog makelaar noemen of als makelaar optreden, ook niet een hostelier, als hij geen lid van de nering van makelaars was. Anderzijds mocht geen enkele handelsverrichting nog plaatshebben, zonder dat hierbij een makelaar als tussenpersoon optrad. De rollen waren voortaan omgekeerd[7].

Toen een aantal hosteliers zich in de strijd tussen leliaards en klauwaards aan de verliezende kant hadden gecompromitteerd en op de vlucht moesten slaan, was hun lot bezegeld. De makelaars namen in groten getale deel aan de Guldensporenslag en aan de slag bij de Pevelenberg, met het gevolg dat ze met nieuwe privileges en nog uitgebreider monopolies werden bedankt.

Voor de verslagen waarden zat er niets anders op dan zich deemoedig bij de triomferende nering aan te sluiten. Voortaan waren de makelaars belangrijker en zouden ook zij opklimmen tot in de hoogste kringen van het Brugse patriciaat. Een voorbeeld hiervan was de makelaar Willem de Deken. Hij, die na de vrede van Athis-sur-Orge in 1305 door de Fransen gegijzeld was, werd in 1320 schepen van de stad. In dat jaar voerde hij onderhandelingen met de koning van Engeland, in naam van de graaf van Vlaanderen. Bij een volgende diplomatieke zending in 1324, was hij burgemeester van Brugge. Hij was nog burgemeester in 1328, toen hij de Brugse troepen aanvoerde in de slag bij Kassel. Na de nederlaag werd hij, zoals bekend, in Parijs als landverrader terechtgesteld. Zijn hoge functies beletten niet dat hij zijn makelaarsberoep verder bleef uitoefenen en nog tot enkele dagen vóór de fatale nederlaag optrad als tussenpersoon bij leveringen van stokvis en varkensvlees voor de troepen[8]. Willem de Deken was het type van de homo novus, die het dankzij de toegenomen macht van de ambachten en neringen, ver had gebracht[9].

De opkomst van nieuwelingen betekende evenwel niet dat de vroegere elite verdween. Door zich soepel op te stellen en zich aan de nieuwe toestand aan te passen, slaagden de meeste hosteliers erin hun stand hoog te houden. De bekende familie Van der Beurse was hiervan een typisch voorbeeld. De nazaten van Gerard, Jan, Nicolaes, Thomas, Willem en nog andere van der Beurses, die heel de dertiende eeuw als welvarende waarden hun zaken hadden uitgebouwd, kregen het tegen het einde van de eeuw moeilijk. Robert van der Beurse sloeg als leliaard op de vlucht en in 1301 werden zijn goederen verbeurd. Maar hij kwam terug en bleef welvarend, net als zijn vier zoons, Robert, Mattheus, Jan en Laurens. De zoons van Jan van der Beurse, die in de tweede helft van de veertiende eeuw actief waren, bouwden de zaken verder uit. Huwelijken met makelaarsdochters (de Perone, Ruebs, Bave) versterkten nog hun positie.

In de volgende generatie begonnen de ambtelijke functies. Jan van der Beurse (†1434) was van 1395 tot 1431 bijna ononderbroken lid van de stadsmagistraat als hoofdman of raadslid, acht maal als schepen en tenslotte als tweede en eerste burgemeester. Zijn broer Nicolaes was tussen 1406 en 1433 regelmatig tresorier of schepen en tweemaal eerste burgemeester. Jacob van der Beurse (1400-1483), zoon van Jan, was van 1426 tot 1457 op zijn beurt herhaaldelijk tresorier, raadslid, schepen en viermaal tweede of eerste burgemeester. Als we er rekening mee houden dat ook zwagers zoals Jacob Breydel (kleinzoon van Jan Breydel) of verwanten zoals de leden van de families Broloos, Bave, Ruebs en andere regelmatig hoge functies bekleedden, dan kunnen we ons voorstellen hoe groot de invloed van deze patriciërsfamilie wel was.

Zo rijk en aanzienlijk waren ze geworden, dat de volgende generatie niet langer hoefde zaken te doen. De laatste Jan van der Beurse, broer van burgemeester Jacob, werd raadsheer van hertog Filips de Goede en de dochter van Jacob huwde met ridder Jacob de Vooght, trouw medewerker van Maximiliaan van Oostenrijk[10]. Een dergelijke evolutie kunnen we bij vele van de hosteliers en ook van een aantal makelaars vaststellen.

Op het einde van de dertiende eeuw telde de nering van de makelaars een honderdtal leden en zodra ze een erkende en machtige groep was geworden, steeg het ledenaantal pijlsnel. Tegen het jaar 1340 waren er ongeveer vijfhonderd leden: vierhonderd dertig onder hen waren weerbare mannen, die aan krijgsverrichtingen konden deelnemen. In het corporatieve systeem kreeg de nering van de makelaars een vooraanstaande plaats. Hun deken werd één van de negen zwaerdekens die de echte leiders van de stad waren en die elk één van de sleutels bij zich hielden van de grote koffer waarin alle voorrechten van de stad evenals van de ambachten en neringen, zorgvuldig werden bewaard. Op algemene vergaderingen en feestelijkheden hadden de makelaars protocollaire voorrang op alle andere beroepsgroeperingen.

De confrérie van de makelaars

Zoals iedere middeleeuwse beroepsvereniging was de nering van de makelaars ook een godsdienstige confrérie. Op zijn laatst vanaf het begin van de veertiende eeuw, waren de makelaars op een domein gevestigd dat meer dan vier eeuwen lang het centrum van hun activiteiten zou blijven. Het lag op een steenworp van het commercieel centrum, op de Sint-Gillisparochie, die toen nog een vrij landelijke stadswijk was. Toen zij er hun intrek namen, lag het gebied pas sedert vijf jaar binnen de veilige stadsversterkingen. De nieuwe omwalling was immers in de laatste drie jaar van de dertiende eeuw tot stand gekomen[11].

Aan de Vlamingdam werden twee hoeven, Dottenys en Betlehem, door de nering aangekocht. Hierop bouwde ze een grote kapel, die toegewijd werd aan het Heilig Kruis en aan Onze-Lieve-Vrouw van Betlehem. Daarnaast bouwde ze nog een gasthuis voor hulpbehoevende leden van het genootschap, een kapelaanswoning, een gildenhuis met conciërgewoning en in de Sinte-Clarastraat een ontspanningslokaal, het Makelaarsheester[12].

Om niet bekende redenen bleven de makelaars tot in 1578 hun bijeenkomsten houden in het klooster van de paters augustijnen, op een paar honderd meter van hun eigendom. Ze hadden er een eigen kapel en vergaderden in de Consistoriezaal, waar ze hun keuren en kunstwerken bewaarden. Was het daar veiliger? Of was dit nog het gevolg van de oorspronkelijke splitsing in hosteliers en makelaars, waarvan de eersten al vroeger bij de augustijnen bijeen kwamen en de gefusioneerde nering van makelaars en hosteliers die gewoonte overnam? Pas naar aanleiding van de godsdiensttroebelen en de tijdelijke sluiting van het augustijnenklooster richtten ze definitief een vergaderlokaal in op hun eigen erf.

In de loop van de jaren werd hun kapel begiftigd met talrijke kunstwerken: schilderijen, tapijten, liturgisch vaatwerk, enz. Er werden ook heel wat bijzondere aflaten en religieuze voorrechten aan de kapel verleend en relikwieën werden er vereerd, onder meer de moedermelk van de Heilige Maagd… Vooral ook mochten de makelaars zich in en rond hun eigen kapel laten begraven. Zelfs toen de nering, ondertussen Kamer van Koophandel geworden, in 1720 het vroegere huis van de consul van Navarra in de Sint-Jacobstraat aankocht en er voortaan vergaderde, bleef ze zich veel kosten getroosten om de kapel in ere te houden.

Jaarlijks werd ook in groep deelgenomen aan de H.-Bloedprocessie. Omdat de ommegang een hele dag duurde, met een onderbreking voor het middagmaal, sloten de makelaars een overeenkomst met het Sint-Juliaangasthuis in de Boeveriestraat. Tegen een jaarlijkse gift konden ze er tafelen in de Ridderkamer, waar speciaal een venster werd gestoken, van waaruit ze de ommegang in ogenschouw konden nemen. Deze regeling ving aan rond 1400 en werd volgehouden tot aan de godsdiensttroebelen in 1578[13].

Tot op het einde van het Ancien Regime bleven de makelaars hun godsdienstige plichten nakomen. Zielenmissen voor de overleden confraters dienden op straf van boete door iedereen te worden bijgewoond. Een kapelaan stond hiervoor in vaste dienst. Als de kapel naar aanleiding van de frequente oorlogstoestanden voor profane doeleinden werd gebruikt, werd ze telkens met aanzienlijke kosten opnieuw voor de eredienst ingericht. Dit bleef zo tot in 1784. Toen werd de kapel gesloopt, zoals zoveel andere nutteloos geachte gebouwen. Op de vrijgekomen gronden werden enkele huizen gebouwd, waarin een gedenksteen werd gemetseld, die tot op vandaag aan de verdwenen kapel van de makelaars herinnert.

Wie waren zij?

Makelaar worden was niet zo simpel. De toetredingsvoorwaarden waren strenger dan in de meeste andere gilden. Niet alleen moest men poorter van Brugge zijn sinds jaar en dag, men moest ook in het graafschap Vlaanderen geboren zijn. Wie aan de voorwaarden van geboorte en burgerschap voldeed, moest worden voorgedragen door een lid dat zich borg stelde. De algemene vergadering moest hierover stemmen. Wie verbannen was uit een andere stad of uitgesloten uit een andere nering, wie bastaard was of van slechte levenswandel, maakte geen kans. Eenmaal aanvaard moest het nieuwe lid een hoog entreegeld betalen. Het makkelijkst en goedkoopst werd natuurlijk lid wie zoon was van een makelaar. Zo komt het dat we eeuwenlang de namen aantreffen van telgen uit dezelfde families.

Heel wat beroemde namen uit de Brugse geschiedenis komen op de ledenlijst van de makelaarsnering voor. Naast de hierboven al vermelde families, die oorspronkelijk hosteliers waren en ook in de nering van de makelaars talrijk aanwezig bleven, waren er ook nog de leden van de families Van der Paele, Vanden Vlaminckpoorte, Van de Walle, De Schotelaere, Langheraerds, Visole, Van den Vagheviere, Barbesaen, Bave, Ruebs en veel andere. Voor een aantal onder hen was het uitbouwen van een welvarend makelaarskantoor maar een eerste stap in de sociale opgang.

In 1403 was Jan I de Baenst (†1440) lid van de eed van de makelaars. Hij was afkomstig uit Sluis en was in 1399 poorter van Brugge en makelaar geworden. Al vlug nam hij een invloedrijke plaats in de stad in en van 1417 tot 1435 was hij vaak schepen of raadslid. In het gild van de makelaars werd hij tienmaal lid van de eed, een laatste keer in 1439, maar tot deken werd hij nooit verkozen. Zijn zoons Jan II (†1460) en Zeger de Baenst (†1471) werden geen lid meer van het makelaarsgild: ze waren grootgrondbezitters geworden en hoefden zich geen commerciële zorgen meer te maken. Beiden wisselden elkaar tussen 1440 en 1460 af in schepen- en burgemeesterfuncties. Jan II werd daarenboven grafelijk baljuw van hertog Filips de Goede. Nog hoger zou de volgende generatie opklimmen: Jan III de Baenst (†1486) werd vertrouwensman van Karel de Stoute en later van Maximiliaan van Oostenrijk, wat hem heel wat narigheden bezorgde in de periode waarin Brugge tegen deze laatste in opstand kwam[14].

In de makelaarsgilde trof Jan I de Baenst twee van zijn vrienden aan, Joris en Pieter Adornes. Die hun vader, Pieter Adornes (†1398) was als waard en makelaar gevestigd in de herberg Ter Baerse in de Vlamingstraat. Daarnaast was hij ook geldwisselaar en was hij herhaaldelijk schepen of burgemeester van Brugge. Zijn loopbaan beëindigde hij als ontvanger-generaal voor Vlaanderen en Artesië[15]. Van Joris Adornes (†1421) weten we dat hij in 1419 hoofdman was in het makelaarsgilde. Zijn halfbroer, Pieter Adornes (ca 1395-1464) was het in 1420, samen met o.m. Jan I de Baenst. In 1434 werd Pieter, die ondertussen aan de oprichting van de Jeruzalemkerk was begonnen, deken van de makelaars. Ook zijn zoon, Anselmus Adornes (1424-1483) was als belangrijk handelaar en bemiddelaar voor Genuese en Spaanse kooplui, ongetwijfeld lid van de makelaarsnering en dit geldt ook voor zijn zoon Arnout (1451-1513), die zijn handelsactiviteiten verder zette tot hij in 1480, na het overlijden van zijn vrouw, priester werd[16]. Voor deze periode beschikken we evenwel over geen ledenlijsten en voor 1442 tot 1468 kennen we zelfs de samenstelling van het bestuur niet. Het is dan ook niet ongewoon dat we de namen van Anselm en Arnout Adornes niet met zekerheid onder de makelaars terugvinden.

Tussen 1379 en circa 1520 treffen we Robrecht, Joos, Jan, Jacob, Joos en Jan de Damhoudere aan onder de makelaars. Niet alleen waren zij voorvaders of verwanten van de befaamde rechtsgeleerde Joos de Damhoudere (1507-1581), maar zelf bekleedden ze voorname functies in het Brugse stadsbestuur.

De Boodt was een andere vooraanstaande makelaarsfamilie. In 1481 werd Cornelis de Boodt makelaar, gevolgd door Jan en Willem. In 1556 werd Willems zoon, Anselmus de Boodt (1525-1587) eveneens lid van de makelaarsnering. Hij werd driemaal deken en was nog herhaaldelijk lid van de eed. Anselmus de Boodt was net als zijn vader en grootvader, die ook makelaars waren, een voornaam lid van het stadsbestuur. Naast raadslid of hoofdman was hij driemaal schepen. Eén van zijn tien kinderen was de bekende natuurkundige, geneesheer en humanist Anselmus Boëtius of de Boodt (1550-1632).

Deze enkele namen, die uitblinken in de Brugse geschiedenis, tonen aan dat het makelaarsberoep een hoog maatschappelijk aanzien had en dat het ook de basis kon zijn voor de opbouw van aanzienlijke fortuinen, die meteen het verder opklimmen op de sociale ladder mogelijk maakten.

Onder de leden van de makelaarsnering in de zestiende eeuw komen heel wat namen voor van nieuwkomers die langs die weg het Brugse establishment binnentraden en één of twee generaties later tot de invloedrijkste burgers behoorden. We vernoemen: de Peellaert, van Steelandt, Arents, Le Gillon, Sproncholf, Vleys, de Pruyssenaere. Hetzelfde gold in de zeventiende eeuw, waarin men dankzij de makelaarsactiviteiten de ster zag rijzen van families zoals Claesman, Soutieu, Van Blootacker, Imbona, Cobrysse, Van Ockerhout, Willaeys, de l’Espée, de Tollenaere en de la Villette.

In de achttiende eeuw was het makelaarschap aanzienlijk afgezwakt of soms zelfs verdwenen. Het tot Kamer van Koophandel uitgegroeide gild groepeerde nog een beperkt aantal leden, die echte handelaars waren en nog slechts sporadisch als makelaar optraden. Ook hier klonken namen door van mannen of families die een beduidende economische rol speelden, zoals de scheepsbouwers Moentack, de internationale handelaars van Outryve en de Stoop, de reders de Brouwer, de houthandelaars Serweytens, de textielhandelaars Gilliodts en Donche, de faiencefabrikanten Pulinx en de Brauwer en de textielindustrieel Verplancke, zonder de bekende drukker en boekhandelaar Joseph van Praet te vergeten.

Wat een makelaar deed

Was de makelaar oorspronkelijk iemand die zich ten dienste stelde van de handelaar, vooral dan van de vreemdeling, en hem bijstond op dezelfde wijze als we het hierboven voor de waarden beschreven, na 1293 werd hij een verplichte partner in ieder handelstransactie. Zoals we tot op vandaag geen onroerend goed kunnen verhandelen zonder op een notaris beroep te doen, zo kon men toen geen commerciële daad stellen zonder de tussenkomst van een makelaar.

De makelaar werd geacht om, zijn eed getrouw, onpartijdig de kopers en verkopers terzijde te staan. Hij aanvaardde daarbij de verplichting zelf geen handelsactiviteiten uit te oefenen, om zo zijn onafhankelijkheid te kunnen bewaren. De mooie principes hielden evenwel niet lang stand. Al in de keure van 1293 waren uitzonderingen toegestaan, waardoor de makelaars via achterpoortjes toch een eigen handel konden drijven. De keure van 1303 ging hierin nog verder. Het kwam er eigenlijk op neer dat de makelaar geen handel mocht drijven in goederen die binnen het graafschap Vlaanderen waren geproduceerd. Evenmin mocht hij zich associëren met een plaatselijke koopman. Dit moest zijn onpartijdigheid garanderen, een noodzakelijke voorwaarde voor het vertrouwen van de vreemdeling. Wel mocht hij voor eigen rekening goederen in- en uitvoeren, mits hij dan natuurlijk een beroep deed op een collega als makelaar. Hij mocht ook een lakenweverij hebben met maximum vier getouwen, mocht dranken importeren en verkopen, mocht handel drijven in paarden, haring en turf en zijn vrouw mocht handelen in wolgoederen.

De makelaars hadden dus heel wat mogelijkheden, bovenop de zekerheid dat bij elke handelstransactie, door wie ook uitgevoerd, behalve als het om kleinhandel ging, altijd een makelaar diende op te treden, die een commissieloon opstreek. De handelaar kon niets zonder een makelaar, maar de makelaar mocht handel drijven! Weldra begonnen de makelaars, buiten hun commissieloon, als facteurs op te treden en in commissie aan te kopen en te verkopen. Ze traden ook op bij de verhandeling van onroerende goederen en als transporteurs en verzekeraars. Het was dus een beroep waar ze vele kanten mee uit konden. Daardoor ging het verschil tussen makelaar en handelaar vervagen.

Dit alles belette niet dat de makelaar aan de kooplieden die niet in Brugge verbleven, aanzienlijke hulp kon bieden. Hij was het die alle tolverrichtingen afwikkelde, met de vervoerders regelingen trof, en bij averij, schipbreuk, diefstal of geschillen de belangen van de eigenaar behartigde. De plaatselijke kooplui, die dit allemaal best zelf konden beredderen, kwamen gaandeweg in opstand tegen de makelaarslonen, die ze als een nutteloze uitgave gingen beschouwen. De geschillen en processen waren dan ook talrijk en vaak werd het abusieve monopolie zowel door de Brugse handelaars als door de hier residerende naties gelaakt of zelfs doorbroken. De makelaarsnering had dikwijls de handen vol om de inbreuken op haar exclusieve rechten op te sporen en te vervolgen.

Toch was het niet allemaal ongunstig voor de Brugse importeur of exporteur. Gaandeweg werden de makelaars mee verantwoordelijk gesteld voor aankopen waarbij ze namens een vreemdeling waren opgetreden en werden ze, in geval van wanbetaling, verplicht om zelf de facturen te vereffenen en dan maar te zien hoe ze dit op de buitenlandse koper konden verhalen. In periodes van economische crisis was dit een zwaar risico, dat faillissementen tot gevolg had.

Hierbij had de nering van de makelaars een belangrijke collectieve taak. Ieder dispuut over handelstransacties diende voor arbitrage aan deken en hoofdmannen van de makelaars te worden voorgelegd. Zolang er tegen hun beslissing geen beroep werd aangetekend bij het schepencollege, wat vaak gebeurde, was hun uitspraak rechtsgeldig en konden zij de uitvoering ervan met de hulp van de schout en zijn suppoosten afdwingen. Kwam een zaak in beroep voor, dan was niet meer de eed van de makelaarsnering, maar wel de individuele makelaar een belangrijke partner. Als neutrale partij woog zijn getuigenis zwaar door bij de door het schepencollege te nemen beslissing.

Na een lange bloeiperiode beleefde de nering van de makelaars onvermijdelijk moeilijke tijden, die het gevolg waren van de dalende activiteit, toen de Brugse rol in de handelswereld kleiner werd. De nering bleef evenwel haar rol verder spelen en jaarlijks werden nieuwe leden tot het makelaarsberoep toegelaten. Hun aantal was natuurlijk niet meer te vergelijken met dat van de glorietijd. Tegen het einde van de zestiende eeuw en in het eerste kwart van de zeventiende eeuw waren er meestal nog een vijftigtal leden. De nering bleef verder haar taken waarnemen, ook tijdens de moeilijke periodes van de godsdienstoorlogen. Veel van de destijds verkregen exclusieve voorrechten, waren tegen die tijd niet meer actueel. Toch bleef de nering waken over een zo goed mogelijke bescherming van het beroep en zijn beoefenaars. Zo konden zij, toen rooskleuriger tijden zich aanmeldden, opnieuw volop hun rol spelen als motor in de handelsactiviteiten. Dit brengt ons tot de periode waarin de nering evolueerde tot Kamer van Koophandel, een nieuw hoofdstuk in haar eeuwenlange geschiedenis.

Hoofdstuk II

1665: een nieuw begin

Verdrag van Münster tot Vrede van de Pyreneeën

Er zijn van die jaren waarin een stroomversnelling duidelijk merkbaar is. Voor de Brugse handel en nering was 1665 zo een bijzonder jaar. Stroomversnelling is hier het passende woord, want het had allemaal te maken met waterwegen en met de uitweg naar de zee.

In het jaar 1648 was een belangrijk politiek feit gebeurd. De Vrede van Münster, die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, bezegelde de verzoening tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en het koninkrijk Spanje, waartoe ook de Zuidelijke Nederlanden behoorden. Eén van de belangrijke punten van het verdrag was dat de Schelde en het Zwyn gesloten bleven voor de scheepvaart van en naar onze gewesten. Dit was niet alleen ongunstig voor Antwerpen, maar ook voor Gent en voor Brugge: de scheepsroutes over Sas van Gent en over Damme en Sluis bleven dicht. Eén havenstad kon hierdoor in de Zuidelijke Nederlanden vrijwel aanspraak maken op een monopoliepositie: Oostende. De Brugse handelaars rekenden er evenwel op dat dit stadje slechts de voorhaven zou zijn van de aloude metropool, die eindelijk na meer dan een eeuw crisis de hoop op nieuwe maritieme welvaart zag rijzen.

Brugge had er veel voor over gehad om niet uitsluitend van Oostende afhankelijk te zijn en had eerst grote inspanningen geleverd voor een vaart naar Duinkerken. In 1641 was die vaarweg klaar, maar in 1659 ging hij als vrije verkeersweg grotendeels verloren: Artesië werd bij Frankrijk ingelijfd, ingevolge de akkoorden die tussen de Franse en Spaanse koningen waren bereikt en bezegeld werden door de Vrede van de Pyreneeën. Dit verlies kon echter de vreugde over het vredesakkoord niet dempen, zozeer was men de jarenlange oorlogstoestand beu. In maart 1660 werden in Brugge grote feestelijkheden gehouden. De klokken werden geluid, trompetten en bazuinen weerklonken, salvo’s werden gegeven, terwijl de stadsmagistraat vanaf de feestelijk bevlagde Halletoren de vrede afkondigde. De overheid zat na een luidruchtig Te Deum in de Sint-Donaaskerk aan een groot banket aan in het stadhuis. De ambachten en neringen vierden feest, elk op het hun toegewezen plein. De makelaars verzamelden als naar gewoonte op het Biskajersplein, net voor de Poortersloge. De daarop volgende dagen hadden nog allerhande feestelijkheden plaats, o.m. mastklimmen op de Grote Markt en toneelopvoeringen op de Burg. Dit laatste eindigde evenwel voortijdig omdat de spelers ‘bi drancke’ waren en op het podium handgemeen waren geworden.

Dankzij de magistraat van het Brugse Vrije, die altijd graag het Brugse stadsbestuur de loef afstak, kwam er nog een apotheose. Op 1 april 1660 werd op de Markt een groot vuurwerk afgeschoten. Het was de eerste maal dat in Brugge zoiets te zien was en het maakte indruk. Dat was nog eens iets anders dan de vreugdevuren of de brandende piktonnen die het stadsbestuur volgens de oude tradities op het programma had gezet.

De concurrentie viert hoogtij

Na de feestvreugde kwam de commerciële kater. De handelaars stelden vast dat de scheepvaart via Duinkerken voortaan erg werd bemoeilijkt, vooral nadat in 1662 de Engelsen de havenstad definitief aan de Fransen hadden verkocht.

Er bleef geen andere mogelijkheid over: Oostende moest de nieuwe uitweg naar de zee worden en het bestaande waterwegennet zou dringend worden aangepast voor de doorvaart van zeeschepen. Tussen mei en december 1664 werd de waterweg Oostende-Brugge-Gent met bekwame spoed verbreed en uitgediept, zodat voortaan schepen tot 300 Ton konden doorvaren. Met blote mankracht en schoppen werd dit aanzienlijke werk in een minimum van tijd uitgevoerd.

Voor de financiering zorgde hoofdzakelijk Brugge. Eerst werden de reserves aangesproken van de kas van het maalderijrecht in het Brugse kwartier en vervolgens werden leningen uitgeschreven. Toen dat niet volstond, leenden burgemeesters en schepenen van Brugge persoonlijk geld om het werk te kunnen voltooien. Er zat vaart in! De lokale overheid werd in het bevorderen van aangepaste vaarwegen sterk gesteund door de hogere overheid, met name door markgraaf Francesco de Castel-Rodrigo, die zopas tot nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden was benoemd en zelf bij herhaling het vorderen van de werkzaamheden kwam inspecteren.

Men wist natuurlijk wel in Brugge dat verbeterde kanalen ook meebrachten dat de schepen gewoon konden doorvaren, zonder iets voor de Brugse handel op te leveren. De landvoogd had in februari 1664 tot algemene vrije doorvaart besloten, wat tot heel wat relletjes aanleiding gaf. De Brugse schippers rekenden er immers op dat zeeschepen die via Brugge landinwaarts kwamen, hier hun goederen zouden lossen, zodat zij met hun kleinere lichters het vervoer naar het hinterland konden doen. Het zogenaamde lastbreken was een middeleeuws voorrecht dat aan het schippersambacht van een stad het recht gaf de koopwaren die per schip werden aangevoerd, op hun eigen schepen over te laden om ze naar de volgende stad te vervoeren. Dit was een achterhaald en oneconomisch recht, dat een vlot handelsverkeer belemmerde en dan ook sterk werd aangevochten door reders en handelaars. Vooral als het om nieuwe waterwegen ging, vonden ze dat de oude privileges niet meer van toepassing waren.

De overheid, vooral de centrale in Brussel, was het daar volmondig mee eens. De kwestie van de vrije doorvaart was een oud zeer. Toen een eerste nieuwe verbinding tussen Oostende, Brugge en Gent in 1618 tot stand kwam, begon het permanente gestook tussen de schippers van deze steden. Het werden kleinzielige kibbelpartijen, die om de haverklap tot processen leidden. Consequent was hun houding hierbij allerminst. Zo vonden de Bruggelingen dat een schip dat in Oostende van overzee arriveerde en voor Brugge bestemd was, niet door de Oostendenaars mocht worden overgeladen, maar als een schip binnenvoer dat voor Gent bestemd was, dan vonden ze dat ze dit in Brugge wél mochten overladen!

Er ging bijna geen jaar voorbij zonder dat hierover geprocedeerd werd. Nog erger: vaak werden scheepsladingen gegijzeld of braken rellen uit waarbij schepen met stenen werden bekogeld of zelfs in de grond geboord. Met hoogten en laagten zou dit middeleeuws steekspel nog meer dan een eeuw doorgaan. Pas in 1763 werd met een ordonnantie van gouverneur-generaal Karel van Lotharingen het lastbreken definitief afgeschaft en de vrije doorvaart verzekerd. De Brugse schippers gaven zich evenwel ook toen nog niet gewonnen, die van Gent en Oostende trouwens evenmin. Ze procedeerden tegen de ordonnantie en zelfs nog in 1787 werd over het lastbreken hevig gedebatteerd in de Staten van Vlaanderen en moest de Brugse burgemeester Coppieters ijlings naar Brussel trekken om hierover te confereren. Maar een keizerlijk decreet van 21 januari 1788 bevestigde de algemene vrije doorvaart.

Dat het bijna twee eeuwen duurde vooraleer een zo manifest ouderwets en oneconomisch recht kon worden afgeschaft, toont aan hoe groot de macht en invloed nog was van sommige middeleeuwse corporaties. De centrale overheid, de lokale besturen, de reders en de handelaars waren allen gewonnen voor de vrije doorvaart, maar telkens opnieuw moesten ze inbinden voor de vastberaden schippers, die voor niets terugdeinsden om hun aloude voorrechten te behouden.

Opstandige schippers

Ook in de periode die ons hier bezig houdt, ging het er hevig aan toe. In februari 1664 had de nieuwe landvoogd aan de Brugse schippers algemene vrije doorvaart toegestaan op alle waterwegen van de provincie Vlaanderen. Dat vonden die heren uitstekend, maar ze wilden niet aanvaarden dat ook aan de schippers van andere steden hetzelfde werd toegekend! Het zat er onmiddellijk weer bovenarms op. Op 21 februari 1664 kwam een schip uit Oostende met bestemming Gent, dat zonder lastbreken wilde doorvaren. Het werd aan de ketting gelegd, waarop de Oostendenaars een Hollands en een Engels schip die voor Brugge bestemd waren, de doorvaart verhinderden. Slechts bevelen vanuit Brussel konden weer enige orde op zaken stellen.

In mei 1664 organiseerden de schippers een waar volksoproer. Toen een paar schepen, met zout geladen, uit Oostende gesignaleerd werden met bestemming Gent, besloten ze de grote middelen aan te wenden. In de nacht van 12 mei werd door moetwillighe gasten de kaai aan de Gruuthusebrug in het water gegooid en werden aan de Eekhoutbrug en de Meebrug lichters tot zinken gebracht: de doorvaart voor grotere schepen was tijdelijk onmogelijk gemaakt. In de Heilige-Geeststraat, bij de koopman Jan de la Villette, tevens intendant voor de Spaanse marine in het Brugs kwartier, en bij zijn zwager en schepen van het Brugse Vrije Robert de Meulebeke - de Melgar in de St.-Jansstraat, werden nachten na elkaar de ruiten ingegooid. Revolutionaire biljetten werden aangeplakt. Op sommige werd ermee gedreigd huysen te pillieren van de magistraet bijaldien zij den deurvaert niet en beletten. Op andere werd het volk tot oproer aangezet met de verzekering dat in het geheim meer dan zevenhonderd man klaar stonden om steun te verlenen bij het plunderen van rijkeluishuizen.

De magistraat raakte in lichte paniek. Alle schoolmeesters van de stad werden op het schepenhuis ontboden om na te gaan of ze het handschrift niet herkenden. Tevergeefs. Dagelijks werd uitgeroepen dat wie de opstellers van de biljetten of de saboteurs kon verklikken, eerst 200 en weldra zelfs 3000 gulden zou ontvangen. Niemand meldde zich aan. Midden in de nacht werden opgehaelt van hun bedde ses schippers op presumptie dat zij van die moetwillighe gasten waeren, maar ze bleken onschuldig. De avondklok werd ingesteld, drie afdelingen van de burgerlijke wacht patrouilleerden bestendig, de procureur-generaal kwam speciaal uit Brussel om een onderzoek te leiden. Het was allemaal boter aan de galg. Uiteindelijk moest de overheid ingeven en werd voorlopig een afdamming gemaakt tussen Scheepsdale en de Dampoort. Om geen al te groot gezichtverlies te lijden, deelde ze mee dat dit nodig was voor de uitdieping.

Gaf de stadsmagistraat toe aan de oproerkraaiers, dit belette niet dat onverwijld werd begonnen aan de uitdieping van het kanaal naar Oostende en naar Gent. Op 20 juni 1664 begonnen de werkzaamheden en op 28 december kon gouverneur-generaal Castel-Rodrigo het verbrede kanaal van Gent naar Brugge inwijden. Van Brugge trok hij over Nieuwpoort naar Oostende om op 31 december door het verdiepte en verbrede kanaal naar Brugge terug te varen.

Een nieuwe handelskom

Om aan het euvel van de vrije doorvaart het hoofd te bieden was er maar één oplossing zo oordeelden de Brugse kooplieden en makelaars, en dat was de reders een zodanig infrastructuur aan te bieden, dat ze Brugge als draaischijf voor de distributie van hun goederen zouden verkiezen en aan de Brugse schippers het werk zouden verschaffen dat ze opeisten. Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl de gouverneur-generaal in Brugge was, troonden ze hem mee naar de plek ter hoogte van de Dampoort waar men een nieuwe handelskom wilde graven van 300 bij 100 meter. Onmiddellijk gaf hij zijn toestemming.

Al op 8 april 1665 werd de aanbesteding uitgeschreven en op 14 september kon het water in de nieuwe kom worden gelaten. Rondom werd een nieuw versterkt bastion gebouwd, het Fort Lapin, zodat de schepen en de in de stapelhuizen bewaarde goederen beveiligd werden tegen vijandelijke aanvallen. De talrijke invallen van Franse, Hollandse en Engelse troepen, die in de daaropvolgende jaren zouden voorkomen, toonden aan dat dit geen overbodige voorzorg was.

Zeven oktober was een hoogdag: drie Brugse vissersboten voeren de handelskom binnen. Ze waren eigendom van de onlangs opgerichte Groenlandsche Compagnie en kwamen van de visvangst terug met zes walvissen. Het versnijden en inzouten van de gevaarten, het verwerken tot olie en zeep, het aanscherpen van de baleinen voor hoepelrokken en korsetten zou maanden lang aan velen werk verschaffen.

Hoe trots de Brugse kooplui op deze nieuwe handelskom wel waren, kunnen we afleiden uit de schilderijen die de inwijding ervan voorstellen. Hendrik van Minderhout (Rotterdam 1632 – Antwerpen 1696) maakte, wellicht in opdracht van de Groenlandsche Compagnie, een indrukwekkend panoramisch gezicht, met de torens van Brugge op de achtergrond, met feestelijk bevlagde schepen in de handelskom – één met de naam “De Vis” erop geschilderd – en met vele bewonderende wandelaars op de oevers. Van dit schilderij bestaan vier exemplaren, al dan niet door Van Minderhout geschilderd, wat erop wijst dat heel wat opdrachtgevers de ingebruikname van de nieuwe handelskom als een belangrijk evenement beschouwden[17].

Er werd ook een gravure gemaakt, die wordt toegeschreven aan Cornelis Van Caukerken (1626-1680), met een panoramisch zicht op de stad Brugge, een zicht op de nieuwe handelskom in volle bedrijvigheid, een plattegrond van die handelskom en een plattegrond van de waterlopen die er toegang toe verleenden. Een ware reclamefolder!

Op grond van de inscriptie midden op de gravure, een opdracht aan de landvoogd Castel-Rodrigo met vermelding S(enatus) P(opulus) Q(ue) B(rugensis), wordt aangenomen dat het om een bestelling door het stadsbestuur ging[18]. Er is hiervoor evenwel geen betaling terug te vinden in de stadsrekeningen. Zou het mogelijk zijn dat het gild van de makelaars als opdrachtgever optrad? Het is in ieder geval merkwaardig dat Cornelis Van Caukerken in 1665 als lid bij de makelaars werd ingeschreven!

Het is wellicht ook niet toevallig dat op het rijke wandtapijt Het offer van Agamemnon, dat rond dezelfde tijd in een Brugs atelier werd geweven, een vloot werd afgebeeld waarvan de schepen veel gelijkenis vertonen met die op de schilderijen die de handelskom verbeelden[19].

Een nieuwe handelsbeurs

Bij al het nieuwe dynamisme dat in Brugge opborrelde, wilde het aloude gild van de makelaars niet afzijdig blijven. Op 24 maart 1665 werd een algemene vergadering bijeengeroepen. Negenendertig leden kwamen opdagen voor wat een belangrijke bijeenkomst moest zijn. Eenparig besloten ze een nieuwe handelsbeurs op te richten, die de teloorgegane prestigieuze Brugse Beurs zou doen herleven. Ze vroegen hiervoor de toestemming van de Brugse stadsmagistraat, die ze volgaarne verleende. Voortaan zou beurse ofte daghelicxsche vergaderinghe gehouden worden op elke werkdag van 11 tot 12 uur in de Lakenhalle onder het Belfort. Naast bank- of wisselverrichtingen en goederentransacties, zouden ook de schippers en vrachtvoerders hun diensten aan de kooplieden kunnen aanbieden. De plaats waar in de XIVde eeuw de eerste beurs was ontstaan, tegenover de makelaarshuizen van de koopmansfamilie Van der Beurse, heette voortaan Op d’Oude Beurse.

Het stadsbestuur stelde in de Hallen een afgesloten ruimte ter beschikking en vaardigde bij Hallegebod van 9 november 1665 een huishoudelijk reglement uit. Hierin werd onder meer bepaald dat de vrachtvoerders en ‘boden’ er dagelijks de afvaarten en afreizen moesten afficheren, met opgave van dag en uur van vertrek. De stad zorgde voor permanente politiecontrole, want ze wilde de Beurs tot een pronkstuk maken. Bedelaars moesten streng geweerd worden, kans- en dobbelspelen waren verboden, ruzies en vechtpartijen zouden streng beteugeld worden: men wilde aan de vreemde handelaars aantonen dat het er in Brugge ernstig aan toe ging.

Dat dit reglement in 1699 en nogmaals in 1721 herdrukt werd, toont aan dat de beurs nog vele jaren operationeel bleef[20].

De walvisvangst

Op 30 november 1665 kocht de Groenlandsche Compagnie, die we hierboven al vermeldden, in Amsterdam een fluitschip aan en doopte het om tot De Beurse van Brugghe, zo aangevend dat ze op verre zeeën en in vreemde havens de opleving van het handeldrijvende Brugge wilde uitbazuinen. Om het schip te bemannen werd een beroep gedaan op Hollandse vissers. Hendrik Vager uit Durkerdam werd kapitein en bracht o.m. de Rotterdammers Hendrik Jacobsseune en Gerard Geraardsseune als harpoeniers mee. Prompt werden zij als poorters van Brugge ingeschreven[21].

De Groenlandsche Compagnie was al sinds mei 1664 bedrijvig, al had ze eerst vanuit Oostende geopereerd. De oprichters waren Brugse kooplieden en reders: Roger Verbeke, Christoffel Dieusart, Gillis van Toers, Pieter vander Elstraete, Maarten Dhane, Sebastiaan Bucquoy, Zeger Van de Walle, Frans Schapelinck en later Philippe de Pape. De compagnie bleef zeker tot in 1673 de visvangst bedrijven. Vanaf 1668 stichtten Jacques Van der Helle en Mattheus de la Porte ook een rederij ter visserij. Hun boot heette Keizer Maximiliaan en ging eveneens op walvisjacht[22]. Al deze namen vinden we terug in de ledenlijsten en de eden van de nering van de makelaars.

Roger Verbeke, gehuwd met Godelieve de Pruyssenare, woonde in De Roose in de Ezelstraat[23]. Christoffel Dieusart was zeer waarschijnlijk een zoon of een neef van de gelijknamige Brugse beeldhouwer. Gillis van Toers behoorde tot een belangrijke handelaars- en redersfamilie[24]. Pieter vander Elstraete[25] en Maarten Dhane zijn ons niet nader bekend. Sebastiaan Bucquoy (†1694), die achtereenvolgens gehuwd was met Magdalene Coorde (†1655), Anna de Grieck (†1665) en Anna Maria de Pape (†1706) was de stamvader van een aanzienlijke familie van handelaars en notarissen. Samen met zijn drie echtgenoten werd hij in de Sint-Annakerk begraven[26]. Zeger van de Walle was familie van Juan van de Walle. Frans Schapelinck, zoon van de gelijknamige tingieter, werd in 1683 schepen van Brugge en in 1684 gouverneur van de Berg van Charitate. Philippe de Pape (†1675), gehuwd met Paschasia Soys, kwam zich begin 1665 vanuit Antwerpen en via Middelburg in Brugge vestigen[27]. Jacques van der Helle was in 1665 schepen van Brugge zoals hij dat al in 1658 was geweest en het opnieuw werd in 1670, 75 en 76. In 1670 was hij gouverneur van de Berg van Charitate. Mattheus de la Porte (†1691), getrouwd met Marguerite Breydel, was handelaar in draperie en kant en was van 1663 tot 1688 ‘conciërge’ of administrateur van de Berg van Charitate[28].

Dit zijn maar enkele heel fragmentarische gegevens over deze Brugse reders ter walvisvangst, maar ze zijn voldoende om ze te situeren onder de voorname en ondernemende families van de stad.

Nog meer scheepvaart

Hiermee was de opleving van de visserij en van de handelsvloot nog maar pas begonnen. Het valt op dat tot hiertoe niemand er op gewezen heeft dat in 1664, 65 en 66 in totaal 340 nieuwe poorters werden ingeschreven. Van 1623 tot 1663, over veertig jaar dus, werd eenzelfde aantal genoteerd. De alfabetische poorterslijst van Parmentier was moeilijk hanteerbaar om hiervoor een verklaring te zoeken. De onlangs door Jamees gepubliceerde veel vollediger lijst, maakt het niet alleen mogelijk de inschrijvingen per jaar te volgen, maar geeft ook het beroep en de motivatie voor de nieuwe inschrijvingen aan. Hieruit blijkt dat de overgrote meerderheid van nieuwe poorters in de hier behandelde periode, vissers of zeelui waren, meestal uit Nederland afkomstig. We komen verder terug op de redenen die deze aanzienlijke en plotselinge toevloed veroorzaakten. De meeste van die nieuwe poorters kwamen naar hier met vrouw en kinderen, zodat Brugge op korte tijd minstens een duizendtal nieuwe burgers kreeg, ook al hebben we geen absolute zekerheid dat ze hier allemaal ook echt kwamen wonen.

Een aantal schepen was eigendom van Brugse reders. Een schip, waarvan Jacob Maertens uit Katwijk de kapitein was, behoorde toe aan Augustijn van den Tombeek en Joos Dhane; de Sint-Pieter behoorde aan Aernout De Wynt[29] en Pieter van Loo; de Sint-Donaas van Brugge was van Adriaan van de Walle[30] en van de Dolfijn, de Maria-Boodschap, de Sint-Sebastiaan, de Sterre, de Fameuse Marie, de Sint-Elisabeth, de Rose Noble en andere, werd vermeld dat ze aan Brugse reders toebehoorden, zonder vermelding van de naam.

Daarmee was het op verre na nog niet afgelopen. De lijsten vermelden onder meer d’Aventure, de Jonge Dochter, Sint-Anna, De Hope, Sint-Jacob, De Zwane, Sint-Joseph, Godelieve, De Haze, Het Wapen van Antwerpen, de Heilige Drievuldigheid, Sint-Amand, Sint-Agnes, Sint-Jan, De Valck, Jupiter, Onze Lieve Vrouwe van Hulpe, De Liefde Groot, Sint-Catharina van Brugge, De Haene, De Moriaen, Anne, De Meulenaere, Sint-Andries, De Raeve, Sint-Xaverius, Sint-Jan Evangelist en De Keyser.

Hieronder bevonden zich ongetwijfeld kleinere schepen voor de binnenvaart en ook een aantal vissersboten. Van enkele schepen werd vermeld dat ze voor de grote vaart waren bestemd, zoals dat van Wouter Burkx dat op West-Indië en D’Hope van schipper Dierscoop dat op Ierland voer[31].

Door zeebrieven die in Engeland in 1665 en 1666 werden uitgereikt, weten we dat de Love, eigenaar Jan Baptist Carlier en de Lucretia, eigenaar Pieter Pattyn (†1678) van Brugge[32] op Cadix voeren. Ook de Marie, de Nostre Senor del Pueblo, de Santa Maria, de Sint-Jan, de Sint-Michiel en de Godelieve kregen Engelse brieven van vrijgeleide om op Frankrijk of Spanje te varen[33].

Als al die schepen, samen met vreemde vaartuigen, de nieuwe haven van Brugge aandeden, dan hadden de schilderijen die een sterk bezette handelskom weergaven, er niet om gelogen! Het toont meteen aan dat de Brugse kooplui niet bang waren voor grote risico’s. Ook al voeren de vrachtschepen meestal in konvooi, onder de bescherming van militaire fregatten, bleef de scheepvaart in deze tijden van oorlog en van zeerovers – zonder dan nog van stormweer te gewagen – een hoogst riskante activiteit, die de eigenaars soms zeer rijk maakte maar ook op slag kon ruïneren.

Hoofdstuk III

De Caemere van Negotie ende Commercie

Naar een nieuwe naam en organisatie

De heroprichting van de handelsbeurs was niet het enige en zelfs niet het voornaamste wat de makelaars op hun bijeenkomst van 24 maart 1665 bezig hield. Het ging hen vooral om plannen die ze voor hun eigen genootschap koesterden. De heren waren zich ongetwijfeld bewust van het functieverlies van hun gilde. Hierin was het geen uitzondering. Veel andere gilden en ambachten waren ook al een hele tijd over hun hoogtepunt heen. In een aantal gevallen waren de destijds duur bevochten voorrechten en monopolies dode letter geworden. Met talrijke processen poogden ze die verder te doen erkennen, maar tegen de economische realiteit van een steeds vrijer wordende handel en industrie was geen kruid gewassen. Niet alle gilden konden het zich veroorloven zo brutaal en revolutionair op te treden als de schippers. Een aantal gilden en ambachten evolueerden stilaan tot overjarige genootschappen, die nog wel enige impact behielden op traditionele activiteiten, maar buiten de moderne ondernemerswereld stonden.

Het is merkwaardig dat de makelaars de verdere aftakeling van hun gilde niet lijdzaam ondergingen, maar in de sfeer van vernieuwd dynamisme een grondige face lift doorvoerden. Ingevolge hun besluit van maart 1665 deden ze aan het stadsbestuur een omstandig voorstel. Het was hun betrachting, zo schreven ze, “de restauratie van de commercie ende de welstandt vandien binnen deser stadt te faciliteren”. Hiervoor wilden ze in hun genootschap de versterking krijgen van “differente zeleuse persoonen, liefhebbers van de commercie ende principaele negocianten”. Die heren waren vervreemd van de makelaarsgilde, waarvan de naam niet meer het echte handelswezen dekte en hierdoor “in luttel estime” werd gehouden. Daarbij waren ze afkerig van ouderwetse reglementeringen die nog werden toegepast en die ze als belemmerende “quellynghen” beschouwden.

Het voorstel van de makelaars was dan ook voortaan de naam “Caemere van commercie” te mogen dragen en hiervoor een “privilegie”, d.w.z. een exclusiviteit te verkrijgen. Daarbij beloofden ze dat binnen de grenzen van de concessies en voorrechten waarover ze beschikten, de reglementen die als belemmeringen werden beschouwd, zouden worden opgeheven. Tevens stelden ze voor dat voortaan “alle disputen rakende de negotie ofte commercie” door hen zouden beslecht worden. Tot slot suggereerden ze, want koken kost geld, dat ze “eenighe lasten op de passage van eenighe goederen” zouden mogen heffen, om de kosten te bestrijden die uit dit nieuw initiatief zouden voortspruiten.

Al op 15 mei nam het College van burgemeester en schepenen een uitvoerige beslissing, die volledig in de lijn lag van wat de makelaars hadden voorgesteld. Verwijzend naar de herhaalde aanmoedigingen van landvoogd Castel-Rodrigo voor de heropbloei van de handel, vond het stadsbestuur dat dit een gastvrije openheid tegenover de vreemde kooplui veronderstelde, die goed moesten “worden ontvanghen ende in ruste zonder vexatiën ende quellynghen worden ghetracteerd”.

De gilde van de makelaars, zo ging het stadsbestuur verder, had altijd al nuttig werk verricht door te arbitreren in handelsaangelegenheden, maar voortaan zou het dit uitgebreider mogen doen. Alle geschillen die rezen tussen kooplui, commissionairs, schippers en arbeiders betrokken bij de koophandel, zouden door de Kamer dienen te worden beslecht. Als voorbeelden gaf het stadsbestuur: de vrachten en de cognossementen, het arbeidsloon, de schade of het bederf van de goederen, averij, betaling van voorschotten, enz. In dit alles zou de Kamer beslissen “summierlyck en zonder figuer van proces”. Natuurlijk bleef zoals voorheen het College van burgemeester en schepenen fungeren als beroepsinstantie.

Een echte handelsrechtbank kunnen we dit nog niet noemen. Veel handelszaken bleven buiten haar bevoegdheid. Als het over de uitvoering ging van leveringen, over wanbetalingen of faillissementen, waren het de gespecialiseerde beroepsgilden die arbitreerden en de gewone rechtbanken die oordeelden. Maar het ging toch al in de richting van wat later de handelsrechtbanken zouden worden, omdat de makelaars voortaan niet meer alleen of hoofdzakelijk arbitreerden ten behoeve van de eigen aangesloten leden, maar van allen die bij handelsactiviteiten waren betrokken.

Om te beantwoorden aan de meest recente internationale handelspraktijken, moesten er in het bestuur enkele handelaars worden opgenomen “notabele lieden, negotie doende”, die hiermee voldoende vertrouwd waren. Het stadsbestuur stelde voor dat vier van die kooplieden de Eed van het vernieuwde makelaarsgild zouden komen versterken. Het bestuur zou voortaan bestaan uit een hoofdman, een stadhouder, negen leden en een tresorier. Elk jaar zou de samenstelling van de eed dienen te worden meegedeeld aan het schepencollege, dat zich het recht voorbehield die te wijzigen als ze het nodig vond. Voortaan luidde de naam van het makelaarsgild: Caemere van negotie ende commercie, mitsgaeders gheprivilegieerde neeringhe van de maeckelaers.

Dit was een typische beslissing voor die tijd: de middeleeuwse instelling werd niet afgeschaft, maar ze werd bevestigd als enige houder van de privileges die haar in de loop van de eeuwen waren toegekend. Daaraan werd een nieuwe naam toegevoegd, zonder dat de oude verdween en werden bijkomende activiteiten en rechten toegewezen, zonder dat ze evenwel in de vorm van een rechtsgeldig en van hogerhand toegekend privilege werden bevestigd. Ze konden, met andere woorden, ook weer worden ingetrokken. Voortaan zou de Kamer van Koophandel en de Gilde der Makelaars een tweesporige activiteit volhouden, waarvan de ene stoelde op de aloude voorrechten en de andere op de evoluties in de handelspraktijken, naarmate die zich voordeden. Dit moest normaal een vruchtbare combinatie worden.

Een “machtsgreep”?

Als we de briefwisseling lezen die in 1665 werd gevoerd tussen de gilde van de makelaars en het stadsbestuur, of kennis nemen van de beslissing van het schepencollege, kunnen we ons niet van de indruk ontdoen, dat hierachter méér stak dan wat er te lezen staat. Ogenschijnlijk was er geen vuiltje aan de lucht. De makelaars beslisten onder elkaar dat ze hun bestuur zouden uitbreiden door toevoeging van vier handelaars niet-makelaars. De stad sloot zich bij dit voorstel aan en maakte van de gelegenheid gebruik om de opdrachten van het makelaarsgild, omgedoopt tot Kamer van koophandel, uit te breiden.

Als we evenwel nagaan wie de vier toegevoegde handelaars waren en welke rol ze voortaan zouden spelen, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat het hier zonder meer om een “overname” ging van de oude makelaarsgilde door ambitieuze nieuwelingen. In 1664 bestond de eed van de makelaars uit acht leden. Deken Pieter Allaert behoorde tot een van de oudste Brugse families en was in 1658 raadslid van de stad Brugge geweest[34]. Stadhouder Joris van den Dorpe (†1678), gehuwd met Catherine Wauckier, was in 1660 raadslid van Brugge en had een broer Joos, die schepen van Brugge werd[35]. Tresorier Jan Nollet (†1669) oefende verschillende jaren zijn functie uit[36]. Pieter van Blommeghem (†1680) kwam uit het kuipersambacht en was voor 1664 tresorier van de makelaars geweest[37]. Jacques Neyts (†1686) behoorde tot een handelaarsfamilie[38]. Jacques van Toers (1631-1703) was gehuwd met Anna van den Dorpe, nicht van Joris van den Dorpe. Hij was kerkmeester van Sint-Salvatorskerk en was een aanzienlijk textielhandelaar[39]. Hoewel er twee Zegers van de Walle waren, vermoeden we dat het hier ging om de in 1698 overleden echtgenoot van Catharina van der Plancke[40]. Herman van Ockerhout (1615-1678) behoorde tot een kruideniersfamilie. Deken van de kruidhalle in 1647 en stadhouder in 1653 was hij bekend als belangrijk zakenman, o.m. in import en export met Engeland en was hij ook kweker van zeldzame boomsoorten[41].

Deze aanzienlijke burgers beantwoordden nog zelden aan de oorspronkelijke regels die vereisten dat een makelaar niet tezelfdertijd handelaar kon zijn. Deze middeleeuwse voorwaarde was al lang dode letter geworden, als ze al ooit secuur was toegepast. De meesten onder hen waren al vele jaren lid van de makelaarsnering.

Toen de eed op 15 mei 1665 tot twaalf leden was uitgebreid, hadden ze er zich kunnen toe beperken vier handelaars die geen makelaar waren, of die zich recent hadden aangesloten, te coöpteren. Nu werd het evenwel een grondige wijziging. Van de acht bestuursleden uit 1664 bleven er maar vier over: Allaert, van den Dorpe, Zeger van de Walle en tresorier Nollet. Er kwamen dus niet vier maar acht nieuwe leden bij in de eed. Vier onder hen behoorden al langer tot de makelaarsnering. Jan-Baptist van Blootacker, lid sedert 1634, behoorde tot een oude Brugse handelaarsfamilie, vooral bedrijvig als brouwers en stokers. Waarschijnlijk was hij het die in 1662 en 1664 raadslid, in 1667 en 1670 tresorier en in 1682 schepen van de stad Brugge was, hoewel het ook een zoon of neef kan geweest zijn[42]. Jan Forde (†1667), edelman en koopman, gehuwd met de Engelse Clare Veere, woonde achter de Sint-Jacobskerk in de Moerstraat en was lid sedert 1644[43]. Christoffel Dieusart was lid sinds 1647. Van Philips van Steelant (†1697) vonden we geen toetredingsdatum. Hij was een aanzienlijk burger: lid van de Edele confrérie van het H. Bloed in 1665, gouverneur van de Berg van Charitate in 1668, schepen van Brugge in 1667 en in 1672, commies van het nieuw kanaal op Duinkerken en administrateur van de Brugse eigendommen van de Sint-Pietersabdij van Gent. Daarnaast leidde hij een aanzienlijk handelshuis, dat wijn en koloniale waren importeerde. Hij woonde in de Sint-Jansstraat, was armmeester op Sint-Walburga en was gehuwd met Petronilla de la Neve (†1681), lid van een oude Brugse familie[44]. Aangezien ook Pieter Allaert al sedert 1647 lid was van de makelaarsnering, leek het er op dat men de nieuw geschapen toestand wilde van nabij laten opvolgen door enkele oude getrouwen.

Zo komen we tot de vier leden van recente datum die aan de eed werden toegevoegd en die dus de vier waren die als Coopluyden doende negotiën aangetrokken waren. Het waren Jan van de Walle, Jan-Baptist Carlier, Justo de Tollenaere en Jacques Claesman. Erg revolutionair was die keuze niet. Het ging niet om vreemdelingen maar om autochtone Bruggelingen, poorters van de stad, behorende tot vooraanstaande families. De nering droeg het nog niet zo ver – op een paar uitzonderingen na – de toegang te verlenen aan één of meer handelaars uit de toch niet onbelangrijke groep buitenlanders die in Brugge woonden en waarvan sommige het poorterschap hadden verkregen. In het bestuur werden ze zéker niet opgenomen. Ze hield vast aan de oude reglementen: de nieuwkomers waren in het graafschap Vlaanderen geboren, waren poorter van Brugge en woonden al minstens een jaar en een dag in de stad. Dit gold ook voor de vier handelaars die in het bestuur werden opgenomen. Er werd van hen gevraagd dat ze formeel lid werden van het makelaarsgild en het inschrijvingsgeld betaalden. Wat ze ook deden.

De data van hun toetreding zijn opmerkelijk. De algemene vergadering van de makelaars vond plaats op 24 maart 1665 en de beslissing van het schepencollege viel op 15 mei. Welnu, van de Walle werd lid op 8 april, Carlier en de Tollenaere op 8 mei en Claesman op 12 mei. Van kersverse leden gesproken. Dat de nieuwelingen eerst als gewoon lid zouden fungeren, om zich in de vereniging in te werken, zou een logische stap geweest zijn. Maar het werd heel anders. De nieuwe leden werden niet alleen in de eed verkozen, maar namen er de leiding van. Jan van de Walle werd hoofdman, Jan Carlier stadhouder en de Tollenaere de eerste onder de bestuursleden. Wie had die “machtsgreep” voorbereid als het er al één was? Dit zal wel niet meer te achterhalen zijn, maar dat de fundamentele bestuurswijziging niet met de instemming van iedereen en vooral niet van de meeste oudere leden gebeurde, zal hierna duidelijk worden. In de vorige jaren waren telkens slechts enkele nieuwe leden als makelaar ingeschreven, maar nu waren het er plots heel veel. Kwamen er van 1658 tot 1662 dertig leden bij (gemiddeld vijf per jaar), in 1663-64-65 waren het er vijftig (gemiddeld zeventien per jaar). Onder hen bevonden zich ongetwijfeld een aantal nieuwkomers die weinig vertrouwd waren met de oude gebruiken en bereid waren om op al even recente leden hun stem uit te brengen. Ze zorgden voor een kleine aardverschuiving. 

De nieuwe leiding

Als nieuwe hoofdman fungeerde voortaan Jan van de Walle (†1678), in de registers vermeld met de voornaam Juan. Hij was als jonge man naar Spanje getrokken om er zich in de koophandel te bekwamen en bij zijn terugkeer was hij gehuwd met Marie Lossy, die zoals haar naam het niet zegt, tot een in Brugge gevestigde rijke Spaanse familie behoorde. Haar moeder heette Johanna de Quintamille. Twee ooms van Juan van de Walle, Georges en Henri, waren op de Kanarische eilanden als handelaars gevestigd en waren met Spaanse vrouwen getrouwd. Ze hadden er wellicht een oom of grootoom opgevolgd, Louis van de Walle, zoon van linnenhandelaar Thomas, die al in 1548 naar het Kanarische eiland La Palma was getrokken.

In beslag genomen door zijn handelszaak, had van de Walle weinig openbare ambten bekleed. In 1653 was hij een jaar gemeenteraadslid geweest en in 1661 werd hij schepen. Enkele maanden later stierf zijn vader en nam hij van hem de lucratieve functie over van commies voor het maalderijrecht, die onverenigbaar was met een schepenambt. Datzelfde jaar liet hij zich ook open brieven uitreiken waarin zijn adellijke afkomst werd bevestigd[45]. Als commies van het maalderijrecht was hij nauw betrokken bij de financiering van de uitdieping van het kanaal Oostende-Brugge. Daarenboven was hij, zoals we verder zullen zien, een vertrouwensman van het centrale Spaansgeleide bestuur in Brussel.

Tot stadhouder of vice-voorzitter werd Jan-Baptist Carlier (†1676) benoemd, ook al een handelaar die zijn opleiding in Spanje had genoten. Carlier (ook soms Caulier geschreven) behoorde tot een voorname Brugse familie. Hij was kleinzoon en zoon van de handelaars en kousenfabrikanten Gerard en Pieter Carlier, die woonden “op de Beurse, nevens de Florentijnse loge”. Hijzelf woonde Augustijnenrei. In 1641 was hij lid geworden van de Sint-Jorisgilde en in 1651, samen met Jan van de Walle, van de Edele confrérie van het H. Bloed. Gehuwd met Antoinette van den Abeele, bij wie hij vijf kinderen had, was hij verwant met de Brugse families van Caloen, de Lampreel en Lambrecht. Bij zijn overlijden trad de belangrijke zakenman Abraham van Susteren (†1699) als voogd op over de nog minderjarige kinderen[46]. Deze van Susteren stamde uit een aanzienlijke en katholieke Amsterdamse familie, die onder haar vrienden o.m. Joost van den Vondel telde. Na jaren in Malaga handel te hebben gedreven, kwam van Susteren zich als gefortuneerde Hollander in Brugge in de Oude Zak vestigen, samen met zijn vrouw Marguerite de Berault de Villeterre. In 1665 werd hij Brugs poorter en lid van de makelaarsnering. In 1670 werd hij lid van de eed. Hij bleef druk handel drijven met Spanje, waar zijn zoons Carel en François zich gingen vestigen. Hij leefde niet lang genoeg om te beleven dat zijn neef Hendrik van Susteren in 1716 bisschop van Brugge werd[47].

Carlier was textielhandelaar en exporteerde o.m. met eigen schepen, vooral saai en fustein. Hij kocht een “notabel” huis in Middelburg (Zeeland). In Spanje kon hij rekenen op zijn broer Pedro Carlier, die er zich vanaf 1625 blijvend gevestigd had en een bloeiende zaak had opgebouwd. Er waren nog Carliers die naar Cadiz of Sevilla vertrokken: Victor in 1604 en Louis in 1681, terwijl Jan Carlier zich in Antwerpen had gevestigd en Anselmus Carlier in 1573 in Dowaai[48].

Justo de Tollenaere (†1675) behoorde eveneens tot een oude Brugse familie en zoals zijn voornaam het zegt, moet hij ook in Spanje in de leer zijn gegaan. Hij woonde in de Nieuwstraat en kwam wellicht pas rond 1660 naar Brugge terug, aangezien hij in dat jaar lid werd van de Sint-Jorisgilde. Gehuwd met Catharina van Volden, uit één van de voornaamste Brugse handelsfamilies, speelde hij geen actieve rol in het stadsbestuur. Alleen in het jaar van zijn overlijden was hij stadsthesaurier. Zijn familie was trouwens vooral actief in de bestuursorganen van het Brugse Vrije, eerder dan in die van de stad Brugge. Bij zijn overlijden had hij zijn handelszaak waarschijnlijk al geliquideerd, want er werd in zijn nalatenschap geen melding van gemaakt. Wel bleek hij een behoorlijk fortuin te bezitten, met vooral eigendommen, landerijen, hofsteden en huizen in Jabbeke, Nieuwmunster, Oudenburg, Blankenberge, Sint-Joris-ten-Distel, Sijsele, Stalhille, Varsenare en Diksmuide. Daarnaast bezat hij ook heel wat roerende goederen, vooral renten op openbare besturen[49].

Tenslotte was er nog Jacques Claesman die een minder vooraanstaande rol kreeg toebedeeld in de eed. Hij behoorde tot de Brugse topklasse. Zijn vader Jacques Valentin Claesman, was in 1629 schepen, in 1627 en 1631 raadslid en in 1639 tresorier van Brugge. Zijn moeder was een de Lampreel en zelf trouwde hij met een de Crits. De Claesmans woonden In ’t Peershooft in de Noordzandstraat[50].

Op het eerste gezicht waren deze heren eigenlijk niet verschillend van de andere leden van de gilde der makelaars. Ze dreven handel, zoals de meeste makelaars ook deden. Ze vervulden winstgevende functies, zoals bvb. ontvangerschappen van specifieke rechten of belastingen, ze oefenden af en toe een publiek mandaat uit en ze behoorden tot de oudste en voornaamste families van de stad. Ze waren ook met een aantal makelaars verwant. Misschien lag het verschil in hun Spaanse opleiding, maar het makelaarsgild telde al behoorlijk wat leden die eenzelfde opleiding hadden genoten, zodat ze dus niet per definitie op buitenstaanders hadden hoeven een beroep te doen. Misschien hadden ze een bepaalde specialisatie waardoor ze bekendheid hadden verworven? Of was het gewoon om heel andere redenen dat ze direct de leiding in handen namen? Waren er politieke achtergronden of persoonlijke tegenstellingen? De officiële stukken blijven hierover zwijgzaam, maar de vraag mag ongetwijfeld gesteld worden.

Was het wel een vernieuwing?

De intenties van mei 1665 waren duidelijk geweest. De nering van de makelaars, hierin gesteund door het stadsbestuur, wilde aan zichzelf en aan het Brugse handelsleven een nieuwe impuls geven door zich tot Camere van Commercie te promoveren. Is hiervan onmiddellijk veel terecht gekomen? We beschikken niet over alle gegevens voor een definitieve opinie. Zo zou het interessant zijn na te gaan in welke mate aan de arbitragefunctie iets veranderde. Werd voortaan méér op de makelaars een beroep gedaan om disputen te beslechten en werden hun uitspraken nageleefd of werd er integendeel vaak beroep tegen aangetekend? In de registers van de rekeningen kunnen we alvast geen wijzigingen bespeuren. Voor en na 1665 was het dezelfde voorstellingsvorm met hetzelfde inkomsten- en uitgavenpatroon.

Wel is het opmerkelijk dat in mei 1667, na een bestuursmandaat van twee jaar, alle nieuwkomers uit het bestuur verdwenen. De oude hoofdman Pieter Allaert, die in 1665 had moeten de plaats ruimen, nam weer de leiding en Joris van den Dorpe werd weer stadhouder. Tot in 1664 waren er vijf gewone bestuursleden, in 1665 was dat verhoogd tot negen en in 1667 waren het er nog maar drie: Pieter van der Elstraete (lid sedert 1650), Zeger van de Walle (lid sedert 1661 en ook lid van de eed in 1664) en Pedro Faignaert (lid sedert 1665). Men kon eigenlijk niet duidelijker aantonen dat in 1665 een echte “inbraak” was gepleegd. Het makelaarsgild verkeerde in 1667 in een crisistoestand, die we hierna uitgebreid zullen behandelen.

De samenstelling van de eed was in de daaropvolgende jaren weer helemaal zoals vóór de wijziging van 1665, met name hoofdman, stadhouder, tresorier en vijf bestuursleden. Van de vier apart aan te wijzen handelaars was geen sprake meer. In 1668-69 werd de eed aangevoerd door twee oudgedienden : Michiel van der Plancke (lid sedert 1651) als hoofdman en Sebastiaan Bucquoy (lid sedert 1656) als stadhouder. Ook in 1670 kwam een oudgediende aan het hoofd, met name Boudewijn de l’Espée (lid sedert 1654).

De rekeningen van het gild geven eveneens aanduidingen over de terugkeer naar de oude toestand. De rekening over 1664 werd nog opgemaakt namens de “geprivilegieerde neringe van de makelaars en hosteliers” maar werd in 1665 goedgekeurd door “hoofdman en mannen van de caemere van negotie ende commercie, mitsgaeders van de geprivilegieerde nering van de makelaars”. De rekening over 1665-1667 verwees eveneens nog naar de betiteling als handelskamer, maar dit was dan ook de laatste keer. In de volgende jaren werd het weer zonder meer “geprivilegieerde nering van de makelaars”. Weliswaar werd in de marge (door de controlerende stadsbeambte?) nog gewag gemaakt van de “wetachtige kamer”, maar de gilde zelf gebruikte deze term in de eerstkomende jaren weinig. Pas in de achttiende eeuw zouden de makelaars zich opnieuw de naam “Kamer van Koophandel” toe-eigenen.

De enkele zilveren penningen van het gild die tot ons zijn gekomen, tonen het aan. In 1697 vermeldden die penningen Chambre des Courtiers, in 1712 tot 1717 Chambre des Couretiers, maar in 1722 werd het Chambre légale de Commerce en in 1754 Chambre de Commer(ce) et courtiers à Bruges. Afgezien van het wat vreemde feit dat deze penningen een Franse vermelding droegen in een periode dat het officiële leven van de gilde in de volkstaal gebeurde, is de betiteling eigenaardig. Ze gebruikten het woord Chambre, wat dus toch enige verwijzing naar de Kamer van Koophandel inhield, en niet het woord Guilde of Métier, wat de normale Franse vertaling zou geweest zijn van het gewoonlijk gebruikte “gilde” of “nering”. Maar het woord commerce bleef tot in de achttiende eeuw achterwege[51].

De rechtbankactiviteiten

We hebben er hierboven al op gewezen dat de nering van de makelaars van oudsher handelsgeschillen diende te beslechten. Haar opdracht was snel en doeltreffend te arbitreren. Meestal namen de partijen hiermee vrede. Was dit voor één van hen niet het geval, dan kon die in beroep gaan bij het schepencollege. Door de beslissing van mei 1665 werd deze opdracht niet alleen bevestigd, maar ook uitgebreid. Hierna volgen enkele voorbeelden van zaken die aan de eed werden voorgelegd[52].

Abraham van Susteren had een partij dierenhuiden ontvangen. Ze waren hem verkocht als afkomstig uit Indië (lees: Zuid-Amerika). De schipper wilde hem de vracht aanrekenen die voor deze verre gebieden gold. De makelaars kwamen evenwel tot de bevinding dat het niet om huiden ging uit Mexico, Curaçao of San Domingo, maar om een gemengde partij uit Senegal. Van Susteren hoefde dan ook maar de lagere vrachtprijs te voldoen die voor dit dichterbij gelegen land van toepassing was.

Pieter Blomme en Philippe De Pape procedeerden tegen schipper Gerard Ramondt. Bij aankomst van dertien vaten wijn en negen stukken brandewijn had men vastgesteld dat deze laatste lekken vertoonden. Ramondt werd hiervoor verantwoordelijk gesteld, maar hij schoof de schuld af op kuiper Blomme. De uitspraak werd niet vermeld.

Weduwe Jan Melaert weigerde aan Jan Blomme een wisselbrief op naam van haar overleden echtgenoot te voldoen. Ze werd veroordeeld tot promptelijcke betaling, met kosten en intresten.

Winnoc Plets kreeg gelijk in zijn vordering van 24 pond die Frans Poulvijn hem schuldig was, omdat hij die zijn knecht in Engeland voorschotten had uitbetaald.

Schipper Gillis De Wint had Pauwel Steerlynck als kok aangemonsterd voor een reis naar Frankrijk. Nog voor de afvaart had hij Steerlynck zonder reden afgedankt. Hij werd veroordeeld tot betaling van 27 gulden, dit is één maand loon. De nering trad dus ook als arbeidsrechtbank op.

Andries Vanden Bogaerde procedeerde tegen Antoine Blanckaert en eiste restitutie van een baal Spaanse wol. Maximiliaan Sproncholf eiste van Jan Roussel en François de Meulenaere de betaling van 2.050 gulden voor een vracht aangevoerd met de Monica. Jan Ollivier vorderde van Pedro de Melgar een vrachtprijs van 1173 gulden. Die twistten ook over het brutogewicht van een zending: moest de Oostendse dan wel de Brugse gewichtsmaat worden gebruikt?

Pieter van der Elstraete, eigenaar van De gecroonde liefde en Jacques Claesman, bevrachter van dit schip, waren het oneens wie de schade moest vergoeden die de vracht tijdens een langdurig oponthoud in Engeland had opgelopen.

Rafaël Cools had op de dijk bij Scheepsdale een hoeveelheid stenen vervreemd, als ballast voor zijn schip. Die behoorden evenwel aan Philippe de Pape, aan wie hiervoor tweeëndertig schellingen werd toegewezen.

In sommige zaken kwamen advocaten tussen beide, die de bevoegdheid van de makelaars betwistten. In het geschil tussen Thomas Verschuere en Valentijn Claesman, over de betaling van 60 ton Spaanse noten, argumenteerde procureur Verbist dat alleen het schepencollege bevoegd was, omdat het hier om een zaak tussen poorters ging. In geschillen tussen handelaars en ontvangers van belastingen of onder schippers, moest eveneens het schepencollege de knoop doorhakken[53].

Uit deze enkele voorbeelden moge blijken dat een gevarieerde reeks geschillen aan de arbiters werd voorgelegd. Voor zoveel we konden nagaan, werden hun beslissingen meestal aanvaard en werd zelden beroep aangetekend.

Het dagelijks leven in het makelaarsgild

Een volledig beeld geven van het dagelijks leven van de nering van de makelaars is niet zo gemakkelijk. Op basis van de reglementen die ze moesten naleven, kunnen we er ons toch enig idee over vormen.

Eén of tweemaal per week kwam de eed een halve dag bijeen. Op de agenda stonden uiteenlopende punten: de disputen waarover moest gearbitreerd worden, de aanvaarding van nieuwe leden, de bespreking van inkomsten en uitgaven, de voorbereiding van de driemaandelijkse algemene vergadering van de leden, enz. Hierover zijn geen uitgebreide verslagen bewaard, alleen beknopte notities in het ferieboek, dat hoofdzakelijk gewijd was aan de opname van nieuwe leden.

Aan de hand van de rekeningen kunnen we enigszins doordringen tot in het dagelijks leven van de nering[54]. De inkomsten die hierin jaarlijks werden vermeld, geven een idee van de middelen waarover de makelaarsgilde beschikte. Een jaarlijkse bron van inkomsten waren de opbrengsten van onroerende goederen. Het ging om circa 5 pond per jaar, komende van renten en hypotheken op een aantal eigendommen gevestigd. Meestal ging het om rechten die door leden aan hun gilde waren geschonken en betrekking hadden op een aantal niet onbelangrijke eigendommen in de stad. We vernoemen: vijf huizen in de Zuidzandstraat, waaronder De Belle (op de hoek van de Zilverstraat), De Suyckerberg en de brouwerij Den Blauwen Arent, huizen in de Zilverstraat, de Losschaertstraat, de Nieuwe Gentweg, de Westmeers, de Oude Burg, de Sint-Jacobstraat, de Grauwwerkersstraat, de Jan Miraelstraat, de Walstraat, de Vlamingdam en de Rolweg. We vernoemen ook nog het Hof van Gistel in de Naaldenstraat en de Gouden Cop op de hoek van de Markt en de Steenstraat.

De nering had ook een jaarlijks inkomen uit lijfrenten. Hier was er plots een aanzienlijke inkomstenstijging. Bedroeg deze post slechts 8 ponden in 1664 en 11 ponden in 1665, dan was dit over 1667-68 gestegen naar 110 ponden.

Een ander inkomen was de opbrengst van de makelaarscommissie op de invoer van kolen en hooi, die collectief de nering toekwam. Oorspronkelijk was dit een zo geringe activiteit, dat dit als drinkgeld gold voor de klerk en huisbewaarder. Vanaf 1614 werd dit evenwel bij openbaar opbod verpacht. Het eerste jaar bracht het 10 ponden 10 schellingen op en in 1622 10 ponden en 16 schellingen[55]. In 1664 was dit gestegen tot 16 ponden 10 schellingen, om voor 1665-66 plots te stijgen naar 200 ponden en over 1667-68 zelfs 300 ponden te bedragen[56]. Dit betekende een belangrijke en ongetwijfeld welkome stijging van de inkomsten.

Een vast inkomen haalde de nering ook uit de bijdragen van de leden. Ieder lid betaalde tweemaal een verplichte bijdrage. De eerste was zijn entreegeld, waarmee hij zijn vrijdom in de nering kocht. Het bedrag ervan varieerde naargelang het maatschappelijk aanzien en de financiële draagkracht van de kandidaat. Als er veel nieuwe leden bijkwamen, was dat natuurlijk goed voor de financies van het genootschap en dat was in 1664-65 het geval. Zo kwam er 216 pond binnen in 1664 en 173 pond in 1665. In de rekening 1667-69 werd 107 pond ontvangen, meestal als aflossing door vroeger ingeschreven leden die nog niet het volle bedrag hadden geregeld. Een tweede maal betaalde de makelaar bij zijn overlijden. Dit was de doodschuld, die men bij de erfgenamen moest gaan opvragen en die zowel een uiting van trouw was aan het genootschap als een uitgesproken wens om missen voor zijn zielenlafenis te laten opdragen.

Waren 1667-69 minder goede jaren voor de entreegelden, dan werd dit enigszins goed gemaakt, als men het zo kan uitdrukken, door de doodschulden. Ook bij de makelaars sloeg de pestepidemie (waarover later meer) hard toe, zodat in plaats van een paar overledenen, zoals men die elk jaar noteerde, over die periode voor twintig afgestorven leden een doodschuld werd afgelost, voor een totaal bedrag van 15 ponden. Deken Pieter Allaert bevond zich onder hen.

De financiële toestand was dus vanaf 1665 gunstig aan het evolueren. Dit was niet zo geweest in de vorige jaren, bij zover zelfs dat de nering zich genoodzaakt had gezien haar zilveren schakels in pand te geven bij de Berg van Barmhartigheid. Waren die schakels de halssnoeren die deken en hoofdmannen bij plechtige gelegenheden droegen of waren het zilveren kettingen die als sieraad in de vergaderzaal hingen? Ze konden ze nu gelukkig weer gaan ophalen, tegen betaling van 5 pond en 4 schellingen. Ook de 122 pond die tresorier Pieter van Blommeghem had voorgeschoten, konden hem worden terugbetaald.

De nering kon weer aan uitgaven denken. Zo werd bij drukker Alexander Michiels een herdruk besteld (op 116 exemplaren) van het tariefboekje dat uitgebreid de te heffen makelaarslonen opgaf. Bij drukker Lucas Vande Kerckhove liet ze op 70 exemplaren nog een ander boekje drukken, vermeld als “over de kleine last van taxatie”.

De gunstige financiële vooruitzichten hadden ook tot gevolg dat met vernieuwde moed verbeteringswerken aan kapel, vergaderzaal en conciërgewoning werden aangevat. De werkzaamheden aan de kapel toegewijd aan O.-L.-Vrouw van Betlehem gebeurden vooral in 1664-65, net voor de pestepidemie de nering uit haar lokalen verdreef, en die aan de gildenkamer en de huisbewaarderswoonst vooral bij de terugkeer in 1668. Er werd heel wat gerepareerd aan daken en ramen van de kapel, er werd bepleisterd en gewit en een nieuw portaal werd gebouwd. Onder de uitvoerders noteren we de stukadoors en kalkleveranciers Pieter Coolsaet (†1679) en weduwe Gheilliaert, de dakwerker Maarten Haeke, de steenhouwer Lambert Robert, de slotenmakers Lieven Allaert (†1679) en Gerard Busschop, de glasmakers Cornelis de Witte, Jacques Dhondt en weduwe Valcke, en vooral aannemer Arnout Kerkhof. Nicolaes De Raes werd belast met het vernissen van de orgelkast, het herschilderen van het O.-L.-Vrouwebeeld, het schilderen van het portaal en enkele andere schilderwerken in de kapel.

Ook de vergaderzaal werd verbouwd. Vooral werd nieuw meubilair aangekocht. Hiervoor werd een beroep gedaan op bekende Brugse beoefenaars van kunstambachten. Nieuwe kussens werden aangekocht met het wapen van de nering erop geborduurd door Philip van Blootacker (†1682), de zwager van schilder Jacob van Oost[57]. Door Maximiliaan Feytens (†1693), deken van de timmerlieden, werden een vergadertafel en nieuwe banken geleverd[58] en door de deken van de schrijnwerkers Philips van Noortover (†1675), achttien stoelen[59]. Klokkengieter Gillis Moerman (†1684) leverde een metalen inktpot[60] en bij boekhandelaar Pieter Roose (†1678) werden vier zeekaarten besteld om in de wetkamer te worden opgehangen[61]. Bij Jacques de Tilly (†1676) werd een zilveren schaal besteld voor de wetkamer en ook een zilveren bekken en twee ampullen voor de kerk[62]. Makelaar Joris van den Dorpe leverde een groot groen laken voor de vergadertafel.

Naast de investeringen, waren er ook de gewone werkingskosten. De werking vereiste heel wat personeel, dat grotere of kleinere vergoedingen ontving, voor een totaal van ongeveer 100 pond per jaar. Griffier Willem Matin (†1668), die ook klerk van de vierschaar was, had aan zijn functie bij de makelaars een goede bijverdienste[63]. Niet alleen had hij een jaarsalaris, maar voor ieder toetredend lid ontving hij twee gulden. De klerken Jan Fiers en Christoffel van der Eecken hadden een vaste bezoldiging. Voor de moeilijke jaren 1665-66 kreeg laatstgenoemde zelfs een bonus, omdat soo veele hem toeghewijdt is bij mijnheeren hooftman en stedehouder en de mannen van de Camer van Commercie. Ook in vaste dienst was de kapelaan, die een huis betrok naast de kapel van de makelaars en daarbij voor iedere mis die hij opdroeg, een vergoeding ontving. Meester Aurelius Van Peperseele droeg in 1666 tweeënzestig missen op. Werd hij slachtoffer van de pest? In ieder geval werd hij in 1667 opgevolgd door Willibrordus Matin. De prijs per Mis – hij droeg er zevenentwintig op – bedroeg tien stuivers.

De betere financiële toestand maakte ook wat meer gezelligheidsuitgaven mogelijk. In 1664 was hiervan niets te bespeuren, maar in 1665 werd een vat rode wijn besteld voor de bijeenkomst op H.-Bloeddag: de omvorming tot Camer van Commercie was toen net gebeurd en moest worden gevierd. Ook voor andere gelegenheden werd Toursche wijn besteld bij wijnhandelaar Hendrik van den Dorpe (†1675). Wijn kwam trouwens ook nog op een andere manier binnen. Van 1665 tot 1669 mochten vijf nieuwe leden hun entreegeld betalen door het leveren van vaten wijn. Er werden ook werklunches gehouden, en bij herhaling werden de huisbewaarder van de Poortersloge, die van het eigen lokaal in de Vlamingdam en de tafelhouder Jan van Ballenvinghe (†1673) betaald voor het leveren van diversche spijzen. Een paar maal werd ook getafeld in de lokalen van het Jonchof, enkele meters verder in de Vlamingdam.

Was het de betere financiële toestand waardoor voortaan ook reiskosten konden worden vergoed, of was dit het gevolg van het grotere dynamisme dat de tot handelskamer herdoopte nering aan de dag legde? Feit is dat er vanaf 1665 gereisd werd op kosten van het genootschap. Deken Juan van de Walle reisde naar Gent en Oostende, Philips van Steenlant trok zesmaal naar Oostende en Justo de Tollenaere reisde tweemaal naar Oostende en verbleef acht dagen in Brussel. Ook griffier Matin reisde naar Oostende met brieven voor d’heeren van financiën en op Oudejaarsavond 1665 trok pensionaris Christoffel van Volden in opdracht van de Camere naar Brussel met een dépêche voor de Raad van Financiën. Het waren vooral de nieuwkomers die reisden. Zodra ze uit de eed verdwenen, werd niet meer gereisd, althans geen reiskosten meer terugbetaald.

Slechts in de korte periode 1665-67 werden zitpenningen uitbetaald: de nieuwe meesters wilden blijkbaar ook op dit punt nieuwe gewoonten inbrengen!

De koele rekeningen laten ons niet toe iets te vermoeden van de zware problemen waar de makelaars in deze periode mee werden geconfronteerd. Die waren van aard om het bestaan zelf van de nering in het gedrang te brengen: er daagde namelijk concurrentie op!

Hoofdstuk IV

De Koninklijke Kamer van Koophandel

In mei 1665 was de nering van de makelaars met een nieuwe benaming, een vernieuwd bestuur, een aanzienlijk verhoogd ledenaantal en een uitgebreider bevoegdheid, aan een volgend hoofdstuk in haar nu al meer dan vier eeuwen oude bestaan begonnen. De betere toegang tot de zee, de nieuwe handelskom, de herboren handelsbeurs, de gunstige perspectieven voor een groeiende vissers- en handelsvloot, een relatieve vrede met de buurlanden, de steun van de stadsmagistraat en van de centrale overheid: het leek allemaal hoopgevend.

Toch zou de euforie van korte duur blijken. Zowel voor de Brugse handel als voor de werking van de makelaarsnering zou weer een zwarte periode aanbreken. De als “Kamer van Koophandel” vernieuwde nering van makelaars was pas onder haar nieuw bestuur beginnen te werken, toen een groot onheil de werkzaamheden grotendeels lam legde.

De pest als spelbreker

Begin 1666 werd Brugge voor de zoveelste keer geteisterd door een pestepidemie. op het hoogtepunt waren tweehonderd vijftig huizen besmet en stierven honderden inwoners. Arm en rijk werden gelijk getroffen. Anne-Françoise de Schietere de Damhouder dicteerde op 1 oktober 1667 haar testament, waarin ze verklaarde “ziek van lichaam en bevangen van de quaede zieckte” te zijn, en stierf op 6 oktober op het kasteel van Tillegem, evenals vier van haar zes kinderen[64]. Het ergst getroffen door de “haestige ziekte” was de Sint-Gillisparochie. In één van zijn rekeningen betaalde de parochie aan grafmaker Bernard Moens zijn loon uit voor het delven van 107 graven voor behoeftige overledenen. In de Peperstraat[65], juist achter de gebouwen van het makelaarsgild, was ieder huis besmet. De makelaars en de inwonende huisbewaarder ontruimden hun lokalen, die werden opgeëist als huisvesting voor een pestmeester en een aalmoezenier of “roode pater” die over de zieken van de Sint-Gillisparochie dienden te waken. Als tegemoetkoming vanwege het stadsbestuur kregen de makelaars de beschikking over een lokaal in de Poortersloge.

Of ze er veel bijeenkwamen is niet zeker en of ze nuttig werk konden verrichten, is het nog minder. Het hele jaar 1666 was de stad immers in quarantaine en bleef ze afgesloten voor inkomende vreemde schepen, omdat men vreesde dat ze alleen maar nieuwe besmetting zouden brengen. Men wist maar al te goed dat de pest in gans Europa woedde. In de voorbije maanden had de ziekte al bijna honderdduizend slachtoffers geëist. Er werd dus geen werk gemaakt van de jaarlijkse bestuursvernieuwing en slechts één poorter liet zich als nieuw lid inschrijven.

Begin 1667 was de ziekte grotendeels geweken. Dit werd toegeschreven aan de voorspraak van de Heilige Franciscus Xaverius, die door de stad tot pestpatroon was uitgeroepen. Met Lichtmis 1667 droeg bisschop Robert de Haynin een plechtige dankmis op in de kerk van de jezuïeten, tot woede van de karmelieten en van de minderbroeders, die hun eigen pestpatronen hadden, de heiligen Rochus en Macharius, en ook van de kanunniken van het kapittel van Sint-Donaas, die een concurrerende dankmis opdroegen in de kathedraal ter ere van hun eigen pestpatroon, de heilige Carolus Borromeus.

Op enkele meters van het lokaal van de makelaars, op de hoek van de Vlamingstraat en de Poitevinstraat, werd aan een huis waar het langst het pestkruis had gehangen, een “pestschilderij” ter ere van de verschillende pestpatronen aangebracht[66]. De haven en de toegangswegen werden weer opengesteld en de “camere van commercie” kon weer aan de slag. Maar er kwam plots een forse tegenwind opzetten vanuit een onverwachte hoek.

“Brussel” neemt het initiatief

Op 22 april 1667 werd in Brussel, in naam van koning Karel II van Spanje, door landvoogd Castel-Rodrigo en meer bepaald door de Raad van Financiën, een opmerkelijke beslissing uitgevaardigd, die in een gedetailleerde octrooibrief werd uiteengezet[67]. De tekst begon met te benadrukken dat, in het kader van de inspanningen geleverd voor de herleving van handel en scheepvaart, dankzij het afsluiten van verdragen met vreemde mogendheden en het organiseren van door militaire fregatten bewaakte konvooien, de veiligheid op de zeeën aanzienlijk was toegenomen.

Nu kwam het er op aan de vernieuwde activiteiten in goede banen te leiden en verder aan te wakkeren. En dan volgde het: “We richten bij deze een Kamer van Koophandel op in Brugge, onder leiding en controle van onze Raad van Financiën in Brussel”. De opdrachten die de nieuwe instelling kreeg, luidden als volgt:

1.      Ze moest de Raad van Financiën bestendig op de hoogte houden van alles wat betrekking had op handel en scheepvaart, met name in verband met alle slag van belemmering die ze konden ondervinden.

2.      Aan dezelfde Raad van Financiën moest ze alle adviezen verstrekken die haar gevraagd zouden worden. Als geen eensgezindheid kon bereikt worden over het te geven advies, moesten ook de afwijkende adviezen worden meegedeeld.

3.      Ze moesten de scheepskonvooien zo organiseren dat minstens ééns per maand en het liefst vaker, een konvooi op Engeland, op Frankrijk en op Holland zou worden georganiseerd. Voor afvaarten naar Spanje, Italië of de verre landen diende de Kamer voorstellen te doen aan de Raad van Financiën, die zelf over de afvaarten en de militaire begeleiding zou beslissen. Zodra de data waren vastgesteld, diende de Brugse Kamer hierover berichten te laten aanplakken in de voornaamste steden van het land.

4.      De Kamer diende de paspoorten en zeegeleidebrieven ten behoeve van de scheepskapiteins op te maken en te bezorgen.

5.      Daarnaast moest ze de goede uitvoering van de instructies die op de paspoorten en zeebrieven voorkwamen, controleren en in geval van overtreding, boeten en straffen vorderen en ze ook innen door bemiddeling van de procureur-fiscaal. Beroep hiertegen kon enkel worden aangetekend bij de Raad van Financiën.

6.      Vervolgens moest de Kamer optreden in alle burgerlijke zaken en geschillen tussen kooplui, reders, schippers, matrozen en andere personen, in verband met averijen, verzekeringen, betalingen van schade, verlies of aantasting van goederen. Wanneer één van de partijen de beslissing van de Kamer niet aanvaardde, diende na een tweede behandeling een uitspraak te worden gedaan door dezelfde Kamer, ditmaal bijgestaan door twee ambtenaren van de Tol en twee pensionarissen van de stad Brugge. pas als men hierdoor nog niet voldaan was, kon men in beroep gaan, en wel bij de Geheime Raad in Brussel. Om de arbitrale en rechterlijke taak naar behoren te kunnen vervullen en de beslissingen ook ten uitvoer te leggen, kon de Kamer rechtsgeldig een beroep doen op het ambt van welke deurwaarder ook, zowel in Brugge als in de rest van Vlaanderen.

7.      De Kamer kon ook te allen tijde de scheepslui dagen om ze verslag over hun reis te laten uitbrengen en hierover conclusies en aanbevelingen aan de Raad van Financiën te laten geworden.

8.      De Kamer kon eveneens overheidspersonen bij zich ontbieden en horen, zoals bvb. de algemeen ontvanger van de konvooirechten, evenals de kapiteins en de officieren van de konvooischepen.

Een belangrijke evolutie

Op heel wat punten betekende de beslissing een aanzienlijke vernieuwing, een omwenteling zelfs. Tot hiertoe behoorde de organisatie van makelaars en handelaars uitsluitend tot de bevoegdheid van de gemeentelijke overheid. De nieuwe Kamer hing rechtstreeks af van de centrale overheid in Brussel en diende enerzijds die haar instructies op te volgen en haar anderzijds met raad en daad bij te staan. De arbitrale macht werd dit keer echt een rechterlijke macht, met een eigen “beroepshof” in de schoot van de Kamer, waarvan de uitspraken, hangende een eventueel verder beroep, uitvoerbaar werden, waarvoor heel het uitvoerend rechtsapparaat kon worden in werking gesteld. Hoger beroep was niet meer mogelijk bij de stad Brugge, maar uitsluitend in Brussel.

Een al even belangrijke nieuwigheid was dat de in Brugge opgerichte Kamer bevoegdheid kreeg over het ganse grondgebied van de Zuidelijke Nederlanden, of toch minstens over Vlaanderen en Brabant. Op dit punt was de tekst niet helemaal duidelijk. Er werd dus in de andere steden géén Kamer van Koophandel opgericht en die van Brugge zou enig zijn in zijn soort. Wél dienden de steden Brussel, Antwerpen, Gent, Ieper, Rijsel en ook Brugge één van hun burgers aan te wijzen de bonne réputation et intelligence, négocians et trafiquans ou ayant négocié et trafiqué”, die zitting zou hebben in het bestuur van de Kamer, met de verplichting in Brugge te komen wonen, of er toch zijn vaste domicilie te nemen.

Het bestuur benoemd door Brussel

Om dit alles te beredderen werd meteen door de centrale overheid een volledig bestuur aangesteld. Hoofdman werd ridder Marc Albert Arrazola di Oñate, op wie we aanstonds meer uitgebreid terugkomen. Tot loco-hoofdman werd Juan van de Walle, de aftredende hoofdman van de Brugse nering van makelaars benoemd. Hij zou het effectieve voorzitterschap op zich nemen, want Arrazola was een druk bezet man. Dat van de Walle een vertrouwensman van Brussel was, blijkt duidelijk uit de oprichtingsakte van de Kamer die vermeldde dat men hem tot vice-voorzitter aanstelde “pour bonnes considérations nous mouvantes”.

Wat de zes vertegenwoordigers betreft van de verschillende steden, waren er duidelijk problemen. De centrale overheid had die steden vooraf aangeschreven, maar geen van hen had geantwoord, of in ieder geval geen vertegenwoordiger aangesteld. Men bleef daar in Brussel niet bij stilstaan en benoemde dan maar motu proprio en voorlopig zes Bruggelingen, die de functie zouden opnemen en automatisch ontslagen zouden worden, zodra de steden hun vertegenwoordigers zouden aanwijzen.

De door Brussel benoemde vertegenwoordigers waren Bruggelingen, die we al kennen vanwege hun activiteiten in de nering van de makelaars. Het ging om Jan-Baptist Carlier (voor Brugge), Justo de Tollenaere (voor Brussel), Philippe van Steenlant (voor Antwerpen), Christophe Dieusart (voor Gent), Jan-Baptist van Blootacker (voor Ieper) en Antoine Blanckaert (voor Rijsel). Deze laatste kwam niet voor in het makelaarsbestuur van 1665. Het ging om een handelaar die woonde op de Garenmarkt, waar ook zijn vader al gevestigd was. In 1653 was er een Antoine Blanckaert schepen van Brugge, in 1655, 1657 en 1672 tresorier en in 1675 en 1676 opnieuw schepen, zonder dat we de zekerheid hebben – vooral voor de jaren vijftig – of het de vader dan wel de zoon was. In 1649 was Antoine Blanckaert junior tijdelijk naar Oostende gaan wonen[68].

Al die heren kregen meteen een flink salaris. Voor de hoofdman werd het 1500 pond Vlaams, voor de loco-hoofdman 750 pond, voor de zes anderen elk 500 pond, waaraan de stad die ze deputeerde nog een bijkomend salaris mocht toevoegen. De pensionarissen kregen ook 500 pond en de griffier 200 pond. Voor elke bijeenkomst kreeg iedereen nog bovenop een presentiegeld. Dit en ook de werkingskosten zouden betaald worden door de heffing van een kwart procent op alle goederen die de havens in- en uitvoeren. Die zou geïnd worden samen met het al bestaande konvooirecht van één procent.

Er werd ook voor een behoorlijke administratie gezorgd. In de eerste plaats werden drie pensionarissen benoemd, die voor de goede organisatie zouden zorgen. Het ging om drie vooraanstaande Bruggelingen. Tot eerste pensionaris, tevens verantwoordelijk voor de griffie en de administratie, werd Philippe van Volden (†1695) benoemd. Hij behoorde tot één van de voornaamste families van de stad[69]. Tot tweede pensionaris en verantwoordelijk voor de financies en de fiscaliteit werd Victor de Buck (†1680) aangesteld. Zijn vader, ook Victor de Buck, was klerk geweest van het Spaans consulaat en had in het natiehuis in de Spanjaardstraat gewoond. Victor de Buck junior was licentiaat in de rechten, griffier van Sijsele, lid van de Edele Confrérie van het H. Bloed en werd later procureur-generaal in Vlaanderen[70]. Als derde pensionaris werd Charles le Gillon benoemd, ook al een lid van een aanzienlijke Brugse familie.

Verder mocht de Kamer twee deurwaarders-klerken in dienst nemen, evenals twee boden voor het kleine werk. De werkzaamheden werden heel precies bepaald. Elke maandag en donderdag moest worden vergaderd van 8 tot 12 uur. Als een feestdag op die dagen viel, moest ’s anderendaags worden bijeengekomen. Hoofdman en loco-hoofdman konden ook speciale bijeenkomsten samenroepen, telkens ze het nodig achtten. Om geldig te beraadslagen moesten minstens vijf leden aanwezig zijn en diende iedere beslissing een meerderheid van de aanwezigen achter zich te hebben om rechtsgeldig te zijn. Een dergelijke breed uitgesponnen oprichtingsakte straalde Spaanse “grandezza” uit.

Het was duidelijk de bedoeling iets belangrijks en vernieuwend tot stand te brengen. De hoeksteen van dit nieuw op te richten lichaam zou de nieuw aangestelde hoofdman zijn.

Hoofdman Arrazola

Eén van de elementen die het belang aantoonden dat de overheid aan de nieuwe Kamer hechtte, was ongetwijfeld de benoeming van ridder Arrazola tot hoofd ervan. Marc-Albert Arrazola di Oñate (1612-1674) was in Brussel geboren. Hij was de zoon van Juan Arrazola (†1653), die als secretaris van de aartshertogen Albrecht en Isabella naar de Zuidelijke Nederlanden was gekomen en er de Engelse Beatrice Heath had gehuwd. Dit laatste zal in ons verhaal niet onbelangrijk blijken. Bij zijn doopsel in de Sint-Godelekerk trad aartshertog Albrecht als zijn peter op.

Na in zijn jeugd een militaire loopbaan te hebben doorlopen, trouwde Marc Arrazola in september 1639 met de Ieperse Marie Bulteel, die evenwel twee maanden nadien al overleed. In 1642 trad hij in tweede huwelijk met Josine Stochove, dochter van de Brugse schepen Jan Stochove (1571-1616) en zuster van Vincent Stochove (1605-1675), die in Brugge aan een traditionele ambtelijke loopbaan was begonnen. Eerst bleef die vrij bescheiden, maar na 1642 stond Stochove bijna onafgebroken aan de top van het Brugse stadsbestuur, hetgeen mee aan zijn zwager te danken was.

Nadat Arrazola in 1647 tot ridder was gepromoveerd, begon hij in 1648 op een wat ongewone wijze aan een politiek-ambtelijke loopbaan. Philippe de le Flye (1558-1653), die al vanaf 1623 schepen was van het Brugse Vrije, had ontslag genomen, erop rekenen dat zijn zoon Pierre tot zijn opvolger zou worden benoemd. Tot zijn verrassing en ongenoegen werd Marc Arrazola benoemd! Hierop volgde een proces, aangespannen door de schepenen van het Vrije, die argumenteerden dat een schepenambt levenslang uitgeoefend diende te worden en de le Flye dus eigenlijk geen ontslag kon nemen. Het zal hun ongetwijfeld zijn voorgekomen als een gevaarlijke bedreiging voor het traditioneel geworden opvolgingssysteem van de vaders door een zoon of schoonzoon, als het centraal gezag plots de voorkeur gaf aan een recent “aangespoelde” vreemdeling.

Arrazola won zijn proces en mocht trouwens in afwachting van de uitspraak, zonder uitstel het schepenambt uitoefenen. Hieruit blijkt alvast dat hij in Brussel over goede steun beschikte. Hieraan zal het feit niet vreemd zijn geweest dat hij, naast zijn invloedrijke vader op de steun kon rekenen van vier familieleden: zijn broer Juan Arrazola (1615-1688), raadsheer in de Raad van Financiën, zijn broer Michel Arrazola, raadsheer in de Rekenkamer, zijn zwager André Smellinck, secretaris van de Geheime Raad en ook nog zijn broer Matthias Arrazola, kanunnik van het Sinte-Goedelekapittel. Het jaar daarop werd Arrazola al burgemeester in het Brugse Vrije, functie die hij in de volgende jaren bij herhaling uitoefende.

Door een toevallige omstandigheid zou de loopbaan van Arrazola nog bijkomende luister krijgen. In 1656 was de verbannen en straatarme Engelse koning Karel II zich met zijn broers en zijn gevolg in Brugge komen vestigen. Arrazola werd één van zijn nauwste Brugse relaties. Het feit dat hij een Engelse moeder had en waarschijnlijk goed Engels sprak, zal hieraan niet vreemd zijn geweest. Dat hij graag in Engelse kringen verkeerde, zou hij ook aantonen door “wereldlijke vader” te worden van de Engelse franciscanessen, die zich in 1662 in Brugge kwamen vestigen. In hun klooster in het Prinsenhof zou hij trouwens begraven worden.

De tijd die Arrazola met de onfortuinlijke koning doorbracht en de materiële hulp die hij hem verstrekte, zouden een bijzonder goede investering blijken, toen Karel in 1660, tegen alle verwachtingen in, zijn troon terugwon. Kort daarop reisde Arrazola naar Engeland en werd hij met open armen aan het Hof ontvangen. Hij keerde terug, drager van verschillende schenkingen die de uiting waren van ’s konings dankbaarheid tegenover de Brugse ontspanningsgenootschappen die hem zo hartelijk hadden ontvangen. De gilden van Sint-Joris, Sint-Sebastiaan en Sinte-Barbara gebruikten de royale schenkingen om hun lokalen te verbouwen en uit te breiden en om schilderijen en beeldhouwwerken te laten maken ter ere van de Engelse koning[71].

Arrazola keerde ook terug met de belofte van de koning dat Duinkerken een gastvrije haven zou blijven of opnieuw zou worden voor de Brugse schepen. Deze belofte werd evenwel niet hard gemaakt, want in 1662 verkocht Karel, die bestendig in grote geldnood verkeerde, de Vlaamse havenstad aan de Franse koning: ditmaal werd Duinkerken definitief in het Franse koninkrijk geïntegreerd.

Diplomatieke successen

Gouverneur-generaal Castel-Rodrigo, ingelicht over de bijzondere band die Arrazola met het Engelse koningshuis verbond, stuurde hem bij herhaling als speciale gezant naar Engeland. Hij kwam niet met lege handen terug. Allereerst werden handelsakkoorden gesloten die gunstig waren voor onze gewesten. Koning Karel was hierin vragende partij, want sedert begin 1665 was Engeland in oorlog met de Republiek der Nederlanden en in januari 1666 hadden Frankrijk en Denemarken met zijn vijand een bondgenootschap gesloten. De regelmatige Hollandse aanvallen waren een bijkomende grote zorg, naast de grote pestepidemie van 1665 en de catastrofale Londense brand in september 1666. Karel en Engeland hadden dringend vrienden en commerciële relaties nodig.

De handelsakkoorden zouden niet lang standhouden want al in 1670 waren de bondgenootschappen omgekeerd en had Karel een voor hem gunstig verdrag afgesloten met Frankrijk. De handel tussen onze gewesten en Engeland zou wel verder doorgaan, maar niet meer op een geprivilegieerde basis.

Op 29 juni 1666 publiceerde Karel II een verklaring die, als onderdeel van de gevoerde besprekingen, de Brugse handelaars en reders erg aansprak. Hierin zegde hij toe dat hij voor de bevordering van de vrije handel en zeevaart voortaan de paspoorten en vrijgeleidebrieven zou erkennen die in de Spaanse Nederlanden zouden worden uitgereikt. Hierdoor zouden de schepen vrij blijven van kaping of andere ongemakken. Alle schepen van en naar Spanje of welke bestemming ook, zouden noch in volle zee noch in de havens in hun vrijheid gehinderd worden[72]. Het valt op dat in de verklaring van de Engelse koning werd gezegd dat de paspoorten, volgens het model dat hem door Arrazola was voorgelegd, zouden worden uitgereikt “door een raad voor Koophandel die hiervoor door de gouverneur-generaal in Brugge of elders zou worden opgericht”.

Het is dus een feit dat al een jaar voor het decreet van 22 april 1667 de centrale administratie in Brussel het voornemen had een algemene Kamer van Koophandel op te richten. Op zijn reis naar Londen werd Arrazola onder meer vergezeld door Jan van de Walle en Justo de Tollenaere, hoofdman en eerste raadsheer van de pas tot Camere van Negotie omgevormde nering van de makelaars. Het is dus wel nagenoeg zeker dat de heren hierover van gedachten wisselden en dat beide Bruggelingen zich geïnteresseerd toonden om aan de nieuw op te richten instantie hun medewerking te verlenen en er de leiding van te nemen.

Het visserijprivilege

Was het op voorstel van Arrazola en van de Bruggelingen of was het een Engels initiatief dat tot gevolg had dat de deputatie triomfantelijk huiswaarts keerde met het fameuze “visserijprivilege”? Voor het eerste pleit het feit dat sedert 1664 tientallen Hollandse vissers het Brugse poorterschap hadden aangevraagd, duidelijk om onder Spaanse vlag verder te kunnen vissen, zich zo bevrijdend van de voor hen onmogelijk geworden toestand, ingevolge de Hollands-Engelse oorlog. Zeker kwam het voorstel, als het van die kant kwam, de Engelsen goed uit. Karel was er zeer om bezorgd een visservloot op te richten – tot dan onbestaande – om zo het Hollands monopolie van de haring- en visvangst te doorbreken.

Hij had een “Royal Fishery Company” opgericht onder het voorzitterschap van zijn broer, de hertog van York. Om de nodige investeringen te kunnen doen, werd besloten kapitaal te verzamelen door het organiseren van een loterij. Die werd voor het eerst in 1664 gehouden en bracht welgeteld 818 pond op, waarvan 500 pond werd opgeslorpt door de organisatiekosten! Tegen 1666 had de Royal Fishery Company opgehouden te bestaan. Het was een fiasco[73]. De kroniekschrijver Samuel Pepys, die tot verslaggever in de Royal Fishery Company werd benoemd en met enthousiasme aan zijn opdracht begon, was weldra zeer ontgoocheld en schreef in zijn dagboek dat de ongeordende en domme manier waarop het verzamelde geld werd verkwist, er de burger toe zou brengen, als hij het wist, hieraan geen enkele penny meer te besteden. Dat alles zo wanordelijk en oppervlakkig werd behandeld vond hij erg en zou leiden tot “the disgrace of the Fishery”. Hij had gelijk[74].

De Brugs-Hollandse vissersvloot leek dan ook als van God gezonden. In de privileges die hij ondertekende, op 10 juli 1666 voor visserij in de Engelse wateren en op 29 augustus 1666 voor visserij in de Schotse wateren, verklaarde de koning dat hij ze uitvaardigde om zijn dankbaarheid uit te drukken voor de gastvrijheid die hij vanwege de overheid en de bevolking van Brugge had genoten, toen hij als balling in hun midden had verbleven. De dankbaarheid zal er wellicht wel geweest zijn, maar het was dan toch uit welbegrepen eigenbelang dat Karel algehele vrijheid tot vissen verleende aan vijftig Brugse visserboten, erop rekenend dat ze bij voorkeur hun vangsten in Engeland zouden aan wal brengen en verkopen, liever dan met hun volgeladen scheepjes het Kanaal over te steken.

Dit neemt niet weg dat Arrazola triomfantelijk naar Brugge terugkeerde met de privileges, neergeschreven op prachtige perkamenten rollen, die tot vandaag in het stadsarchief worden bewaard. Een aantal Brugse boten heeft inderdaad van 1667 tot 1674 gebruik gemaakt van de geboden vrijheden. Nadien waren de allianties weer gewijzigd, had Karel zich met de Hollanders verzoend en keerden de vissers terug naar Zierikzee en andere havens, zodat de aangroei van de Brugse vissersvlot maar een kortstondige opflakkering was[75].

Het curriculum van Arrazola, zijn relaties en zijn diplomatieke successen verklaren waarom hem het voorzitterschap van de Koninklijke Kamer van Koophandel werd opgedragen. Misschien zelfs was hij het die tijdens de Londense onderhandelingen op het idee kwam om zo een Kamer op te richten. Hij had de hoofdman van de “Wetachtige” Brugse Kamer bij zich, zodat hij van hem kon vernemen hoe die werkte (of niet werkte) en had hij hieruit kunnen besluiten dat dit een te bescheiden en lokale instelling was, die niet voldoende prestige en gezag uitstraalde om een officiële taak op zich te nemen in naam van de gouverneur-generaal, en garant te staan voor een goede afloop van de paspoortenkwesties en vrijgeleiden tegenover de Court of Saint James.

De Werking van de Koninklijke Kamer

Op 21 mei 1667 legden de hoofdman, de loco-hoofdman en de “provisionele” leden van de nieuwe Kamer de eed af en konden ze aan de slag. Ze kregen van het stadsbestuur de toestemming om te vergaderen in de lokalen van de Poortersloge, die ook al, sedert het uitbreken van de pestepidemie, door de wetachtige Brugse kamer werden gebruikt. De eerste griffier scherpte zijn beste pen en legde een nieuw verslagboek aan, evenals een “copiebouc” voor de briefwisseling[76].

De Koninklijke Kamer begon haar werking onder een ongunstig gesternte: op 29 mei 1667 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Spanje, in een zoveelste poging van Lodewijk XIV om het Franse territorium uit te breiden. De “Devolutieoorlog” zou duren tot aan de Vrede van Aken in mei 1668. Tijdens die periode hield de Koninklijke Kamer zich bijna uitsluitend bezig met scheepvaartproblemen. Dit betekende hoofdzakelijk dat ze zich inzette voor het bouwen van militaire schepen die de konvooien moesten begeleiden en voor het organiseren van deze konvooien. Dit was geen gemakkelijk karwei. Er waren te weinig fregatten en als men ze nodig had, waren ze vaak niet beschikbaar.

In 1665 had de Raad van Financiën beslist dat voortaan één procent geheven zou worden op de waarde van alle over zee vervoerde goederen, om hiermee de militaire bescherming te kunnen financieren. De inning hiervan gebeurde door de ontvanger-generaal van het konvooigeld. Om het konvooieren aan de gang te krijgen, werden onmiddellijk twee oorlogsschepen op staatskosten aangekocht. In april 1667, op het ogenblik dat de Koninklijke Kamer met het beheer van de konvooien belast werd, waren al vijf fregatten en een snauw beschikbaar. De Kamer zou moeten zorgen voor de bouw van nogmaals drie fregatten. Eén werd gebouwd, maar wegens geldgebrek werd de bouw van de twee volgende in augustus 1667 stopgezet.

Voor de praktische uitvoering van alles wat met de bouw van de fregatten en de organisatie van de konvooien te maken had, beschikte de Koninklijke Kamer in Oostende over een bemanningsmeester, zekere Regaux. Hij moest de bemanning aanmonsteren en de proviand en munitie aankopen voor de konvooischepen, toezicht houden op de bouw van de nieuwe fregatten, het voorraadmagazijn beheren en daarover rekeningen bijhouden en verantwoording afleggen bij de Koninklijke Kamer.

Uit de briefwisseling krijgen we de indruk dat de Kamer er in zijn eerste werkjaar niet in slaagde ook maar één konvooi te organiseren. Op 9 juli 1667 kon de bemanning van de fregatten La Justicia en De Postiljon niet betaald worden. Op 11 juli 1667 werd gemeld dat het fregat Castel-Rodrigo nog twee maanden kalfateren vereiste alvorens te kunnen afreizen. Op 19 juli kwam de mededeling dat er fregatten uit Spanje op komst waren. Op 9 augustus drong de Raad van Financiën erop aan dat de Castel-Rodrigo en de Huis van Oostenrijk dringend zouden worden uitgerust. De Kamer antwoordde dat het konvooi naar Spanje op 14 september zou vertrekken.

Op 22 augustus 1667 vroeg de Kamer opnieuw om geld en militaire versterking. Er was namelijk een bevel van de Admiraliteit dat de fregatten naar Engeland moesten afvaren om er een duizendtal soldaten te gaan opladen. Aangezien er geen geld kwam en de speciale belasting die door de Kamer diende te worden geheven, nog maar weinig had opgebracht, kon de volledige vloot van zes schepen niet worden gestuurd. De Kamer stelde dan ook voor dat twee fregatten naar Plymouth en Portsmouth zouden varen, om er een veertigtal schepen te gaan ophalen die er al zes maanden op militaire begeleiding aan het wachten waren. Twee andere fregatten konden dan de soldaten gaan ophalen. Venijnig voegde de Kamer er aan toe dat ze zich in Brussel niet moesten kwaad maken als er niets gebeurde. Ze hoefden alleen maar de nodige gelden te bezorgen en alles zou voor mekaar komen. Wat hiervan terechtkwam is uit de briefwisseling niet op te maken.

In oktober 1667 begon kapitein De Moor, bevelvoerder van de Huis van Oostenrijk, ongeduldig te worden. Er kwam maar geen geld om zijn schip te bewapenen en in zee te sturen. Daarom vroeg hij vrijgesteld te worden van verdere prestaties, in dienst van de overheid. Dit werd hem evenwel geweigerd. Maanden later, op 14 juni 1668 lagen de Castel-Rodrigo en de Huis van Oostenrijk nog altijd in Oostende, waar acht  vrachtschepen vertrekkenklaar om militaire begeleiding smeekten. De gouverneur-generaal liet evenwel weten dat hij zelf over de Castel-Rodrigo wilde beschikken om zijn bagage naar Spanje terug te brengen, aangezien hij aan het einde van zijn ambtstermijn was gekomen en hij veilig weer naar Spanje wilde afreizen! De vrachtschepen moesten dan maar genoegen nemen met de begeleiding van de Huis van Oostenrijk.

Op 11 juli 1668 lagen beide schepen nog altijd klaar om te vertrekken, met alle manschappen, proviand en munitie aan boord en de vrachtschepen bleven maar aandringen op vertrek. De kapiteins dreigden dat ze naar Zeeland zouden afvaren, om zich onder Hollandse bescherming te plaatsen. De Kamer drong dan ook opnieuw aan om het vertreksein vanuit Brussel te krijgen. Werd dit sein gegeven? De verdere briefwisseling vermeldt het niet.

Eén van de permanente struikelblokken was het gebrek aan geld. De ontvanger-generaal van het konvooigeld, die ook het supplementaire kwartprocent ten gunste van de Koninklijke Kamer moest innen, deed moeilijk. Hij verschool zich erachter dat hij voor alle uitbetalingen de toestemming van de Raad van Financiën nodig had. Dat kon onmogelijk werken. De Koninklijke Kamer protesteerde dan ook hevig en kreeg in oktober 1667 gedaan dat het visum van de Raad van Financiën voortaan niet meer nodig was. Het volgende jaar kreeg de Kamer zelfs het recht controle uit te oefenen op de rekeningen van de ontvanger-generaal.

Andere activiteiten

Ondertussen hield de Kamer zich bezig met het bespieden van de Franse vloot en meldde ze naar Brussel wat ze erover vanwege binnenvarende schippers vernam. Ze bemoeide zich ook met het vrij krijgen van schepen of zeelui die door de Hollanders waren gekaapt en voerde hierover briefwisseling met admiraal De Ruyter (1607-1676). Einde september 1667 vertrok een deputatie van de Kamer naar Amsterdam om er de vrijlating te bepleiten van 19 schepen die door de Hollanders waren gekaapt. Het werd een moeizame onderhandeling, want de Staten Generaal beslisten dat vooraleer iets kon worden besproken, de Spanjaarden twee Hollandse schepen, de Judith en de Adriana moesten vrijgeven. Het eerste werd al sedert 1663 vastgehouden en het tweede sedert april 1667. Er werd over geprocedeerd in Spanje, maar de raadpensionaris van Holland, Johan de Witt (1625-1672) bleef onverzettelijk: geen vrijgave van de gekaapte schepen zolang Spanje de Hollandse schepen niet vrijgaf. De Brugse deputatie kon uiteindelijk verkrijgen dat de schepen en hun bemanning werden vrijgelaten, maar de vracht moest in Amsterdam gelost worden, als vergoeding voor de twee in Spanje vastgehouden schepen.

Ook met problemen in Engeland hield de Kamer zich actief bezig. Ze had hiervoor een permanent agent in Londen, Emmanuel de Fonseca, die bij de Beer Tavern  in Drury Lane woonde. Zo werd hem op 30 juni 1667 opgedragen krachtig protest aan te tekenen bij de Engelse regering, omdat Het Gulden Vlies, eigendom van Michel van der Plancke en aangevoerd door Nicolas Grassis, gekaapt was door een Engelse vrijbuiter, ofschoon de kapitein houder was van een paspoort uitgereikt door de Kamer, ingevolge de akkoorden van 1666. Het uitreiken van paspoorten of zeebrieven was een taak die de Raad van Financiën aan de Koninklijke Kamer had opgedragen, ter vervanging van de zeebrieven die tot dan toe in gespreide orde en zonder veel internationale geldigheid, door de steden werden uitgereikt. Dit moest in principe één van de belangrijkste prerogatieven van de nieuwe Kamer worden. Gelet evenwel op de moeilijke situatie die de scheepvaart ernstig bemoeilijkte, waren de uitgereikte zeebrieven niet talrijk.

Een andere opdracht voor de Koninklijke Kamer was het verstrekken van adviezen over alles wat de handel en de scheepvaart betrof. Heel wat briefwisseling werd gevoerd over de concrete problemen die we hierboven hebben beschreven, maar algemene adviezen bleven zeldzaam. In het Copiebouc komt maar één uitgebreid advies voor. Het had betrekking op de toltarieven voor de invoer uit Frankrijk. De Kamer drong erop aan dat de tarieven verlaagd werden, teneinde de handel te stimuleren en ook te verhinderen dat alle Franse goederen via Duinkerken zouden worden uitgevoerd en niet meer bij ons zouden binnenkomen.

De Kamer had zich ook nog over wat mondainer problemen te buigen. Bij haar oprichting had ze van de gouverneur-generaal opdracht gekregen met de – nog te verwachten ! – inkomsten, een geschenk aan te kopen dat zou worden aangeboden aan lord Clarendon (1609-1674). De Engelse kanselier was van 1660 tot 1666 de voornaamste gesprekspartner geweest tijdens de onderhandelingen. Men had zich over hem niet te beklagen gehad en men wilde hem te vriend houden. De Koninklijke Kamer besloot een wandtapijt te schenken en gaf opdracht aan schilder Princo Gentili hiervoor de patronen te maken. Maar de schilder overleed voor hij het werk kon afmaken en op de koop toe viel Clarendon in ongenade en vertrok hij in augustus 1667 in ballingschap naar Frankrijk. De Kamer besloot dan maar de al betaalde voorschotten als verloren te beschouwen en het wandtapijt te vergeten.

Hoofdstuk V

Wetachtige tegen Koninklijke en wie het haalde

Ondanks alle moeilijkheden, epidemieën en oorlogsgeweld, bleef het commerciële Brugge zich, zoals we in de vorige hoofdstukken hebben beschreven, actief weren. Er waren nu dus zelfs twee Handelskamers om het dynamisme verder te stimuleren. Het vervolg zal evenwel aantonen dat met de omvorming van de makelaarsnering tot Camere van Negotie en de oprichting van een Koninklijke Kamer van Koophandel en Scheepvaart een concurrentie werd in het leven geroepen die aanleiding gaf tot hevige twisten[77].

Wat nu met de Wetachtige Kamer?

Toen de Raad van Financiën de nieuwe Koninklijke Kamer oprichtte, was die er natuurlijk mee bekend dat al iets soortgelijks in Brugge bestond. Het bestaande afschaffen of grondig hervormen? Daar kon moeilijk aan gedacht worden. De tijd was niet rijp voor overheidsbemoeiingen in de vanuit de middeleeuwen overgeërfde sociale ordening. Men ging dan ook subtieler te werk. Een eerste element was de toepassing van de verdeel-en-heers politiek. De hoofdman van de Wetachtige Kamer tot loco-hoofdman benoemen van de Koninklijke Kamer leek een handige zet. De voorlopige vertegenwoordigers van de Vlaamse steden kiezen uit het bestuur van de Wetachtige Kamer was het evenzeer. Hiermee kwamen evenwel de rivaliteiten duidelijk tot uiting. Sommigen werden uitverkoren voor de vetbetaalde posten in het nieuwe orgaan, de anderen bleven in de kou staan.

Een bijkomende Brusselse beslissing zou de verhoudingen helemaal vertroebelen. Naast het decreet tot oprichting van de Koninklijke Kamer, vaardigde de Raad van Financiën op 22 april 1667 nog een tweede decreet uit. De nering van makelaars ofte wetachtige kamer zou vijf vertegenwoordigers moeten afvaardigen naar de Koninklijke. Die vijf zouden alleen een raadgevende stem hebben en zouden, op een bescheiden zitpenning na, niet worden vergoed. Het zat er ogenblikkelijk bovenarms op. Allereerst werden de “ingebroken” bestuurders van mei 1665 de laan uitgestuurd. Die hadden nu al meer dan twee jaar de leiding over de nering en waren er duidelijk op uit ze te doen verdwijnen door opslorping in de nieuwe centralistische instelling. Op 17 juli 1667 werd een volledig nieuw bestuur voor de makelaarsnering verkozen. Het bestond hoofdzakelijk uit oudgedienden en kreeg duidelijk de opdracht zich met hand en tand te verdedigen.

Onmiddellijk werd druk vergaderd en men hoefde niet lang te overleggen om tot de vaststelling te komen dat de Koninklijke Kamer, als men die liet begaan, het einde zou betekenen van de Wetachtige Kamer. Ze begon met zich in dezelfde lokalen te nestelen, ze maakte aanstalten om de taken als handelsrechtbank over te nemen, ze doorbrak de solidariteit door aan de enen effectieve macht en flinke salarissen te geven en de anderen met een raadgevende stem en mager presentiegeld te bedenken.

De eerste strijd betrof de uitoefening van de rechterlijke macht. Op 27 juni 1667, amper een maand na haar installatie, sprak de Koninklijke Kamer een vonnis uit waarbij ze Antoine van der Leepe en Coenraet van Ophoven – geen leden van de makelaarsnering – veroordeelde tot de terugbetaling van een borgsom van 50 pond aan de vreemdelingen Jan en Willem Pedy. Enkele dagen later sloten Koninklijke en Wetachtige Kamer een voorlopige overeenkomst (“bij provisie”) om “gemeene recht te doen in alle de processen”, m.a.w. gemeenschappelijk de processen af te handelen. Dit zou betekenen dat over iedere zaak gelijktijdig twee rechtsgeldige uitspraken zouden geregistreerd worden, waartegen men derhalve bij twee instanties in beroep kon gaan: bij het Brugse schepencollege (gratis) en bij de Geheime Raad in Brussel (tegen betaling). Het was nogal duidelijk dat een dergelijke regeling niet zou standhouden.

Na nog heel wat palavers werd uiteindelijk een beslissende vergadering gehouden op 19 september. Beide kampen stonden er recht tegenover elkaar. Voor de Koninklijke Kamer verschenen van de Walle, de Tollenaere, van Blootacker, Dieusart en Blanckaert. Voor de Wetachtige Kamer waren het Allaert, van den Dorpe, Zeger van de Walle, van Elstraete en Nollet. Als scheidsrechters traden oudgedienden van de nering op: Otto Claesman, Jacques Govaerts, Herman van Ockerhout, Willem Nollet, Jacques Neyts en Michel van der Plancke.

De stelling van de Koninklijke Kamer was duidelijk: die wenste de Wetachtige Kamer op te slorpen. Dit was helemaal niet naar de zin van de vertegenwoordigers van de Wetachtige, integendeel ze maakten er zelfs bezwaar tegen dat wie koos voor de Koninklijke, nog verder deel zou uitmaken van haar algemene vergadering, mee het bestuur zou kunnen verkiezen en medebeheer zou hebben over de goederen van de nering. We kunnen ons voorstellen dat de discussie hoog opliep. De conclusie was dat de nering van de makelaars alle samenwerking met de Koninklijke Kamer opzegde en besliste dat de nering zou “blijven als die van ouden tijden geweest is”. Voortaan waren ze “absolutelijk gesepareert”.

Een paar dagen later werd Jan van de Walle in gebreke gesteld omdat hij nog altijd aan zijn opvolger geen restitutie had gedaan van de sleutels die de deken van het makelaarsgild bij zich hield. De belangrijkste sleutel was die waarmee de deken in zijn hoedanigheid van zwaerdeken van de stad, toegang kreeg tot de archievenkoffer waarin de stadsprivileges bewaard werden. Van de Walle had gepoogd deze belangrijke en vooral prestigieuze functie voor zich en dus voor de Koninklijke Kamer te behouden, maar dat lukte hem niet.

In het dispuut zocht de Wetachtige Kamer de steun van het stadsbestuur. Ze bezorgde aan het schepencollege een lang vertoog, waarin de nadruk werd gelegd op de eeuwenoude activiteiten van de makelaarsnering in dienst van handel en welvaart. Als er in Brugge in het nabije verleden een opleving van de handel was geweest, dan was dit onder impuls van de wetachtige kamer gebeurd, die niet op Brussel had gewacht om initiatieven te nemen. Daarom werd sterk aangedrongen op steun vanwege de stadsmagistraat. Het viel evenwel voor de nering niet gunstig uit. Het stadsbestuur nam een op zijn minst afwachtende houding aan.

In het stadsbestuur kon de voorzitter van de Koninklijke Kamer, Marc Albert Arrazola, op heel wat vrienden rekenen, in de eerste plaats op eerste schepen Vincent Stochove, zijn zwager, op schepen Philippe van Steelant en op tresorier Jan-Baptist van Blootacker, die zitting hadden in de Koninklijke Kamer en op zijn zoon Marc Ignace Arrazola die raadslid van Brugge was. Nog méér: Arrazola was zopas benoemd tot koninklijk commissaris voor de vernieuwing van de besturen van Brugge en het Brugse Vrije. Dit betekende dat zijn advies van doorslaggevende invloed kon zijn bij de jaarlijkse aanstelling van burgemeesters en schepenen. Het was dus raadzaam hem te ontzien!

Toen de wetachtige kamer, door de breuk, het schepencollege op 26 september verzocht om voortaan aan de Koninklijke Kamer het gebruik van de Poortersloge te ontzeggen, betekende dit een echte oorlogsverklaring. De Koninklijke diende van haar kant een verzoek in om integendeel de Wetachtige uit te drijven. De magistraat deed er meer dan vijf maanden over vooraleer hij op 5 maart 1668 een beslissing nam, die dan nog vrij dubbelzinnig was. Het gebruik van de Poortersloge werd aan de Koninklijke Kamer toegezegd, zonder dat evenwel werd gezegd dat hierdoor de vroeger aan de Wetachtige Kamer verleende toestemming verviel. Die bleef dan ook de lokalen gebruiken alsof er niets aan de hand was. Op 15 maart greep de Koninklijke Kamer in. Ze verbood de makelaars nog de Poortersloge te betreden, deed de deuren op dubbel slot en nam de sleutels mee. Op 26 maart stemde de stad hiermee in, zodat de makelaars definitief uitgedreven waren.

Ondertussen hadden ze, zoals we in een vorig hoofdstuk hebben uiteengezet, koortsachtig gewerkt aan de verbouwing van hun vroegere lokalen. Op 30 april 1668 had de verhuizing plaats. Al hun bezittingen, onder meer de ijzeren koffer met de oude privileges en het archief, de grote tafel van fijn eikenhout (wageschot), het beeld van Onze-Lieve-Vrouw-van-Betlehem en al het overige, werden naar de Vlamingdam verhuisd. Hierbij trokken de makelaars het zich blijkbaar niet zoveel aan en lieten ze een vat groot bier aanrukken om de zo fel verdedigde zelfstandigheid te vieren. De Koninklijke Kamer had een eerste overwinning behaald. Weldra zou blijken dat het een Pyrrhuszege was.

De Koninklijke Kamer mislukt

De pogingen tot samenwerking tussen de Koninklijke en de Wetachtige Kamer hadden amper enkele weken geduurd. Vanaf september 1667 was de volledige breuk en de concurrerende opstelling een feit. Na enige aarzeling was de Wetachtige Kamer resoluut ten strijde getrokken en had ze zich aan de opslorpings- of fusieintenties van de Koninklijke kunnen onttrekken. In wat een echte krachtmeting werd, trok de Koninklijke Kamer aan het kortste eind. De nering van de makelaars had talrijke troeven: een eeuwenoude traditie, rechtsgeldige en onaanvechtbare constituties en privileges, eigen lokalen en talrijke leden. Dit verschafte haar, zeker bij de plaatselijke handelaars, een legitimiteit waar de nieuwe instelling niet kon op bogen.

De plaatselijke toestand was evenwel niet de enige oorzaak van de uiteindelijke mislukking. Het was evengoed denkbaar dat de Koninklijke Kamer zich zou hebben kunnen handhaven en tot ontplooiing had kunnen komen. Ze beschikte immers ook over belangrijke troeven: de steun van het centraal gezag, de al dan niet spontane welwillendheid van het Brugse stadsbestuur, een brede opdracht, een uitgebreid werkterritorium, een belangrijk uit verplichte belastingen voortvloeiend inkomen. Toch bleek dit allemaal onvoldoende.

Het lijdzaam verzet van de andere steden was een eerste en belangrijke tegenslag. Antwerpen, Gent, Brussel en de andere steden vertikten het gevolg te geven aan de uitnodiging een vertegenwoordiger te benoemen. Het was naïef vanwege het centraal bestuur te verhopen dat de gemeentebesturen, die allen sterk op hun zelfstandigheid stonden, goedschiks aan dit initiatief zouden meewerken. De centrale overheid stond duidelijk niet sterk genoeg om hierover een krachtproef aan te gaan en liet de zaken op hun beloop. Het gevolg was dat na korte tijd de directie van de Koninklijke Kamer tot een minimum werd teruggebracht. Enkele van de door Brussel aangeduide voorlopige vertegenwoordigers verdwenen door ontslag of overlijden. Na een paar jaar waren alleen nog de loco-hoofdman van de Walle en de griffier Philippe van Volden echt actief. Hierdoor werd de Kamer zeer kwetsbaar.

Wat in de aanvangsfase al evenzeer de Koninklijke Kamer hinderde, was de oorlogstoestand. De Devolutieoorlog hinderde in aanzienlijke mate de scheepvaart. De organisatie van de scheepskonvooien moest de belangrijkste activiteit worden van de Koninklijke Kamer voor Commercie en Navigatie en precies daarin kon ze niet onmiddellijk uit de startblokken schieten.

Een derde al even belangrijk negatief element was de weinig krachtdadige houding van het centraal bestuur. De opvolger van gouverneur-generaal Castel-Rodrigo had geen grote doorzettingskracht. De door Spanjaarden bestuurde organen waren weinig slagvaardig en waren al even snel om een idee te laten varen als ze het geweest waren om het aan te kleven. Een instelling oprichten die tegen de gebruiken inging, die “modern” was in de zin dat ze een centralistisch en centraliserend doel nastreefde, vereiste een onversaagd doorzetten. Dat was teveel gevraagd.

Tenslotte was er ook nog een belangrijk en essentieel verlies te noteren, namelijk dat van hoofdman en inspirator Marc Albert Arrazola di Oñate, die niet meer beschikbaar bleek. Wat hij na 1669 en tot aan zijn dood in 1674 nog uitvoerde, is onduidelijk. Hij lijkt geen openbare functies meer te hebben uitgeoefend, alvast niet in Brugge of in het Brugse Vrije. In september 1670 overleed zijn oudste zoon Marc, in januari 1671 overleed zijn echtgenote Josiane Stochove. Was hij toen zelf al door ziekte getroffen? Feit is dat hij in Brugge geen rol meer speelde. Met hem verdween de enige leidinggevende figuur die het verschil had kunnen maken en de talrijke moeilijkheden had kunnen overwinnen. De Koninklijke Kamer was in grote mate zijn geesteskind en er daagde niemand op om na hem de draad weer op te nemen.

De Koninklijke Kamer verdwijnt

Toen het in Brussel duidelijk werd dat het initiatief tot mislukken gedoemd was, trok men hieruit de onvermijdelijke conclusies. de Koninklijke Kamer werd niet formeel opgedoekt, maar in de praktijk volledig lamgelegd.

Aan de Admiraliteit werden de organisatie van konvooien en de bouw en uitrusting van militaire fregatten opgedragen. Op een mooie dag moest de Koninklijke Kamer vaststellen dat de vierduizend gulden die ze in kas had, door de centrale overheid was in beslag genomen om er zelf een fregat mee te financieren. Het kwartprocent bestemd voor de Kamer, evenals het procent konvooirecht werd daarenboven afgeschaft en vervangen door een belasting die rechtstreeks de centrale schatkist stijfde. Na 1669 werden de overgebleven bestuurders van de Koninklijke Kamer niet meer bezoldigd.

Op 30 november 1671 liet de gouverneur-generaal nog eens van zich horen en liet hij weten dat hij de werking van de Koninklijke Kamer nog altijd genegen was. Hij had er zelfs een opdracht voor: advies uitbrengen over de toltarieven op de in- en uitvoer van en naar Frankrijk. Op Tweede Kerstdag stuurde Philippe van Volden een lang antwoord aan de gouverneur-generaal. Het werd een afscheidsbrief. Wat de concrete opdracht betrof, schreef hij: we willen wel, maar we beschikken zelfs niet over een lijst van de huidige toltarieven; als we die ergens te pakken krijgen, zullen we nagaan of we u een zinnig advies kunnen geven. Dit zou niet gemakkelijk zijn,, zo vreesde hij, want de Kamer had geen voorzitter meer, ook geen ontvanger meer, alleen nog een paar bestuursleden.

We hebben geconstateerd, zo schreef hij verder, dat we weinig of geen krediet genieten bij de centrale overheid en hoogstens geduld worden als een soort handlangers of coadjutoren. Door het wegvallen van de financiële middelen was de werking onmogelijk geworden. Dit kon alleen worden verholpen door aan de ontvanger-generaal van de konvooirechten opdracht te geven opnieuw de nodige middelen voor de Kamer uit te trekken. Als dit niet gebeurde zouden de overgebleven bestuurders van de Koninklijke Kamer tot hun spijt het besluit moeten trekken dat ze de facto waren afgedankt en zouden ze alles wat met de handel te maken had voortaan overlaten aan anderen die overtuigd waren het beter te kunnen.

Dit was des te meer hun besluit, omdat ze het moe geworden waren uitgelachen te worden: “ne pouvant souffrir les moqueries”. We kunnen ons voorstellen hoe die van de nering van de makelaars zich vrolijk maakten over hun ex-collega’s die op het verkeerde paard hadden gewed[78]. Deze bittere brief was het laatste wat nog van de Koninklijke Kamer voor Commercie en Navigatie vernomen werd. De opdracht was mislukt en de Kamer verdween. Men nam zelfs niet de moeite ze officieel op te heffen.

De Wetachtige Kamer won

Zodra de Wetachtige Kamer, beter bekend als nering van de makelaars, alle banden met de Koninklijke Kamer had verbroken, was ze met vernieuwd dynamisme blijven doorwerken. Niets zet méér aan tot inspanningen dan een stevige concurrent!

De vernieuwde lokalen en de gerestaureerde kapel toonden aan de Brugse bevolking aan dat de nering zich volledig had hersteld. Voortaan werden alle oude reglementen weer nageleefd. Een nieuwe huisbewaarder werd aangesteld. De deelname aan de H.-Bloedprocessie werd weer ernstig voorbereid en de volledige Eed liep weer mee achter twaalf kaarsdragers. Voortaan zou de nering krachtdadig optreden om de belangen van haar leden te verdedigen. Haar taak als handelsrechtbank nam ze weer volop waar, ook hierin geen ruimte latende voor de concurrent.

Er werd ook werk gemaakt van de makelaarstarieven, die zo concurrerend mogelijk werden gemaakt. De algemene tarieven werden verlaagd. De bijzondere voorwaarden voor het verdisconteren van wisselbrieven werden van 12 op 10 procent teruggebracht. De honoraria voor verzekeringscontracten, voor transacties in der minne en voor de aankoop en verkoop van onroerende goederen werden van een half op een kwartprocent gebracht. Van 1667 tot 1680 werden bijna tweehonderd nieuwe leden aanvaard. Het ging de makelaarsnering voor de wind.

In die jaren en ook in de daaropvolgende, zou de benaming Handelskamer, die een kwalijke bijklank had gekregen, niet meer worden gebruikt. Dit belette niet dat de makelaarsnering als een volwaardige handelskamer verder bleef doorwerken. In de loop van de achttiende eeuw zou ze zich gaandeweg opnieuw Camer van Negotie of Camer van Commercie gaan noemen en tot op het einde van het Ancien Regime onder die benaming actief blijven. Dit is ze ook tot op vandaag verder gebleven, onder wisselende en mekaar opvolgende juridische statuten. maar dit is een ander verhaal.

Hoofdstuk VI

Ode aan het optimisme

Wat in de vorige bladzijden werd uiteengezet, is maar één episode in de lange en rijkgevulde geschiedenis van de handelaarsvereniging die in Brugge, eerst als nering van de makelaars, later als Kamer van Koophandel, een belangrijke rol speelde. Ook al is er al heel wat over deze instellingen gepubliceerd, ze wachten nog op een overzichtelijke en volledige behandeling van hun lange, boeiende en gevarieerde geschiedenis. De nog grotendeels bijna onontgonnen en rijke archieven nodigen hiertoe uit.

De in deze studie beschreven episode, ook al is ze kort, lijkt ons belangrijk te zijn geweest in het leven van het genootschap en van de stad. Op een ogenblik dat Brugge, zoals gans Vlaanderen, langzaam herstelde na decennia van oorlogstoestanden en handelsbelemmeringen, begon ook de makelaarsnering aan een nieuw hoofdstuk. Het streven naar méér dynamisme en naar aan de nieuwe tijden aangepaste vormen van handeldrijven werd gesymboliseerd door het aannemen van een modernere naam, die van Kamer van Koophandel. Het is opmerkelijk dat deze vernieuwingsgeest zich in het zogenaamd uitgeputte en verarmde Brugge voordeed, terwijl het nog verschillende decennia zou duren vooraleer in andere en grotere steden in de Spaanse Nederlanden gelijksoortige initiatieven zouden genomen worden.

Ook de centrale overheid dacht in de zelfde richting en besloot een eigen Kamer van Koophandel op te richten. Het idee was nieuw. Het wilde een grotere samenwerking tot stand brengen tussen de verschillende handelssteden in de Spaanse Nederlanden. Het wilde dit vooral organiseren onder de leiding en controle van de centrale overheid. Dit was een middel om greep te krijgen op de lokale organisatie en om een politiek van uniformiteit over het volledige gebied tot stand te brengen.

Het centralistische idee had niet het verhoopte succes. De particularistische en concurrerende opstelling van de handelssteden leidde wel niet meer zoals in vroegere eeuwen tot bloedige gevechten of zelfs oorlogen, maar ze was niettemin nog levendig aanwezig. De steden, en vooral de verenigingen van handelaars in die steden, waren nog altijd voldoende sterk om zich met passief of actief verzet op te stellen, als ze oordeelden dat de centrale regering te voortvarend van stapel liep.

De strijd tussen de centrale overheid en de steden draaide in het hier behandelde geval uit op een nederlaag voor de eerste. De tijden waren voor zo een “moderne” ingreep niet rijp. De centrale overheid was nog onvoldoende krachtig om haar wil op te leggen. De overwinning van de lokale handelsvereniging was een aanwijzing dat de middeleeuwse organisatie nog behoorlijk standhield. De handelaars toonden dat ze niet terugschrokken voor een evolutie naar meer aangepaste organisaties en werkingsvormen en dat ze dit ook zonder de centrale overheid konden. Als de nering zich in haar bestaan bedreigd voelde, was ze voldoende veerkrachtig om de strijd aan te gaan. De vele privileges die nog steeds volle rechtsgeldigheid behielden, waren sterke verdedigingswapens.

Wat de Koninklijke Kamer betreft, ook al kon ze zich niet handhaven, ze betekende een interessante schakel in de evolutie van de organisatie van de handel. Gaandeweg zouden handelskamers in verschillende steden tot stand kopen. Die van Brugge, de oudste in de Spaanse Nederlanden, zou verder evolueren en tot op het einde van het Ancien Regime een aantal van de taken behartigen die men had willen aan de Koninklijke Kamer toevertrouwen.

De jaren 1665-1667 kunnen dan ook als scharnierjaren worden beschouwd in de evolutie van de handelaarsorganisatie in onze stad en in de Spaanse Nederlanden. Van dat standpunt uit is een herdenking ruimschoots gerechtvaardigd. Met onze studie hopen wij ook een duidelijker licht te hebben geworpen op de afzonderlijke, parallelle en ook antagonistische ontwikkeling van de Wetachtige Kamer en van de Koninklijke Kamer, die men in het verleden niet altijd goed uit elkaar wist te houden, waardoor hun activiteiten soms niet in een juist daglicht werden geplaatst.

Een laatste conclusie die uit de studie van deze enkele jaren in het leven van Brugge en van zijn handelaars kan worden getrokken, is dat de strijdvaardigheid bij onze voorouders nooit ontbrak. Ze was aanwezig als het er op aankwam zich heftig te verzetten tegen wat een inbreuk werd geacht op de gemeentelijke autonomie en op de privileges van het eigen genootschap. Ze was vooral ook aanwezig in het handeldrijven. Te midden van een deprimerende sfeer van oorlogen en onverbiddelijke ziekten, bleef men moedig en dynamisch doorzetten, alsof er niets aan de hand was.

Als we de verhalen lezen over invasies en plunderingen, over kapingen en zeeroverij, over pest en hongersnood, zouden we ons kunnen afvragen of het wel op hetzelfde tijdstip en in dezelfde stad was dat zoveel energie werd aangewend om steeds opnieuw de handel, de nijverheid, de invoer en uitvoer te stimuleren. Toch is het zo. De inspanningen van onze voorzaten in de context van de moeilijke omstandigheden situeren, groeit onvermijdelijk uit tot een hulde aan het onverwoestbare optimisme dat de mensheid, meer bepaald de handeldrijvende mens, door de eeuwen heen steeds heeft gekenmerkt.

Deel 2, Lijst van de leden

en Deel 3, Lijst van de bestuursleden,

zijn ook op deze website te vinden,

onder afzonderlijke rubrieken.

BIBLIOGRAFIEPRIVATE

1. ONUITGEGEVEN BRONNEN.

A.            STADSARCHIEF BRUGGE

Fonds MAKELAARS :

·         Reglementen / cartularium van de Kamer en de nering, met kopieën van privilegies van 1293 tot 1683.

·         Resolutiën / ferie- en resolutieboeken van 1544 tot 1665 (o.m. getiteld ‘Kamerboek’).

·         Rechtspraak / wettelijke passeringen van 1689 tot 1763.

·         Admissieboeken van 1665 tot 1795.

·         Rekeningen van 1632 tot 1699.

·         Kwitantiën van 1603 tot 1787.

·         Gedrukte privileges van 1652 tot 1720.

Fonds KAMER VAN KOOPHANDEL :

·         Reglementen van 1652 tot 1730.

·         Correspondentie van 1667 tot 1668.

·         Ferieboeken van 1631 tot 1732.

·         Rechtspraak van 1648 tot 1783.

Fonds WETSVERNIEUWINGEN :

Lijsten van de jaarlijkse vernieuwing van de stadsmagistraat en de ambachtsbesturen

van1363 tot 1795 (lacunes 1375-1396, 1444-1467 en 1502; vanaf 1702 enkel

ambachtsbesturen)

Fonds STATEN VAN GOED :

Tweede reeks : nrs. 4384-6494-5333-6556-1478-4887-2820-2597-3563-4919-16529-

2520-2287-3532-4296-2319-1382-6332-5133-5431-17340-6074-3484-3049-1696-3805-

3875-16522-16767-2861-3202-5300-5417-3553-14381-3270

Fonds STADSREKENINGEN :

2.2.1305-2.2.1306

1311

22.1.1332-22.1.1338

22.1.1339-9.2.1340

Annexe bescheiden : 1316 = rekening van de krijgsvloot

Fonds NALATENSCHAP A. SCHOUTEET :

Regesten op de Oorkonden, dl. V (getypt)

B.            RIJKSARCHIEF BRUGGE

Fonds CHAMBRE DE COMMERCE ANCIENNE :

Portefeuille met documenten betreffende de nering en de Kamer van 1426 tot 1715.

2. UITGEGEVEN BRONNEN.

Patrice BEAUCOURT DE NOORTVELDE, Beschrijving van de opganck, voortgank en ondergank der Brugschen koophandel. Brugge, 1775.

Charles CUSTIS, Jaer-boecken der Stadt Brugghe, behelsende de gedenckweerdigste geschiedenissen, dewelcke soo binnen de selve Stadt, als daer omtrent, voorgevallen zijn, sedert haere eerste beginselen tot den tegenwoordigen tijdt toe. Brugge, 1765. 3 dln.

Joos DE DAMHOUDERE, Van de Grootdadigheyt der breedtver-maerde regeringhe van de Stadt Brugghe. Amsterdam, 1684.

Louis GILLIODTS-VAN SEVEREN, Cartulaire de l’ancienne estaple de Bruges. Recueil de documents concernant le commerce intérieur et maritime, les relations internationales et l’histoire économique de cette ville.  Bruges, 1904-1906. 4 dln.

Louis GILLIODTS-VAN SEVEREN, Cartulaire de l’ancien grand tonlieu de Bruges, faisant suite au Cartulaire de l’ancienne estaple.  Bruges, 1908-1909. 2 dln.

Louis GILLIODTS-VAN SEVEREN, Coutume de la ville de Bruges. Bruxelles, 1874-1875. 2 dln.

Carlos WYFFELS, De rekeningen van de stad Brugge (1280-1319), dl I : 1280-1302 (Kon. Comm. vr. Geschiedenis - Verzameling van onuitgegeven Belgische Kronieken 62), Brussel, 1965.

3. WERKEN.

A.            ALGEMEEN

Paul ALLOSSERY, Het gildeleven in vroeger eeuwen. Brugge, 1926.

R. BAETENS, Scheepvaart in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1810. Algemene geschiedenis der Nederlanden (=A.G.N.) dl. VIII, Haarlem, 1979, pp. 239-248.

R. BAETENS, De havenbeweging te Oostende (1635-1662). In : Fed. van kringen voor oudheidkunde en geschiedenis van België XLIIIe congres. St-Niklaas/Waas, 1974, pp. 119-124.

R. BAETENS, Het uitzicht en de infrastructuur van een kleine Noordzeehaven tijdens het Ancien Regime : het voorbeeld van Oostende.  In : Mededelingen Marine Academie.  XXIII, 1973-1975, pp. 47-62.

R. BAETENS, & H. A. H. BOELMANS, Scheepvaart in de Zuidelijke Nederlanden 1585-1650. A.G.N. dl. VII, Haarlem, 1980, pp. 156-169.

H. A. H. BOELMANS, Visserij in de Zuidelijke Nederlanden 1580-1650. A.G.N. dl. VII, Haarlem, 1980, pp. 170-172.

H. A. H. BOELMANS, Visserij in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1795. A.G.N. dl. VIII, Haarlem, 1979, pp. 261-264.

V. BRANTS, Liste chronologique des édits et ordonnances des Pays-Bas.  Règnes de Philippe IV (1621-1665) et de Charles II (1665-1700). Bruxelles, 1910.

Nicolas BRIAVOINNE, Mémoires sur l’état de la population, des fabriques, des manufactures et du commerce dans les Pays-Bas, depuis Albert et Isabelle jusqu’à la fin du siècle dernier. Mémoires couronnés de l’Acad. Royale des Sciences et Belles-Lettres. t. XIV, rec. 3, 1839-1840.

Pierre CHAUNU, Séville et la Belgique (1555-1648). In : Revue du Nord XLII, 1960, pp. 259-292.

H. COPPEJANS-DESMEDT, Economische opbloei in de Zuidelijke Nederlanden. A.G.N. dl. VIII, Utrecht, 1955, pp. 262-263 en 273-280.

H. COPPEJANS-DESMEDT, Handelaars en neringdoenden.  De 17de en 18de eeuw. In : Flandria Nostra dl. I, Antwerpen, 1957, pp. 470-472 en 485-512.

L. COUVREUR, Recht en zeeverzekeringspraktijk in de 17e en de 18e eeuw. In : Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis dl. XVI, 1939, pp. 184-214.

Jan CRAEYBECKX, De arbeiders in de 17e en 18e eeuw. In : Flandria Nostra dl I, Antwerpen, 1957, pp. 316-317.

Isaac DE MEYER, Notice sur Thomas Montanus, fondateur et premier président de la société de médecine. Bruges, 1841.

A. DE SAINT-LEGER, La Flandre maritime et Dunkerque sous la domination française (1659-1789).  Paris-Lille, 1900.

Reginald DE SCHRIJVER, Oorlog en vrede voor de Zuidelijke Nederlanden 1678-1700. A.G.N. dl. VIII, Haarlem, 1979, pp. 308-320.

Joseph DE SMET, Het verkeerswezen in Vlaanderen in de 17e eeuw. In : Biekorf LIX, 1958, pp. 69-71.

G. & R. DESNERCK, Vlaamse visserij en vissersvaartuigen dl I : Havens. Oostduinkerke, 1974.

S. DESPRETZ-VAN DE CASTEELE, Het protestantisme in de Zuidelijke Nederlanden gedurende de tweede helft van de 17e eeuw. In : Tijdschrift voor Geschiedenis LXXVIII, 1965, pp. 294-317.

E. DILIS, Les courtiers anversois sous l’Ancien Régime. Anvers, 1910.

John EVERAERT, De internationale en koloniale handel der Vlaamse firma’s te Cadiz, 1600-1700. Brugge, 1973.

John EVERAERT, Handel in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1795.  A.G.N. dl. VIII, Haarlem, 1979, pp. 185-202.

O. FLANDERS, Middeleeuwsche handelsbetrekkingen tusschen Vlaanderen en Genua (Ligurië) 1315-1620. In : Biekorf XXIX, 1923, pp. 143-166.

G. GUYOT, Histoire La famille de Villegas en Belgique et généalogie.  Bruxelles, 1987.

Hervé HASQUIN, Nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1795. A.G.N. dl.VIII, Haarlem, 1979, pp. 124-159.

Hervé HASQUIN, L’administration du commerce dans les Pays-Bas méridionaux, XVIIe en XVIIIe siècles. In : Revue d’Histoire moderne et contemporaine XXI, 1973, pp. 430-443.

H. HOUTMAN-DESMEDT, De Zuidelijke Nederlanden na de Vrede van Munster 1648-1678 A.G.N. dl. VIII,  Haarlem, 1979, pp. 297-304.

I. ISRAEL, A conflict of Empires : Spain and the Netherlands, 1618-1648. In : Past and Present LXXVI, 1977, pp. 34-74.

T. S. JANSMA, Waarden en makelaars te Dordrecht in de zestiende eeuw. In : Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden IV, 1949, pp. 213-225.

V. JANSSENS, & J. R. BRUIJN, Geld- en Bankwezen in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1753. A.G.N. dl. VIII, Haarlem, 1979, pp. 203-238.

P. J. LEBOUCQ, Histoire des choses les plus remarquables advenues en Flandre, Hainaut, Artois et pays circonvoisins depuis 1596 jusqu’à 1674. Douai, 1857.

F. LEBRUN, Le XVIIe siècle. Paris, 1967.

J. LEFEVRE, De instellingen der Zuidelijke Nederlanden onder Spaanse en Oostenrijks bewind. A.G.N. dl. VII, Utrecht, 1954, pp. 214-247.

J. LEFEVRE, Het slotbedrijf van het Spaanse Regime in de Zuidelijke Nederlanden A.G.N. dl. VII, Utrecht, 1954, pp. 92-122.

L. LEMAIRE, Le rachat de Dunkerque par Louis XIV (1662). Documents inédits. Dunkerque, 1924.

A. LEVAE, Recherches historiques sur le commerce des Belges aux Indes pendant le XVIIe et le XVIIIe siècles. Bruxelles, 1842.

A. MOREL-FATIO, Espagnols et Flamands. In : Etudes sur l’Espagne. t. I, 2e éd., Paris, 1895.

J. NICOLAS, L’argent des principautés Belges pendant le Moyen Age et la Période Moderne. Namur, 1933. 2 dln.

Samuel PEPYS, The Diary of Samuel Pepys.  London, 1923. 8 dln.

F. J. SMOLAR, Resiliency of Enterprise : Economic crises and recovery in the Spanish Netherlands in the early seventeenth century. In : From the Renaissance to the Counter-Reformation, essays in honour of Garret Mattingly.  London, 1966, pp. 247-268.

E. STOLS, Handel, geld- en bankwezen in de  Zuidelijke Nederlanden 1580-1650. A.G.N. dl. VII, Haarlem, 1980, pp. 128-136.

E. STOLS, De Spaanse Brabanders of de handelsbetrekkingen der Zuidelijke Nederlanden met de Iberische Wereld (1598-1648). (Kon. Acad. voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België - Verh. Klasse der Letteren 70) Brussel, 1971. 2 dln.

T. STUART, De Amsterdamse makelaardij. Bijdrage tot de geschiedenis onzer handelswetgeving.  Amsterdam, 1879.

A. K. L. THIJS, Nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden 1580-1650. A.G.N. dl. VII, Haarlem, 1980, pp. 86-97.

Herman VAN DER WEE, Anvers et les innovations de  la technique financière aux VIIe – XVIIIe siècle. In : Annales, Économies, Sociétés, Civilisations XXII, 1967, pp. 1067-1089.

Herman VAN DER WEE, Prijzen en Lonen. Methodologische Handleiding. In : Bijdragen tot de Prijzengeschiedenis I, 1956, pp. 5-43.

H.-E. VAN GELDER, & M. HOC, Les monnaies des Pays-Bas bourguignons et espagnols. 1434-1713.  Amsterdam, 1960.

Hubert VAN HOUTTE, Chambres de Commerce et Tribunaux de Commerce en Belgique au XVIIIe siècle. In : Handelingen der Maatschappij van Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent X, afl. 1, 1910, pp. 1-71.

Jan A. VAN HOUTTE, Onze zeventiende eeuw, “ongelukseeuw”? (Kon. Acad. voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België - Mededelingen Klasse der Letteren jg. XV, nr. 8) Brussel, 1953.

Jan A. VAN HOUTTE, Essays on Medieval and Early Modern Economy and Society. Leuven, 1977.

Jan A. VAN HOUTTE, Economische en Sociale ontwikkeling van het Zuiden, 1609-1748. A.G.N. dl. VII, Utrecht, 1954, pp. 390-431.

Jan A. VAN HOUTTE, Les courtiers au Moyen-Âge. Origine et Caractéristique d’une institution commerciale en Europe Occidentale. In : Revue historique de droit français et étranger 4e s., t. XV, 1936, pp. 105-141.

Jan A. VAN HOUTTE, Economische en sociale geschiedenis van de Lage Landen. Zeist en Antwerpen, 1964.

H. VAN WERVEKE, Ambachten en erfelijkheid. (Kon. Acad. voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België - Mededelingen Klasse der Letteren jg. IV NR. 1, Brussel, 1942.

H. VAN WERVEKE, Beschouwingen over het economisch leven in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de XVIIe en de XVIIIe eeuw. In : Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht dl. LXI, 1940, pp. 82-100.

H. VAN WERVEKE, Demografische problemen in de Zuidelijke Nederlanden (17e-18e eeuw). (Kon. Acad. voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België - Mededelingen Klasse der Letteren jg. XVII nr. 1) Brussel, 1955.

H. VAN WERVEKE, De economische geschiedenis. In : Geschiedenis van Vlaanderen dl. V : Vlaanderen in de 17e en 18e eeuw.  Onder Spaans en Oostenrijks bewind, pp. 247-306.  Brussel, 1940.

L. A. WARNKOENIG, Flandrische Staats- und Rechtsgeschichte bis zum Jahre 1305. Tübingen, 1835-1842. 3 dln.

B.            BRUGGE.

Fr. BEYERS, De familie “Vander Beurse” en de oorsprong van de handelsbeurzen. Brugghe, ‘n Spieghel, 1939, pp. 147-152.

Jean BETHUNE, Méreaux des familles brugeoises, Bruges, 1890-1894. 2 dln.

Pierre BOGAERTS & Vincent DELJOUTTE, Notice historique sur les impôts communaux de la ville de Bruges, depuis leur origine jusqu’en 1794. Bruxelles, 1846.

J. CLAEYS, De stadsofficiën te Brugge tot in de 17e eeuw. In : Wetenschap in Vlaanderen jg. II 1936-37, pp. 99-102.

Michel CLOET (samensteller), Het Bisdom Brugge (1559-1984). Brugge, 1985.

Maurice COORNAERT, De topografie, de geschiedenis en de toponymie van St-Pieters-op-de-Dijk tot 1899. Brugge, 1972.

Robert COPPIETERS, Journal d’événements divers et remarquables. Bruges, 1907.

E. COPPIETERS STOCKHOVE, Notes sur les vieilles barges faisant service entre Gand et Bruges (1613-1839). Gand, 1922.

Emmanuel COPPIETERS & Jozef GHYSSAERT, Histoire de la famille Van Ockerhout à Bruges. Loppem, 1961.

Jan CRAEYBECKX, Les industries d’exportation dans les villes flamandes au XVe siècle, particulièrement à Gand et à Bruges. In : Studi in onore di A. Fanfani, Milano, dl. IV, pp. 411-468.

Armand DE BEHAULT DE DORNON, Les privilèges octroyés en 1666 par Charles II, roi d’Angleterre, aux pêcheurs de Bruges. Anvers, 1909.

Armand DE BEHAULT DE DORNON, Bruges séjour d’exil des rois d’Angleterre Edouard IV (1471) et Charles II (1656-1658). Bruges, 1931.

De Grooten Brugschen Comptoir Almanach, jaren 1768 tot 1791.

Octave DELEPIERRE, Renseignements sur la fabrication des draps à Bruges depuis le XVIe siècle jusqu’au XVIIIe. In : Annales de la Soc. d’Emul. t.III 1841, pp. 237-244.

R. DE ROOVER, Money, Banking and Credit in mediaeval Bruges, a study in the origins of banking. Cambridge/Mass., 1948.

Albert DE SCHIETERE DE LOPHEM, Histoire de la famille de Schietere. (Tabl. de Flandres, Rec. 9), Bruges, 1968.

Joseph DE SMET, La situation économique de la ville de Bruges pendant la deuxième moitié du XVIIe siècle. Tables du commerce et de navigation du port de Bruges, 1675-1698. In : Bulletin de la Commission Royale d’Histoire t. X 1930, pp. 103-244.

Joseph DE SMET, De doorvaart voor de binnenscheepvaart te Brugge in de XVIIde eeuw. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. CVII Brugge, 1971, pp. 192-208.

Joseph DE SMET, De pogingen aangewend tot de economische heropleving van Brugge in de 17e eeuw. Onuitgegeven doctoraatsverhandeling, R.U.G., 1922.

Joseph DE SMET, De welstand te Brugge in de 17e eeuw. In : Biekorf L, 1949, pp. 207-209.

Joseph DE SMET, Verhandeling over den economische heropbloei der stad Brugge in de XVIIe eeuw. Brugge, 1922.

Joseph DE SMET, De inrichting van de poorterlijke ruiterij te Brugge in 1292 en haar indelingen in gezindheden in 1302. In : Verslagen en mededelingen Kon. Vlaamse Acad. voor Taal en Letterkunde 1930,  pp. 487-505.

Joseph DE SMET, De repressie te Brugge na de slag bij  West-Rozebeke (1382-1384). In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. LXXXIV Brugge, 1947, pp. 71-118.

Joseph DE SMET, Brugse Leliaards gevlucht te Sint-Omaars van 1302 tot 1305. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. LXXXIX Brugge, 1952, pp. 146-152.

Adolf DUCLOS, Bruges, histoire et souvenirs. Bruges, 1910.

R. EHRENBERG, Maklers, Hosteliers und Bürse in Brügge vom XIII. bis zum XVI. Jahrhundert. In : Zeitschrift für das gesammte Handelsrecht XXX, 1885.

Edouard GAILLIARD, Table analytique (Inventaire des archives de la ville de Bruges). Bruges, 1883-1885.

J. GAILLIARD, Éphémérides brugeoises ou relation chronologique des événements qui se sont passés dans la ville de Bruges. Bruges, 1847.

J. GAILLIARD, De ambachten en neringen van Brugge, of beschrijving hunner opkomst, bloei, werkzaamheden, gebruiken en voorrechten. Brugge, 1854.

J. GAILLIARD, Bruges et le Franc ou leur magistrature et leur noblesse. Bruges, 1857-1864. 6 dln.

GALBERT VAN BRUGGE, De moord op Karel de Goede, (1127-1128). Antwerpen, 1978.

Noël GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes en de Jeruzalemstichting te Brugge, I. Inventaris. Brugge, 1987.

Noël GEIRNAERT, De Adornes en de Jeruzalemkapel. Internationale contacten in het laatmiddeleeuwse Brugge. In : Adornes en Jeruzalem, pp. 11-50, Brugge, 1983.

Noël GEIRNAERT, Hof van Watervliet/Hof van Sint-Joris : Bouwheer en verdere lotgevallen. In : Het Hof van Watervliet in de Oude Burg te Brugge, pp. -17, Brugge, 1983.

Jozef GELDHOF, Pelgrims, dulle lieden en vondelingen te Brugge (1275-1975). Brugge, 1975.

Louis GILLIODTS- VAN SEVEREN, Les anciens règlements de la corporation des courtiers de Bruges. In : La Flandre t. XII 1881, pp. 121-129 en 219-260.

Louis GILLIODTS- VAN SEVEREN, Les Franc courtiers de  Bruges de 1544 à 1623. In : La Flandre t. VII 1875,  pp. 41-56.

Louis GILLIODTS- VAN SEVEREN, Service de la barque de Bruges à Gand (1659), Mémoriaux de Bruges t. II, pp. 304-305, Bruges, 1913.

A. JAMEES, Brugse Poorters. Handzame, 1974-1989. 3 dln.

Henry GODAR, Histoire de la gilde des Archers de Saint-Sébastien de la ville de Bruges. Bruges, 1947.

Kamer van Koophandel te Brugge. Oorsprong, ontstaan en oprichting (Caemere van Negotie ende Commercie van Brugghe, 1667-1967). Brugge, 1967.

Hilde MARECHAL, Het makelaarsgild te Brugge van 1600 tot 1665. Onuitgegeven licentiaatverhandeling, K.U.L., 1970.

Joseph MARECHAL, Geschiedenis van de Brugse Beurs. Brugge, 1949.

Joseph MARECHAL, La colonie espagnole de Bruges du XIVe au XVIe siècle. In : Revue du Nord XXXV, 1953, pp. 5-40.

Joseph MARECHAL, Bijdragen tot de Geschiedenis van het bankwezen te Brugge. Brugge, 1955.

Jean Luc MEULEMEESTER, Jacob van Oost de Oude en het zeventiende-eeuwse Brugge. Brugge, 1984.

Guillaume MICHIELS, Iconografie der stad Brugge. Brugge. 3 dln.

Octaaf MUS, De Brugse Compagnie Despars op het einde van de 15de eeuw. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. CI Brugge, 1964, pp. 5-118.

Remi A. PARMENTIER, Indices op de Brugse poorterboeken. Brugge, 1938. 2 dln.

Ernest REMBRY, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge. Brugge, 1890-1896.

Marc J. RYCKAERT, Brugse havens in de middeleeuwen. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis,  dl CIX Brugge, 1972, pp. 5-27.

Marc J. RYCKAERT, Brugge, historische stedenatlas van België. Brussel, 1991.

Albert SCHOUTEET, Regesten op de Oorkonden. Brugge, 1973-1982. 4 dln.

Albert SCHOUTEET, Indices op de buitenpoortersboeken van de stad Brugge 1548-1788. dl. I, Brugge 1965. dl. II, Handzame 1973.

Albert SCHOUTEET, Iurisdictie over ambachtslieden te Brugge in de 16e eeuw. In : Bulletin de la Commission royale des anciennes lois et ordonnances de la Belgique XX, 1961-1962, pp. 403-450.

Albert SCHOUTEET, De klerken van de Vierschaar te Brugge, met inventaris van hun protocollen. Brugge, 1973.

Paul SOETAERT, De “Berg van Charitate” te Brugge, een stedelijke leenbank (1573-1795). Brugge, 1974.

Egied I. STRUBBE, Van de eerste naar de tweede omwalling van Brugge. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. C. Brugge, 1963, pp. 271-300.

Dirk VANDEN AUWEELE, De Brugse gijzelaarslijsten van 1301, 1305 en 1328. Een comparatieve analyse. In :  Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. CX Brugge, 1973, pp. 106-167.

M. VAN DEN BAVIERE, Duinkerken onder de Franse kroon (1662). In : Biekorf LXXII, 1971, pp. 349.

E. VANDENBUSSCHE, Un livre rare. Code d’assurance maritime à l’usage des Espagnols à Bruges. In : La Flandre t. XI, 1880, pp. 66-68.

E. VANDENBUSSCHE, Les métiers de Bruges. (Etudes statistiques sur les corporations Brugeoises). In : La Flandre t. VII, 1875, pp. 223-238 en t. XII, pp. 281-290.

André VANDEWALLE, Brugse ambachten in documenten, de schoenmakers, timmerlieden en schrijnwerkers (14-18e eeuw). Brugge, 1985.

André VANDEWALLE, Op zoek naar nieuwe uitwegen. In: Brugge en de Zee. Antwerpen, 1982, pp. 75-93.

André VANDEWALLE, Beknopte inventaris van het stadsarchief van Brugge, dl. I : Oud Archief. Brugge, 1979.

André VANDEWALLE, Willem de Deken (+1328) : volksleider en makelaar. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. CXV Brugge, 1978, pp. 207-211.

F. VAN DYCKE, Receuil héraldique des familles nobles et patriciennes de Bruges. Bruges, 1851.

Pol VAN HOLM, De kamers van koophandel te Brugge (1665-1713). Onuitgegeven licentiaatverhandeling, K.U.L., 1965.

Marc VAN HOONACKER, Lodewijk XIV aan de Brugse vaart, 31 augustus 1667. In : Biekorf LXXXIX, 1989, pp. 242-249.

Jan A. VAN HOUTTE, De Geschiedenis van Brugge. Tielt/Bussum, 1982.

Jan A. VAN HOUTTE, Makelaars en waarden te Brugge van de 13de tot de 16de eeuw. In : Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden dl. V, 1950, pp. 1-30 en 177-197.

Jan A. VAN HOUTTE, Le problème du déclin de Bruges et de l’essor d’Anvers dans l’historiographie belge. (XVIe-XIXe siècles). In : Scrinium Lovaniense. Historische opstellen Etienne Van Cauwenbergh. Leuven, 1961, pp. 393-410.

Jan A. VAN HOUTTE, Hôteliers et courtiers à Bruges des origines au milieu du XVIe siècle. Contribution à l’histoire de la législation et de méthodes commerciales au Moyen Âge. Onuitgegeven doctoraatsverhandeling, K.U.L., 1936.

Jan A. VAN HOUTTE, Bruges, essai d’histoire urbaine. (Collection Notre Passé). Bruxelles, 1967.

Charles VAN RENYNGHE DE VOXVRIE, L’Epitaphier de Bruges. In : Tabl. des Flandres t. I, Bruges, 1948, pp. 316-377.

Jacques VAN VYVE, Histoire et généalogie de la famille Van Vyve. Bruxelles, 1982.

Herman VAN WERVEKE, Brugge en Antwerpen, acht eeuwen Vlaamsche handel. Gent, 1941.

Albert VAN ZUYLEN VAN NYEVELT, La pêche à la baleine et les Brugeois au XVIIe siècle. In : Annales de la Soc. d’Emulation t. LXVII 1924, pp. 47-53.

J. F. VERBRUGGEN, Het gemeenteleger van Brugge van 1338 tot 1340 en de namen van de weerbare mannen. Brussel, 1962.

J. F. VERBRUGGEN, Beschouwingen over 1302. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. XCIII Brugge, 1956, pp. 38-53.

Valentin VERMEERSCH, Zilver en wandtapijten, catalogus. Brugge, 1980.

Valentin VERMEERSCH, Grafmonumenten te Brugge voor 1578. Brugge, 1976. 3 dln.

L. VERRIEST, Le registre de la ‘Loi’ de’ Tournai de 1302 et les listes des otages de Bruges (1301) et de Courtrai. In : Bulletin de la Comm. Royale d’Histoire t. 80, 1911, pp. 369-527.

Antoon VIAENE, Fortuin gaan maken in Spanje. De trek uit Brugge naar Madrid en Cadiz (1650-1700). In :  Biekorf LXX, 1969, pp. 257-265.

Antoon VIAENE, Het groot vuurwerk van 1666 te Brugge. In : Biekorf LXII, 1961, pp. 193-198.

Antoon VIAENE, Het grote vredefeest van 1660 te Brugge. In : Biekorf LXI, 1960, pp. 161-166.

Antoon VIAENE, Oproerige politieke biljetten op de Burg te Brugge. In : Biekorf LXI, 1959, pp. 257-263.

Antoon VIAENE, Vincent Stochovens “voyage” op de boekenmarkt, 1643-1687. In :  Biekorf LXXVII, 1977,  pp. 354.

Albert VISART DE BOCARME, Les jetons de la chambre des courtiers et de la chambre de commerce de Bruges. In : Revue belge de numismatique 1914, pp. 1-50.

Albert VISART DE BOCARME, Recherches sur les imprimeurs brugeois. Bruges, 1928.

Carlos WYFFELS, Het Brugse bevolkingscijfer in de XVIIe en XVIIIe eeuw. In : Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis dl. XXXVI, 1958, pp. 1243-1274.

Carlos WYFFELS, De Vlaamse Hanse van Londen op het einde van de XIIIde eeuw. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. XCVII Brugge, 1960, pp. 5-30.

Carlos WYFFELS, De Moerlemaaie (1280). In : Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis 1966, pp.  37-142.

Carlos WYFFELS, Peiling naar de sociale stand van een aantal Brugse groothandelaars, inzonderheid op de Britse eilanden (1270-1292). In : Album Jos De Smet pp. 365-379. Brugge, 1964.

Carlos WYFFELS, Een ‘opstand’ te Brugge en de vlucht van Leliaarts naar Sint-Omaars tussen 17 augustus en 18 september 1297. In : Handelingen van het genootschap voor Geschiedenis dl. XC Brugge, 1953, pp. 63-72.


[1] Referenties worden verkort weergegeven. Ze zijn voldoende identificeerbaar om in de bibliografie, achteraan in dit boek, te worden teruggevonden. Gebruikte afkortingen: SAB: Stadsarchief Brugge; RAB: Rijksarchief Brugge.

M. RYCKAERT, Atlas Brugge, 21-25.

[2] DUCLOS, 18.

[3] GALBERT, 97.

[4] DE ROOVER.

[5] WYFFELS, Peiling sociale stand; Idem, De Vlaamse Hanze. Het jaartal verwijst naar het jaar waarin de naam voorkomt als lid van de Hanze.

[6] Zie ledenlijst. Het jaartal verwijst naar het jaar waarin de naam voorkomt als lid van hosteliers- of makelaarsnering.

[7] L. GILLIODTS, Règlements courtiers; J. A. VAN HOUTTE, Makelaars en waarden; A. SCHOUTEET, Oorkonden, dl. I, 290 en dl. II, 16, 54.

[8] A. VANDEWALLE, Willem de Deken.

[9] J. F. VERBRUGGEN, Beschouwingen 1302.

[10] J. MARECHAL, Brugse Beurs, 10.

[11] E. STRUBBE, Omwalling, 12.

[12] SCHOUTEET, Oorkonden II, 453, 640; III, 422, 603, 628, 632, 641; IV, 617, 618, 636, 639.

[13] J. GELDHOF, Pelgrims, 83.

[14] N. GEIRNAERT, Hof van Watervliet, 11-13.

[15] Idem, Adornes en Jeruzalem, 14-15

[16] Idem, 22 en 31.

[17] MICHIELS, Iconografie, III; MEULEMEESTER, Van Oost.

[18] MICHIELS, Iconografie 8; MEULEMEESTER, Van Oost.

[19] VERMEERSCH, Zilver en wandtapijten, 280.

[20] GILLIODTS, Estaple III, 498; RAB, Chambre de Commerce.

[21] JAMEES III; PARMENTIER II.

[22] VAN ZUYLEN, Pêche à la baleine.

[23] SAB, Staten van Goed, 2de reeks, 4384.

[24] BETHUNE, Méreaux, 134.

[25] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 6494.

[26] Ibidem, 5333, 6556, 1478n 4887.

[27] Ibidem, 2820; JAMEES III.

[28] BETHUNE, Méreaux, 238 en 454; SOETAERT, Berg van Charitate, 36-37.

[29] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 2597.

[30] Ibidem, 3563 en 4919.

[31] JAMEES III.

[32] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 3270, 16529.

[33] GILLIODTS, Estaple III, 498.

[34] VAN DYCKE, 7.

[35] VAN VYVE, Famille van Vyve, 279; VAN DYCKE, 134; BETHUNE, Mérea    ux, 114; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 2520.

[36] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 2287.

[37] Ibidem, 3532.

[38] Ibidem, 4296, 2319, 1382, 6332.

[39] BETHUNE, Méreaux, 314; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 5133, 5431, 17340, 6074.

[40] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 3484.

[41] COPPIETERS, Van Ockerhout; SAB; Staten van goed, 2de reeks, 3049.

[42] VAN VYVE, Famille van Vyve, 276; VAN DYCKE, 53; BETHUNE, Méreaux, 10.

[43] GILLIODTS, Estaple IV, 483; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 1696.

[44] BETHUNE, Méreaux, 288; GAILLIARD, Bruges et le Franc, I, 142; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 3805.

[45] COPPIETERS, Van Ockerhout; VAN DYCKE, 496; VIAENE, Fortuin in Spanje; BETHUNE, Méreaux, 184; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 3875.

[46] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 16522 en 16767.

[47] VIAENE, Fortuin in Spanje; CLOET, Bisdom Brugge, 178; SAB, Staten van goed, 2de reeks, 16522 en 16767.

[48] VIAENE, Fortuin in Spanje; VAN DYCKE, 96; SCHOUTEET, Buitenpoorters I & II; SAB, Sta                ten van goed, 2de reeks, 2861.

[49] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 3202 en 5300; GAILLIARD, Bruges et le Franc, IV; RAB, Familiearchief, 2572.

[50] VAN DYCKE, 104; SCHOUTEET, Buitenpoorters II.

[51] VISART, Jetons de la chambre, 19.

[52] SAB, Makelaars, Ferieboeken 1665-1666 en 1667-1670.

[53] GILLIODTS, Grand Tonlieu, nrs. 3044, 3045, 3046.

[54] SAB, Makelaars, rekeningen 1 maart 1664 – 28 februari 1665; 1 maart 1665 – 28 februari 1667; 1 maart 1667 – 28 februari 1669.

[55] GILLIODTS, Règlements courtiers, 40.

[56] SAB, Makelaars, Rekeningen, 1632-1674.

[57] MEULEMEESTER, Van Oost.

[58] VANDEWALLE, Brugse ambachten.

[59] Idem.

[60] MEULEMEESTER, Van Oost.

[61] VISART, Imprimeurs brugeois.

[62] VERMEERSCH, Zilver en wandtapijten: Jacques de Tilly was ongetwijfeld een opvolger van de zilversmeden Loys, Pieter en Cornelis de Tilly.

[63] SCHOUTEET, Klerken van de vierschaar, 111.

[64] DE SCHIETER, Genealogie de Schietere, 327.

[65] Ongeveer op de plaats van de huidige Kapellestraat.

[66] CUSTIS, III, 259; REMBRY, 133; DE MEYER, 6.

[67] gepubliceerd in GILLIODTS, Estaple III, n° 2164 (met onjuistheden) en in: Caemere van Negotie ende Commercie van Brugge, 85-89.

[68] SCHOUTEET, Buitenpoorters, I.

[69] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 5417.

[70] Idem, 3553 en 14381; SCHOUTEET, Buitenpoorters II, 25.

[71] GODAR, St. Sébastien, 300.

[72] GILLIODTS, Cartulaire estaple, n° 2162.

[73] PALMER, Charles II, 138.

[74] PEPYS, Diary, trefwoord Fishery.

[75] DE BEHAULT, Les privilèges.

[76] Alle gegevens hierna uit SAB, archief Kamer van Koophandel, Copieboek 1667-1669; zie ook: GILLIODTS, Estaple, nrs. 2164, 2166, 2169, 2173, 2176, 2178, 2189.; GILLIODTS, Tonlieu, n° 3048.

[77] Alle gegevens hierna uit SAB, archief makelaars, Ferieboek 1667-1670; archief Koninklijke Kamer, Copiebouc 1667-1669; GILLIODTS, Estaple, n° 2189.

[78] SAB, archief makelaars, reglementen 1650-1730, n° 6.