ROMAIN VAN EENOO GEVIERD

Hierna een (eigenzinnig) verslag over de academische zitting ter gelegenheid van het emeritaat van Romain.

We waren talrijk in de elegante aula van de Gentse Universiteit deze namiddag om onze vriend uit te wuiven bij het beëindigen van zijn academische carrière die meer dan veertig jaren overspant. De neoclassicistische aula, van de in 1816 door Koning Willem I gestichte universiteit, zoals het opschrift er ons aan herinnert, is het perfect decor voor dit soort zittingen: plechtstatig en intiem tegelijkertijd, met als inspirerend element om in gedachten te kunnen afdwalen, het rijk en majestueus caissonplafond.

In tegenstelling tot veel academische zittingen in het universitair milieu, die soms geweldig lang worden getrokken, was alles op een uur en driekwartier afgewerkt, academisch kwartier en muzikale intermezzi inbegrepen en dit niettegenstaande er zes sprekers waren.

De eerste was rector Jacques Willems. Ik twijfel er niet aan dat hij een bekwame rector is: de steile opgang van zijn universiteit en het feit dat de vroegere organisatorische en financiële problemen overwonnen zijn, tonen het aan. Als spreker is hij evenwel een kleine ramp. Het enige positieve wat er over zijn toespraak te vermelden valt is dat ze kort was. Voor het overige was het een aaneenrijging van platitudes in een ongeïnspireerde taal. We hebben moeten horen dat Romain een eerlijk man was, een faire mens, en meer van dat. Zou het in zo een universiteit teveel gevraagd zijn dat de rector zich zou laten bijstaan door een talentvolle en bevlogen tekstschrijver? Het waardig en enthousiast uitwuiven, met literaire stijl, van een voornaam professor, kan de standing en uitstraling van de universiteit alleen maar ten goede komen. En daar wil ik niet mee zeggen dat de loftrompetten luider moeten klinken of dat de toegezwaaide wierook bedwelmend moet zijn. Enfin, u begrijpt zeker wel wat ik bedoel.

De tweede spreker was Jean-Pierre Vandermotten, de decaan van de faculteit wijsbegeerte en letteren. Dit was vanuit redenaarsoogpunt al iets beter en persoonlijker, hoewel zowel hij als bij de voorgaande en de volgende spreker eigenlijk ook tamelijk veel over zichzelf praatten, bij hun behandeling van het feestvarken. Het goede dat de decaan over Romain zegde was natuurlijk dubbel en dik verdiend. Wat me daarbij evenwel opviel was dat er als een soort van onderliggende verbazing tot uiting kwam dat de gevierde een harde werker was, een bevlogen lesgever, een correcte collega, een eerlijk man, etc. Men kreeg de indruk dat dit beschreven werd als deugden die eerder zelden te vinden zijn in het universitair milieu. Of zijn dit "les phrases convenues" die nu eenmaal in dit milieu verwacht worden?

De derde en meest uitvoerige spreker was gouverneur Herman Balthasar. De toespraak van degene die aangekondigd werd als de ‘proximus’ van de gevierde, stond vandaag praktisch volledig op de opiniebladzijde van De Standaard, wat op zich natuurlijk een mooie hulde aan Romain was en de weerklank van het feest deed zinderen bij een paar honderdduizend lezers. Toch had ik verwacht dat het voortijdig verschijnen van die tekst er vriend Herman zou toe aangezet hebben om die als gelezen te beschouwen en er een briljante parafrase en improvisatie op te brengen. Wat niet belet dat het een interessante tekst was, zowel over Romain als over de evolutie van de studie en het onderwijs van de hedendaagse geschiedenis. Het valt me altijd op (niet mij alleen natuurlijk) als je de twee bijeen ziet, hoe sterk ze fysisch op elkaar lijken. Ook in het besturen van het departement hedendaagse geschiedenis zijn ze blijkbaar een aantal jaren als een Siamese tweeling geweest. Hoewel de gloriepalm toch in de eerste plaats aan Romain toekomt, aangezien Herman andere wegen is gaan bewandelen.

De kwantitatieve gegevens die ons werden voorgeschoteld herinnerden er aan wat een reus in het werk Romain is geweest. Ongeveer 30.000 examens afgenomen, bijna 500 licentiethesissen begeleid, etc. De kwaliteit heeft er zeker niet onder geleden, want Romain kon veel aan en had een sterk uithoudingsvermogen.

Vervolgens kwamen Jan Art en Luc François aan het woord, oud-studenten, oud-medewerkers en collegae van de gevierde. Hun korte en geïllustreerde situering van Romain straalde de vriendschap en genegenheid uit die ze hem toedragen en waar de aanwezige vrienden zich in éénklank mee bevonden. Ze hadden ook voor het blijvend geschenk gezorgd dat aan ieder prof, vooral aan ieder prof geschiedenis, die het in zijn carrière niet te bont heeft gemaakt, wordt aangeboden: een liber amicorum. Maar wat ze hebben tot stand gebracht - commune non communiter - is een uitzonderlijk dik boek, twee boekdelen in een mooi koffer, samen bijna 1150 bladzijden en met 64 bijdragen over de meest uiteenlopende geschiedkundige thema's, onder de titel 'Docendo discimus'. Vele uren leesgenot voor de geïnteresseerden.

De slottoespraak van Romain was voortreffelijk. Ik hield eerlijk gezegd een beetje mijn hart vast, want voor hem was dit om meer dan één reden een zeer emotionerend moment en hij is nooit te beroerd geweest om zijn gevoelens of zelfs zijn tranen in te houden. Maar hij was voortreffelijk voorbereid en zijn toespraak was levendig en interessant. Het was voornamelijk het relaas van een avontuur, dat van de onbestaande afdeling hedendaagse geschiedenis, die voor een essentieel deel dank aan hem in Gent tot ontplooiing kwam.

De receptie achteraf was plezierig. Het "schoon volk" dat zich met geschiedenis bezig houdt, was aanwezig. Was de aula ingestort, dan was het grootste deel van wat hier te lande naam en faam heeft in dit vak van de kaart geveegd.
Voor de Bruggelingen was het een reden tot fierheid in dit Gentse intellectueel centrum een stadgenoot de passende eer te zien betuigen en voor de aanwezige klasgenoten (Etienne Vermeersch, Christian Angelet) zal het de nostalgie van de jeugdjaren hebben opgeroepen.

Wat duidelijk is, is dat Romain in het bezit is van al zijn geestelijke en fysische vermogens, nieuwe heup inbegrepen. Hij moet nu (gebiedende wijs) onmiddellijk zijn draai vinden om intellectueel actief en wetenschappelijk productief te blijven. Dat hij maar eens het lijstje opmaakt van alles wat hij had willen bestuderen en publiceren, maar dat verhinderd werd door het onderwijs geven. Ik verwed dat hij er nog voor een kwart eeuw werk aan heeft. Ik kan me niet voorstellen dat hij zijn pantoffels zou gaan aantrekken of alle dagen met zijn karretje door de GB zou gaan slenteren.

Zo zij het!

Andries Van den Abeele
25 september 1999

www.andriesvandenabeele.net