Behoeftigen- en armenzorg

vanaf de achttiende eeuw tot heden

De georganiseerde armenzorg zoals die zich in onze gewesten voordeed vanaf de twaalfde eeuw, bleef met weinig evolutie tot op het einde van het Ancien Regime doorwerken. Dit betekent dat het een activiteit bleef van liefdadige en grotendeels door de kerkgemeenschap geleide instellingen, met de parochie als basiseenheid. De overheid trad hierbij alleen op als controlerende en regulerende macht.

De medezeggenschap van de gemeentebesturen nam in de loop van de 18de eeuw toe, vooral toen de steden op veralgemeende wijze "Algemene Armenkamers" gingen oprichten, die fungeerden als een soort bovenparochiale armendissen.

Bureel van Weldadigheid en Burgerlijke Godshuizen

Jozef II had al pogingen ondernomen – al dan niet succesvol – om orde en uniformiteit te brengen in het soms warrige net van liefdadige instellingen. Het was evenwel de Franse republiek, waartoe onze gewesten vanaf midden 1794 behoorden, die structurele wijzigingen in de armenzorg teweegbrachten. De verschillende wetten van het Jaar V (1796) legden de basis voor een organisatie van de openbare onderstand die tot in 1925 de armenzorg bij ons zou bepalen.

Onder de controle van de gemeente, die de centrale spil van de openbare liefdadigheid werd, kwamen twee overheidsorganismen tot stand. Het Bureel van Weldadigheid kreeg als opdracht de armoede te lenigen door het verstrekken van adequate hulp. De Burgerlijke Godshuizen werden belast met alle vormen van institutionele zorgenverlening: vondelingen- en weeshuizen, bejaardentehuizen, hospitalen en kraaminrichtingen, krankzinnigengestichten.

Kleinere gemeenten die niet over eigen instituten beschikten, waren ervan ontslagen een bestuur van Burgerlijke Godshuizen op te richten. Zij dienden, op kosten van hun weldadigheidsbureel, behoeftige medeburgers onder te brengen in bestaande openbare of privé-instellingen van hun keuze.

De nieuwe wetgeving wijzigde eigenlijk niet zo erg veel in de praktijk van het dagelijkse werk. Onder het Ancien Regime waren de liefdadigheidsinstellingen en de armendissen kerkelijke organismen die in ruime mate door leken werden beheerd en door de overheid werden gecontroleerd. Onder de nieuwe wetgeving werd de overheid weliswaar de uitsluitende "inrichtende macht", maar de armendissen bleven nog in ruime mate in parochiaal verband en met de hulp van de parochiegeestelijkheid werken, terwijl het overgrote deel van de instellingen door religieuze congregaties werden bemand en bestuurd. Alleen het beheer werd de afspiegeling van de politieke krachtverhoudingen op het gemeentelijk vlak, wat op termijn de laïciserende principes die aan de basis van de wetgeving hadden gelegen, de bovenhand verschafte. De wetgeving betekende ook het in voege treden van drie belangrijke structurele wijzigingen.

De eerste was dat, in geval van verlieslatende begrotingen, de gemeenten ertoe verplicht werden de beide hulpverlenende besturen financieel bij te staan. Indien ze er niet of onvoldoende toe in staat waren, moest de provinciale overheid bijspringen.

De tweede was dat de centrale overheid zich gaandeweg het lot ging aantrekken van bijzondere categorieën hulpbehoevenden. Dit was het geval voor de bedelaarswerkhuizen en de opvoedingshuizen voor jeugdige delinquenten. De krankzinnigengestichten en de in de negentiende eeuw opgerichte scholen voor doven, stommen en blinden, die meestal privé-instellingen bleven, kwamen nu ook onder de controle van de centrale overheid.

De derde was dat in geval van ernstige economische crisis, de centrale overheid en de gemeenten, speciale en soms zeer belangrijke kredieten ter beschikking stelden voor hulpverlening. Dit was onder meer het geval tijdens de zwaarste crisisperiode van de jaren 1845-50.

De Commissie van Openbare Onderstand

Anderhalve eeuw later bleek de tijd gekomen om de wetgeving op de liefdadigheid aan de gewijzigde toestanden aan te passen. De wet van 10 maart 1925 richtte de Commissie van Openbare Onderstand op, een samenvoeging van het vroegere Bureel van Weldadigheid en van de Burgerlijke Godshuizen. De opdrachten van de C.O.O. werden als volgt duidelijk omschreven: onderstand aan hulpbehoevenden, met inbegrip van bejaardenzorg, hospitaalverzorging voor noodlijdenden en voogdij over arme wezen en vondelingen.

De economische groei en de toenemende welvaart hadden tot gevolg dat het aantal hulpbehoevenden aanzienlijk daalde, vooral na de Tweede wereldoorlog. Het sociaal zekerheidsstelsel met zijn uitkeringen voor kinderlast, werkloosheid, ziekte en pensioen, scheen stilaan in de plaats te treden van de liefdadige hulpverlening.

De Commissies van Openbare Onderstand stelden zich niettemin dynamisch op, vooral in de steden. In de sector van de ziekenhuizen en van de bejaardentehuizen namen ze een aanzienlijk deel van de expansie voor hun rekening. Hun inspanningen bleven hierbij niet meer beperkt tot hun oorspronkelijke opdracht voor de hulpbehoevenden, maar stonden voortaan in dienst van de ganse bevolking. Voor 1940 waren hospitalen van de C.O.O. hoofdzakelijk bevolkt door patiënten uit de sociaal minst bedeelde bevolkingsklassen, terwijl de meer gegoede inwoners in privé-klinieken werden behandeld.

Na de oorlog brak de tijd aan van de gespecialiseerde en hoogst technische geneeskunde en veel Commissies schrokken er niet voor terug om, weliswaar met aanzienlijke rijkstoelagen, zware investeringen in de gezondheidszorg te doen. Voortaan verstrekten ze geen zorgen meer aan de armen alleen, maar behoorden hun ziekenhuizen – die bijna één derde van het totaal aantal ziekenhuisbedden in het land beheerden – tot de meest vooruitstrevende verzorgingsinstellingen.

Hetzelfde deed zich voor met de bejaardentehuizen die meer en meer bevolkt raakten met bewoners die niet meer volledig ten laste vielen van de C.O.O., maar in de mogelijkheid waren de relatief hoge verblijfskosten geheel of gedeeltelijk zelf te betalen. Daarbij begaf de C.O.O. zich op nieuwe wegen met initiatieven die ook slechts gedeeltelijk en soms zelfs marginaal voor echte behoeftigen waren bestemd: dienstencentra, ontmoetingslokalen voor bejaarden, aan huis bestellen van maaltijden, enz.

De verschuivingen in de activiteiten van de C.O.O. gepaard met evoluties in de maatschappelijke gedragpatronen, maakten dat aan de wet van 10 maart 1925 niet een zo lang leven was beschoren als aan de voorgaande. Op 8 juli 1976 werd een nieuwe wet van kracht die de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn in de plaats stelde van de Commissies van Openbare Onderstand.

Het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

Eigenlijk waren er stemmen opgegaan om de C.O.O. zo grondig te wijzigen dat ze onherkenbaar werd. Hier en daar werd zelfs gepleit voor de complete afschaffing van een instelling die volgens sommigen niet meer aan de gewijzigde tijdsomstandigheden was aangepast.

Uitgaande van een optimistische visie op de welvaartmaatschappij dacht men in sommige kringen dat armoede en behoeftigheid weldra definitief overwonnen zouden zijn en wanneer zich toch nog hier of daar problemen zouden voordoen, de overheid gul en probleemloos zou kunnen ter hulp snellen. Dit kon dan het best gebeuren door de diensten van de Sociale Zekerheid of door een gemeentelijk sociaal bureau. Hiermee werd dan het "ouderwetse" en "paternalistische" systeem van de Openbare Onderstand opgedoekt.

De feiten toonden helaas na weinige jaren dat dergelijke zienswijzen al te optimistisch waren en dat een aanhoudende economische crisis de onmacht bewees om de armoede volledig uit te roeien. Gelukkig had men de C.O.O. niet afgeschaft.

De wet van 1976 betekende evenwel voor deze instelling méér dan alleen maar een naamverandering. Vooreerst werd de politieke wil duidelijk. De "Liefdadigheid" had afgedaan, men sprak nu van "het individueel recht op een bestaansminimum en op een maatschappelijke dienstverlening".

Het O.C.M.W. heeft voortaan geen appreciatierecht meer om zelf te oordelen of aan iemand al dan niet hulp zal worden verleend, maar moet op basis van de wet van 7 augustus 1974 instaan voor het verstrekken van een wettelijk bepaald bestaansminimum.

Het moet daarbij ook instaan voor het bevredigen van alle immateriële behoeften die zich onder de bevolking kunnen voordoen. Het O.C.M.W. moet, zoals de wet het voorschrijft "lenigend, curatief en preventief" hulp bieden. De dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

Dit lijkt voorwaar een bijzonder breed en bijna allesomvattend programma, dat van het O.C.M.W. de "ombudsman" van de hulpbehoevende burger maakt.

Tien jaar na het in werking treden van het O.C.M.W. blijft nog een grote weg af te leggen om de genereuze ideeën van de wetgever tot volledige werkelijkheid te maken.

Andries Van den Abeele

(Gepubliceerd in Tentoonstellingscatalogus "Van Sint-Jansgasthuis tot Riethove", Oudenburg, 1986).

www.andriesvandenabeele.net