Hendrik Pulinx

en de faiencefabriek aan het Minnewater in Brugge

(1750-1818)

Hendrik Pulinx (1698-1781) en zijn faiencefabriek hebben al heel wat belangstelling genoten vanwege de historici[1] en de productie ervan vanwege de kunsthistorici[2].

We hopen met deze bijdrage enkele bijkomende lichten te werpen op de geschiedenis van het faiencebedrijf en van zijn opeenvolgende uitbaters: Pulinx (1750-1763), De Brauwer (1764-1802), Lambert (1803-1817) en De Craene (1817-1818). Daarbij zullen we de juiste ligging van de fabriek met meer precisie aanwijzen.

Hendrik Pulinx en compagnie

De aanvangsdatum van de faiencefabriek is voldoende bekend. Op 26 juni 1750 verkreeg Pulinx een eerste octrooi vanwege de keizerlijke administratie voor de oprichting van zijn fabriek en op 4 september 1750 stemde het stadsbestuur er in toe hem stadsgebouwen en –gronden, gelegen nabij het Minnewater, gratis ter beschikking te stellen[3]. Het is ook genoeg bekend dat het bedrijf zich niet probleemloos ontwikkelde en de onderneming voor Pulinx familiaal en financieel op een fiasco uitmondde.

Hierna volgen enkele nog niet eerder gepubliceerde gegevens over de onderneming tijdens de periode 1750-1754 (éénmanszaak Pulinx), 1754-1759 (vennootschap Pulinx, Pulinx junior en Jean Chauvet) en 1759-1763 (vennootschap Pulinx senior, Pulinx junior en Alexander Emmery).

De fabriek maakte gebruik van twee stadsgebouwen en richtte op stadsgrond verschillende bijkomende gebouwen op, die voor de faiencefabriek nodig waren. Hendrik Pulinx beperkte zich evenwel niet tot het in gebruik nemen van een stadseigendom. Hij wilde dicht bij de fabriek wonen en hiervoor verwierf hij een eigen huis.

Op 16 maart 1751 werd hij eigenaar van “een huis aan den voet van het Fonteinbrugsken, commende jegens het huis en den heester genaemd den Appelboom, nieuw gebouwd op een weinig erve die afgesepareert is van den Appelboom[4]”. Negen jaar later, op 5 december 1760, kocht hij in openbare verkoop het huis Den Appelboom, met de erbij horende tuin. Beide huizen verbouwde hij tot één woning[5].

Tijdens de periode 1751-1761 schijnen de zaken goed te zijn gegaan, althans geen abnormaal zware tegenslagen te hebben gekend, die het bestaan ervan in gevaar zouden hebben gebracht. Indien Pulinx of de vennootschap financiële moeilijkheden zouden hebben gehad, zou dit tot uiting zijn gekomen door inschrijvingen van hypotheken of door procedures van bewarend beslag op de eigendommen. De onderneming bleek integendeel gezond te zijn. Slechts één proces werd tegen de vennootschap gevoerd. Het waren Willem Archdeacon en Louis de Peellaert die op 26 maart 1755 beslag lieten leggen op de privé-woning. Hierbij traden ze op namens de Camer van Assurantie en de Fabrieke van zeildoek. Waarover het geschil liep en welk bedrag ermee gemoeid was, werd niet vermeld. Er volgde een lange procedure die op 13 juni 1758 op een eerste overeenkomst uitmondde, om op 19 december 1760 met een definitieve transactie te worden afgesloten[6].

Het is bekend dat vanaf april 1754 de fabriek in een vennootschap werd ingebracht. Pulinx en Compagnie bestond uit Hendruk Pulinx, zijn zoon Hendrik Pulinx junior en de Gentenaar Jean Chauvet. Deze laatste werd in 1759 vervangen door Alexander Emmery, schoonzoon van Pulinx senior.

Einde 1760, begin 1761 vielen twee belangrijke wijzigingen te noteren. De vennootschap (of Pulinx) verkreeg van de Provinciale Staten een lening van 6.000 gulden, waarvoor tot zekerheid een hypotheek werd gevestigd op de privé-eigendom (o.m. op de pas aangekochte Appelboom) en op de fabriek. Een paar weken later werd één derde van de eigendom op naam van Hendrik Pulinx junior overgeschreven en één derde op naam van Alexander Emmery. Dit gebeurde hoogstwaarschijnlijk in het kader van de erfenisverdeling, aangezien de echtgenote Pulinx op 30 augustus 1760 was overleden[7]. Tot op dat ogenblik had de associatie zich beperkt tot de uitbating van de fabriek. In 1761 werden de jonge vennoten dus ook mede-eigenaars van de gebouwen, voor een gelijk deel als Pulinx zelf.

In het jaar 1763 kende de onderneming moeilijkheden. In het kadasterregister is dit merkbaar door het feit dat op 2 maart 1763 procureur Pieter Wallop beslag legde op de fabriek en het woonhuis wegens wanbetaling van 1200 gulden[8].

De vennoten waren toen al in onderhandeling met De Brauwer, met wie in januari 1763 een principieel akkoord van overname was bereikt. De overdrachtakte werd echter pas op 31 december 1763 ondertekend en het vervolg zal aantonen dat De Brauwer eerst onderhandelingen met de Staten van Vlaanderen had gevoerd en een nieuwe lening had bedongen, vooraleer scheep te gaan[9].

Hiermee was de associatie Pulinx, Pulinx en Emmery beëindigd en gingen de partners in onmin uit elkaar.

Pulinx senior versus Pulinx junior

De ruzies die ontstonden tussen Hendrik Pulinx senior en Hendrik Pulinx junior (1724-1787), evenals het geschil tussen Pulinx senior en de opvolger Pieter De Brauwer, hebben bij de biografen van de onfortuinlijke kunstenaar heel wat belangstelling genoten.

De elementen die over deze ruzies bekend zijn, komen met uitzondering van één brief van Pulinx junior, voort uit geschriften van vader Pulinx en geven alleen zijn versie weer[10]. Hieruit moet men onvermijdelijk besluiten dat hij een eerlijk maar naïef man was en dat zowel zijn zoon als Pieter De Brauwer oneerlijk handelden.

Marcelle Selschotter sympathiseerde met Pulinx senior[11], en Piet Lenders koos met passie voor hem partij[12], meteen de zoon met alle zonden van Israël beladend. De versie van de feiten die Pulinx junior in zijn schrijven aan het centraal bestuur ontwikkelde, kon deze en andere auteurs niet overtuigen.

Is het mogelijk – voor zover het nog relevant is – twee eeuwen later vader en zoon Pulinx voor de vierschaar van de geschiedenis te dagen en na te gaan of de beschuldigingen van de vader wel gegrond waren?

Wie onvoorwaardelijk geloof hecht aan de verklaringen van de vader, houdt alvast geen rekening met de objectieve elementen die voor de zoon pleiten: het feit dat het stedelijk gezag voor hem partij koos tegen zijn vader, nochtans directeur van de openbare werken van de stad en het initiatief nam de oplage in beslag te nemen en te vernietigen van het Demonstratyf Bewijs dat Pulinx tegen zijn zoon had gepubliceerd; het feit dat de centrale overheid toestemde in de collocatie van de vader; het feit dat dezelfde overheid Pulinx in zijn klacht tegen De Brauwer ongelijk gaf; het feit dat notaris Charles Donny de beschuldigingen van oneerlijke praktijken, door Pulinx senior geuit, van de hand wees; het feit dat de eigen zaakgelastigde van Pulinx, K. Gyselen, zijn opdrachtgever desavoueerde[13]; het feit dat burgemeester Robert Coppieters bij de dood van Pulinx senior in 1787 schreef “C’est une grande perte pour la province et moi en mon particulier je le regrette beaucoup pour ses talents et pour ses moeurs, étant un parfait, un honnête homme, qu’on ne pourra jamais remplacer[14]”. Een warme hulde zoals men er in het dagboek van Coppieters maar weinig vindt.

Er moet daarbij ook worden aan herinnerd dat Pulinx junior in zijn brief gericht aan de overheid meedeelde dat hij zijn berooide vader niet in de steek liet en hem een jaargeld van 120 gulden verzekerde[15].

Eén van de voornaamste beschuldigingen van Pulinx was dat zijn zoon samen met schoonzoon Emmery de koopsom bij de transactie met De Brauwer had opgestreken, zonder zich te bekommeren om schulden die hij, Pulinx, op persoonlijke naam maar ten behoeve van de genootschap had aangegaan. Welnu, deze beschuldiging strookte niet met de werkelijkheid, althans niet voor verschillende onderdelen van het bedrijfspassief.

Een eerste bewijs hiervan vinden we in de “secrete resoluties” van de stad. Toen aan Pulinx in 1753 – de fabriek werd toen nog door hem alleen uitgebaat – een lening van 500 ponden (meer dan 3.500 gulden) werd toegestaan door de Berg van Charitate, stelden Pulinx junior en Alexander Emmery zich hiervoor borg. Dat was dus precies het omgekeerde van wat Pulinx later verweet[16].

We kunnen hierbij ook de inlichtingen voegen die in de registers van de sestendelen te vinden zijn. Een eerste element dat hierin de beschuldiging van vader Pulinx ontkracht is de vaststelling dat onmiddellijk na de verkoop aan De Brauwer, de 1200 aan procureur Pieter Wallop nog verschuldigde gulden door Pulinx junior werden betaald, hoewel de lening destijds door vader en zoon samen was aangegaan[17].

Vervolgens kan men vaststellen dat Pulinx junior en Emmery leningen ten gunste van de firma hadden aangegaan, wellicht gezamenlijk met de vader. Wanneer deze insolvent was geworden en ook Emmery zijn verplichtingen niet meer nakwam, stond Pulinx junior er alleen voor om aan de schuldeisers het hoofd te bieden. Hij werd dan ook verplicht zijn schoonbroer gerechtelijk te vervolgen en beslag op zijn eigendommen te doen leggen, teneinde terugbetaling te bekomen van zijn aandeel in de 1.300 ponden (meer dan 9.000 gulden) die aan verschillende crediteuren verschuldigd waren. Met veel moeite en pas na heel wat jaren, lijkt hij een overeenkomst te hebben bereikt[18].

De opvolging vanaf 1764

Het was dus op 31 december 1763 dat de drie vennoten van de faiencefabriek Pulinx de volledige eigendom vervreemden. De privé-eigendom, de fabrieksgebouwen op stadsgrond en het handelsfonds kwamen in handen van een nieuwe eigenaar, genaamd De Brauwer. Wie was die “moeilijk thuis te wijzen[19]” Pieter De Brauwer?

In een genealogische studie over de familie De Brouwer werd hij vereenzelvigd met Pieter Jacobus de Brouwer (Oostende 30 april 1743 – Brugge 3 april 1817), het zevende kind van de bekende zeeman en handelaar Willem de Brouwer (1693-1767). Pieter de Brouwer was een jongere broer van de in de Brugse geschiedenis beter bekende Denis de Brouwer (1729-1799)[20].

Hierbij zijn de auteurs onvoldoende kritisch geweest. Immers, bij de onderhandse overeenkomst tot overname van de fabriek in januari 1763 was Pieter Jacobus de Brouwer 19 jaar, wat hem als partner nogal onwaarschijnlijk maakt. In 1764, 21 jaar geworden, werd hij lid van de Sint-Sebastiaangilde, het jaar daarop van de Vrije Archiers in Sint-Kruis en in 1769 van de Sint-Jorisgilde. Douxchamps en Yves de Brouwer vermeldden hem als uitgeweken naar Cadix waar hij drie jaar handel dreef en huwde met de Française Madelaine de Maisonneuve. Dit kan best in de jaren 1766-68 geweest zijn. In 1764 en 1765 werd hij immers alléén lid van de schuttersgilden, terwijl in 1769 zijn jonge echtgenote samen met hem lid werd van de Sint-Jorisgilde en ook nog bijvoeglijk lid werd van de Sint-Sebastiaangilde. Men mag dus veronderstellen dat het echtpaar in 1769 in Brugge woonde, alhoewel het in Oostende was dat de Brouwer op 25 september 1770 onder curatele werd geplaatst wegens overdreven schulden. Het echtpaar kan natuurlijk, wellicht om schulden te ontlopen, in 1769 of 1770 naar Oostende verhuisd zijn.

Hoe dan ook, in Oostende onder curatele geplaatst, zou hij niet in Brugge ongestoord de faiencefabriek hebben kunnen verder uitbaten. De brieven die de uitbater van de fabriek op 22 juli 1770 naar gevolmachtigd minister A. von Stahremberg en op 27 september 1770 naar burgemeester de la Coste stuurde, zijn evenmin te begrijpen als ze uitgingen van iemand die in zware financiële moeilijkheden verkeerde en die, wat de tweede brief betreft, pas twee dagen voordien onder curatele was geplaatst[21].

Pieter Jacob de Brouwer overleed in Brugge in 1817, weduwnaar en zonder nakomelingen. Hij woonde in de Ezelstraat, ten huize bakker Pickery, waar einde mei de openbare verkoop plaats vond van zijn meubelen, klederen, linnen en juwelen[22].

Exit dus Pieter Jacob de Brouwer als mogelijke opvolger van Hendrik Pulinx. Volgende tijd- en naamgenoot is de ware.

Pieter Jan De Brauwer en de faiencefabriek De Brauwer (1764-1802)

Op 16 Brumaire An XI (25 november 1802) overleed in Brugge in de Sulferbergstraat, Pieter Jan De Brauwer. hij was op 8 maart 1731 in Gent geboren en in de Sint-Niklaaskerk gedoopt, als zoon van Pieter De Brauwer en Maria Van Branteghem en hij was weduwnaar van Thérèse Plasschaert. Zijn overlijden werd gemeld door zijn vriend Jacques De Sutter en door zijn dochter Marie De Brauwer, die gehuwd was met landbouwer (of tuinbouwer) Plasschaert. Als beroep van de overledene werd opgegeven: fabrikant[23]. Het ging om de man die op het adres Arsenaalstraat C10-23 “aan het sas binnenwater” woonde en er een “fabrique van gleyers” uitbaatte[24].

Ook al stierf De Brauwer niet in de woning Arsenaalstraat maar in de vlakbij gelegen Sulferbergstraat (een foute notering vanwege de bediende van de burgerlijke stand is niet uit te sluiten), er kan geen twijfel over bestaan dat hij het wel degelijk was die in 1763 de faiencefabriek van Pulinx overnam.

Niet alleen kloppen de biografische gegevens veel beter – De Brauwer was 32 op het ogenblik van de overname en volgens zijn eigen mededeling stond hij vanaf zijn 24ste in het zakenleven – maar er was ook een rechtstreeks bewijs. De Brauwer maakte namelijk zelf in zijn briefwisseling met de Staten van Vlaanderen melding van de naam van zijn ouders, Pieter De Brauwer en Marie Jeanne Van Branteghem[25].

Pieter De Brauwer woonde al in 1755 in Brugge, waar hij lid werd van de Sint-Jorisgilde. In juni 1756 huwde hij met Marie Thérèse Plasschaert (Brugge 2 juli 1732 – 24 maart 1766). De twee getuigen bij dit huwelijk wijzen op de relaties die het echtpaar in de betere kringen onderhield. Het waren jonkheer François du Dois “vice-comite de Loon” en Joseph Van Praet, waarschijnlijk de lakenhandelaar, of zoniet zijn zoon Joseph Ignace, de drukker. Het gezin ging op de Sint-Annaparochie wonen en, ondanks zijn jeugdige leeftijd, werd Pieter Jan De Brauwer er kerkmeester, wat eveneens op een behoorlijke status wijst[26].

Op 20 juli 1759 werd hun zoon Pieter Martinus gedoopt en op 16 augustus 1761 hun dochter Maria Theresia. Peter van de zoon was Martinus De Brauwer, die niet aanwezig was. Hij was zeer waarschijnlijk de Gentse zakenman die één van de geldschieters was van de Oostendse houtzagerijvennootschap en waarschijnlijk een broer van Pieter Jan De Brauwer[27]. Als peter voor de dochter trad Pater Petrus Augustinus De Hulster op. De meters waren telkens van de familie Plasschaert.

We hebben dus zekerheid over de identiteit van de faiencefabrikant. Hij was Pieter Jan De Brauwer (1731-1802), afkomstig uit Gent, zonder enige verwantschap met de Oostends-Brugse familie de Brouwer. In het licht van deze gegevens kunnen de met mekaar verwarde biografieën van Pieter Jacob de Brouwer en Pieter Jan De Brauwer uit elkaar gehaald en beter begrijpelijk worden.

Piet Lenders heeft de geschiedenis van de faiencefabriek over de periode 1764-1781 in detail bestudeerd. Hij baseerde zich hiervoor op de documenten die hij in de archieven aantrof van de Staten van Vlaanderen en van de Raad van Financiën. We voegen hier thans nog een Brugse belichting aan toe, op basis van de gegevens die we aantroffen in de registers van de sestendelen en in andere archivalia.

Pas was De Brauwer eigenaar geworden, of heel wat wijzigingen traden in. Hendrik Pulinx junior regelde de schuld bij Pieter Wallop wat toeliet op 9 januari 1764 de beslaglegging van het vorig jaar in te trekken[28]. Twee dagen later was de onderhandeling met de Staten van Vlaanderen rond, mocht Pieter De Brauwer verder beschikken over de 6000 gulden die aan Pulinx waren toegestaan en ontving hij nog een bijkomende lening voor hetzelfde bedrag. Ter garantie werd een nieuwe hypotheek gevestigd op woonhuis en fabriek[29].

Wat wel verrassend was en tot hiertoe niet werd opgemerkt, was dat op dezelfde 1 januari 1764, vijfentwintig procent van de eigendom opnieuw werd overgenomen (“aen hem geretrocedeert” zegt de tekst) door Alexander Emmery[30].

Alexander Emmery (1726-1799)

Het wordt tijd het zoeklicht op Alexander Emmery te richten. Hij was een zoon uit het zeer kroostrijk gezin van procureur en klerk van de vierschaar Rochus Emmery en Marianne Roels en was in 1751 gehuwd met Johanna Pulinx, de dochter van Hendrik Pulinx senior[31]. Het echtpaar had minstens twaalf kinderen.

Emmery was “meester crudenier”, een beroep dat heel wat handelsactiviteiten kon behelzen. In 1758 werd hij voor het eerst lid van de “eed” van zijn nering, functie die hij ook vervulde in 1764, 1767 en 1770. In 1766 werd hij zelfs stadhouder, maar tot deken bracht hij het niet[32].

Hij was eigenaar van een niet onbelangrijke onroerend patrimonium, in hoofdzaak bestaande uit drie eigendommen in de Steenstraat: De ongepluimde vogel (met een uitgang aan Sint-Salvatorkerkhof), De drie Mooren en Het groot Calis[33]. Verder bezat hij een huis in het Oost-Gistelhof en één in de Palmstraat, vier huisjes in de Klokstraat, het huis Ten Gimberen met erbij horende brouwerij gelegen “an de cleene Eekhoutbrugghe”, een huisje in Oostkerke en een aandeel van tweederden in een biervoerdersofficie.

Toen de vennootschap Pulinx en Compagnie op 31 december 1763 verkocht werd, was Emmery eigenaar van de 33 procent van het vastgoed en enigszins verrassend bleek hij veertien dagen later voor 25 procent eigenaar te zijn gebleven. Men zou op het eerste zicht een combine tussen De Brauwer en Emmery kunnen vermoeden, maar de gegevens die we terugvinden in het bundel “becommerde boedel Emmery” tonen aan dat het met het medeweten was van vader en zoon Pulinx dat hij eigenaar bleef. De Brauwer kocht dus geen honderd maar slechts vijfenzeventig procent van de vennootschap aan en Emmery bleef zijn vennoot.

We kunnen hierbij vaststellen dat Pulinx senior opnieuw enigszins de waarheid geweld aandeed door zijn verklaring dat De Brauwer alles had gekocht “pour une somme très modique”. Voor 24.000 gulden kocht De Brauwer immers maar de drievierden en nam ook nog in dezelfde proportie de schulden over tegenover de Staten van Vlaanderen, hetzij 4.500 gulden. Deze 28.500 gulden als aankoopprijs voor de drievierden van de eigendom lagen in de lijn van de 12.332 gulden die Jean Chauvet in 1759 had bekomen voor de verkoop van zijn drieëndertig procent. Daarbij keerde De Brauwer nog jaarlijks 425 gulden dividend uit aan zijn mede-eigenaar en stille vennoot Emmery.

Alexander Emmery verkeerde bestendig in financiële moeilijkheden en bezorgde daardoor aan de faiencefabriek heel wat moeilijkheden. Op zijn aandeel in de eigendom werd achtereenvolgens beslag gelegd door Joseph van Outryve aan wie hij 150 ponden verschuldigd was (op 27 februari 1765), door Joseph Emmery en Joseph De Praeter voor een niet nader genoemd bedrag (op 5 maart 1765), door Hendrik Pulinx junior wegens de gemeenschappelijk door hen aangegane leningen voor totaal 700 ponden bij Joseph van Outryve, Boudewijn Boone en schepen Pruyssenaere en voor totaal 600 ponden bij de dames Isabelle Faignaert en Johanna Van Daele (op 11 april 1765) en door de vroegere medewerker Jean Chauvet die 1821 ponden van Emmery opeiste (op 10 juli 1765). Weliswaar kon Emmery zich op 16 maart van het eerst vermelde beslag bevrijden, maar andere raakte hij pas in 1768 of zelfs helemaal niet meer kwijt. Samen met Pulinx junior bereikte hij op 12 juni 1767 een akkoord met hun gemeenschappelijke schuldeisers, die toelieten dat de solidaire schuld werd omgezet in hoofdelijke schulden, elk voor de helft. Het vervolg zal aantonen dat Emmery er nimmer toe kwam zijn deel af te korten.

De problemen minderden niet en weldra werden nieuwe procedures ingespannen. Eerst werd beslag gelegd door Rosa De Praeter, erfgename van Joseph De Praeter over een bedrag van 300 ponden (op 1 augustus 1768) en vervolgens door Marie van der Plancke die nog 1.000 gulden van Emmery moest krijgen (op 10 november 1770)[34].

Het echtpaar Emmery-Pulinx had tegen die tijd het wanhopige van zijn toestand ingezien en bij de Grote Raad van Mechelen een verzoek ingediend tot faling op bekentenis met vrijwillige boedelafstand. Ze bekwamen inderdaad brieven van “cessie miserabele” en op 27 november 1770 werden hun crediteuren bijeengeroepen. Meer dan zestig schuldeisers lieten zich in het faillissement inschrijven, waaronder een aantal openbare besturen die achterstallige taksen en belastingen opeisten. Natuurlijk kwamen ook de jarenlange schuldeisers opdagen, die tevergeefs beslag hadden gelegd op de eigendommen van het echtpaar. Het bewaarde verslag over het faillissement dateert van 21 juli 1772 en geeft een interim-toestand, geen definitieve afrekening. Men kan dus niet nagaan hoeveel het uiteindelijk deficit bedroeg.

Enerzijds figureerden bij de activa de verschillende eigendommen (zonder waardeaanduiding, hoewel de meeste al verkocht waren[35]), anderzijds bracht de verkoop van de roerende goederen 1.075 ponden op. Het ging hoofdzakelijk om de winkelgoederen, die men gedurende tien opeenvolgende dagen verkocht. De commerciële vorderingen en het aandeel van Emmery in de faiencefabriek bedroegen 1.792 ponden. Samen maakte dit 2.867 ponden of nagenoeg 20.000 gulden.

Op het passief kwamen talrijke grote schuldvorderingen voor. Zo eiste de stad Brugge 2.500 gulden achterstallige taksen en moest Jean Chauvet, de vroegere vennoot van de faiencefabriek nog meer dan 15.000 gulden krijgen. Dit betekent dat hij na 1759 nooit betaling kreeg van zijn door Emmery voor 12.332 gulden overgenomen aandelen en dat hij niet eens de intresten op die uitstaande schuld had kunnen loskrijgen.

Men mag dan ook besluiten dat het passief niet alleen ruimschoots het actief overtrof, maar er wellicht een veelvoud van was, zodat Emmery en opzienbarende en belangrijke kracht veroorzaakte. Zijn droevige toestand werpt een bijkomend licht op de onontwarbare problemen waar de families Pulinx en Emmery mee worstelden en toont aan dat vader Pulinx niet de enige was die in de Brugse handelsmiddens in opspraak kwam.

Emmery bleef na het faillissement in Brugge wonen, blijkbaar als huurder in één van zijn vroegere eigendommen, en was er in 1781 bij om de povere nalatenschap van zijn schoonvader Pulinx te gelde te maken[36]. Het is waarschijnlijk dat hij stilaan weer enige activiteit kon op gang brengen. Na 1770 was over hem niets meer te bespeuren in de resolutieboeken van de nering van "crudeniers" maar in 1787 dook hij plots weer op. Hij ondertekende samen met de andere leden van de nering een verbintenis tegenover de zwaardekens van de stad om, in geval van troebelen, de orde mee te helpen handhaven. Hij ondertekende als “Alexander Emmery d’Oude” samen met zijn zoon “Alexander Emmery de Jonge”, zodat er geen twijfel over bestaat dat het wel de vroegere gefailleerde was die terug boven water kwam[37]. Emmery junior was op dat ogenblik trouwens niet in Brugge, en het was zijn broer Charles die in zijn naam ondertekende. Alexander Emmery junior had in 1786 de stad verlaten en had zich als buitenpoorter laten inschrijven, met domicilie bij zijn tante Marie Anne Emmery[38].

Zij was deze familiedienst wel verschuldigd, want enkele dagen voor het faillissement had vader Emmery op naam van zijn ongehuwde zusters een gunstig huurcontract voor achttien jaar laten registreren op het huis dat hij aan de kleine Eekhoutebrug bezat en dat door hen bewoond werd. Deze “zet” werd naderhand door de curator en door de schuldeisers tevergeefs aangevochten. Zoon Emmery ging zich in Sluis vestigen en liet zich in 1790, met de nodige vrijstellingen die hij van de Brugse nering verkreeg, aldaar als kruidenier aanvaarden. Dit was niet het laatste wat men van hem hoorde. In de Franse tijd sloot hij zich bij de revolutionairen aan en bij de samenstelling van de eerste nieuwe rechtbank voor het arrondissement Eeklo die in 1795 in Sas van Gent zetelde werd hij tot rechter benoemd. Men vermeldde dat hij “uit Brugge gevlucht was en in Sluis een gaarkeuken en een kroeg exploiteerde[39]”.

Keren we terug naar Brugge en naar 1788. Het faillissement van achttien jaar geleden was blijkbaar uit de herinneringen verdwenen en Alexander Emmery “d’oude” werd opnieuw lid van de Eed van de kruideniers, waarbij hij als “suikerbakker” werd genoteerd. Bij zijn winkel had hij een gelagzaal, waar soms vertoningen werden gehouden, zoals de première in Brugge op 21 juni 1789 van een “Genuees schaduwspel[40]”.

Op 26 december 1799 (6 Nivose An VII) overleed Alexander Emmery in de ouderdom van 73 jaar. Hij woonde nog altijd in het gedeelte van de Steenstraat (het deel thans gelegen tussen Simon-Stevinplein en kathedraal) dat Ongepluimde-Vogelstraat werd genoemd. Op de overlijdensaangifte werd hij als “confiseur” vermeld.

De Brauwer (1771-1781)

Had de curator in 1772 de eigendommen uit het faillissement Emmery nog niet verkocht, dan was hierop evenwel één uitzondering: het aandeel in de faiencefabriek. Het was duidelijk in het belang van de curator en van de schuldeisers om geen vennoten te blijven in een risicodragende onderneming. Vandaar dat al heel vlug, op 15 mei 1771 een compromis werd bereikt tussen de curator en de voor de hand liggende koper, Pieter Jan De Brauwer. Voor een bedrag van 4.000 gulden en mits overname van de schuld van 1.750 gulden ten overstaan van de Staten van Vlaanderen, werd hij eigenaar van het hem nog ontbrekende vierde deel van de totale eigendom.

Op 22 oktober 1771 liet De Brauwer de overschrijving in het kadaster op zijn naam doen en deed hij tevens de beslagleggingen schrappen die hij op naam van de gefailleerde Emmery in de voorbije jaren had laten inschrijven. Weliswaar had hij op het ogenblik van het interim-rapport van de curator, op 21 juli 1772, de koopsom nog niet voldaan, maar deze twijfelde niet aan de goede afloop. Over de ganse periode 1764-1772 was tegen De Brauwer, in schril kontrast met Emmery, geen enkele actie ingespannen. Dit zou ook in de volgende jaren zo blijven en dit tot in 1780.

Toen begon het verkeerd te lopen. Eerst was het Marie Françoise van Outryve die een arrest tegen hem bekwam wegens een onbetaalde wisselbrief (6 augustus 1780). Ernstiger werd het toen de Staten van Vlaanderen op 2 juni 1781 naleving eisten van het afbetalingsplan voor de in 1764 geleende 12.000 gulden, waarop De Brauwer nog 8.000 gulden verschuldigd bleef[41].

Daarop volgden nog verschillende procedures. Eerst waren het Cornelis en Nicolaas Hertog uit Rotterdam die een arrest bekwamen wegens het niet terugbetalen van 3.700 Hollandse gulden en 360 pond sterling. Vervolgens traden Jan de Net en Pieter van Outryve tegen de Brauwer op (25 augustus 1781). Dit leek wel het einde te zullen zijn van de faiencefabriek. Volgens berichten die de Raad van Financiën op 31 december 1781 bereikten, was De Brauwer failliet. Dit was dan het laatste wat men over hem en zijn fabriek vernam, zo schreef Piet Lenders[42].

De Brauwer (1781-1802)

We weten ondertussen dat dit niet juist is, want De Brauwer stierf als faiencefabrikant in 1802, na veertig jaar uitbating. Hij moet er in geslaagd zijn de schuldeisers van 1781 voldoening te geven, want geen van hen was nog crediteur op het ogenblik van de successie.

Dit wil niet zeggen dat de toestand er veel was op verbeterd, want bij het overlijden van De Brauwer, verzaakte zijn dochter aan de nalatenschap. Marie Plasschaert – De Brauwer stond er waarschijnlijk zelf ook niet beter voor, want al in 1790 had de directeur van de provinciale rechten ten provisionele titel oppositie betekend op het mogelijk van haar vader te verwachten erfdeel, omdat zij de aanzienlijke som van 43.133 gulden verschuldigd was[43].

De schuldeisers van Pieter De Brauwer, onder wie P. J. Leemans, P. Depotter, P. Descamps, weduwe Quique en het huis Malstal, stelden griffier Johannes Donny tot syndicus aan. Hij kreeg de moeilijke opdracht de verwezenlijkbare eigendommen – nog steeds het privé-huis en de fabriek – zo goed mogelijk te verkopen.

Hij was er zich evenwel van bewust dat een gedeelte van wat hij te koop aanbood, weinig waarde had. De fabriek stond immers op stadsgrond en indien de stad niet bereid werd gevonden de beschikking over het terrein verder toe te zeggen, was van de verkoop van de fabriek geen sprake meer. Hij ging hierover onderhandelen en op 25 Vendemiaire An XII (2 september 1803) bekwam hij van de stad een bijkomende erfpacht, zodat hij als één geheel kon te koop aanbieden: het huis van de directeur, de fabrieksgebouwen en de door de stad in huur gegeven gebouwen en terreinen. Wie het geheel aankocht, kon zonder probleem de faiencefabriek verder zetten. Op basis hiervan vond Donny dan ook een koper en op 1 Nivose An XII (23 december 1803) kon hij met goedkeuring van de beslagrechter de akte verlijden. De prijs bedroeg amper 1.350 gulden[44].

Dit was het einde van de periode De Brauwer. De moeilijke financiële toestand over de periode 1780 tot aan het overlijden van de eigenaar zal zeker niet bevorderlijk zijn gewest voor de productie en de handel, hoewel we hierover bij gebrek aan concrete gegevens geen besluit in een of andere zin kunnen formuleren.

De faiencefabriek Lambert (1803-1817)

Koper van de eigendom was apotheker Ignatius Roels. Deze aankoop was duidelijk als belegging bedoeld en er moesten uitbaters worden gevonden.

Na het overlijden van Pieter Jan De Brauwer – of wellicht nog tijdens zijn leven – had een al wat oudere en ongehuwde dame, Jeanne Mermans, haar intrek genomen in de Appelboom. Geboren in Brugge in 1747, was ze de dochter van Louis Mermans en Marie Dhondt. Ze bleef met de faiencefabriek verbonden tot aan haar overlijden op 22 januari 1814[45]. Einde 1803 kwam een vijftigjarige vrijgezel haar in de Appelboom vervoegen[46]. Het ging om Jean Baptiste Lambert, in Brugge geboren op 6 juli 1754, als zoon van de pruikenmaker Jean Baptiste Lambert en Marie Josèphe Lepere. Hij werd boven de doopvont gehouden door een adellijke peter en meter: Herman van Leeuwen en Anna Johanna de Cabilliau de Triponsaux. Hij was de schoonbroer van Ignatius Roels, die met één van zijn zusters gehuwd was.

Over de uitbating is ons voorlopig weinig bekend. Het feit dat Mermans in het huis bleef wonen en dat Lambert er zijn intrek nam is op zich geen bewijs dat ze de faiencefabriek verder zetten. Beiden werden immers in het bevolkingsregister genoteerd als “particulier”. We beschikken evenwel over andere bewijzen die aantonen dat ze de zaak wel degelijk verder zetten.

In het “Registre des patentables” voor het jaar 1809 stond Jean Lambert onder het nummer 415 ingeschreven als “revendeur de fayence”, in 1810 onder het nummer 425 met hetzelfde beroep en in 1811 onder het nummer 426 als “marchand de fayence”. Een grote zaak was het niet, als men de bescheiden patentbelasting als maatstaf neemt: 19,35 fr, 19,20 fr en 38,50 fr over de drie vermelde jaren[47].

We leren nog iets meer over het bedrijf, dankzij een advertentie die op 24 april 1807 in De Brugsche Gazette verscheen en als volgt luidde: “Niettegenstaande sommige uytstroyen dat de Gleyersche fabrieke binnen de stad van Brugge in geene werkzaamheyd meer en is, is oorzaeke waerom de geassocieerde d’eer hebben te laeten weten dat de zelve meer als ooyt voorzien is van alles hetgene de zelve aengaet, benevens een aldergrootste assortiment van witte en geschilderde tegelkens. De brieven dienaengaende te adresseeren aan J. Lambert, Directeur der zelve, C10-23 bij het Begynhof”.

Hieruit maken we op dat er minstens twee vennoten waren (Jean Lambert? Jeanne Mermans? wellicht apotheker Roels?) dat er aanleiding was om het gerucht te doen ontstaan dat het bedrijf was stil gevallen, maar dat de directie beklemtoonde dat de zaak “meer als ooyt” actief was.

Welke activiteit?

De faiencehandel werd dus alvast verder gezet. Werd ook nog geproduceerd? De vermelding in de patentregisters van het beroep “revendeur” en “marchand” geeft een aanduiding dat het eerder om handel ging. Men moet de beroepsaanduiding in deze registers evenwel niet altijd op de letter nemen. De advertentie sprak van de “gleyersche fabrieke”, wat dan weer op een productieactiviteit wees.

Anderzijds stellen we vast dat in 1814 nog een volledig industrieel complex aanwezig was. Drie maanden na de dood van Jeanne Mermans werd de ganse eigendom te koop aangeboden. De advertentie hiervoor verdient in extenso te worden meegedeeld: “Fabricque van Gleyerswerk binnen Brugge te koopen. Uit ter hand te koopen: een schoone Fabrieke van Gleyerswerk, staende binnen de stad Brugge by het Minnewater, met Gleyers(h)oven, calcineer(h)oven, twee peerdemolens, draeybanken, vorms en menigvuldige andere ustenciliën. Benevens het huis van den Directeur daer van gesepareert, voorzien van differente boven- en benedenkamers, keuken en groot magazyn, schoonen hof en voordere gerieflijkheden, alle ingredienten, het cru, biscuit en goederen in het magazyn zullen ook aen den kooper op voordelige condities overgelaten worden, om seffens in gebruike te nemen[48]”.

Deze beschrijving beantwoordde bijna woordelijk aan de inventaris van wat Pulinx in 1754 als activa had ingebracht in de toen nieuwe vennootschap: “fabrique, bakovens, calcineovens, fraayereyen, vormplaets, magazynen, huyzinge voor den eersten directeur waer dat de magazynen van het ghefabriceert gleyers zijn, den terreyn tot emmagasineeren (van) het brandhout en de aerde, huys waer men de materialen maakt, de stallinge voor de peerden en de aerdebakken[49]”.

Het te koop stellen van de eigendom betekende ook het einde van de activiteiten van de zestigjarige Lambert, die de directeurswoning verliet en zich ging vestigen op het adres Vismarkt 7. Hij leefde nog tot 8 juni 1835, datum waarop hij overleed in het Sint-Juliaangesticht, wat mag doen veronderstellen dat hij seniel was geworden. Na de uitvaartmis in het gesticht werd hij in Assebroek begraven. Zijn overlijden werd aangekondigd door Alexandre Lambert, zijn broer en door Roels-Darricau en Chaland-Roels, zijn neven

Johannes De Craene: einde van de faiencefabriek (1817-1818)

Het was duidelijk de bedoeling van de verkopers geweest een koper te vinden die de fabriek “seffens in gebruike” zou nemen. Hierin slaagden ze evenwel niet. Na het vertrek van Lambert bleef het huis in de Arsenaalstraat tijdelijk bewoond door de huishoudster Anna De Souter en haar echtgenoot, de wever Bernard De Busscher. Einde 1817 verhuisden ze[50].

De verkoop was niet vlot verlopen. Pas op 10 juli 1817, meer dan drie jaar na het te koop stellen, kon de notariële akte verleden worden. Voor notaris Hermans verschenen de apothekers Ignace Roels vader en zoon, de voorzitter van de rechtbank Henri Roels-Darricau en de controleur van de posterijen Louis Chaland-Roels, die de eigendom verkochten aan architect en aannemer Hubert Dumortier. Deze handelde in naam van de minderjarige kinderen van het echtpaar Johannes De Craene-Neurath[51]. Het is niet duidelijk waarom de eigendom op naam van de zeer jonge kinderen werd aangekocht. Wellicht was er toen al iets aan de hand met de burgerlijke toestand van de vader.

In december 1817 kwamen de nieuwe bewoners aan. Het waren Johannes De Craene (Kortrijk 4 november 1781 – Brugge 9 augustus 1827), zoon van Petrus De Craene, Kortrijks fabrikant en van Rosalie De Clerck, en zijn vrouw Maria Neurath (Brugge 22 juni 1785 – 11 maart 1844). Met hen, twee kinderen, Johannes (1812-1880) en Virginie (1815-1869). Naderhand zouden nog drie kinderen bijkomen: Stephanie (°1817), Clementine (1819-1824) en Julie (°1821)[52].

Johannes De Craene, die voordien in de Witte-Leertouwersstraat had gewoond, werd ingeschreven als “fabricant” en bleef aldus genoteerd op alle geboorte- en overlijdensakten.

Wilde hij aanvankelijk de faiencefabriek verder uitbaten? We hebben hierover geen aanwijzing en in ieder geval, indien dit zijn bedoeling was, kwam hij er vlug op terug. Op 16 november 1818 werd openbare verkoop gehouden van de materialen “voortskomende van de gewezen gleyersfabriek bij het Minnewater”. Het ging om afbraakmateriaal dat aldus gedetailleerd werd: “veursten, pannen, tigels, schaliën, kepers, planken, rebben, plaeten, balken, ijzer, ankers, barreelen, kassynen, deuren, tarras, metselsteen, arduyn, meer andere objecten meerendeel ijzerwerk[53]”. Het ging dus duidelijk niet om tuigen en materiaal nodig voor de faienceproductie (was dit wellicht al vooraf uit de hand verkocht, of was het niet veel zaaks meer?), maar om de gebouwen en gebouwtjes van de fabriek, die waren afgebroken.

Was er iets aan de hand met De Craene? Het is alvast eigenaardig dat de eigendom in 1817 niet op zijn naam en die van zijn vrouw was aangekocht, maar op naam van de kinderen die toen vijf en twee jaar oud waren. Naderhand liep het met hem alvast grondig mis. Op 9 juni 1823 werd hij door het Assisenhof in Brugge veroordeeld tot de publieke schandpaal en tot zeven jaar dwangarbeid wegens valsheid in geschriften. Hem werd evenwel op 30 mei 1825 genade verleend. Twee jaar later stierf hij. Zijn weduwe bleef het huis Arsenaalstraat C10-23 verder bewonen tot aan haar dood in maart 1844. De kinderen verhuisden toen naar Zilverstraat B20-70, maar de oudste zoon Johannes De Craene, inspecteur van de octrooirechten geworden, kwam vanaf maart 1848 met zijn gezin en tot in 1864 opnieuw in de ouderlijke woning wonen.

Het huis bleef al die tijd eigendom van de kinderen De Craene-Neurath, net als de andere huizen die op het perceel waren bijgebouwd[54]. De oorspronkelijke eigendom was namelijk door De Craene niet ongewijzigd gelaten. Het perceel dat bij de vorming van het kadaster het nummer C949 had gekregen, werd door hem volgebouwd met een aantal kleinere woningen, zodat er voortaan drie huizen in de Arsenaalstraat en zeven op de Wijngaardplaats stonden. Ze werden tussen 1822 en 1826 voltooid[55].

Ook op de stadsgrond langs de Arsenaalstraat, waar het hoofdgebouw van de fabriek had gestaan (de vroegere stadsschrijnwerkerij) werden vier huizen gebouwd. In de loop van 1823 namen de nieuwe bewoners er hun intrek[56]. Voortaan waren alle bovengrondse sporen van de faiencefabriek uitgewist.

De situering van de faiencefabriek

De faiencefabriek van Hendrik Pulinx en zijn opvolgers was, zoals men weet, gelegen “aan het Minnewater”. Maar waar precies?

Adolphe Duclos heeft twee locaties gegeven. De eerste in zijn “Bruges en trois jours” (blz. 225) waar hij de faiencefabriek onderbracht in het huis Ten drie deuren, dat volgens hem gelegen was op de Wijngaardplaats, juist voor de brug die toegang verleent tot het Begijnhof. Later kwam hier hierop terug in zijn “Bruges, histoire et souvenirs” en verbeterde hij zijn situering van het huis “Ten drie deuren”, dat het sashuis was over het Minnewater, met zijn drie sasdeuren (blz. 505). De faiencefabriek situeerde hij nu “dans la maison de Panneloge près du Minnewater” (blz. 404).

Antoon Viaene heeft, als enige sedert Duclos, een poging tot meer precieze situering ondernomen, maar voor een uitzonderlijke keer moeten we vaststellen dat hij geen licht heeft gebracht[57]. Zonder bronnenopgave situeerde hij de door Duclos geciteerde Panneloge op het terrein gelegen langs de Katelijnevest, waar zich in 1955 nog de brouwerij du Lac en het zogenaamde “Fraaihuis” van de familie Fraeys bevonden. Viaene argumenteerde dit op basis van het feit dat op die plaats gemeentelijke opslagplaatsen stonden, waaronder hij meende de “panneloge” te herkennen en op het feit dat zich daar een watermolen bevond die hij meende te herkennen in de beschrijving van de door Pulinx aangevraagde stadseigendom.

In de elementen die Viaene aanbracht, wees nochtans niets in de richting van de door hem gedane situering, integendeel. Vooreerst waren er de beschrijvingen door de tijdgenoten. De faiencefabriek werd steeds vermeld “bij het Minnewater” of “bij het Binnenwater”. De situering door A. Viaene zouden de tijdgenoten eerder vermeld hebben als “aan de Katelyneveste” of “bvb. “juxta Coletinen”.

Bij de brand van de fabriek in 1753 meldde het verslag dat de vlammen gedreigd hadden over te slaan op het nabij gelegen sashuis en op het “Kanonmagazijn”. Deze verklaring zou onbegrijpelijk zijn als de fabriek zich inderdaad op de door A. Viaene aangeduide plaats bevond, bijna vijfhonderd meter van de gemelde gebouwen.

Na Viaene heeft men geen poging tot situering van de fabriek meer ondernomen en het meer algemeen gehouden bij de vermelding “in het Minnewaterpark[58]” of “in de nabijheid van het Minnewater[59]”.

Elisabeth Dhanens was, zoals we zullen zien, nog het meest accuraat door de “manufacture” te situeren “op de zuidzijde van de Wijngaardplaats[60]”, hoewel dit in eerste instantie verwees naar de plek waar thans de huizen nummers 11, 12 en 13 staan.

Uit ons verhaal zal men begrepen hebben dat twee afzonderlijke situeringen te doen zijn, elk gelegen aan een andere kant van de Arsenaalstraat: het woonhuis en de fabriek.

Het woonhuis

De situering van het woonhuis is tamelijk eenvoudig. De eerste aankoop van Pulinx in 1751 betrof een nieuw gebouwd huis dat net naast het “fonteynebrugsken” lag en dat was gebouwd “op een weinig erve afgesepareert van het huys en den heester genaemt den Appelboom[61]”. Het Fonteinbrugje liep over het Bakkersreitje in de Fonteinstraat, die later de Arsenaalstraat werd genoemd. Het brugje had evenwel zijn oorspronkelijke naam behouden. In 1760 had Pulinx ook de Appelboom aangekocht en de twee huizen samengevoegd[62].

Bij de verkoop in 1803 vinden we een beschrijving die geen twijfel laat dat het nog steeds om dezelfde eigendom ging: ”een huys, eertijds twee huyzen ende een heester ende alsnu aan elkanderen geappliqueert, het eene zijnde Den Appel” (de “boom” was weggevallen). De geografische situering luidde als volgt: “Staande bij het Sas van Gent, genaemd het binnenwater; aan de Noordzijde lopende tot aen de voet van het Fonteinbrugske; aen de Zuytzyde aen d’eene zyde het water komende van de watermolen; aen de Noordzyde aen d’ander zyde achterwaerts strekkende tot aan het Vliegende Peerd, behorende aan de erven Jan Colnet[63]”.

Om deze situering beter te begrijpen moet men de omgeving wat nader beschrijven, in zover ze verschillend was van wat we thans kennen. De Wijngaardplaats bleef toen beperkt tot de kleine verbreding op het einde van de Wijngaardstraat en werd voor het overige ingenomen door een arm van de Reie, het zogenaamde “binnenwater”, die evenwijdig liep met de thans nog bestaande waterloop. Deze arm was bereikbaar voor schepen via een overwelfde doorgang, lopende onder een bijgebouw van het thans nog bestaande zestiende-eeuwse huis Wijngaardplaats 13, dat de woning was van de sasmeester of van de ingenieur van de waterwegen[64]. Deze doorgang werd ook "sas binnewater" of "sas van Gent" genoemd, in tegenstelling tot het "sas Minnewater" of "oud sas”.

In de periode Pulinx had de smalle weg die langs dit “binnenwater” liep, vanaf de Arsenaalstraat tot aan de Wijngaardstraat, wellicht geen aparte naam. In het begin van de negentiende eeuw werd het “rue du Vieux Sas” of “Oud sas” genoemd. Het eindpunt van de eigendom Pulinx en opvolgers was aan de noordzijde duidelijk: het liep tot aan de voet van het Fonteinebrugje, onderverstaan met het Bakkersreitje als natuurlijke achtergrens. Voor de afbakening aan de zuidzijde zou normaal de Fontein- of Arsenaalstraat in aanmerking gekomen zijn, maar er werd "het water komende van de watermolen" vermeld. Op een "caerte figuratieve" waar we aanstonds in verband met de fabriek op terugkopen, werd aan die zijde van de Arsenaalstraat een smalle waterloop afgebeeld, wat de uitleg geeft voor deze op eerste gezicht minder begrijpelijke afbakening.

Tot slot was er dan nog de afbakening “aan de Noordzijde aen d’andere zyde”, met name het huis “Het Vliegende Peerd”, gelegen op de Wijngaardplaats (thans het kadasternummer C 948).

In een advertentie voor de verkoop werd het huis van de directeur beschreven als “voorzien van differente boven- en benedekamers, keuken en groot magazijn, schoonen hof en voordere gerievelijkheden[65]”. Het ging dus om een riante eigendom en het was ongetwijfeld daar dat de klanten, en o.m. de reizigers van de bargeschuiten, zich voor hun aankopen aanmeldden.

Tijdens de bewoning door De Brauwer kreeg de eigendom het huisnummer C10-23 en in 1811 het kadasternummer C 949. In de periode 1823-26 werden acht huizen op dit perceel bijgebouwd, wat bij latere verbouwingen tot vier werd teruggebracht. Het betreft de huizen die thans nog steeds het kadasternummer 949 dragen en als adres hebben Wijngaardplaats 7, 8, 9 en 10.

Vanaf de aanvang had Pulinx het verschil benadrukt tussen “de fabrique” en “de huyzinge voor den eersten directeur, waer dat de magazynen van het ghefabriceert gleyers zijn[66]”. Woning, voorraad van de afgewerkte producten en winkel bevonden zich derhalve op de plek van de huidige nummers 6 en 8 en vormden het meest aantrekkelijke gedeelte van de handelsuitbating.

Men kan zich de vraag stellen of zich in de tuin van de woning en magazijn niet een afvalput bevond, waar de gebarsten of gebroken stukken werden ingeworpen. Dit is zeker niet onmogelijk. Wel moet men er rekening mee houden dat in 1823-26 en in een latere periode bouwwerken plaats vonden die als gevolg hadden dat het perceel 949 thans ongeveer helemaal volgebouwd is en weinig mogelijkheden biedt om nog opgravingen te doen. Het kan alvast geen kwaad om hiervoor bij eventuele verbouwingen aandacht te hebben. Hier zouden immers de meest waardevolle relicten kunnen gevonden worden: afgewerkte stukken die in de winkel werden te koop gesteld en naderhand wegens barsten of breken niet meer verkoopbaar waren.

De fabriek

Om de fabriek precies te situeren moet men teruggaan op de oorspronkelijke beschrijving van wat de stad Brugge in bruikleen aan Pulinx afstond en die we aan de hand van een summiere “caerte figuratieve” aanschouwelijk kunnen maken[67].

De toestemming tot gebruik had betrekking op vier afzonderlijk elementen die aan elkaar paalden.

Het eerste was “het steene ghebauw staende op stadtsplaats aan het Minnewater, eertijds gediendt hebbende voor werkwinkel van de stadstimmerman ende zoo het jegenw. ghebruykt wordt by de stadt voor magazyn van materialen”. De vermelding “aan het Minnewater” kan enige aarzeling teweeg brengen voor wat betreft de juiste situering. De plattegrond laat evenwel weinig twijfel dat het om het gebouw ging binnen de getekende omtrek waarin vermeld is “hypotheke der gleyersfabrieke”.

De summiere tekening toont heel zeker niet hoe het gebouw er werkelijk uitzag en we mogen veronderstellen dat het maar een deel van het afgebakende terrein besloeg. Deze veronderstelling wordt bevestigd door de beschrijving bij de verkoop aan Roels in 1803, die luidde als volgt: “…alle gebouwen van de fabrique (…) staande ten voorhoofde in de Fonteinstraat, rechtover den voorschreven (directeurs)huyze, staende op stadsgrond getekend per caerte n° 52, benevens het recht van pachten van de voorbouw getekend 51”. We mogen dus het stenen gebouw situeren in de Arsenaalstraat, tussen de Fonteinbrug en de weg die het gebouw scheidde van het vroegere “canonmagazijn” en de woning van de sasmeester, op de kaart aangeduid als “erve en logtinge van den sasmeester Coutteau”.

Van het stenen gebouw hebben we een tamelijk precieze beschrijving. De Noordgevel (langs de Arsenaalstraat) bestond uit een blinde muur en de dakbedekking was met blauwe pannen. De Zuidgevel (kant blekerijgronden) had een tegeldak en in de muur zaten vier vensters en een dubbele poort. De Westgevel (kant Minnewater) gaf toegang tot een apart locaal, dat door de sasmeester als paardenstal werd gebruikt, de Oostgevel (kant Katelijnestraat) gaf toegang tot een klein lokaal dat als “corps de garde” had gediend[68]. In dit gebouw werden dus ongetwijfeld een aantal zaken ondergebracht zoals de werkbanken, de draaitafels, de kuipen en vormen, de opslag van het alaam, enz.

Daarachter, mag men aannemen, lag alles wat Pulinx zelf had gebouwd: “alle de gebouwen bij hem nieuwe gedaan maken op een deel van deze erve competerende de stad[69]. Dit waren dan o.m. de twee paardenmolens, de schilderkamer, de ingrediëntenkamer en vooral het “pavillioen der backovens” (een gleiersoven en een calcineeroven), gebouw dat om veiligheidsredenen op afstand van de overige constructies moest staan.

Het tweede element van de vergunning betrof “de houten pannenloge” waarvan Duclos ten onrechte het “huis de Panneloge” maakte. In de vergunning staat het vermeld als “de logie met houte weeghen (=wanden) en met pannen ghedekt”. In de verkoopakte van 1803 staan de afmetingen gemeld: 95 voet lang en 52 voet breed of ongeveer 26 meter op 14, hetzij 375 m². De aanduiding op de plattegrond “logie om het brandhoudt der gleyersfabriek” laat geen twijfel over de ligging van deze loge, tegenaan het Minnewater.

Het derde element van de vergunning was de beschikking over “opene plaetse”. De beschrijving luidde: “van aan het voorzeide steene gebouw zuidwaerts tot de langhde van de ghemelde loge ende breedt tot op acht voeten naby den calcidewegh aldaer nu zynde”. Het ging dus om de grond gelegen achter het gebouw van de Arsenaalstraat, zonder twijfel de grond waar nadien de bijkomende fabrieksgebouwen werden opgetrokken, die we hierboven beschreven. We begrijpen uit deze beschrijving dat de grond die werd afgestaan, 26 meter diepte achter het stenen gebouw mocht hebben en wat betreft de breedte op twee meter van de verharde weg (de huidige Minnewaterstraat) diende te blijven.

Het laatste element was “de huyzinge en de een cleen stalleken als nu gratis bewoont by de weduwe van Johannes Aerts met de plaets daer achter, neven den huyze bewoont by Jan Raeckelboom, neffen den watermolen”. Waarover het juist ging is duidelijk op het grondplan, waarop de twee huizen in kwestie en de watermolen in detail werden opgetekend.

Dit was dus de totaliteit van hetgeen door de stad Brugge aan Pulinx en zijn opvolgers werd afgestaan.

Op het einde van de 18de eeuw kreeg het voorgebouw langs de Arsenaalstraat het nummer C11-55[70] en enkele jaren later het kadasternummer C 951 en volgende. Rond 1823 verdween het stenen gebouw en werden vijf woningen gebouwd. Waar eens de gebouwen van de faiencefabriek hadden gestaan werden vóór 1854 door bleker Jan Banckaert een hele reeks huizen gebouwd, gekend als de “Acht Zaligheden”, op de rooilijn van de bestaande “calcidewegh”. De houten pannenloge verdween in de loop van de negentiende eeuw, evenals de watermolen en de twee erbij horende huisjes.

In 1978, naar aanleiding van restauratiewerken aan de huizen Arsenaalstraat 45-51 (thans nummers 57-59-61-63), werden bij opgravingen tal van misbaksels en allerhande technisch materiaal aangetroffen[71]. Zonder er naar gezocht te hebben had men de precieze plek ontdekt waar de faiencefabriek stond. De oppervlakte die door de fabriek werd ingenomen, was groter dan die van de huizen in kwestie en één of meerdere afvalputten zullen zich waarschijnlijk nog elders op het gebruikte terrein bevinden.

Een poging tot precieze afbakening

De maten die werden opgegeven voor de houten pannenloge, omgerekend in decimale lengtematen, moeten ons toelaten zo precies mogelijk de oppervlakte af te bakenen waar de fabriek over beschikte. Berekend op 27,7 cm voor 1 voet, waren de afmetingen van de houten loge 26 op 14 meter. De schaal op de “caerte figuratieve” kan hieruit worden afgeleid: 1 m = 3,8 mm.

De totale afbakening voor het stenen gebouw langs de Arsenaalstraat en de open grond erachter bedraagt dan ook ongeveer 23 op 30 meter of bijna 700 m². Die 23 meter komt precies overeen met de huidige lengte van de huizen Arsenaalstraat 57-63. Aannemend dat het stenen gebouw een twaalftal meter diep was, zou het 275 m² groot zijn geweest en daarachter moet dan nog een oppervlakte van ongever 450 m² gelegen hebben.

Het kadasterplan van 1811 toont evenwel een nog grotere ingenomen oppervlakte aan dan de “caerte figuratieve”: de bebouwde oppervlakte, gelegen rond een binnenkoer van circa 90 m², bedroeg 23 meter op 42 à 44, hetzij bijna 1.000 m². Het is natuurlijk niet uitgesloten dat in de periode De Brauwer of Lambert nog werd uitgebreid en bijgebouwd.

Op basis van deze afbakeningen is het wellicht niet onmogelijk dat archeologen kunnen situeren waar zich afvalputten bevonden en deze vroeg op laat kunnen open maken.

Het feit dat gedurende een veel langere periode op deze plek faience werd gefabriceerd, niet tot in 1764 zoals Viaene schreef, noch toch in 1781 zoals P. Lenders dacht, maar tot circa 1817, laat veronderstellen dat een massa misbaksels daar begraven werden, wellicht in méér dan één afvalput.

Wat we nog bijkomend kunnen te weten komen over de verschillende periodes van deze faiencefabriek, of er na Pulinx nog waardevol werk werd gepresteerd, hoe we het kunnen identificeren en kunnen dateren tot hoe lang er effectief werd geproduceerd: op deze en andere vragen ligt het antwoord waarschijnlijk een paar meter onder de grond op de kadastrale percelen C 951 tot 955 op ons te wachten.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1986, blz. 61-105)

Bijlage I

Genealogische schets Hendrik Pulinx

Hendrik Ambrosius Pulinx, beeldhouwer, architect, faiencefabrikant en controleur van openbare werken, werd in Brugge geboren op 1 april 1698 en overleed er op 17 februari 1781. Hij was de zoon van Arnold Pulinx, meester schrijnwerker en van Anna Van Walleghem. Zijn peter was zijn oom, priester Hendrik Ambrosius Pulinx.

Hendrik Piulinx huwde een eerste maal met Isabella (De) Ketele, op 2 juli 1721. Het huwelijk werd ingezegend door priester Hendrik Ambrosius Pulinx, pastoor in Maldegem (Brugge 24 juli 1669 – Maldegem 1784). De echtgenote bracht op 13 april 1722 een doodgeboren kind ter wereld en overleed zelf op 22 april 1722, na tien maanden huwelijk.

Hendrik Pulinx huwde een tweede maal op 26 januari 1723 met Maria Joos (Brugge 12 maart 1702 – 30 augustus 1760). Het huwelijk werd opnieuw door heeroom Pulinx ingezegend. Het echtpaar had minstens zeven kinderen:

  1. 1.      Hendrik Pulinx, architect en directeur van de (water)werken van de provincie, in het district Brugge, geboren in Brugge op 4 mei 1724 en er overleden op 24 augustus 1787. Hij huwde in Brugge op 8 december 1753 met Bernardine Heye (° Gent 1731). Ze hadden één zoon, Joseph Henri Pulinx, in Brugge geboren op 8 december 1755 en gehuwd met de Gentse Marie Colette Baston.
  2. 2.      Joseph Arnold Pulinx, geboren in Brugge op 6 juli 1825 en er overleden op 28 september 1725.
  3. 3.      Maria Pulinx, geboren in Brugge op 10 augustus 1726 en er overleden op 5 oktober 1729.
  4. 4.      Alexander Pulinx, geboren in Brugge op 26 december 1727 en (waarschijnlijk) overleden op 7 mei 1728.
  5. 5.      Anna Pulinx, geboren in Brugge op 13 maart 1729 en er overleden op 25 januari 1754.
  6. 6.      Johanna Pulinx, geboren in Brugge op 3 november 1730 en er overleden op 2 november 1810. Op 14 februari 1751 trad zij in het huwelijk met Alexander Emmery, zoon van Procureur Rochus Emmery en Marianne Roels. Alexander Emmery was in Brugge geboren op 27 september 1726 en overleed er op 26 december 1799 (6 Nivose VII). Het gezin telde minstens twaalf kinderen:
  7. -          Alexander, geboren in Brugge op 21 september 1752 en overleden na 1795
  8. -          Jeanne, geboren in Brugge op 24 december 1753 en er overleden op 30 november 1809
  9. -          Henri, geboren in Brugge op 11 februari 1756
  10. -          Joseph, geboren in Brugge op 7 februari 1758 en er overleden op 11 mei 1758
  11. -          Maria, geboren in Brugge op 20 juni 1759 en er overleden op 29 juni 1759
  12. -          Joseph, geboren in Brugge op 31 augustus 1760 en er overleden op 7 september 1760
  13. -          Johannes, geboren in Brugge op 25 december 1761
  14. -          Joseph, geboren in Brugge op 8 februari 1764 en er overleden op 10 november 1807
  15. -          Franciscus Xaverius, geboren in Brugge op 12 juli 1766
  16. -          Jacobus, geboren in Brugge op 25 augustus 1768 en er overleden op 24 september 1768
  17. -          Charles, geboren in Brugge op 24 december 1769 en er overleden op 12 november 1828
  18. -          Jacobus, geboren in Brugge op 12 februari 1775 en er overleden op 27 mei 1777.
  1. 7.      Maria Pulinx, geboren in Brugge op 28 januari 1733 en er overleden op 1 maart 1734.

Bijlage 2

Pieter Jan De Brauwer en zijn nakomelingen

In het verhaal over Pieter Jan De Brauwer heeft men kunnen vaststellen dat het niet zo eenvoudig was hem thuis te wijzen. De oorzaken hiervoor lijken te zijn: het feit dat hij een aangespoelde Bruggeling was en derhalve niet terug te vinden in de genealogieën van gevestigde Brugse families, waarbij dan nog komt dat hij niet van adel was; het feit dat hij zakelijk niet slaagde en in staat van kennelijk onvermogen overleed, kan alleen maar het in de vergetelheid verzeild geraken versneld hebben.

Pieter De Brauwer was nochtans geen onbeduidende burger. Zijn lidmaatschap van de kerkfabriek van Sint-Anna toont het aan, evenals het feit dat zijn vrouw begraven werd binnen de O.-L.-Vrouwkerk “in Sacracapelle, onder marbel serck nevens den biechtstoel, synde een kerkegraf”.

Deze echtgenote, Marie Plasschaert behoorde ongetwijfeld tot een notabele familie. Ze had onder haar voorouders leden van het beenhouwersgeslacht Van Vyve en van de rijke landbouwersfamilie Logghe uit de streek van Torhout en Aartrijke.

Van de twee kinderen uit het gezin De Brauwer-Plasschaert weten we dat de dochter Marie Thérèse ook met een Plasschaert huwde. We hebben geen kinderen van dit echtpaar teruggevonden en het lijkt erop dat ook zij het financieel niet zo goed hadden.

Anders verging het de zoon Pieter Martinus De Brauwer (Brugge 20 juli 1759 – Oostende 25 mei 1790) die de zaken van zijn vader liet voor wat ze waren en in Oostende ontvanger van belastingen werd voor de provinciale staten. Hij huwde in Oostende met Marie Anne van Overloop (Asse 8 december 1759 – Brussel 28 mei 1840), dochter van de koster van Asse. Dit echtpaar had eveneens twee kinderen: Johannes Petrus De Brauwer (° Oostende 6 november 1789) over wie we verder niets terugvonden en die misschien vroeg stierf, en Helena Petronilla die hierna volgt.

Pieter Martinus De Brauwer stierf twaalf jaar eerder dan zijn vader, wat uitleg kan geven voor het feit dat van hem of zijn nazaten geen melding werd gemaakt in de afhandeling van de verlieslatende successie) wat trouwens gebeurde in een wat chaotische overgangsperiode, zeker voor wat betreft de registratie van de erfopvolgingen. Wat de staat van goed betreft die ongetwijfeld na het overlijden van Pieter Martinus werd gemaakt ten behoeve van de wezenkamer, verdween die allicht met het Oostends archief in de oorlogsvernielingen.

Marie Anne Van Overloope bleef niet lang weduwe. Ze trad opnieuw in het huwelijk met de cavalerie-officier en weduwnaar Louis Ernest de Preud’homme d’Hailly de Nieuport (°23 augustus 1743). Ze werd hierdoor opgenomen in een familie van hoge en oude adel en ze had onder haar schoonbroers o.m. Constantin François de Preud’homme d’Hailly (Gent 24 mei 1748 – Brugge 5 februari 1835), vele jaren schepen en burgemeester van het Brugse Vrije onder het Ancien regime, in de Hollandse tijd lid van de Eerste kamer der Staten Generaal en achtereenvolgens gehuwd met barones Maximilienne de Vinchant en met gravin Marie Anne Robertine de Murray.

In het voetspoor van haar moeder werd Helena Petronilla De Brauwer (Oostende 9 februari 1787 – 27 december 1821), petekind van Pieter Jan De Brauwer, in dezelfde adellijke familie opgenomen. Haar echtgenoot was een zoon van de hierboven genoemde Constantin de Preud’homme en Maximilienne de Vinchant: Charles Florent de Preud’homme d’Hailly (Brugge 16 december 1780 – 13 juli 1817).

Na het overlijden van Charles de Preud’homme (hij was 37), huwde Helena De Brauwer opnieuw met baron Philippe de Coenens (Bouvines 25 oktober 1793 – Ieper 10 december 1850). Ze stierf evenwel kort daarop, pas 34 geworden. Uit haar eerste huwelijk met de Preud’homme d’Hailly had ze twee kinderen: Constantin en Robertine.

Constantin Joseph de Preud’homme d’Hailly (Rijsel 1 januari 1807 – Poeke 20 april 1866) huwde met zijn verwante Ida de Preud’homme d’Hailly de Vrequigneul (Brussel 7 augustus 1804 – Poeke 29 juni 1871). Ze hadden twee dochters: Isabelle (° Brussel 1831) en Flore (Brussel 1832-1839) en een zoon Alfred.

Alfred Antoine de Preud’homme d’Hailly de Nieuport (Brussel 5 februari 1835 – Brugge 21 mei 1911) huwde in 1872 met Sidonie Herode (Leuze 23 april 1849 – Brugge 21 juni 1902). Ze hadden vier kinderen. De oudste, Georges (Schaarbeek 1878 – Braine L’Alleud 1966) huwde met barones Albertine de Fierlant (Leuven 1875 – Ukkel 1975) en had eveneens vier kinderen: Isabelle (1905-1958), Charles (°1907), Ludwine (°1908) en Simonne (°1911). Twee dochters waren Marie (1880-1935) die huwde met Joseph Langhor en Ida (°1882) die huwde met Maurice van Innis. Een tweede zoon Adolphe de Preud’homme d’Hailly (Schaarbeek 1881 – Aken 1921) huwde met Agnes Van Wint (Gent 1889 – Ukkel 1964) en had een zoon, Roger de Preud’homme d’Hailly de Nieuport (° Brugge 25 december 1910).

Wat betreft Robertine Valerie (Brugge 17 januari 1809 – Templeuve 3 juli 1845), de dochter van Charles de Preud’homme en Helena de Brauwer, zij huwde in Hasselt in 1839 met Victor Ghislain de Formanoir de la Cazerie (Doornik 18 maart 1807 – Templeuve 17 januari 1888). Naast een jonggestorven dochter Idalie (Templeuve 1840-1841), hadden ze twee zoons: Arthur Adolphe de Formanoir (Templeuve 15 januari 1842 – Silly 12 september 1884), die in 1864 huwde met Françoise van Delft, en Hubert de Formanoir (Templeuve 11 juni 1843 – Brugge 22 augustus 1906) die in 1869 huwde met Eugenie van de Kerckhove d’Hallebast (Elsene 1843 – Brugge 1925). Dit tweede echtpaar had vier kinderen: Victor (° en † Luik 1870), Marie (° Brugge 24 september 1872) die in 1895 huwde met Raoul de Crombrugghe de Looringhe (Brugge 1870-1953) en Alphonse (Brugge 17 december 1874 – 4 februari 1904) die huwde met Jeanne Piers de Raveschoot. Ze hadden een zoon, Hubert de Formanoir de la Cazerie (° Poeke 12 september 1903).

De afstamming van de onfortuinlijke Pieter De Brauwer heeft thans nog talrijke levende vertegenwoordigers, onder meer in de families de Preud’homme d’Hailly, de Crombrugghe de Looringhe, de Formanoir de la Cazerie en van Caloen.

Ver dus van een sociale neergang te hebben ondergaan, wat men in dergelijk geval normaal kon verwachten, slaagden de onmiddellijke nakomelingen, zoon en kleindochter erin zich in oude en hoge adel te laten opnemen. Wel valt het op dat in de gepubliceerde genealogieën van deze families, niet hoger wordt opgeklommen dan de zoon van Pieter, de ontvanger Pieter Martin de Brauwer en zijn echtgenote van Overloope. Genealogen hadden (hebben?) soms de neiging om wat minder geslaagde voorvaders te vergeten!

Bijlage 3

Geografie van de faiencefabriek.

In de Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1986, blz. 98 tot 105 zal men een gedetailleerde beschrijving vinden, vergezeld van plattegronden, die de toestand van de faiencefabriek en omgeving weergeeft rond 1750, in 1811, in 1830, in 1854 en in 1985.


[1] M. SELSCHOTTER, Henri Pulinx, sculpteur brugeois (1698-1781), in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1930, blz. 1-35; A. VIAENE, De faiencefabriek van Pulinx te Brugge 1764, in: Biekorf, 1854, blz. 247-248; A. VIAENE, Brugs gleierswerk van Pulinx en compagnie in de veiling van 25 oktober 1764, in: Biekorf, 1955, blz. 57-60; A. VIAENE, De faiencefabriek van Pulinx bij het Minnewater te Brugge, in: Biekorf, 1955, blz. 148-152; L. DE VLIEGHER, Hendrik Pulinx senior, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Deel 2, 1966, kol. 711-716; L. DE VLIEGHER, Hendrik Pulinx junior, in: idem, Kol. 710-711; L. TEETAERT, Bijdrage tot de studie van de ondernemende stand te Brugge in de 18de eeuw (1740-1780), in: De Gidsenkring, 1964, n° 4, blz. 2-22; P. LENDERS, Ondernemer en overheid in Vlaanderen circa 1750-1780. Een gevalstudie: de ceramiekfabriek Pulinx – De Brauwere te Brugge, in: Bijdragen tot de geschiedenis, 1977, blz. 91-132 (hierna geciteerd als P. Lenders I); P. LENDERS, De laatste levensjaren van beeldhouwer Hendrik Pulinx, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1979, blz. 245-255 (hierna geciteerd als P. Lenders 2); N. GEIRNAERT, De laatste levensjaren van beeldhouwer Hendrik Pulinx, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1981, blz. 293-296; Hendrik Pulinx (1698-1781), Wandelbrochure, Brugge, 1981.

[2] H. NICAISE, Notes relatives à l’histoire des faiences de Bruges au XVIIIe siècle, in: Jaarboek van het Congres van het Oudheid- en Geschiedkundig verbond van België, 1932, blz. 55-56; E. DHANENS, Hendrik Pulinx, in: Drie Vlaamse meesters van de XVIIIe eeuw: J. Garemyn, H. Pulinx, P. Pepers, Catalogus, Brugge, 1955, blz. 71-88; H. DE WITTE, Arsenaalstraat: 18de-eeuwse faienceindustrie, in: Brugs Ommeland 1978, blz. 307; V. VERMEERSCH, Brugge duizend jaar kunst, Brugge, 1981, blz. 365-369.

[3] Stadsarchief Brugge (verder SAB), Oud Archief, 118, Resolutieboeken, 1749-1751, folio 185B.

[4] SAB, 138, Sestendelen, O.L.Vrouw, f° 857.

[5] Ib. f° 3497.

[6] Ib. f° 857 en 3596.

[7] Ib. f° 842, 857 en 3596; Burgerlijke stand (verder BstB), overlijdensregister 1760, O.L.Vrouwparochie.

[8] Ib. f° 842 en 4201

[9] Ib. f° 842 en 4201.

[10] SAB, 122, Plakkaten, II, 1533: Deductie ofte demonstratyf bewys van den Onderganck en de ruïne van Hendrick Pulinx d’Oude (…); Rijksarchief Brussel, Raad van Financiën, 5186, brief van Pulinx 1764 (tekst als bijlage I in P. Lenders 2); SAB, 326, Gleiermakers, brief van Pulinx junior 1766 (tekst als bijlage V bij M. Selschotter).

[11] M. SELSCHOTTER, a.w.: “La ruine de sa fabrique et les torts de son fils à son égard semblent être devenus, chez Pulinx vieillissant, une idée fixe”.

[12] P. LENDERS 2, “Steeds te goeder trouw vermoedde Pulinx niet dat men hem zou kunnen bedriegen. Dat zou zijn ongeluk worden. Het viel hem des te zwaarder dat het zijn eigen zoon was die vals spel speelde. En hij had nochtans veel voor zijn Hendrik gedaan…” En verder: “De man bestierf het van schaamte, wanneer de schuldeisers hem aanklampten en de zoon de verplichtingen van zijn vader als privé-transacties afwees”.

[13] M. SELSCHOTTER, a.w.; P. LENDERS 1 en 2, a.w.

[14] R. COPPIETERS, Journal d’évènements divers et remarquables, Brugge, 1907; blz. 89-90.

[15] M. SELSCHOTTER, a.w. bijlage V; SAB, 326, gleiermakers.

[16] SAB, 118, Resolutieboeken, 1753-56, f° 25v°, actum van 7 mei 1753.

[17] SAB, 138, Sestendelen, O.L.Vrouw, f° 3596.

[18] SAB, id., f° 4256, 4257, 4258.

[19] P. LENDERS 2, blz. 99.

[20] L. DOUXCHAMPS en Y. DE BROUWER, De familia de Brouwer, deel I, Brugge, 1954, blz. 49.

[21] P. LENDERS 1, blz. 125-129.

[22] De Gazette van Brugge, 23 mei 1817.

[23] BStB, overlijdens An XI, n° 175.

[24] SAB, bevolkingsboeken 1792-1812.

[25] Rijksarchief, Archief Staten van Vlaanderen, 942, fol. 182, geciteerd in P. LENDERS 1, voetnoot 18.

[26] SAB, parochieboeken 1759, Sint-Anna, doopakte Pieter Martinus de Brauwer, vermeldt na de naam van de vader: “magistri fabricae hujus ecclesiae”.

[27] J. J. HEIRWEGH, Une société par actions dans les Pays-Bas Autrichiens. La compagnie des moulins à scier le bois près d’Ostende, in: Contributions à l’histoire économique et sociale, Brussel, 1976.

[28] SAB, 138, Sestendelen, O.L.Vrouw, f° 842 en 3596.

[29] Idem, f° 842 en 4201.

[30] Idem, f° 842.

[31] A. SCHOUTEET, De klerken van de vierschaar te Brugge met inventaris van hun protocollen, Brugge, 1973, blz. 94 en 189; Alles in ons hoofdstuk over A. Emmery zonder referentie vermelde gegevens komen uit: SAB, 202, Becommerde en insolvente boedels, n° 229 (A. Emmery, 1772).

[32] SAB, 370, Kruideniers, rekeningenboek 1724-96.

[33] Deze eigendommen bevonden zich op de percelen later ingenomen door cinema “Vieux Bruges” en thans grootwarenhuis. Het deel Steenstraat tussen Vleeshuis en St.-Salvatorkerkhof werd de “ongepluimde vogelstraat” genoemd. Nog bij het overlijden van Alexander Emmery in 1799 werd deze straatnaam opgegeven, die zelfs in de 19de eeuw nog in gebruik bleef.

[34] Alle hierboven vermelde gegevens uit SAB, 138, sestendelen, O.L.Vrouw, folios 842, 4201, 4256, 4257, 4258

[35] Idem, f° 4282, huis “Het groot Calis” op 12 december 1771 verkocht aan Pieter Beuckels; f° 4298, huis “De Drie Monniken” op 17 mei 1771 verkocht aan Marcellinus Van Steenbrugge; f° 4227, huis “De ongepluimde vogel” op 28 mei 1771 verkocht aan Anna Jacoba Beuckels.

[36] M. SELSCHOTTER, a.w., bijlagen VI en VII.

[37] SAB, 370, Kruideniers, registers 1596-1795, verbintenis van 10 september 1787.

[38] A. SCHOUTEET, Indices op de buitenpoorterboeken van Brugge, deel I, Brugge, 1965, blz. 52, deel II, Handzame, 1973, blz. 53.

[39] P. VAN HILLE, Het Hof van Beroep van Brussel en de rechtbanken van Oost- en West-Vlaanderen onder het Frans Bewind 1800-1814, Handzame, 1970, blz. 89.

[40] J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste Voorvallen 1789, Brugge, 1984, f° 99 (Dagelijksche Gevallen).

[41] SAB, 138, sestendelen O.L.Vrouw, f° 4201, 4256, 4257, 4322, 4385.

[42] Idem; P. LENDERS 1, blz. 121.

[43] Idem, f° 4322, 4385, 5027.

[44] RAB, Registratie en Domeinen, Successies An XII, n° 62, De Brauwer.

[45] SAB, Bevolkingsboeken 1792-1812; BStB, overlijdens 1814, n° 136.

[46] SAB, Bevolkingsboeken 1792-1812.

[47] SAB, Registers van patentplichtigen, 1809, 1810 en 1811.

[48] Gazette van Brugge 25 mei 1814.

[49] SAB, 326, Gleiermakers.

[50] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830.

[51] RAB, Notariële akten, Eugène Hermans, 1817, n° 179.

[52] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830.

[53] Gazette van Brugge 13 november 1818.

[54] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830; 1841-46 en volkstelling 1846.

[55] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830: het eerste huis bewoond op 4 april 1823, het laatste in 1827. We vonden geen bouwvergunningen.

[56] Idem.

[57] A. VIAENE, De faiencefabriek van Pulinx, a.w.

[58] Wandelbrochure Hendrik Pulinx, a.w.

[59] P. LENDERS 1.

[60] E. DHANENS, a.w.

[61] SAB, 138, sestendelen, O.L.Vrouw, f° 857.

[62] Idem, f° 3497.

[63] RAB, Registratie en Domeinen, Nalatenschappen Jaar XII, n° 62.

[64] G. MICHIELS, Iconografie van de stad Brugge, deel 2, Brugge, 1966, n° 885.

[65] Gazette van Brugge 25 mei 1814.

[66] SAB, 326, Gleiermakers, Inventaris 1754.

[67] SAB, 118, Resolutieboeken 1749-1751, f° 185B; SAB, 326, Gleiermakers: niet gedateerde noch ondertekende plattegrond.

[68] SAB, 326, Gleiermakers.

[69] SAB, 138, sestendelen O.L.Vrouw, f° 842.

[70] SAB, Bevolkingsboeken 1809-1830, maakt ook het verschil tussen voor- en achtergebouw: C11-55, rue de l’Arsenal: un magasin occupé par Pierre De Brauwer, appartenant à la commune; une fabrique de fayence appartenant au citoyen De Brauwer, demeurant C10-23.

[71] H. DE WITTE, a.w.

www.andriesvandenabeele.net