Jan Beerblock en de Brugse Armenkamer.

De oplossing van een enigma?

In het Prentenkabinet van het Groeningemuseum berusten onder de inventarisnummers 0.1489.II en 0.1664.II twee gewassen tekeningen die toegeschreven worden aan de Brugse schilder Jan Beerblock en die tot hiertoe hun ware betekenis niet hebben prijsgegeven. Zouden we met deze bijdrage de sluier kunnen lichten die over deze enigmatische tafereeltjes hangt?

Stand van het onderzoek

  1. Eén van beide tekeningen werd afgebeeld in A. Duclos, Bruges, histoire et souvenirs (1910) op blz. 167 met als onderschrift: Le pont de Gruuthuse: aquarelle antérieure à la démolition des quatre tourelles d’angle de la tour de N. D. en 1780.
  2. Bij Guillaume Michiels, Iconografie der stad Brugge, tweede deel (1966), blz. 94, vinden we een omstandiger beschrijving die we hier in extenso weergeven:
  3. - “n° 819, omstreeks 1758. Gezicht op de ingangspoort van het Gruuthusehof en de aanpalende gebouwen, de toenmalige “Berg van Barmhartigheid” in de volksmond “De Woeker” geheten. Op de plaats van het huidige Brangwynmuseum is er een zeer eigenaardige gotische gevel afgebeeld. Op de trappen voor de gevel op de Gruuthusebrug bevindt zich een groepje mensen met in het midden o.m. een gebrekkige die ontvangen wordt door de meester van de “Woeker” en zijn echtgenote. Op de achtergrond ziet men de Onze-Lieve-Vrouwtoren juist voor het afbreken van de linkertorentjes”.
    - “n° 820, omstreeks 1758. Gezicht op de ingangspoort van het Gruuthusehof en de aanpalende gebouwen. De gevel op de Gruuthusebrug is hier vervangen door een gebouw met collonaden. Het is waarschijnlijk een ontwerp voor een verbouwing van de “Berg van Barmhartigheid”. Tussen de collonaden voor de ingangspoort bevindt zich een groep armen”.
  4. Een volgende stap werd gezet door Aquilin Janssens de Bisthoven die in de Catalogus van de Brugse stadsgezichten (1977) als inleiding een Geschiedenis van het Arentshuis schreef. Daarin toonde hij aan dat het huis op de Gruuthusebrug sedert het einde van de 17de eeuw niet meer tot het Gruuthusedomein behoorde, dat ondertussen de zetel van de Berg van Barmhartigheid was geworden, waarop hij vervolgde (blz. 8-9): “De verbouwing van het huis naar de huidige vormgeving – afgezien van latere aanpassingen – moet door Valentin de Stappens zijn ingezet. Vermoedelijk zijn er verschillende plannen geweest. In het stedelijk Prentenkabinet Steinmetz worden twee lavistekeningen bewaard, toegeschreven aan Jan Beerblock en die G. Michiels dagtekent van omstreeks 1758. Een tekening vertoont op de Gruuthusebrug, aldus deze auteur, een zeer eigenaardige gotische gevel, de tweede een gebouw met collonades. Michiels meent dat de tweede tekening waarschijnlijk een ontwerp is voor de verbouwing van de Berg van Barmhartigheid. Wij weten thans dat het betrokken pand sedert de 17de eeuw afgescheiden was van de Berg van Barmhartigheid en dat de in 1693 nog bestaande deur tussen deze instelling en het privé-huis te allen tijde moest gesloten blijven. De tekeningen uit het Steinmetzfonds zijn alleszins gefantaseerd. Ze beantwoorden niet aan alsdan bestaande gebouwen maar kunnen misschien verband honden met de bouwplannen van Valentin de Stappens. De figuratie die evenwel op de twee tekeningen voorkomt, naar Michiels een groepje mensen met in het midden o.m. een gebrekkige die ontvangen wordt door de meester van de “Woeker” en zijn echtgenote, moet eerder verband houden met een bepaalde gebeurtenis, veeleer dan het louter animeren betreffen van bouwplannen. In ieder geval, de echte betekenis ontgaat ons”.

Na deze opeenvolgende onderzoeken is het dus zeker dat de tekeningen niets met de Berg van Barmhartigheid te maken hebben, is het niet erg waarschijnlijk dat we hier met bouwontwerpen zouden te maken hebben en kunnen we vermoeden dat men op deze tekeningen een bepaalde gebeurtenis wilde verbeelden. Maar welke gebeurtenis?

Jan Beerblock

Alvorens een poging tot verklaring te geven, blijven we stilstaan bij de vermoedelijke auteur van de tekeningen, Jan Beerblock en de mogelijke datum (vóór 1760 volgens Duclos, rond 1758 volgens Michiels, rond 1760 volgens Janssens de Bisthoven).

Jan Beerblock werd geboren in Brugge op 10 november 1739 en overleed er op 10 oktober 1806. Hij heeft heel wat Brugse stadsgezichten getekend en geschilderd, en ze bevolkt met figuurtjes van het type zoals we ook op beide hier behandelde tekeningen terugvinden. Het is derhalve op stijlvergelijking dat men deze niet gesigneerde tekeningen aan Beerblock heeft toegeschreven. Ook al is er dus geen absolute zekerheid, laten we het auteurschap van Beerblock aannemen.

Dit brengt ons echter bij het probleem dat Beerblock in 1758 pas achttien jaar was. Méér nog: dat hij volgens de biografische gegevens die over hem bekend zijn eerst als aannemer van schilderwerken aan de kost kwam, totdat burggraaf de Vooght in hem kunstschilderstalenten ontdekte en hem tekenlessen deed volgen aan de Brugse Academie, waar hij in 1772 een eremedaille verkreeg. Hij was toen al drieëndertig[1].

Het is dan ook niet verwonderlijk dat ons uit de periode voor 1772 geen enkel werk van Beerblock bekend is. In feite is de vroegste datum die voorkomt op een door hem gesigneerde of aan hem met grote waarschijnlijkheid toe te schrijven tekening: 1781.

We zitten met het probleem dat in 1759 de vier hoektorentjes van de O.-L.-Vrouwkerk worden afgebroken en ze toch op de tekeningen voorkomen. Deze, zo heeft men geredeneerd, moesten dus wel van vóór deze afbraak dateren. We denken dat dit niet zo zeker is. Een tekening is geen foto en geeft geen absolute zekerheid over de juiste toestand op het ogenblik dat de tekenaar ze maakte. Men kan evengoed veronderstellen dat de artiest de toren mooier vond met de hoektorens erbij, en ze er dan ook bijtekende, zelfs indien ze reeds kortere of langere tijd geleden waren afgebroken.

We hebben in ieder geval bewijzen dat Beerblock het met de juiste toestand van door hem afgebeelde gebouwen niet zo nauw nam. In het Groeningemuseum bewaart men een andere van zijn tekeningen (inventarisnummer 0/11608) die een zicht op de Markt geeft met enerzijds het Belfort, nog bekroond met de houten spits die in 1741 afbrandde en anderzijds de O.-L.-Vrouwtoren zonder de hoektorens die in 1759 werden afgebroken. Deze tekening dateert van na 1760, maar dit heeft Beerblock niet belet er toch de verdwenen torenspits bij te tekenen. In ieder geval, mét spits op het Belfort en zonder hoektorens aan de O.-L.-Vrouwtoren is een combinatie die nooit bestaan heeft.

Andere voorbeelden. Een tekening van de voormalige Sint-Walburgakerk (inventarisnummer 0/732) draagt als datum 1748 en geeft de toestand weer vóór 1765, terwijl de tekening zeker na de afbraak in 1781 is gemaakt (waarschijnlijk naar een oorspronkelijke tekening van 1748). Een andere tekening van deze zelfde kerk (inventarisnummer 0/736) draagt als datum 1777, maar ook dit moet de datum van het gebruikte voorbeeld zijn voor een tekening die van na 1781 dateert. Een tekening van het klooster van de Conceptionisten is te dateren 1796, alhoewel de gebouwen in 1788 al bouwvallig waren. Ook hier gaf Beerblock, op basis van vroegere schetsen of bestaande tekeningen, een toestand die op het ogenblik dat hij de tekening maakte niet meer bestond. Hij was tenslotte kunstenaar en geen documentalist.

De twee tekeningen van de Gruuthusebrug waar we het hier over hebben zijn op zichzelf het duidelijkste bewijs van de artistieke vrijheid die de tekenaar zich veroorloofde. De twee afgebeelde gebouwen waren immers volledig gefantaseerd, hadden op die plek nooit gestaan en zijn er ook nooit gekomen. We menen dan ook dat voldoende elementen aanwezig zijn om de tekeningen op een later tijdstip dan 1758-1760 te dateren: de jeugdige leeftijd van Beerblock in 1758, zijn studies aan de Brugse Academie rond 1770, de datering ten vroegste vanaf 1781 van de van hem bekende werken, de artistieke vrijheden die hij nam, de afbeelding van een classicistische gevel.

We zullen hierna uiteenzetten waarom we aan deze tekeningen de datum 1776 geven en ze in relatie brengen met een welbepaald en belangrijk evenement in dat jaar.

Beschrijving van de tekeningen

Eerst analyseren we wat precies op beide tekeningen staat afgebeeld.

Vooreerst de vraag: waarom heeft de kunstenaar het nodig gevonden gevels te fantaseren, daar waar toch een imposant gebouw aanwezig was? Het antwoord vinden we in de tekening van het gebouw in kwestie, zoals het afgebeeld staat in het handschrift van Charles Custis, bewaard in de bibliotheek van de Rijksuniversiteit Gent.

Er was namelijk aan dat huis geen ingangsdeur aan de straatkant, alleen een ingangspoort naast het huis, die toegang gaf tot de binnenkoer waar de eigenlijke voorgevel met ingangsdeur zich bevond. Dit is trouwens tot op vandaag de aan de Bruggelingen welbekende ordonnantie van het huis gebleven.

Beerblock had evenwel een belangrijk evenement uit te beelden en hij moest dit in een passend kader kunnen doen, op een publieke en herkenbare plaats, wat met de binnenkoer niet het geval zou zijn geweest. Meteen kon hij de dramatis personae van het evenement in een theatrale compositie tot hun recht doen komen. Hij moest over een ingangspartij beschikken die hem de mogelijkheid gaf dit te doen en daarom nam hij een artistieke en architecturale vrijheid die hem toeliet het gebeuren op de Gruuthusebrug te situeren -– het moést daar zijn, zoals we aanstonds zullen zien – en hem meteen toeliet de toren van de O.-L.-Vrouwkerk over de scène te laten domineren – en ook dit was een belangrijk element in wat hij moest afbeelden.

Laat ons nu even van heel nabij bekijken wat de personages op en rond het perron aan het doen zijn. We beperken ons eerst tot de afgewerkte en gekleurde tekening met de gotische gevel. Midden op het perron staan een heer en een dame. Ze worden omringd door acht heren in uniforme klederdracht, die duidelijk bij hen op visite zijn: alle blikken zijn op het centrale koppel gericht. Eén van de bezoekers heeft een perkament ontrold en bereidt zich voor om lezing te geven van de tekst die er op staat. De heer des huizes wijst met de rechterhand naar dit document, terwijl hij met de linkerhand wijst naar de kreupele dompelaar die, met de hoed in de hand (typische bedelaarshouding) voor het perron staat. De dame wijst eveneens met een breed gebaar naar de arme man.

De inhoud van het tafereeltje lijkt dus duidelijk als volgt te zijn: de groep mannen is plechtige kennisgeving komen geven aan de bewoner van het huis op de Gruuthusebrug van een proclamatie of een beslissing die genomen is in het voordeel van een arme bedelaar. Of is die dompelaar daar aanwezig als symbool van de ganse groep bedelaars en noodlijdenden in de stad?

De oprichting van de Brugse Armenkamer

Op dit punt komt Yvan Van den Berghe ons ter hulp met zijn studie De algemene armenkamer te Brugge (1776-1925). Een poging tot rationaliseren en laïciseren van de armenzorg (zie zijn Brugge in de revolutietijd 1770-1794, blz. 83-102).

Op 1 juli 1776 werd namelijk in Brugge de bedelarij definitief afgeschaft. Dit gebeurde op basis van een op 20 juni 1776 uitgevaardigde Ordonnantie van den Heere ende Wet der Stad Brugghe, supprimerende ende verbiedende de publique bedelrye binnen de selve stadt.

Tot op die datum werden de straten van Brugge onveilig gemaakt door zowat 500 beroepsbedelaars, waarvan een driehonderdtal gebrekkige personen. Ze klampten bestendig de burgers aan en konden dreigend worden als ze iemand onvoldoende vrijgevig vonden. Velen waren onverbeterlijke alcoholisten, dieven en geweldenaars. Ze leefden vaak in concubinaat, waren voor het merendeel onkerkelijk en behoorden dikwijls tot gedegenereerde en erfelijk zwaar belaste families. Men schatte dat ze jaarlijks 60 à 70.000 guldens ontfutselden aan de bewoners. Een echte sociale kanker was dit.

De bedelaars mocht men niet verwarren met de noodlijdende arme, zieke of verminkte inwoners die volledig of gedeeltelijk leefden van de steun die hen door de parochiale armendissen, door andere caritatieve instellingen of door particulieren werd verschaft.

Bedelarij was natuurlijk geen uitsluitend Brugse gesel. Zowat overal werd dan ook met grote belangstelling kennis genomen van een Traité sur la mendicité in 1774 gepubliceerd door de schepen van Ath F. J. Taintenier (1729-1776), die voorstellen deed om de bedelarij uit te roeien op basis van de experimenten die men vanaf 1772 in Ath had gedaan[2]. De voorstellen en experimenten van Taintenier gingen trouwens verder dan alleen maar de beteugeling van de bedelarij, maar streefden ernaar de volledige armenzorg aan de afzonderlijk opererende parochiale dissen te onttrekken en daar één gecentraliseerde “armenkamer” te laten benaarstigen.

Brugge leverde een gunstige voedingsbodem voor de ideeën van Taintenier. In een bepaald opzicht was men er al op vooruit gelopen. In 1766 had men onder impuls van de armenmeesters van de O.-L.-Vrouwparochie een “visnettenfabriek” opgericht waar aan valide noodlijdenden een bezoldigde activiteit werd geboden[3].

Het bleek evenwel een bijna onoverkomelijke stap te zijn de armendissen ervan te overtuigen al hun middelen bijeen te brengen in één overkoepelend orgaan dat voortaan zou zorgen voor de ondersteuning aan huis van alle hulpbehoevenden. Inspanningen in 1774 in die zin ondernomen bleven vruchteloos.

De oprichting van de Jointe en de afschaffing van de bedelarij

In het voorjaar van 1776, enkele maanden voor zijn dood, was Taintenier zelf naar Brugge gekomen om er de voordelen van zijn systeem uit te leggen en in de schoot van de armendissen kwam de discussie weer op gang. Uiteindelijk werd een ruime meerderheid gevonden om een beperkt experiment te wagen en op 10 juni 1776 ondertekenden de vertegenwoordigers van de zeven parochiale dissen een Resolutie nopende de bedelrye.

De belangrijkste dis met het grootste aantal dismeesters, die van de O.-L.-Vrouwkerk zou hierin een determinerende rol spelen. Een “Armenkamer” zou worden opgericht met als doel de invalide bedelaars aan huis onderstand te bezorgen. Dit nieuw orgaan zou zelf voor zijn inkomsten zorgen, los van de parochiedissen en dit in de eerste plaats door het organiseren van algemene collectes. Het bestuur zou worden waargenomen door een Jointe bestaande uit een afgevaardigde van elk van de zeven parochiedissen en de door haar verstrekte onderstand zou door bemiddeling van deze dissen worden uitgedeeld.

Op 14 juni 1776 werd de Jointe aangesteld. Ze bestond uit Robert Coppieters, eerste schepen van de stad (dis O.-L.-Vrouw), Maximiliaan de Peellaert de Cleyem, schepen van het Brugse Vrije (dis St.-Salvator), Livinus Vleys de Delmaere (dis St.-Gillis), Florentinus Van der Meersch de Bloemendaele (dis St.-Jacob), Nicolaas Verbeke (dis St.-Anna), Charles Imbert de Motelettes (dis St.-Walburga) en Jacobus De Zoutere (dis St.-Catharina).

Het stadsbestuur gaf zijn onmiddellijke steun aan het initiatief en vaardigde burgemeester van de commune Ignace Pardo de Fremicourt af om de Jointe voor te zitten. De vergaderingen grepen voortaan op het stadhuis plaats in het ledencomptoir.

Het organisme dat voortaan de invalide bedelaars zou ondersteunen – de valide bedelaars zouden worden aan het werk gezet – was nu operationeel, zodat de tijd voor een belangrijke beslissing was aangebroken. Op 26 juni 1776 werd door de schout, namens het centraal gezag en door de Wet namens het stadsbestuur een ordonnantie uitgevaardigd waarbij voortaan de openbare bedelarij verboden werd.

Op 1 juli werd, met groot succes, de eerste algemene collecte gehouden. Voortaan kregen de 320 invalide bedelaars iedere vrijdag het bezoek van een dismeester of een disklerk die hen het onderstandgeld kwam overhandigen.

Van de ene dag op de andere was het stadsbeeld grondig gewijzigd. Sinds mensenheugenis had men zo een rust en veiligheid niet gekend. Het gunstig onthaal vanwege de bevolking liet dan ook niet op zich wachten. Het ging waarschijnlijk om de meest populaire maatregel die de overheid kon nemen.

Ook bisschop Brenart sprak met grote lof over de nieuwe instelling, aan dewelke hij trouwens later bij testament een belangrijk deel van zijn fortuin zou overmaken. De erudiete Brugse auteur Patrice Beaucourt de Noortvelde schreef: “La face des choses est changée au moïen de cette belle ordonnance[4]”.

We mogen dus met zekerheid aannemen dat de oprichting van de Armenkamer en de afschaffing van de bedelarij een mijlpaal betekende in de geschiedenis van de Brugse gemeenschap. Een mijlpaal of belangrijke gebeurtenis in de achttiende eeuw, werd herdacht door middel van een “Mémoire” (zoals die van Beaucourt), van een huldezang of van een schilderij, prent of tekening.

Zo komen we terug bij onze tekening door Beerblock. Men zal al begrepen hebben dat we de overtuiging hebben dat deze tekening ontstond naar aanleiding van de oprichting van de Armenkamer. Indien hierop inderdaad de leden van de Jointe werden afgebeeld, wat kwamen ze dan wel doen bij de bewoners van het huis boven op de Gruuthusebrug?

Valentin de Stappens de Harnes

De bewoner in kwestie was Valentin de Stappen, telg uit de in Brugge goed ingeburgerde ambtsadellijke familie de Stappens de Harnes. Hij was in 1713 geboren, werd op twintigjarige leeftijd schepen van het Brugse Vrije en was van 1748 tot 1754 burgemeester  van deze bestuursentiteit. Hij huwde in 1738 met Marie Henriette de Nieulant, dochter van schout François de Nieulant. In 1752 stierf zijn vrouw en in 1756 werd de Stappens, in opvolging van zijn schoonvader, schout van Brugge en het Vrije. Hij werd hierdoor de officiële plaatselijke vertegenwoordiger van het centraal gezag, de controleur over de activiteiten van de locale overheid en de medeverantwoordelijke zoniet de hoofdverantwoordelijke voor orde en rust in zijn ambtsgebied.

In 1757 trad hij opnieuw in het huwelijk met Marie Thérèse Damerin de Merlebeke (1717-1792), weduwe van Donat van den Bogaerde en rijke erfgename van haar vader, schepen Willem Damerin. Het echtpaar de Stappens-Damerin woonde in het grote herenhuis aan de Gruuthusebrug en voerde er een aanzienlijke train de vie. Dit huis evenals hun zomerverblijf, het Hof van Beieren in Koolkerke was in grote stijl bemeubeld en gestoffeerd. Valentin de Stappens overleed op 24 mei 1777 en werd na een bijna prinselijke uitvaart bijgezet in de familiekelder in de kerk van de Eekhouteabdij[5].

Dit was de man die bij het tot stand komen van de Armenkamer, de installatie van de Jointe en vooral de ordonnantie op de afschaffing van de bedelarij, een belangrijke, misschien wel essentiële rol speelde. Hij vertegenwoordigde immers een centraal bestuur dat zeer gunstig stond tegenover de Armenkamers en hij had ongetwijfeld de macht en de mogelijkheid om, desnoods met enige zachte druk, de zaken in de gewenste richting te sturen.

Geen enkel document is ons bekend dat deze rol bevestigt. De reeks resolutieboeken die verslag geeft over de beslissingen van het Brugse schepencollege, vertoont een hinderlijk hiaat voor de jaren 1773 tot 1781. Ook burgemeester Robert Coppieters helpt ons niet. In het jaar 1776 was hij nog niet de actieve dagboekschrijver die hij later werd. Hij beperkte zich toen nog tot het optekenen van wat tijdens de vakantie gebeurde, waanneer hij op zijn buitenverblijf in Oostkamp resideerde. Wél noteerde hij dat hij op 24 juli en 14 augustus speciaal naar Brugge terugkeerde om vergaderingen van de Jointe voor de bedelarij bij te wonen[6]. De kroniekschrijver Jozef Van Walleghem helpt ons evenmin. Zijn dagboeknotities voor 1776 ontbreken in de bewaarde reeks[7].

Het resolutieboek van de Jointe van de Armenkamer is zuinig met gegevens die niet tot zijn ambtelijke beslissingen behoorden en leert ons dus niets over de omstandigheden waarin de werking begon.[8] Het is eigenlijk, afgezien van de zekerheid die we hebben dat de Stappens ambtelijk betrokken was bij het uitvaardigen van de ordonnantie, door de tekeningen van Beerblock dat we de bevestiging krijgen dat hij in de ganse zaak een voorname rol had gespeeld en dat deze rol alvast door de leiding van de Jointe werd erkend en gewaardeerd.

De betekenis van de tekening

Na alle voorliggende gegevens op een rijtje te hebben gezet, komen we tot onze verklaring van de tekening.

Kort voor of na 26 juni 1776 kwamen acht afgevaardigden bij schout de Stappens hun opwachting maken. Ze werden begroet door de schout en zijn echtgenote en een tekst in verband met de afschaffing van de openbare bedelarij werd voorgelezen en hem overhandigd.

Welke tekst? Ofwel ging het om de Resolutie der 7 disschen nopende de bedelrije die op 10 juni werd ondertekend door afgevaardigden van de zeven parochiale dissen en die een oproep was, gericht tot de overheid, om met nieuwe methodes de bedelarij te bestrijden. In dit geval zouden de personages de zeven vertegenwoordigers verbeelden van elk van de dissen en de achtste zou de pastoor van Sint-Jacob zijn die als vertegenwoordiger van de parochiegeestelijkheid de resolutie mee ondertekende.

Ofwel ging het om het Rekwest tegen de openbare bedelarij, opgesteld door de nieuw opgerichte Jointe in haar vergadering van 21 juni 1776, of om de Ordonnantie op 26 juni 1776 genomen door "den Heere” (het centraal gezag) en door de Wet van de stad Brugge, waarbij de openbare bedelarij definitief werd verboden. In beide gevallen zouden de acht personages de Jointe uitbeelden: de voorzitter en burgemeester van de Commune Pardo en de zeven hierboven vernoemde leden.

Het lijkt alvast zeker dat de tekening van Beerblock de weergave wilde zijn van een bezoek dat door een aantal mensen bij de Stappens was gebracht, in rechtstreekse relatie tot de oprichting van de Armenkamer. We laten hierbij in het midden of het bezoek werkelijk plaats vond dan wel of het om een allegorische voorstelling ging die de rol wilde verheerlijken die de Stappens had gespeeld bij het tot stand komen van de nieuwe reglementering.

Moest de tekening van Beerblock dienen als illustratie bij een huldeadres? Of voor het drukken van een prent? Niet onmogelijk. De meest logische uitleg lijkt echter wel dat het hier om een uitgewerkte schets ging, als voorstel voor het maken van een schilderij. Dit zou dan meteen uitleggen waarom de personages in betrekkelijk eenvoudige klederdracht en zonder pruik waren afgebeeld. Voor een ontwerptekening op klein formaat moest de schilder alleen maar aangeven hoe hij de verschillende acteurs wilde opstellen.

Het is niet onredelijk te veronderstellen dat Valentin de Stappens, die het hoofdpersonage is op de tekening en waarvan men weet dat hij op brede voet leefde[9], het ontwerp aan Beerblock besteld. Het feit dat hij enkele maanden later, in mei 1777 overleed, zou dan uitleg kunnen geven voor het feit dat het schilderij niet werd uitgevoerd. Tenzij… het toch werd uitgevoerd en vroeg of laat wellicht in een privé-verzameling zou opduiken?

De tekening met de classicistische gevel

Een bijkomend vraagteken wordt gesteld in verband met de tekening met classicistische gevel, die duidelijk onafgewerkt is gebleven. In de inventaris van de tekeningen, opgemaakt door de conservators van het Groeningemuseum, werd de veronderstelling geopperd dat het hier om een latere kopie ging[10].

Zou het niet evengoed een eerste schets kunnen geweest zijn, die wellicht minder in de smaak viel bij de opdrachtgever(s) en daarom werd vervangen door de definitieve tekening met de gotische gevel? Werd de classicistische gevel wellicht te “modern” bevonden of ondervond de tekenaar wat teveel moeilijkheden om tussen de vele colonnes de personages – het echtpaar de Stappens en de acht leden van de Jointe – op behoorlijke wijze op te stellen? En één symbolische bedelaar werd wellicht geprefereerd boven de drie die op de tekening met classicistische gevel voorkwamen.

Nog andere verklaringen

In de loop van ons onderzoek hebben we nog andere eventuele verklaringen voor de tekeningen gevonden.

Kunnen ze iets te maken hebben met graaf d’Ursel, heer van Gruuthuse, die elk jaar zeven arme Bruggelingen van kledij voorzag en hen hiervoor een uniform grijs pak bezorgde? Er was rond 1776 hierover nogal wat te doen, o.m. binnen de Jointe van de Armenkamer, die zich het recht poogde toe te eigenen om de beneficianten aan te duiden van deze vrijgevigheid en er tevens op aandrong dat het opzichtig “bedelaarspak” zou worden vervangen door gewone kledij[11]. Tegen deze uitleg pleiten nochtans verschillende elementen: de heer van Gruuthuse zou zich toch voor zijn voormalig paleis hebben laten konterfeiten, eerder dan voor de (zelfs gefingeerde) woning van de schout? En de acht heren – waarvan één een tekst voorleest – zien er geen bedelaars uit. Wat zou dan trouwens die ene bedelaar in zijn sjofele plunje komen doen, als het ging om de verheerlijking van de milde schenker van nieuwe pakken? En daarbij, d’Ursel bezorgde kledij voor zeven dompelaars, niet voor acht.

Een andere mogelijkheid zou wellicht te vinden zijn bij Philippe de Stappens (1742-1784), zoon van de schout, die van 1777 tot 1784 in het ouderlijk huis woonde. Ook hij leefde met grote sier en kan wellicht enige fundatie gesticht of gift gedaan hebben die hij in een prent wilde vereeuwigen. Tegen deze uitleg pleit evenwel de aanwezigheid van een vrouw: de Stappens was in 1779 kerkelijk uit de echt gescheiden van Petronilla van Outryve (1748-1814) en in ieder geval wijst niets in de geraadpleegde bronnen erop dat de geldverspillende de Stappens op het caritatief vlak een gedenkwaardige daad zou hebben gesteld[12].

Een andere mogelijke uitleg brengt ons bij Emmanuel Louis van Outryve d’Ydewalle (1745-1827) die in 1784 het huis van zijn met schulden beladen ex-schoonbroer aankocht en er tot aan zijn dood bleef wonen. Hier huwde hij in 1787 met zijn tweede vrouw, Anna de l’Espée (1763-1827) en het is wellicht niet uit te sluiten dat hij bij die gelegenheid of later een bijzondere daad ten gunste van de armen zou hebben gesteld. In dit geval zou de tekening van na 1792 kunnen dateren en uitleg kunnen geven voor het ontbreken van pruiken, maar dan weer niet voor de kledij die nog eerder 18de-eeuws aandoet. In dit geval zou ook enig verband kunnen gelegd worden tussen de tekening met de classicistische gevel en de inderdaad in deze stijl door van Outryve d’Ydewalle verbouwde toegang tot het huis, aan de tuinzijde, zoals we die tot op vandaag nog kennen.

In ieder geval was Beerblock op het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw nog volop bedrijvig en is het materieel mogelijk dat hij een opdracht zou hebben uitgevoerd voor Emmanuel van Outryve. Tegen deze uitleg pleit evenwel dat we geen enkele sluitende uitleg hebben, voor de betekenis van een dergelijk tafereeltje in verband met deze bewoner[13].

We kunnen ook nog een andere veronderstelling maken. De gekleurde en afgewerkte tekening zou door Beerblock kunnen gemaakt zijn in 1776 voor een gebeurtenis met de Stappens als centrale figuur en de tweede veel minder afgewerkte tekening zou door hem of door een navolger veel jaren later gemaakt zijn voor een gebeurtenis waar dan iemand anders – wellicht Louis Emmanuel van Outryve d’Ydewalle – centraal stond. Maar nu drijven we de hypothesen wat ver.

Hoe dan ook, de afgebeelde gebeurtenis of gebeurtenissen had of hadden zeker iets te maken met armenzorg en liefdadige zorg voor bedelaars en verminkten. Daarom, ook al zijn niet alle twijfels weggenomen, blijf ik bij mijn eerste uitleg, die me de meest logische en aanvaardbare lijkt en waarvoor het grootste aantal coherente elementen aanwezig is. Tenware vroeg of laat weer nieuwe elementen zouden gevonden worden. Jan Beerblock (maar was hij wel de auteur van beide werkjes?) heeft alvast voor een boeiend enigma gezorgd[14].

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Brugs Ommeland, 1983, blz. 453-468, met illustraties).


[1] E. HOSTEN en E. STRUBBE, Catalogus Stedelijk Museum voor Schone Kunsten, Brugge, 1931.

[2] P. BONENFANT, Le problème du paupérisme en Belgique à la fin de l’ancien régime, Brussel, 1934 en Y. VAN DEN BERGHE, a.w.

[3] E. COPPIETERS-STOCHOVE, Essai d’introduction à Bruges de l’industrie des filets de pêche 1766-1769, in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1935, blz. 102-107.

[4] P. BEAUCOURT DE NOORTVELDE, Mémoire sur les moyens de détruire la mendicité en rendant les mendiants utiles à l’état sans les rendre malheureux (10 mei 1777), bewaard in: Archives départementales de la Marne, Câlons sur Marne, série I, I. J. 39.

[5] Stadsarchief Brugge, Staten van goed, 2de reeks, n° 17485; a; janssens de bisthoven, a.w., blz. 7-8.

[6] Stadsbibliotheek Brugge, Dagboek Robert Coppieters, handschrift, blz. 42-43.

[7] Stadsarchief Brugge, Dagboek Van Walleghem, oorspronkelijk handschrift.

[8] Archief OCMW Brugge, Afdeling F, cage 5, Resolutieboek van de Jointe aangesteld tot uytroeyinghe der bedelaty binnen de stadt Brugge inghevolge de resolutie van de dischmeesters der seven parochien der stede van Brugge.

[9] Zie o.m. in het Gruuthusemuseum de prachtige beker met het wapen van Valentin de Stappens, voor hem gemaakt in 1766 door François Ryelandt (V. VERMEERSCH, Catalogus zilver en wandtapijten, Brugge, 1980, blz. 156-157).

[10] Groeningemuseum, inventaris Steinmetzkabinet.

[11] Archief OCMW Brugge, Resolutieboek “Jointe”.

[12] Stadsarchief Brugge, Staten van goed, 2de reeks, nrs. 13452, 13731, 16878, 17487.

[13] S. VAN OUTRYVE D’YDEWALLE, Souvenirs de la famille van Outryve d’Ydewalle, Brugge, 1956, blz. 3 en 17-19.

[14] Met mijn dank aan Luk De Vliegher, Aquilin Janssens de Bisthoven, Willy Leloup, Yvan Van den Berghe en André Vandewalle die de twijfels hielpen wegnemen.

www.andriesvandenabeele.net