Bisdom Utrecht

Na 1200 werd de band met de Duitse koning losser en verkreeg de paus meer invloed: bij geschillen over de bisschopskeuze besliste hij voortaan. De bisschoppen moesten in toenemende mate rekening houden met de wensen van de Utrechtse burgerij en met het generaalkapittel, waarin de kanunniken van de dom en de andere kapittelkerken in het bisdom zitting hadden (en dat de nieuwe bisschop koos). Ook ontstonden regelmatig conflicten en zelfs oorlogen met de graven van Holland en Gelre.

Over een deel van het bisdom oefende de bisschop ook de wereldlijke macht uit. Dit gebied brokkelde geleidelijk af, onder meer doordat de Veluwe in leen werd gegeven aan de graven van Gelre. Vanaf de twaalfde eeuw was de bisschop wereldlijk machthebber in het Sticht of Nedersticht (ongeveer de huidige provincie Utrecht) en het Oversticht (Overijssel). Drenthe en Groningen ontsnapten grotendeels aan zijn gezag.

In 1433 kwamen Holland en Zeeland definitief aan de Bourgondische Nederlanden. In datzelfde jaar stelde de Bourgondische hertog Filips de Goede een stadhouder over beide gewesten aan. Het jaar daarop werd het stadhouderschap ook ingevoerd in Vlaanderen en Henegouwen. Later volgden de andere gewesten.

In de Late Middeleeuwen probeerden BourgondiŽrs en Habsburgers hun invloed over het bisdom uit te breiden door familieleden tot bisschop te laten benoemen: David van BourgondiŽ (r. 1457-1496) en Filips van BourgondiŽ (r. 1517-1524) waren bastaardzoons van Filips de Goede, Frederik van Baden (r. 1496-1517) een neef van Maximiliaan I. In 1528 stond de bisschop zijn wereldlijke macht over Neder- en Oversticht af aan Karel V. Deze bepaalde in 1534 dat de stadhouder van Holland en Zeeland ook stadhouder van Utrecht zou zijn.

In 1559, bij de kerkelijke herindeling van de Nederlanden, werd Utrecht zetel van een aartsbisschop. In 1580 werd het katholicisme in Utrecht verboden en het aartsbisdom opgeheven. Pas in 1853 werd in Nederland de bisschoppelijke hiŽrarchie hersteld en kreeg Utrecht weer een aartsbisschop.

 

 

(Aarts)bisschoppen van Utrecht, 695-1580

Als stichtingsdatum van het bisdom Utrecht wordt meestal 695 aangehouden. Willibrord werd toen aartsbisschop van de Friezen; later, in 703 of 704, werd Utrecht zijn residentie. Vanaf omstreeks 777 tot 1580 regeerden er vrijwel onafgebroken Utrechtse bisschoppen. In deze periode ontstond tweemaal een schisma. Tussen 1196 en 1197 en van 1425 tot 1448 (het 'Utrechts schisma') eisten twee kandidaten de bisschopszetel op. In beide gevallen werd het conflict door pauselijk ingrijpen beslecht. In 1559, na de kerkelijke herindeling onder Filips II, werd Utrecht een aartsbisdom. In 1580 werd het katholicisme er verboden en hield het aartsbisdom op te bestaan. Pas in 1853 werd het heropgericht. Over de regeringsjaren van sommige bisschoppen bestaat geen overeenstemming.

 

Willibrord (Clemens) (695-739)
Wera (?) (739?-752/3)
Eoba (alleen wijbisschop?) (753-754)
Alberik I (na 777-784)
Theodardus (784-790)
Hamacarus (790-806)
Ricfried (806-ca. 820)
Frederik I (ca. 820-829)
Alberik II (835/7-845)
Eginhard (ca. 845)
Liudger (ca. 848-voor 854)
Hunger (voor 854-866)
Adalbold I (866-899)
Radboud (899/900-917)
Balderik (917/8-975/6)
Folcmar (Poppo) (976-990)
Boudewijn I (991-995)
Ansfried (995-1010)
Adalbold II (1010-1026)
Bernold (1026/7-1054)
Willem I (1054-1076)
Koenraad (1076-1099)
Burchard (1100-1112)
Godebold (1114-1127)
Andreas van Cuijk (1127/8-1139)
Hartbert (1139-1150)
Herman van Hoorn (1151-1156)
Godfried van Rhenen (1156-1178)
Boudewijn II van Holland (1178-1196)
Arnold I van Isenburg (1196-1197)
Dirk I van Holland (1196-1197)
Dirk II van Are (van Ahr) (1197/8-1212)
Otto I van Gelre (1212-1215)
Otto II van Lippe (1216-1227)
Wilbrand van Oldenburg (1227-1233)
Otto III van Holland (1233-1249)
Gozewijn van Amstel (van Randerath) (1249-1250)
Hendrik I van Vianden (1250/2-1267)
Jan I van Nassau (1267-1290)
Jan II van Sierck (1290-1296)
Willem II Berthout (1296-1301)
Gwijde (Guy) van Avennes (1301-1317)
Frederik II van Sierck (1317-1322)
Jacob van Oudshoorn (1322)
Jan III van Diest (1322-1340)
Jan IV van Arkel (1342-1364)
Jan V van Virneburg (1364-1371)
Arnold II van Hoorn (1371-1379)
Floris van Wevelinkhoven (1379-1393)
Frederik III van Blankenheim (1393-1423)
Rudolf van Diepholt (1423-1455)
Zweder van Culemborg (1425-1433)
Walraven van Meurs (1434-1448)
Gijsbrecht van Brederode (1455-1456)
David van BourgondiŽ (1456-1496)
Frederik IV van Baden (1496-1517)
Filips van BourgondiŽ (1517-1524)
Hendrik II van Beieren (1524-1529)
Willem III van Enckenvoirt (1529-1534)
Georg van Egmond (1534-1559)
Frederik V Schenck van Toutenburg (1559-1580)