Biervliet
Met verscheidene andere plaatsen in Zeeland heeft Biervliet dit gemeen, dat het in de plaats getreden is van een ouder dorp of stad, in de onmiddellijke nabijheid gelegen, dat door de zee verzwolgen werd. Wie thans het eenvoudige dorp met zijn verstrooide huizen en zijn eerst uit de tweede helft der zeventiende eeuw dagteekenende kerk bezoekt, een weinig ten westen van waar vroeger de Braakman de natuurlijke grens vormde tusschen het oostelijk en westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, zal zich bezwaarlijk kunnen indenken, dat Biervliet in de middeleeuwen een zeer welvarende en alom bekende havenstad is geweest, wier naam op menige bladzijde der geschiedenis gevonden wordt. De historische gebeurtenissen, die ons Biervliet in de herinnering roepen, te verbinden aan de tegenwoordige plaats van dien naam, ware dan ook onjuist: zij hebben betrekking op het oudere Biervliet, dat sinds eeuwen spoorloos verdwenen is.
Biervliet ontleent haar naam wellicht aan een der zeearmen, de Beverna, later het Jonkvrouwengat geheeten, die het omgaf; de naam van dit water wordt reeds vermeld in een charter van 984. Oorspronkelijk was het een eilandje; wegens zijn gunstige ligging voor zeevaart en handel scheen dit een aangewezen plaats tot het vestigen van een nederzetting. Zoo ontstond, het is niet bekend wanneer, het oude Biervliet, dat in 1075 bij de grensbepaling van het bisdom Utrecht, waaronder het ressorteerde, als Bierfletum voorkomt. Het wereldlijk gebied van de plaats kwam den graven van Vlaanderen toe, die haar voor en na met privileges begiftigden. In 1183 schonk graaf Philips van den Elzas, in tegenwoorigheid der schepenen van Gent, vrijdom van tollen door Vlaanderen aan zijn burgers te Biervliet, en verklaarde hen tevens niet onderworpen te zijn aan de bepalingen der Hanze. Biervliet was toen reeds een der 28 besloten steden van het rijke Vlaanderen, en voorzien van een sterk kasteel, waar de graven zich van tijd tot tijd in ophielden.
Enkele jaren later, omstreeks 1183, liet Philips van den Elzas te Biervliet vijf-en-tachtig Fransche en andere edellieden ter dood brengen, omdat zij zijn bruid Mathilda van Portugal op de reis van haar vaderland naar Vlaanderen op zee hadden willen oplichten met verbreking van den gesloten vrede.
In de twaalfde en dertiende eeuw was Biervliet een belangrijke handelsstad.1) Een viertal poorten gaven toegang tot haar straten en pleinen, waaraan zich menig aanzienlijk gesticht verhief. De stad bezat twee parochiekerken. waarvan de eene aan de Heilige Maagd, de andere aan St. Nicolaas gewijd was. Er waren minstens drie kloosters; het huis van de H. Elisabeth, het klooster van de H. Maria Magdalena, en het klooster der Guilielmiten; het laatstgenoemde lag buiten de wallen. Verder vond men er een gasthuis en een schuttershof.
In 1241 wordt de Biervlietsche kermis de meest bezochte in den omtrek genoemd. In 1258 beschenkt gravin Margaretha van Vlaanderen de stad met keuren, en later met haar zoogenaamd groot-privilege aangaande den vrijdom van het zout. De gunstige ligging maakte haar voor samenkomsten en samensprekingen van allerlei aard geschikt; zoo vergaderden hier in 1284 al de geestelijken der Vier Ambachten, om hun bedreigde belangen met elkaar te bespreken. In 1290 kwam graaf Floris V, steunend op het vorstelijk woord van hertog Jan I van Brabant, zijn zwager, naar Biervliet, om er een samenspreking te hebben met zijn schoonvader, graaf Guy van Dampierre; deze liet Floris V echter gevangen zetten, en dwong hem een nadeelig verdrag en een groot losgeld af, dat nooit betaald werd. In 1300 werd te Biervliet het verdrag gesloten tusschen graaf Jan II en Jan van Renesse, het hoofd der opstandige Zeeuwsche edelen; Biervliet werd bij die gelegenheid aangewezen als de plaats waar de gijzelaars moesten verblijven, gesteld tot verzekering van deze overeenkomst.
In het begin der veertiende eeuw vond Willem Beukelsz. hier het haringkaken uit, tengevolge waarvan de haringvisscherij, een der voornaamste bronnen van bestaan voor de bevolking, een grooten vlucht nam. De visschers van Biervliet waren in die dagen overal bekend, en - wat minder eervol is - dikwijls als zeeschuimers gevreesd.
In 1338, het eerste jaar van den Honderdjarigen oorlog, werd Biervliet voor de eerste maal ingenomen. Na de nederlaag van Kadzand waren de Leliaerts, de Franschgezinde Vlamingen, naar het kasteel van Biervliet geweken, dat zijn landsheer getrouw gebleven was. 22 April monsterde Jacob van Artevelde zijn troepen op het Kouter te Gent, en trok vervolgens met deze en een aantal belegeringswerktuigen tegen Biervliet op, dat zich weldra moest overgeven. Een halve eeuw later, in April 1384, waren het weer de Gentenaren, die de stad met eenige gewapende vaartuigen trachtten in te nemen; ditmaal werden ze echter afgeslagen. Het volgend jaar hernieuwden ze, ditmaal door Engelsche troepen ondersteund, hun pogingen, maar de bezetting, onder bevel van den burchtvoogd Hasa, versterkt door Hollandsche en Zeeuwsche hulptroepen onder Willem van Oostervant, den zoon van hertog Albrecht van Beieren, weerde zich zoo dapper, dat de aanvallers met verliezen moesten aftrekken.
Het was te Biervliet, dat Jan van Beijeren, bisschop van Luik, in 1417 het verdrag teekende, waarbij hij aan zijn jeugdige nicht Jacoba toestemming gaf tot het huwelijk met hertog Jan IV van Brabant. 1
In 1451 beproefden de Gentenaren wederom tevergeefs Biervliet in te nemen. Kort daarop schaarde de stad zich echter aan de zijde, der Vlaamsche steden, en zoo had zij zich in 1488 te verdedigen tegen aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, die naar men zegt met een leger van wel twaalfduizend man voor haar wallen verscheen, maar weldra de belegering moest opgeven. De Biervlieters volgden met gewapende roeischuiten de wijkenden schepen, en namen er drie, waarop zich een aantal edelen en Duitsche soldaten bevonden, die den 23ster, Augustus 1488 gevankelijk binnen de stad werden gebracht.
Een vijand, waartegen de rijke koopstad zich echter op den duur niet verdedigen kon, was de zee. Voortdurend heeft Biervliet van overstroomingen te lijden gehad; zoo door den stormvloed van 16 November 1377, toen de dijken bij Biervliet bezweken, en
't Landt te Biervliet, ende zeventien dorpen, o wach!
Ende die Piete liepen in nae Sinte Maertens dach,
bij welke gelegenheid de zeeboezem van den Braakman ontstond; zoo ook door de overstroomingen van 1404, 1440, 1470 en den Allerheiligenvloed van 1570. Na dezen laatsten vloed was er buiten de muren van Biervliet bijna geen land meer over. Het oude kasteel, aan de oostzijde van de stad gelegen, was bijna geheel door de wateren verzwolgen; slechts een der zware torens stond nog overeind en werd als gevangentoren gebruikt. De bevolking had elders een veiliger woonplaats gezocht; na het doorsteken der dijken in 1583 bestond ze uit niet meer dan achttien of twintig gezinnen. Reeds in April 1572 hadden de Watergeuzen van Vlissingen uit zich meester gemaakt van de vervallen stad, die sindsdien, ook toen Parma geheel Zeeuwsch-Vlaanderen veroverde, aan de zijde der Staten en onder het bestuur van de Gecommitteerde Raden van Zeeland, het zoogenaamde Committimus, bleef. Toen de stad in 1589 door de Spanjaarden, vooral uit Bochoute, ernstig bedreigd werd, besloten de Staten dit punt, dat uit strategisch oogpunt van belang was, te versterken. Het oude Biervliet was echter te uitgebreid, om het geheel met bolwerken te kunnen voorzien; ook was de stad in dezen tijd zoo vervallen, dat omstreeks 1580 reeds vergund was geworden om de inkomsten der verlaten kerken tot onderhoud der dijken te gebruiken. Om deze redenen werd, een weinig ten noordwesten van de stad, een fort aangelegd. Reeds in Maart 1590 hadden de Staten van Zeeland er bij Hunne Hoogmogenden op aangedrongen, om deze vestingwerken, naar het plan van Prins Maurits, ten uitvoer te laten brengen. Het zou echter 1603 worden, eer Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de Zeeuwsche Staten konden berichten, dat zij het nu eindelijk voltooide fort, dat in den vorm van een regelmatigen vijfhoek was gebouwd, met twee en een halve kompagnie krijgsvolk bezet hadden.
Uit dit fort is het tegenwoordige Biervliet ontstaan. Het oude Biervliet, eenmaal een der bloeiendste plaatsen van Vlaanderen; rijk en aanzienlijk door handel en zeevaart, door haringvisscherij en zoutnering, was weldra spoorloos verdwenen. Wanneer Petrus Hondius in het begin der zeventiende eeuw de voormalige stad bezoekt, treft hij er niet meer dan een tien- of twaalftal schamele hutten aan. En wandelend over de puinhoopen der eenmaal zoo welvarende stad, denkt de predikant van Terneuzen aan de wisselvalligheid van al het aardsche en de lotwisselingen, die menschen en steden gelijkelijk te beurt vallen: