Personen

Comenius        Jan Amos Komensky

Comenius, Johan Amos, eigenlijk: Jan Amos Komenský (Niwnitz, in Moravië, 28 maart 1592 – Amsterdam 15 nov. 1670), Tsjechisch theoloog, filosoof en opvoedkundige, werd na theologische studie te Herborn in 1614 schoolhoofd in Prerau en in 1618 predikant bij de Boheemse Broeders. Hij verloor zijn bibliotheek toen hij door de Dertigjarige Oorlog uit Bohemen werd verdreven, terwijl zijn vrouw en twee kinderen ten gevolge van de pest omkwamen.

In 1628 vestigde hij zich te Lissa (thans: Leszno) in Polen, waar zijn Janua linguarum reserata ontstond, een Latijns leerboek in nieuwe vorm, dat zeer vele uitgaven beleefde. Hier schreef hij tevens de Didactica magna.

In 1642 vertrok hij op uitnodiging van Lodewijk de Geer naar Zweden, waar hij in opdracht van Oxenstierna werkte aan de hervorming van de Zweedse scholen. Na zijn terugkeer naar Lissa in 1648 werd hij tot bisschop van de Boheemse Broeders gekozen.

In 1650 stichtte hij in Hongarije een soort proefschool in pansofistische geest, die echter niet tot bloei kwam. Nieuwe oorlogen en de verwoesting van Lissa door de Polen deden hem ten slotte in 1656 de wijk nemen naar Amsterdam, waar hij een drukkerij oprichtte. In 1670 werd hij te Naarden begraven, waar zich ook het Comeniusmuseum bevindt.

Comenius vatte het christendom principieel, maar oecumenisch op. Een chiliastische trek loopt door zijn werk: het doel van de mens op aarde is ervoor te zorgen dat de wereld in orde wordt gemaakt voor Christus' wederkomst. Orde zag hij als een internationale rechtsorde, gefundeerd op een harmonische cultuur. Een internationaal genootschap van geleerden, geholpen door een internationale taal, zou dit mogelijk maken.

De cultuur moest een systematisch geheel zijn van wezenskennis en alwijsheid (een pansofie). Dit in tegenstelling tot de idee van encyclopedische allround vorming (de polyhistoria) van de Verlichting. De opvoeding zou de juiste mensen voor deze taak moeten vormen; zij bekleedt dan ook de centrale plaats in zijn werk.

Zijn belangrijkste opvoedkundig werk, de Pampaedia, dat pas in 1935 is ontdekt, maakt het vierde deel uit van een groot werk in zeven delen, dat een plan bevat voor het realiseren van een christelijke samenleving: De rerum emendatione consultatio catholica (= Algemene consultatie over de verbetering der menselijke zaken) (volledige uitgave 1966). Verdere opvoedkundige gedachten vindt men in de Didactica magna, die feitelijk een fundamentele pedagogiek is.

Comenius benadrukte in dit verband de grote betekenis van het kind: de jeugdjaren waren door God geschonken om de mens tot ware humaniteit te brengen. Zoals zijn hele werk een pansofie trachtte te zijn, was dit ook het geval met zijn leerplan: het is systematisch opgebouwd en geeft het wezenlijke van de dingen.

Het wezenlijke is zichtbaar in de bijbel, die van God spreekt, in de cultuur, het werk van Gods medewerkers, Zijn indirecte schepping als het ware, en in de natuur, Gods directe schepping. Zij vormen een panharmonie. Bijbelonderwijs, kennis van de humaniora en van de realia waren dus de onderwijsvakken.

Op grond van zijn theologische antropologie was Comenius voorstander van volksonderwijs. Observatie, inductie en zelfwerkzaamheid van de leerlingen zijn, vergeleken met de Latijnse scholen uit zijn tijd, opzienbarende noviteiten.

Comenius schreef in 1658 ook een schoolboek, de Orbis sensualium pictus (= de zichtbare wereld). Het bevat plaatjes met daaronder de Latijnse tekst en de vertaling in de landstaal. Het werd zijn meest bekende werk: Johann Wolfgang Goethe heeft er nog lezen uit geleerd.

UITG: en VERT: Een nieuwe kritische editie van de Opera omnia verschijnt sinds 1969 te Praag onder red. v. A. : karka; Opera didactica omnia (4 dln., 1657; heruitg. in 3 dln., 1957); Informatorium der Mutterschul, uitgeg. d. J. Heubach (1962); Grosse Didaktik, uitgeg. d. A. Flitner (21960), d. H. Ahrbeck (21961); Grote onderwijsleer, Ned. vert. uit het Lat. d. J.H. Huyts (21918); Pampaedia, uitgeg. en vert. d. D. Tschizewsky, H. Geissler en K. Schaller (1960); Orbis pictus (1967; facsimile-uitg. van de 3de editie, 1672, verzorgd en ingel. d. J. Bowen); Prodromus pansophiae, uitgeg. d. H. Hornstein (1963); Panaugia, heruitgeg. d. D. Tschizewsky (1970). – R.A.B. Oosterhuis vertaalde enkele theologische en stichtelijke werken: Het labyrint der wereld en het paradijs des harten (1926; 31983), Het testament van de stervende moeder der Broeder-Uniteit (1928); Eén ding is nodig (1929; 21983), De engel des vredes (1932); R. Limburg, in: De levende gedachten van Comenius (1950).

Pedagogické Mezum Jana Amose komenského v praze
Valdstejnska 20
Praha 1- Malastrana
www.pmjak.cz

 

 

Comenius meer