Jodendom

TOSEFTA

De betekenis van het woord Tosefta is toevoeging. Het hiermee aangeduide werk is een verzameling verklaringen en discussieopmerkingen van Tanna'iem, die in nauw verband staan met de Misjna. In de Tosefta worden vaak de namen van Tanna'iem genoemd, die in de Misjna anoniem blijven. Het boek is evenals de Misjna verdeeld in zes delen, die ieder weer onderverdeeld zijn in traktaten en hoofdstukken. In grote lijnen komt deze onderverdeling overeen met die van de Misjna, met uitzondering van vier traktaten, die in de Misjna wel voorkomen, nl. Awot uit bet 4e deel en de traktaten Tamied, Midot en Kiniem uit het 5e deel.
De Tosefta is een op zichzelf staand werk, zodat het moeilijk blijft te verklaren waarom het de naam Tosefta heeft gekregen. Toevoeging aan wat? Er zijn hieromtrent verschillende opvattingen. Vol­gens sommigen is de Tosefta de Palestijnse versie van de Misjna (Zuckermandel); anderen (onder wie Albeck) menen, dat de auteurs van de Babylonische Talmoed niet op de hoogte waren van het bestaan van de Tosefta. Tussen deze twee uitersten bewegen zich de visies omtrent het ontstaan van de Tosefta. Wel is het zo, dat in gevallen van twijfel tussen de opvatting van de Babylonische en de Palestijnse Talmoed, de Tosefta altijd de Palestijnse volgt. Waar­schijnlijk is de Tosefta een verzameling van de lessen van Rabbi Nechemja, die een leerling was van Rabbi Akiwa. De verhouding tot de Misjna is niet duidelijk. Sommige stukken van de Tosefta, die Baraitot genoemd worden, zijn varianten van in de Misjna voorkomende stukjes; anderen worden nergens in de Misjna gevonden. In ieder geval is de Tosefta nimmer 70 populair geworden als de Misjna, hoewel hij even oud is en dezelfde onderwerpen behandelt. Misschien ligt de verklaring in het feit, dat hij veel minder helder geschreven is.
De eerste editie van de Tosefta is die van Alfasi, uitgegeven in Venetië in 1521. De belangrijkste commentator is Sjemoe'eel ben Avigdor, bijgenaamd Tanna Tosefa'a geweest.
Er volgt nu een vertaling van de eerste regels van het eerste hoofdstuk van het eerste traktaat van het eerste boek van de Misjna, nl. het traktaat Berachot, seder Zera'iem.

'Vanaf hoe laat 's avonds zegt men het 'Sjema'? [over het lezen van het Sjema, zie Deuteronomium 6,4-9; 11,13-21].
Vanaf het ogenblik, dat de priesters naar binnen gaan (in de tem­pel) om van hun teroema te eten. [De teroema is dat deel van de oogst, dat de boeren moeten afstaan aan de priesters; de priesters reinigden zich ritueel voordat zij na zonsondergang van de teroema aten. Zie Leviticus 22,7]. Rabbi Eliëzer zegt: tot aan het einde van de eerste wacht [d.i. de eerste ronde van de nacht, die in drie waken was verdeeld. Zie Klaagliederen 2,19]. Maar de wij zen zeggen: Tot middernacht. Rabbi Gamaliël zegt: Totdat de zon opgaat. [D.w.z. de gehele nacht, zie Richteren 19,25]. Het gebeurde eens, dat zijn [Rabbi Gamaliels] zonen thuis kwamen van een vrolijk avondje [na middernacht]. Ze zeiden tegen hem: We hebben het Sjema nog niet gezegd. Hij zei tegen hen: 'Als de zon nog niet is opgegaan, ben je verplicht het alsnog te doen'. Bovendien overal waar de wijzen zeggen 'tot middernacht' blijft de plicht dit te vervullen tot zonsopgang.
De plicht om de vetten en de ledematen te verbranden (van de dieroffers) duurt voort tot zonsopgang. En voor de offers, die dezelfde dag gegeten moeten worden, blijft de plicht bestaan tot zonsopgang. Waarom hebben de wijzen dan gezegd 'tot middernacht'? Om een mens te behoeden voor een overtreding."

Ter vergelijking volgt nu dezelfde regel uit hetzelfde traktaat uit de
Tosefta:
['Vanaf hoe Iaat mag men 's avonds beginnen het Sjema te zeggen?'] Vanaf het ogenblik, dat de mensen (hun huizen) binnen gaan om hun maaltijd te nuttigen op Sjabbatavond. Dit zegt Rabbi Meïr. Maar de wij zen zeggen: Vanaf het moment dat de priesters het recht hebben van hun teroema te eten. Het teken hiertoe is het ver­schijnen van de sterren. En hoewel het niet bewezen kan worden, wordt er op gedoeld in Nechemja 4,15 [Vertaling N.B.G. 4,21]:
'Wij waren met bet werk bezig, terwijl de helft van de mannen hun pijlen en lansen vasthield van zonsopgang tot bet verschijnen van de sterren'.