Jodendom

 

JOODS BIDDEN

    Het eerste traktaat uit de Talmoed: Berachot (lofzegging), handelt over het reciteren van de geloofsbelijdenis (Deut.6:4), het dagelijks gebed en de lofzeggingen die men bij allerlei gelegenheden behoort uit te spreken. Veel van de gebeden waar het hier over gaat waren reeds bij Jezus en zijn leerlingen bekend.
      Het is niet toevallig dat de Talmoed met een traktaat over bidden begint. Voor de vrome Jood is immers het gehele leven eredienst. Hij wil God, de Schepper van de wereld, door lofzegging en zegenspreuk eren en belijden. Dat staat in zijn bestaan op de voorgrond. Zo worden alle gebeurtenissen van de dag, ja van het leven, door gebeden begeleid.

1 Wanneer en waar bidden Joden?

De Jood ‘wekt’ de dag met het morgengebed (Sjacharit), het meest uitgebreide van alle doordeweekse gebeden. Hierin geeft de bidder zich in de hand Gods, herinnert zich de Tora, die aan het volk Israël als gave en opgave gegeven is, spreekt de geloofsbelijdenis uit en bidt verder lof-, smeek- en boetegebeden. De dag sluit met het nacht gebed dat een hele reeks van elementen van het morgengebed weer opneemt. Hierin wordt een balans opgemaakt, en gebeden om vergeving van openbare en verborgen zonden die men gedurende de dag bedreven heeft. Het avondgebed loopt uit in een slotakkoord van vertrouwen op vrede en bewaring door God.
Een voorname rol spelen de gebeden naar aanleiding van maaltijden. Dikwijls hebben ze de karakteristieke vorm van de Beracha -meervoud: Berachot- (lofzegging of zegenspreuk) die altijd begint met de woorden: “Geprezen zijt Gij, Eeuwige, onze God, Gij die….
Berachot kunnen naar aanleiding van vele gebeurtenissen gesproken worden, bijvoorbeeld bij bijzondere natuurgebeurtenissen of bij het vernemen van een goede of slechte boodschap; de mens is geroepen God voor alles te loven. Bij bijzondere gebeurtenissen als besnijdenis, huwelijk en sterfgeval behoren eigen, toepasselijke gebeden. Verder zijn er nog gebeden voor bij huiselijke vieringen en voor synagogendiensten.
Men kan thuis bidden of in de gemeente, maar indien mogelijk bidt men samen met anderen. Uit dit korte overzicht kan men opmaken dat er een overeenkomst bestaat tussen joodse en christelijke gebedspraktijk. Maar waar liggen de verschillen?

2 Bijzonderheden van het joodse bidden

Sinds de verwoesting van de Tempel te Jeruzalem (in 70) heeft het gebed voor het jodendom sterk aan belangrijkheid gewonnen. Als het ‘lofoffer der lippen’ is in het in de plaats gekomen van de offers die in de tempel niet meer gebracht kunnen worden. De joodse godsdienst is sindsdien in wezen een gebedsdienst geworden, zowel in gezinsverband als in de synagoge. In de loop de eeuwen ontstond naast de bijbelse psalmgebeden een reeks van vaste of formuliergebeden die in de hebreeuwse of Aramese taal zijn opgesteld. Zij zijn met alle noodzakelijke gebeden voor huiselijk en synagogengebruik opgenomen in het joodse gebedenboek, de sidoer. Er bestaan vele uitgaven van dit boek, meestal met de vertaling in de landstaal op de tegenoverliggende bladzijde afgedrukt.
Het gemeenschappelijke gebed kan in zijn volledigheid slechts met tien mannen of meer (een minjan) van 13 jaar en ouder uitgesproken worden. Vrouwen hebben meer hun taak in het huisgezin, hoewel zij ook de plicht hebben om te bidden.
Het joodse bidden is met vaste gebruiken verbonden. Men begint s’morgens met het wassen van gezicht en handen. Hierbij wordt de bijbehorende beracha uitgesproken. Bij het morgengebed in de synagoge draagt men de gebedsmantel, de tallit, een vierhoekige doek met franjes, ‘schouwdraden’ (tsitsit) aan de hoeken.
Men bidt altijd met gedekt hoofd als teken van eerbied voor God. Bij het dagelijkse morgengebed behoort ook het aanleggen van de gebedsriemen, de tefillien. De gebedsriemen bevatten leren doosjes met daarin vier perkamentrolletjes, die de teksten bevatten van Ex.13:1-10 en 13:11-16 en Deut.6:4-9 en 11:13-21. De ene gebedsriem wordt om de linkerarm gewonden met het doosje ‘tegenover het hart’, de andere wordt gebonden om het hoofd, met het doosje ‘tussen de ogen’. Tijdens de morgendienst op sabbat worden géén tefillien aangelegd. (Het begin van Deut.6 bevindt zich ook in de mezoeza, het kleine kokertje dat in elk joods huis op de deurposten te vinden is. Dit is naar aanleiding van vers 9. Trouwens, het woord mezoeza betekent deurpost.)
Bij het bidden worden de handen niet gevouwen. Menig bidder beweegt zijn bovenlichaam heen en weer, terwijl anderen zich volledig in hun gebedsmantel hullen. Er heerst onder de verschillende richtingen van het jodendom een grote overeenstemming in de wijze van bidden. In het Liberale en Conservatieve Jodendom geeft men ook aan vrouwen steeds meer de gelegenheid om aan het gemeenschappelijke gebed in de synagogendiensten deel te nemen.

3 Karkteristieke joodse gebeden

We kunnen uit de grote schat van joodse gebeden slechts een greep doen. Het kerngebed, dat tevens geloofsbelijdenis is is het Sjema Jisraeel: ‘Hoor, Israël; de HERE is onze God; de HERE is één!’ (Deut.6:4). Het wordt dagelijks in het morgen- en avondgebed en bij het sterven gebeden. Het is de nooit aflatende oproep om zijn vertrouwen op God te stellen. Het hoofdgebed in de eredienst is het z.g. ‘achttiengebed’ (Sjemone Esré), dat zijn oude naam behouden heeft, hoewel het sinds lang 19 beden omvat. Inhoudelijk doet het soms denken aan het ‘Onze Vader’, al is het veel langer.
Een van de bekendste gebeden is het Kaddisj, dat ook bij rouw gebeden wordt. Het is de heiliging van de Gods Naam:
“Verheven en geheiligd zij de naam van de Meester, in de wereld die Hij heeft geschapen volgens zijn wil. En moge Hij zijn rijk doen heersen in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis Israëls, spoedig en in nabije tijd. En zegt Amen.
Gezegend zij de naam van de Meester, in de wereld en in de eeuwigheid. Gezegend, geloofd, geprezen, verheven verheerlijkt, geëerd en geroemd zij de Naam van de Heilige, Gebenedijd zij Hij, boven iedere zegening en iedere lofzang, ieder lofprijzing en iedere vertroosting die in de wereld wordt uitgesproken. En zegt: Amen;
Mogen alle gebeden en smeekgebeden van allen van Israël ontvangen worden, door hun vader die in de hemel is. En zegt: Amen.
Gezegend zij de Naam van God, van hier tot in eeuwigheid – opdat een grote vrede van de hemel en het leven over ons kome en over heel Israël. En zegt: Amen.
Mijn hulp komt van God, die de aarde en hemel gemaakt heeft. Hij die vrede schept in de hoge, moge Hij over ons en over geheel Israël vrede brengen. En zegt: Amen.”
Tijdens de tien boetedagen die aan de Grote Verzoendag voorafgaan, wordt het Awinoe Malkenoe gebeden: en litanie waarvan de verschillende beden alle beginnen met: “Onze Vader, onze Koning,……..” Van die 38 beden willen wij hier een kleine bloemlezing geven:
          “Onze Vader, onze Koning, wij hebben tegen U gezondigd!
          … wij hebben geen koning buiten U!
          … doe ons wel om Uws naams wil!
          … vernietig de raadsbesluiten van onze vijanden!
          … verschaf aan de zieke van uw volk een volkomen genezing!
          … laat ons met een volkomen zinsverandering tot U terugkeren!
          … gedenk ons in het boek van, het gelukzalige leven!
          … schrijf ons in het boek van kwijtschelding en vergeving!
          … doe het wegens hen die om uw heilige naam omgebracht zijn!
          … doe het om Uwentwil, zo het al niet om onzent wil kan!
… wees ons genadig en verhoor ons, wij hebben geen verdienste; maar bewijs ons welwillendheid en goedertierenheid en sta ons bij!”

4 Joods en christelijk bidden

Joden en christenen hebben een gezamenlijk bijbels erfdeel: de psalmen. De gebeden van het Nieuwe Testament vinden daar evenzo hun wortels als de gebedsteksten die we in het jodendom aantreffen. De psalmen beïnvloeden ook een groot gedeelte ven de na-bijbelse christelijke gebedsliteratuur. Ook de lofzangen uit het Lucasevangelie zijn puur joodse gebeden die in een Sidoer niet zouden misstaan. Op de overeenkomsten tussen het ‘Onze Vader’ met het Kaddisj en het achttiengebed wordt door joodse en christelijke schrijvers steeds weer gewezen. Dat behoeft ons niet te bevreemden. Voor Jood en christen is God dezelfde Heer, Schepper, Behouder en Voleinder van de wereld. Beiden kunnen in dezelfde woorden God loven en danken, smeken en schuld belijden, bidden en voorbede doen.
De gedachte het gehele leven als een gebed te beschouwen is ook aan het Nieuwe Testament niet vreemd (zie bijv. Luc. 18:1-8; Fil 4:6; 2 Tess 1:11; Hebr. 13:15).
Hoe treffend deze overeenkomsten ook zijn, zij mogen ons niet onze ogen doen sluiten voor de verschillen die er zijn tussen joods en christelijk bidden. Het belangrijkste is wel, dat een Jood gelooft dat hij een onmiddelbare en directe toegang heeft tot God: “Er is niets tussen u en uw schepper”. Elk jaar zal de dakbedekking van de loofhut hem van dit grote feit spreken dat hij direct voor Gods aangezicht gesteld is. De zonden die tussen de mens en zijn schepper in kunnen staan, wil God liefderijk en genadig vergeven wanneer wij Hem onze zonden belijden (zie bijv. Psalm 31:5; 103:3, 10-13; Jes.1:18; Jer. 31:34). De Here doet dat uit eigen, vrije beschikking, uit goedertierenheid en erbarmen.
Christenen hebben geleerd ‘door Jezus Christus onze Heer’ tot God te bidden. Hij is de middelaar die ons met God heeft verzoend en alle gebeden die een christen tot God opzendt, zijn “in Jezus’ naam”.
Achter deze beide wijzen van bidden gaat een duidelijk verschil van inzicht vooraf over zondeval, staat van de mens voor God en de wijze van verlossing. Het is een wezenlijk verschil van inzicht, dat ook de persoon van Jezus Christus omvat.
Bij alle oprechte vreugde die men beleeft bij het ontdekken van wat we gezamenlijk hebben, mogen we hetgeen dat ons scheidt niet bagatelliseren. Daar is jood nog christen mee gediend.