De jonge plantjes zijn heel fragiel en kunnen absoluut niet tegen vorst en koude wind, ze moeten dus beschermd worden. Zonder bescherming tegen deze weersinvloeden zou het voordeel van het vervroegd uitplanten volledig teniet gedaan worden.
Het is best de grond wat voor te verwarmen door al een paar weken op voorhand een mini-serre te plaatsen op de plaats waar het plantje moet komen; in een grote serre hoeven we dit natuurlijk niet te doen.
Een mini-serre is heel simpel te maken met gebogen PVC-buizen of een houten constuctie waarover men een plastiek legt, deze laatste moet goed verankerd worden in de grond. Maak de serre echter niet te klein want de plantjes groeien heel snel.
Ofwel planten we het plantje in een grote (tunnel) serre of plaatsen we een mini-serre terug over het jonge plantje. We laten de plastiek zo lang mogelijkover de plant tot deze te groot geworden is. Het is nodig om de mini-serre s'nachts te isoleren met dekens indien er nachtvorst verwacht wordt.
Op warme zonnige dagen moet men de mini-serre langs één of twee kanten open maken. Dit is zéér belangrijk want de temperatuur hoog oplopen onder de plastiek waardoor het jonge plantje makkelijk kan verbranden door de zon. Dus 's morgens open maken en tijdens de nacht de serre terug goed afsluiten.
De meeste kwekers zullen proberen om hun groeiseizoen te verlengen door hun zaailingen 2 weken voor de laatste vorstdatum (15 mei) uit te planten. Uitplanten tot aan de bladeren is de boodschap, zo diep mogelijk dus en na het planten direct water geven! Daarna bedekken we de grond rondom het plantje met compost om uitdroging te vermijden.
De hoofdstengel zal ontspruiten in de tegengestelde richting van het eerste echte blad. Hou hier dus rekening mee in welke richting deze moet groeien. Dit doen we omdat we dan in een later stadium de hoofdstengel niet meer te hoeven corrigeren qua richting.
We zetten het plantje altijd vast met enkele rieten stokjes zodat door een plotse windstoot het platje niet afknapt.
naar boven