Liever een groter of een kleiner letter type? Groter letter type
Kleiner letter type

Belgische proefslagen: enkele voorbeelden
Van Leopold I (1832) tot Albert II (2001)

Alle munten zijn gegeven met hun Dupriez (1949), Bogaert (1972) of Grispen (1995) catalogusnummer. De R1, R2 en R3 zijn zeldzaamheidsindicaties. Een R1 indicatie geeft aan dat het om een zeldzaam stuk gaat, R2 betekent dat de munt zeer zeldzaam is en R3 geeft aan dat de munt uiterst zeldzaam is of anders gezegd dat er slechts één of enkele exemplaren van gekend zijn. Enkel Dupriez en Bogaert geven een zeldzaamheidsindicatie weer. De onderstaande scans mogen enkel gekopieerd en gepubliceerd worden mits toestemming en mits bronvermelding. 

DP241KDB241M 5 Frank 1847 (Dupriez 241 - R1)

Deze proefslag past in het grote concours dat in 1847 werd georganiseerd door de Brusselse munt om de opvolger aan de duiden van Braemt voor een nieuwe serie gouden en zilveren munten. Distexhe was één van de tien deelnemers die deelnam aan het concours. De proefslagen van dit concours bestaan in zilver, koper (gewoon en glanzend) en tin. Het design van Distexhe vind ik (samen met dat van Jehotte) persoonlijk één van de minder geslaagde designs van het concours. Desalniettemin blijven het stukken die men als verzamelaar niet kan laten liggen.

DP323KDB323M

5 Frank 1847 (Dupriez 323 - R1)

Ook deze proefslag past in het hier bovenvermelde concours dat in 1847 werd georganiseerd door de Brusselse munt om de opvolger aan de duiden van Braemt. Leopold Wiener, van wie de munt hiernaast afkomstig is werd de winnaar en vanaf 1849 tot en met 1899 verlieten de munten van zijn hand de Brusselse munt. Het design van zijn munten was werkelijk schitterend. Vooral het design van de muntzijde is schitterend (en volgens mij mooier dan dat van de stukken die uiteindelijk in omloop kwamen vanaf 1849). Deze proefslag is net als het hierboven vermelde stuk vervaardigd uit verguld koper.

DP400B1KDP400B1M
10 Frank 1849 (Bogaert 400 B1 - R2)

De eerste goud stukken die in België officieel in circulatie gekomen zijn, zijn de goudstukken van 25 Frank 1848 en deze van 10 Frank 1849. Hiernaast kan u een koperen proefslag zien van 10 Frank 1849. Ook deze stukken zijn van de hand van Leopold Wiener.
DP616KDP616M 2 Frank 1859 (Dupriez 616 - R1)

Iedereen weet dat het stuk van 2 Frank 1849 zowat één van de zeldzaamste munten is die ooit in circulatie zijn gebracht in België. Tien jaar later, in 1859, heeft men kennelijk opnieuw overwogen om een 2 Frank stuk in omloop te brengen. Het is echter louter bij proefslagen gebleven. De voorzijde van de 1859 proefslag is identiek aan deze van 1849.

DP636KDP636M ½ Frank 1859 (Dupriez 636 - R1)

In 1859 heeft men niet alleen proefslagen van 2 Frank geslagen, maar ook van 1 Frank en van ½ Frank. De proefslagen lijken, op enkele details na, zeer sterk op elkaar. Hiernaast kan u een proefslag van ½ Frank zien.

DP656KDP656M

20 Centiem 1859 (Dupriez 656)

In 1859 startte de Brusselse munt als eerste in de wereld met het experimenteren met nikkel als grondstof voor munten. Er werd geëxperimenteerd met muntjes van 5, 10 en 20 centiem. Uiteindelijk werden in 1861 officieel de eerste koper-nikkel munten van 5, 10 en 20 centiem massaal in circulatie gebracht.

DP664KDP664M

20 Centiem 1859 (Dupriez 664)

In het kader van de verschillende experimenten werden verschillende legeringen gebruikt. Deze werden aangeduid met cijfers op de munten (in dit geval 18 en 4). De geslagen munten werden ook getest op hun hardheid en hun slijtage. Dit is de reden waarom deze muntjes bijna niet in perfecte toestand te vinden zijn maar wel veelvuldig voorkomen.

DP678KDP678M

10 Centiem 1859 (Dupriez 678)

Dit exemplaar van 10 Centiem past in dezelfde reeks proefslagen als de 20 centiem stukjes hierboven. Net zoals de proefslagen van 20 Centiem 1859 zijn ook de proefslagen van 10 Centiem 1859 veel voorkomend en dus niet meteen zeldzaam.

DP682KDP682M 5 Centiem 1859 (Dupriez 682)

Nogmaals hetzelfde design zou ik zeggen, nu voor het stukje van 5 Centiem. Ook deze stukjes zijn relatief makkelijk te vinden... voor wie zoekt tenminste.

DP718KDP718M
20 Centiem 1860 (Dupriez 718 - R1)

In 1860 moet de activiteit in de Brusselse munt enorm geweest zijn aan het aantal proefslagen te zien uit die periode. Twee van onze grootste Belgische muntgraveurs (J.P. Braemt en L. Wiener) waren aan het wedijveren voor de creatie van een nieuw stukje van 20 Centiem. Hiernaast ziet u een koper-nikkelen exemplaar van Braemt.
DP726B1KDP726B1
20 Centiem 1860 (Bogaert 726 B1 - R1)

Er bestaan zeer veel varianten van de proefslagen van 20 Centiem type Braemt. Dit komt omdat men verschillende voorzijdes gecombineerd heeft met verschillende keerzijdes. Soms is het zeer goed kijken om de verschillen te zien. Ieder proefslag op zich is wel relatief zeldzaam.
DP743KDP743M
20 Centiem 1860 (Dupriez 743 - R2)

Sommige varianten, zoals deze variant dragen twee muntzijdes. Dit zijn echter eerder rariteiten in tegenstelling tot bijvoorbeeld de eenzijdige proefslagen.
DP766KDP766M 20 Centiem 1860 (Dupriez 766 - R1)

Van Leopold Wiener zijn er nooit geen koper-nikkel of koperen munten in omloop gekomen. Het kleinste stuk dat ooit in omloop gekomen is van de hand van Wiener is het 20 Centiem stukje van 1852, '53 en '58. Alle kleine denominaties bleven tot in het begin van de twintigste eeuw van de hand van J.P. Braemt komen. Desalniettemin zijn er van de kleinere denominaties toch een aantal proefslagen van de hand van Wiener. Het exemplaar hiernaast is hier een mooi voorbeeld van. Let vooral op de gelijkenis van de voorzijde van deze munt met de (toen reeds) bestaande 1, 2, 5 en 10 Centiem stukken. De tafel met de grondwet staat nu echter achter de leeuw.
 DP780KDP780M
DP782KDP782M
20 Centiem 1860 (Dupriez 780 - R2 & 782 - R2)

Ook de hiernaast afgebeelde muntjes zijn van de hand van Leopold Wiener. Net als op de 20 Frank stukken 1865 is Leopold I afgebeeld zonder bakkebaarden. Het tweede exemplaar is een eenzijdig proefslag. 

DP991KDP991M 20 Frank 1866 (Dupriez 991 - R2)

Hiernaast kan u een koperen (bronzen?) proefslag bewonderen van het type 20 Frank Leopold Wiener goud. Het leuke is dat men op dit exemplaar nog geen plaats gevonden had voor de datum. Er zijn andere proefslagen waar men de datum op de muntzijde heeft proberen te plaatsen wat het design van de muntzijde absoluut niet ten goede kwam. Uiteindelijk heeft men de datum onder de hals van Leopold II geplaatst en heeft de graveur zijn graveursnaam moeten beperken tot zijn initialen.

DP1346KDP1346M 10 Centiem 1901 (Dupriez 1346 - R2)

Een zalig stukje, al zeg ik het zelf... Dit is namelijk een proefslag van Michaux. Alphonse Michaux is vooral bekend om de geperforeerde stukjes van 5, 10 en 25 Centiem. Deze stukjes waren een primeur in Europa. De eerste stukjes van Michaux die in circulatie kwamen waren de stukjes van 10 Centiem in 1901  die ondertussen al relatief zeldzaam zijn geworden in goede kwaliteit. Van deze stukjes zijn maar enkele proefslagen bekend. Er zijn eigenlijk maar vier varianten (inclusief het type dat in circulatie is gekomen) en ze lijken allemaal sterk op elkaar. Het hiernaast weergegeven stukje is wellicht nog het stukje dat meest afwijkt van het type dat we allemaal kennen. De gravure van de twee L-en is duidelijk verschillend en aan de muntzijde komen de initialen A.M. voor in plaats van A. MICHAUX.

DP1383KDP1383M

1 Frank 1902 (Dupriez 1383 - R3)

De eerste proefslagen voor de 50 centiem, 1 en 2 Frank stukken type Vinçotte zijn reeds geslagen in 1902, twee jaar voor de definitieve exemplaren de munt verlieten. Deze proefslag is een mooi voorbeeld van een eenzijdige proefslag, in dit geval van de muntzijde. De verschillen met de stukken die uiteindelijk in omloop zouden komen zijn nog vrij groot.

DP1451KDP1451M
1 Frank 1903 (Dupriez 1451 - R3)

Zoals hierboven reeds gesteld heeft men gedurende twee jaar gewerkt aan de munten van Leopold II type Vinçotte. De versies van 1903 komen, op een aantal details na, zeer goed overeen met de stukken die vanaf 1904 uiteindelijk in omloop zijn gekomen...
DP1524KDP1524M 1 Frank 1904 (Bogaert 1524 B1 - R1)

...Vooraleer de eerste stukken echter in omloop kwamen, heeft men echter nog een aantal proefslagen geslagen in 1904. Het hiernaast weergegeven stuk is er daarvan één. Zoek de verschillen met het bovenstaande stuk zou ik zeggen. Tenslotte kunnen we nog vermelden dat dit stuk uit messing vervaardigd is.
DP1588B1KDP1588B1M 50 Centiem 1906 (Bogaert 1588 B1 - R2)

Het hiernaast weergegeven muntje vereiste al iets minder werk aangezien het eigenlijk gewoon een kleinere versie is van de hierboven weergegeven 1 Frank stukken. Desalniettemin blijven het mooie en zeldzame stukjes... Vanzelfsprekend is ook dit muntje van de hand van Vinçotte.

DP1994KDP1994M

25 Centiem 1915 (Dupriez 1994 - R2)

Midden de eerste wereldoorlog is de Brusselse munt gestart met het experimenteren van het gebruik van bi-metalen. De binnenkant van deze muntjes is staal, de buitenkant is koper. De samenstelling van onze huidige 1, 2 en 5 eurocentjes werd dus al door de Brusselse munt uitgetest in 1915. Doch, het is pas veel later dat dit procedé echt zal gebruikt worden door de Brusselse Munt voor de circulatie munten. In 1989 werden de eerste Frank stukjes geslagen met een stalen binnenkant en een nikkelen bovenlaag ondanks het feit dat er tussenin nog een aantal proeven met bi-metalen munten zijn uitgevoerd.

DP2265KDP2265M
5 Frank 1926 (Dupriez 2265 - R3)

Terug een parel van een proefslag. Let vooral op de opvallende karteling van dit muntje. Deze uitgesproken grove karteling is, zeker voor Belgische munten, uniek in zijn soort. Dit type muntje is echter, ondanks zijn elegante eenvoud, nooit in circulatie gekomen. Dit muntje is van de hand van Devreese (voorzijde) en Everaerts (keerzijde).
DP2268KDP2268M
5 Frank 1926 (Dupriez 2268 - R2)

Een kneusje, zo zou je het kunnen stellen... Dit is een prachtig voorbeeld van een "mislukte" proefslag. Bij dit muntje zat er duidelijk niet genoeg druk op de persen. De karteling, die er had moeten uitzien als bij het muntje hierboven, is er met moeite doorgekomen en aan de muntzijde is de stempel scheefgeslagen. In tegenstelling tot het muntje hierboven, dat van zilver is, is dit exemplaar van nikkel. Misschien dat men de druk op de muntpers had vergeten aan te passen na het plaatsen van nikkelen muntplaatjes in plaats van zilveren?
DP2357B1-var-KDP2357B1-var-M 20 Frank 1930 (Bogaert 2357B1-var - R2/3?)

De proefslag hiernaast is van de hand van Armand Bonnetain en Godefroid Devreese. Ze lijkt heel sterk op het 20 Frank stuk dat in 1931 en '32 in circulatie is gebracht. Het grote verschil is echter dat de proef exemplaren van 1930 nog niet de vermelding "quatre belga" droegen. Noteren we tenslotte dat dit exemplaar een ongecatalogeerde variant is. Dupriez vermeldt onder het nummer 2359 een variant in maillechort (een koper-nikkel-zink legering, ook wel argentaan genoemd), maar deze draagt niet de vermelding "ESSAI" onder het hoofd. Het nummer 2360 draagt wel de vermelding "ESSAI", maar op de muntzijde. Bogaert daarentegen vermeldt wel een variant met de vermelding "ESSAI" onder het hoofd (het nummer 2357B1), maar dit exemplaar zou van zilver zijn. Dit exemplaar hiernaast is echter een exemplaar in argentaan (of maillechort).

DP2368KDP2368M

10 Frank 1930 (Dupriez 2368 - R2)

In 1930 werd een 10 Frank (of 2 Belga) stuk geslagen ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van België. Deze stukken zijn vervaardigd in zuiver nikkel en zijn vooral in FDC toestand vrij moeilijk te vinden. De proefslag die u hiernaast ziet is natuurlijk nog moeilijker terug te vinden. Het is een mooi voorbeeld van een proefslag in similor (of imitatie goud). Dit is een legering van koper en zink. Deze legering werd in de periode 1930-1945 veelvuldig gebruikt in de Brusselse munt. Het leuke aan deze munt is echter dat deze munt zeer duidelijk de metaal afdruk van de stempels heeft wat er op wijst dat het hier om een eerste slag gaat. Daardoor heeft deze munt een prachtige kleurschakering maar is de typische similor kleur niet zichtbaar.

DP2429KDP2429M 20 Frank 1931 (Dupriez 2429 - R1)

Hiernaast ziet u een proefslag van het nikkelen 20 Frank (of 4 Belga) stuk van Armand Bonnetain en Godefroid Devreese. Het metaal van deze proefslag is mat brons. De grote en zware nikkelen 20 Frank stukken zijn in omloop gekomen in de jaren 1931 en '32 en werden reeds in 1934 definitief uit omloop genomen wegens hun onpopulariteit bij de bevolking. Helemaal ongelijk kon je onze voorouders niet geven. Zeg nu zelf, een stuk met een diameter van bijna 37 mm dat 20 gram weegt en dit terwijl men daarvoor gouden 20 Frank stukjes gewoon was die slechts 6.45 gram wogen... Voor veel hedendaagse verzamelaars daarentegen zijn het prachtige stukken om te verzamelen.
Bog2444B2KBog2444B2M
5 Frank 1932 (Bogaert 2444B2 - R2)

Terug een proefslag van een exemplaar dat onze voorouders gekend hebben als een nikkelen munt. Deze keer gaat het om het stuk van 5 frank (of 1 belga). Dit stuk is in omloop gekomen tussen 1930 en 1934. Het gaat hier dus om een tussentijdse proefslag. Dit exemplaar is vervaardigd in similor. In vergelijking met de proefslag van 10 Frank hierboven, komt de typische similor kleur hier ten volle tot zijn recht.
DP2498KDP2498M
5 Frank 1933 (Dupriez 2498 - R2)

Een pracht exemplaar, al zeg ik het zelf... Dit muntje is van de hand van Bonnetain (voorzijde) en Everaerts (keerzijde). Dit muntje heeft slechts een diameter van 20.5 mm en zou daarmee het kleinste 5 Frank stuk ooit geworden zijn in België mocht dit type ooit in omloop zijn gekomen. Dit type is dus voor alle duidelijkheid nooit in omloop gekomen. Noteer ook dat deze proefslag één van de weinige proefslagen is uit de 20ste eeuw waarop geen datum terug te vinden is. Hoogstwaarschijnlijk had deze moeten komen in de plaats van het woord ESSAI.
DP2513KDP2513M 20 Frank 1934 (Dupriez 2513 - R2)

Het hiernaast weergegeven stuk is een proefslag van het 20 Frank stuk zilver dat in omloop werd gebracht in de jaren 1933 en '34 in navolging van het onpopulaire zware nikkelen 20 Frank (of 4 Belga) stuk (zie ook de proefslag hierboven). Het hiernaast weergegeven stuk is, net als het hierboven weergegeven stuk, een tussentijdse bronzen proefslag. Vandaar dat het design identiek is aan de zilveren circulatie stukken. Het feit dat men tussentijds proefslagen sloeg in een ander metaal dan het gebruikelijke metaal was niet zo ongebruikelijk bij de Brusselse munt. Hoogstwaarschijnlijk gebruikte men liever muntplaatjes van een goedkoper materiaal om nieuwe stempels uit te proberen (in dit geval brons).
DP2522KDP2522M 20 Frank 1934 (Dupriez 2522 - R2)

Het hiernaast weergegeven stuk is een proefslag van het 20 Frank stuk zilver dat volgde op het hierboven weergegeven 20 Frank stuk na het aantreden van Leopold III. Dit is het allereerste stuk dat de opschriften zowel in het Frans als in het Vlaams draagt dat in omloop is gekomen in niet bezet België. Enkel tijdens de Duitse bezetting van 1914-18 werden er voordien tweetalige stukken geslagen. Dit is tevens een van de eerste stukken van de hand van Rau De hiernaast weergegven proefslag is van similor.
DP2591KDP2591M
DP2592KDP2592M
5 Frank 1937 (Dupriez 2591 - R2 & 2592 - R2)

Deze munt vind ik persoonlijk één van de meest knullige designs van alle munten die tijdens de periode van de Belgische Frank geslagen zijn. Ik heb het dan natuurlijk over de nogal potsierlijke leeuw. Gelukkig was het design van de munten van 5 en 1 Frank type Wijnants die later in 1938 in omloop kwamen stukken beter. Zo zie je maar dat het slaan van proefslagen echt wel zijn nut had... Hiernaast zijn zowel een zilveren als een bronzen exemplaar afgebeeld.
DP2604KDP2604M 20 Frank 1938 (Dupriez 2604 - R2)

De meesten zullen het design van deze munt wel goed kennen. Deze munt is, op de denominatie na, volledig identiek aan het zilveren 50 Frank stuk dat in 1939 en 1940 in omloop kwam. Wellicht speelde men eerst met het idee om een nieuw 20 Frank stuk te slaan en is het hiernaast weergegeven design pas later definitief gebruikt voor het 50 Frank stuk.
DP2613KDP2613M 20 Frank 1938 (Dupriez 2613 - R2)

Het design van deze munt is bijna hetzelfde als dat van de munt hierboven, op een paar details na. Het grootste verschil zit hem echter in de diameter.  Bovenstaande munt heeft een diameter van 32.5 mm terwijl dit exemplaar een diameter van 28.5 mm heeft. Het feit dat er twee verschillende groottes bestaan van dit 20 Frank stuk bevestigt mijn vermoeden dat men pas later dacht aan een 50 Frank stuk en dat men dit 20 Frank stuk als alternatief voor het hierboven weergegeven exemplaar heeft geslagen nadat men beslist had het hierboven weergegeven design voor het 50 Frank stuk te gebruiken.
DP2623KDP2623M 10 Centiem 1938 (Dupriez 2623 - R1)

In 1938 kwamen er na zes jaar terug pasmunten in omloop van 5, 10 en 25 Centiem. Deze nieuwe munten waren van de hand van Oscar Jespers en ze vulden de miljoenen stukjes van Michaux aan die tussen 1901 en 1932 massaal in omloop werden gebracht. Het muntplaatje van de 21.4 miljoen 10 Centiem muntjes die in 1938 en 1939 in circulatie kwamen was van maillechort. In de periode 1941-1946 werden er nog zo'n 146 miljoen zinken 10 Centiem stukjes van het type Jespers in omloop gebracht. Deze zinken muntjes hadden echter een lichte stempelafwijking aan de muntzijde in die zin dat er een bloempje staat afgebeeld zowel links als rechts van "10 c". Het hiernaast afgebeelde stukje is een originele proefslag in similor van 1938.
DP2627KDP2627M
DP2629KDP2629M
5 Centiem 1938 (Dupriez 2627 - R1 & 2629 - R2)

The beauty and the beast, zo zouden we kunnen stellen en nochtans is de beast vanuit numismatisch oogpunt veel interessanter dan de beauty. Het tinnen exemplaar is niet alleen zeldzamer dan het similor exemplaar, het feit alleen al dat dit muntje van tin is maakt deze proefslag zeer interessant en dit omdat er zo weinig tinnen proefslagen zijn overgebleven vanuit het tijdperk van de Belgische Frank en dit ondanks het feit dat tin in de meeste muntateliers een materiaal was dat heel veel werd gebruikt voor proefslagen. Hoogstwaarschijnlijk zijn al deze tinnen exemplaren gewoon weer in de smeltkroes of in de vuilbak beland.
DP2636-var-KDP2636-var-M 5 Frank 1939 (Dupriez 2636-var - R2/3?)

Wellicht één van de meest verwarrende proefslagen die er zijn... Deze proefslag is namelijk van 1939 en hij draagt toch het jaartal 1936. Op het eerste zicht zou men dus aan een naslag denken. Niets is echter minder waar. Deze proefslag is immers een verkleining van de variant Dupriez 2581 die pas in 1939 is uitgevoerd. Het origineel van 1936 heeft een diameter van 30.5 mm terwijl dit exemplaar een diameter heeft van 25 mm. Het meest merkwaardige is echter dat dit exemplaar van zilver is terwijl noch Dupriez noch Bogaert melding maken van zilveren varianten. Dupriez maakt enkel melding van een exemplaar in similor (2636) en Bogaert van een exemplaar in brons (2636 B1).
DP2638-var-KDP2638-var-M 5 Frank 1939 (Dupriez 2638-var - R2/3?)

Terug een variant van het 5 Frank stuk van Rau die gebasseerd is op het origineel van 1936. De diameter is terug 25 mm. Het verschil met het bovenstaande stuk zit hem in de hoofdzijde die enkele wijzigingen heeft ondergaan. Je moet echter al heel goed kijken om het verschil te zien. Het grootste verschil zit hem in de uitsnijding van de hals. Dit stuk is net als het bovenstaand stuk van zilver en is als dusdanig niet gecatalogeerd. Dupriez maakt enkel melding van een exemplaar in similor (2638) en Bogaert van een exemplaar in koper-nikkel (2638 B1).
DP2639-var-KDP2639-var-M 5 Frank 1939 (Dupriez 2639-var - R2/3?)

Ook bij deze variant is het verschil minimaal met de bovenstaande stukken. Bij dit stuk is ook het jaartal 1936 verdwenen om plaats te maken voor de vermelding RAU. Verder staan de letters meer uiteen. Net zoals de bovenstaande stukken is ook dit stuk niet als dusdanig gecatalogeerd door Dupriez of Bogaert. Dupriez vermeldt enkel het bestaan van een variant in similor (2639) en Bogaert vermeldt ook het bestaan van een bronzen variant (2639 B1). Dit stuk is echter van zilver.
DP2642KDP2642M
DP2643KDP2643M
1 Frank 1939 (Dupriez 2642 - R2 & 2643 - R1)

Dit muntje was spijtig genoeg geen lang leven geschoren. Dit 1 Frank stukje van de hand van Wijnants is slechts twee jaar in circulatie gebracht, in 1939 en 1940. Na het uitbreken van de tweede wereldoorlog werd de productie van dit type stopgezet. Terwijl de pasmunten van Jespers die vanaf 1938 in circulatie kwamen tijdens en na de oorlog verder werden geslagen in zink werd het design van de zinken 1 Frank munten tijdens de bezetting volledig gewijzigd (zie Dupriez 2683 en 2685 hieronder). Het design van dit muntje was nochtans vrij goed geslaad in vergelijking met de eerste proeven van Wijnants (zie Dupriez 2591 en 2592 hierboven). De eerste proefslag die hiernaast wordt weergegeven is een exemplaar van similor, het tweede is een bronzen exemplaar. De stukjes die in circualtie kwamen waren van nikkel. 
DP2659-var-KDP2659-var-M 5 Frank 1940 (Dupriez 2659-var - R2/3?)

Nog een variant van het eerste 5 Frank stuk van Rau. Deze variant is volgens Dupriez echter van 1940 in plaats van 1939. Dit maal heeft men de tekst rond het hoofd gezet in plaats van onder het hoofd. Ook in dit geval geldt dat dit zilveren exemplaar niet als dusdanig is opgenomen in de gekende catalogi. Volgens de catalogi bestaat deze munt enkel in similor (Dupriez 2659).
DP2673KDP2673M 5 Frank 1941 (Dupriez 2673 - R2)

Een oorlogsproefslag. In dit geval van het 5 Frank stuk. Opvallend aan dit exemplaar is dat hij de voorzijde draagt van de circulatiestukken van 1 Frank. Kennelijk twijfelde de Duitse bezetter of men wel de beeltenis van Leopold III ging gebruiken. Op enkele proefslagen van 1 Frank en enkele varianten op deze proefslag na, zijn er tijdens de tweede wereldoorlog geen andere proefslagen geslagen. Hieronder volgen nog drie exemplaren.
DP2677KDP2677M 5 Frank 1941 (Dupriez 2677 - R2)

Een tweede variant van het 5 Frank stuk van 1941 en dit maal de variant die uiteindelijk in omloop is gekomen, op een detail na zou ik zeggen. Dit exemplaar heeft namelijk geen bolletjes tussen de woorden op de hoofdzijde.
DP2683KDP2683M
DP2685KDP2685M
1 Frank 1941 (Dupriez 2683 - R2 & 2685 - R2)

Van de hiernaast weergegeven munt zijn er tijdens de tweede wereldoorlog zo'n 179 miljoen stuks van geslagen. Ook na de tweede wereldoorlog, in 1946 en '47, werden er nog 39 miljoen stuks van geslagen. Deze circulatiestukken werden in handelszink geslagen. Het eerste stuk hiernaast is echter een zilveren proefslag exemplaar. Het stuk is op een dikker dan normaal muntplaatje geslagen. Het tweede stuk is van similor.
DP2746KDP2746M 25 Centiem 1946 (Bogaert 2726var - R1)

Terug een zeer interessant exmplaar, al was het maar omdat hij dateert van 1946, dus van net na de tweede oorlog en van een jaar waar er op numismatisch gebied bijna niets te rapen viel. In 1946 heeft men zich beperkt tot het aanmunten van het zinken 10 en 25 Centiem stuk evenals van het zinken stuk van 1 en 5 Frank. Noteren we nog dat Bogaert enkel spreekt over een ongeperforeerd stuk met een Vlaams-Frans opschrift, vandaar de vermelding var na het Bogaert nummer. De Frans-Vlaamse variant is echter wel reeds beschreven in Grispen's Belgische munten onder de loep.
DP2776varKDP2776varM 20 Frank 1948 (Bogaert 2776-var - R2/3?)

Hiernaast ziet u een proefslag van het 20 Frank stuk type Mercure van de hand van Rau. Dit stuk is nog maar eens een bewijs van hoe moeilijk het wel is om alle proefslagen te catalogeren. Bogaert meldt immers vijf verschillende varianten van deze zilveren proefslag die zich alle vijf onderscheiden door hun dikte en gewicht (Bogaert 2772 tot en met 2776). Het dikste stuk is 1.4 mm (Bogaert 2772 - 8.41 gram) dik en het fijnste stuk 1 mm dik (Bogaert 2776 - 6.12 gram). Het hiernaast afgebeelde stuk is echter eerder 0.9 mm dik en het weegt slechts 5.89 gram. Met andere woorden, deze series bevat geen vijf stukken maar zes...

DP2813KDP2813M 20 Centiem 1948 (Bogaert 2813 - R2)

Terug een heel interessante proefslag en dit om de eenvoudige reden dat het hier terug over een bi-metaal exemplaar gaat. De binnenkant van deze munt is gewoon staal, de buitenkant is echter nikkel. Het is echter terug tot een proef gebleven en pas in 1989 kwamen de eerste bi-metalen munten in circulatie met het 1 Frank stuk type Elstrom. Daarnaast is dit muntje ook zeer interessant omdat het design pas 4 jaar later (in 1952) in omloop kwam en dan wel met de muntjes van 50 Centiem. De muntjes van 20 Centiem volgenden pas een jaar later in 1953 en op een kleiner muntplaatje (17 mm in plaats van 19 mm, de diameter van het hiernaast afgebeelde muntje)

DP2784KDP2784M
DP2827KDP2827M
DP2831KDP2831M
5 Frank 1948 (Bogaert 2784 - R2) &
5 Frank 1949 (Bogaert 2827 - R2 & 2831 - R2)

De gewone koper-nikkel versie van het hiernaast weergegeven type munt is in de periode 1948-1981 masaal in circulatie gebracht. Van dit type 5 Frank stuk zijn zo maar eventjes 659.89 miljoen exemplaren aangemunt. Dit type munt is dus niet zeldzaam en zal het ook nooit worden gezien de masale hoeveelheid die in omloop is gebracht. Daarenboven is 32.8% van dit type munt nooit ingeleverd. De proefslagen van dit type munt zijn echter wel zeer zeldzaam en bijgevolg zeer moeilijk te vinden. De exemplaren van 1948 dragen de vermelding ESSAI, deze van 1949 hebben deze vermelding niet. Deze stukken bestaan in zilver (zoals de hiernaast afgebeelde stukken) maar ook in brons en koper. De zilveren exemplaren van 1948 Frans bestaan in verschillende diktes en gewicht. Het hiernaast afgebeelde exemplaar heeft de normale dikte (1.75 mm).
DP2839KDP2839M 1000 Frank 1949 (Bogaert 2839 - R3)

De hiernaast weergegeven munt is, samen met de andere proefslagen die geslagen zijn onder het regentschap van Prins Karel, één van de meest zeldzame proefslagen die geslagen zijn tijdens de periode 1832-2001. Van deze reeks van 5, 20, 50, 100 en 1000 Frank is geen enkele munt ooit in omloop gekomen. Daarnaast is het zo dat de meeste exemplaren van deze reeks naslagen zijn. In totaal werden er 5 reeksen van 18 munten geslagen in 1964. De naslagen zijn dus extreem zeldzaam. De eigenlijke proefslagen van 1949 zijn echter al even zeldzaam. Desalnietemin bevinden zich twee originele proefslagen van 1949 in mijn collectie. De munt die hiernaast is afgebeeld is de eerste hoofdvariant van het 1000 Frank stuk. Opvallend is dat de muntzijde zeer gelijkaardig is met het design van de zilveren 5 Frank stukken van Wiener die tussen 1849 en 1876 in omloop werden gebracht. Het materiaal van deze proefslag is koper.
DP2843KDP2843M 1000 Frank 1949 (Bogaert 2843 - R3)

 Hiernaast ziet u de tweede hoofdvariant van het 1000 Frank stuk van 1949. Het hiernaast weergegeven stuk is qua design prachtig in al zijn eenvoud. Van de muntzijde bestaan nog een aantal andere varianten maar ze hebben allen de twee in elkaar gedraaide letters L en de kroon er boven. Het materiaal van deze munt is zilver. Noteer dat de proefslagen van 1949 met beeltenis van Prins Karel ook interessant zijn wegens het Latijnse opschrift. Dit Latijns opschrift zou later terugkeren op het 50 Frank stuk ter gelegenheid van het Koninklijk huwelijk van Boudewijn in 1960. 
Bog2907KBog2907K 20 Frank 1951 (Bogaert 2907 - R2)

Hiernaast ziet u terug een tussentijdse proefslag. Indien de vermelding "ESSAI" niet vermeld zou staan onder het hoofd, dan zou het hier om de normale circulatie variant gaan waarvan er iets minder dan 7.9 miljoen in omloop zijn gebracht in 1951. Opvallend is dat men in de jaren '50 nog steeds de vermelding "ESSAI" gebruikt, zelfs op de Nederlandstalige stukken, zoals dit er één is.

DP2921KDP2921M
DP2928KDP2928M
1 Frank 1952 (Bogaert 2921 - R2 & 2928 - R2)

Hiernaast kan u nog een klassieker, om niet te zeggen de klassier, zien uit het tijdperk van de Belgische frank. Van de gewone circulatie koper-nikkel versie van dit type munt zijn er zo maar eventjes 1.61 miljard exemplaren aangemunt. Van geen enkele ander type munt zijn er ooit zoveel aangemunt tijdens het tijdperk van de Belgische Frank. Een proefslag van dit type munt mag dus zeker niet ontbreken in een goede verzameling. Ondanks het feit dat deze munt voor het eerst in circulatie kwam in 1950 onder Prins Karel zijn er van 1950 slechts twee proefslagen bekend van dit 1 Frank stuk, ééntje met een brede listel in koper-nikkel en ééntje in aluminium. De meeste proefslagen dateren van 1952, het jaar dat Boudewijn I aan de macht kwam, zoals de zilveren exemplaren die hiernaast zijn afgebeeld. Deze proefslagen bestaan zowel met als zonder de vermelding ESSAI. Er bestaan van dit type munt ook naslagen die dateren van een latere datum.
DP2938KDP2938M
DP2947KDP2947M
50 Centiem 1952 (Bogaert 2938 - R2 & 2947 - R2)

Het 50 Centiem stukje type mijnwerker is evenals de meeste munten van zijn tijd van de hand van Rau.  Dit type, dat normaal uit koper (95%) en een beetje tin en zink vervaardigd is, is in circulatie gebracht in de periode 1952-2001, met andere woorden gedurende een halve eeuw. In die periode zijn 700.85 miljoen exemplaren in circulatie gebracht waarvan 598.22 miljoen onder Boudewijn I en 102.63 miljoen onder Albert II. Gedurende gans die tijd is het design van het mijnwerkertje, op enkele stempelafwijkingen na, ongewijzigd gebleven. De zilveren proefslagen van dit muntje zijn zeer zeldzaam. Noteer dat de zilveren exemplaren zonder de vermelding ESSAI naslagen zijn.
GR3553KGR3553M
GR3554KGR3554M
20 Frank 1980 (Grispen 3553 & 3554)

De munten die u hiernaast ziet lijken op het eerste zicht op de gewone circulatiemunten van 20 Frank die circuleerden onder koning Boudewijn I. Op het woord "ESSAI" of "PROEF" na komen ze inderdaad exact overeen met de circulatie exemplaren. Deze 20 Frank stukken kwamen er in opvolging van de 10 Frank stukken van het type Elstrom-De Bast die geslagen zijn tussen 1969 en 1979. Deze 20 Frank stukken zijn van de hand van Elstrom. Ze zijn van een koper-nikel-aluminium legering.
DP3670KDP3670M
DP3671KDP3671M
1 Frank 1989 (Grispen 3670 & 3671)

Van het hiernaast weergegeven 1 Frank stuk zijn er in de periode 1989-1993 zo'n slordige 1.23 miljard exemplaren geslagen, netjes verdeeld over beide landstalen. Tijdens de jaren 1989, '90 en '91 werden er telkens zo'n 400 miljoen stuks geslagen. Op één uitzondering na (de productie 5 Frank stukken van 1986 met 417 miljoen geslagen stukken) is dit de grootste productie ooit op jaarbasis van één bepaald munttype tijdens de periode van de Belgische Frank. Deze munten zijn van de hand van Harry Elstrom die eind de jaren 1960 ook reeds de voorzijde van het 10 Frank stuk graveerde en later de 20 Frank stukken die circuleerden onder Boudewijn (zie hierboven). De proefslagen van dit type onderscheiden zich van de gewone circulatiemunten door de letter E (van Essai) of P (van Proef).

© Peter Degroote, September 2003 - Oktober 2007