| |
|
De
Smaak van Karamel
Een
bericht, Vrijdag 12/10/2001.
“Wie
zal zeggen wat ons beweegt. Is het de ziel
die stroomt, het mirakel van het hart dat in ons
zeurt en klopt, een specht op een holle boom.
Is het de geest die men moet geven, de kracht,
de klem van een natuur die ons te boven gaat.“
(Uit
“Mirakel”, een ongepubliceerd gedicht uit “Winterhart”,
bundel in voorbereiding, Paul Rigolle)
1.
In een andere kamer, in een ander huis, zit ik zowat dertig jaar
later over hetzelfde gedicht gebogen. Pernath revisited. Uit “De tien
gedichten van de eenzaamheid”:
Ik treur niet, geen
tederheid trekt mij aan
Geen lichaam kan ooit het mijne voelen
Geen ander oor mijn verwarring, mijn onrust
In de sprakeloze plaag van de taal.
Dagelijks en dodelijker verkrampt mijn wereld
In de vreselijke vertakkingen van de pijn.
Ik heb het laatste boek gedragen, van rechts naar links.
En met al mijn tekortkomingen veroordeel ik
Wie verbrandt en wie poogt door de leugen.
(...)
Ooit
was bovenstaand gedicht één van de weinige gedichten (van anderen)
die ik moeiteloos uit het hoofd kon zeggen. En ook nu nog is het
onderkoelde parlando uit dé evergreen
van Pernath in staat om in mijn hoofd na te blijven zinderen. Toen
ik de (Tegen-)stem van Pernath voor het eerst in papier gevat zag,
gaf ze mij, zowaar een klap. Zo
kon het dus ook. Dit sonore spreken, deze indringende dreun,
gemurmeld als een poëtisch programma bijna, het liet diegene die ik
toen middenin “het herfsttij
der seventies” was, een moment wezenloos achter. Pernath was immers anders. Anders dan de nieuw-realisten die de
boer optrokken, woordstalletjes openden op markten en wielerkoersen
reden. Anders dan alles wat ik eerder op de klassieke schoolbanken
met de beste bedoelingen voor poëzie had zien doorgaan. Het moet
het gezegende jaar 1973 geweest zijn, als ik het goed heb. Het jaar
van “mijn twintig jaar”. De
tijd van de autoloze zondagen, de tijd dat Hendrik H.Ter Balkt zich
nog Habakuk II de Balker (“Oud gereedschap, mensheid moe”) liet noemen. De tijd ook van de
krantenberichten: Allende vermoord nadat bij een huiszoeking
zijn boeken werden verbrand...
Ook
nu, alsof er nooit iets kan worden geleerd, brandt de wereld weer...
Terreur en vergelding (“Revenge!”)
zijn op ditzelfde tijdstip de hallucinante codewoorden waaraan
wereldwijd hele extra-krantenedities en televisieuitzendingen worden
opgehangen. En dan sta je daar, zoveel jaren later, ineens weer met
dit gedicht in handen. Het is een bevreemdende gewaarwording om
ineens te beseffen dat je, ook als de wereld brandt,
in staat kan zijn om doodleuk tot “de
orde van het gedicht “over te gaan. Wat is er toch van het
gedicht? Waarom en wanneer, en hoe definitief is de magie van
woorden mijn leven binnengevallen?
Bij dit soort vragen kom ik dus telkens weer spontaan terecht
bij mijn dove dode vriend, mijn verdwaald
personage, de brave soldaat Hugues C. Pernath. Dat het gedicht
ook een leslokaal kon verlaten om in de volle wereld een eigen leven
te gaan leiden is bij mij wellicht dé ontdekking geweest die ik aan
Pernath te danken heb. Er zijn beslist geringere verdiensten.
2.
Een andere vroege herinnering uit het “Herfsttij
der seventies”: Op een warme zondagnamiddag kom ik in het
onooglijke Ardooie, een dorp bij mij in de buurt, in “De
Veldkant” terecht. In de bruine kroeg zoals je die in
Vlaanderen alleen maar het begin van de jaren zeventig kon
binnenlopen, leest een man in de zonovergoten tuin gedichten voor. Aftelrijmpjes
uit de stratosfeer. Zijn gehoor is klein. Er zijn geen twintig
mensen. Bovendien is het van meer dan de helft van de aanwezigen
niet eens duidelijk of ze wel of niet oor hebben voor zijn zondagse
woorden.
Over
de gedichten die de man las herinner ik mij nauwelijks iets. Maar
zijn plotse aanwezigheid blijft mij bij. Zowaar een statement.
Een man met woorden in een stille tuin. Staalblauwe hemel en
daaronder woorden in de zon die tot niets verplichten. Bij elke
stilte die invalt na een gedicht lijkt het alsof de wereld even,
heel even stil staat.
3.
Laatst vroeg iemand mij doodgemoedereerd of “gedichten
vandaag de dag nog altijd rijmen?”.
Bij die vraag moest ik toch wel even gaan verzitten. Zo is het dus,
ook zoveel jaren later, nog altijd. Poëzie is blijkbaar nog altijd
die vreemde en zeldzame aandoening waarvan slechts een beperkt
aantal mensen niet geneest. In de conceptie van velen lijkt het nog
altijd alsof poëzie in geen geval iets met het dagelijks leven te
maken kan hebben. Hoogstens iets voor de grote momenten van leven en
dood. Een bijkomend ritueel. Iets met de smaak van karamel. Hoe het
zover is gekomen en wat eraan te doen? Of ontvankelijkheid voor poëzie
aan te leren is? Ik zou het echt niet weten. Duidelijk is alleen dat
de droom van Bertold Brecht (“Ik droom van dichtbundels die in de jaszak van iedere arbeider passen...”)
tot nader order gedoemd is om een droom te blijven. En dan
kom ik weer terecht bij het gedicht van Pernath. Ik
treur niet geen tederheid, trekt mij aan… Hoe valt uit te
leggen waarom en hoe dit gedicht ooit bij mij de vonk deed
overslaan?. En welke mensentaal moet ik hanteren om dat uit te
leggen aan een man die vraagt of gedichten vandaag de dag nog
rijmen? Pernath bleef nadien vanzelfsprekend niet alleen. Andere
namen kwamen en bleven komen. Van
rechts naar links bleef (ook) ik de laatste boeken dragen. Grote
en kleine dichters. Losse flodders, verzameld werk, schitterende
luxe-edities… Uitgaven van gerenommeerde afkomst en schriele,
onooglijke uitgaven in eigen beheer. Er zijn dichters die ik eens
las en daarna nooit meer. Er zijn dichters die ik steeds weer blijf
lezen. Brodsky,
Rilke, Pessoa, Valéry, Borges, Svetajeva, Trakl… Ook in
mijn bossen horen veel stemmen thuis en dat is maar zoals het hoort.
De bossen zelf doen hun best en proberen voor mij al die stemmen bij
te houden. Maximalen en
minimalen, horizontalen en verticalen, zij die smelten en zij die
kreunen... Voor iedereen is er plaats. Voor de anonieme dichter uit
‘De Veldkant’ net zoveel als voor de Laatste Grote Meesters. De
kamer waarin ik zit staat vol dode dichters die nooit zijn dood
gegaan. ’s Nachts, hoor ik wel ‘ns, terwijl ik zelf aan mijn
eigen woorden werk, hoe ze zich omdraaien in het graf. Poëzie haalt
niets uit, poëzie verbetert de wereld niet,
ik weet het wel. Poëzie maakt het mysterie alleen maar
groter en dat is net wat sommigen al helemaal niet kunnen hebben.
Ach wat, gedichten zijn wat ze zijn en ook dat is zoals het
hoort. Voor sommigen doen gedichten er niet toe. Anderen, duidelijk
horend tot mijn eigen soort, zullen nooit zonder zijn. Onderschat,
ook, en zelfs als de wereld brandt, de kracht van woorden niet, mijn
dierbaren. Met de kracht van gras dat tussen stenen op gaat staan
blijven de woorden gaan en komen. Zo is het en zo zal het zijn. Voor
wie luistert (en leest) is niets vergeefs.
(Tekst gepubliceerd
in "Schoon Schip, nr.2001/4) (-->
Schoon Schip)
©
Paul Rigolle, 2001-2003
|
|