Het ouderverstotingssyndroom

 

("The Parental Alienation Syndrome")

 

Richard A. Gardner, een Amerikaanse hoogleraar toegepaste kinderpsychiatrie die hoog aanzien geniet, beschrijft hierin de psychische stoornis die optreedt bij kinderen waarvan de ouders klem zitten in een vechtechtscheiding.

 

Gardner noemt een drietal symptomen die hierbij aan de orde zijn.

 

1. Kinderen raken ervan bezeten om de niet-verzorgende ouder te beschuldigen en uit te stoten zonder reden of om aanleidingen die in geen verhouding staan tot een levenslange uitstoting. De moeder wordt daartegen geïdealiseerd en de kinderen willen de niet-verzorgende ouder "nooit" meer zien.

Naast "programmering " door de 'geliefde' ouder zijn er krachten in het kind en uit de sociale omgeving die een rol spelen. De verzorgende ouder brengt haar/zijn psychische afwijking over op de kinderen, zodat zij die dan allebeide hebben.

 

2 Elke contactpoging van de niet-verzorgende ouder wordt als 'lastig vallen' bestempeld. De kinderen gaan door het projectmechanisme/inductie dit op den duur ook zo zien.

 

3. De verzorgende ouder gaat "de kinderen beschermen tegen de gevreesde ouder". Gardner zegt dat een echt liefdevolle ouder begrijpt hoe belangrijk ook de niet-verzorgende ouder is en een minachtingscampagne waarin een ouder de kinderen meesleept juist niet in het belang van kinderen is.

 

De schrijver onderscheidt verschillende gradaties van het ouderverstotingssyndroom; ernstige, matige en lichte gevallen. Bij de ernstige gevallen zijn de "programmerende" ouders volkomen fanatiek en paranoïde. Zij projecteren op de andere ouder allerlei verderfelijke eigenschappen en bedoelingen die zij in werkelijkheid vaak zelf hebben. Gardner pleit voor een gerechtelijk bevel tot psychiatrische behandeling van het gehele gezin. Zonder dat bevel zal het nooit tot een behandeling komen en individuele therapie leidt nergens toe.

In de ernstige gradatie van het ouderverstotingssyndroorn moeten de kinderen onttrokken worden aan de dagelijkse zorg van de "programmerende" ouder en bij de verstoten ouder komen wonen, in de eerste tijd zelfs zonder enig contact met de "programmerende" ouder omdat tussen deze ouder en de kinderen een ongezonde binding bestaat die ook niet door therapie verdwijnt zolang de kinderen bij deze ouder wonen. Als de rechtbank toestaat dat de kinderen bij de gestoorde ouder blijven, dan komt het waarschijnlijk tot een levenslange vervreemding van de andere ouder. Uit een recent follow-up-onderzoek blijkt dat zulk een verhuis van de kinderen (of vermeerderde bezoeken aan de verstoten ouder) de symptomen bij de kinderen op korte tijd laten verdwijnen of verbeteren.

 

Bij meer gematigde gevallen van verstoting kunnen de kinderen bij de verstotende ouder blijven wonen om van daar uit te werken aan herstel van omgang niet de andere ouder. Als de verstotende ouder blijft tegenwerken dan zou men haar kunnen dreigen met omkering van de hoofdverblijfplaats. De gezinstherapeut dient een door de rechtbank aangewezen deskundige te zijn. Een "neutrale bezoekruimte" of de therapiekamer kan dan dienen als " uitwisselpunt" voor de omgang.

 

Gardner vindt dat verhinderd moet worden dat een kind blijvend vervreemdt van een ouder: zijn kostbaarste bezit. Dat alles is afhankelijk van de medewerking van de rechterlijke macht. De schrijver kent geen beter voorbeeld van de waarde van de samenwerking van psychiatrie en recht dan de behandeling van het ouderverstotingssyndroom.

 

 

naar beginpagina Papa Pro