Sue Tibbals: ‘Vrouwen zien zichzelf niet langer als een onderdrukte groep met problemen. Noem een vrouw geen feminist want dat is een woord waar ze zich niet meer in herkent’.
Sue Tibbals en Melanie Howard, twee Engelse onderzoeksters bij The Future Foundation deden een diepteonderzoek naar de houding tegenover ongelijkheid tussen seksen bij 34 mannen en vrouwen met verschillende leeftijden, gezinssituaties en opleidingsniveaus. Volgens Sue Tibbals zeggen velen in het onderzoek dat ze in hun leven discriminatie ervaarden. En vrouwen zeggen het vaker dan mannen. ‘Maar ze zien het meer als iets wat hen persoonlijk overkomt dan als een structurele seksegebonden ongelijkheid in de maatschappij.’ Als vrouwen een minder goed betaalde job hebben of meer huishoudelijk werk doen, is dat het gevolg van individuele keuzes en van natuurlijke verschillen tussen man en vrouw en niet het gevolg van discriminatie, denken de ondervraagden. De punten waarvoor feministen nu strijden zoals meer vrouwen in de politiek, het wegwerken van de salariskloof worden niet gezien als een probleem van iedereen. Deze onderzoeksresultaten zijn volgens Tibbals te wijten aan de tendens tot individualisering. Begrippen die gebaseerd zijn op het groepsgevoel zoals solidariteit, gelijkheid of feminisme slaan daardoor niet meer zo aan. Vrouwen worden bovendien liever geen feministen genoemd: ze worden gezien als mannenhaatsters en ballenbreeksters. ‘Het voordeel van van die individualisering is dat vrouwen niet in de slachtofferrol kruipen en actief hun problemen willen oplossen. Het nadeel is dat ze niet meer over hun problemen durven te praten, over hun ontevredenheid over de verdeling van huishoudelijke taken, over de ongelijkheid op hun werk. Ten eerste omdat ze niet als feministen willen beschouwd worden en ten tweede omdat hun falen als een persoonlijk falen kan beschouwd worden.’ Uit statistieken over loonverschillen en de verdeling van het huishoudelijk werk, blijkt nochtans dat de ongelijkheid blijft bestaan.
De conclusie van Sue Tibbals: ‘Vrouwenorganisaties en gelijkekansencommissies moeten zich afvragen hoe ze gelijkheid zien. Want de taal die nu gebruikt wordt, de doelen die nu gesteld worden, zijn niet helemaal in overeenstemming met hoe mensen het gelijkheidsprobleem zien. Ze moeten zich zo oriënteren dat ze mensen, vrouwen en mannen, jong en oud, zwart of blank opnieuw aanspreken. We mogen ons niet neerleggen bij de ongelijkheid in de maatschappij’.