Gepubliceerd op 28 juni 1913
|
Gedurende de Wederlandsche Tentoonstelling in Vlaanderens
hoofdstad, zullen duizenden en duizenden de stad Gent
bezoeken en een tijd benuttigen om de praalgebouwen ervan te
bewonderen.
|
Moge welhaast Roeland's stemme dreunend over de stad
weergalmen, moge d' oude drake er lang
nog als “palladium” de gentsche stede bewaren.
De Borluutstraat leidt ons naar Sint Jacobskerk waar
tal van schilderijen en kunstig snijwerk den kunstenaar bekoren
zal. In deze kerk zien wij, wat zeldzaam is in België, een H.
Sacramenthuis, als torentje in het koor staan.Van hier komt men op de Vrijdagmarkt. Die markt is in de geschiedenis vrij vermaard om de blijde tooneelen bij inkomsten der graven en de droeve omwentelingen die er plaats grepen. Op ieder bezoeker der stad, die verder de talrijke herstellingen van huisgevels zal opmerken, zal het een pijnlijken indruk maken dat deze geschiedkundige plaats haar oud cachet niet behouden heeft, en zelfs ontsierd is door magazijnen en huizen die van alle bouwstijl beroofd zijn. Drie zaken zijn hier aan te merken: het oud Toreken of Huidevettershuis, het beeld van Jacob Van Artevelde midden de plaats, en op de Wannekensaard, het Groot Kanon of de “Dulle Griet”. De Langemunt brengt den wandelaar in 't midden der “herstelde” stad. Op de Groenselmarkt staat het oud Vleeschhuis, in de XIVe eeuw gebouwd, en nu naar de oude plannen hersteld. Verder, over de brug, komt men aan de H. Pharaïdeplaats, waar het machtige Gravensteen in al de pracht van weleer prijkt. Het is geen dertig jaar geleden dat de Gentenaren niet wisten dat het huis hunner graven daar stond, en dat de puinen ervan, in twee fabrieken en werkmanshuizen verdoken, konden verrijzen tot het prachtig herstelde Steen van heden. In 867 begonnen, in 1180 voltrokken, diende het beurtelings tot woonst aan onze graven, tot zetel van den Hoogen Raad van Vlaanderen, tot gevangenis, en werd in 1788 verkocht. Sedert dien richtte men er twee fabrieken in op. Stilaan werden de zalen verminkt, afgebroken, vervangen. In 1887 ten deele aangekocht door de stad, werd het hersteld, en onder de knappe leiding van J. De Waele en S. Mortier, kon men het herscheppen in den oorspronkelijken staat.
Langs binnen ziet men de prachtige zalen, de woonsten van graaf
en gravin, de kelders en kerkers, en boven op den “donjon”
geniet men van een panorama der stad, welke men zelden
aantreffen kan.Wanneer de wandelaar al de oude gevels der H. Pharaïdeplaats beziet, en verder zijne wandeling voortzet langs de Jan Breidelstraat tot aan de oude Gentsche Haven, de Graslei, zal hij zich wanen in het oude Gent van de XVIe eeuw, en denken de machtige gildenstoeten te gemoet te komen. Het zicht op de Graslei is waarlijk eenig in België. Het Romaansch Koornstapelhuis staat er naast de sierlijke gevels van “de Engel”, 't Graanmetershuis en 't Schippershuis die samen met den achtergevel aan 't Posthotel eene rei prachtige gothische gevels vormt. Wil de bezoeker een aanblik over de bijzonderste gebouwen der stad, hij stelle zich op de St. Michielsbrug. Daar zal hij zien: voor hem de St. Niklaaskerk, het Belfort en St. Baafs; links de Graslei en de meestentoren van het Gravensteen; rechts het oud Predikheerenklooster en de St. Michielskerk. Het Posthotel, thans afgewerkt, naar de plans van Cloquet en Mortier, maakt den hoek uit der Koornmarkt waar de oudheidminnaars de oudste Gentsche kerk kunnen bezoeken, de Sint Niklaaskerk. Deze kerk is deels in den Romaanschen, deels in den gothischen stijl gebouwd. Zij werd de eeuwen door meermaals hersteld en verknoeid, bij zoover dat het heel wat werk en geld zal kosten om ze nu behoorlijk te hestellen. Hier eindigt om zoo te zeggen de wandeling in het “oude Gent”. Wel is de abdij van St. Baafs, het Oudheidsmuzeum, het Begijnhof, tal van kerken, een bezoek overwaardig, doch het ligt in mijne bedoeling niet een volledige gids te schrijven, enkel wilde ik toonen wat een reiziger, bezoeker onzer tentoonstelling, gemakkelijk 's morgens zien kan, vooraleer den weg in te slaan naar de Expositie. Hij moge zich nuttig vermaken. G. Celis, pr.
|