Gepubliceerd op 15 maart 1913
Zonderling doch onloochenbaar! Naarmate de betrekkingen
tusschen volkeren drukker worden, naarmate de beschaving
breedte en hoogte wint, en ―zou men zeggen― gelijkvormig
worden moet, veropenbaart zich duidelijker ras- en stambesef,
gehechtheid aan moedertaal en geboortegrond.
Met vromen eerbied, met kinderlijke piëteit en adellijken
hoogmoed zoekt men op wat de geschiedenis over den
geboortegrond melden kan, en niet slechts bestoven
handschriften worden geraadpleegd, de vadergrond zelf wordt
omgewoeld, oude bouwvesten blootgelegd en allerlei voorwerpen
opgegraven. Met die luttele gegevens wordt dan weder het beeld
ontworpen van de beschaving alhier, duizend, twee duizend jaar
her.
Bij toeval vond men in de Kempen reeds vroeger, bij 't
verrichten van aardewerken, lijkbussen1 en bronzen of ijzeren vaatwerk,
sieraden, wapens en bewerkte vuursteenen (silex).
Stelselmatig werd hiernaar echter niet gezocht, noch werd er
bijzondere aandacht aan geschonken. Dank aan de over eenige
jaren te Turnhout gestichte vereeniging Taxandria, die
zich op de studie der aloude Kempen toelegt, is er allengs meer
algemeene belangstelling gekomen, en werden er stelselmatige
opzoekingen gedaan, overal waar men met recht een
archeologische vondst vermoeden mocht.
Van hooge waarde voor de kennis der voorhistorie onzer Kempen
zijn de necropolen of begraafplaatsen, en deze werden in
de laatste jaren met nauwkeurigheid en met veel kennis van
zaken bestudeerd door den heer Stroobant, bestuurder der
Kolonie van Merxplas en voorzitter van Taxandria. Aan
zijne zeer gewaardeerde uitgaven en inzonderheid aan zijn
vlugschrift: “La Campine Anversoise avant le Christianisme”,
ontleenen wij de grondstof voor hetgeen hier volgt:
In de eerste eeuwen onzer tijdrekening zouden er Romeinsche stichtingen bestaan hebben te Antwerpen, Rumpst, Grobbendock, Lier, Nijlen, Meerhout, zooals verschillende opgravingen van bouwvestingen van Romeinsche villas, en het vinden van bronzen voorwerpen, enz. bewijzen. Die stichtingen lagen als verdedigingsvoorposten langs de Schelde, de Rupel en de beide Nethen verspreid. Boven de beide Nethen lag een moerasachtig woest land, waarvan men vroeger dacht dat het ten tijde van de Romeinsche overheersching onbewoond was. Doch ten onrechte, want daar woonde alsdan een talrijke bevolking waarbij het gewoonte was de lijken harer afgestorvene leden te verbranden.
De overblijfselen dezer lijkplechtigheden: assche, verbrokkelde
en verbrande beenderen, lijkurnen of aschkruiken, enz. vinden
wij nu nog min of meer gaaf op de begraafplaatsen of necropolen
terug. Aschkruien werden onder meer gevonden te Grobbendonck,
Santhoven, Casterlé, Rethy, Moll, Turnhout, Vosselaer,
Beersse, Merxplas, Ryckevorsel, Raevels, Weelde, Loenhout, St.
Leonards, Oolen.
Men zal er in de toekomst voorzeker nog vinden, nu in de Kempen
overal den grond omgeploegd en ontgonnen wordt. Vroeger zijn er
door onwetendheid vele van die voorwerpen verloren gegaan en
vernield, en daarom doen wij hier terloops een beroep op den
goeden wil van iedereen, opdat in de toekomst alles wat bij
grondwerken zou gevonden worden trouw bewaard zou blijven:
Taxandria bezit een muzeum te Turnhout en met dank zullen die
voorwerpen daar ontvangen worden.
De Kempische begraafplaatsen zijn van Frank-Salischen oorsprong
en liggen over het algemeen verre van den huidige kom der
gemeente, op een hoogen grond, dichtbij de waadbare plaats van
den eenen of anderen waterloop. Zij zijn door wallen omgeven,
eigenaardige ophoopingen van grond, twee á drie meters breed
en één á twee meters hoog, en waarvan de oorsprong
onbekend is.
Een zogenaamde oude baan of heirbaan loopt er gewoonlijk niet
ver af. De begraafplaats is met een min of meer groot aantal
grafheuveltjes (tumulus) bezaaid die in gelijkloopende rijen
nevens elkander liggen van Noord naar Zuid, op de helling van den
hoogen grond die zelve naar den kant der opkomende zon gericht is.
Onder die grafheuveltjes die maar eventjes boven den grond
uitsteken, vindt men de aschkruik die dikwijls gebroken is of waarvan
de hals door het hakken werd afgesneden.
Te Ryckevorsel streketen zich de rijen over verschillende
kilometers uit. Midden der rijen rijst gewoonlijk een hoogere en
breedere heuvel die heel waarschijnlijk tot den eeredienst bestemd
was.
De Kempische grafheuveltjes zijn zeer arm aan inhoud: nevens de
grootere aschkruik met rechtstaanden hals en van het
Halstattsche model, vindt men er kleine urnen die dikwijls
omgekeerd op de assche en verbrande stukjes beenderen rusten en
waarschijnlijk voor dankoffers dienden; bij uitzondering vindt
men er spelden of armbanden in brons. Bij het omdelven der
begraafplaatsen vindt men soms ook bewerkte vuurstenen,
wrijfstenen, vormelooze stukken ijzer, enz...
Voorwerpen van echt Romeinsche herkomst vindt men weinig. Uit
den groven vorm der kruiken en de armoede der begraafplaatsen
zelve, mogen wij besluiten dat onze voorouders arme menschen
waren, met ruwe, ongekunstelde zeden.
In verband met die begraafplaatsen is het zeer leerrijk en ook hoogst belangwekkend de folklore der streek op te speuren, ingezonderheid allerlei oude verhalen die onder de inwoners voortleven. Zo verneemt men dat op de plaats der begraafplaats vroeger kaboutermannekens woonden. In de nabijheid vindt men een klokkeven waar een klok begraven ligt die met Kerstmisnacht aan 't luiden gaat. Ook verhaalt men nog dat er daaromtrent een schat verborgen ligt, en dit verhaal gaat dan weer samen met allerlei spookachtige lichtverschijnselen: dwaallichten, brandende scheeper, hellewagen, enz. De weerwolf loopt er 's nachts rond, het spookt er, en over 't algemeen is het eene streek waar bij 't vallen van den avond zich niemand waagt.
Misschien staat die overlevering nog in verband met den afkeer dien het reeds tot het christendom bekeerde gedeelte der bevolking tegen de nog voortbestaande heidensche gewoonte der lijkenverbranding toonde. De geachte heer Stroobant beschouwt echter die verhalen als toebehorende aan de Noordsche godenleer waarvan de overlevering nog in menig volksbijgeloof voortleeft, en hij belooft daar later breedvoetiger op weer te komen.
De toponymie of naamaanwijzing der begraafplaatsen is niet
minder merkwaardig. Overal vindt men dezelfde plaatsnamen die
als gids voor nieuwe opgravingen kunnen dienen en tevens eene
gedachte geven over de groepeering van sommige instellingen
onzer voorouders.
Uit de plaatselijke benamingen kan men alzoo afleiden, het
bestaan van een heilig bosch, van eene bron of eenen put met
genezende kracht, van een heuvel waar de volksvergaderingen
plaats hadden, van een boom waaraan een eredienst bewezen werd,
van een brandplaats, van een slachtheuvel, enz.
De aschkruiken worden dikwijls gevonden op de plaats genaamd
Boschoven. Te Rijckevorsel, Meir, Broechem, Turnhout, enz,
draagt het heilig bosch den naam van 't Loo (lucus). De
volksvergadering draagt den naam van den Wetsberg (Raevels),
Achtmael (Mallum, gerechtplaats), Groot en Klein
Malbergen te Rijsbergen, Melhoven te Rijckevorsel, enz. De
wonderbare geneesbron heet het klokkeven, neckersput,
neckerspoel en doodenput, enz.
Zoo kan men zich ter plaatse een min of meer getrouwe gedachte vormen
van het openbaar en het godsdienstig leven onzer voorouders, waarvan
Tacitus, een Romeinsch schrijver, getuigt dat zij in
geheiligde bosschen hun vergaderingen hielden.
En uit de studie dezer toponymische inlichtingen haalt nu de geachte
voorzitter van Taxandria weer zeer belangrijke gevolgtrekkingen
voor de studie en de kennis van verschillende middeleeuwsche
instellingen, inzonderheid van de aloude kleuren der Vlaamsche
gemeenten. Doch, ook de meer uitgebreide verhandeling dezer
gevolgtrekkingen, zullen door den schrijver later besproken
worden, zoodat wij er niet langer bij stil blijven.
Een woord van welverdienden lof en warme waardeering voor het werk van den geachten heer Stroobant mag hier niet achterwege blijven in een week-illustratie als deze die de verheerlijking van 't Vlaamsche volk in 't heden en in 't verleden beoogt. De vroeger zoo arme en woeste Kempen, was de bakermat der Salische Franken die Gallië deden beven en die 't Romeinsche keizerrijk overwonnen.
Tegenover den Franschen schrijver, Tustel de Coulanges, die beweerde dat de Franken in de 5e eeuw reeds zwak en uitgeput waren, dat ze na drie eeuwen verdrukking door de Romeinen overwonnen en verzwolgen werden, dat ze eigen legenden, zeden en gewoonten verloren hadden, en dat er in de Salische wetgeving, die trouwens in 't Latijn opgesteld werd, slechts sporen van Germaanschen geest te bespeuren zijn, houdt de heer Stroobant staande dat de Salische wetgeving van Noordsch-Germaansche oorsprong is, en dat zij lang voor hare omzetting in Latijnschen tekst leefde in den mond van het volk, in haar oorspronkelijk-frankische taal, namelijk de Vlaamsche.
“Wij hopen,” zoo uit zich de schrijver, “dat eenmaal een afstammeling van dat zogezegde 'verzwakte ras', zonder aan de Latijnsche bronnen te putten, de geschiedenis zal opboeken der Germanen van voor de Ve eeuw.”
Dat is frank gesproken, mijn geachte collega uit het bestuur van Merxplas en niet minder diep gevoeld is het volgende, dat ik letterlijk uit uwe brochure vertaal:
“Indrukwekkend is het, zoo in 't midden der onbebouwde heide, verre van alle woning, in een verwilderde en verlaten omgeving, die toponymische groepeeringen te vinden, die Wets- en Malbergen, waar heel zeker de Salische wet bewerkt werd. Uit de schikkingen dier wet kunnen wij eenige gewoonten en zeden afleiden dergenen die haar opstelden, en door de hervormingen heen die de eerste tekst later onderging, ontdekken wij nog het karakter van dat ruwe doch sterke ras der Franken van vóór het Christendom. 't Is op den Malberg dat verorderd werd dat het weergeld van een Frank 200 sollen zou zijn, dat van een Burgondiër, een Alleman, een Beier, een Sakser, 160 sollen! Wat den Waal betreft, die zijn waarde werd maar op 100 sollen geschat!...”