Vorige: 't Vlas in Vlaanderen IV.   Omhoog: België.   Volgende: De Aardappel.
Inhoudsopgave   Index


't Vlas in Vlaanderen V.

Gepubliceerd op 31 augustus 1912

SchilderijDeZaaier Er zijn gemeene vlaschaards en daar zijn er schoone, wijdeffene, hoog en fijn van herel en al van een gang of opkomste. De gemeene vlaschaards, die brandig, ongelijk en in plekken liggen, worden op 't veld gehekeld; de vlasstengels worden bij bundels over de tanden van een stalen kam geslegen en, door die tanden gerukt, laten ze al hunne nippens1 vallen; en het vlas gaat onmiddelijk in de rootputten. Bezijds den weg, aan hoek of kant, heeft men een put met kopwilgen omzet, en daar gaat het vlas in; zware bonken eerde worden den kant afgesteken en erop geladen om het onder te houden, en 't zit er tot het geroot is of in state, en er mag uitgetrokken.
Dat uittrekken zet voor eenige dagen de geheele omgeving in een onbeschrijfelijke doordringende stank. De geroote vrucht wordt op het veld gespreid, in gelijkmatige rechte reken om te drogen en te bleeken... Van tijd tot tijd moet het met lange persen gekeerd en met zijnen aardkant naar de lucht en de zonne gewend.
Dat is de blauwe- of veldroote en geeft vlas van minder gehalte dat de landbouwer dan zelf moet trachten aan den man te brengen.

* * *

SchilderijDeWiedsters Wanneer 't gejoel en de slijtefooie, 't gezang en de luidruchtigheid voorbij zijn, wanneer 't geluchte weer in zijn wijde stilligheid vervalt en over al 't ommeland de graanvruchten aan 't rijpen allengerhand goudgeluw staan te worden, de beetvelden, hageldichte bewasdomd, blinken van de veite, en de bitterpeemen donkergroen en menig het land overweldigen, liggen de eermalige vlaschaards kaal en plat als schamele schurftvlekken, met den achtergebleven bucht van gerotte en brandige of minderachtige vlasherels, of met magere klaver die tusschen 't vlas stond gezaaid.
De gesleten vrucht moet nu ofwel onmiddelijk gereept en geroot, dezelfden dag nog, indien den eigenaar van zinne is het eigenhandig te verwerken, binst de wintermaanden. Slijten voor de repe dat doet het jongvolk het liefst, en ze zien er niet tegen op om 's morgens met de vogels uit te kruipen, van drie uur voort, om, met een gat in de nacht, of zelfs in 't geheele niet weer hun leger op te zoeken. “Slijten om 't hagen, dat heeft geen leut aan!” zeggen ze en ze knippen een oogske voor de verstaanders.

SchilderijHetSlijten Ach, en 't ware deernisse ook om hier hun genot te verklappen; 't heeft geen erg in, de dag is zoo lang, en het werk valt zwaar, 't jolijt mag wel den arbeid zoeten. Slijten om te hagen of voor de Leye, heeft zulk geen haast in, en dat is een oudewijfskerkgang. Maar als de rote denzelfden avond nog in moet, zal de arbeid vliegen. Nu geen jongens meer om pootjes aan te brengen. De reper zit voor zijnen ijzeren kam en hij reept dat hem 't zweet op zijn handen leekt.
Het mannevolk slijt en 't vrouwvolk vlug te beene en van tonge nog vlugger handigen de pootjes over van de slijters naar de reper; hij slaat de vlaspoote op de ijzeren tanden, trekt ze erdoor, en de nippens reuzelen aan zijn voeten. Almaardoor wordt er getaterd; geen vezelen, hoor, en van de vrouwentongen natuurlijk nog het meest; maar wat ze al vermonden, zullen ze zelf wel uitbrengen indien ze 't geraadzaam achten, ik... weet het niet.
Hoe lang ook den dag zijne uren rekke, toch komt de schemering heel traag en valt, onverwacht, de avond, en met den avond alweer een versch plezier. In de weide of in den elleboog van een veldkarriere, ligt de rootput; eene stille vlake, droomend zop tusschen de wilgen, en eer dat het nacht mag worden moet daar de roote in.

SchilderijHetRooten De mannen staan barbeende in den gistende put en al 't vlas wordt door 't vrouwvolk aangegeven. Elk kent zijn deel van 't werk, en de mannen die gaan, en zware stukken uit den kleigrond stekken met de spade, hebben voor die gelegenheid den name van fakke- of flakkestekkers, in de volkstaal, wat wel vlakestekkers in de beschaafde taal zal luiden. De fakken moeten dan aangebracht en op 't ingestoken vlas geladen om het onder water te houden.
Als ik u zeggen zal, dat de nacht een medeplichtige is en het water voor kinders en jonkvolk immer eene bekoring is geweest tot stoeien en lawijd en zottemarkt, dan geef ik u te raden of de knapen en de meiden, en zelfs bezadigde huisvaders en bejaarde meetjes, bij zulke bezigheid nog leute moeten koopen.

Kleine boeren bewerken aldus hun vlas zelf, zwingelen het en doen het op, om 't alzoo aan den koopman te leveren; het is wat blauwer van toon en daaraan heeft het zijnen naam te danken van blauwe roote. De koopman bewerkt het nog een tweeden keer, en 't vlas wint nog wat aan schoonheid.

* * *

Maar 't overgroot deel van het vlas gaat naar de Leye, en dit heet Leyeroote. Met het ingaan van de Lente wemelt de geheele uitgestrektheid van de Leye-vallei, van de Fransche grens tot in Gent, met eene ongemeene bedrijvigheid... De velden waar het vlas stond opgebouwd in zijn schelven worden nu leeggevoerd. Rijen van zes, zeven wagens, hooggeladen met het gulden vlas, dobberen lijk schepen langs de steenwegen. Flinke boevers elk met zijn span van drie felgegraande peerden, komen als zegelieden, fier de stad binnengereden en rijden te Leye-waarts met hun kostelijke lading...
Overal in de statiën staan de sporen bezet met reken wagens, zorgvuldig beschut onder geterde dekkleeden. Het komt er van alle kanten. Inlandsch vlas uit de Vlaanderen, Brabant, Henegouw en Namen; Fransch vlas uit het Noorder departement, uit de Pas de Calais en de Beneden-Seine, uit Normandje, en er zou er zelfs reeds beginnen te komen uit de Eurre en de Seine-et-Oise, Hollandsch vlas uit Zeeland en Groningen; Russisch vlas zelfs, zoo men beweert, maar die er 't fijne van weten zeggen dat wij met slechte kroten2 van alhier beter garen maken dan met 't Russisch vlas! Men heeft zelfs het vlas beproefd uit Amerika en ook Japaanschen groei, maar leve 't vlas van Vlaanderen!

(Naar het begin van de volgende kolom)

  De Leye zelf voert het op haren rugge, in de bevallige Hollandsche booten; en 't is zeker wel eene overlevering zoo oud als de twee zware bonken van Broeltoren zelf, dat er telken jare, geregeld alle twee drie dagen een schipje vlas half uit half in de middenbogen van de Broelbruggen blijft zitten, omdat het te hooge gelaan was; en dan klinkt het zoo mooie Groningsch zoo klaar en zoo net tegen de zware muren van Inghelburgh en van Speytorre3, gewend aan 't onedel bargoensch dat Kortrijk spreekt. Het doet zoo vreemd aan, langs de sierlijke Leyebochten, den enkelen mast en den kakelbonten boeg te zien schuiven van die hollandsche noteschulpen, door die zee ― die kalmte van louter goud en groenigheid.
HetInslaanDerHekkens Hoe prachtig om 't aanschouwen zijn nu de oevers van onzen Jordaan. Eerlang nog, in de wintermaanden lagen ze doodsch en derf, de weide zonder gers, en zonder vee, de hekken losgeschakeld en opgeborgen, in zwarte mijten langs den levenloozen stroom, de keien tot hoopen vergaard, stonden als doode wakers gereekt langs het levenloos vertoog. Nu is 't alsof het water van den gulden stroom veel blijder glom, er komt een lenteleven in die schijnbare loomheid en de beide banken van de rivier loopen bevolkt met een wriemelende bende vlasbewerkers. 't Is lossen en laan, 't is schudden en binden, 't is voeren en schelven, en de hekkens liggen veerdig, met hun vloer bekleed, aan den wal gefijkt, schuin en gereed om te zinken, hun berdelen lanken vol met 't kostbaar gewas, in droomende water.
Vijftienduizend menschen winnen daar hun dagelijksche noodruft mede, en vijftienduizend paar armen zijn van den vroegen morgen tot den laten avond bezig aan de eye. Degelijk geboot en gedroogd, gebonden de bundels top en eers of gebesjong4 gaat het de hekkens of de “benne” in.
Ieder hekken wordt volgesteken door een vulder; andere werklui voeren in, 't is te zeggen dat ze 't aangevoerde vlas in besjongs binden en aangeven of smijten aan den vulder. Volgens dat het vlas gesloten is of vervrongen, en ook volgens de grootte van den bak, houden welke hekkens van duizend tot 2 duizend kilos in.
Nu en dan smijt de Leye op: als een mensch wiens maag last heeft van zuur of overlast van spijze, keert de rivier al haar bezonken droesem en vuiligheid naar omhoog, en, opdat het vlas niet bevuild worde door de spleten van de grondberdels, wordt de grond eerst zorgvuldig met een kleed bedekt. Een voor een worden de besjongs overkop gezet in de bakken, dicht tegeneen gesloten, het geheele hekken vol; dan wordt de lading met stroo overdekt en in 't water gelaten. Boven daarop worden weer berdels gestrekt en op de berdels de zware hekkensteenen; dat heet het vlas inladen.
Het vlas uit zijn eigen en versch ingeladen, zou niet zinken; daarom laadt men het in met steenen: naarmate het root zuigt het zop in, verzwaart en zinkt ― en naar derzelder mate moeten steenen afgenomen. “'t Vlas begint hem te geven” zegt de hekkenier. En hier straalt er weer poëzie door, die binnen zoekt te dringen door alles wat de mensch doet.

Geen schooner vertoog, dan bij rustigen avonde, als 't Leyevolk zijn veste heeft aangeschoten, pulle en etenbeurs over den schouder geslagen en vertrokken is; op heel de lengte van den Leyezwaai, liggen de hekkens in, 't eene aan 't andere, en allemaal van den wand gehouden met twee drie staken of “sperren”.
Dan vaart de hekkenier, dan laat hij hem dragen op den traag voortbewegenden Leyespiegel, tusschen de dubbele bakkenrije, in een groote platte boot, vol steenen, en hij beweegt, zwart op de gouden westerlucht, zijne lange lanse, met een schoonheid die hij onbewust op 't vredig landschap werpt; schooner als een venetiaanshe gondelier, schooner als een Westersche trapper, op het Canadeesche oermeer; niet overbeschaafd, niet wild, maar kalm en rustig, waakt hij over den schat die rust nu in den schoot van zijnen lieven stroom, waakt hij en zorgt voor de reke, ziet toe dat de hekken op één zate staan, omtrent reize met het water; hij neemt steenklompen af, legt steenklompen op, en zijn aanlegketen rammelt, en zijn perse schrijft op de schoone lucht; de houten kiel van zijn boot ronkt onder 't schraven, en 't pekzwarte Leyewater kabbelt om zijn vaartuig; terwijl ver in de meerschen de koeien hun avondgeloei uitzenden en de rietmusschen karrekieten in de grachten, en 't weldoende Leyewater zijn zegen van een werk doet.

* * *

HetTrekkenVanHetVlas Al die Leyearbeiders zijn daghuurlingen, vlasbewerkers des zomers en zwingelaars in 't doode seizoen. Zij steken het vlas in en bekommeren zich verder om niets.
De baas moet weten of 't voldoende geroot is; het kan immers te taai trekken of te verre rooten; en 't gebeurt zelden, maar 't gebeurt toch twee keers op tien, dat den baas hem laat bedriegen door de Leye; hij kan 't gebrek in de eerste roote laten herstellen in de tweede, hij krijgt het weere, zegt het Leyevolk, maar laat hij het nog eens te verre rooten, dan is het te rot, het heeft geen macht meer en de baas verliest er boote5 bij of gewicht. In 't begin van 't jaar zit het soms lang in, als 't water koud is zou 't veertien dagen inzitten, bij warmer weer mag 't er soms na drie dagen uit.
Een eerste maal geroot wordt het vlas uitgetrokken.

Hoe krielt het wederom
langs al de eyeboorden
van lieden, half gekleed,
die half in 't water staan.
De afsmijters of de zware hefboomen die 't hekken van de wal hebben gehouden, of de afzetpersen, zoo men ze nog noemt, worden ingehaald, het hekken wordt van zijn steenen last ontheven, en tegen kant getrokken; met eene windas opgewonden tot 't halverwege 't schip, en daar wordt de roote getrokken, en uitgesmeten, zooals de dichter het beschrijft:
en halen, lekende uit,
lijk lijken van versmoorden
't gebonden sappig vlas,
en 't spreidende openslaan

Caesar Gezelle



Voetnoot

...nippens1
Nippen: knot of zaadhuis van 't vlas; fransch: tête de lin. Andere vormen van 't zelfde woord zijn knippen, knuppen, nippen, nuppen, ippen, uppen, oppen ( De Bo.)
...kroten2
Krote of klote afgevallen vezel van den bast van 't vlas dat gezwingeld wordt. De kroten die van de eerste zwingeling voortkomen heeten vuile kroten, omdat ze grof zijn en vol lemen hangen; die van de tweede zwingeling heeten vertoerkroten, na de vertoerkroten volgen de fijne kroten.
...Speytorre3
namen van de twee broeltorens, gebouwd aan wederkanten de Leye, op de broelbruggen, waar de Leye in Kortrijk binnenkomt.
...gebesjong4
Besjongen; besjongde, gebesjongd: is eene plaatselijke uitspraak; het woord luidt elders, volgens De Bo: bezouwen, en is het fransche woord bonjeau of boujean. Een groote bondel van twee of vier waterbooten rauw vlas, top en aars opengeleid en met twee of drie stoobanden samengebonden, om in eene benne (hekken) te rooten te steken. Ook bezong of bosjong worden gehoord. Werkwoord: bezouwen; lier en boujeaux.
...boote5
Boot: Een boot is omtrent 1 1/2 kilogr. vlas. 72 booten ― een balie van 103 kilogr.


Vorige: 't Vlas in Vlaanderen IV.   Omhoog: België.   Volgende: De Aardappel.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009