|
Er zijn gemeene vlaschaards en daar zijn er schoone,
wijdeffene, hoog en fijn van herel en al van een gang of
opkomste.
De gemeene vlaschaards, die brandig, ongelijk en in plekken
liggen, worden op 't veld gehekeld; de vlasstengels worden bij
bundels over de tanden van een stalen kam geslegen en, door die
tanden gerukt, laten ze al hunne
nippens1 vallen; en het vlas gaat onmiddelijk in de
rootputten.
Bezijds den weg, aan hoek of kant, heeft men een put met
kopwilgen omzet, en daar gaat het vlas in; zware bonken eerde
worden den kant afgesteken en erop geladen om het onder te
houden, en 't zit er tot het geroot is of in state, en er mag
uitgetrokken.
Dat uittrekken zet voor eenige dagen de geheele omgeving in een
onbeschrijfelijke doordringende stank. De geroote vrucht wordt
op het veld gespreid, in gelijkmatige rechte reken om te drogen
en te bleeken... Van tijd tot tijd moet het met lange persen
gekeerd en met zijnen aardkant naar de lucht en de zonne
gewend.
Dat is de blauwe- of veldroote en geeft vlas van minder
gehalte dat de landbouwer dan zelf moet trachten aan den man te
brengen.
* * *
Wanneer 't gejoel en de slijtefooie, 't gezang en de
luidruchtigheid voorbij zijn, wanneer 't geluchte weer in zijn
wijde stilligheid vervalt en over al 't ommeland de
graanvruchten aan 't rijpen allengerhand goudgeluw staan te
worden, de beetvelden, hageldichte bewasdomd, blinken van de
veite, en de bitterpeemen donkergroen en menig het land
overweldigen, liggen de eermalige vlaschaards kaal en plat als
schamele schurftvlekken, met den achtergebleven bucht van
gerotte en brandige of minderachtige vlasherels, of met magere
klaver die tusschen 't vlas stond gezaaid.
De gesleten vrucht moet nu ofwel onmiddelijk gereept en geroot,
dezelfden dag nog, indien den eigenaar van zinne is het
eigenhandig te verwerken, binst de wintermaanden.
Slijten voor de repe dat doet het jongvolk het liefst, en ze
zien er niet tegen op om 's morgens met de vogels uit te
kruipen, van drie uur voort, om, met een gat in de nacht, of
zelfs in 't geheele niet weer hun leger op te zoeken. “Slijten
om 't hagen, dat heeft geen leut aan!” zeggen ze en ze knippen
een oogske voor de verstaanders.
Ach, en 't ware deernisse ook om hier hun genot te verklappen;
't heeft geen erg in, de dag is zoo lang, en het werk valt
zwaar, 't jolijt mag wel den arbeid zoeten.
Slijten om te hagen of voor de Leye, heeft zulk geen haast
in, en dat is een oudewijfskerkgang.
Maar als de rote denzelfden avond nog in moet, zal de arbeid
vliegen.
Nu geen jongens meer om pootjes aan te brengen.
De reper zit voor zijnen ijzeren kam en hij reept dat hem 't
zweet op zijn handen leekt.
Het mannevolk slijt en 't vrouwvolk vlug te beene en van tonge
nog vlugger handigen de pootjes over van de slijters naar de
reper; hij slaat de vlaspoote op de ijzeren tanden, trekt ze
erdoor, en de nippens reuzelen aan zijn voeten.
Almaardoor wordt er getaterd; geen vezelen, hoor, en van de
vrouwentongen natuurlijk nog het meest; maar wat ze al
vermonden, zullen ze zelf wel uitbrengen indien ze 't geraadzaam
achten, ik... weet het niet.
Hoe lang ook den dag zijne uren rekke, toch komt de schemering
heel traag en valt, onverwacht, de avond, en met den avond
alweer een versch plezier.
In de weide of in den elleboog van een veldkarriere, ligt de
rootput; eene stille vlake, droomend zop tusschen de
wilgen, en eer dat het nacht mag worden moet daar de roote in.
De mannen staan barbeende in den gistende put en al 't vlas
wordt door 't vrouwvolk aangegeven. Elk kent zijn deel van 't
werk, en de mannen die gaan, en zware stukken uit den kleigrond
stekken met de spade, hebben voor die gelegenheid den name van
fakke- of flakkestekkers, in de volkstaal, wat wel
vlakestekkers in de beschaafde taal zal luiden.
De fakken moeten dan aangebracht en op 't ingestoken vlas
geladen om het onder water te houden.
Als ik u zeggen zal, dat de nacht een medeplichtige is en het
water voor kinders en jonkvolk immer eene bekoring is geweest
tot stoeien en lawijd en zottemarkt, dan geef ik u te raden of
de knapen en de meiden, en zelfs bezadigde huisvaders en
bejaarde meetjes, bij zulke bezigheid nog leute moeten koopen.
Kleine boeren bewerken aldus hun vlas zelf, zwingelen het en
doen het op, om 't alzoo aan den koopman te leveren; het is wat
blauwer van toon en daaraan heeft het zijnen naam te danken van
blauwe roote.
De koopman bewerkt het nog een tweeden keer, en 't vlas wint nog
wat aan schoonheid.
* * *
Maar 't overgroot deel van het vlas gaat naar de Leye, en dit
heet Leyeroote.
Met het ingaan van de Lente wemelt de geheele uitgestrektheid
van de Leye-vallei, van de Fransche grens tot in Gent, met
eene ongemeene bedrijvigheid... De velden waar het vlas stond
opgebouwd in zijn schelven worden nu leeggevoerd.
Rijen van zes, zeven wagens, hooggeladen met het gulden vlas,
dobberen lijk schepen langs de steenwegen.
Flinke boevers elk met zijn span van drie felgegraande
peerden, komen als zegelieden, fier de stad binnengereden en
rijden te Leye-waarts met hun kostelijke lading...
Overal in de statiën staan de sporen bezet met reken wagens,
zorgvuldig beschut onder geterde dekkleeden.
Het komt er van alle kanten.
Inlandsch vlas uit de Vlaanderen, Brabant, Henegouw en Namen;
Fransch vlas uit het Noorder departement, uit de Pas de Calais
en de Beneden-Seine, uit Normandje, en er zou er zelfs
reeds beginnen te komen uit de Eurre en de Seine-et-Oise,
Hollandsch vlas uit Zeeland en Groningen; Russisch vlas zelfs,
zoo men beweert, maar die er 't fijne van weten zeggen dat wij
met slechte kroten2 van alhier beter garen maken dan met
't Russisch vlas!
Men heeft zelfs het vlas beproefd uit Amerika en ook
Japaanschen groei, maar leve 't vlas van Vlaanderen!
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
De Leye zelf voert het op haren rugge, in de bevallige
Hollandsche booten; en 't is zeker wel eene overlevering zoo oud
als de twee zware bonken van Broeltoren zelf, dat er telken
jare, geregeld alle twee drie dagen een schipje vlas half uit
half in de middenbogen van de Broelbruggen blijft zitten, omdat
het te hooge gelaan was; en dan klinkt het zoo mooie Groningsch
zoo klaar en zoo net tegen de zware muren van Inghelburgh
en van Speytorre3, gewend aan 't onedel
bargoensch dat Kortrijk spreekt.
Het doet zoo vreemd aan, langs de sierlijke Leyebochten, den
enkelen mast en den kakelbonten boeg te zien schuiven van die
hollandsche noteschulpen, door die zee ― die kalmte van louter
goud en groenigheid.
Hoe prachtig om 't aanschouwen zijn nu de oevers van onzen
Jordaan. Eerlang nog, in de wintermaanden lagen ze doodsch
en derf, de weide zonder gers, en zonder vee, de hekken
losgeschakeld en opgeborgen, in zwarte mijten langs den
levenloozen stroom, de keien tot hoopen vergaard, stonden als
doode wakers gereekt langs het levenloos vertoog.
Nu is 't alsof het water van den gulden stroom veel blijder
glom, er komt een lenteleven in die schijnbare loomheid en de
beide banken van de rivier loopen bevolkt met een wriemelende
bende vlasbewerkers.
't Is lossen en laan, 't is schudden en binden, 't is voeren en
schelven, en de hekkens liggen veerdig, met hun vloer bekleed,
aan den wal gefijkt, schuin en gereed om te zinken, hun berdelen
lanken vol met 't kostbaar gewas, in droomende water.
Vijftienduizend menschen winnen daar hun dagelijksche noodruft
mede, en vijftienduizend paar armen zijn van den vroegen morgen
tot den laten avond bezig aan de eye.
Degelijk geboot en gedroogd, gebonden de bundels top en eers of
gebesjong4 gaat het de hekkens of de “benne”
in.
Ieder hekken wordt volgesteken door een vulder; andere werklui
voeren in, 't is te zeggen dat ze 't aangevoerde vlas in
besjongs binden en aangeven of smijten aan den vulder.
Volgens dat het vlas gesloten is of vervrongen, en ook volgens
de grootte van den bak, houden welke hekkens van duizend tot 2
duizend kilos in.
Nu en dan smijt de Leye op: als een mensch wiens maag last heeft
van zuur of overlast van spijze, keert de rivier al haar
bezonken droesem en vuiligheid naar omhoog, en, opdat het vlas
niet bevuild worde door de spleten van de grondberdels, wordt de
grond eerst zorgvuldig met een kleed bedekt.
Een voor een worden de besjongs overkop gezet in de bakken,
dicht tegeneen gesloten, het geheele hekken vol; dan wordt de
lading met stroo overdekt en in 't water gelaten.
Boven daarop worden weer berdels gestrekt en op de berdels de
zware hekkensteenen; dat heet het vlas inladen.
Het vlas uit zijn eigen en versch ingeladen, zou niet zinken;
daarom laadt men het in met steenen: naarmate het root zuigt het
zop in, verzwaart en zinkt ― en naar derzelder mate moeten
steenen afgenomen. “'t Vlas begint hem te geven” zegt de
hekkenier. En hier straalt er weer poëzie door, die binnen
zoekt te dringen door alles wat de mensch doet.
Geen schooner vertoog, dan bij rustigen avonde, als 't Leyevolk
zijn veste heeft aangeschoten, pulle en etenbeurs over den
schouder geslagen en vertrokken is; op heel de lengte van den
Leyezwaai, liggen de hekkens in, 't eene aan 't andere, en
allemaal van den wand gehouden met twee drie staken of
“sperren”.
Dan vaart de hekkenier, dan laat hij hem dragen op den traag
voortbewegenden Leyespiegel, tusschen de dubbele bakkenrije, in
een groote platte boot, vol steenen, en hij beweegt, zwart op de
gouden westerlucht, zijne lange lanse, met een schoonheid die
hij onbewust op 't vredig landschap werpt; schooner als een
venetiaanshe gondelier, schooner als een Westersche trapper, op
het Canadeesche oermeer; niet overbeschaafd, niet wild, maar
kalm en rustig, waakt hij over den schat die rust nu in den
schoot van zijnen lieven stroom, waakt hij en zorgt voor de
reke, ziet toe dat de hekken op één zate staan, omtrent
reize met het water; hij neemt steenklompen af, legt
steenklompen op, en zijn aanlegketen rammelt, en zijn perse
schrijft op de schoone lucht; de houten kiel van zijn boot ronkt
onder 't schraven, en 't pekzwarte Leyewater kabbelt om zijn
vaartuig; terwijl ver in de meerschen de koeien hun avondgeloei
uitzenden en de rietmusschen karrekieten in de grachten, en 't
weldoende Leyewater zijn zegen van een werk doet.
* * *
Al die Leyearbeiders zijn daghuurlingen, vlasbewerkers des
zomers en zwingelaars in 't doode seizoen. Zij steken het vlas
in en bekommeren zich verder om niets.
De baas moet weten of 't voldoende geroot is; het kan immers te
taai trekken of te verre rooten; en 't gebeurt zelden, maar 't
gebeurt toch twee keers op tien, dat den baas hem laat bedriegen
door de Leye; hij kan 't gebrek in de eerste roote laten
herstellen in de tweede, hij krijgt het weere, zegt het
Leyevolk, maar laat hij het nog eens te verre rooten, dan is het
te rot, het heeft geen macht meer en de baas verliest er
boote5 bij of gewicht.
In 't begin van 't jaar zit het soms lang in, als 't water koud
is zou 't veertien dagen inzitten, bij warmer weer mag 't er
soms na drie dagen uit.
Een eerste maal geroot wordt het vlas uitgetrokken.
Hoe krielt het wederom
langs al de eyeboorden
van lieden, half gekleed,
die half in 't water staan.
De afsmijters of de zware hefboomen die 't hekken van de wal
hebben gehouden, of de afzetpersen, zoo men ze nog noemt, worden
ingehaald, het hekken wordt van zijn steenen last ontheven, en
tegen kant getrokken; met eene windas opgewonden tot 't
halverwege 't schip, en daar wordt de roote getrokken, en
uitgesmeten, zooals de dichter het beschrijft:
en halen, lekende uit,
lijk lijken van versmoorden
't gebonden sappig vlas,
en 't spreidende openslaan
Caesar Gezelle
|