Gepubliceerd op 3 augustus 1912
|
Vlaanderen is, van eeuwen her, zoo geen ander land ter wereld,
een uitgelezen grond, een paradijs voor 't vlas. In zijne
Algoedheid heeft God het zoo gewild, dat, van in den vroegsten
springtijd aldoor de heerlijke lente en ja den zomer lang, het
vlas ons land zou tooien in beide gedaanten van zijn
schoonheid: de prachtige vlaschaards, diep-donkergroen
vluwhaarde
vlaken
van het edel gewas op
stam, en het wemelend vertoog, het oogverkwikkend goudgespraai
van de rijpe vrucht, op de beide banken van de Leye. ... herleven in kant en kragenMaar tusschen de kiemende vlasherel die rillend staat in de lentewind en wast in de geurige lucht, en het sneeuwwit gebloei op de jonge en schoone borst, ligt een wereld, een wijde afstand, die dag aan dag moet gevuld door een zwoegend menschenleger, gevuld met menschenarbeid en menschenvernuft, gevuld met zedelijke ellende en stoffelijk welzijn, met wel en met wee, met gul gelach, vloekend gemor en leede tranen.
* * *
Tweemaal in eenzelfde zomergetijde staan de vlaschaards in hun volle pracht: eerst te midlente, in hun diepverwig groen en nog eens, te midzomer als als 't jeugdig vlas zijn sprieteltopjes,In de gewesten van Leye en Schelde is 't dat men gaan moet om ze te zien de vlaschaards, breede stukken uitgespreide paandoek, liggend afgemeten door de aardappel- en beetvelden of met een manhoogden muur van jongstammige koornvrucht. Alles wat groen is nu en groeien kan groeit; 't is een algemeen geweld om op en naar buiten, en om wie 't best zal beantwoorden aan de milde en vruchtbare giften van lucht en grond: alles zet uit en bedijgt in zijn dolsten wasdom... de nieuwe zonne heeft den grond gebakeld1, ze heeft de lucht doorwarmd. De levenslust is ontwaakt onder het aaien van den zoetgeurigen lentewind die door stad en blad en vezel de nieuwe levenstochten draagt, en de geie groeikracht spettert open in eene macht van jong gelooverte en weelderige zilverbloei die hangt in zwaren overvloed op bomen en op doornhagen. De lijster heeft de dagen van de vroeglente zitten aftellen, uit den top van den hooge olme, de meerlhaans fluiten de morgenfrischheid uit en ze juichen zoo guitig als de hemel de aarde overgiet met een zwepe warme regen. Bij nachte galmt de nachtegale in 't hout zijn herteleed bij 't licht van de zilveren mane, en de puiden gerren in 't goor.
Alom liggen de weilanden, kniehoogte met 't veie
gers2 bestaan,
en de koeien, de gezapige melkmoeders en het bratte Meigoed
liggen daarin en gonzen van de dazen en knabbelen rustig en
vergenoegd aan dien bloeienden overvloed.
Daartusschen, alhier, aldaar, kiemt uit de mulle grond en wast
langzaam omhoog, de schoonste en de rijkste vrucht van den boer,
zijn vlas.Dinder, in de delling staat het boerenhof; te winter zit het vol volk en vee en warme toegedekt onder 't beschut van zijn breede stroodaken; rondom ligt het in 't water en in 't droge riet, groenwendig bemost door 't gespoel der wintervlagen; ontoeganklijk stond het aan den winterkant in zijn zompige meerschen en verdronken zaailanden; doch nu is die arke gestrand en heeft ze heur sloten gedicht en heur luiken opengelaten. Ze staat ijdel, en de wind en de zonne en de zwaluwen spelen er door, de kalveren slenteren noordewaarts in, door 't hofgat uit den boomgaard, en zuidewaarts uit door 't hofgat weer onder de bomen; het volk zit op den kouter en het vee doolt in 't gers. Somtijds lijkt het wel, met den inzet van het jaar, of ons land er zou willen gaan uitzien als een geirnde moeras. Het regent weken, maanden achtereen, met korte tusschenpoozen; fijne regen die doorzimpert tot in 't herte van de naakte boomen, tot in den diepen schoot van den grond en tot in 't gemoed van den mensch; het wanweert, het sleint en sneeuwt en hagelt alsof de helderheid en de zonneschijn voor goed waren uit het land verbannen. Maar al op eenen gulden morgen is het weder zijne norschheid vergeten; het onraad waait uit de lucht en 't gaat aan 't drogen. Het is alsof de wereld eerst van levende zielen uitgestorven, nu opeens weer, als bij tooverslag, van menschen en dieren wemelt. Te lange hebben de peerden op stal staan te trappelen van ongeduld en de nieuwe lucht te snuiven met hunkerend gesperde neusgaten. Te lang zat het volk om den heerd en wrongen ze hunne handen in ongeduldig wachten. De schoone lente is als een gulden feestgetij uit het Oosten komen gedaagd en het wemelt er weer van 't leven op de eermalig slapende velden; de landslieden zijn in een jacht al weer aan de veldarbeid; hun land hebben ze weer veroverd en, uitgeslapen nu, zal 't weer zijn schoot openen voor een versche dracht. 't Moet gescheurd met de scharren en gekeerd met de blinkende ploegs, 't moet gekamd met de zwinkelende eegden3, om 't gereed te leggen tot de ontvangst van het kostbare zaad at hem zal worden toevertrouwd. Dagen achtereen kappen er moedig de felle peerden door en sterk te poote werken ze er de vierigheid van hun vernieuwde bloed op uit, van den kriekenden morgen tot als het avondduister valt; lam en afgebeuld gaan ze daarna, met gedropen kop, hun bellen al klinkend door de avondrustigheid en zoeken hunnen stal om 's anderensdaags weer verhemd te herbeginnen. Eerst sleuren ze den felgetande breker er door, want het land lag getast en toegegeseld door de onweerslagen; even scheren trekken evenwijd de aardschore in zeven veie voren; weer toegerold met de zware landrolle, wordt het ge-eegd en opengereten weer gerold en gerakeld, tot mullige zand als een zijdeke zoo fijn en vlak als een marbelstik. Diep, zorgt de boever dat hij werkt, anders zou 't kruid hier meester zijn, en dan kost de geheele vlaschaard meer van kruien, dan hij opbrengen kan; maar nu zal 't vlas het kruid te voor, te boven, en zegevierend opgaan versmachtend en verdonkerend allen ongroei in de macht van zijn dichte gewas.
En nu: Maarte is bachten den rug en 't April alreeds. Uit
Rusland kwam het lijnzaad; uit Riga Selmer eerste
klasse, beste zaaizaad; roozezaad noemen 't de vlasboeren
en 't komt hun toe in balen; of tonzaad, afgeleverd per ton
van ruim 80 kgr.
Het zaad door hemzelf opgedaan heeft de boer met zijn vlas
verkocht; het deugt niet om te zaaien en dat gaat naar de
stampkoten en de olieslagerijen. Maar in Rusland en in zekere
Amerikaansche streken, daar wordt het vlas gekweekt niet voor de
bast maar voor 't lijnzaad: het schoone blinkende
vlaszaad.
* * *
|
De ongenadige mols misschien zullen er hun allesverwoestende
gangen in rijden d'herelkes uitsteken dat ze liggen en
dooddrogen.
Of is het land te zuur en zal de brand in het vlas zitten? 't Zal opkomen en groeien en op tijd gelaafd, op tijd gestreeld door de milde zon omhooggaan en de boer zijn hert vol hoop steken; maar, daar is opeens de zwoelte. Twee drie dagen zware hitte en de herels gaan niet op, dan bij sprietsels, en dat geeft minderweerdige vrucht. Misschien heeft hij te dikwijls vlas op 't zelfde stuk gezaaid, en kan de grond niet geven wat hij nietmeer in heeft. Zal zijn vlaschaard door den zwaren regen in den grond geslegen worden, aan de eerde geplakt, zoodat het zich niet meer rechten kan, dat zijn voet beloopt en roste uitslaat? Dat alles en 't rooven van allerhande vogeldier en vreemde lieden's duiven, die ge, met hun krop vol lijnzaad van den kouter drijft; dat alles heeft de boer te voorzien en te vreezen en met zijn vlaschaard loopt hij bekommerd als stond de vrucht te groeien op den bodem van zijn eigen hert. Neen, maar als 't goê vlasjaren zijn gebeurt dit niet, of toch ten deele niet, en met zoo weinig schade dat het vlas in fijne herels, gepast van dikten staat, zonder brand, diepgroen en effen als een berdvloer; het levende genot van den boer. Kan 't nu nog zoo voort bedijen totdat het uit zijn kwaân is en zijn strafte gekregen heeft, dan mag de dauw het drijven, dan mag de regen het doen vallen en zelf een felle dondervlage het plat leggen. 't Zal hem rechten en zegevierend, en den boer te meê, zijnen gang gaan en 't kruid aan zijn voet overweldigen. Het kruid, ja, de laatste vijand van den boer! Tegen dezen vermag hij niets, tenzij dat hij vijftien, twintig manskerels en vrouwlien op zijn veld steekt en ze tegen kostelijk daggeld, den dag door laten wieden. Daar zitten ze en overkruipen het breede land, in eene lange rij, en weren, onder hunne groote zonhoeden, al 't onkruid dat in Vlaanderen bekend, hier ook meent meegerechtigd te zijn om te groeien; en groeit, bij honderdduizenden jonge plantjes, distels en kantsjoen, kattesteert en ruie, netels en rotse, alles, maar alles wordt van om den stam van de vlaspijltjes geplukt en verlezen, en op verslensde hoopjes aan den kant geruimd. En nu mag hij weer zijnen gang gaan, de vlaschaard, en groeien tot aan 't bloeigetij.
* * *
Middelwijl is 't, met éénen dag teenegader, van lente zomer
geworden, en blijft het gebied over de wereld aan de almachtige
zon. Zelden of nooit meer koelt de lucht af, binst de korte
nachten zijgt de dauw, maar vóór nog mensch of dier een
vinne roert heeft de zonne weer alles droog gebakeld en vuurt ze
haar schichten door den langen dag.
Somtijds stijgt de hitte tot drukkende zwoelte, de lucht schuift
toe met een vervaarlijk bedreig van onweerswolken, het donkert
en de menschen vluchten binneshuis, het vee staat in de weiden
stil en wacht, geen vogel meer die ruit of muit, en in de
schoone stilte begint de donder te spreken. Weerlichten flitsen
ver verscheen eerst, maar langs om dapperder naarmate het onweer
nadert, en het gromt en bommelt, flitst en knettert ten lange
laatste zoo dapper en aanhoudend, dat men den hemel als een
eendelijke renbaan waant waarin, uit de vier gewesten, de
donders zottebollend op malkander botsen.
Nu staat de aarde gedekt met haar weelderigsten dracht. De
hoogstammige rogge rijpt in de zware halmen, de terwe dikt al
bruingeboend en de haver staat met millioenen belletjes, roode
vlekken kollebloem en 't blauwe van de aublauwbloempjes
blekkerend langs de gerstkanten, de aardappelvelden staan in
blijden bloei en de beetestukken blinken van veite en
groeizaamheid. De vlaschaards liggen daarin als vlaken loutere
rijkdom - groenig goud. De herels staan kniehoogte en
rilde, dicht tegeneen met gedropen toppen; aan de omgebogen
sprietelkopjes is een ongetal ontstaan van zwellende botten;
onder 't zonnegetreel bersten ze open en zetten alhier, aldaar,
en overal eene stippeling van blauwe perels op 't eenbaarlijk
groene vlastapijt.
* * *
Laat ze komen nu, de vreemdelingen: Leyenaars, facteurs en
vlaskooplieden, kutsers en bootekoopers; geldmannen al
te gaar met stadsche voeren, met kennersoog en bedreven tast. Nu mag 't met een gullen dronk beschonken worden...
|