Vorige: 't Vlas in Vlaanderen II.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen IV.
Inhoudsopgave   Index


't Vlas in Vlaanderen III.

Gepubliceerd op 3 augustus 1912

Vlaanderen is, van eeuwen her, zoo geen ander land ter wereld, een uitgelezen grond, een paradijs voor 't vlas. In zijne Algoedheid heeft God het zoo gewild, dat, van in den vroegsten springtijd aldoor de heerlijke lente en ja den zomer lang, het vlas ons land zou tooien in beide gedaanten van zijn schoonheid: de prachtige vlaschaards, diep-donkergroen vluwhaarde vlaken van het edel gewas op stam, en het wemelend vertoog, het oogverkwikkend goudgespraai van de rijpe vrucht, op de beide banken van de Leye.
Zorgzaam, milde en neerstig bebouwt de Vlaming zijn vlas; hij mest den grond en bedrigt hem, hij zaait en hij wiedt en hij kweekt het. Zorgzaam en nijverig bewerkt hij het vlas dat hem dankbaar met rijkdom zijnen arbeid beloont. Hij rijpt en hij root het, hij hekelt en hij boot het, braakt het en zwingelt, kuischt en kamt het, en schenkt het dan aan de wereld: de goudblonde vezels sterk en lenig, opdat ze door fijne hand gesponnen en geweven en in Gods blijde lucht gebleekt.

... herleven in kant en kragen
en sneeuwwit op de borst
van jonk- en schoonheid bloeien.
Maar tusschen de kiemende vlasherel die rillend staat in de lentewind en wast in de geurige lucht, en het sneeuwwit gebloei op de jonge en schoone borst, ligt een wereld, een wijde afstand, die dag aan dag moet gevuld door een zwoegend menschenleger, gevuld met menschenarbeid en menschenvernuft, gevuld met zedelijke ellende en stoffelijk welzijn, met wel en met wee, met gul gelach, vloekend gemor en leede tranen.

* * *

Tweemaal in eenzelfde zomergetijde staan de vlaschaards in hun volle pracht: eerst te midlente, in hun diepverwig groen en nog eens, te midzomer als

als 't jeugdig vlas zijn sprieteltopjes,
met hemelblauwe bloempjes tooit.
In de gewesten van Leye en Schelde is 't dat men gaan moet om ze te zien de vlaschaards, breede stukken uitgespreide paandoek, liggend afgemeten door de aardappel- en beetvelden of met een manhoogden muur van jongstammige koornvrucht.
Alles wat groen is nu en groeien kan groeit; 't is een algemeen geweld om op en naar buiten, en om wie 't best zal beantwoorden aan de milde en vruchtbare giften van lucht en grond: alles zet uit en bedijgt in zijn dolsten wasdom... de nieuwe zonne heeft den grond gebakeld1, ze heeft de lucht doorwarmd. De levenslust is ontwaakt onder het aaien van den zoetgeurigen lentewind die door stad en blad en vezel de nieuwe levenstochten draagt, en de geie groeikracht spettert open in eene macht van jong gelooverte en weelderige zilverbloei die hangt in zwaren overvloed op bomen en op doornhagen. De lijster heeft de dagen van de vroeglente zitten aftellen, uit den top van den hooge olme, de meerlhaans fluiten de morgenfrischheid uit en ze juichen zoo guitig als de hemel de aarde overgiet met een zwepe warme regen. Bij nachte galmt de nachtegale in 't hout zijn herteleed bij 't licht van de zilveren mane, en de puiden gerren in 't goor.
BootenVanVlas Alom liggen de weilanden, kniehoogte met 't veie gers2 bestaan, en de koeien, de gezapige melkmoeders en het bratte Meigoed liggen daarin en gonzen van de dazen en knabbelen rustig en vergenoegd aan dien bloeienden overvloed. Daartusschen, alhier, aldaar, kiemt uit de mulle grond en wast langzaam omhoog, de schoonste en de rijkste vrucht van den boer, zijn vlas.
Dinder, in de delling staat het boerenhof; te winter zit het vol volk en vee en warme toegedekt onder 't beschut van zijn breede stroodaken; rondom ligt het in 't water en in 't droge riet, groenwendig bemost door 't gespoel der wintervlagen; ontoeganklijk stond het aan den winterkant in zijn zompige meerschen en verdronken zaailanden; doch nu is die arke gestrand en heeft ze heur sloten gedicht en heur luiken opengelaten. Ze staat ijdel, en de wind en de zonne en de zwaluwen spelen er door, de kalveren slenteren noordewaarts in, door 't hofgat uit den boomgaard, en zuidewaarts uit door 't hofgat weer onder de bomen; het volk zit op den kouter en het vee doolt in 't gers.
Somtijds lijkt het wel, met den inzet van het jaar, of ons land er zou willen gaan uitzien als een geirnde moeras. Het regent weken, maanden achtereen, met korte tusschenpoozen; fijne regen die doorzimpert tot in 't herte van de naakte boomen, tot in den diepen schoot van den grond en tot in 't gemoed van den mensch; het wanweert, het sleint en sneeuwt en hagelt alsof de helderheid en de zonneschijn voor goed waren uit het land verbannen.
Maar al op eenen gulden morgen is het weder zijne norschheid vergeten; het onraad waait uit de lucht en 't gaat aan 't drogen. Het is alsof de wereld eerst van levende zielen uitgestorven, nu opeens weer, als bij tooverslag, van menschen en dieren wemelt. Te lange hebben de peerden op stal staan te trappelen van ongeduld en de nieuwe lucht te snuiven met hunkerend gesperde neusgaten. Te lang zat het volk om den heerd en wrongen ze hunne handen in ongeduldig wachten.
De schoone lente is als een gulden feestgetij uit het Oosten komen gedaagd en het wemelt er weer van 't leven op de eermalig slapende velden; de landslieden zijn in een jacht al weer aan de veldarbeid; hun land hebben ze weer veroverd en, uitgeslapen nu, zal 't weer zijn schoot openen voor een versche dracht. 't Moet gescheurd met de scharren en gekeerd met de blinkende ploegs, 't moet gekamd met de zwinkelende eegden3, om 't gereed te leggen tot de ontvangst van het kostbare zaad at hem zal worden toevertrouwd.
Dagen achtereen kappen er moedig de felle peerden door en sterk te poote werken ze er de vierigheid van hun vernieuwde bloed op uit, van den kriekenden morgen tot als het avondduister valt; lam en afgebeuld gaan ze daarna, met gedropen kop, hun bellen al klinkend door de avondrustigheid en zoeken hunnen stal om 's anderensdaags weer verhemd te herbeginnen. Eerst sleuren ze den felgetande breker er door, want het land lag getast en toegegeseld door de onweerslagen; even scheren trekken evenwijd de aardschore in zeven veie voren; weer toegerold met de zware landrolle, wordt het ge-eegd en opengereten weer gerold en gerakeld, tot mullige zand als een zijdeke zoo fijn en vlak als een marbelstik.
Diep, zorgt de boever dat hij werkt, anders zou 't kruid hier meester zijn, en dan kost de geheele vlaschaard meer van kruien, dan hij opbrengen kan; maar nu zal 't vlas het kruid te voor, te boven, en zegevierend opgaan versmachtend en verdonkerend allen ongroei in de macht van zijn dichte gewas.

En nu: Maarte is bachten den rug en 't April alreeds. Uit Rusland kwam het lijnzaad; uit Riga Selmer eerste klasse, beste zaaizaad; roozezaad noemen 't de vlasboeren en 't komt hun toe in balen; of tonzaad, afgeleverd per ton van ruim 80 kgr. Het zaad door hemzelf opgedaan heeft de boer met zijn vlas verkocht; het deugt niet om te zaaien en dat gaat naar de stampkoten en de olieslagerijen. Maar in Rusland en in zekere Amerikaansche streken, daar wordt het vlas gekweekt niet voor de bast maar voor 't lijnzaad: het schoone blinkende vlaszaad.
Zaaien, en vlaszaaien bijzonderlijk, staat in hoog aanzien te boere, en wat een prachtig werk is 't ook, hoe zwaar en hoe schoon van gevolgen. In nat diepliggend land, zal men later zaaien, eerst wachten, tot in de Mei soms, eer de grond droog is; dat zijn de Mei-vlaschaards. Maar hooge ligt het land het gunstigst voor de vroege en de beste vrucht.
Er hangt immers zoo veel van af voor den boer en 't is zonder reden niet dat hij met angst de karre zaad van 't hof ziet gaan. Knappe lieden zijn het die vlas mogen zaaien en van hun werk hebben ze met recht een hoogen dunk. De gewichtigheid niet alleen, maar ook de schoonheid van wat zij bemachtigd en bekwaam zijn te verrichten, zit hun onbewust in 't lijf... De heerlijke hemelkoepel die welft boven hun hoofd, de rijke overvloed van rijzende allerhande vrucht rondom hen, de geur en de bloei van de lente, het breede stuk kunstig bedrichte land, dat ligt daar voor hen, zoo zacht en zoo vol levende krachten, te wachten op den omzichtigen duw van den zaaier zijnen voet, op den zwaai van zijnen arm en den regen van 't uitgeworpen zaad; dit alles zwelt in de borst van den mensch die zich gevoelt als een grooten tempel waar hij heilig werk gaat verrichten: hier gaat hij, de zaaier.

* * *

BesjongenVanVlas De mensch houdt er nu verder zijne handen af en 't is hem een raadsel of zijnen vlaschaard hem zonder zijn moeite zal loonen, honderdvoudig, dan wel of hij hem binnen enkele weken zal ommerijden om er aardappels in te planten. Hij die hierboven de hand houdt aan wind en weer, Hij zal beslissen, en die er nu het meest aan winnen of verliezen kan, is de boer. Dat zijn land goed uitgesteken werd, ter dege bemest, en naar behooren bedricht, dat is zijne zaak. Nu ligt het land daar weer toegedekt met het zaad er in; al wat de boer nog kan is wachten.
En wat al vijanden beloeren zijne vrucht?
Zal 't nu, als het even gezaaid is toeslaan door de zware regens zoo dat het lastig opkomt of verschillig van opkomst en gansch ongelijk voortgaan? Zal 't, met moeite gekiemd bij een koude morgen vervriezen en deerlijk en dunne te voorschijn komen?

(Naar het begin van de volgende kolom)

  De ongenadige mols misschien zullen er hun allesverwoestende gangen in rijden d'herelkes uitsteken dat ze liggen en dooddrogen. Of is het land te zuur en zal de brand in het vlas zitten?
't Zal opkomen en groeien en op tijd gelaafd, op tijd gestreeld door de milde zon omhooggaan en de boer zijn hert vol hoop steken; maar, daar is opeens de zwoelte. Twee drie dagen zware hitte en de herels gaan niet op, dan bij sprietsels, en dat geeft minderweerdige vrucht.
Misschien heeft hij te dikwijls vlas op 't zelfde stuk gezaaid, en kan de grond niet geven wat hij nietmeer in heeft. Zal zijn vlaschaard door den zwaren regen in den grond geslegen worden, aan de eerde geplakt, zoodat het zich niet meer rechten kan, dat zijn voet beloopt en roste uitslaat? Dat alles en 't rooven van allerhande vogeldier en vreemde lieden's duiven, die ge, met hun krop vol lijnzaad van den kouter drijft; dat alles heeft de boer te voorzien en te vreezen en met zijn vlaschaard loopt hij bekommerd als stond de vrucht te groeien op den bodem van zijn eigen hert.
Neen, maar als 't goê vlasjaren zijn gebeurt dit niet, of toch ten deele niet, en met zoo weinig schade dat het vlas in fijne herels, gepast van dikten staat, zonder brand, diepgroen en effen als een berdvloer; het levende genot van den boer. Kan 't nu nog zoo voort bedijen totdat het uit zijn kwaân is en zijn strafte gekregen heeft, dan mag de dauw het drijven, dan mag de regen het doen vallen en zelf een felle dondervlage het plat leggen. 't Zal hem rechten en zegevierend, en den boer te meê, zijnen gang gaan en 't kruid aan zijn voet overweldigen.
Het kruid, ja, de laatste vijand van den boer! Tegen dezen vermag hij niets, tenzij dat hij vijftien, twintig manskerels en vrouwlien op zijn veld steekt en ze tegen kostelijk daggeld, den dag door laten wieden. Daar zitten ze en overkruipen het breede land, in eene lange rij, en weren, onder hunne groote zonhoeden, al 't onkruid dat in Vlaanderen bekend, hier ook meent meegerechtigd te zijn om te groeien; en groeit, bij honderdduizenden jonge plantjes, distels en kantsjoen, kattesteert en ruie, netels en rotse, alles, maar alles wordt van om den stam van de vlaspijltjes geplukt en verlezen, en op verslensde hoopjes aan den kant geruimd.
En nu mag hij weer zijnen gang gaan, de vlaschaard, en groeien tot aan 't bloeigetij.

* * *

Middelwijl is 't, met éénen dag teenegader, van lente zomer geworden, en blijft het gebied over de wereld aan de almachtige zon. Zelden of nooit meer koelt de lucht af, binst de korte nachten zijgt de dauw, maar vóór nog mensch of dier een vinne roert heeft de zonne weer alles droog gebakeld en vuurt ze haar schichten door den langen dag. Somtijds stijgt de hitte tot drukkende zwoelte, de lucht schuift toe met een vervaarlijk bedreig van onweerswolken, het donkert en de menschen vluchten binneshuis, het vee staat in de weiden stil en wacht, geen vogel meer die ruit of muit, en in de schoone stilte begint de donder te spreken. Weerlichten flitsen ver verscheen eerst, maar langs om dapperder naarmate het onweer nadert, en het gromt en bommelt, flitst en knettert ten lange laatste zoo dapper en aanhoudend, dat men den hemel als een eendelijke renbaan waant waarin, uit de vier gewesten, de donders zottebollend op malkander botsen.
Die nu vlas heeft staan mag bezorgd zijn.
Uit de wolken wast als de voorbode van 't snel aanrukkend ongeweerte een overmachtige wind, die 't stof voor hem opdrijft, de boomen buigt en schommelt in hun kruin, en een oogenblik al de vruchten strijkt, als uit angst, op zijn aloverweldigenden doortocht. Daarop komt de regen, al ineens uit de lucht gestort, met lange striemen die blinken als stalen lemmers, overvloedig als moest de geheele wolkenpak er ineens uit; gelukkig als de donder geen zware hagel uit en rommelt; en dat geeselt in een ommezien de prachtigste hope van den boer jammerlijk in den grond.
Maar 't blijft veelal bij een donkere dreiging, een zwartblekkende lucht met een dof gerommel en dan trekt geheel het vuil gebullebak voor den wind de verten in en gaat elders uit gaan vallen. De zonne regenboogt erin en zet haar weer aan een zegevierend blinken dagen achtereen.

Nu staat de aarde gedekt met haar weelderigsten dracht. De hoogstammige rogge rijpt in de zware halmen, de terwe dikt al bruingeboend en de haver staat met millioenen belletjes, roode vlekken kollebloem en 't blauwe van de aublauwbloempjes blekkerend langs de gerstkanten, de aardappelvelden staan in blijden bloei en de beetestukken blinken van veite en groeizaamheid. De vlaschaards liggen daarin als vlaken loutere rijkdom - groenig goud. De herels staan kniehoogte en rilde, dicht tegeneen met gedropen toppen; aan de omgebogen sprietelkopjes is een ongetal ontstaan van zwellende botten; onder 't zonnegetreel bersten ze open en zetten alhier, aldaar, en overal eene stippeling van blauwe perels op 't eenbaarlijk groene vlastapijt.
't Is de heerlijke bloei.
Na eenen dag of wat aanhoudend zonnegeweld heeft iederen vlasstengel zijn blauwe bloempjes biggelend hangen en ligt er geheel het stuk mede overstrooid. Dit is nu het glorierijke teeken van den opsluit: het vlas heeft zijn vollen wasdom, 't houdt op van groeien, 't mag in den ambacht. De boer zijn angsten en bezorgdheid hebben4 uit, thans mag hij de milde vrucht verwachten van zijn arbeid.

* * *

Laat ze komen nu, de vreemdelingen: Leyenaars, facteurs en vlaskooplieden, kutsers en bootekoopers; geldmannen al te gaar met stadsche voeren, met kennersoog en bedreven tast.
Ze terden ongevraagd en met schendigen voet de schoone ongerepte vlaschaards binnen, meten, tasten, kijken en... genieten. Want ook dit volk heeft zijn genot aan 't schoone vlas: de vreugde van den mensch die zijn oogen vermeit in een prachtig uitgeslegen gewas, 't genot van den zaakman die met zijne blikken de schoonheid drinkt van wat daar 't zijne moet worden, om, weer verschacheld, de rijke winst in zijn beugel te doen zinken. Hij gaat en met een wellust slaat hij zijne hand in de groene zee, en hij aait het vlas en hij dreelt het door zijne palm; hij meet het: zes, zeven, acht vademen hoog, vierkante schoone vrucht, al van een voortgang al van eene opkomste, fijn gegroeid met slanken hals en weinig nippens.
Hij spreekt ervan met zijn eigen bewoording en zijn eigen beeld. 't Moet gevoelen in zitten, beweert hij, 't moet lenig zijn en slap, plat vierkante vet ketenvlas met ne keernemelkvoet... Een wonder ambacht: vlaskoopen, en dat stamt en struikt bij familiën, overgaande van ouders tot kind, tenzij soms een vernuftige werkman het baantje vindt en zich opwerkt tot facteur of bootekooper. Het liefst gaan de vlaskooplieden naar Frankrijk, om hun gerief; noordfransche boeren staan befaamd om minder bedreven te zijn in den handel; de vlugste zijn de hollandsche, de vlasboeren van Groningen ― sigarenboeren, kasteelheeren, heeten ze alhier, groote Sinjoors, die hun volk laten werken, en met den geurigen rooker in den mond om hun eigendom wandelen; stevige boerenhoven vol volk en vee en rijkdom, staan aldaar gehurkt in 't beschut van breede wallen en vijvers.
De facteur is de tusschenpersoon tusschen den boer en den koopman. Hij is een mensch van de streek, hij kent het land, de boeren; hij weet de vlaschaards liggen elk met zijn verschillig uitzien en weerde. Hij heeft zijn commisie van de beide kanten, een geldelijke vergoeding van den boer wiens vlas hij aan den man brengt en van den koopman die hij met 't noodige vlas gerieft. In Normandje betaalt alleen den boer; hij geeft hem vijf per honderd frank. In Groningen heeft de facteur een gulden per 1.000 kilos van koopman en boer. In België betaalt de koopman één en de boer twee franks per 1.000 kilos.
Vele van die facteurs zijn er die van hun stieltje leven. Ze koopen voor Jan en alleman, voor elk wie hun koopen laat of hunnen dienst van doen heeft. Andere houden zich aan twee of drie kooplieden en ketsen ermee de streke af, weken achtereen. Wanneer de tijd om is, hebben ze vier à vijfduizend franken gewonnen. Alles wat ze verders nog te doen hebben is erbij en omtrent zijn wanneer 't gekochte vlas opgeladen wordt en verzonden; daarna eerst strijken ze hun loon of factuur op.
De vlaskoopman is de groote handelaar, de baas; hij koopt voor zijn eigen, daar de voortverkooper het aangekochte vlas weer aan den man moet brengen. Veelal ziet het vlas nooit zijn stapelhuis, maar laat hij het leveren rechtstreeks van de plaats waar hij het kocht, tot die waar hij het verkocht, en hij doet zijn winst op den rug van den boer en den koopman.
Van in den bloeitijd soms, loopen de Leyenaars de vlasstreken af en koopen; hier gelijk overal elders is de eene mensch den andere soms wel als een wolf, en daarom hebben de boeren geleerd stevige overeenkomsten te sluiten met hun koopers. De vrucht, op stam verkocht, blijft op 't stuk staan rijpen... Hij kan er maar weinig mee winnen, doch kan veel verliezen door zware regens, en, indien de kooper geen verplichting heeft, hij kan den Meitak in den vlaschaard laten staan, en nooit meer ommezien, en de ontnuchterde boer mag dan zijn vlas op 't veld rooten voor zijn eigen.
De kooper legt al zijn ervaring en zijn zakenmenschensluwheid aan den dag, de vlasboer, die zijne ondervinding heeft opgedaan, zegt al 't goed dat hij weet van zijne vrucht, men wikt en men woordenwisselt, met twist, men haarklieft, zonder veel erg, en tot slot wordt, naar oud-germaansche geplogenheid de pandslag gegeven. De kooper slaat dat het kletst in de eeltige hand van den boer, de boer slaat terug en 't geding is geklonken.

Nu mag 't met een gullen dronk beschonken worden...

Caesar Gezelle.



Voetnoot

...gebakeld1
bakelen: zich in de zon koesteren (Pros)
...gers2
gras (Pros)
...eegden3
eggen (Pros)
...hebben4
mogelijk is dit een schrijffoutje, en had er “ebben” moeten staan (Pros)


Vorige: 't Vlas in Vlaanderen II.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen IV.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009