Vorige: 't Vlas in Vlaanderen I.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen III.
Inhoudsopgave   Index


't Vlas in Vlaanderen II.

Gepubliceerd op 27 juli 1912

“Vlaanderen, ja, zijt maar kleen, niet grooter zou 'k u geren.” dit is gemakkelijk om te zeggen voor een dichter; voor hem is 't immers altijd ruim genoeg om er zijn hert, alzoo de grijslawerke1 , te laten eventjes steun vatten en dan in de lucht al zingend in te varen. Maar 't zijn nu juist niet al dichters in Vlaanderen, en hadde ons landeken een steke grooter geweest, het zou zijn talrijke kinderen somtijds wel te stade gekomen zijn. Het groote Zuiderland strekt daar, tenzij in zijn steden, bedroevend ledig en vereenzaamd, en het voedt nog steeds aan zijn eigen hert, den kanker der ontvolking, waarbij het zijn eigen doemt tot onvermijdelijken ondergang. Vlaanderen daarnevens ligt als een wriemelende zonnevlek, de zonne van den zegen Gods, dicht, ja, te dicht bevolkt; maar die overbevolking is juist de bronne van zijn welvaart en beroemdheid.
Van de oudste tijden af heeft het volk alhier zijn brood aan den grond ontworsteld; van de eerbiedwaardigste aloudheid her waren de Vlamingen een boerenvolk. Doch hoe menig en mild zijn schoot ook vruchten baarde, toch was het landeke te klein om zijn bevolking te voeden. Men zou dus naar andere middelen uitzien, en om aan hun brood te geraken, week het overtal van alhier de grens over, hunne armen bieden daar waar men de werkers miste, in Frankrijk. Ze gingen pikken in den Oegst, of werken in de steenovens, en later in groote werkhuizen of fabrieken en keerden terug, aan den winterkant, met groot Fransch geld, en, jammer genoeg, met Fransche zeden en Fransche religie.

Drie vierden van de bevolking bleven thuis en zochten hun heil in de nijverheid en den handel. Het wolleven in Vlaanderen is zoo oud als Vlaanderen zelf, en de lakenhandel was ijn eerste nijverheid. Reeds in den Roomschen tijd verwerkte Menapië het vlies van zijne schapen tot wollen mantels en zond deze naar Rome, waar ze onder den naam Birri tegen klinkende munt werden verhandeld, om de schouders van Patriciërs en matronen te gaan dekken. Later, onder de Merowingers en de Karolingers was 't het friesche laken dat in eere stond: het laken uit wolle geweven van schapen die weidden op het schorre en aan den zeekant2.
SlijtenVanVlas Geheel de middeneeuwen door was de lakennijverheid een bronne van rijkdom voor de steden van Vlaanderen en Brabant. Engeland zond naar de Vlaamsche weverijen zijne zachte en zijdige wol, en de Engelsche markten hadden geen betere bezoekers dan de Vlaamsche kooplieden. In de 13e en 14e eeuw bloeide de nijverheid in de Vlaamsche steden; getuigen nog daarvan de lakenhallen van Yperen, te Brugge en op andere plaatsen. Maar wederom, uit oorzake van overbevolking, ging de lakennijverheid, die eerst aan de steden was voorbehouden, over naar den buiten. De steden worstelden tot behoud van de weelde die hun ontsnapt, door allerhande verbod werd er getracht den invloed te stremmen, doch vruchteloos en in de 15e eeuw was er wolweverij op alle dorpen.
Maar tezelfdertijd slaat die nijverheid aan 't kwijnen. Engeland begint zelf laken te weven en uit te voeren. Geen Engelsche wolle meer, maar Engelsch laken voert het alhier binnen; te Antwerpen eerst, later te Gent en te Brugge. Spanje leverde wolle, maar niet genoeg en geringer van weerde3.

* * *

Het was dus den ondergang van den lakenhandel in Vlaanderens steden en dorpen, die het opbloeien van de lijnwaadnijverheid mogelijk en noodzakelijk maakte.
Het lijnwaadweven is geene uitvinding van de middeneeuwen, zoo we vroeger reeds betoonden. Hier ten lande had men altijd het vlas bewerkt en garen gesponnen en linnen geweven, zonder dat er eene afzonderlijke nijverheid uit was ontstaan. De buitenlieden maakten voor hun eigen gebruik een slag van grof linnen, en lieten het fijn lijnwaad van uit den vreemde binnenvoeren. Sommige steden, zelfs, zoo Brugge, Gent, Sint Omaars, bewerkten, in de 13e en 14e eeuw, het lijnwaad in 't groot.
't Was in de 15e eeuw dat de groote bloei van de linnennijverheid begon en in de 16e eeuw gaan alle dorpen van tusschen den heidekant en de Leye, met lijnwaad naar de markt te Brugge; van daar uit verspreidde zich de vlasnijverheid over geheel Vlaanderen4. De technische ervaring die men had opgedaan bij 't wolleweven werd toegepast en kwam ten goede aan de vlasbewerking, en op een nieuw begon de uitvoer, van lijnwaad dezen keer, uit Vlaanderen naar alle streken van de beschaafde wereld.
In de steden bloeide de linnennijverheid niet, ze kon er niet gedijen, immers zat aldaar in 't nauwe, verdrongen als ze was door den afgunstigen lakenhandel en door de verouderde wetten en regeeringsvoorschriften. De linnenwevers zaten verstoken in de achterbuurten van de steden, in de nauwe steegjes en straatjes, tegen de vestingen, en te Brugge werden ze minachtend aangewezen met de naam van vestenaren. 't Ging zoover dat men hun verbood den naam van wevers te voeren gelijk de wolbewerkers en men schiep voor hen den nieuwen naam van ketenwerkers5
Doch, ging de vlasnijverheid niet op in de steden, des te levendiger bloeide ze ten plattelande en werd algauw een van de groote bronnen van 's lands welvaart. In het jaar 1530 kocht Engeland van Vlaanderen alleen meer dan voor 100.000 mark linnen. 't Was drukke vlastijd overal: in Brabant, Henegouw, Holland... Van dan af was de Leye reeds de gulden stroom die, met de geheime kracht in heur wateren gevoerd, den rijkdom deed stroomen in den lande. Van in de 16e eeuw was het inlandsch vlas ontoereikend om de linnenmarkten te gerieven en moest men Russisch vlas laten inkomen.
Het was nochtans niet, dat het vlas met geen ernstige mededingers te doen had. Benevens den ouden vijand, de wolle, was daar de tapijtennijverheid die een deel van Vlaanderens krachten in beslag nam en zelfs het vlas een goed stuk achteruit wist te dringen. Omtrent Audenaarde eerst in 't begin der 16e eeuw, en later, in de tweede helft derzelfde eeuw, rond Doornijk, Rijssel, Dowaai, Valenciennes, nam de tapijtbewerking een groot deel van de landelijke bevolking in beslag. De vlasbewerking bleef in haar volle leven langs de Leyeboorden, te Gent, te Kortrijk, Yper, Rijssel, St. Omaars en Nieuwkerken.
Een andere vijand was het katoen, ook in de 16e eeuw binnengebracht; maar het vlas was taai van leven en ook dien mededinger heeft het, zoo niet overwonnen, dan toch krachtig weerstand geboden; en daar er in Vlaanderen ruimte en leefkracht te over was, en volk in overvloede, zoo bleven alle drie de nijverheden neven malkander leven en bloeien.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Kortrijk had altijd, tot in de 16e eeuw, de kroon gespannen voor het bleeken van 't lijnwaad. u, in de jaren 1500 verhuist zijn beste werkvolk naar Haarlem en dragen met hun kunnen ook Kortrijks vermaardheid naar Holland over. De bloei duurde tot in de 19e eeuw en steeg ten hoogste omtrent 1840.
Vlasschelf In 1765 maakte Vlaanderen, spijts het sterke mededingen van het katoen, 200.000 stukken; dit is voor omtrent 800.000 fr. In 1804 heeft het departement van de Leye niet minder dan 23.133 wevers. In 1812, ondanks de schade die de spaansche oorlog bracht aan den lijnwaadhandel, waren er 50.000 wevers. In 1840 had België 220.000 spinsters, 57.000 wevers, en met de Fransche gouwen erbij, waren er 330.000 vlasbewerkers6. Het samenwerken van landbouw en nijverheid was, en is nog, de eerste en noodigste vereischte van Vlaanderens welvaart. Alle beide nijverheid en landbouw worden zwaar getroffen in de tweede helft der 19e eeuw en de vlashandel en textielnijverheid vallen, vallen diep. Fransche en Spaansche markten werden voor Vlaanderen gesloten, Engeland begon ons een machtige mededinging aan te doen, het katoen wrocht mee om 't vlas onder te krijgen, te zamen met de snelle vorderingen die men maakte in 't uitvinden van de stoomwerktuigen. Mekanieke spinnerijen en weverijen verdrongen den handenarbeid.
De nijverheid valt en ze sleept den landbouw mee in haar ondergaan. Tot toppunt van ongeluk kwam de aardappelplaag in 1845. In 1846 was het volle ondergang in 't landelijk bestaan. Al het buitenvolk nam zijne wijk naar de steden; naar Kortrijk, naar Roeselaere. Deze laatste stad was vooral beproefd en ze telde in hare bevolking 39verslechten en worden tot een ware ramp, een hongersnood. Het sterfgetal steeg, de geboortecijfer daalde; er waren bijna geen huwelijken en het getal der misdadigers groeide aan zoo dat het verschrikkelijk was om aan te zien. Het noodlottig gevolg van dien droeven toestand was dat ons volk ten alle kante uitweek, naar de groote steden van het binnenland en ook naar Frankrijk.
De jaren veertig! Daar spreken de menschen nog van als een van de zwaarste beproevingen die Vlaanderen ooit heeft doorgemaakt.

* * *

De Vlaamsche landman weet best dat, indien hij den grond niet mag bewerken, indien hij op zijnen weefstoel of aan 't spinnewiel niet mag zitten, hij naar de fabriek moet; of naar Frankrijk.
Daarom bleef de landbouw - maar daarom ook bleef de vlasbewerking als 't huiswerk, spijts alle beproeving, toch in leven, al wordt het huiswerk stillekens opgeslorpt door de mekaniekweverij. Van de 57.000 wevers die er waren in 1840 blijven er nu 10.000 over, en hier en daar, maar hoe langer hoe zeldzamer, zou men nog een oude spinster vinden, of denkend dat men een spinster voor heeft, bij een nader beschouwen, ontdekken dat het vrouwtje niet spint, maar aan het bobijnen zit voor de fabriek.
De linnenweverij maakt immers ook den gang mee van haren en onzen tijd; allengerhand laat het buitenvolk zijn zijn weefkamer en zijn handgetouwe voor het werk in de stad en op de fabriek. De economische omwenteling die we beleven heeft de loonen doen stijgen, en ook in dat volk een zucht naar stoffelijken welstand en genot doen ontstaan, die het te voren niet kende. Zoo slorpen de villes tentaculaires stillekens aan de landsche bevolking in hen op, verwerken ze in hunne reuzenmagen, dwingen ze hare eenvoudigheid en haar geloof af, verleeren haar de zedelijkheid en werpen ze dan uit- en afgeperst weer uit hunnen schoot.

Doch we gaan terug naar de wevers en hun werk aan huis. Het aangename bij dat t'huiswerk is overigens ver te zoeken. Van den heel vroegen morgen, tot laat in den nacht, den zoo schoonen dag van God te verleven in een donker kamertje, dikwijls voeten diep in den grond, om het garen de wakte van den grond te bewaren, en daar te zitten, den levenslangen dag, verre van Gods zonne en licht, alleen en met het eentoonig geklabak van de lade en 't schieten van de spoelen, alléén en voor dat stomme weefgetouw, in dezelfde beweging! En dan met vermoeide leden den mageren kost te gaan verorberen!
Neen, lachend is 't niet, en nochtans, dat deed den Vlaming ten plattelande, tot hiertoe en hij zong erbij omdat zijn herte was in vrede en zijn gemoed gerust. Zijn verlangen was klein en het weinige dat hem toekwam voldeed ruim aan zijn verlangen. Thans heeft hij meer, maar zijn verlangens zijn gegroeid; hij wint meer, maar hij begeert meer. En de onrust is in hem gekomen. Zijn loon is verhoogd, maar hij heeft het zoo duur betaald, met de ruste van zijn hert, met de ruste van zijn ziel. Vroeger zong hij, nu zal hij welhaast vloeken! Zijn eermalig berusten is verkeerd in de bange jacht op dat altijd achtervolgd, dat immer ontbrekende dingen: het geluk, dat op verre na 't zelfde niet is als het geld en het genot!
Al verdwijnt de lijnwaadnijverheid als t'huiswerk, toch blijft Vlaanderen het land van het lijnwaad, in den groothandel. Het is nochtans niet voorzien, voorals nu, wie van de twee 't katoen of 't linnen, hier de kroon zal blijven spannen. Het katoen is nog immer een ernstige mededinger van het vlas; de bewerking immers van het vlas is kostelijk, vergt ook zeer veel volk en is nadeelig voor de gezondheid. Lijnwaadfabrieken staan vol stof. De heete lucht hangt er met zwoelen damp gedurig overladen, en zulke ongezonde dampkring bewerkt bij spinsters en wevers rhumatisme en teering.

Over drie groepen is thans de linnennijverheid verdeeld. De Oostvlaamsche, met Gent als middenpunt en hoofdstad, een gebied dat het land van Waes en van Aalst omvat en gaat tot Selzaete, Eecloo en Deinze. Dit is 't Vlaanderen en de vlasstreek, nog ten tijde van Artevelde.
De Westvlaamsche, met Kortrijk als hoofdpunt, strekt tot Rousselaere, Meenen en Komen, en tot Ronse.
De noordfransche met Rijssel, Turkoenje, Armentiers en Roobaais; in deze groep wordt meest het Russisch vlas verwerkt van Riga tot Arkhangel.
De groep Kortrijk-Ronse-Rousselaere-Meenen, behoudt aan het vlas zijn meesterschap, dank zij den gulden stroom: de Leye. Naar hier toe komt het vlas uit Vlaanderen niet alleen, maar uit Hollandsch Vlaanderen, uit Normandje en Bretagne, uit Zeeland en Groninge. Op eene uitgestrektheid van 75 kilometers verwerken hier 12.000 werklieden jaarlijks 110 millioen kilos vlas en winnen van 9 tot 10 millioen franks.

Caesar Gezelle.



Voetnoot

...grijslawerke1
leeuwerik; zie in dit verband een reactie uit nl.taal (Pros)
...zeekant2
Blanchard. Le flandre, Parijs, 1906
...weerde3
Pirenne. Histoire de Belgique, I en III, Brussel 1907
...Vlaanderen4
Blanchard, l.c.
...ketenwerkers5
Gaillard: “De ambachten en neringen van Brugge” - aangehaald door Pirenne l.c.
...vlasbewerkers6
C. Willemsen. Contribution à l'histoire de l'Industrie Linière en Flandre au XVIIIe siècle


Vorige: 't Vlas in Vlaanderen I.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen III.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009