|
“Vlaanderen, ja, zijt maar kleen, niet grooter zou 'k u
geren.” dit is gemakkelijk om te zeggen voor een dichter; voor
hem is 't immers altijd ruim genoeg om er zijn hert, alzoo de
grijslawerke1
, te
laten eventjes steun vatten en dan in de lucht al zingend in te
varen. Maar 't zijn nu juist niet al dichters in Vlaanderen, en
hadde ons landeken een steke grooter geweest, het zou zijn
talrijke kinderen somtijds wel te stade gekomen zijn. Het groote
Zuiderland strekt daar, tenzij in zijn steden, bedroevend ledig
en vereenzaamd, en het voedt nog steeds aan zijn eigen hert, den
kanker der ontvolking, waarbij het zijn eigen doemt tot
onvermijdelijken ondergang.
Vlaanderen daarnevens ligt als een wriemelende zonnevlek, de
zonne van den zegen Gods, dicht, ja, te dicht bevolkt; maar die
overbevolking is juist de bronne van zijn welvaart en
beroemdheid.
Van de oudste tijden af heeft het volk alhier zijn brood aan den
grond ontworsteld; van de eerbiedwaardigste aloudheid her waren
de Vlamingen een boerenvolk. Doch hoe menig en mild zijn schoot
ook vruchten baarde, toch was het landeke te klein om zijn
bevolking te voeden.
Men zou dus naar andere middelen uitzien, en om aan hun brood te
geraken, week het overtal van alhier de grens over, hunne armen
bieden daar waar men de werkers miste,
in Frankrijk. Ze gingen pikken in den
Oegst, of werken in de steenovens, en later in groote werkhuizen
of fabrieken en keerden terug, aan den winterkant, met groot
Fransch geld, en, jammer genoeg, met Fransche zeden en Fransche
religie.
Drie vierden van de bevolking bleven thuis en zochten hun heil
in de nijverheid en den handel.
Het wolleven in Vlaanderen is zoo oud als Vlaanderen zelf, en de
lakenhandel was ijn eerste nijverheid. Reeds in den Roomschen
tijd verwerkte Menapië het vlies van zijne schapen tot
wollen mantels en zond deze naar Rome, waar ze onder den
naam Birri tegen klinkende munt werden verhandeld, om de
schouders van Patriciërs en matronen te gaan dekken.
Later, onder de Merowingers en de Karolingers was 't
het friesche laken dat in eere stond: het laken uit wolle
geweven van schapen die weidden op het schorre en aan den
zeekant2.
Geheel de middeneeuwen door was de lakennijverheid een bronne
van rijkdom voor de steden van Vlaanderen en Brabant. Engeland
zond naar de Vlaamsche weverijen zijne zachte en zijdige wol, en
de Engelsche markten hadden geen betere bezoekers dan de
Vlaamsche kooplieden. In de 13e en 14e eeuw bloeide de
nijverheid in de Vlaamsche steden; getuigen nog daarvan de
lakenhallen van Yperen, te Brugge en
op andere plaatsen. Maar wederom, uit oorzake van overbevolking,
ging de lakennijverheid, die eerst aan de steden was
voorbehouden, over naar den buiten. De steden worstelden tot
behoud van de weelde die hun ontsnapt, door allerhande verbod
werd er getracht den invloed te stremmen, doch vruchteloos en in
de 15e eeuw was er wolweverij op alle dorpen.
Maar tezelfdertijd slaat die nijverheid aan 't kwijnen.
Engeland begint zelf laken te weven en uit te voeren. Geen
Engelsche wolle meer, maar Engelsch laken voert het alhier
binnen; te Antwerpen eerst, later te Gent en te
Brugge. Spanje leverde wolle, maar niet genoeg en
geringer van weerde3.
* * *
Het was dus den ondergang van den lakenhandel in
Vlaanderens steden en dorpen, die het opbloeien van de
lijnwaadnijverheid mogelijk en noodzakelijk maakte.
Het lijnwaadweven is geene uitvinding van de middeneeuwen, zoo
we vroeger reeds betoonden. Hier ten lande had men altijd het
vlas bewerkt en garen gesponnen en linnen geweven, zonder dat er
eene afzonderlijke nijverheid uit was ontstaan. De buitenlieden
maakten voor hun eigen gebruik een slag van grof linnen, en
lieten het fijn lijnwaad van uit den vreemde binnenvoeren.
Sommige steden, zelfs, zoo Brugge, Gent, Sint Omaars,
bewerkten, in de 13e en 14e eeuw, het lijnwaad in 't groot.
't Was in de 15e eeuw dat de groote bloei van de
linnennijverheid begon en in de 16e eeuw gaan alle dorpen van
tusschen den heidekant en de Leye, met lijnwaad naar de
markt te Brugge; van daar uit verspreidde zich de vlasnijverheid
over geheel Vlaanderen4. De technische
ervaring die men had opgedaan bij 't wolleweven werd toegepast
en kwam ten goede aan de vlasbewerking, en op een nieuw begon de
uitvoer, van lijnwaad dezen keer, uit Vlaanderen naar alle
streken van de beschaafde wereld.
In de steden bloeide de linnennijverheid niet, ze kon er niet
gedijen, immers zat aldaar in 't nauwe, verdrongen als ze was
door den afgunstigen lakenhandel en door de verouderde wetten en
regeeringsvoorschriften. De linnenwevers zaten verstoken in de
achterbuurten van de steden, in de nauwe steegjes en straatjes,
tegen de vestingen, en te Brugge werden ze minachtend aangewezen
met de naam van vestenaren. 't Ging zoover dat men hun
verbood den naam van wevers te voeren gelijk de wolbewerkers en
men schiep voor hen den nieuwen naam van
ketenwerkers5
Doch, ging de vlasnijverheid niet op in de steden, des te
levendiger bloeide ze ten plattelande en werd algauw een van de
groote bronnen van 's lands welvaart. In het jaar 1530 kocht
Engeland van Vlaanderen alleen meer dan voor 100.000 mark
linnen. 't Was drukke vlastijd overal: in Brabant, Henegouw,
Holland... Van dan af was de Leye reeds de gulden stroom die,
met de geheime kracht in heur wateren gevoerd, den rijkdom deed
stroomen in den lande. Van in de 16e eeuw was het inlandsch vlas
ontoereikend om de linnenmarkten te gerieven en moest men
Russisch vlas laten inkomen.
Het was nochtans niet, dat het vlas met geen ernstige
mededingers te doen had. Benevens den ouden vijand, de wolle,
was daar de tapijtennijverheid die een deel van Vlaanderens
krachten in beslag nam en zelfs het vlas een goed stuk achteruit
wist te dringen. Omtrent Audenaarde
eerst in
't begin der 16e eeuw, en later, in de tweede helft derzelfde
eeuw, rond Doornijk, Rijssel, Dowaai,
Valenciennes, nam de tapijtbewerking een groot deel van de
landelijke bevolking in beslag. De vlasbewerking bleef in haar
volle leven langs de Leyeboorden, te Gent, te Kortrijk,
Yper, Rijssel, St. Omaars en Nieuwkerken.
Een andere vijand was het katoen, ook in de 16e eeuw
binnengebracht; maar het vlas was taai van leven en ook dien
mededinger heeft het, zoo niet overwonnen, dan toch krachtig
weerstand geboden; en daar er in Vlaanderen ruimte en leefkracht
te over was, en volk in overvloede, zoo bleven alle drie de
nijverheden neven malkander leven en bloeien.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Kortrijk had altijd, tot in de 16e eeuw, de kroon gespannen voor
het bleeken van 't lijnwaad. u, in de jaren 1500 verhuist zijn
beste werkvolk naar Haarlem en dragen met hun kunnen ook
Kortrijks vermaardheid naar Holland over. De bloei duurde
tot in de 19e eeuw en steeg ten hoogste omtrent 1840.
In 1765 maakte Vlaanderen, spijts het sterke mededingen van het
katoen, 200.000 stukken; dit is voor omtrent 800.000 fr. In 1804
heeft het departement van de Leye niet minder dan 23.133 wevers.
In 1812, ondanks de schade die de spaansche oorlog bracht aan
den lijnwaadhandel, waren er 50.000 wevers. In 1840 had België
220.000 spinsters, 57.000 wevers, en met de Fransche gouwen
erbij, waren er 330.000 vlasbewerkers6.
Het samenwerken van landbouw en nijverheid was, en is nog, de
eerste en noodigste vereischte van Vlaanderens welvaart. Alle
beide nijverheid en landbouw worden zwaar getroffen in de tweede
helft der 19e eeuw en de vlashandel en textielnijverheid vallen,
vallen diep. Fransche en Spaansche markten werden voor
Vlaanderen gesloten, Engeland begon ons een machtige mededinging
aan te doen, het katoen wrocht mee om 't vlas onder te krijgen,
te zamen met de snelle vorderingen die men maakte in 't
uitvinden van de stoomwerktuigen. Mekanieke spinnerijen en
weverijen verdrongen den handenarbeid.
De nijverheid valt en ze sleept den landbouw mee in haar
ondergaan. Tot toppunt van ongeluk kwam de aardappelplaag
in 1845. In 1846 was het volle ondergang in 't landelijk
bestaan. Al het buitenvolk nam zijne wijk naar de steden; naar
Kortrijk, naar Roeselaere. Deze laatste stad was vooral beproefd
en ze telde in hare bevolking 39verslechten en worden tot een ware ramp, een hongersnood.
Het sterfgetal steeg, de geboortecijfer daalde; er waren bijna
geen huwelijken en het getal der misdadigers groeide aan zoo dat
het verschrikkelijk was om aan te zien. Het noodlottig gevolg
van dien droeven toestand was dat ons volk ten alle kante
uitweek, naar de groote steden van het binnenland en ook naar
Frankrijk.
De jaren veertig! Daar spreken de menschen nog van als een van
de zwaarste beproevingen die Vlaanderen ooit heeft doorgemaakt.
* * *
De Vlaamsche landman weet best dat, indien hij den grond niet
mag bewerken, indien hij op zijnen weefstoel of aan 't
spinnewiel niet mag zitten, hij naar de fabriek moet; of naar
Frankrijk.
Daarom bleef de landbouw - maar daarom ook bleef de
vlasbewerking als 't huiswerk, spijts alle beproeving, toch in
leven, al wordt het huiswerk stillekens opgeslorpt door de
mekaniekweverij. Van de 57.000 wevers die er waren in 1840
blijven er nu 10.000 over, en hier en daar, maar hoe langer hoe
zeldzamer, zou men nog een oude spinster vinden, of denkend dat
men een spinster voor heeft, bij een nader beschouwen, ontdekken
dat het vrouwtje niet spint, maar aan het bobijnen zit voor de
fabriek.
De linnenweverij maakt immers ook den gang mee van haren en
onzen tijd; allengerhand laat het buitenvolk zijn zijn
weefkamer en zijn handgetouwe voor het werk in de stad en op de
fabriek. De economische omwenteling die we beleven heeft de
loonen doen stijgen, en ook in dat volk een zucht naar
stoffelijken welstand en genot doen ontstaan, die het te voren
niet kende. Zoo slorpen de villes tentaculaires stillekens
aan de landsche bevolking in hen op, verwerken ze in hunne
reuzenmagen, dwingen ze hare eenvoudigheid en haar geloof af,
verleeren haar de zedelijkheid en werpen ze dan uit- en
afgeperst weer uit hunnen schoot.
Doch we gaan terug naar de wevers en hun werk aan huis.
Het aangename bij dat t'huiswerk is overigens ver te zoeken.
Van den heel vroegen morgen, tot laat in den nacht, den zoo
schoonen dag van God te verleven in een donker kamertje,
dikwijls voeten diep in den grond, om het garen de wakte van den
grond te bewaren, en daar te zitten, den levenslangen dag, verre
van Gods zonne en licht, alleen en met het eentoonig geklabak
van de lade en 't schieten van de spoelen, alléén en voor
dat stomme weefgetouw, in dezelfde beweging! En dan met
vermoeide leden den mageren kost te gaan verorberen!
Neen, lachend is 't niet, en nochtans, dat deed den Vlaming ten
plattelande, tot hiertoe en hij zong erbij omdat zijn herte was
in vrede en zijn gemoed gerust. Zijn verlangen was klein en het
weinige dat hem toekwam voldeed ruim aan zijn verlangen.
Thans heeft hij meer, maar zijn verlangens zijn gegroeid; hij
wint meer, maar hij begeert meer. En de onrust is in hem
gekomen. Zijn loon is verhoogd, maar hij heeft het zoo duur
betaald, met de ruste van zijn hert, met de ruste van zijn ziel.
Vroeger zong hij, nu zal hij welhaast vloeken! Zijn eermalig
berusten is verkeerd in de bange jacht op dat altijd
achtervolgd, dat immer ontbrekende dingen: het geluk, dat op
verre na 't zelfde niet is als het geld en het genot!
Al verdwijnt de lijnwaadnijverheid als t'huiswerk, toch blijft
Vlaanderen het land van het lijnwaad, in den groothandel. Het is
nochtans niet voorzien, voorals nu, wie van de twee 't katoen of
't linnen, hier de kroon zal blijven spannen.
Het katoen is nog immer een ernstige mededinger van het vlas; de
bewerking immers van het vlas is kostelijk, vergt ook zeer veel
volk en is nadeelig voor de gezondheid. Lijnwaadfabrieken staan
vol stof. De heete lucht hangt er met zwoelen damp gedurig
overladen, en zulke ongezonde dampkring bewerkt bij spinsters en
wevers rhumatisme en teering.
Over drie groepen is thans de linnennijverheid verdeeld. De
Oostvlaamsche, met Gent als middenpunt en hoofdstad, een gebied
dat het land van Waes en van Aalst omvat en gaat tot
Selzaete, Eecloo en Deinze. Dit is 't Vlaanderen
en de vlasstreek, nog ten tijde van Artevelde.
De Westvlaamsche, met Kortrijk als hoofdpunt, strekt tot
Rousselaere, Meenen en Komen, en tot Ronse.
De noordfransche met Rijssel, Turkoenje, Armentiers en
Roobaais; in deze groep wordt meest het Russisch vlas
verwerkt van Riga tot Arkhangel.
De groep Kortrijk-Ronse-Rousselaere-Meenen, behoudt aan het vlas
zijn meesterschap, dank zij den gulden stroom: de Leye. Naar
hier toe komt het vlas uit Vlaanderen niet alleen, maar uit
Hollandsch Vlaanderen, uit Normandje en Bretagne,
uit Zeeland en Groninge. Op eene uitgestrektheid van
75 kilometers verwerken hier 12.000 werklieden jaarlijks 110
millioen kilos vlas en winnen van 9 tot 10 millioen franks.
Caesar Gezelle.
|