Vorige: Garnaalvisschers.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen II.
Inhoudsopgave   Index


't Vlas in Vlaanderen I.

Gepubliceerd op 20 juli 1912

“Ik vrees voor Vlaanderen niet,” zei Keizer Karel “zoolang er aldaar velden zijn om er vlas op te kweeken, en vingers om het te spinnen, en armen om het te weven; de Vlamingen zullen altijd rijk zijn zoolang men zijne spinsters de vingers niet afsnijdt.”

LeieVlas Nog immer zijn daar de velden in Vlaanderen; nog immer, door de zomermaanden heen wuift er 't vluwhaarde vlas op; vingeren zijn er, in ongetal, die 't spinnen; armen, ten overvloede, die het weven, en, er is nog iets meer dan in Karel des Keizers tijd, nu na volle vier honderd jaar, spuwen langs de Leyeboorden, van Comen tot in Gent, “menige hooveerdige schouwen zwarten rook in 't aangezicht des Hemels, menig werkhuis davert er onder 't onzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier gebonden liggenden dampreus, en joelt jammerlijk van de schijverende raders, van de ronkende riemen, van het gezwets, het geklaag, het gelach, 't gefluit en ―God vergeve 't hun!― 't gevloek van eenen samenroerenden menschenzwerm.” Vlaanderen 's spinsters hebben nog immer vlugge vingers, en Vlaanderen is rijk!
Nee, er valt voor Vlaanderen niet te vreezen, zoolang aldoor de heerlijke landouwen van ons landeken kleen ―en oh! 't en is maar één!― mag drijven de volle ader van zijn hertebloed, de stroom die Vlaanderens rijkdom binnendraagt en buitenvoert, the Golden river, de schoone Leye!

Jordane van mijn hert
en aderslag mijns levens,
o Leye, o vlaamsche vloed,
lijk Vlaanderen, onbekend,
hoe overmachtigt mij
de mate uws vreugdegevens,
wanneer ik sta en schouwe,
uw vrijen boord omtrend!

Hoe vaart gij welgemoed,
de malsche meerschen lavend
met blijde vruchtbaarheid
te Scheldewaart, en voort
ten Oceaan, u, zelf
een diepe vore gravend
, die 't oude vrije land
van Vlaanderen toebehoort.

Wat zijt ge schoone, o Leye,
Als 't helderblauwe laken
der hemeltente wijd
en breed is uitgespreid,
en dat, uit heuren throon
de felle zunne, aan 't blaken
vertweelingt heur gezichte
in uwe blauwigheid!

  Tijdkrans, Guido Gezelle.

Wie is er die gewagen kan van 't vlas en van de Leye en van Vlaanderen, en niet gedenken den zanger van deze drie kostelijke panden? Wie kan er over spreken en vergeten dat hij de maker is van 't schoonste wat ooit in woorden werd erover uitgebracht?
Hij had ze innig lief, zijne Leye, hij bezocht ze elken dag en meermalen daags en hij heeft ze bezongen in al haar verschillend aanschouwen. Te schoon is het Leye landschap, dan dat het hem ongeroerd zou laten, te verlokkelijkgansch het verloop der der vlasbewerking vanaf het blinkend zaadje tot het spierwit linnen “op de borst van jonk- en schoonheid bloeiend!” En vroeg reeds, zes jaar voor hij naar Kortrijk zou komen wonen, had hij 't vlas al bij zijne pele en vertelde hij ervan, naar zijn eigen gemoedelijken trant aan zijne lezers in “Rond den Heerd” (Eerste jaargang 1866). Wat kunnen we beters, voor ons eerste praatje over 't vlas, dan af te luisteren wat hij erover wist.

* * *

Handelend over graven en grafsteden komt hij te gewagen van de oudste beschaving die wij kennen, de Egyptische, en van hunne wonderbare grafsteden, die vier duizend jaar oude pyramiden... Hij dringt er binnen en vindt er de momiën: dooden in hun doeken gewikkeld en opgedroogd, bewaard door de eeuwen! Hij wikkelt een van die momiën uit zijn lijklaken en bevindt dat dat de Egyptenaren hun voorname dooden in lijnwaad begroeven, fijn lijnwaad, zoo fijn “dat er nu op de wereld noch spinster noch wever meer is die ooit iet zou kunnen maken dat daar op trekt van de fijnheid, hoedanig proces wij sedert vier duizend jaar gedaan hebben.”
Dit oud lijnwaad, door de Egyptenaars vervaardigd, hiet Sindon, Bussos of Bryssus, een woord dat beteekent wit. Zuiveren Sindon gebruikte Jozef van Arimathiën om 't Lichaam Christi in te begraven, en, daar men in die tijden de lichamen der heiligen aldus begroef, zijn nog vele van onze relikwiën , van de oudste, in Sidon gewonden of zijn zelve byssus, of in 't Vlaamsch lijn of lijnwaad. EgypteVlas Het is niet geweten hoe de Egyptenaars hun linnen zoo fijn hebben kunnen maken, maar dat zet 't vlas bewerkten en tamelijk ervaren bewerkten bewijzen hunne grafmonumenten: ten bewijze het grafbeeld hierbij, dat gevonden werd in het monument waarschijnlijk van eenen Byssus of vlashandelaar van dien tijd.

(Naar het begin van de volgende kolom)

  Immers, de Egyptenaren schreven hunne doodsberichten van dien tijd niet in letters, maar in beeldschrift of hyeroglyphen.

De slijting was dus in Egypte nagenoeg dezelfde als nu, “en,” voegt de schrijver er bij “wie weet of die werkzame Egyptenaren dan ook geen slijtfeest1 en hielden, als 't werk gedaan was.” Wij hebben dit voor bij 't volk uit Egypte, dat we door het kijkglas de allerfijnste gehekelde vlasvezelkens, de fijnste van al, gelijk grof zeilgaren kunnen zien. “De taaie standvastigheid waarmee 't volk van Pharao de pyramieden gebouwd heeft, en de aanhoudende vlijt waarmee de Egyptische vlasnijveraars 't lijnlaken of lijnwaad van fijn tot fijnder en van fijnder tot allerfijnst gemaakt hebben, is uit de wereld. De wete is niet verloren, 't is de wille die niet meer te vinden en is.” De Egyptenaars, zooals men wederom zien kan in de grafteekeningen kenden ook onze (oude Vlaamsche) manier om het vlas te rooten in de rootputten.

* * *

LeieTeKortrijk Ons vlas, dat ook lijn moet geheeten hebben, vergelijkt hij daarna met het gemeene vlas, dat in Ierland met gespannen koorden aan stokken recht gehouden wordt; met het Siberisch vlas, dat overwintert; 't is te zeggen dat gesneden wordt, en niet getrokken of gesleten; de wortel blijft in den grond, om met het naaste voorjaar weer uit te schieten en eene nieuwe beladige te geven, die bestaat uit hairels, of liever stijlen van 4 of 5 voet hooge, waar sterke bokken blommen en zaad aan groeien. En hij besluit:
“Het beste vlas van geheel de wereld is ons vlas, en 't ware verloren inkt en papier verkwist, moest ik den Vlaming hiet trachten wijs te maken 't gene hij zoo wel wijs is, te weten de maniere om het te zaaien, te slijten, enz...”
“Bij alle volkeren is onze vlasnijverheid eene bewondering en men leest niet zelden, in 't Engelsch of in 't Duitsch, ja in 't Russisch en in 't Turksch, wondere dingen over Vlaanderen die men niet en weet hoe zij ze achterhaald of aaneengedriegd hebben.”
De tweede beschouwing eindigt hij met de beschrijving van een vlashekken, en noemt dit “eene nieuwe maniere” om het vlas te rooten.

* * *

LeieSpoorwegbrug In een derde beschouwing beschrijft hij de bewerking van het vlas in de fabriek zooals ze toen ten tijde bestond. Hier slaat de dichter er zijne taal door; het hoofdzakelijke van de bewerking was in de jaren '60 wat het nu nog is, min de volmakingen die de moderne uitvindingsgeest aan de machienen heeft aangebracht, en hij beschrijft het nauwkeurig. Doch, wat hem hier vooral aan het hert pakt, is de schoone menschengeest die hier vernietigd wordt, de edele menschenziel, Gods meesterwerk, die dienbaar wordt gemaakt en verknecht aan den god des geldgewins. En hij vindt hier even zoo roerende tonen, als bij zijne beschrijving van de stad in zijn kerkhofblommen:

“Nu moet ik den lezer of de lezeresse wederom uit den hoek van den heerd brengen om 't vlas te gaan volgen tot in die schrikkelijke hoopen gebakken steen, waarboven eene hooge schouw staat, die gedurig zwarte wolken rook naar den hemel spuigt. Ah! laat alle hope op gezondheid van ziel en lichaam varen, gij, jonge dochter of jonkknecht, die hier binnen treedt, zoo, bij den dwang van den waterdamp en de zucht des geldwinnens, ook de verkoelende asem en de hemeldauw van religie niet bekend is.
Gij heiligen gods die vrijwillig de dienaars en de apostelen geworden zijt van de wilden en de zwarte slaven, zendt uit het hoogste des Hemels uwen geest terug bij ons, en er worde ook een apostel der fabrieken, waar de verlatenste wilden en de zwartste slaven huizen van al. Ziet daar staan ze: hun meester is het tandwiel dat de stoom in snelle beweging houdt. 't En zal niet stil houden ―'t en heeft geen hert― 't is ijzer, af kraakte 't de gebeenderen van het kind dat er bij staat. Blijde liederen zingen bij dat wiel? De storm ziet zelve, een helsch gerucht, dat alles uitdooft, tot de fijnheid van 't gehoor zelve die den mensch voor muziekgenot ontvankelijk maakt; vrije lucht inasemen, en, met den wisselenden arbeid van ziel en lichaam, gansch het menschelijk wezen vooruitbrengen en gezond doen peinzen en leven? Neen: staan, en eene onverstandige altijd herhaalde beweging doen, de machine van de machine zijn, de slaven van een stuk ijzer.
Men misprijst den boer die de onfaalbare wetten van Gods wijsheid studeert in den ongedrukten boek der altijd heerlijke scheppinge! Hier kijkt gij binnen het werk van den mensch, in zijne scheppingen, in het mirakel der negentiende eeuw.”

En nu zijn we in de twintigste! Wat zou hij nu geschreven hebben, nu dat wij de bittere pil te smaken hebben van des menschen schepping, nu dat de fabriek haar werk heeft gedaan: het geloof en de kristelijke liefde gedoofd; den eenigen schat in het hert van die machine der machienen, nu dat de werker toch zoo scherp tegenover zijnen werkgever staat, nu... maar, we schrijven over het vlas in Vlaanderen.

Caesar2 Gezelle



Voetnoot

...slijtfeest1
...met lekkere slijtpap, die enkel ter gelegenheid van het slijtfeest gemaakt werd; aldus moeder zaliger. (Pros)
...Caesar2
een neef van Guido (Pros)


Vorige: Garnaalvisschers.   Omhoog: België.   Volgende: 't Vlas in Vlaanderen II.
Inhoudsopgave Index

Valid HTML 4.01 Transitional

Pros Robaer - 2009