|
“Ik vrees voor Vlaanderen niet,” zei Keizer Karel
“zoolang er aldaar velden zijn om er vlas op te kweeken, en vingers om het te spinnen, en armen om het te weven; de Vlamingen zullen altijd rijk zijn zoolang men zijne spinsters de vingers niet afsnijdt.”
Nog immer zijn daar de velden in Vlaanderen; nog immer, door de
zomermaanden heen wuift er 't vluwhaarde vlas op; vingeren zijn
er, in ongetal, die 't spinnen; armen, ten overvloede, die het
weven, en, er is nog iets meer dan in Karel des Keizers tijd,
nu na volle vier honderd jaar, spuwen langs de Leyeboorden, van
Comen tot in Gent, “menige hooveerdige schouwen zwarten rook
in 't aangezicht des Hemels, menig werkhuis davert er onder 't
onzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier gebonden
liggenden dampreus, en joelt jammerlijk van de schijverende
raders, van de ronkende riemen, van het gezwets, het geklaag,
het gelach, 't gefluit en ―God vergeve 't hun!― 't gevloek
van eenen samenroerenden menschenzwerm.” Vlaanderen 's
spinsters hebben nog immer vlugge vingers, en Vlaanderen is
rijk!
Nee, er valt voor Vlaanderen niet te vreezen, zoolang aldoor de
heerlijke landouwen van ons landeken kleen ―en oh! 't en is
maar één!― mag drijven de volle ader van zijn hertebloed,
de stroom die Vlaanderens rijkdom binnendraagt en buitenvoert,
the Golden river, de schoone Leye!
Jordane van mijn hert
en aderslag mijns levens,
o Leye, o vlaamsche vloed,
lijk Vlaanderen, onbekend,
hoe overmachtigt mij
de mate uws vreugdegevens,
wanneer ik sta en schouwe,
uw vrijen boord omtrend!
Hoe vaart gij welgemoed,
de malsche meerschen lavend
met blijde vruchtbaarheid
te Scheldewaart, en voort
ten Oceaan, u, zelf
een diepe vore gravend ,
die 't oude vrije land
van Vlaanderen toebehoort.
Wat zijt ge schoone, o Leye,
Als 't helderblauwe laken
der hemeltente wijd
en breed is uitgespreid,
en dat, uit heuren throon
de felle zunne, aan 't blaken
vertweelingt heur gezichte
in uwe blauwigheid!
Tijdkrans, Guido Gezelle.
Wie is er die gewagen kan van 't vlas en van de Leye en van
Vlaanderen, en niet gedenken den zanger van deze drie
kostelijke panden? Wie kan er over spreken en vergeten dat hij
de maker is van 't schoonste wat ooit in woorden werd erover
uitgebracht? Hij had ze innig lief, zijne Leye, hij bezocht
ze elken dag en meermalen daags en hij heeft ze bezongen in al
haar verschillend aanschouwen. Te schoon is het Leye landschap,
dan dat het hem ongeroerd zou laten, te verlokkelijkgansch het
verloop der der vlasbewerking vanaf het blinkend zaadje tot het
spierwit linnen “op de borst van jonk- en schoonheid
bloeiend!” En vroeg reeds, zes jaar voor hij naar Kortrijk zou
komen wonen, had hij 't vlas al bij zijne pele en vertelde hij
ervan, naar zijn eigen gemoedelijken trant aan zijne lezers in
“Rond den Heerd” (Eerste jaargang 1866). Wat kunnen we
beters, voor ons eerste praatje over 't vlas, dan af te
luisteren wat hij erover wist.
Handelend over graven en grafsteden komt hij te gewagen van de
oudste beschaving die wij kennen, de Egyptische, en van hunne
wonderbare grafsteden, die vier duizend jaar oude pyramiden...
Hij dringt er binnen en vindt er de momiën: dooden in hun
doeken gewikkeld en opgedroogd, bewaard door de eeuwen! Hij
wikkelt een van die momiën uit zijn lijklaken en bevindt dat
dat de Egyptenaren hun voorname dooden in lijnwaad begroeven,
fijn lijnwaad, zoo fijn “dat er nu op de wereld noch spinster
noch wever meer is die ooit iet zou kunnen maken dat daar op
trekt van de fijnheid, hoedanig proces wij sedert vier duizend
jaar gedaan hebben.” Dit oud lijnwaad, door de Egyptenaars
vervaardigd, hiet Sindon, Bussos of Bryssus, een
woord dat beteekent wit. Zuiveren Sindon gebruikte Jozef van Arimathiën om 't Lichaam Christi in te begraven, en, daar
men in die tijden de lichamen der heiligen aldus begroef, zijn
nog vele van onze relikwiën , van de oudste, in Sidon
gewonden of zijn zelve byssus, of in 't Vlaamsch lijn of
lijnwaad.
Het is niet geweten hoe de Egyptenaars hun
linnen zoo fijn hebben kunnen maken, maar dat zet 't vlas
bewerkten en tamelijk ervaren bewerkten bewijzen hunne
grafmonumenten: ten bewijze het grafbeeld
hierbij, dat gevonden werd in het monument waarschijnlijk van
eenen Byssus of vlashandelaar van dien tijd.
(Naar het begin van de volgende kolom)
| |
Immers, de Egyptenaren schreven hunne doodsberichten van dien
tijd niet in letters, maar in beeldschrift of hyeroglyphen.
De slijting was dus in Egypte nagenoeg dezelfde als nu, “en,”
voegt de schrijver er bij “wie weet of die werkzame
Egyptenaren dan ook geen slijtfeest1 en hielden, als 't werk
gedaan was.” Wij hebben dit voor bij 't volk uit Egypte, dat
we door het kijkglas de allerfijnste gehekelde vlasvezelkens,
de fijnste van al, gelijk grof zeilgaren kunnen zien. “De
taaie standvastigheid waarmee 't volk van Pharao de pyramieden
gebouwd heeft, en de aanhoudende vlijt waarmee de Egyptische
vlasnijveraars 't lijnlaken of lijnwaad van fijn tot
fijnder en van fijnder tot allerfijnst gemaakt hebben, is uit
de wereld. De wete is niet verloren, 't is de wille die niet
meer te vinden en is.” De Egyptenaars, zooals men wederom zien
kan in de grafteekeningen kenden ook onze (oude Vlaamsche)
manier om het vlas te rooten in de rootputten.
Ons vlas, dat ook lijn moet geheeten hebben, vergelijkt hij
daarna met het gemeene vlas, dat in Ierland met gespannen
koorden aan stokken recht gehouden wordt; met het Siberisch
vlas, dat overwintert; 't is te zeggen dat gesneden wordt, en
niet getrokken of gesleten; de wortel blijft in den
grond, om met het naaste voorjaar weer uit te schieten en eene
nieuwe beladige te geven, die bestaat uit hairels, of liever
stijlen van 4 of 5 voet hooge, waar sterke bokken blommen en
zaad aan groeien. En hij besluit:
“Het beste vlas van geheel de wereld is ons vlas, en 't ware
verloren inkt en papier verkwist, moest ik den Vlaming hiet
trachten wijs te maken 't gene hij zoo wel wijs is, te weten de
maniere om het te zaaien, te slijten, enz...”
“Bij alle volkeren is onze vlasnijverheid eene bewondering en
men leest niet zelden, in 't Engelsch of in 't Duitsch, ja in
't Russisch en in 't Turksch, wondere dingen over Vlaanderen
die men niet en weet hoe zij ze achterhaald of aaneengedriegd
hebben.”
De tweede beschouwing eindigt hij met de beschrijving van een
vlashekken, en noemt dit “eene nieuwe maniere” om het vlas te
rooten.
In een derde beschouwing beschrijft hij de bewerking van het
vlas in de fabriek zooals ze toen ten tijde bestond. Hier slaat
de dichter er zijne taal door; het hoofdzakelijke van de
bewerking was in de jaren '60 wat het nu nog is, min de
volmakingen die de moderne uitvindingsgeest aan de machienen
heeft aangebracht, en hij beschrijft het nauwkeurig. Doch, wat
hem hier vooral aan het hert pakt, is de schoone menschengeest
die hier vernietigd wordt, de edele menschenziel, Gods
meesterwerk, die dienbaar wordt gemaakt en verknecht aan den god
des geldgewins. En hij vindt hier even zoo roerende tonen, als
bij zijne beschrijving van de stad in zijn kerkhofblommen:
“Nu moet ik den lezer of de lezeresse wederom uit den hoek van
den heerd brengen om 't vlas te gaan volgen tot in die
schrikkelijke hoopen gebakken steen, waarboven eene hooge schouw
staat, die gedurig zwarte wolken rook naar den hemel spuigt. Ah!
laat alle hope op gezondheid van ziel en lichaam varen, gij,
jonge dochter of jonkknecht, die hier binnen treedt, zoo, bij
den dwang van den waterdamp en de zucht des geldwinnens, ook de
verkoelende asem en de hemeldauw van religie niet bekend is.
Gij heiligen gods die vrijwillig de dienaars en de apostelen
geworden zijt van de wilden en de zwarte slaven, zendt uit het
hoogste des Hemels uwen geest terug bij ons, en er worde ook
een apostel der fabrieken, waar de verlatenste wilden en de
zwartste slaven huizen van al. Ziet daar staan ze: hun meester
is het tandwiel dat de stoom in snelle beweging houdt. 't En
zal niet stil houden ―'t en heeft geen hert― 't is ijzer,
af kraakte 't de gebeenderen van het kind dat er bij staat.
Blijde liederen zingen bij dat wiel? De storm ziet zelve, een
helsch gerucht, dat alles uitdooft, tot de fijnheid van 't
gehoor zelve die den mensch voor muziekgenot ontvankelijk
maakt; vrije lucht inasemen, en, met den wisselenden arbeid van
ziel en lichaam, gansch het menschelijk wezen vooruitbrengen en
gezond doen peinzen en leven? Neen: staan, en eene
onverstandige altijd herhaalde beweging doen, de machine van de
machine zijn, de slaven van een stuk ijzer.
Men misprijst den boer die de onfaalbare wetten van Gods
wijsheid studeert in den ongedrukten boek der altijd heerlijke
scheppinge! Hier kijkt gij binnen het werk van den mensch, in
zijne scheppingen, in het mirakel der negentiende eeuw.”
En nu zijn we in de twintigste! Wat zou hij nu geschreven
hebben, nu dat wij de bittere pil te smaken hebben van des
menschen schepping, nu dat de fabriek haar werk heeft gedaan:
het geloof en de kristelijke liefde gedoofd; den eenigen schat
in het hert van die machine der machienen, nu dat de werker toch
zoo scherp tegenover zijnen werkgever staat, nu... maar, we
schrijven over het vlas in Vlaanderen.
Caesar2 Gezelle
|