Gepubliceerd op 1 juni 1912
|
Een ware voldoening, een vreugd, ja, was het voor mij, toen de
Opstellers van dit blad mij verzochten iets te schrijven over
den man, wiens beeltenis, naar een geschilderd portret van Modest Huys, vandaag in “Ons
Volk” te pronk gezet wordt. Victor Delille is iemand die mag en moet staan in de bovenste rij, onder de vele Vlamingen, welke, in deze laatste jaren, hun beste pogen hebben aangewend om Ons Volk te doen ontwaken; zijne stambewustheid weder op te wekken, naar schoonheid, kunstzin en kunstgenot, naar Vlaamsche en christelijke beschaving. Ons Volk, ons Vlaamsch Volk heeft toch, ten huidigen dage, veel minder nood aan stoffelijk dan wel aan geestes-brood.
Het teeken dat in de Middeleeuwen gold als het voornaamste van
's lands stoffelijke welvaart, namelijk: dat alle Volk, groot
en klein, er alle dagen wittebrood kon eten is, in dit, ons
Vaderland, wel duidelijk genoeg en haast overal te zien; doch
even bar-helder blijkt het eilaas dat de ware volksbeschaving,
de kiesche fijnheid van geest en gemoed, te midden van zooveel
slim-, sluw- en geleerdheid van velen, bijlange geen gelijken
tred hield met den stoffelijken vooruitgang der natie,
bijzonderlijk nog wel bij de overwegende helft daarvan, bij
onzen eigen Vlaamschen stam.Al is er nu vrij overal wittebrood in de schapraai en ook wel boter om er op te smeeren, een schapraai waar het geestesbrood voor 't pakken ligt, het boekenrek, dat ge in Engeland, Duitschland, Holland ook, overal vindt, in stad en te lande, dit is bij ons, in Vlaanderen, nog zoo zeldzaam bij het gewone volk als een witte merel onder de vogelen. Hendrik Conscience leerde zijn Volk lezen; Peter Benoit leerde het zingen ― zoo luidt de korte lofspraak op die groote dooden. Later zal men daar nog kunnen bijvoegen: Victor Delille leerde zijn Volk... boeken koopen. Ja, boeken koopen! Wie vond daar, buiten een paar honderd of twee menschen, altijd dezelfden, zijn gading in, hier ten lande, over pas 15 jaar? Pastoors, onderwijzers en eenige andere standvlamingen onder de burgerij kochten wel eens een Vlaamsch boek, en ze waren al zeer blij zoo eenige menschen het wilden in bruikleen aanveerden, opensnijden en doorbladeren; in de stad en op sommige dorpen bestond er een schijn van volksboekerij met, neven Conscience, de Sniedersen en eenige andere schrijvers, wat verouderden of al te flauwen rommel, goed om iemand die den slaap verloren had, tot slapen te dwingen. Hoe luttel tijds is het geleden dat Guido Gezelle's Tijdkrans en Rijmsnoer, waren het 6 of 12 afdruksels? door een Brugsche boekhandelaar werden teruggezonden aan den uitgever dier ontsterfelijke meesterzangen, met het bericht dat het onmogelijk was zulke boeken aan den man te brengen in Vlaanderen! En ik herinner mij nog zoo wel de kinderlijke blijdschap, de verrukking als voor een geschied wonder, waarmee de grootste ederlandsche dichter onzer tijden mij zei, dat na 't verschijnen van zijn Rijmsnoer bij J. De Meester, te Rousselaere: “'k Hebbe vijf honderd frank gekregen voor mijnen boek”. 't Was de eerste maal van zijn leven dat Guido Gezelle een duit verdiende met zijn dichtwerk en hij hield dit nog voor een edelmoedige jonste van zijn uitgever.
Zoo stonden hier de zaken: de schrijvers schreven voor de eer en
bekostigden zelf die eer; de lezers lazen boeken om de
schrijvers “plezier te doen”, maar zonder er in de verste
verte ooit aan te denken, boeken te koopen! Nee, hoor! Doch
luister nu... “Dat is nu Stijn Streuvels' Lenteleven. Hebben wij te veel beloofd, toen we zegden dat, met den derden jaargang, de Duimpjesuitgave een gansch nieuw leven inging? We moeten voor Vlaanderen iets maken dat al de naburige landen sedert lange jaren reeds bezitten... Ineens tot de hoogte reiken der Engelsch-Duitsche Tauchnitz-edition, de Bibliothek der Gesamtlitteratur, der Guldenseditie, enz. kan niet. Maar de Duimpjesuitgave is zoo ingericht dat wij er naartoe gaan op de zekerste wijs: het is eene ononderbroken uitgaaf, daardoor de voordeelen genietende der periodieken in zake de postverzending, en de inschrijfprijs is zeer laag.” Met de blijde intrede van Streuvels' Lenteleven ging de aandacht van al wie naar nieuw en gezond leven trachtte, in Vlaanderen, niet alleen naar den jongen schrijver, maar ook naar de Duimpjesuitgave zelf. Er werd nog al gekeven op en gekibbeld over sommige “ruwheden” van Streuvels' schetsen... Doch iedereen erkende dat er een nieuwe lente ontstaan was in Vlaanderen, en dat die dorpsdrukker van Maldeghem meer gedaan had om ze uit te roepen in 't land dan al die “Beschermers der fraaie letteren” te samen! En om te toonen dat hij het goed meende, dat hij, als gewetensvol christen die hij was, geenszins gevaarlijken kost voor geloof en christene zeden wilde doen slikken aan het Volk, vroeg Victor Delille zelf aan eenige mannen en vrouwen uit het vlaamsch-katholiek letterkundig kamp, dat zij zouden een Duimpjesraad inrichten, die zich zou gelasten met het geestelijk toezicht over zijne uitgave. |
Deze Raad ontstond weldra; en ik moet
getuigen dat de Uitgever der Duimpjesuitgave zich steeds
onderwierp aan zijn beslissingen, wanneer er gevaar voor
“malheuren” was. Hij ging wel zijn vrijen gang, gelijk het past aan een man die op zijn eigen wil staan; doch hij liep nooit buiten schreef en legde christelijk-ootmoedig zijn kop neer als de raad neen schudde op zijne voorstellen van dezen of dien schrijver te drukken, die zijn onchristelijk werk onder de Duimpjesvlag wou binnensmokkelen bij 't Duimpjespubliek. Maar de Raad zelf deed aan geen kwezelarij; en zoo gebeurde het dat het grootste getal der jonge schrijvers van beteekenis, die in de laatste jaren in Vlaanderen opstonden, door bemiddeling der Duimpjesuitgave zich konden bekend maken aan een uitgelezen en betrekkelijk groot publiek, en zoo hun eerste letterkundig werk eerlijk betaald kregen. En zoo kwamen opvolgentlijk aan de beurt, in de Duimpjesuitgave: Hilda Ram zaliger, de fijne volksschrijfster die haren rechten weg van vertelster maar pas gevonden had toen de Heer haar tot Hem riep, met De Familie Schrikkel, een roman in twee wat àl te lijvige deelen; die onvergetelijke en zoo fijnbegaafde, arme Emiel De Grave, de vriend en studiemakker van Victor Delille, die, toen Delille te Eekloo naar 't college ging, alle dagen met hem een eindje meeliep, tot aan de Balgerhoeke, waar zijne grootmoeder woonde. En dan gebeurde het dikwijls dat de beide volksjongens, langs den zoom van het sparrebosch, elkander hunne eerste opstellen voorlazen. Sparrenegels van De Grave volgde op De Familie Schrikkel. Zoo leverde de derde jaargang der Duimpjesuitgave het eerste werk van den onsterfelijken Stijn Streuvels en ook de bijna laatste pennevruchten van twee onvergetelijke en steeds gemiste volksschrijvers. Doch nieuwe, jeugdige schrijvers van beteekenis namen de taak der verdwenenen op. Louisa Duykers leverde in de Duimpjes haren roman “Hooger Vlucht” die sindsdien, in dezelfde uitgave, gevolgd werd door “Langs verschillende paden”, en “Lena”, in welke romans deze bedeesde maar talentvolle ontleedster van het vrouwenleven een hoogere vlucht neemt. En zoovele andere jongeren van beteekenis, de denker en onvermoeibare werker voor 't goed van 't volk, hoogleeraar Vliebergh; de fiere “Germaan” Omer Wattez; de fijne Coopman Thz.; de allerkeurigste Anna Germonprez, die, eilaas! veel te weinig meer van zich laat hooren; de eigenaardige westvlaamsche “onderpaster” Mervillie; de schenker van veel schoonheid in kleine geuten, Maurits Sabbe, wiens beroemd geworden Mei van vroomheid zooveel meivreugd bracht aan de Duimpjeslezers; de volksdichter René De Clercq, die nu ook al bij de grooten moet gerekend worden; de renaissance-achtige fijnproever Karel Van den Oever; de heraut der Vlaamsche Letterkunde in Holland, het vinnig, fijn en door-knap paterke Linnebank, wiens edel- en hooggevoelig hart ten minste voor de helft aan Vlaanderen geschonken werd; de zeer veel belovende Jozef Arras met zijn “Gekke Sprookjes” die lang niet gek en klinken, de krachtige Gustaaf Vermeersch, de heel-oorspronkelijke Felix Timmermans, die wel de Vlaamsche Poe schijnt te zullen worden; mijn twee begaafde, wakkere en werkzame Limburgsche gouwgenooten Alfons Jeurissen en Lambrecht Lambrechts; Free Fritz, die niet en lost vooraleer hij zal bewezen hebben dat de roskam van Stijn Streuvels hem goed gedaan en gezond gemaakt heeft; Omer Karel De Laey, de hoogbegaafde, eigenaardige, westvlaamsche humorist en dichter dien wij verloren hebben; en anderen, en anderen nog! Werden zij niet allen in duurzame betrekking gesteld met hen die zij zochten en noodig hadden, met hun gezond, weer-opwakend, bloedeigen Vlaamsche volk ―waaruit zij gesproten zijn als heerlijke pronkbloemen― door dien durver, dien edelmoedigen, dien breedzienden volksman, Victor Delille?
Onze Kop
Deze machtsspreuk, door Delille gevonden en, sterker elken keer,
uitgeroepen in het strijdblad van dien naam, weeral door hem
geschapen, bewijst zij niet dat die Volksman, met zijn gezond
verstand en zijne onwrikbare overtuiging, een breeden, harden
steen zal bijgebracht aan den grondslag de Vl. Hoogeschool die
er, spijts alles, zal en moet komen, ter eindelijke bekroning
van onzen strijd om eigen hooger Vlaamsch leven voor gansch het
Volk van Vlaanderen?
* * *
En nu zou het toch zonde zijn en een onvergeefbare vergetelheid, zoo ik u hier ook niet begroette en bedankte in naam van gansch Vlaanderen, gij flinke, brave, en wakkere Mevrouw Delille, gij fiere moeder van acht bloeiende Vlaamsche jongens, echte en weerdige wederhelft, vrome steun van uwen kloeken echtgenoot! Was het Gods beschik niet dat gij, door een dichtje op Ledeganck, kennis kreegt met uwen Victor, en aldus toondet de geboren weerga te moeten worden van den dichterlijk aangelegden stichter der Duimpjesuitgaven? Gij zijt de frissche, stille, ootmoedige en reine bron van zijn geluk, van zijn werkkracht en zijn levenslust! Niet zelden neemt gij de pen op in “'t Getrouwe”, stort gij er in uit de fijne teergevoeligheid van uw vrouwe- en moederhart. Gij zijt onder de vrouwen van Vlaanderen, die men van beteekenis heet, eene der allereerste! En dit zeg ik nu, buiten uwe verwachting en tegen uwen wensch, wellicht? Het mag niet waar blijven dat de ootmoedige en stille opbouwers van onze vaderlandsche grootheid altijd maar doodgezwegen worden! August Cuppens, pr.
|